HR, 12-07-2013, nr. 13/01793
ECLI:NL:HR:2013:CA1741
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12-07-2013
- Zaaknummer
13/01793
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:CA1741, Uitspraak, Hoge Raad, 12‑07‑2013; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:CA1741, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2013:CA1741, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 24‑05‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:CA1741, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 12‑07‑2013
Partij(en)
12 juli 2013
Eerste Kamer
nr. 13/01793
RM/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoeker],wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. M.A.R. Schuckink Kool.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
het vonnis in de zaak 16/09/346 R van de rechtbank Midden-Nederland van 15 januari 2013;
het arrest in de zaak 200.120.474 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 maart 2013.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [verzoeker] heeft bij brief van 5 juni 2013 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en G. de Groot, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 12 juli 2013.
Conclusie 24‑05‑2013
Zaaknummer: 13/01793 (WSNP)
mr. J. Wuisman
Zitting: 24 mei 2013
Conclusie inzake:
[verzoeker]
verzoeker tot cassatie,
advocaat: M.A.R. Schuckink Kool
1. Voorgeschiedenis((1))
1.1 Bij vonnis van 16 december 2009 heeft de rechtbank Utrecht de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van verzoeker tot cassatie uitgesproken. Op 27 november en 17 december 2012 heeft de in artikel 352 Fw bedoelde terechtzitting plaatsgevonden waarop de beëindiging van de regeling is behandeld. In het daarop volgende vonnis d.d. 15 januari 2013 heeft de rechtbank Midden-Nederland - met voorbijgaan aan het advies van de bewindvoerder tot verlenging van de regeling - beslist tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder verlening van 'de schone lei'. Deze beslissing stoelt op de gronden dat (a) verzoeker tot cassatie de bewindvoerder niet in kennis heeft gesteld van de ontvangst van drie éénmalige pensioenbedragen van in totaal € 4.341,86 en (b) dat hij die bedragen naar eigen inzicht heeft besteed - (naar zeggen van verzoeker onder meer € 1300,- voor reparatie van dak van woning van in Honduras wonende echtgenote; € 500,- voor levensonderhoud van deze echtgenote; € 1400,- ter voldoening van een schuld aan een eveneens in Honduras wonende broer; € 175,- voor aankoop tweedehands wasmachine) - en daarmee de schuldeisers heeft benadeeld.
1.2 In appel heeft het hof Arnhem-Leeuwarden bij arrest van 28 maart 2013 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Daartoe overweegt het hof in rov. 3.3 onder meer: "Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [verzoeker tot cassatie] verklaard dat hij zich, op het moment dat hem - tijdens de schuldsaneringsregeling - in een korte tijdsbestek drie keer een éénmalige pensioenuitkering werd toegekend, in tegenstelling tot hetgeen hij daaromtrent in het beroepschrift heeft gemeld, weldegelijk realiseerde dat hij de ontvangst van die bedragen bij de bewindvoerder diende te melden en dat die bedragen bovendien in het kader van de wettelijke schuldsaneringsregeling op de boedelrekening diende te storten. Ondanks die wetenschap heeft hij nagelaten de ontvangst van die bedragen te melden en die bedragen op de boedelrekening te storten. Korte tijd later is hij naar zijn in Honduras woonachtige echtgenote afgereisd en heeft hij aldaar de desbetreffende pensioenuitkering vrijwel geheel aangewend voor een schenking aan zijn echtgenote, een reparatie aan het dak van de woning van die echtgenote en ter aflossing van een schuld aan zijn eveneens in Honduras woonachtige broer. Deze handelwijze dient [verzoeker tot cassatie] ernstig te worden aangerekend. [Verzoeker tot cassatie] heeft zijn verklaring ter zitting in hoger beroep dat hij voornemens was om het aan hem uitgekeerde pensioenbedrag te zijner tijd alsnog ten gunste van de boedel te laten desgevraagd onvoldoende nader toegelicht. (...) Dat [verzoeker tot cassatie] inmiddels een bedrag - van € 3.940,60 - heeft gereserveerd om de benadeling van de schuldeiser op te heffen (welk bedrag hij overigens niet op de boedelrekening heeft overgemaakt) doet aan dit verwijt en de zich niet met de schuldsaneringsregeling verenigbare gedragingen van [verzoeker tot cassatie] onvoldoende af. (...) Het hof ziet, ondanks de instemming van de bewindvoerder, evenmin aanleiding voor toewijzing van het verzoek van [verzoeker tot cassatie] om de regeling te verlengen."
1.3 Tegen het arrest van het heeft verzoeker tot cassatie tijdig cassatieberoep ingesteld.((2)) Van het voorbehoud om het verzoekschrift tot cassatie aan te vullen indien het alsnog te ontvangen proces-verbaal van de hoorzitting bij het hof daartoe aanleiding geeft, is geen gebruik gemaakt.
2. Bespreking van de cassatieklachten
2.1 Er zijn in het verzoekschrift tot cassatie vijf cassatieklachten aangevoerd. Deze klachten stranden op het navolgende.
2.2.1 Zoals uit het hierboven in 1.2 opgenomen citaat blijkt, acht het hof - evenals de rechtbank - verlenging van de schuldsaneringsregeling en verlening van de schone lei niet op zijn plaats, omdat de handelwijze van verzoeker tot cassatie met betrekking tot drie door hem ontvangen éénmalige pensioenuitkeringen hem ernstig is aan te rekenen. Dat ernstig aanrekenen vloeit mede hieruit voort dat verzoeker tot cassatie bewust in strijd met de op hem rustende verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling heeft gehandeld. Die omstandig-heid weegt het hof af tegen de omstandigheid dat inmiddels aan de zijde van verzoeker tot cassatie een bedrag is gereserveerd om de benadeling van de schuldeisers op te heffen. Deze weging geeft het hof geen aanleiding om niet langer bepaald verwerpelijke gedrag aan de kant van verzoeker tot cassatie aan te nemen. Het betreft hier een waardering van omstandigheden, waaruit niet van een onjuiste rechtsopvatting blijkt en waarvan ook niet kan worden gezegd dat het hof daarmee een niet voldoende gemotiveerd oordeel geeft. Immers, ook al kan de reservering ertoe leiden dat de schuldeisers uiteindelijk toch niet worden benadeeld, niettemin blijft gelden dat de verplichting om de bewindvoerder van de ontvangst van de drie pensioenuitkeringen in kennis te stellen en de verplichting om die uitkeringen meteen aan de boedel af te dragen bewust zijn geschonden. Daar komt nog bij dat de maatregel om de benadeling van de schuldeisers ongedaan te maken pas is getroffen na het aan het licht treden van de schending van genoemde verplichtingen.
2.2.2 Ingevolge artikel 349a lid 3 Fw 'kan' de rechtbank - (of in appel: het hof) - ambtshalve of op verzoek van de bewindvoerder in het kader van artikel 352 Fw de termijn van de schuldsaneringsregeling verlengen. Uit het gebruik van het woord 'kan' valt af te leiden dat het hier een discretionaire bevoegdheid betreft. Dat het hof van die bevoegdheid geen gebruik maakt in een geval als het onderhavige waarin sprake is van een ernstig tekortschieten van de schuldenaar, is noch onjuist noch onbegrijpelijk te achten.
2.2.3 Zoals uit artikel 354 Fw volgt, kan ondanks het tekortschieten door de schuldenaar in de nakoming van verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling hem toch de 'schone lei' worden verleend, indien dat tekortschieten hem niet is toe te rekenen of, indien dat wel het geval is, dat tekortschieten wegens zijn bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing kan worden gelaten. Beide gevallen doen zich hier echter niet voor. Het hof acht immers ernstig verwijtbaar gedrag aanwezig.
2.2.4De in het kader van klacht 5 vermelde omstandigheid dat verzoeker tot cassatie vanwege zijn pensionering bijna geen werk kan vinden en geen enkele verdiencapaciteit meer heeft, brengt in het hiervoor in 2.2.1-2.2.3 gestelde geen verandering. Ondanks die omstandigheid heeft het hof tot ernstig verwijtbaar gedrag van verzoeker kunnen concluderen.
2.3Kortom, het cassatieberoep treft geen doel.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
1 Voor zover in cassatie relevant. Zie het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 15 januari 2013, het proces-verbaal van de op 21 maart 2013 bij het hof Arnhem-Leeuwarden gehouden zitting en het arrest van dit hof van 28 maart 2013.
2. Het verzoekschrift tot cassatie is per fax ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 5 april 2013, overeenkomstig de in art. 351 lid 5 Fw genoemde cassatietermijn van 8 dagen.