Het verzoekschrift is per fax en per post ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 22 december 2011, derhalve binnen de in art. 351 lid 5 Fw genoemde cassatietermijn van acht dagen.
HR, 13-04-2012, nr. 11/05602
ECLI:NL:HR:2012:BV9773
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
13-04-2012
- Zaaknummer
11/05602
- Conclusie
Mr. L. Timmerman
- LJN
BV9773
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2012:BV9773, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 13‑04‑2012; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BV9773
ECLI:NL:PHR:2012:BV9773, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 22‑02‑2012
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BV9773
Beroepschrift, Hoge Raad, 22‑12‑2011
- Vindplaatsen
Uitspraak 13‑04‑2012
13 april 2012
Eerste Kamer
11/05602
EV/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. M.S.M. Dietz de Loos-Schrijver.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 09/362 R van de rechtbank Utrecht van 14 november 2011,
b. het arrest in de zaak 200.097.593 van het gerechtshof te Arnhem van 19 december 2011.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.A. Streefkerk en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 13 april 2012.
Conclusie 22‑02‑2012
Mr. L. Timmerman
Partij(en)
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
iverzoeker tot cassatie
1.
[Verzoeker] is op 22 december 2009 gelijktijdig met zijn echtgenote [betrokkene 1] toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank Utrecht heeft bij vonnis van 14 november 2011 ten aanzien van [verzoeker] de wettelijke schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigd op de grond dat hij niet zou hebben voldaan aan de op hem rustende schuldsaneringsverplichtingen. Hij zou niet hebben voldaan aan de voorwaarden waaronder hem tot 1 januari 2011 ontheffing voor de sollicitatieplicht was verleend en na 1 januari 2011 zou hij geen sollicitatiebewijzen hebben overgelegd, terwijl hij per die datum weer een volledige sollicitatieplicht had. Het hof Arnhem heeft bij arrest van 19 december 2011 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. [Verzoeker] is hiervan tijdig in cassatie gekomen.1.
2.
In cassatie worden vier klachten tegen het oordeel van het hof ingebracht. Onderdeel 1 betoogt, als ik het goed zie, dat het hof in rov. 3.3 ter zake van de voorwaarden waaronder [verzoeker] tot 1 januari 2011 ontheffing voor zijn sollicitatieplicht was verleend, ten onrechte is uitgegaan van een resultaatsverplichting. [Verzoeker] was vrijgesteld van zijn sollicitatieplicht onder de voorwaarde dat hij concrete stappen zou nemen ‘ter sociale activering’ en psychiatrische hulpverlening zou opstarten. In rov. 3.3 heeft het hof geconstateerd dat [verzoeker] aan beide voorwaarden niet heeft voldaan. Dat oordeel wordt op zich niet betwist. Aangevoerd wordt slechts dat het hof hier is uitgegaan van een resultaatsverbintenis, terwijl het zou gaan om een inspanningsverbintenis. De klacht faalt omdat, voor zover het hof al van het verkeerde type verbintenis (resultaatsverbintenis) zou zijn uitgegaan, [verzoeker] ook aan het door het onderdeel voorgestane type verbintenis (inspanningsverbintenis) in het licht van 's hofs voornoemde overweging niet zou hebben voldaan. Het onderdeel lijkt te miskennen dat ook een inspanningsplicht veronachtzaamd kan worden, namelijk wanneer van geen enkele dan wel onvoldoende inspanning blijk wordt gegeven. Dat is volgens het hof hier aan de hand. Blijkens de weergave van hetgeen het hof is gebleken in rov. 3.1 (vijfde tekstblok, derde regel), heeft het hof overigens ook onderkend dat op [verzoeker] een inspanningsplicht rustte. Dat mag niet verbazen, nu het nemen van stappen ter sociale activering en het opstarten van psychiatrische hulpverlening op zichzelf genomen reeds onvoldoende concrete doelen zijn om van een ‘resultaatsverplichting’ te kunnen spreken.2. Overigens heeft het hof de tussentijdse beëindiging, als ik het goed zie, niet gebaseerd op de schending van de voorwaarden die waren verbonden aan de tot 1 januari 2011 geldende ontheffing van de sollicitatieplicht, maar op de schending van de sollicitatieplicht na die datum. In zoverre zie ik niet, althans niet zonder meer in welk belang gemoeid is met de in dit onderdeel vervatte klacht.
3.
Onderdeel 2 voert naar de kern genomen aan, althans zo begrijp ik de klacht, dat het hof heeft miskend dat [verzoeker] met het in maart 2011 bij de rechter-commissaris gedane verzoek tot ontheffing van de sollicitatieplicht, zou hebben voldaan aan zijn verplichting om (na de brief van 26 juli 2010) de bewindvoerder inlichtingen te verstrekken aangaande de ‘ter sociale activering’ genomen concrete stappen en gestarte psychiatrische hulpverlening.'s Hofs oordeel dat [verzoeker] niet aan voornoemde verplichting heeft voldaan, ook niet met het verzoek tot ontheffing van de sollicitatieverplichting, is onjuist noch onbegrijpelijk. Hetgeen het onderdeel in dit verband aanvoert met betrekking tot het verzoek, noopt in elk geval geenszins tot een ander oordeel, integendeel, onderstreept de juistheid van 's hofs oordeel veeleer. Het onderdeel faalt dan ook.
4.
Onderdeel 3 keert zich tegen het oordeel van het hof dat voor zover [verzoeker] stelt dat hij gezien het rapport van 29 januari 2010 van A-REA als volledig arbeidsongeschikt zou moeten worden aangemerkt, deze stelling geen steun vindt in het een half jaar later uitgebrachte rapport van de GGD en dat zij verder ook niet door [verzoeker] met medische stukken is onderbouwd of anderszins aannemelijk is gemaakt. Volgens het onderdeel kan deze redenering niet de conclusie dragen die het hof eraan verbindt. Voor zover bedoeld wordt dat deze redenering niet het oordeel van het hof kan dragen dat [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij per 1 januari 2011 arbeidsongeschikt was (en dat daarom vanaf die datum onverkort weer de sollicitatieverplichting op hem rustte), meen ik dat 's hofs oordeel onjuist noch onbegrijpelijk is. Het A-REA rapport is blijkens de brief van de RSG3. niet aan te merken als een ‘gedegen arbeidskundig oordeel’ en daarom is [verzoeker] ook slechts een tijdelijke vrijstelling verleend in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB). De in het onderdeel betrokken althans gelegen stelling dat [verzoeker] op basis van het A-REA rapport en/of op grond van de daarop gebaseerde vrijstelling in het kader van de WWB moet worden aangemerkt als volledig arbeidsongeschikt, snijdt in het licht van voornoemde brief van de RSG geen hout. Waar het onderdeel aanvoert dat uit het GGD-rapport niet blijkt [verzoeker] ‘onvoorwaardelijk arbeidsgeschikt is te achten’, gaat het onderdeel voorbij aan het oordeel van het hof. Het hof heeft immers niet geoordeeld dat [verzoeker] ‘onvoorwaardelijk arbeidsgeschikt is te achten’, maar dat [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als (volledig) arbeidsongeschikt moet worden aangemerkt.
5.
Onderdeel 4, dat betoogt dat de WWB zou primeren boven de Wsnp, gaat niet alleen uit van een onjuiste lezing van 's hofs arrest, maar ook van een onjuiste rechtsopvatting. De WWB en Wsnp kennen voor toekenning van een uitkering respectievelijk de verlening van een schone lei eigen voorwaarden. Niet gezegd kan worden dat de ene wet boven en andere staat. Het hof heeft terecht geoordeeld dat het enkele feit dat een schuldenaar in het kader van de WWB is vrijgesteld van bepaalde verplichtingen, niet zonder meer betekent dat die vrijstelling ook geldt in het kader van de Wsnp.
6.
Ik concludeer tot verwerping.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Beroepschrift 22‑12‑2011
Geeft eerbiedig te kennen:
[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker, te dezer zake woonplaats kiezende te Wassenaar aan de Langstraat 58b ten kantore van de Loos & Schrijver Advocaten B.V. van welk kantoor mr M.S.M. Dietz de Loos-Schrijver voor verzoeker optreedt en namens hem dit verzoekschrift ondertekent en indient;
dat verzoeker hierbij een verzoek in cassatie instelt tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem d.d. 19 december 2011 met zaaknummer 200.097.593 (BIJLAGE 1) waarbij het gerechtshof heeft bekrachtigd het vonnis van de rechtbank Utrecht d.d. 14 november 2011 met zaaknummer 09/362 R ( BIJLAGE 2).
Het geding in eerste aanleg:
Bij vonnis van de rechtbank Utrecht van 22 december 2009 is ten aanzien van verzoeker tot cassatie ( hierna ook te noemen: ‘[verzoeker]’ ) de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken. Hierbij is tot rechter-commissaris benoemd mr. A.C. Schroten en tot bewindvoerder L.Maas.
Bij vonnis van de rechtbank Utrecht van 14 november 2011 is de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoeker] tussentijds beëindigd.
Het geding in hoger beroep:
Bij het ter griffie van het hof op 21 november 2011 ingekomen verzoekschrift is [verzoeker] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis van 14 november 2011 en heeft hij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en te bepalen dat zijn schuldsaneringsregeling wordt voortgezet, althans een zodanige beslissing te nemen die het hof in de gegeven situatie juist acht.
Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met de daarbij behorende bijlagen, de brief met bijlagen van 5 december 2011 van de bewindvoerder alsmede de brief met bijlagen van 8 december 2011 en het faxbericht met bijlagen van 9 december 2011, beide afkomstig van mr Van Ewijk.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 december 2011. Verzoeker is verschenen in persoon, vergezeld van zijn dochter, en bijgestaan door zijn advocaat mr J.J. van Ewijk te Utrecht. Tevens is verschenen de bewindvoerder. Ten behoeve van [verzoeker] is verschenen M. Chibiane, tolk in de Marokkaanse taal.
Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling d.d. 12 december 2011 ten overstaan van het gerechtshof te Arnhem, bevindt zich nog niet onder de stukken en is bij het gerechtshof opgevraagd en zal zo spoedig mogelijk als BIJLAGE 3 naar u worden doorgestuurd.
VERZOEKER VOERT TEGEN HET BESTREDEN ARREST VAN HETGERECHTSHOF ARNHEM D.D. 19 DECEMBER 2011 DE VOLGENDE MIDDELEN VAN CASSATIE AAN:
Schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen omdat het gerechtshof heeft overwogen en op grond daarvan heeft beschikt als in voormelde uitspraak is omschreven, zulks ten onrechte om de navolgende redenen:
FEITEN
Onder sub 3 De motivering van de beslissing in hoger beroep, heeft het hof aangegeven als volgt:
- 1.
[verzoeker], 49 jaar, is gehuwd met [echtgenote], die tegelijktijdig met [verzoeker] is toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.
- 2.
Op 25 januari 2010 is [verzoeker] in opdracht van RSD Kromme Rijn Heuvelrug ( hierna te noemen : ‘RSD’) medisch en arbeidsdeskundig onderzocht door A- REA. In het naar aanleiding van dit onderzoek op 29 januari 2010 opgemaakt rapport wordt als volgt geconcludeerd en geadviseerd:
‘Cliënt wordt op medische gronden belastbaar geacht maar met de forse medische beperkingen is cliënt niet bemiddelbaar naar regulier werk. Wij adviseren de volgende activiteiten in te zetten om de arbeidsmarktpositie van cliënt te verbeteren: Ik adviseer sociale activering, te starten met enkele uren per week. Mogelijk zou hij kunnen gaan sporten ( dit heeft hij in het verleden bij Altrecht gedaan ). Door sociale activering kan zijn maatschappelijke participatie toenemen en heeft hij tevens een dagbesteding. Wij adviseren — indien sociale activering in combinatie met adequate psychische behandeling start- een herbeoordeling over een jaar.’
- 3.
Op 7 juni 2010 is [verzoeker], op verzoek van de bewindvoerder, medisch gekeurd door GGD Midden-Nederland ( hierna te noemen: ‘de GGD’ ).
- 4.
Blijkens het daarop gevolgde rapport van die datum is [verzoeker], kort gezegd, medisch gezien in staat te achten om te werken, waarbij rekening moet worden gehouden met de aanwezigheid van een goede structuur en taakafbakening en zeer eenvoudig werk, waarbij regelmaat en ritme, aansturing en geen verantwoordelijkheid dragen zeer belangrijk zijn.
- 5.
Bij brief van 26 juli 2010 heeft de bewindvoerder [verzoeker] meegedeeld dat hem ontheffing is verleend van zijn sollicitatieverplichtingen die in het rapport van A- REA van 29 januari 2010 staan vermeld, te weten het zetten van concrete stappen ter sociale activering , zoals bijvoorbeeld sporten, en het opstarten van psychiatrische hulpverlening.
- 6.
In maart 2011 heeft [verzoeker] een nieuw verzoek om ontheffing van de sollicitatieplicht ingediend bij de rechter-commissaris.
- 7.
Bij brief van 28 maart 2011 heeft de bewindvoerder [verzoeker] meegedeeld dat dit verzoek is afgewezen.
- 8.
In de in hoger beroep overgelegde verklaring van [werkconsulent], Werkconsulent van de RSD, van 7 december 2011, is kort gezegd, vermeld dat [verzoeker] tijdelijk, tot 25 april 2012 , is vrijgesteld van de hem in het kader van de hem verstrekte uitkering op grond van de Wet werk en bijstand opgelegde (arbeids)verplichtingen en is daarbij de verwachting uitgesproken dat [verzoeker] voor een langere periode ( twee jaar ) vrijgesteld zal worden van die verplichtingen.
- 9.
De rechtbank heeft de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoeker] tussentijds beëindigd, omdat [verzoeker] niet heeft voldaan aan de voorwaarden die waren verbonden aan de tot 1 januari 2011 aan hem verleende ontheffing van zijn sollicitatieplicht.
- 10.
De rechtbank heeft de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoeker] tussentijds beëindigd, omdat [verzoeker] niet heeft voldaan aan de voorwaarden die waren verbonden aan de tot 1 januari 2011 aan hem verleende ontheffing van zijn sollicitatieplicht.
- 11.
Daarbij heeft de rechtbank het volgende overwogen: [verzoeker] heeft geen sollicitatiebewijzen overgelegd na 1 januari 2011, terwijl hij per die datum weer een volledige sollicitatieplicht had. Het bestaan van psychische klachten neemt niet weg dat de schuldenaar zelf verantwoordelijk blijft voor zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Nu vast staat dat [verzoeker] zijn sollicitatieplicht onvoldoende is nagekomen, moet de schuldsaneringsregeling worden beëindigd op grond van art 350 lid 3 onder c van de Faillissementswet, aldus de rechtbank.
Cassatiemiddel 1
Het Gerechtshof te Arnhem heeft het recht geschonden en/of vormen verzuimd waarvan de niet naleving nietigheid met zich meebrengt, zoals blijkt uit het navolgende:
Ten onrechte heeft het hof onder 3.3 van het arrest waarvan cassatie, overwogen en beslist:
‘Het hof stelt vast dat [verzoeker] gezien de hiervoor onder 3.1 genoemde brief van 26 juli 2010 van de bewindvoerder — waarin [verzoeker] tot 1 januari 2011 ontheffing is verleend van de sollicitatieplicht — gehouden was concrete stappen te zetten ten behoeve van sociale activering en dat hij zich tevens diende te verzekeren van psychiatrische hulp. ’
Immers:
Dusdoende heeft het Hof in strijd met art 6 EVRM, art 47 EU Hanvest van de Grondrechten (C 364/1 ) geoordeeld, althans een beslissing gegeven welke zonder de ontbrekende toelichting niet kan worden begrepen.
Omdat immers vast staat dat [verzoeker] op 7 juni 2010, op verzoek van de bewindvoerder, medisch gekeurd is door de GGD, terwijl blijkens het daarop gevolgde rapport van die datum [verzoeker], kort gezegd, medisch gezien in staat is geacht om te werken, waarbij rekening moet worden gehouden met de aanwezigheid van een goede structuur en taakafbakening en zeer eenvoudig werk, waarbij regelmaat en ritme, aansturing en geen verantwoordelijkheid dragen zeer belangrijk zijn, aldus de overweging sub 3.1 van het Hof.
Bij brief van 26 juli 2010 daaropvolgend heeft de bewindvoerder [verzoeker] meegedeeld dat hem ontheffing is verleend van zijn sollicitatieplicht tot 1 januari 2011, op voorwaarde dat hij zich moet gaan houden aan de inspanningsverplichtingen die in het rapport van A-REA van 29 augustus 2010 staan vermeld, te weten het zetten van concrete stappen ter sociale activering, zoals bijvoorbeeld sporten, en het opstarten van psychiatrische hulpverlening.
Door te oordelen dat [verzoeker] tot 1 januari 2011 ontheffing is verleend van de sollicitatieplicht- gehouden was concrete stappen te zetten ten behoeve van sociale activering en dat hij zich tevens diende te verzekeren van psychiatrische hulp, heeft het Hof miskend dat de brief d.d. 26 juli 2011 van de bewindvoerder aan [verzoeker] een inspanningsverplichting inhield, in plaats van de door het Hof ten onrechte aangenomen resultaatsverplichting, daar waar het Hof overwogen en geoordeeld heeft dat [verzoeker] ‘gehouden was concrete stappen te zetten ten behoeve van sociale activering en dat hij zich tevens diende te verzekeren van psychiatrische hulp’. Alsook door de overweging van het Hof : ‘In hoger beroep is naar oordeel van het hof voldoende komen vast te staan dat zowel het inroepen van [verzoeker] van psychiatrische hulp als effectuering van sociale activering niet van de grond is gekomen’ Ook deze overweging van het Hof impliceert een resultaatsverplichting, welke niet aan [verzoeker] was opgelegd door de bewindvoerder.
Cassatiemiddel 2
Het Gerechtshof te Arnhem heeft het recht geschonden en/of vormen verzuimd waarvan de niet naleving nietigheid met zich meebrengt, zoals blijkt uit het navolgende:
Ten onrechte heeft het hof onder 3.3 van het arrest waarvan cassatie, overwogen en beslist:
‘In elk geval heeft [verzoeker] de bewindvoerder na voormelde brief van 26 juli 2010 geen enkele informatie hieromtrent toegestuurd, terwijl hij door de bewindvoerder herhaaldelijk op die verplichting is gewezen.’
Immers:
Deze constatering door het Hof kan geen stand kan houden en is onbegrijpelijk , althans niet zonder nadere toelichting , welke niet in het arrest is terug te vinden, nu [verzoeker] blijkens de overweging door de rechtbank, welke overwegingen aan het Hof kenbaar waren en bijgedragen hebben tot 's‑Hofs oordeel, in maart 2011 wederom een verzoek tot sollicitatieontheffing heeft ingediend bij de rechter-commissaris.
Het Hof overweegt immers te dien aanzien onder 3.3 : ‘ Vast staat dat [verzoeker] van deze mogelijkheid, behoudens een in maart 2011 gedaan verzoek ( waarop afwijzend is beslist ), geen gebruik (meer) heeft gemaakt en ook dat hij vanaf 1 januari 2011 geen enkele sollicitatie heeft verricht.’
Uit het feit dat [verzoeker] in maart 2011, een verzoek tot vrijstelling van de sollicitatieverplichting heeft ingediend, blijkt dat hij wel degelijk informatie aan de bewindvoerder heeft toegestuurd, nu het verzoek tot vrijstelling van deze sollicitatieverplichting per definitie informatie bevatte, en wel deze dat [verzoeker] kennelijk niet in staat was aan de inspanningsverplichting tot solliciteren te voldoen, getuige zijn verzoek daarvan vrijgesteld te worden.
Daarbij komt dat de informatie ook relevant en terzake was, zodat de overweging en beslissing van het Hof dat [verzoeker] niet aan zijn informatieverplichting heeft voldaan, onbegrijpelijk is, althans het Hof een beslissing heeft genomen welke zonder de ontbrekende toelichting niet kan worden begrepen.
Daarbij is de overweging dat op het betreffende verzoek van maart 2011 afwijzend beslist, niet relevant, behoudens de erkenning welke daarin besloten ligt, dat het verzoek daadwerkelijk door de bewindvoerder / rechter-commissaris is ontvangen.
Cassatiemiddel 3
Het Gerechtshof te Arnhem heeft het recht geschonden en/of vormen verzuimd waarvan de niet naleving nietigheid met zich meebrengt, zoals blijkt uit het navolgende:
Ten onrechte heeft het hof onder 3.3 van het arrest waarvan cassatie, overwogen en beslist:
‘Voor zover [verzoeker] stelt dat hij gezien het hiervoor onder 3.1 genoemde rapport van 29 januari 2010 van A-REA wèl als volledig arbeidsongeschikt moet worden aangemerkt ,geldt naar het oordeel van het hof dat deze stelling enerzijds geen steun vindt in het bijna een half jaar later uitgebrachte rapport van de GGD van 7 juni 2010 en verder ook niet door [verzoeker] met medische stukken is onderbouwd of anderszins aannemelijk is gemaakt’
Immers:
Ook deze redenering kan niet tot de conclusie leiden, althans kan de motivering de conclusie niet dragen welke het hof heeft getrokken.
Het Hof miskent hier immers dat sprake is van een herkeuring door een instelling van de GGD die de vorige keuring niet heeft verricht. Het betreft hier derhalve twee deskundigenrapporten welke kennelijk diametraal tegenover elkaar staan, maar waarbij aan de deskundigheid van het GGD rapport getwijfeld dient te worden, nu de GGD een algemene gezondheidsdienst is, terwijl de A-REA een specifiek-deskundige organisatie is in opdracht van RSD.
Ook de overweging van het Hof dat het rapport van GGD de doorslag moet geven boven het rapport van A-REA, omdat dit rapport een half jaar later is uitgebracht, kan geen motivering zijn voor de juistheid en gegrondheid van het rapport en de overweging dat [verzoeker] wèl arbeidsgeschikt zou zijn, temeer nu uit het A-REA rapport blijkt van een langdurig en structurele problematiek getuige de overweging sub 3.1 van het Hof:
‘ In het naar aanleiding van dit onderzoek op 29 januari 2010 opgemaakte rapport wordt als volgt geconcludeerd en geadviseerd: ‘Cliënt wordt op medische gronden belastbaar geacht maar met de forse medische beperkingen is cliënt niet bemiddelbaar naar regulier werk. Wij adviseren de volgende activiteiten in te zetten om de arbeidsmarktpositie van cliënt te verbeteren: Ik adviseer sociale activering, te starten met enkele uren per week. Mogelijk zou hij kunnen gaan sporten ( dit heeft hij in het verleden bij Altrecht gedaan ).
Door sociale activering kan zijn maatschappelijke participatie toenemen en heeft hij tevens een dagbesteding. Wij adviseren — indien sociale activering in combinatie met adequate psychische behandeling start — een herbeoordeling over een jaar.’
Overigens volgt uit het GGD rapport niet dat [verzoeker] onvoorwaardelijk arbeidsgeschikt is te achten, hetgeen het Hof kennelijk overweegt onder 3.3, althans impliceert, nu uit het GGD rapport volgt , zie sub 3.1 van het arrest : ‘Op 7 juni 2010 is [verzoeker], op verzoek van de bewindvoerder, medisch gekeurd door GGD Midden — Nederland ( hierna te noemen : de GGD ) . Blijkens het daarop gevolgde rapport van die datum is [verzoeker], kort gezegd, medisch in staat te achten om te werken, waarbij rekening moet worden gehouden met de aanwezigheid van een goede structuur en taakafbakening en zeer eenvoudig werk, waarbij regelmaat en ritme, aansturing en geen verantwoordelijkheid dragen zeer belangrijk zijn.’
Uit deze laatste vet weergegeven passage blijkt dat het medisch in staat zijn te werken, onderhevig is aan een 7 ( zeven ) voorwaarden (!), zodat de overweging en beslissing van het Hof dat [verzoeker] wèl volledig arbeidsgeschikt is, niet gedragen kan worden door de overwegingen en voorwaarden neergelegd in het GGD rapport.
Voor zover het Hof oordeelt dat [verzoeker] ook niet anderszins aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet volledig arbeidsgeschikt is, kan ook deze overweging en beslissing niet standhouden , nu vast staat dat [verzoeker] in het kader van de door hem te ontvangen WWB-uitkering door de gemeente [a-plaats] tot 25 april 2012 is vrijgesteld van de sollicitatieplicht.
Het voorgaande maakt de beslissing van het Hof dat het hoger beroep derhalve faalt, omdat van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoeker] toch zou moeten voortduren onvoldoende is gebleken , onbegrijpelijk.
Cassatiemiddel 4
Het Gerechtshof te Arnhem heeft het recht geschonden en/of vormen verzuimd waarvan de niet naleving nietigheid met zich meebrengt, zoals blijkt uit het navolgende:
Ten onrechte heeft het hof rechtdoende in hoger beroep het vonnis van de rechtbank Utrecht van 14 november 2011 bekrachtigd, daarbij krachtens de overwegingen onder 3.3 van het arrest waarvan cassatie, overwogen en beslist dat de vereisten en regelgeving als neergelegd in de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen in feite leidend is en voorrang heeft boven de vereisten en regelgeving neergelegd in de WWB, immers het hof heeft onder 3.3 van het arrest waarvan cassatie overwogen en beslist dat :
‘Het enkele feit dat [verzoeker] in het kader van de door hem te ontvangen WWB-uitkering door de gemeente [a-plaats] tot 25 april 2012 is vrijgesteld van de sollicitatieplicht laat onverlet dat, zoals hiervoor reeds overwogen, geen recente medische rapportage aan de bewindvoerder en/of de rechter-commissaris ter beschikking heeft gesteld — en deze ook thans niet voorhanden is- op basis waarvan tot de beslissing moet worden gekomen dat [verzoeker] in het kader van de wettelijke schuldsaneringsregeling vanaf 1 januari 2011 van zijn sollicitatieverplichting zou moeten zijn/worden ontheven. Indien [verzoeker] van mening was dat hij in verband met zijn gezondheidssituatie niet in staat was arbeid te verrichten, had hij de rechter-commissaris wederom kunnen verzoeken om hem ontheffing van deze in het kader van de schuldsaneringsregeling op hem rustende verplichting te verzoeken. Vast staat dat [verzoeker] van deze mogelijkheid, behoudens een in maart 2011 gedaan verzoek ( waarop afwijzend is beslist), geen gebruik (meer) heeft gemaakt en ook dat hij vanaf 1 januari 2011 geen enkele sollicitatie heeft verricht.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat moet worden vastgesteld dat [verzoeker] vanaf 1 januari 2011 zijn uit de wettelijke schuldsaneringsregeling voortvloeiende sollicitatieverplichting niet naar behoren is nagekomen, zodat die regeling ten aanzien van hem tussentijds moet worden beëindigd.’
Immers:
De Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen bevat geen enkele wetsbepaling waaruit voortvloeit dat deze wet voorrang en prioriteit heeft boven andere wettelijke bepalingen, en evenmin de wettelijke bepalingen uit hoofde van de WWB.
Het hof had derhalve, gezien het feit dat [verzoeker] uit hoofde van de WWB, een andere wettelijke regeling, niet mogen afwijken van de gevolgen van de bepalingen uit hoofde van de WWB, met name de vrijstelling van de sollicitatieverplichting van [verzoeker] tot 25 april 2012, door ten nadele van [verzoeker] te oordelen dat [verzoeker] onder de werking van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen niet vrijgesteld was van de sollicitatieverplichting, althans niet zonder de voorwaarde te stellen van een nader onderzoek en/of aan te geven op welke grond er een onderscheid wordt gemaakt tussen de inschatting van de sollicitatiecapaciteiten van [verzoeker] in het kader van de WSNP afgezet tegen de sollicitatiecapaciteiten in het kader van de WWB.
Dus doende heeft het hof art 6 EVRM jo 47 EU Handvest van de Grondrechten geschonden door aldus, zonder wettelijke basis, ten nadele van [verzoeker] hem het recht op een eerlijk proces te onthouden en op discriminatoire wijze voorrang te geven aan de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen ten detrimente van de wettelijke bepalingen krachtens de WWB.
Redenen waarom
Verzoeker zich wendt tot Uw Raad met het eerbiedig verzoek het arrest van het Gerechtshof Arnhem d.d. 19 december 2011 , onder zaaknummer 200.097.593 , waartegen bovenstaande middelen van cassatie zijn gericht, te vernietigen, alles met zodanige verdere uitspraak als naar oordeel van Uw raad behoort te worden gegeven.
Kosten rechtens.
Wassenaar, 22 december 2011.
Mr.M.S.M Dietz de Loos-Schrijver
Advocaat bij de hoge Raad