Conclusie van 6 februari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:101, onder 3.7.
HR, 14-05-2024, nr. 22/03658
ECLI:NL:HR:2024:661
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
14-05-2024
- Zaaknummer
22/03658
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:661, Uitspraak, Hoge Raad, 14‑05‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:234
ECLI:NL:PHR:2024:234, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 05‑03‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:661
Beroepschrift, Hoge Raad, 28‑04‑2023
- Vindplaatsen
JIN 2024/76 met annotatie van mr. C. van Oort
SR-Updates.nl 2024-0098
NJ 2024/274 met annotatie van H.D. Wolswijk
NTS 2024/34
Uitspraak 14‑05‑2024
Inhoudsindicatie
Zware mishandeling door een ander hard met vuist gericht op linkeroog te slaan, art. 302.1 Sr. Bewijsklacht. Heeft verdachte voorwaardelijk opzet gehad op toebrengen van zwaar lichamelijk letsel? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2003:AE9049 en HR:2018:718 m.b.t. voorwaardelijk opzet op gevolg. Uit bewijsvoering van hof volgt dat verdachte de aangever een op diens linkeroog gerichte harde vuistslag heeft gegeven, met zodanige kracht dat aangever zich nog net staande kon houden en daardoor fracturen in jukbeen en in botgebied tussen oogkas, neus en bijholte opliep. ‘s Hofs in zijn arrest besloten liggende oordeel dat vuistslag is gegeven op uiterst kwetsbaar deel van hoofd en dat verdachte onder die omstandigheden de ‘aanmerkelijke kans’ heeft aanvaard dat hij slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping. CAG: anders.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/03658
Datum 14 mei 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 september 2022, nummer 21-006723-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, advocaat in Rotterdam, en P. van Dongen, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring van zware mishandeling wat betreft het opzet ontoereikend is gemotiveerd.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 7 juni 2017, te Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden, aan [aangever] (geboren [geboortedatum] 2000) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus en een gebroken jukbeen, heeft toegebracht door met kracht met de gebalde vuist tegen het gezicht te stompen.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal van aangifte, pagina’s 15-16, zakelijk weergegeven inhoudende:Als verklaring van [aangever] , geboren op [geboortedatum] 2000 (jr):Op 7 juni 2017 stond ik op de Canadezenlaan in Leeuwarden. Ik stond op straat ter hoogte van de ingang van de parkeerplaats van de Jumbo om het verkeer tegen te houden zodat mijn vader met zijn vrachtwagen achteruit vanaf het Johannes Kolfplein de Canadezenlaan op kon rijden. Op een gegeven moment zag ik een donkerblauwe BMW met kenteken [kenteken] . De BMW reed op mij af. Ik stond tussen de daar gelegen vluchtheuvels in. Ik zag dat de BMW om mij en de vluchtheuvels heen reed, op de rijbaan tegen het verkeer in. Ik gebaarde dat de bestuurder rustiger moest rijden door mijn hand op en neer te bewegen. De BMW reed zo dicht langs mij dat ik hem raakte met mijn ring aan mijn rechterhand. Ik raakte de BMW op het rechter achterlicht. Hierna zag ik dat de BMW stopte en er een man uitstapte. Ik hoorde dat de man zei: ‘Wat zit je aan mijn auto.’ Voordat ik kon antwoorden, stond de man voor mij. Ik zag dat hij zijn rechtervuist balde. Ik zag dat hij zijn rechterarm naar achter bewoog. Ik (het hof voegt toe: zag) zijn vuist richting mijn linkeroog gaan. Kort hierna voelde ik pijn. Sinds de klap heb ik pijn aan mijn jukbeen, kaak en oog aan de linkerkant van mijn gezicht. Hierna kwamen mijn vader en oom naar mij en de man toe en begonnen tegen de man te schreeuwen. Ook hoorde ik een vrouw vanuit de auto van de man schreeuwen dat ze weg moesten gaan. Hierna stapte de man in zijn auto en reed hij weg. Hierna belde ik de politie.
2. Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina’s 20-21, zakelijk weergegeven inhoudende:
Als verklaring van [betrokkene 1] :Op 7 juni 2017 reed ik achter een vrachtwagen van [A] . De vrachtwagen reed (toevoeging hof: bij) de parkeerplaats van de Jumbo op het Johannes Kolfplein te Leeuwarden. De vrachtwagen reed half de weg op. Vanaf de linkerzijde kwam een BMW aan gereden. Ik zag dat de BMW linksom de vluchtheuvel reed om de vrachtwagen te passeren. De bijrijder van de vrachtwagen probeerde de BMW te stoppen en raakte met zijn hand de achterkant van de BMW. Ik zag dat de BMW stopte. Ik zag dat er een man uitstapte. Ik zag dat de man met zijn rechterhand de bijrijder van de vrachtwagen sloeg. De man sloeg met gebalde vuist de bijrijder hard in het gezicht. De chauffeur kwam erbij en er werd flink geschreeuwd. De vrouw die bij de BMW in zat, duwde de man weer terug de BMW in. Daarop stapte de man in en reed de man weg.
3. Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina’s 23-24, zakelijk weergegeven inhoudende:Als verklaring van [betrokkene 2] , geboren op [geboortedatum] 1958 (sr):Op 7 juni 2017 was ik samen met mijn zoon [aangever] , geboren op [geboortedatum] 2000, spullen aan het laden bij de Jumbo aan het Johannes Kolfplein te Leeuwarden. Toen wij klaar waren met laden, ging ik achter het stuur zitten om de vrachtauto achteruit de weg op te rijden. Mijn zoon [aangever] ging op straat staan om het verkeer tegen te houden. Toen ik mijn vrachtauto achteruit had gedraaid, stond ik met mijn vrachtauto op de ‘verkeerde’ baan. Ik zag dat van de andere kant op de Canadezenlaan een blauwe BMW aan kwam. Omdat ik zijn rijbaan blokkeerde, zag ik dat de bestuurder van de BMW de verkeerde kant van de vluchtheuvel langsreed om door te kunnen rijden. Op het punt waar hij langsreed stond mijn zoon het verkeer te regelen. Ik zag dat de BMW vlak langs mijn zoon reed. Ineens zag ik dat de bestuurder stopte en uitstapte. Ik zag dat de bestuurder op mijn zoon afliep en hem een vuistslag gaf met zijn rechtervuist. Ik zag dat de vuistslag op de linkerzijde van mijn zoons hoofd was. Ik zag dat mijn zoon bijna achterover viel en zich nog net staande kon houden. Ik zag dat de man wegreed. In het ziekenhuis zag ik dat mijn zoon een blauw oog kreeg. Ook zag ik dat het leek of hij een deuk in zijn jukbeen had. Ik hoorde dat mijn zoon klaagde over zijn kaak, jukbeen en linkeroog. Ik hoorde dat mijn zoon zei dat hij het zicht met zijn linkeroog niet scherp kreeg.
(...)
5. Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring, op 20 juni 2017 opgemaakt en ondertekend door drs. E.I. Hofstra, forensisch arts FMG, pagina’s 38-41, zakelijk weergegeven inhoudende:
Deze letselverklaring betreft een ‘vertaling’ van een medische brief, die werd opgesteld door dr. E.H. van der Meij, kaakchirurg van het MCL ziekenhuis te Leeuwarden, over [aangever] , op 7 juni 2017.
De kaakchirurg stelde bij onderzoek vast: een bloeduitstorting in en rond de oogkas links, met enige zwelling van de linker wang (wangkoon). Het gevoel van de huid onder het linkeroog was enigszins verminderd. Er was drukpijn aan de oogkasrand onder het linkeroog. Tevens drukpijn in de mond links buiten-boven-achter in de mond, als waar een 'trapje' gevoeld werd.Bij een beeldvormend CT-onderzoek van het aangezicht werd een jukbeenfractuur links met enige verplaatsing vastgesteld en een naso-orbito-ethmoidale fractuur links zonder verplaatsing (botgebied tussen oogkas, neus en bijholte).
De kaakchirurg stelt als behandeling voor: Operatieve behandeling van de jukbeenfractuur kan worden verricht teneinde een mogelijke afvlakking van de linker wangkoon, t.g.v. de verplaatsing van de jukbeenfractuur te voorkomen.
Op grond van de in de brief aangegeven letsels en voorgestelde behandeling concludeer ik als volgt: Er is sprake van meerdere fracturen in het aangezicht links met bloeduitstortingen, zwelling en zenuwirritatie ter plaatse.
Herstel: De verwachte herstelduur van het zichtbare letsel (zwelling en bloeduitstortingen): 6 weken.De verwachte herstelduur van het niet zichtbare letsel (fracturen en zenuwletsel): 6-8 weken na ontstaan, dan wel 6-8 weken na een eventueel te verrichten operatieve ingreep aan het jukbeen.Blijvend letsel: Blijvend letsel, te weten een afvlakking van de contour van de linker wang, is zeer wel mogelijk indien het jukbeen niet zal worden geopereerd.
Van de betrokken hoofdagent van politie, [verbalisant] , heb ik op 21 juni 2017 begrepen dat er inderdaad een operatie heeft plaatsgevonden.
6. Een proces-verbaal van de in het openbaar behouden terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland op 3 december 2018, parketnummer 18/720205.17, zakelijk weergegeven inhoudende:
Als verklaring van verdachte:Ik ben gestopt en wilde verhaal halen bij die man.
7. De verklaring van verdachte, op 15 september 2021 afgelegd ter zitting van het hof, zakelijk weergegeven inhoudende:
Ik heb [aangever] op 7 juni 2017 een klap gegeven.”
2.2.3
Het hof heeft over de bewezenverklaring verder overwogen:
“Naar het oordeel van het hof is er sprake geweest van voorwaardelijk opzet, gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - in dit geval zwaar lichamelijk letsel - is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg heeft aanvaard.
Door aangever met kracht een harde vuistslag tegen het gezicht te geven, heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij aangever zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Naar algemene ervaringsregels roept het geven van een harde vuistslag in het gezicht de aanmerkelijke kans in het leven dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel oploopt nu het hoofd een uiterst kwetsbaar lichaamsdeel is. Dat verdachte hard sloeg blijkt onder meer uit de verklaring van getuige [betrokkene 2] (sr.), inhoudende dat hij zag dat zijn zoon door de klap bijna achterover viel en zich nog net staande kon houden en de verklaring van getuige [betrokkene 1] . Dat verdachte gericht sloeg blijkt uit de verklaring van aangever waarin hij aangeeft dat verdachte voor hem stond, zijn rechterarm naar achteren bewoog en daarna met zijn vuist richting aangevers linkeroog ging.
Nu het algemene ervaringsregels betreft, heeft een ieder - en dus ook verdachte - wetenschap van het bestaan van deze aanmerkelijke kans. Het hof leidt uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen af dat verdachte sloeg, terwijl hij voor verdachte (de Hoge Raad begrijpt: aangever) stond en dat verdachte zijn vuist richting het linkeroog van aangever bracht en vervolgens hard sloeg. Het op deze wijze slaan door verdachte is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat hieruit volgt dat verdachte die aanmerkelijke kans op dit gevolg ook heeft aanvaard. Van contra-indicaties waaruit zou blijken dat verdachte die aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, is niet gebleken.
Op grond van voorgaande acht het hof bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.”
2.3.1
Bij de beoordeling van het cassatiemiddel moet het volgende worden vooropgesteld. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier zwaar lichamelijk letsel – is aanwezig wanneer de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.
2.3.2
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.
2.3.3
Voor de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo’n kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. In dat verband kunnen de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang zijn. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. (Vgl. HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049 en HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718.)
2.4
Uit de hiervoor onder 2.2.2 en 2.2.3 weergegeven bewijsvoering volgt dat de verdachte de aangever een op diens linkeroog gerichte harde vuistslag heeft gegeven, met zodanige kracht dat de aangever zich nog net staande kon houden en daardoor fracturen in het jukbeen en in het botgebied tussen oogkas, neus en bijholte opliep. Het in zijn arrest besloten liggende oordeel van het hof dat de vuistslag is gegeven op een uiterst kwetsbaar deel van het hoofd en dat de verdachte onder die omstandigheden de onder 2.3 bedoelde ‘aanmerkelijke kans’ heeft aanvaard dat hij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.
2.5
Het cassatiemiddel faalt.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 mei 2024.
Conclusie 05‑03‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Art. 302 Sr. Feit van algemene bekendheid. Slagend middel over oordeel hof dat geven van harde vuistslag in gezicht naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans in het leven roept dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel oploopt nu het hoofd een uiterst kwetsbaar lichaamsdeel is. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/03658
Zitting 5 maart 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte.
Inleiding
De verdachte is bij arrest van 29 september 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens “zware mishandeling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 weken met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof beslist over de vordering van de benadeelde partij.
Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, advocaten te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
De zaak
3. Uit de bewijsvoering van het hof blijkt het volgende. De destijds 17-jarige aangever hield het verkeer tegen zodat zijn vader met zijn vrachtwagen achteruit de weg op kon rijden. De verdachte reed met zijn auto om de verdachte heen, terwijl de aangever door zijn hand op en neer te bewegen, gebaarde dat de verdachte rustiger moest rijden. Daarbij raakte de aangever de auto van de verdachte. Hierop is de verdachte gestopt en naar de aangever toe gestapt. Voordat de aangever iets kon zeggen, heeft de verdachte het slachtoffer een vuistslag in het gezicht gegeven. Als gevolg hiervan heeft de aangever een gebroken jukbeen en een breuk in het botgebied tussen oogkas, neus en bijholte opgelopen.
4. Door de politierechter is de verdachte, zoals ook door de officier van justitie was gevorderd, vrijgesproken van zware mishandeling en veroordeeld voor mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg. De politierechter achtte niet bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
5. In hoger beroep waren zowel het openbaar ministerie als de verdediging eveneens van oordeel dat het opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel niet kon worden bewezen. Het hof dacht daar anders over. Het heeft dat opzet wel bewezenverklaard en de verdachte veroordeeld wegens zware mishandeling. Daarover gaat het cassatiemiddel.
Het middel
6. Het middel klaagt over de bewezenverklaring van opzet op zwaar lichamelijk letsel. In het bijzonder klaagt het over het oordeel van het hof dat het geven van een harde vuistslag in het gezicht naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans in het leven roept dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel oploopt nu het hoofd een uiterst kwetsbaar lichaamsdeel is.
7. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 7 juni 2017, te Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden, aan [slachtoffer] (geboren [geboortedatum] 2000) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus en een gebroken jukbeen, heeft toegebracht door met kracht met de gebalde vuist tegen het gezicht te stompen.”
8. Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal van aangifte, pagina’s 15-16, zakelijk weergegeven inhoudende:
Als verklaring van [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 2000 (jr):
Op 7 juni 2017 stond ik op de Canadezenlaan in Leeuwarden. Ik stond op straat ter hoogte van de ingang van de parkeerplaats van de Jumbo om het verkeer tegen te houden zodat mijn vader met zijn vrachtwagen achteruit vanaf het Johannes Kolfplein de Canadezenlaan op kon rijden. Op een gegeven moment zag ik een donkerblauwe BMW met kenteken [kenteken]. De BMW reed op mij af. Ik stond tussen de daar gelegen vluchtheuvels in. Ik zag dat de BMW om mij en de vluchtheuvels heen reed, op de rijbaan tegen het verkeer in. Ik gebaarde dat de bestuurder rustiger moest rijden door mijn hand op en neer te bewegen. De BMW reed zo dicht langs mij dat ik hem raakte met mijn ring aan mijn rechterhand. Ik raakte de BMW op het rechter achterlicht. Hierna zag ik dat de BMW stopte en er een man uitstapte. Ik hoorde dat de man zei: ‘Wat zit je aan mijn auto.’ Voordat ik kon antwoorden, stond de man voor mij. Ik zag dat hij zijn rechter vuist balde. Ik zag dat hij zijn rechter arm naar achter bewoog. Ik (het hof voegt toe: zag) zijn vuist richting mijn linker oog gaan. Kort hierna voelde ik pijn. Sinds de klap heb ik pijn aan mijn jukbeen, kaak en oog aan de linker kant van mijn gezicht. Hierna kwamen mijn vader en oom naar mij en de man toe en begonnen tegen de man te schreeuwen. Ook hoorde ik een vrouw vanuit de auto van de man schreeuwen dat ze weg moesten gaan. Hierna stapte de man in zijn auto en reed hij weg. Hierna belde ik de politie.
2. Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina’s 20-21, zakelijk weergegeven inhoudende:
Als verklaring van [betrokkene 1]:
Op 7 juni 2017 reed ik achter een vrachtwagen van [A]. De vrachtwagen reed (toevoeging hof: bij) de parkeerplaats van de Jumbo op het Johannes Kolfplein te Leeuwarden. De vrachtwagen reed half de weg op. Vanaf de linkerzijde kwam een BMW aan gereden. Ik zag dat de BMW linksom de vluchtheuvel reed om de vrachtwagen te passeren. De bijrijder van de vrachtwagen probeerde de BMW te stoppen en raakte met zijn hand de achterkant van de BMW. Ik zag dat de BMW stopte. Ik zag dat er een man uitstapte. Ik zag dat de man met zijn rechterhand de bijrijder van de vrachtwagen sloeg. De man sloeg met gebalde vuist de bijrijder hard in het gezicht. De chauffeur kwam erbij en er werd flink geschreeuwd. De vrouw die bij de BMW in zat, duwde de man weer terug de BMW in. Daarop stapte de man in en reed de man weg.
3. Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina’s 23-24, zakelijk weergegeven inhoudende:
Als verklaring van [betrokkene 2], geboren op [geboortedatum] 1958, (sr):
Op 7 juni 2017 was ik samen met mijn zoon [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 2000, spullen aan het laden bij de Jumbo aan het Johannes Kolfplein te Leeuwarden. Toen wij klaar waren met laden, ging ik achter het stuur zitten om de vrachtauto achteruit de weg op te rijden. Mijn zoon [slachtoffer] ging op straat staan om het verkeer tegen te houden. Toen ik mijn vrachtauto achteruit had gedraaid, stond ik met mijn vrachtauto op de ‘verkeerde’ baan. Ik zag dat van de andere kant op de Canadezenlaan een blauwe BMW aan kwam. Omdat ik zijn rijbaan blokkeerde, zag ik dat de bestuurder van de BMW de verkeerde kant van de vluchtheuvel langsreed om door te kunnen rijden. Op het punt waar hij langsreed stond mijn zoon het verkeer te regelen. Ik zag dat de BMW vlak langs mijn zoon reed. Ineens zag ik dat de bestuurder stopte en uitstapte. Ik zag dat de bestuurder op mijn zoon afliep en hem een vuistslag gaf met zijn rechter vuist. Ik zag dat de vuistslag op de linkerzijde van mijn zoons hoofd was. Ik zag dat mijn zoon bijna achterover viel en zich nog net staande kon houden. Ik zag dat de man wegreed. In het ziekenhuis zag ik dat mijn zoon een blauw oog kreeg. Ook zag ik dat het leek of hij een deuk in zijn jukbeen had. Ik hoorde dat mijn zoon klaagde over zijn kaak, jukbeen en linkeroog. Ik hoorde dat mijn zoon zei dat hij het zicht met zijn linkeroog niet scherp kreeg.
[…]
5. Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring, op 20 juni 2017 opgemaakt en ondertekend door drs. E.l. Hofstra, forensisch arts FMG, pagina’s 38-41, zakelijk weergegeven inhoudende:
[…]
Op grond van de in de brief aangegeven letsels en voorgestelde behandeling concludeer ik als volgt: Er is sprake van meerdere fracturen in het aangezicht links met bloeduitstortingen, zwelling en zenuwirritatie ter plaatse.
Herstel: De verwachte herstelduur van het zichtbare letsel (zwelling en bloeduitstortingen): 6 weken.
De verwachte herstelduur van het niet zichtbare letsel (fracturen en zenuwletsel): 6-8 weken na ontstaan, dan wel 6-8 weken na een eventueel te verrichten operatieve ingreep aan het jukbeen.
Blijvend letsel: Blijvend letsel, te weten een afvlakking van de contour van de linker wang, is zeer wel mogelijk indien het jukbeen niet zal worden geopereerd.
Van de betrokken hoofdagent van politie, [verbalisant], heb ik op 21 juni 2017 begrepen dat er inderdaad een operatie heeft plaatsgevonden.”
9. Het hof heeft over de bewezenverklaring van opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel overwogen:
“Naar het oordeel van het hof is er sprake geweest van voorwaardelijk opzet, gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - in dit geval zwaar lichamelijk letsel - is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg heeft aanvaard.
Door aangever met kracht een harde vuistslag tegen het gezicht te geven, heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij aangever zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Naar algemene ervaringsregels roept het geven van een harde vuistslag in het gezicht de aanmerkelijke kans in het leven dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel oploopt nu het hoofd een uiterst kwetsbaar lichaamsdeel is. Dat verdachte hard sloeg blijkt onder meer uit de verklaring van getuige [betrokkene 2] (sr.), inhoudende dat hij zag dat zijn zoon door de klap bijna achterover viel en zich nog net staande kon houden en de verklaring van getuige [betrokkene 1]. Dat verdachte gericht sloeg blijkt uit de verklaring van aangever waarin hij aangeeft dat verdachte voor hem stond, zijn rechterarm naar achteren bewoog en daarna met zijn vuist richting aangevers linkeroog ging.
Nu het algemene ervaringsregels betreft, heeft een ieder - en dus ook verdachte - wetenschap van het bestaan van deze aanmerkelijke kans. Het hof leidt uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen af dat verdachte sloeg, terwijl hij voor verdachte stond en dat verdachte zijn vuist richting het linkeroog van aangever bracht en vervolgens hard sloeg. Het op deze wijze slaan door verdachte is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat hieruit volgt dat verdachte die aanmerkelijke kans op dit gevolg ook heeft aanvaard. Van contra-indicaties waaruit zou blijken dat verdachte die aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, is niet gebleken.
Op grond van voorgaande acht het hof bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.”
10. De stellers van het middel klagen in de kern over het oordeel van het hof dat een (harde) vuistslag in het gezicht naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel oplevert. Zij wijzen daarbij op een conclusie van mijn ambtgenote Spronken uit 2018. Daarin heeft zij – afgaand op de jurisprudentie van de Hoge Raad – het standpunt ingenomen dat de stelling dat iedere harde vuistslag in het gezicht naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel schept, niet zonder meer lijkt vol te houden.1.Verder verwijzen de stellers van het middel naar een artikel van Duijst over geweldhandelingen tegen het hoofd.2.In dat artikel wordt betoogd dat rechters te snel naar algemene ervaringsregels grijpen om tot een bewezenverklaring van opzet op zwaar lichamelijk letsel of de dood te komen. Rechters zouden daarbij te gemakkelijk het hoofd als kwetsbaar lichaamsdeel aanwijzen. Duijst schrijft:
“Het is een feit van algemene bekendheid dat een enkele droge klap op het oog / de oogkas uitgedeeld in de kroeg, op straat of tijdens waterpolo leidt tot een blauw oog dat (ongeveer) 14 dagen later is verdwenen. Dit weerlegt niet de stelling dat met vuisten op het gezicht slaan kan leiden tot ernstig letsel met een langdurige herstelperiode, maar er moet wel aan worden toegevoegd dat dat een uitzondering is. Algemene kwetsbaarheid van het hoofd is niet aan de orde. […]
Dat brengt ons bij het volgende feit van algemene bekendheid, de gevoelige delen van het hoofd, te weten de zijkant van het hoofd, waaronder het jukbeen, de slaap en het voorhoofd. Mocht met ‘gevoelig’ worden bedoeld dat het slaan op de bewuste delen van het hoofd pijnlijk is, dan is daar vanuit de wetenschap niets tegen in te brengen. Als met gevoeligheid kwetsbaarheid wordt bedoeld, dan vallen het jukbeen en het voorhoofd af. Beide zijn hard en slechts met een forse kracht te breken, denk aan het slaan door een geoefende vechtsportbeoefenaar, slaan met een voorwerp of het slaan met een vuist met boksring, of schoppen met geschoeide voet.
[…]
De algemene ervaringsregel lijkt een enorme invloed te hebben op de rechtspraak over geweld gericht op het hoofd en vaak wordt er bewijsnood mee opgelost. Corstens stelt in zijn handboek al aan de orde dat het gevaar bestaat dat de rechter de overtuiging heeft dat de verdachte het feit begaan heeft en de ervaringsregel gebruikt om bewijsnood mee op te lossen. Die vraag kan zeker gesteld worden over de ervaringsregels ten aanzien van geweld uitgeoefend op het hoofd. Voor een deel van de ervaringsregels, zoals de algemene kwetsbaarheid van het hoofd en de gevoeligheid van het gelaat, bestaat geen enkele wetenschappelijke onderbouwing.”3.
11. De Hoge Raad heeft over het gebruik van feiten van algemene bekendheid (in de rechtspraak over opzet ook wel aangeduid als ‘algemene ervaringsregels’) overwogen:
“2.3.1 Op grond van artikel 339 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) behoeven feiten of omstandigheden van algemene bekendheid geen bewijs. In de regel is een gegeven dat aan een internetbron is ontleend van algemene bekendheid indien dat gegeven geen specialistische kennis veronderstelt en de juistheid daarvan redelijkerwijs niet voor betwisting vatbaar is. (Vgl. HR 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:522, rechtsoverweging 2.4.)
2.3.2 Geen rechtsregel dwingt de rechter ertoe een algemeen bekend gegeven bij het onderzoek op de terechtzitting ter sprake te brengen. Indien echter niet zonder meer duidelijk is of het gaat om een algemeen bekend gegeven, behoort de rechter dat gegeven aan de orde te stellen bij de behandeling van de zaak op de terechtzitting. Aldus wordt voorkomen dat hij zijn beslissing doet steunen op mededelingen of waarnemingen die hem buiten het geding ter kennis zijn gekomen en waarvan de overige bij het geding betrokkenen onkundig zijn gebleven, zodat zij niet in staat zijn geweest zich daarover uit te laten. Indien bij dat onderzoek op de terechtzitting vervolgens het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt wordt ingenomen dat en waarom het gegeven niet van algemene bekendheid is, zal de rechter in geval van afwijking van dat standpunt in zijn uitspraak op de voet van artikel 359 lid 2 Sv de redenen dienen op te geven die daartoe hebben geleid. (Vgl. HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0291, rechtsoverweging 3.2.2.)”4.
12. De voorliggende zaak vertoont gelijkenissen met drie zaken die eerder aan de Hoge Raad zijn voorgelegd. In een arrest van 27 maart 2018 ging het om een verdachte die het slachtoffer hard in het gezicht had gestompt, met een gebroken oogkas en gebroken bovenkaak tot gevolg. De Hoge Raad liet de veroordeling voor zware mishandeling in stand. Daarbij lijkt een rol te hebben gespeeld – mede gelet op de vrij summiere overweging van de Hoge Raad – dat de verdachte niet alleen een vuistslag in het gezicht heeft gegeven, maar dat deed nadat hij hem bij de keel had gegrepen en in de houdgreep had genomen:
“Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte aan het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. Aangaande de omstandigheden waaronder hij dit letsel aan het slachtoffer heeft toegebracht, heeft het Hof blijkens de gebezigde bewijsmiddelen vastgesteld dat de verdachte het slachtoffer bij de keel heeft gegrepen, hem in een houdgreep heeft genomen en toen, met een zwaaiende beweging van zijn arm, het slachtoffer met een gebalde vuist met kracht in het gezicht heeft geslagen. Het oordeel van het Hof dat onder die omstandigheden kan worden bewezenverklaard dat verdachtes opzet was gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.”5.
13. In een arrest van 24 april 2018 ging het om een poging tot zware mishandeling door het slachtoffer tegen zijn gezicht te stompen. De Hoge Raad liet het oordeel over het opzet op zwaar lichamelijk letsel in stand. De casus is vergelijkbaar met de voorliggende zaak, maar een verschil is dat het hof vaststellingen had gedaan over de fysieke vermogens van de verdachte:
“Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte, die vroeger heeft gebokst en een grote man is van circa twee meter, met een gebalde vuist "gericht en met kracht" tegen het gezicht van het slachtoffer onder zijn rechteroog en tegen zijn neus heeft gestompt ten gevolge waarvan fracturen aan de oogkas en het neusbot zijn ontstaan. Het op die - niet onbegrijpelijke - vaststellingen gebaseerde oordeel van het Hof dat kan worden bewezenverklaard dat verdachtes opzet was gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.”6.
14. Tot slot oordeelde de Hoge Raad in een arrest van 19 november 2019 over meerdere zware mishandelingen door met kracht meermalen met vuisten in het gezicht van het slachtoffer te slaan. De Hoge Raad casseerde, omdat de gerichtheid van de gedraging niet uit de bewijsvoering bleek:
“Het oordeel van het Hof dat het opzet van de verdachte in voorwaardelijke vorm was gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel is niet zonder meer begrijpelijk. Weliswaar heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte de aangever twee keer met (aanzienlijke) kracht met zijn vuist in het gezicht heeft geslagen, waarover de verdachte heeft gezegd dat hij de aangever twee maal “boven de borst tegen het lichaam [heeft] gestompt”, maar uit de vaststellingen van het Hof blijkt niet dat het door de verdachte uitgeoefende geweld zodanig was dat daaruit kan volgen dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn gedragingen zwaar lichamelijk letsel bij de aangever tot gevolg zouden hebben. De Hoge Raad neemt daarbij mede in aanmerking dat de bewijsvoering niets inhoudt waaruit kan volgen dat de verdachte - die blijkens bewijsmiddel 1 handelde als reactie op de klap die hij kreeg en waarvan hij schrok - ‘gericht’ in het gezicht van de aangever heeft geslagen.”7.
15. In de voorliggende zaak blijkt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte:
- boos op de aangever is toegestapt, en vervolgens zijn rechtervuist balde, zijn rechterarm naar achter bewoog en met zijn vuist richting het linkeroog van het slachtoffer ging (bewijsmiddel 1);
- met zijn rechterhand met gebalde vuist het slachtoffer hard in het gezicht sloeg (bewijsmiddel 2);
- op het slachtoffer afliep en hem een vuistslag gaf met zijn rechtervuist op de linkerzijde van zijn hoofd, waardoor het slachtoffer bijna achterover viel en zich nog net staande kon houden (bewijsmiddel 3).
16. Het hof heeft op basis hiervan vastgesteld dat de verdachte hard en gericht met zijn vuist richting het linkeroog van het slachtoffer sloeg. Dat oordeel wordt in cassatie niet betwist. Ook wordt niet betwist dat er zwaar lichamelijk letsel is.8.Wel wordt het oordeel betwist dat naar ‘algemene ervaringsregels’ het geven van een harde vuistslag in het gezicht de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel in het leven roept nu het hoofd een uiterst kwetsbaar lichaamsdeel is, en dat de verdachte dat moet hebben geweten omdat het om algemene ervaringsregels gaat.
17. Uit de bewijsmiddelen kan in essentie niet meer worden opgemaakt dan dat de verdachte op de aangever is toegestapt en hem vrijwel direct een harde vuistslag in zijn gezicht heeft gegeven waardoor de aangever bijna achterover viel. Deze zaak wijkt in zoverre af van de hiervoor weergegeven twee zaken uit 2018 waarin de Hoge Raad een veroordeling in stand liet. In die zaken had het hof op grond van de bewijsmiddelen immers aanvullende vaststellingen kunnen doen, namelijk dat de verdachte het slachtoffer bij de keel had gegrepen en in een houdgreep had genomen dan wel dat de verdachte veel sterker was dan het slachtoffer omdat hij vroeger had gebokst en een grote man van circa twee meter was.
18. In de voorliggende zaak heeft het hof – anders dan de politierechter, het openbaar ministerie en de verdediging – geoordeeld dat de gedraging van de verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel in het leven roept, in de kern alleen vanwege de ‘algemene ervaringsregel’ dat het hoofd “een uiterst kwetsbaar lichaamsdeel” is. Dat dit een algemene ervaringsregel is, lijkt mij betwistbaar: in ieder geval brengt niet iedere vuistslag in het gezicht de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel met zich mee. Dat wordt niet anders als het slachtoffer door die vuistslag “bijna achterover viel en zich nog net staande kon houden” of als – zoals uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid – inderdaad zwaar lichamelijk letsel volgt: dat laatste is niet relevant voor de intentie van de verdachte.
19. Nu het oordeel van het hof in beslissende mate berust op een ‘algemene ervaringsregel’ die niet zonder meer als zodanig kan worden aangemerkt, is de bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd.
Slotsom
20. Het middel slaagt.
21. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
22. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 05‑03‑2024
W.L.J.M. Duijst, ‘Feiten van algemene bekendheid betreffende geweldhandelingen tegen het hoofd’, NTS 2022/06. Zie ook de reactie van drie werknemers van het NFI: D. Botter, P.M.I. Van Driessche en C.E.H. Berger, ‘Reactie op Duijst (NTS 2022/06): Geweldhandelingen tegen het hoofd’, NTS 2023/04. Zie ook de daarop volgende reactie van Duijst: W.L.J.M. Duijst, ‘Naschrift bij ‘Reactie op Duijst (NTS 2022/06): Geweldhandelingen tegen het hoofd’’, NTS 2023/05. Zie tot slot R. ter Haar en S.E. van den Brink, ‘Kansgrootte en ervaringsregels bij voorwaardelijk opzet’, NTS 2023/06.
W.L.J.M. Duijst, ‘Feiten van algemene bekendheid betreffende geweldshandelingen tegen het hoofd’, NTS 2022/06, p. 34 en 36.
HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:916.
HR 27 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:453, r.o. 2.4.
HR 24 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:659, NJ 2019/193, m.nt. H.D. Wolswijk, r.o. 2.4.
HR 19 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1804, r.o. 3.3.
Dat lijkt mij terecht, gelet op HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051, NJ 2020/200, m.nt. H.D. Wolswijk.
Beroepschrift 28‑04‑2023
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te Den Haag
Griffienummer: S 22/03658
Verlenging termijn tot en met: 19 juni 2021
Cassatieschriftuur
Inzake:
[verdachte]
verdachte,
advocaten: R.J. Baumgardt en P.. van Dongen
dossiernummer: D20220373
Edelhoogachtbare Heren, Vrouwen:
Inleiding
Ondergetekenden, als daartoe door de verdachte bijzonder gevolmachtigd, R.J. Baumgardt en P. van Dongen, advocaten te Rotterdam, hebben hierbij de eer aan u Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten vervolge op het door [verdachte], ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden d.d. 29 september 2022, en alle beslissingen die door het hof ter terechtzitting(en) zijn genomen.
In genoemd arrest heeft het hof de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 weken. Daarnaast heeft het hof een beslissing genomen op de vordering van de benadeelde partij.
Middelen van cassatie
Als gronden van cassatie hebben ondergetekenden de eer voor te dragen:
Middel I
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de art. 302 Sr, 359 en 415 Sv en 14 IVBPR, en wel om het navolgende:
Aan verdachte is (primair) ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] door deze met kracht met de gebalde vuist in/tegen/op het gezicht en/of het jukbeen en/of de neus en/of het oog te stompen en/of te slaan. Subsidiair is verdachte tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer] met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge.
In eerste aanleg is verdachte van het primair ten laste gelegde vrijgesproken en veroordeeld voor het subsidiair tenlastegelegde. De politierechter heeft overwogen/geoordeeld dat het opzet van verdachte op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel niet bewezen werd geacht.
In hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij aangever een klap heeft gegeven maar dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt vrijgesproken van het (primair tenlastegelegde) opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Door de verdediging is het verweer gevoerd verdachte geen opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.
In het arrest heeft het hof het primair ten laste gelegde bewezen verklaard, te weten dat verdachte op 7 juni 2017 te [a-plaats], in de gemeente [gemeente], aan [slachtoffer] (geboren [geboortedatum] 2000) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus en een gebroken jukbeen, heeft toegebracht door met kracht met de gebalde vuist tegen het gezicht te stompen.
Uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen kan volgen dat verdachte aangever met een vuist in het gezicht heeft geslagen.
In het arrest heeft het hof overwogen/geoordeeld dat verdachte door aangever met kracht een harde vuistslag tegen het gezicht te geven, de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij aangever zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen, nu het geven van een harde vuistslag in het gezicht naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans in het leven roept dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel oploopt nu het hoofd een uiterst kwetsbaar lichaamsdeel is.
Het hoofd is evenwel niet een ‘uiterst kwetsbaar’ lichaamsdeel, integendeel. Het enkele geven van een (harde) vuistslag in het gezicht levert — zoals ook de officier van justitie, de politierechter en advocaat-generaal in hoger beroep hebben aangenomen/aangevoerd- geen aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op. Niet kan worden gesteld dat dit ook een algemene ervaringsregels betreft zodat een ieder — en dus ook verdachte (en de officier van justitie/politierechte en advocaat-generaal) — wetenschap van het bestaan van deze aanmerkelijke kans heeft (gehad).
Gelet op het bovenstaande is de verwerping van het verweer/de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed.
Volledigheidshalve merkt verdachte nog op dat in zaken als de onderhavige, waarin de verdachte in eerste aanleg van een feit is vrijgesproken en uit de in hoger beroep gedane uitspraak volgt dat ten opzichte van het oordeel in de eerdere instantie de essentiële karakterisering van het delict is veranderd waardoor verdachte ook tot aan aanmerkelijk zwaardere straf is veroordeeld hogere eisen aan deze uitspraak moet worden gesteld nu in Nederland de cassatieprocedure niet kan gelden als een in art. 14 IVBPR bedoelde ‘review’.
Toelichting
1.1
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
‘primair
hij op of omstreeks 7 juni 2017 te [a-plaats], in de gemeente [gemeente], aan [slachtoffer] (geboren [geboortedatum] 2000) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten (onder meer) een gebroken neus en/of een gebroken jukbeen, heeft toegebracht door met kracht met de gebalde vuist in/tegen/op het gezicht en/of het jukbeen en/of de neus en/of het oog te stompen en/of te slaan:
subsidiair
hij op of omstreeks 7 juni 2017 te [a-plaats], in de gemeente [gemeente], [slachtoffer] (geboren [geboortedatum] 2000) heeft mishandeld door (met kracht) (met de gebalde vuist) op/tegen/in het gezicht en/of het jukbeen en/of de neus en/of het oog te stompen en/of te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten (onder meer) een gebroken neus en/of een gebroken jukbeen ten gevolge heeft gehad’
1.2
In eerste aanleg is verdachte van het primair ten laste gelegde vrijgesproken en veroordeeld voor het subsidiair ten laste gelegde conform de vordering van de officier van justitie. Verdachte is ter zake van het subsidiaire veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uur subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis met aftrek en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 weken met een proeftijd tijd van 2 jaren. De politierechter heeft ten aanzien van het bewezenverklaarde onder meer overwogen/geoordeeld:
‘Dat verdachte zijn opzet was gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel acht ik niet wettig en overtuigend bewezen. Het daardoor ontstaande letsel moet wel aangemerkt worden als zwaar lichamelijk letsel.’
1.3
Tegen het vonnis heeft verdachte hoger beroep ingesteld. In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 september 2022 is onder meer gerelateerd:
‘Verdachte deelt mee:
Ik heb [slachtoffer] op 7 juni 2017 een klap gegeven.
(…)
Verdachte reageert:
(…)
U vraagt mij of ik heb nagedacht over de impact van de klap. Het beschreven letsel kan niet door mij veroorzaakt zijn. Ik heb alleen een ‘platte hand’ gegeven. Ik weet niet of iemand anders hem misschien heeft geslagen. Met een platte hand kun je nooit zoveel schade aanrichten. Ik heb hem geen ‘vuist’ gegeven.
(…)
De advocaat-generaal voert het woord, leest zijn vordering voor, strekkende tot vrijspraak van het primair tenlastegelegde, bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde en veroordeling ter zake van dit feit tot een taakstraf van 90 uren, subsidiair 45 dagen hechtenis.
(…)
Ik acht het voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel niet bewezen. Dit lijkt een ‘gewone’ vuistslag. Daarom vorder ik vrijspraak van het primair tenlastegelegde. Het letsel kan wel als zwaar lichamelijk letsel worden gekwalificeerd.
(…)
De raadsman voert het woord ter verdediging, zakelijk weergegeven aanvoerende:
(…)
Subsidiair stel ik mij op het standpunt dat niet kan worden bewezen dat cliënt voorwaardelijk opzet had op het primair tenlastegelegde toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Met betrekking tot het subsidiair tenlastegelegde verzoek ik mijn pleidooi in eerste aanleg ten aanzien van het zwaar lichamelijk letsel als ingevoegd te beschouwen. Ik vind dat mijn cliënt moet worden gevolgd in zijn verklaring dat er is geslagen met een platte hand.’
1.4
In het arrest heeft het hof bewezen verklaard dat:
‘primair
hij op 7 juni 2017 te [a-plaats], in de gemeente [gemeente], aan [slachtoffer] (geboren [geboortedatum] 2000) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus en een gebroken jukbeen, heeft toegebracht door met kracht met de gebalde vuist tegen het gezicht te stompen’
1.5
Het hof heeft ten aanzien van de door verdachte verrichte gedragingen onder meer als bewijsmiddel (1) gebezigd een proces-verbaal van aangifte, inhoudende onder meer:
‘Ik zag dat hij zijn rechter vuist balde. Ik zag dat hij zijn rechter arm naar achter bewoog. Ik (het hof voegt toe: zag) zijn vuist richting mijn linker oog gaan. Kort hierna voelde ik pijn. Sinds de klap heb ik pijn aan mijn jukbeen, kaak en oog aan de linker kant van mijn gezicht.’
1.6
Ook heeft het hof een proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 1] als bewijsmiddel (2) gebezigd, inhoudende:
‘Ik zag dat de man met zijn rechterhand de bijrijder van de vrachtwagen sloeg. De man sloeg met gebalde vuist de bijrijder hard in het gezicht.’
1.7
Als bewijsmiddel (4) heeft het hof gebruikt een proces-verbaal van verhoor van de vader van aangever, inhoudende onder meer:
‘Ik zag dat de bestuurder op mijn zoon afliep en hem een vuistslag gaf met zijn rechter vuist. Ik zag dat de vuistslag op de linkerzijde van mijn zoons hoofd was. Ik zag dat mijn zoon bijna achterover viel en zich nog net staande kon houden.’
1.8
Tot slot heeft het hof de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep als bewijsmiddel (7) tot het bewijs gebezigd, inhoudende onder meer:
‘Ik heb [slachtoffer] op 7 juni 2017 een klap gegeven.’
1.9
In het arrest heeft het hof ten aanzien van de bewezenverklaring onder meer het volgende overwogen:
‘Opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel
De advocaat-generaal en de verdediging achten niet bewezen dat verdachtes opzet was gericht op het primair tenlastegelegde toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dan wel dat hij welbewust de aanmerkelijke kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard.
Het hof deelt dit standpunt niet. Naar het oordeel van het hof is er sprake geweest van voorwaardelijk opzet, gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg — in dit geval zwaar lichamelijk letsel — is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo'n kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het — behoudens contra-indicaties — niet anders kan zijn dan dat de verdachte.de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg heeft aanvaard.
Door aangever met kracht een harde vuistslag tegen het gezicht te geven, heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij aangever zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Naar algemene ervaringsregels roept het geven van een harde vuistslag in het gezicht de aanmerkelijke kans in het leven dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel oploopt nu het hoofd een uiterst kwetsbaar lichaamsdeel is. Dat verdachte hard sloeg blijkt onder meer uit de verklaring van getuige [betrokkene 2] (sr.). inhoudende dat hij zag dat zijn zoon door de klap bijna achterover viel en zich nog net staande kon houden en de verklaring van getuige [betrokkene 1]. Dat verdachte gericht sloeg blijkt uit de verklaring van aangever waarin hij aangeeft dat verdachte voor hem stond, zijn rechterarm naar achteren bewoog en daarna met zijn vuist richting aangevers linkeroog ging.
Nu het algemene ervaringsregels betreft, heeft een ieder — en dus ook verdachte — wetenschap van het bestaan van deze aanmerkelijke kans. Het hof leidt uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen af dat verdachte sloeg, terwijl hij voor verdachte stond en dat verdachte zijn vuist richting het linkeroog van aangever bracht en vervolgens hard sloeg.
Het op deze wijze slaan door verdachte is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat hieruit volgt dat verdachte die aanmerkelijke kans op dit gevolg ook heeft aanvaard. Van contra-indicaties waaruit zou blijken dat verdachte die aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, is niet gebleken.
Op grond van voorgaande acht het hof bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.’
1.10
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip ‘aanmerkelijke kans’ afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Onder ‘de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans’ dient te worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Met deze maatstaf is geen wezenlijk andere of grotere mate van waarschijnlijkheid tot uitdrukking gebracht dan met de in oudere rechtspraak gebruikte formulering ‘de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans’. De Hoge Raad kan geen algemene regels geven over de exacte grootte van de kans die in het algemeen of voor een bepaald type delict minimaal vereist zou zijn, laat staan deze kans in een percentage uitdrukken.1. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Uit de enkele omstandigheid dat die wetenschap bij de verdachte aanwezig is dan wel bij hem moet worden verondersteld, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat in geval van die wetenschap ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die naar het oordeel van de rechter ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest. Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het — behoudens contra-indicaties — niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.2.
1.11
Advocaat-generaal Spronken heeft in 2018 aangevoerd dat de stelling dat iedere harde vuistslag in het gezicht naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel schept,- afgaand op de jurisprudentie van de Hoge Raad ter zake — niet zonder meer lijkt vol te houden. Teneinde de grens tussen de delictsomschrijving van art. 302, eerste lid, Sr (zware mishandeling), enerzijds, en de delictsomschrijvingen van art. 300, tweede lid, Sr (eenvoudige mishandeling met zwaar lichamelijk letsel als gevolg) en art. 308, eerste lid, Sr (zwaar lichamelijk letsel door schuld) te bewaken, staat de Hoge Raad bewezenverklaringen van zware mishandeling immers niet snel toe in zaken waarin het opzet van de verdachte niet onmiskenbaar op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel is gericht en dienen bewezenverklaringen van zware mishandeling op het punt van het opzet goed te worden gemotiveerd.3. Eerder heeft de Hoge Raad wel geoordeeld dat een verdachte die het slachtoffer bij de keel heeft gegrepen, hem in een houdgreep heeft genomen en toen, met een zwaaiende beweging van zijn arm, het slachtoffer met een gebalde vuist met kracht in het gezicht heeft geslagen opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.4. Ook was volgens de Hoge Raad sprake van opzet op zware mishandeling in een zaak waarbij de verdachte, die vroeger heeft gebokst en een grote man is van circa twee meter, met een gebalde vuist ‘gericht en met kracht’ tegen het gezicht van het slachtoffer onder zijn rechteroog en tegen zijn neus heeft gestompt ten gevolge waarvan fracturen aan de oogkas en het neusbot zijn ontstaan.5.
1.12
Van belang is voorts dat eerder ook wel door anderen is geconstateerd dat ‘algemene ervaringsregels’ een enorme invloed lijken te hebben op de rechtspraak ten aanzien van geweld gericht op het hoofd, en er vaak bewijsnood mee wordt opgelost, terwijl voor een deel van de ervaringsregels, zoals de ‘algemene kwetsbaarheid van het hoofd en de gevoeligheid van het gelaat’, geen enkele wetenschappelijke onderbouwing bestaat en de rechtspraak geholpen zou zijn met feitelijke onderbouwing van gevolgen van geweld op het hoofd in de vorm van forensisch medisch bewijs.6.
1.13
In het arrest heeft het hof geoordeeld dat verdachte het opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Volgens het hof heeft verdachte, door aangever met kracht een harde vuistslag tegen het gezicht te geven, de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij aangever zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen, nu het geven van een harde vuistslag in het gezicht naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans in het leven roept dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel oploopt nu het hoofd een uiterst kwetsbaar lichaamsdeel is. Het hoofd is evenwel niet een ‘uiterst kwetsbaar’ lichaamsdeel, integendeel. Het enkele geven van één (harde) vuistslag in het gezicht levert — zoals ook de officier van justitie, de politierechter en advocaat-generaal in hoger beroep hebben aangenomen — geen aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op. Niet kan worden gesteld dat dit een algemene ervaringsregels betreft zodat een ieder — en dus ook verdachte (en de officier van justitie/politierechte en advocaat-generaal) — wetenschap van het bestaan van deze aanmerkelijke kans heeft.
1.14
Gelet op het bovenstaande is de verwerping van het verweer/de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed.
1.15
Volledigheidshalve merkt verdachte nog op dat in zaken als de onderhavige, waarin de verdachte in eerste aanleg van een feit is vrijgesproken en uit de in hoger beroep gedane uitspraak volgt dat ten opzichte van het oordeel in de eerdere instantie de essentiële karakterisering van het delict is veranderd waardoor verdachte ook tot aan aanmerkelijk zwaardere straf is veroordeeld hogere eisen aan deze uitspraak moet worden gesteld nu in Nederland de cassatieprocedure niet kan gelden als een in art. 14 IVBPR bedoelde ‘review’.7.
Dat
Op vorenstaande gronden het u Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
Rotterdam, 28 april 2023
Advocaten
R.J. Baumgardt
P. van Dongen
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 28‑04‑2023
HR 29 mei 2018, NJ 2019/103 m.nt. H.D. Wolswijk
HR 25 maart 2003, NJ 2003/552, m.nt. Y. Buruma.
CAG Spronken 6 februari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:101, par. 3.8.
HR 27 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:453.
HR 24 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:659.
W.J.L.M. Duijst, Feiten van algemene bekendheid betreffende geweldshandelingen tegen het hoofd, NTS 2022/06.
Zie in dit verband CAG B.F. Keulen 28 maart 2023 in de zaak S 21/03478.