Procestaal: Litouws.
HvJ EU, 12-01-2023, nr. C-280/21
ECLI:EU:C:2023:13
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
12-01-2023
- Magistraten
K. Jürimäe, M. Safjan, N. Piçarra, N. Jääskinen, M. Gavalec
- Zaaknummer
C-280/21
- Conclusie
J. richard de la tour
- Roepnaam
Migracijos departamentas (Motifs de persécution fondés sur des opinions politiques)
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2023:13, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 12‑01‑2023
ECLI:EU:C:2022:506, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie (Advocaat-Generaal), 30‑06‑2022
Uitspraak 12‑01‑2023
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht — Gemeenschappelijk asielbeleid — Voorwaarden om voor de vluchtelingenstatus in aanmerking te komen — Richtlijn 2011/95/EU — Artikel 10, lid 1, onder e), en lid 2 — Gronden van de vervolging — Begrippen ‘politieke overtuiging’ en ‘toegeschreven politieke overtuiging’ — Pogingen van een asielzoeker om zich in zijn land van herkomst met wettige middelen te verdedigen tegen niet-overheidsactoren die illegaal opereren en in staat zijn het repressieve apparaat van de betrokken staat in te zetten
K. Jürimäe, M. Safjan, N. Piçarra, N. Jääskinen, M. Gavalec
Partij(en)
In zaak C-280/21,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas (hoogste bestuursrechter, Litouwen) bij beslissing van 21 april 2021, ingekomen bij het Hof op 30 april 2021, in de procedure
P.I.
tegen
Migracijos departamentas prie Lietuvos Respublikos vidaus reikalų ministerijos,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: K. Jürimäe, kamerpresident, M. Safjan, N. Piçarra (rapporteur), N. Jääskinen en M. Gavalec, rechters,
advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
P.I., vertegenwoordigd door L. Biekša, advokatas,
- —
de Litouwse regering, door K. Dieninis en V. Kazlauskaitė-Švenčionienė als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, door A. Azéma en A. Steiblytė als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 30 juni 2022,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 10 van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (PB 2011, L 337, blz. 9).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen P.I. en de Migracijos departamentas prie Lietuvos Respublikos vidaus reikalų ministerijos (migratiedienst van het ministerie van Binnenlandse Zaken van de Republiek Litouwen; hierna: ‘migratiedienst’) betreffende de weigering van laatstgenoemde om P.I. de vluchtelingenstatus te verlenen.
Toepasselijke bepalingen
Volkenrecht
3
Het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en op 22 april 1954 in werking getreden [United Nations Treaty Series, deel 189, blz. 150, nr. 2545 (1954)], zoals aangevuld door het Protocol betreffende de status van vluchtelingen, dat op 31 januari 1967 te New York is gesloten en op 4 oktober 1967 in werking is getreden (hierna: ‘Verdrag van Genève’), bepaalt in artikel 1, afdeling A, lid 2, eerste alinea, dat het begrip ‘vluchteling’ ziet op elke persoon die ‘uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen, of die, indien hij geen nationaliteit bezit en verblijft buiten het land waar hij vroeger zijn gewone verblijfplaats had, daarheen niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil terugkeren’.
Unierecht
4
De overwegingen 4, 12, 16 en 29 van richtlijn 2011/95 luiden als volgt:
- ‘(4)
Het Verdrag van Genève en het protocol vormen de hoeksteen van het internationale rechtsstelsel ter bescherming van vluchtelingen.
[…]
- (12)
Het hoofddoel van deze richtlijn is enerzijds te verzekeren dat de lidstaten gemeenschappelijke criteria toepassen voor de identificatie van personen die werkelijk bescherming behoeven en anderzijds ervoor te zorgen dat deze personen in alle lidstaten over bepaalde minimumvoordelen kunnen beschikken.
[…]
- (16)
Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name erkend zijn in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. In het bijzonder tracht deze richtlijn de menselijke waardigheid en het recht op asiel van asielzoekers en hun begeleidende familieleden ten volle te eerbiedigen en de toepassing van de artikelen 1, 7, 11, 14, 15, 16, 18, 21, 24, 34 en 35 van dat handvest te bevorderen, en dient derhalve dienovereenkomstig te worden toegepast.’
[…]
- (29)
Een van de voorwaarden om te worden erkend als vluchteling in de zin van artikel 1, [afdeling] A, van het Verdrag van Genève is het bestaan van een oorzakelijk verband tussen de redenen voor vervolging, namelijk ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep en de daden van vervolging of de afwezigheid van bescherming tegen dergelijke daden.’
5
Artikel 2, onder d), van deze richtlijn neemt voor de toepassing ervan de definitie van ‘vluchteling’ over uit artikel 1, afdeling A, lid 2, eerste alinea, van het Verdrag van Genève, en artikel 2, onder e), van deze richtlijn definieert ‘vluchtelingenstatus’ als ‘de erkenning door een lidstaat van een onderdaan van een derde land of een staatloze als vluchteling’.
6
Artikel 2, onder h), van richtlijn 2011/95 definieert het begrip ‘verzoek om internationale bescherming’ als ‘een verzoek van een onderdaan van een derde land […] om bescherming van een lidstaat die kennelijk de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus wenst’, en artikel 2, onder i), van deze richtlijn definieert het begrip ‘verzoeker’ als ‘een onderdaan van een derde land […] die een [dergelijk verzoek] heeft ingediend waarover nog geen definitieve beslissing is genomen’.
7
Artikel 4 van deze richtlijn heeft als opschrift ‘Beoordeling van feiten en omstandigheden’ en bepaalt in de leden 3 en 5 het volgende:
- ‘3.
De beoordeling van een verzoek om internationale bescherming moet plaatsvinden op individuele basis en houdt onder meer rekening met:
- a)
alle relevante feiten in verband met het land van herkomst op het tijdstip waarop een beslissing inzake het verzoek wordt genomen, met inbegrip van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van het land van herkomst en de wijze waarop deze worden toegepast;
- b)
de door de verzoeker afgelegde verklaring en overgelegde documenten, samen met informatie over de vraag of de verzoeker aan vervolging of andere ernstige schade blootgesteld is dan wel blootgesteld zou kunnen worden;
[…]
- 5.
Wanneer lidstaten het beginsel toepassen, volgens [hetwelk] het de taak van de verzoeker is zijn verzoek om internationale bescherming te staven, wordt de verzoeker ondanks het eventuele ontbreken van bewijsmateriaal voor een aantal van de verklaringen van de verzoeker, geloofwaardig geacht en wordt hem het voordeel van de twijfel gegund, wanneer aan de volgende voorwaarden voldaan is:
- a)
de verzoeker heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn verzoek te staven;
- b)
alle relevante elementen waarover de verzoeker beschikt, zijn overgelegd, of er is een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere relevante elementen;
- c)
de verklaringen van de verzoeker zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn verzoek;
- d)
de verzoeker heeft zijn verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk ingediend, tenzij hij goede redenen kan aanvoeren waarom hij dit heeft nagelaten, en
- e)
vast is komen te staan dat de verzoeker in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd.’
8
In artikel 6, onder a) en c), van dezelfde richtlijn worden de staat en ‘niet-overheidsactoren’ als ‘actoren van vervolging’ aangemerkt indien kan worden aangetoond dat de staat geen bescherming kan of wil bieden tegen vervolging of ernstige schade.
9
Artikel 9 van richtlijn 2011/95, met als opschrift ‘Daden van vervolging’, luidt als volgt:
- ‘1.
Om te worden beschouwd als een daad van vervolging in de zin van artikel 1, [afdeling] A, van het Verdrag van Genève moet de daad:
- a)
zo ernstig van aard zijn of zo vaak voorkomen dat zij een ernstige schending vormt van de grondrechten van de mens, met name de rechten ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15, lid 2, van het [op 4 november 1950 te Rome ondertekende] Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden; of
- b)
een samenstel zijn van verschillende maatregelen, waaronder mensenrechtenschendingen, die voldoende ernstig zijn om iemand op een soortgelijke wijze te treffen als omschreven onder a).
- 2.
Daden van vervolging in de zin van lid 1 kunnen onder meer de vorm aannemen van:
[…]
- c)
onevenredige of discriminerende vervolging of bestraffing;
[…]
- 3.
Overeenkomstig artikel 2, onder d), moet er een verband zijn tussen de in artikel 10 genoemde redenen en de daden die als vervolging worden aangemerkt in de zin van lid 1 van dit artikel of het ontbreken van bescherming tegen dergelijke daden.’
10
Artikel 10 van deze richtlijn, met als opschrift ‘Gronden van vervolging’, bepaalt in lid 1, onder e), en lid 2 het volgende:
- ‘1.
Bij de beoordeling van de gronden van vervolging houden de lidstaten rekening met de volgende elementen:
[…]
- e)
het begrip ‘politieke overtuiging’ houdt met name in dat de betrokkene een opvatting, gedachte of mening heeft betreffende een aangelegenheid die verband houdt met de in artikel 6 genoemde potentiële actoren van vervolging en hun beleid of methoden, ongeacht of de verzoeker zich in zijn handelen door deze opvatting, gedachte of mening heeft laten leiden.
- 2.
Bij het beoordelen of de vrees van de verzoeker voor vervolging gegrond is, doet het niet ter zake of de verzoeker in werkelijkheid de raciale, godsdienstige, nationale, sociale of politieke kenmerken vertoont die aanleiding geven tot de vervolging indien deze kenmerken hem door de actor van de vervolging worden toegeschreven.’
11
Artikel 13 van deze richtlijn, met als opschrift ‘Verlening van de vluchtelingenstatus’, luidt als volgt:
‘De lidstaten verlenen de vluchtelingenstatus aan een onderdaan van een derde land of staatloze die overeenkomstig de hoofdstukken II en III als vluchteling wordt erkend.’
Litouws recht
12
Artikel 83, lid 2, van de Lietuvos Respublikos įstatymas dėl užsieniečių teisinės padėties Nr. IX-2206 (wet nr. IX-2206 van de Republiek Litouwen inzake de wettelijke status van vreemdelingen) van 29 april 2004 (Žin., 2004, nr. 73-2539), waarbij onder meer richtlijn 2011/95 in Litouws recht is omgezet, bepaalt in de versie zoals gewijzigd bij wet nr. XII-1396 van 9 december 2014 (TAR, 2014, nr. 19923):
‘Wanneer tijdens de behandeling van het verzoek wordt vastgesteld dat de gegevens betreffende de vaststelling van de status van de asielzoeker, zijn oprechte inspanningen ten spijt, niet met schriftelijke bewijzen kunnen worden aangetoond, worden deze gegevens ten gunste van de asielzoeker beoordeeld en wordt het asielverzoek als gegrond beschouwd indien dit verzoek zo spoedig mogelijk is ingediend, tenzij de asielzoeker goede redenen kan aanvoeren waarom hij dit niet heeft gedaan, indien de asielzoeker alle relevante gegevens heeft verstrekt waarover hij beschikt, hij een bevredigende verklaring heeft gegeven voor het ontbreken van andere bewijsstukken, en indien de verklaringen van de verzoeker aannemelijk en samenhangend worden geacht en niet worden weersproken door bekende specifieke en algemene informatie die relevant is voor zijn verzoek.’
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
13
Op 15 juli 2019 heeft P.I., onderdaan van een derde land, een asielaanvraag ingediend bij de migratiedienst. Tot staving van deze aanvraag heeft hij verklaard dat hij in 2010 in zijn land van herkomst een overeenkomst voor de aankoop van aandelen heeft gesloten met een onderneming die in handen was van een persoon die banden had met de autoriteiten, waaronder de inlichtingendiensten. Hij had deze onderneming een bedrag van 690 000 USD (ongeveer 647 500 EUR) betaald. Aangezien de overeenkomst niet werd uitgevoerd, heeft P.I. zijn medecontractant verzocht om terugbetaling van dat bedrag. Vervolgens is er een strafprocedure tegen hem ingeleid op instigatie van de eigenaar van die onderneming, heeft hij in december 2015 een door zijn onderneming ontwikkeld project grotendeels moeten opgeven, en is de zeggenschap over zijn onderneming overgegaan op bepaalde ondernemingen van andere personen.
14
De strafprocedure is volgens de verwijzende rechter in januari 2016 gestaakt. Na een poging van P.I. om zich in rechte te verdedigen tegen de onrechtmatige overname van zijn project, werd de strafprocedure echter in april 2016 hervat als gevolg van een getuigenverklaring die tegen P.I. werd ingebracht door een persoon die banden had met de nieuwe eigenaren van zijn onderneming. In december 2016 en januari 2017 heeft die strafprocedure geleid tot tenlastelegging en bevelen tot voorlopige hechtenis van P.I. Het resterende deel van zijn project werd hem inmiddels ontnomen.
15
Bij besluit van 21 september 2020 heeft de migratiedienst het verzoek van P.I. om de vluchtelingenstatus afgewezen. Na afloop van zijn onderzoek stelde deze dienst dat de redenen die aan het risico van strafrechtelijke vervolging en detentie ten grondslag lagen weliswaar waren vastgesteld en als aannemelijk werden beschouwd, maar dat zij niet overeenkwamen met gronden die in het Verdrag van Genève genoemd zijn, waaronder met name de grond gebaseerd op het begrip ‘politieke overtuiging’.
16
Nadat het beroep dat hij tegen dat besluit had ingesteld bij de Vilniaus apygardos administracinis teismas (bestuursrechter in eerste aanleg Vilnius, Litouwen) was verworpen, heeft P.I. tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas (hoogste bestuursrechter, Litouwen), de verwijzende rechter. Hij komt op tegen het besluit van de migratiedienst, dat in eerste aanleg is bevestigd, met het argument dat, wanneer daden van vervolging of de afwezigheid van bescherming tegen dergelijke daden, zoals in casu geen verband houden met een ‘politieke activiteit’ in de traditionele zin of met openlijk geuite politieke ideeën, maar met het verzet, door middel van concrete handelingen, tegen een illegaal opererende groepering die via corruptie invloed uitoefent op de staat, dit verzet — als ‘toegeschreven politieke overtuiging’ — onder het begrip ‘politieke overtuiging’ in de zin van artikel 10 van richtlijn 2011/95 valt. Hij wijst erop dat het strafbare feit waarvan hij wordt beschuldigd (afpersing met het oog op de toe-eigening van een aan een ander toebehorend goed van zeer grote waarde) in werkelijkheid een civielrechtelijk geschil van vermogensrechtelijke aard tussen marktdeelnemers is.
17
De verwijzende rechter overweegt dat P.I. gedurende het gehele onderzoek op samenhangende wijze heeft gesteld dat zakenlieden die corruptiebanden met de autoriteiten hebben zich van zijn eigendom meester hadden gemaakt, dat — nadat hij zich tegen de betrokken transactie had verzet — een strafprocedure tegen hem was ingesteld op initiatief van een van die zakenlieden, en dat deze strafprocedure, die bedoeld was om hem te intimideren, na te zijn gestaakt was hervat toen verzoeker een poging waagde om zich in rechte te verdedigen, en onder meer resulteerde in een bevel tot zijn inbewaringstelling. Deze rechter voegt daaraan toe dat volgens de nationale asielregeling strafrechtelijke vervolgingen of bestraffingen daden van vervolging vormen indien zij onevenredig en discriminerend zijn, en merkt op dat het hem waarschijnlijk lijkt dat die strafprocedure ‘kunstmatig was opgezet’, zodat P.I. bij een terugkeer naar zijn land van herkomst gevaar loopt verder te worden vervolgd.
18
In die omstandigheden heeft de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Moet verzet tegen een illegaal opererende en corrupte invloedrijke groepering — die een asielzoeker via het staatsapparaat onderdrukt en waartegen als gevolg van omvangrijke corruptie in de staat niet met wettige middelen kan worden opgekomen — worden gelijkgesteld met een toegeschreven politieke overtuiging in de zin van artikel 10 van richtlijn [2011/95]?’
Beantwoording van de prejudiciële vraag
19
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 10, lid 1, onder e), en lid 2, van richtlijn 2011/95 aldus moet worden uitgelegd dat het begrip ‘politieke overtuiging’ ook ziet op de pogingen van een persoon die om internationale bescherming verzoekt in de zin van artikel 2, onder h) en i), van deze richtlijn, om zijn persoonlijke vermogensrechtelijke en economische belangen met wettige middelen te verdedigen tegen illegaal opererende niet-overheidsactoren wanneer deze actoren wegens hun corrupte banden met de staat het repressieve apparaat van deze staat tegen deze verzoeker kunnen inzetten..
20
Om te beginnen zij eraan herinnert dat richtlijn 2011/95 volgens overweging 12 ervan onder meer is vastgesteld om te verzekeren dat alle lidstaten gemeenschappelijke criteria toepassen voor de identificatie van personen die werkelijk internationale bescherming behoeven.
21
Deze richtlijn moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van de algemene opzet en de doelstelling ervan, met niet alleen inachtneming, zoals in herinnering wordt gebracht in overweging 4 van de richtlijn, van het Verdrag van Genève — dat de hoeksteen vormt van het internationale rechtsstelsel ter bescherming van vluchtelingen —, maar ook, zoals blijkt uit overweging 16 van die richtlijn, met eerbiediging van de rechten die zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’) [zie in die zin arrest van 19 november 2020, Bundesamt für Migration und Flüchtlinge (Militaire dienst en asiel) (C-238/19, EU:C:2020:945, punten 19 en 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
22
Volgens artikel 2, onder d), van richtlijn 2011/95 omvat het begrip ‘vluchteling’ onder meer een onderdaan van een derde land die zich wegens een gegronde vrees voor vervolging om redenen van ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, buiten het land bevindt waarvan hij de nationaliteit bezit en de bescherming van dat land niet kan of, wegens deze vrees, niet wil inroepen.
23
Overeenkomstig artikel 13 van deze richtlijn verlenen de lidstaten de vluchtelingenstatus aan een onderdaan van een derde land die voldoet aan de voorwaarden van met name de artikelen 9 en 10 van de richtlijn.
24
Derhalve moet de verzoeker om een dergelijke status op grond van omstandigheden in zijn land van herkomst een gegronde vrees hebben voor ‘daden van vervolging’ in de zin van artikel 9, leden 1 en 2, van richtlijn 2011/95, ten aanzien van zijn persoon door de in artikel 6 van die richtlijn bedoelde ‘actoren van vervolging’, waarbij er overeenkomstig artikel 9, lid 3, gelezen in het licht van overweging 29 van de richtlijn, een oorzakelijk verband moet bestaan tussen de daden van vervolging of de afwezigheid van bescherming daartegen en ten minste één van de vijf gronden voor vervolging genoemd in artikel 10 van de richtlijn, waaronder ‘politieke overtuiging’ (zie naar analogie arrest van 5 september 2012, Y et Z, C-71/11 en C-99/11, EU:C:2012:518, punt 51).
25
Met betrekking tot het begrip ‘politieke overtuiging’, waarover de verwijzende rechter twijfels heeft, bepaalt artikel 10, lid 1, onder e), van richtlijn 2011/95 dat dit begrip ‘met name [inhoudt] dat de betrokkene een opvatting, gedachte of mening heeft betreffende een aangelegenheid die verband houdt met de in artikel 6 genoemde potentiële actoren van vervolging en hun beleid of methoden, ongeacht of de verzoeker zich in zijn handelen door deze opvatting, gedachte of mening heeft laten leiden’. Bovendien doet het overeenkomstig artikel 10, lid 2, niet ter zake of de verzoeker in werkelijkheid de met de ‘politieke overtuiging’ verband houdende kenmerken vertoont die aanleiding geven tot de vervolging indien deze kenmerken hem worden toegeschreven door de actor van de vervolging.
26
In dit verband moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat reeds uit de bewoordingen van deze bepalingen volgt dat het begrip ‘politieke overtuiging’ ruim moet worden uitgelegd. Deze premisse berust op verschillende elementen. Zo wordt om te beginnen de uitdrukking ‘met name’ gebruikt om, op niet-uitputtende wijze, de elementen op te sommen waarmee dit begrip kan worden afgebakend. Vervolgens worden niet alleen de ‘overtuigingen’ genoemd, maar ook de ‘gedachten’ en de ‘meningen’ betreffende aangelegenheden die verband houden met potentiële actoren van vervolging, en betreffende aangelegenheden die verband houden met het ‘beleid’ en de ‘methoden’ van deze actoren, zonder dat de verzoeker zich in zijn handelen noodzakelijkerwijs door deze overtuigingen, gedachten of meningen moet hebben laten leiden. Ten slotte wordt de nadruk gelegd op de perceptie van de ‘politieke’ aard ervan door de actoren van vervolging.
27
Deze uitlegging vindt steun in het Handbook on Procedures and Criteria for Determining Refugee Status and Guidelines on International Protection under the 1951 Convention and the 1967 Protocol relating to the Status of Refugees [handboek over procedures en criteria voor het bepalen van de vluchtelingenstatus en richtsnoeren inzake internationale bescherming uit hoofde van het Verdrag van 1951 en het Protocol van 1967 betreffende de status van vluchtelingen, Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen (UNHCR), 1979, opnieuw uitgegeven en bijgewerkt in februari 2019, HCR/1P/4/ENG/REV.4], waarnaar moet worden verwezen omdat dit handboek bijzonder relevant is, gelet op de rol die het Verdrag van Genève aan de UNHCR toekent (zie in die zin arrest van 23 mei 2019, Bilali, C-720/17, EU:C:2019:448, point 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Ook in deze richtsnoeren is namelijk gekozen voor een ruime opvatting van het begrip ‘politieke overtuiging’, aangezien dit begrip elke overtuiging of kwestie kan omvatten betreffende het staatsapparaat, de regering, de samenleving of een beleid.
28
In de tweede plaats moet het begrip ‘politieke overtuiging’ in de zin van artikel 10, lid 1, onder e), van richtlijn 2011/95, aangezien het strekt tot bescherming van het recht op vrijheid van mening en meningsuiting, worden uitgelegd in het licht van artikel 11 van het Handvest, dat in overweging 16 van deze richtlijn uitdrukkelijk wordt genoemd als een van de artikelen die de toepassing van die richtlijn beoogt te bevorderen.
29
Volgens artikel 11 van het Handvest heeft eenieder het recht op vrijheid van meningsuiting, hetgeen de vrijheid omvat een mening te hebben en de vrijheid kennis te nemen en te geven van informatie of ideeën, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Zoals blijkt uit de toelichtingen bij het Handvest van de grondrechten (PB 2007, C 303, blz. 17) en artikel 52, lid 3, daarvan, hebben de door artikel 11 van het Handvest gewaarborgde rechten dezelfde inhoud en reikwijdte als die welke worden gewaarborgd door artikel 10 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), zoals uitgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), onverminderd het feit dat het Unierecht hun een ruimere bescherming biedt (zie in die zin arrest van 26 april 2022, Polen/Parlement en Raad, C-401/19, EU:C:2022:297, punt 44).
30
Uit die rechtspraak blijkt dat de vrijheid van meningsuiting een van de wezenlijke grondslagen van een democratische samenleving is, en een van de basisvoorwaarden voor maatschappelijke vooruitgang en eenieders zelfontplooiing, en dat zij in beginsel niet alleen ‘informatie’ of ‘ideeën’ beschermt die met instemming worden ontvangen of als onschadelijk of onbelangrijk worden beschouwd, maar ook informatie en ideeën die schokken, verontrusten of beledigen. Dit wordt geëist door het pluralisme, de verdraagzaamheid en de geest van openheid zonder welke er geen democratische maatschappij is [EHRM, 15 oktober 2015, Perinçek tegen Zwitserland, CE:ECHR:2015:1015JUD002751008, § 196, onder i)].
31
Bovendien heeft het EHRM benadrukt dat artikel 10, lid 2, EVRM haast geen ruimte laat voor beperkingen van de vrijheid van meningsuiting op het vlak van politieke uitspraken of kwesties van algemeen belang en dat er normaal gesproken een hoog niveau van bescherming van de vrijheid van meningsuiting wordt geboden wanneer de uiting betrekking heeft op een kwestie van algemeen belang [EHRM, 15 oktober 2015, Perinçek tegen Zwitserland, CE:ECHR:2015:1015JUD002751008, § 196, onder i), en §§ 197, 230, en 231]. Het EHRM heeft ook gepreciseerd dat corruptie in het kader van het beheer van openbare aangelegenheden binnen de staat een onderwerp van algemeen belang is en dat de discussie ervan bijdraagt tot het politieke debat (zie in die zin EHRM, 31 mei 2016, Nadtoka tegen Rusland, CE:ECHR:2016:0531JUD003801005, § 43).
32
Deze rechtspraak van het EHRM, die relevant is voor de uitlegging van artikel 11 van het Handvest, ondersteunt de ruime uitlegging die moet worden gegeven aan het begrip ‘politieke overtuiging’ in de zin van artikel 10, lid 1, onder e), van richtlijn 2011/95. Volgens deze uitlegging omvat het begrip ‘politieke overtuiging’ elke opvatting, gedachte of mening die, zonder noodzakelijkerwijs rechtstreeks en onmiddellijk politiek van aard te zijn, tot uiting komt in een handelen of nalaten dat door de in artikel 6 van die richtlijn bedoelde actoren van vervolging aldus wordt opgevat dat het ziet op een aangelegenheid die verband houdt met die actoren of hun beleid en/of hun methoden en een uiting van oppositie of verzet daartegen vormt.
33
In de derde plaats impliceert de ruime uitlegging van het begrip ‘politieke overtuiging’ als ‘grond van vervolging’ in de zin van artikel 10, lid 1, onder e), van richtlijn 2011/95 dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten bij het vaststellen van het bestaan van een dergelijke opvatting en het oorzakelijk verband tussen die opvatting en de daden van vervolging, rekening moeten houden met de algemene context van het land van herkomst van de persoon die om de vluchtelingenstatus verzoekt, met name wat de politieke, juridische, gerechtelijke, historische en sociaal-culturele aspecten betreft.
34
Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat de uiting — door handelen of nalaten — van bepaalde opvattingen, gedachten of meningen die geen rechtstreeks en onmiddellijk politiek karakter hebben, naargelang van de specifieke context van het land van herkomst van de verzoeker, de ‘actoren van vervolging’ ertoe kan brengen om het karakter van ‘politieke overtuiging’ in de zin van artikel 10, lid 1, onder e), en lid 2, van deze richtlijn toe te schrijven aan zulke opvattingen, gedachten of meningen.
35
Dienaangaande heeft het Hof verduidelijkt dat er in de context van een gewapend conflict — met name bij een burgeroorlog — en wanneer er geen wettelijke mogelijkheid is om zich aan militaire verplichtingen te onttrekken, een sterk vermoeden bestaat dat de autoriteiten van het betrokken derde land een weigering om de militaire dienst te vervullen zullen opvatten als een daad van politiek verzet, ongeacht de mogelijkerwijs ingewikkeldere persoonlijke motieven van de betrokkene en onder voorbehoud van de verificatie door de autoriteiten van de lidstaat waar het verzoek om internationale bescherming is ingediend of een dergelijke weigering aannemelijk in verband kan worden gebracht met de betrokken vervolgingsgrond [arrest van 19 november 2020, Bundesamt für Migration und Flüchtlinge (Militaire dienst en asiel), C-238/19, EU:C:2020:945, punten 47, 48, 60 en 61].
36
Voorts heeft het Hof geoordeeld dat de deelname van de persoon die om internationale bescherming verzoekt aan het indienen van een klacht tegen zijn land van herkomst bij het EHRM teneinde te doen vaststellen dat het in dat land aan de macht zijnde regime de fundamentele vrijheden heeft geschonden, moet worden beschouwd als een grond voor vervolging wegens ‘politieke overtuiging’ indien er gegronde redenen zijn voor vrees dat die deelname door dat regime zou worden opgevat als een handeling van politieke dissidentie waartegen het zou kunnen overwegen represaillemaatregelen te nemen (zie in die zin arrest van 4 oktober 2018, Ahmedbekova, C-652/16, EU:C:2018:801, punt 90).
37
Hetzelfde geldt voor de pogingen van een persoon die om de vluchtelingenstatus verzoekt om zijn belangen te verdedigen door in rechte vorderingen in te stellen tegen niet-overheidsactoren die illegaal tegen hem opereren, wanneer die actoren, wegens hun corrupte banden met de staat, in staat zijn het repressieve apparaat van die staat ten nadele van deze persoon in te zetten, ook al was diens vordering ingegeven door de verdediging van zijn persoonlijke vermogensrechtelijke en economische belangen.
38
In het kader van de beoordeling van de feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4 van richtlijn 2011/95, die overeenkomstig lid 3 daarvan op individuele basis moet plaatsvinden, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval en rekening houdend met alle relevante feiten, met name die welke zijn vermeld in punt 33 van dit arrest, moeten de bevoegde autoriteiten van de lidstaat er rekening mee houden dat het bijzonder moeilijk kan zijn om rechtstreeks bewijs te leveren dat een bepaald handelen of een bepaald nalaten van de verzoeker door de autoriteiten van het land van herkomst kan worden opgevat als een uiting van ‘politieke overtuiging’. Artikel 4, lid 5, van deze richtlijn erkent immers dat een verzoeker zijn verzoek niet altijd met schriftelijke of andere bewijzen zal kunnen staven en somt de cumulatieve voorwaarden op waaronder dergelijk bewijs niet vereist is (zie naar analogie arrest van 19 november 2020, Bundesamt für Migration und Flüchtlinge (Militaire dienst en asiel) C-238/19, EU:C:2020:945, punt 55).
39
Zoals de advocaat-generaal in punt 59 van zijn conclusie heeft opgemerkt, moet de door deze autoriteiten te verrichten beoordeling derhalve, daarbij lettend op alle omstandigheden, betrekking hebben op de aannemelijkheid van de politieke overtuiging die de actoren van vervolging aan de verzoeker toeschrijven.
40
Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 10, lid 1, onder e), en lid 2, van richtlijn 2011/95 aldus moet worden uitgelegd dat het begrip ‘politieke overtuiging’ ook ziet op de pogingen van een persoon die om internationale bescherming verzoekt in de zin van artikel 2, onder h) en i), van deze richtlijn, om zijn persoonlijke vermogensrechtelijke en economische belangen met wettige middelen te verdedigen tegen illegaal opererende niet-overheidsactoren wanneer deze actoren, wegens hun corrupte banden met de betrokken staat, het repressieve apparaat van deze staat tegen de verzoeker kunnen inzetten, voor zover deze pogingen door de actoren van vervolging worden opgevat als oppositie of verzet aangaande een aangelegenheid die verband houdt met deze actoren of hun beleid en/of hun methoden.
Kosten
41
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 10, lid 1, onder e), en lid 2, van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming
moet aldus moet worden uitgelegd dat
het begrip ‘politieke overtuiging’ ook ziet op de pogingen van een persoon die om internationale bescherming verzoekt in de zin van artikel 2, onder h) en i), van deze richtlijn, om zijn persoonlijke vermogensrechtelijke en economische belangen met wettige middelen te verdedigen tegen illegaal opererende niet-overheidsactoren wanneer deze actoren, wegens hun corrupte banden met de betrokken staat, het repressieve apparaat van deze staat tegen de verzoeker kunnen inzetten, voor zover deze pogingen door de actoren van vervolging worden opgevat als oppositie of verzet aangaande een aangelegenheid die verband houdt met deze actoren of hun beleid en/of hun methoden.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 12‑01‑2023
Conclusie 30‑06‑2022
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Asielbeleid — Vluchtelingenstatus of subsidiairebeschermingsstatus — Richtlijn 2011/95/EU — Voorwaarden voor toekenning van de vluchtelingenstatus — Risico van vervolging — Vervolgingsgronden — Begrip ‘politieke overtuiging’ — Verzet tegen een corrupte groepering die invloed op staatsniveau heeft
J. richard de la tour
Partij(en)
Zaak C-280/211.
P.I.
in tegenwoordigheid van:
Migracijos departamentas prie Lietuvos Respublikos vidaus reikalų ministerijos
[verzoek van de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas (hoogste bestuursrechter, Litouwen) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
De onderhavige zaak betreft de uitlegging van het begrip ‘politieke overtuiging’, zoals gedefinieerd in richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming2..
2.
Het Hof zal bij de beantwoording van de gestelde vraag de gelegenheid hebben om te preciseren wat een ‘politieke overtuiging’ is op grond waarvan een verzoek om toekenning van de vluchtelingenstatus kan worden ingediend, wanneer de verzoeker niet zelf stelt die overtuiging te hebben, maar deze door de actor van de vervolging aan hem wordt toegeschreven.
3.
Ik zal het Hof in overweging geven om te antwoorden dat deze toegeschreven politieke overtuiging moet overeenkomen met de definitie in artikel 10, lid 1, onder e), van richtlijn 2011/95, moet komen vast te staan onder de voorwaarden van artikel 4 van deze richtlijn en moet kunnen leiden tot vergeldingsmaatregelen door de overheidsinstanties.
II. Toepasselijke bepalingen
A. Volkenrecht
4.
Het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 19513., zoals aangevuld door het Protocol betreffende de status van vluchtelingen, dat op 31 januari 19674. te New York is gesloten (hierna: ‘Verdrag van Genève’), bepaalt in hoofdstuk I, artikel 1, afdeling A, lid 2, eerste alinea, dat geldt als ‘vluchteling’ elke persoon die ‘uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen, of die, indien hij geen nationaliteit bezit en verblijft buiten het land waar hij vroeger zijn gewone verblijfplaats had, daarheen niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil terugkeren’.
B. Unierecht
5.
Overweging 12 van richtlijn 2011/95 luidt:
‘Het hoofddoel van deze richtlijn is enerzijds te verzekeren dat de lidstaten gemeenschappelijke criteria toepassen voor de identificatie van personen die werkelijk bescherming behoeven en anderzijds ervoor te zorgen dat deze personen in alle lidstaten over bepaalde minimumvoordelen kunnen beschikken.’
6.
Artikel 2 van deze richtlijn, met als opschrift ‘Definities’, bepaalt:
‘In deze richtlijn gelden de volgende definities:
[…]
- d)
‘vluchteling’: een onderdaan van een derde land die zich wegens een gegronde vrees voor vervolging om redenen van ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, buiten het land bevindt waarvan hij de nationaliteit bezit en de bescherming van dat land niet kan of, wegens deze vrees, niet wil inroepen, dan wel een staatloze die zich om dezelfde reden buiten het land bevindt waar hij vroeger gewoonlijk verbleef en daarheen niet kan, dan wel wegens genoemde vrees niet wil terugkeren, en op wie artikel 12 niet van toepassing is;
[…]’
7.
Artikel 4, lid 5, van die richtlijn luidt:
‘Wanneer lidstaten het beginsel toepassen, volgens welk het de taak van de verzoeker is zijn verzoek om internationale bescherming te staven, wordt de verzoeker ondanks het eventuele ontbreken van bewijsmateriaal voor een aantal van de verklaringen van de verzoeker, geloofwaardig geacht en wordt hem het voordeel van de twijfel gegund, wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- a)
de verzoeker heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn verzoek te staven;
- b)
alle relevante elementen waarover de verzoeker beschikt, zijn overgelegd, of er is een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere relevante elementen;
- c)
de verklaringen van de verzoeker zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn verzoek;
- d)
de verzoeker heeft zijn verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk ingediend, tenzij hij goede redenen kan aanvoeren waarom hij dit heeft nagelaten, en
- e)
vast is komen te staan dat de verzoeker in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd.’
8.
Artikel 6 van diezelfde richtlijn, ‘Actoren van vervolging of ernstige schade’, bepaalt:
‘Actoren van vervolging of ernstige schade kunnen onder meer zijn:
- a)
de staat;
[…]
- c)
niet-overheidsactoren, indien kan worden aangetoond dat de actoren als bedoeld in de punten a) en b), inclusief internationale organisaties, geen bescherming als bedoeld in artikel 7 kunnen of willen bieden tegen vervolging of ernstige schade.’
9.
Artikel 9 van richtlijn 2011/95, ‘Daden van vervolging’, is als volgt geformuleerd:
- ‘1.
Om te worden beschouwd als een daad van vervolging in de zin van artikel 1, onder A, van het Verdrag van Genève moet de daad:
- a)
zo ernstig van aard zijn of zo vaak voorkomen dat zij een ernstige schending vormt van de grondrechten van de mens, met name de rechten ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15, lid 2, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden[5.]; of
- b)
een samenstel zijn van verschillende maatregelen, waaronder mensenrechtenschendingen, die voldoende ernstig zijn om iemand op een soortgelijke wijze te treffen als omschreven onder a).
- 2.
Daden van vervolging in de zin van lid 1 kunnen onder meer de vorm aannemen van:
[…]
- b)
wettelijke, administratieve, politiële en/of gerechtelijke maatregelen die op zichzelf discriminerend zijn of op discriminerende wijze worden uitgevoerd;
- c)
onevenredige of discriminerende vervolging of bestraffing;
[…]
- 3.
Overeenkomstig artikel 2, onder d), moet er een verband zijn tussen de in artikel 10 genoemde redenen en de daden die als vervolging worden aangemerkt in de zin van lid 1 van dit artikel of het ontbreken van bescherming tegen dergelijke daden.’
10.
Artikel 10 van richtlijn 2011/95, ‘Gronden van vervolging’, bepaalt in lid 1, onder e), en in lid 2:
- ‘1.
Bij de beoordeling van de gronden van vervolging houden de lidstaten rekening met de volgende elementen:
[…]
- e)
het begrip ‘politieke overtuiging’ houdt met name in dat de betrokkene een opvatting, gedachte of mening heeft betreffende een aangelegenheid die verband houdt met de in artikel 6 genoemde potentiële actoren van vervolging en hun beleid of methoden, ongeacht of de verzoeker zich in zijn handelen door deze opvatting, gedachte of mening heeft laten leiden.
- 2.
Bij het beoordelen of de vrees van de verzoeker voor vervolging gegrond is, doet het niet ter zake of de verzoeker in werkelijkheid de raciale, godsdienstige, nationale, sociale of politieke kenmerken vertoont die aanleiding geven tot de vervolging indien deze kenmerken hem door de actor van de vervolging worden toegeschreven.’
C. Litouws recht
11.
In Litouwen worden de vluchtelingenstatus en de subsidiaire bescherming geregeld door de Lietuvos Respublikos įstatymas ‘Dėl užsieniečių teisinės padėties’ Nr. IX-2206 (wet nr. IX-2206 van de Republiek Litouwen inzake de wettelijke status van vreemdelingen)6. van 29 april 2004, in de in casu toepasselijke versie, waarbij onder meer richtlijn 2011/95 in nationaal recht is omgezet.
12.
Artikel 71, lid 3, punt 4, van deze wet bepaalt:
‘[D]e asielzoeker [moet] op het tijdstip van de behandeling van zijn aanvraag alle hem ter beschikking staande documenten overleggen en gedetailleerde toelichtingen verstrekken die in overeenstemming zijn met de werkelijke redenen voor zijn asielverzoek, zijn identiteit bekendmaken en de omstandigheden van zijn binnenkomst en verblijf in de Republiek Litouwen toelichten, en samenwerken met de medewerkers en ambtenaren van de bevoegde autoriteiten.’
13.
Artikel 83 van genoemde wet, dat de beoordeling van het asielverzoek regelt, bepaalt in de leden 1, 2 en 5:
- ‘1.
Het asielverzoek en de door de verzoeker ter ondersteuning van zijn verzoek verstrekte informatie worden beoordeeld in samenwerking met de asielzoeker.
- 2.
Wanneer tijdens de behandeling van het verzoek wordt vastgesteld dat de gegevens betreffende de vaststelling van de status van de asielzoeker, zijn oprechte inspanningen ten spijt, niet met schriftelijke bewijzen kunnen worden aangetoond, worden deze gegevens ten gunste van de asielzoeker beoordeeld en wordt het asielverzoek als gegrond beschouwd indien dit verzoek zo spoedig mogelijk is ingediend, tenzij de asielzoeker goede redenen kan aanvoeren waarom hij dit niet heeft gedaan, indien de asielzoeker alle relevante gegevens heeft verstrekt waarover hij beschikt, hij een bevredigende verklaring heeft gegeven voor het ontbreken van andere bewijsstukken, en indien de verklaringen van de verzoeker aannemelijk en samenhangend worden geacht en niet worden weersproken door bekende specifieke en algemene informatie die relevant is voor zijn verzoek.
[…]
- 5.
Lid 2 van dit artikel is niet van toepassing en de elementen die niet door schriftelijk bewijs kunnen worden bevestigd worden afgewezen, indien de asielzoeker tijdens de behandeling van het asielverzoek het onderzoek vervalst, het door een handelen of nalaten vertraagt dan wel tracht naar zijn hand te zetten, of indien tussen de door de asielzoeker aangevoerde feiten tegenstrijdigheden worden vastgesteld die van beslissende invloed zijn op de toekenning van het asiel.’
14.
Artikel 86, lid 1, van dezelfde wet luidt:
‘De vluchtelingenstatus wordt verleend aan een asielzoeker die gegronde vrees heeft om te worden vervolgd op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten de staat waarvan hij de nationaliteit bezit en op de bescherming van deze staat geen aanspraak kan of, wegens vrees, wil maken, dan wel staatloos is, zich bevindt buiten de staat waar hij zijn gewone verblijfplaats had en, om de hierboven uiteengezette redenen daarnaar niet kan terugkeren of de terugkeer hem vrees inboezemt, tenzij op hem de uitzonderingsgronden van artikel 88, leden 1 en 2, van de onderhavige wet van toepassing zijn.’
III. Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vraag
15.
P.I. is in rechte opgekomen tegen een besluit van 21 september 2020 waarbij de Migracijos departamentas prie Lietuvos Respublikos vidaus reikalų ministerijos (migratiedienst, ressorterend onder het ministerie van Binnenlandse Zaken van Litouwen; hierna: ‘migratiedienst’) heeft geweigerd om hem in Litouwen als vluchteling te erkennen op grond dat hij niet voldeed aan de voor de toekenning van een dergelijke status geldende voorwaarden die zijn vastgelegd in artikel 86 van de Lietuvos Respublikos įstatymas ‘Dėl užsieniečių teisinės padėties’ Nr. IX-2206 en in artikel 1, afdeling A, van het Verdrag van Genève.
16.
Nadat P.I.'s beroep op 21 januari 2021 door de Vilniaus apygardos administracinis teismas (bestuursrechter in eerste aanleg Vilnius, Litouwen) was afgewezen, heeft hij tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas (hoogste bestuursrechter, Litouwen).
17.
De verwijzende rechter zet uiteen dat verzoeker op 15 juli 2019 een asielaanvraag heeft ingediend, waarin verzoeker verklaarde dat hij in 2010 in een derde land waarvan hij de nationaliteit bezit, met een onderneming van een persoon die banden had met de autoriteiten en inlichtingendiensten, een overeenkomst had gesloten, op grond waarvan hij 690 000 Amerikaanse dollar (USD) (ongeveer 647 500 EUR) aan die onderneming had betaald, waarvan hij terugbetaling had gevraagd omdat zijn medecontractant de als tegenprestatie verschuldigde aandelen niet had overgedragen.
18.
De verwijzende rechter voegt hieraan toe dat in oktober-november 2015 in het kader van een strafrechtelijk onderzoek dat was ingeleid op instigatie van de eigenaar van de onderneming waarmee verzoeker een overeenkomst had gesloten, actieve maatregelen tegen verzoeker waren genomen, dat hij om die reden in december 2015 op ongunstige voorwaarden afstand had gedaan van het grootste deel van zijn project en dat de zeggenschap over zijn onderneming is overgegaan op ondernemingen van twee andere personen. Deze rechter preciseert dat de strafprocedure in januari 2016 was gestaakt en dat verzoeker heeft getracht zich in rechte te verdedigen tegen de onrechtmatige overname van zijn project. De verwijzende rechter geeft aan dat de strafprocedure in april 2016, na de getuigenverklaring tegen verzoeker door een man die banden had met de nieuwe eigenaren van zijn onderneming, is hervat en in december 2016 en in januari 2017 heeft geleid tot tenlastelegging en voorlopige hechtenis, en dat het resterende deel van verzoekers project hem is ontnomen.
19.
De verwijzende rechter zet uiteen dat i) verzoeker opkomt tegen de vaststelling van de migratiedienst dat het niet aannemelijk is dat hij het risico loopt te worden vervolgd wegens zijn politieke overtuiging, terwijl hij strafrechtelijk wordt vervolgd in een zaak die via kunstgrepen is opgezet door personen die tot de hoogste, kleptocratische, klasse behoren en die hebben besloten om zijn onderneming over te nemen en te plunderen, en ii) verzoeker zijn eigendomsrecht niet kan verdedigen, wanneer zijn vrijheid, veiligheid en leven gevaar lopen. Deze rechterlijke instantie voegt hieraan toe dat verzoeker verklaart dat hij niet bij de politiek betrokken is, maar enkel bij het zakenleven, en dat hij zich in dat kader heeft verzet tegen personen die nauwe banden met de autoriteiten hebben, als gevolg waarvan hij het risico loopt strafrechtelijk te worden vervolgd wegens zijn politieke overtuiging. Volgens de verwijzende rechter betwist verzoeker de analyse van de migratiedienst dat het systeem waarvan hij het slachtoffer is, een geciviliseerd gerechtelijk en politiek systeem is en er geen verband bestaat tussen de eigenaar van de onderneming die de overeenkomt niet is nagekomen en een schending van de mensenrechten, terwijl verzoeker wordt geconfronteerd met een corrupte strafprocedure en een van zijn handelspartners samenwerkt met ambtenaren van het gevangeniswezen.
20.
De verwijzende rechter zet uiteen dat de immigratiedienst van mening was dat verzoeker niet voldeed aan de voorwaarden voor toekenning van de vluchtelingenstatus en evenmin aan die voor toekenning van de subsidiairebeschermingsstatus, op grond dat het risico van strafrechtelijke vervolging slechts toegang kan geven tot de vluchtelingenstatus indien deze vervolging is gebaseerd op een van de gronden van het Verdrag van Genève en dus in casu op een feitelijke of toegeschreven politieke overtuiging. Deze rechter voegt daaraan toe dat de migratiedienst erop wijst dat uit haar onderzoek is gebleken dat de aangevoerde en als aannemelijk aangemerkte gronden verband houden met economische belangen, financiële voordelen dan wel corruptie.
21.
Na in herinnering te hebben gebracht dat er krachtens artikel 9, lid 3, van richtlijn 2011/95 een verband moet bestaan tussen de in artikel 10 van deze richtlijn genoemde gronden en de daden van vervolging, vraagt de verwijzende rechter zich af wat onder ‘politieke overtuiging’ in de zin van die richtlijn moet worden verstaan.
22.
Deze rechter herinnert eraan dat verzoeker gedurende het gehele onderzoek op samenhangende wijze heeft gesteld dat personen die corruptiebanden met de autoriteiten hebben, zich op voor verzoeker ongunstige voorwaarden van zijn goederen meester hadden gemaakt, dat — nadat hij zich tegen deze transacties had verzet — op initiatief van een van die zakenlieden tegen hem een strafprocedure was ingesteld en dat deze procedure, na te zijn gestaakt, was hervat nadat verzoeker had getracht zijn rechten te doen gelden, waarna tegen hem procedurele beslissingen werden genomen en zijn inbewaringstelling werd gelast.
23.
De verwijzende rechter zet uiteen dat strafrechtelijke vervolgingsmaatregelen of sancties volgens het nationale recht ‘vervolging’ vormen indien zij onevenredig en discriminerend zijn, dat wil zeggen wanneer zij onder meer op een politieke overtuiging berusten, en dat zijns inziens de kans dat verzoeker wordt vervolgd groter is dan de kans dat hij niet wordt vervolgd.
24.
Deze rechter voegt daaraan toe dat het feit dat van vervolging sprake is, op zich niet volstaat: de vervolging moet zijn gebaseerd op een van de in het Verdrag van Genève genoemde gronden, die een causaal verband vertoont met de daden van vervolging. De verwijzende rechter preciseert dat deze grond volgens verzoeker is gelegen in zijn politieke overtuiging, een begrip dat in artikel 10, lid 1, onder e), van richtlijn 2011/95 ruim wordt gedefinieerd.
25.
De verwijzende rechter wijst erop dat het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO) aangeeft dat ‘politieke overtuiging’ ruim moet worden uitgelegd om de volle werking van het Verdrag van Genève te verzekeren en dat dit begrip elke mening kan omvatten over ieder onderwerp waarin het staatsapparaat, de regering en de politiek betrokken kunnen zijn. Deze rechter leidt daaruit af dat in het kader van richtlijn 2011/95 handelingen kunnen worden geacht politiek te zijn in het land van herkomst, ondanks het feit dat zij dat in zwakke mate zijn of dat zij zelfs niet openlijk politiek zijn.
26.
De verwijzende rechter voegt hieraan toe dat het opleidingshandboek van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen (hierna: ‘UNHCR’) eveneens een ruime uitlegging van het begrip ‘politieke overtuiging’ voorstaat, in die zin dat het alle standpunten omvat over kwesties waarin de staat, de autoriteiten of de samenleving betrokken zijn, en merkt op dat de doorslaggevende vraag is of deze meningen door de autoriteiten of de samenleving worden getolereerd. Deze rechter zet uiteen dat uit een handboek7., dat door de UNHCR is opgesteld en in februari 2019 is bijgewerkt, blijkt dat het niet altijd mogelijk is om een oorzakelijk verband vast te stellen tussen de door een verzoeker geuite meningen en de behandeling die hij ondergaat of vreest te ondergaan, en dat deze behandeling meestal de vorm aanneemt van een sanctie die wordt opgelegd wegens vermeend strafbare feiten die tegen de machthebbers zouden zijn gepleegd.
27.
De verwijzende rechter zet uiteen dat volgens de rechtsleer, de Canadese rechtspraak en de UNHCR, het verzet tegen een illegaal opererende en corrupte groepering die de asielzoeker via het staatsapparaat onderdrukt en waartegen als gevolg van omvangrijke corruptie in de staat niet met wettige middelen kan worden opgekomen, gelijkstaat aan een toegeschreven politieke overtuiging en dat aan het slachtoffer van een dergelijke vervolging de vluchtelingenstatus moet worden verleend.
28.
Daarop heeft de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Moet verzet tegen een illegaal opererende en corrupte invloedrijke groepering ‐ die een asielzoeker via het staatsapparaat onderdrukt en waartegen als gevolg van omvangrijke corruptie in de staat niet met wettige middelen kan worden opgekomen ‐ worden gelijkgesteld met een toegeschreven politieke overtuiging in de zin van artikel 10 van richtlijn [2011/95]?’
29.
P.I., de Litouwse regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend.
IV. Analyse
30.
Vooraf zij eraan herinnerd dat wanneer om uitlegging van richtlijn 2011/95 wordt verzocht, de uitlegging moet plaatsvinden tegen de achtergrond van de algemene opzet en de doelstelling van deze richtlijn, met inachtneming van het Verdrag van Genève en de andere relevante verdragen als bedoeld in artikel 78, lid 1, VWEU. Deze uitlegging moet blijkens overweging 16 van die richtlijn tevens geschieden met eerbiediging van de rechten die zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’).8. Zo wordt de vrijheid van meningsuiting beschermd door artikel 11 van dit Handvest en artikel 10 EVRM.
31.
Artikel 2, onder d), van richtlijn 2011/95 definieert een vluchteling als een onderdaan van een derde land die zich wegens een gegronde vrees voor vervolging om redenen van ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, buiten het land bevindt waarvan hij de nationaliteit bezit en de bescherming van dat land niet kan of, wegens deze vrees, niet wil inroepen.
32.
Uit de artikelen 9 en 10 van deze richtlijn volgt dat de daad van vervolging twee bestanddelen heeft, die onderling verband moeten houden:
- —
een materieel bestanddeel, namelijk de ‘daad van vervolging’ als omschreven in artikel 9 van die richtlijn, die ten grondslag ligt aan de vrees van de verzoeker en aan zijn weigering of de onmogelijkheid om zich op de bescherming van zijn land van herkomst te beroepen, en
- —
een intellectueel bestanddeel, namelijk de in artikel 10 van diezelfde richtlijn omschreven ‘grond’, waarop die daden van vervolging zijn gebaseerd.
33.
Noch het eerste bestanddeel, noch het verband tussen de twee bestanddelen is in de onderhavige zaak aan de orde, ook al moeten zij voor de verwijzende rechter komen vast te staan. De verwijzende rechter verzoekt het Hof enkel om uitlegging van de vervolgingsgrond, vanuit een zeer specifieke invalshoek, te weten die van de toegeschreven politieke overtuiging.
34.
Nu in het Verdrag van Genève geen definitie wordt gegeven van ‘politieke overtuiging’, die een van de vijf gronden voor de verlening van de vluchtelingenstatus vormt, is met richtlijn 2011/95 immers een stap voorwaarts gemaakt die het mogelijk maakt deze grond binnen de lidstaten op meer eenvormige wijze te beoordelen.9. Ten eerste geeft deze richtlijn in artikel 10, lid 1, onder e), een definitie van het begrip ‘politieke overtuiging’ en ten tweede preciseert zij in lid 2 van dit artikel dat het volstaat dat die politieke overtuiging door de actor van de vervolging aan de verzoeker wordt ‘toegeschreven’, zonder dat dit de werkelijke overtuiging van de verzoeker hoeft te zijn.
35.
De vraag van de verwijzende rechter zal het Hof ertoe brengen deze twee begrippen af te bakenen en nader toe te lichten op welke wijze zij zich tot elkaar verhouden.
36.
Met betrekking tot het begrip ‘politieke overtuiging’ geeft artikel 10, lid 1, onder e), van richtlijn 2011/95 een niet-uitputtende definitie volgens welke dit begrip inhoudt ‘dat de betrokkene een opvatting, gedachte of mening heeft betreffende een aangelegenheid die verband houdt met de […] potentiële actoren van vervolging en hun beleid of methoden, ongeacht of de verzoeker zich in zijn handelen door deze opvatting, gedachte of mening heeft laten leiden’.
37.
Deze definitie omvat vier afzonderlijke cumulatieve bestanddelen:
- —
een opvatting, gedachte of mening betreffende een aangelegenheid die verband houdt
- —
met de actoren van vervolging als omschreven in die richtlijn
- —
en met hun beleid of methoden, en
- —
die al dan niet tot uiting komt in een handeling van de verzoeker.
38.
Het staat aan de ter zake bevoegde nationale autoriteit om de haar voor elk van de bestanddelen verstrekte bewijzen te verifiëren en te beoordelen onder de voorwaarden van artikel 4 van richtlijn 2011/95.
39.
In de rechtsleer zijn politieke vluchtelingen in twee categorieën ingedeeld: enerzijds politieke delinquenten, rekening houdend met de beweegreden voor het plegen van het strafbare feit, de ernst ervan en de politieke context ervan10., en anderzijds personen die worden vervolgd wegens de uiting van hun afwijkende politieke overtuiging11..
40.
Het is deze tweede categorie verzoekers die aanzienlijk is gegroeid onder invloed van de erkenning, in de nationale rechtspraak en vervolgens in het Unierecht, van de leer van de toegeschreven politieke overtuiging.
41.
Na door met name de Amerikaanse12., de Canadese13., de Franse14. en de Belgische15. rechtspraak te zijn erkend, is de leer van de toegeschreven politieke overtuiging in het Unierecht ingevoerd bij artikel 10, lid 2, van richtlijn 2011/95 en door het Hof toegepast in het arrest van 4 oktober 2018, Ahmedbekova16..
42.
In dat arrest heeft het Hof voor recht verklaard dat ‘de deelname van de persoon die om internationale bescherming verzoekt aan het indienen van een klacht tegen zijn land van herkomst bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens […] moet worden beschouwd als een grond van vervolging wegens ‘politieke overtuiging’ in de zin van artikel 10, lid 1, onder e), [van richtlijn 2011/95], indien er gegronde redenen zijn voor vrees dat de deelname aan het indienen van die klacht door dat land wordt gezien als een handeling van politieke dissidentie waartegen het land zou kunnen overwegen represaillemaatregelen te nemen’.17.
43.
Het begrip ‘politieke overtuiging’ komt in de beslissing van het Hof naar voren, aangezien daarin wordt aangegeven dat het beroep bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) door het land moet worden beschouwd als een handeling van politieke dissidentie, hetgeen impliceert dat niet alle onderdanen van dat land die bij dat Hof verzoeker zijn, in dat land als ‘politieke tegenstanders’ kunnen worden aangemerkt. Het enkele feit dat beroep bij het EHRM wordt ingesteld, kan dus geen ‘politieke overtuiging’ in de zin van artikel 10, lid 1, onder e), van richtlijn 2011/95 vormen.
44.
Ik ben van mening dat het door het Hof in het arrest Ahmedbekova geformuleerde beginsel in de onderhavige zaak scherper moet worden omlijnd.
45.
Aldus biedt de vraag van de verwijzende rechter de gelegenheid om te verduidelijken hoe het begrip ‘handeling van politieke dissidentie’, dat het Hof in het arrest Ahmedbekova heeft gebruikt in een context die sterk verschilt van die van de onderhavige zaak, moet worden afgebakend.
46.
In dat arrest voerde een Azerbeidzjaans staatsburger immers aan dat zij, naast een bij het EHRM tegen Azerbeidzjan ingesteld beroep waaraan zij had deelgenomen, betrokken was bij de verdediging van personen die door de nationale autoriteiten werden vervolgd voor hun activiteiten op het gebied van de bescherming van de grondrechten en actief was in het kader van een audiovisueel medium dat een oppositiecampagne voerde tegen het aan de macht zijnde regime.18. Al deze elementen samen moesten de verwijzende rechter in staat stellen die activiteiten als ‘handeling van politieke dissidentie’ te kwalificeren.
47.
In de onderhavige zaak stelt P.I. volgens de vaststellingen van de verwijzende rechter dat hij een overeenkomst heeft gesloten, die zijn medecontractant niet is nagekomen. Hij heeft de nakoming ervan een eerste keer gevorderd, op een niet nader gepreciseerde wijze, en vervolgens een tweede keer in rechte. Wegens een strafprocedure die na zijn eerste vordering tegen hem was ingeleid, heeft hij afstand gedaan van zijn vordering. Deze strafprocedure werd naar aanleiding van zijn vordering in rechte, hervat op instigatie van zijn medecontractant en van de personen die hem zijn goederen hadden ontnomen. Tijdens die strafprocedure is een beslissing tot voorlopige hechtenis genomen. P.I. verdedigt geen politieke overtuiging, maar is van mening dat het feit dat hij in rechte de hem verschuldigde geldsommen en zijn goederen terugvordert, verzet tegen een corrupt systeem vormt. Dit verzet kan door de actor van de vervolging als een handeling van politieke dissidentie en dus als een politieke overtuiging worden beschouwd.
48.
Zodra door de actor van de vervolging aan de verzoeker een politieke overtuiging wordt toegeschreven en deze overtuiging in de ogen van die actor een handeling van politieke dissidentie vormt, doet het — om aan te nemen dat hij om die reden wordt vervolgd — er immers weinig toe dat die verzoeker die politieke overtuiging niet heeft.
49.
Moet deze politieke overtuiging daarentegen beantwoorden aan de definitie van richtlijn 2011/95?
50.
Ik ben ervan overtuigd dat, nu in richtlijn 2011/95 een definitie van ‘politieke overtuiging’ is uitgewerkt, deze definitie op dezelfde wijze moet worden gebruikt om een politieke overtuiging te kwalificeren, ongeacht of deze werkelijk wordt gehuldigd dan wel wordt toegeschreven. De vier in punt 37 van deze conclusie genoemde bestanddelen, te weten een mening die raakt aan een gebied dat verband houdt met de actor van de vervolging of die kritiek uit op zijn beleid of zijn methoden en die al dan niet in een handeling tot uitdrukking komt, moeten dus worden gestaafd volgens de modaliteiten van artikel 4 van die richtlijn.
51.
Wanneer aan deze vier bestanddelen is voldaan, kan immers onderscheid worden gemaakt tussen een vervolging wegens een toegeschreven overtuiging en een handelsgeschil dat uitmondt in een strafprocedure die bedoeld is om druk uit te oefenen op een van de medecontractanten, hetgeen zich — ook in een context van corruptie — los van elke politieke overtuiging kan voordoen. Niet alle slachtoffers van criminaliteit zijn politieke tegenstanders, zelfs niet op grond van een toegeschreven overtuiging: het moet daarbij tevens om een politieke overtuiging gaan.
52.
Het Hof heeft reeds erkend dat het in strijd zou zijn met de algemene opzet en de doelstellingen van richtlijn 2011/95 om de erin bepaalde statussen toe te kennen aan derdelanders die zich in situaties bevinden die geen enkel verband houden met de logica van internationale bescherming.19. Het heeft tevens gepreciseerd dat de weigering om de militaire dienst te vervullen kan zijn ingegeven door politieke overtuigingen of door andere redenen die met geen van de in de richtlijn bedoelde gronden in verband kunnen worden gebracht20., hetgeen meebrengt dat de internationale bescherming daarvoor niet kan gelden.
53.
Het is juist, zoals de verwijzende rechter opmerkt, dat in bepaalde landen de rechtspraak erkent dat het doen van aangifte van corruptie een toegeschreven politieke overtuiging kan vormen21. en dat de UNHCR in sommige van zijn richtsnoeren heeft aangegeven dat drugskartels, los van een winstoogmerk, tot doelstelling kunnen hebben ‘de macht van de groepering binnen de samenleving te bestendigen of uit te breiden’22., waardoor het verzet tegen hun malversaties als ‘politiek’ zou kunnen worden gekenmerkt.
54.
In beide gevallen komt echter het politieke karakter tot uitdrukking door hetzij actieve aangifte door de indiening van een klacht wegens corruptie, waarvan wordt erkend dat zij wijdverbreid is, hetzij de vaststelling dat de gewapende groepering politieke doelstellingen heeft op grond waarvan het verzet tegen haar wandaden als een politieke overtuiging kan worden beschouwd. Deze situaties kunnen dus voldoen aan de voorwaarden van de in richtlijn 2011/95 gegeven definitie van ‘politieke overtuiging’, waardoor zij kunnen worden onderscheiden van malversaties die louter op financieel gewin zijn gebaseerd.
55.
Voorts is in sommige landen in de rechtspraak geoordeeld dat ‘indien het gehele politieke bestel op corruptie is gebaseerd, de weigering om zich aan corruptie te onderwerpen kan worden gelijkgesteld met een contesterende politieke overtuiging’23.. De weigering om aan corruptie mee te werken, zonder deze corruptie uitdrukkelijk aan de kaak te stellen, bereikt pas een politiek niveau wanneer de corruptie wijdverbreid is en zij niet enkel het werk is van een aantal op zichzelf staande personen. Het komt mij voor dat deze situatie ook aansluit bij de definitie van ‘politieke overtuiging’ van richtlijn 2011/95 en niet kan worden gelijkgesteld met een situatie waarin het slechts gaat om de verdediging, ook in rechte, van vermogensrechtelijke belangen, zonder ‘betrekking te hebben op een kwestie met een grotere maatschappelijke of collectieve impact’24..
56.
In al deze zaken is bewezen dat er een politieke reden bestond. De moeilijkheid ligt dus op het terrein van de bewijsvoering.
57.
Wanneer aan een persoon een politieke overtuiging wordt toegeschreven, moet immers worden bewezen dat de actor van de vervolging het verzet of de kritiek als een politieke overtuiging beschouwt. De actor van de vervolging is echter geen partij in de procedure inzake het verzoek om internationale bescherming en kan niet worden ondervraagd. Om te voorkomen dat het begrip ‘toegeschreven politieke overtuiging’ leidt tot een bovenmatige verruiming van de categorie dissidente politieke vluchtelingen, eisen een aantal staten, waaronder, sinds 2005, de Verenigde Staten van Amerika, dat de verzoeker rechtstreeks bewijst dat de actor van de vervolging hem een politieke overtuiging toeschrijft.25.
58.
De vraag betreffende de omvang van het vereiste bewijs is echter reeds aan de orde gesteld door het Hof, dat de vereisten van artikel 4 van richtlijn 2011/95 heeft uitgelegd. Het heeft geoordeeld dat ‘[t]en eerste […] de lidstaten […] volgens artikel 4, lid 1, van deze richtlijn de verzoeker enkel ertoe [mogen] verplichten dat hij ‘alle elementen ter staving van het verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk indient’, en […] de lidstaat waar het verzoek is ingediend volgens dit artikel de relevante elementen van dat verzoek [moet] beoordelen. Ten tweede wordt […] in artikel 4, lid 5, van richtlijn 2011/95 erkend dat een verzoeker zijn verzoek niet altijd met schriftelijke of andere bewijzen zal kunnen staven, en bevat dit artikel een opsomming van de cumulatieve voorwaarden waaronder dergelijke bewijzen niet vereist zijn. In dit verband zijn de gronden voor de weigering om militaire dienst te vervullen en dus de vervolging die daardoor dreigt, subjectieve elementen van het verzoek die bijzonder moeilijk rechtstreeks zijn te bewijzen.’26.
59.
Deze redenering kan worden toegepast op het gebied van het bewijs van een vervolgingsgrond. Het staat dus aan de verwijzende rechter om in casu, gelet op alle omstandigheden, te beoordelen of het in de situatie van P.I. aannemelijk is dat hem een politieke overtuiging is toegeschreven.
60.
Het feit dat als gevolg van een op instigatie van een medecontractant — die banden heeft met het gevangeniswezen — ingeleide strafprocedure waarbij actieve maatregelen zijn gelast, moet worden afgezien van een vordering in rechte wegens contractuele niet-nakoming, die verwantschap vertoont met een aanzienlijke plundering van goederen, volstaat immers niet als bewijs dat de toegeschreven overtuiging politiek van aard is. Daarvoor is namelijk vereist dat deze vordering in rechte door de actor van de vervolging wordt beschouwd als een handeling van politieke dissidentie die hij niet duldt, dat wil zeggen als kritiek op zijn methoden en op zijn beleid. Dit houdt in dat deze actor op een hoog politiek niveau handelt of dat de corruptie in het betrokken land wijd verbreid is en dat hij die vordering niet louter als een eis tot contractuele nakoming beschouwt. Het staat aan de verwijzende rechter om de hem voorgelegde situatie aan de hand van deze criteria te beoordelen.
61.
Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag als volgt te beantwoorden:
Artikel 10, lid 1, onder e), en lid 2, van richtlijn 2011/95 moet aldus worden uitgelegd dat een rechtsvordering die door een persoon ter verdediging van zijn vermogensrechtelijke belangen wordt ingesteld tegen niet-overheidsactoren, als een ‘politieke overtuiging’ kan worden beschouwd indien er gegronde redenen bestaan, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan, om te vrezen dat deze vordering als verzet kan worden beschouwd en door de overheidsinstanties zou kunnen worden opgevat als een handeling van politieke dissidentie waartegen zij voornemens zouden kunnen zijn vergeldingsmaatregelen te nemen.
V. Conclusie
62.
Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas als volgt te beantwoorden:
‘Artikel 10, lid 1, onder e), en lid 2, van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming, moet aldus worden uitgelegd dat een rechtsvordering die door een persoon ter verdediging van zijn vermogensrechtelijke belangen wordt ingesteld tegen niet-overheidsactoren, als een ‘politieke overtuiging’ kan worden beschouwd indien er gegronde redenen bestaan, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan, om te vrezen dat deze vordering als verzet kan worden beschouwd en door de overheidsinstanties zou kunnen worden opgevat als een handeling van politieke dissidentie waartegen zij voornemens zouden kunnen zijn vergeldingsmaatregelen te nemen.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 30‑06‑2022
Oorspronkelijke taal: Frans.
PB 2011, L 337, blz. 9.
United Nations Treaty Series, deel 189, blz. 150, nr. 2545 (1954). Het verdrag is op 22 april 1954 in werking getreden.
Het protocol is op 4 oktober 1967 in werking getreden.
Ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: ‘EVRM’).
Žin., 2004, nr. 73-2539.
Zie UNHCR, Handbook on Procedures and Criteria for Determining Refugee Status and Guidelines on International protection, Genève, 2019, blz. 24, beschikbaar op het volgende internetadres: https://www.unhcr.org/publications/legal/5ddfcdc47/handbook-procedures-criteria-determining-refugee-status-under-1951.
Zie arrest van 5 september 2012, Y en Z (C-71/11 en C-99/11, EU:C:2012:518, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie overweging 25 van richtlijn 2011/95.
Zie Tissier-Raffin, M., La qualité de réfugié de l'article 1 de la Convention de Genève à la lumière des jurisprudences occidentales, 1e druk, Bruylant, Brussel, 2016, blz. 94–99, punten 58–60.
Zie Tissier-Raffin, M., La qualité de réfugié de l'article 1 de la Convention de Genève à la lumière des jurisprudences occidentales, 1e druk, Bruylant, Brussel, 2016, blz. 100–107, punten 61–64.
Zie arrest van de United States Court of Appeals for the Ninth Circuit (rechter in tweede aanleg, negende circuit, Verenigde Staten) van 7 maart 1998, Desir tegen Ilchert (840 F.2d 723), betreffende een Haïtiaanse visser die werd afgeperst door de Haïtiaanse veiligheidsdiensten, genaamd ‘tontons macoutes’.
Zie arrest van de Supreme Court of Canada (hoogste rechterlijke instantie, Canada) van 30 juni 1993, Canada (Procureur-generaal) tegen Ward [(1993) 2 RCS 689], betreffende een lid van de Irish Republican Army (Iers Republikeins Leger) dat heimelijk de vrijlating van civiele gijzelaars, die mede door hemzelf in gijzeling waren genomen, mogelijk had gemaakt, na te hebben begrepen dat zij zouden worden geëxecuteerd.
Zie arrest van de Conseil d'État (hoogste bestuursrechter, Frankrijk) van 27 april 1998, 10/ 7 SSR (nr. 168335, gepubliceerd in de jurisprudentiebundel Lebon).
Zie arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (België) van 18 december 2008 (nr. 20772) betreffende een als taliban beschouwde Afghaanse verzoeker.
C-652/16, EU:C:2018:801; hierna: ‘arrest Ahmedbekova’. Zie ook arrest van 19 november 2020, Bundesamt für Migration und Flüchtlinge (Militaire dienst en asiel) (C-238/19, EU:C:2020:945, punt 60).
Arrest Ahmedbekova (punt 90 en dictum).
Zie arrest Ahmedbekova (punt 41).
Zie arrest van 23 mei 2019, Bilali (C-720/17, EU:C:2019:448, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest van 19 november 2020, Bundesamt für Migration und Flüchtlinge (Militaire dienst en asiel) (C-238/19, EU:C:2020:945, punten 47 en 48).
Zie in Canada arrest van de Federal Court (hoogste federale rechter, Canada) van 16 april 1998, Klinko tegen Canada (Minister of Citizenship and Immigration) [(1998) 148 F.T.R. 69 (TD)], betreffende een openbare klacht over de wijdverbreide corruptie in het Oekraïense staatssysteem.
Zie UNHCR, ‘Guidelines on International Protection No. 12: Claims for refugee status related to situations of armed conflict and violence under Article 1A(2) of the 1951 Convention and/or 1967 Protocol relating to the Status of Refugees and the regional refugee definitions’, 2 december 2016 (HCR/GIP/16/12), punt 36, beschikbaar op het volgende internetadres: https://www.refworld.org/docid/583595ff4.html.
Tissier-Raffin, M., La qualité de réfugié de l'article 1 de la Convention de Genève à la lumière des jurisprudences occidentales, 1e druk, Bruylant, Brussel, blz. 111, punt 66 en de in de voetnoten 287 en 288 aangehaalde rechtspraak.
‘The Michigan Guidelines on Risk for Reasons of Political Opinion’, International Journal of Refugee Law, Oxford University Press, Oxford, 2015, deel 27, nr. 3, blz. 504–507, punt 11.
Tissier-Raffin, M., La qualité de réfugié de l'article 1 de la Convention de Genève à la lumière des jurisprudences occidentales, 1e druk, Bruylant, Brussel, 2016, blz. 107, punt 65 en de in de voetnoten 245 en 284 aangehaalde rechtspraak.
Zie arrest van 19 november 2020, Bundesamt für Migration und Flüchtlinge (Militaire dienst en asiel) (C-238/19, EU:C:2020:945, punt 55).