HR, 12-05-2015, nr. 14/01121
ECLI:NL:HR:2015:1241
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12-05-2015
- Zaaknummer
14/01121
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2015:1241, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 12‑05‑2015; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:303, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2015:303, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 03‑02‑2015
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1241, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 14‑05‑2014
- Wetingang
art. 282 Wetboek van Strafrecht
- Vindplaatsen
NJ 2015/383 met annotatie van N. Keijzer
SR-Updates.nl 2015-0219
NbSr 2015/135
Uitspraak 12‑05‑2015
Inhoudsindicatie
Wederrechtelijke vrijheidsberoving, art. 282 Sr. De HR schetst de uit de bewijsvoering blijkende f&o waaronder de vrijheidsberoving heeft plaatsgevonden. ’s Hofs oordeel dat verdachte aldus samen met een ander X van zijn vrijheid heeft “beroofd” i.d.z.v. art. 282.1 Sr is niet toereikend gemotiveerd. De volgens de bewezenverklaring gebezigde bewoordingen “komen jullie twee mee naar beneden” of “komen jullie mee” en “stap in de auto” zijn immers in het algemeen niet van dien aard dat X in feite van zijn vrijheid - de vrijheid om te gaan en staan waar hij wil - werd “beroofd”. I.c. heeft het Hof niets naders vastgesteld omtrent de context waarin voormelde uitlatingen zijn gedaan. Gelet hierop biedt de bewijsvoering onvoldoende grond voor het kennelijke oordeel van het Hof dat van zodanige f&o sprake was dat X niet de vrijheid had om niet mee te gaan of om weg te gaan, en is de bewezenverklaring wat betreft het “beroven” van de vrijheid onvoldoende gemotiveerd.
Partij(en)
12 mei 2015
Strafkamer
nr. 14/01121
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 31 oktober 2013, nummer 21/004750-11, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990.
1. Geding in cassatie
Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde - is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1.
Het middel klaagt in de eerste plaats dat de bewezenverklaring voor zover inhoudende dat de verdachte samen met een ander [betrokkene 1] "van de vrijheid heeft beroofd", onvoldoende met redenen is omkleed.
2.2.1.
Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:
"hij op 04 november 2010 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk, [betrokkene 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededader
- [betrokkene 1] dreigend de woorden toegevoegd: "Komen jullie twee mee naar beneden" of "Komen jullie mee" en "Stap in de auto",
- [betrokkene 1] tegen zijn wil in de auto meegenomen."
2.2.2.
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
"1. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1], brigadier van politie Amsterdam-Amstelland, opgemaakt proces-verbaal van aangifte, genummerd PL132E 201027761-1, gesloten en getekend op 11 november 2010, dossierpagina 06-11, voor zover inhoudende als aangifte van [betrokkene 1], zakelijk weergegeven:
Op donderdag 04 november 2010 was ik op school geweest. Omstreeks 13.30 uur nam ik metrolijn 50 vanaf Isolatorweg richting Amsterdam Zuidoost. Ik stapte uit op station Duivendrecht. Ik denk dat het op dat moment tussen 14.00 en 14.15 uur was. Ik was in het gezelschap van een vriend van school, hij heet [betrokkene 2].
Op het moment dat wij in de hal bij de treinen stonden, zag ik een jongen die ik ken via de trap naar boven komen lopen. Deze jongen heet [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte). Ik zag [verdachte] wel naar mij kijken maar hij zei verder niets. Kort hierop kwam ook [betrokkene 3] (het hof begrijpt: [betrokkene 3]) via de trap naar boven lopen. Ik ken hem maar het is niet zo dat ik met hem praat of zo. Ik zag dat [betrokkene 3] naar mij en [betrokkene 2] toekwam en hoorde dat hij zei: 'Komen jullie twee mee naar beneden'. Op dat moment leek het mij het beste om maar gewoon mee te lopen. Wij zijn achter hem aangelopen richting de uitgang van het station, aan de zijde van de Venserpolder. Ik zag dat [betrokkene 3] richting een auto liep die daar geparkeerd stond. Deze stond op de bushalte waar ook snorders vaak staan. Ik zag dat [verdachte] ook bij deze auto stond en zag een derde jongen op de passagiersstoel zitten. Deze jongen heet [betrokkene 4], hem ken ik niet maar ik hoorde van [betrokkene 2] dat hij [betrokkene 4] heet. De auto was een zwarte Volkswagen. Ik hoorde dat [betrokkene 3] zei: "Stap in de auto". Op dat moment was ik best bang. Ik wilde eigenlijk niet instappen, maar dacht: als ik wegren krijgt hij mij toch wel te pakken. Daarom ben ik maar ingestapt, ook [betrokkene 2] stapte in de auto.
Ik zag dat [verdachte] achter het stuur ging zitten, naast [betrokkene 4]. Ikzelf zat links achterin, [betrokkene 2] zat in het midden en [betrokkene 3] rechts achterin. Vervolgens zijn we gaan rijden via de Dolingadreef, rechtsaf de Daalwijkdreef op. Vervolgens sloegen we rechtsaf naar Dennenrode. Ik zag dat [verdachte] direct de parkeergarage inreed. Ik zag dat [verdachte] achterin de garage stopte. Ik hoorde dat [betrokkene 3] tegen me zei dat ik uit moest stappen. Ik zag ook dat hij zich alleen op mij richtte en niet op [betrokkene 2]. Ik ben uitgestapt en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] stapten ook uit. Ik hoorde dat [betrokkene 3] tegen [betrokkene 2] zei dat hij moest blijven zitten. Ik zag dat hij de deur dichtgooide zodat [betrokkene 2] niet kon uitstappen. Vervolgens reed [verdachte] de parkeergarage uit en waren we nog maar met zijn drieën.
2. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2], brigadier van politie Amsterdam-Amstelland, opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige, genummerd PL132E 201027761-12, gesloten en getekend op 16 november 2010, dossierpagina 40-41, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 2], zakelijk weergegeven:
Ik zal u vertellen wat ik weet en gezien heb. Ik was met [betrokkene 1] op station Duivendrecht toen 2 jongens naar ons toe kwamen. Ik zag dat de ene persoon [betrokkene 3] (het hof begrijpt: [betrokkene 3]) was. Die andere ken ik niet. [betrokkene 3] ken ik van de kerk. Toen we naar beneden liepen, liepen we naar een auto. Boven zei [betrokkene 3] tegen ons: komen jullie mee. Dat was niet op een normale toon, ik zag dat hij boos was. De auto is een Volkswagen, zwart van kleur, type weet ik niet. We zijn met z'n allen ingestapt. En daarmee bedoel ik: [betrokkene 3], [verdachte] (zo heet die andere jongen die ook boven op het station was dat hoorde ik later van [betrokkene 1] in de auto), [betrokkene 1], ikzelf en ene [betrokkene 4].
Daarna zijn we naar Dennenrode gereden. Daar aangekomen zijn we achter in de garage gegaan. Ik zag dat iedereen uitstapte behalve ik. Ik hoorde dat [betrokkene 3] tegen mij zei: "Dit heeft niets met jou te maken, blijf jij zitten", daarom bleef ik zitten. Ik zag dat [betrokkene 1] vast gehouden werd door iemand, alleen kon ik niet zien door wie. Daarna kwam [verdachte] terug in de auto en toen werd ik weg gebracht door hem naar buiten op de parkeerplaats en hij vertelde mij: "Het is beter als je nu naar huis gaat". Ik zag dat [verdachte] terug rende naar de parkeer garage.
3. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2], brigadier van politie Amsterdam-Amstelland, opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte, genummerd 201027761-29, gesloten en getekend op 17 november 2010, dossierpagina 45-54, voor zover inhoudende als verklaring van medeverdachte [betrokkene 3], zakelijk weergegeven:
Die jongen die ik wilde spreken heet [betrokkene 1]. Zijn achternaam weet ik niet. Ik ben met twee neven naar Duivendrecht gegaan. U zegt mij dat [betrokkene 4] en [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) erbij waren. Dat klopt, dat zijn de neven die ik bedoel.
Ik ben naar Duivendrecht gegaan omdat ik van een kennis, die ik niet wil noemen, hoorde dat [betrokkene 1] daar was. Ik had die kennis gebeld en gevraagd waar [betrokkene 1] was. Hij vertelde mij dat die op Duivendrecht was. Ik ben naar Duivendrecht gegaan met de auto. Dat is een huurauto, een Volkswagen Golf Plus, zwart. Toen ik bij het station was heb ik hem gevraagd om mee te lopen.
4. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2], brigadier van politie Amsterdam-Amstelland, opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, genummerd 2010277761-29, gesloten en getekend op 16 november 2010, dossierpagina 25, voor zover inhoudende als bevindingen van voornoemde verbalisant zakelijk weergegeven:
Naar aanleiding van een wederrechtelijke vrijheidsberoving, straatroof en bedreiging op maandag 4 november 2010 heb ik, verbalisant, camerabeelden uitgekeken van het metro/trein station Duivendrecht en wel van de ingang/uitgang aan de kant van de Venserpolder. Aan deze zijde van het station is een camera gericht op de controle poortjes alwaar ingecheckt en uitgecheckt wordt.
foto 1 - binnenkomst [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte)
foto 2 - aangever met muts bij uitchecken en getuige [betrokkene 2]
foto 3 - aangever voor het uitchecken
foto 4 - aangever loopt naar poortje
foto 5 en 6 - aangever checkt uit
foto 7 - aangever met muts met rode streep door poortje met op de achtergrond [verdachte]
foto 6 - aangever door poortje met op de achtergrond [verdachte]
foto 9 - [verdachte] richting uitgang
foto 10 - [verdachte] richting uitgang.
Opmerking hof: anders dan bij arrest is overwogen, is [betrokkene 3] op deze beelden niet zichtbaar.
5. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de meervoudige strafkamer in de rechtbank te Amsterdam van 8 februari 2011, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:
[betrokkene 3] en ik halen elkaar elke dag uit school. Wie het eerst vrij is, komt de ander halen. [betrokkene 3] kwam mij 4 november 2010 ophalen. [betrokkene 4] zat ook in de auto. Bij station Duivendrecht is [betrokkene 3] uit de auto gestapt. Ik ben in het station ook naar boven gelopen."
2.2.3.
Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:
"Door de raadsman is bepleit dat zijn cliënt ook dient te worden vrijgesproken van de onder 2 tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving. Hij heeft hiertoe - kort gezegd - het volgende aangevoerd. Primair heeft de autorit geen wederrechtelijke vrijheidsberoving opgeleverd, subsidiair kan niet worden bewezen dat cliënt opzet had op wederrechtelijke vrijheidsberoving. Verdachte wist niet wat er te gebeuren stond.
Medeverdachte [betrokkene 3] heeft verklaard dat hij samen met verdachte in de auto naar station Duivendrecht is gereden. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij evenals [betrokkene 3] uit de auto is gestapt en station Duivendrecht is binnengelopen. Aangever heeft verklaard dat hij op station Duivendrecht eerst verdachte zag en dat deze naar hem keek. Hij is op station Duivendrecht achter [betrokkene 3] aangelopen in de richting van de uitgang omdat het hem het beste leek om gewoon mee te lopen. Hij heeft verklaard dat hij best bang was en dat hij niet wilde instappen in de auto. Hij is wel ingestapt, omdat hij dacht dat [betrokkene 3] hem toch wel te pakken zou krijgen als hij weg zou rennen. Dit wordt bevestigd door hetgeen getuige [betrokkene 2] heeft verklaard over de wijze waarop zij door verdachte en [betrokkene 3] op het station zijn benaderd. Hij heeft namelijk verklaard dat twee jongens naar aangever en hem toekwamen en dat hij kon zien dat [betrokkene 3] boos was toen hij zei dat zij mee moesten komen. Volgens de getuige zei [betrokkene 3] dat niet op een normale toon. Bovendien blijkt uit de verklaring van [betrokkene 4] dat aangever wist dat [betrokkene 3] hem zocht.
Op afdrukken van de camerabeelden van station Duivendrecht is te zien dat aangever [betrokkene 1], getuige [betrokkene 2], alsmede verdachte en medeverdachte [betrokkene 3] op 4 november 2010 rond 14.20 uur richting de uitgang van het station lopen. Vervolgens is aangever met de auto van station Duivendrecht vervoerd naar de parkeergarage van het flatgebouw Dennenrode. In de auto zat ook verdachte samen met alle hiervoor genoemde personen.
Uit de verklaring van aangever blijkt dat verdachte achter het stuur is gaan zitten en direct naar de parkeergarage Dennenrode is gereden. Getuige [betrokkene 2] en aangever hebben verklaard dat verdachte, nadat hij in de parkeergarage uit de auto was gestapt, weer terug in de auto is gestapt om [betrokkene 2] naar buiten te brengen. Verdachte heeft tegen [betrokkene 2] gezegd dat 'hij ([betrokkene 2]) er niets mee te maken had.' Verdachte is daarna teruggekeerd naar de parkeergarage.
Ondanks het feit dat medeverdachte [betrokkene 3] alle schuld ten aanzien van een groot deel van de feiten op zich lijkt te willen nemen, is het hof, evenals de rechtbank, op grond van deze verklaringen van oordeel dat [betrokkene 3] zo nauw en volledig heeft samengewerkt met verdachte dat sprake is van medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving.
Ook staat voor het hof vast dat het slachtoffer van zijn vrijheid beroofd is gehouden door de omstandigheid dat hij is meegenomen naar een parkeergarage, waar het slachtoffer niet de vrijheid had om weg te gaan. Pas toen de verdachten waren vertrokken, heeft hij zich kunnen aankleden en is hij de garage uitgelopen.
Het hof is derhalve van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen."
2.3.
Art. 282, eerste lid, Sr stelt twee gedragingen strafbaar - van de vrijheid beroven en van de vrijheid beroofd houden - en bedreigt daartegen een gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren. In dezelfde titel XVIII van het Derde Boek van het Wetboek van Strafrecht (Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid) waarin art. 282 staat, zijn ook opgenomen art. 284 Sr (dwang) en art. 285, eerste lid, Sr (bedreiging) waarop telkens een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren is gesteld. In de onderhavige zaak is de tenlastelegging uitsluitend op art. 282 Sr toegesneden.
2.4.
Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij samen met een ander [betrokkene 1] zowel van de vrijheid heeft beroofd als van de vrijheid beroofd heeft gehouden. Wat betreft het "beroven" van de vrijheid heeft het Hof blijkens de bewezenverklaring en de bewijsvoering kennelijk in het bijzonder van belang geacht het dreigend toevoegen aan [betrokkene 1] van de woorden: "Komen jullie twee mee naar beneden" of "Komen jullie mee" en "Stap in de auto" en het doen plaatsnemen van [betrokkene 1] in de auto. Het Hof heeft in dat verband, kort gezegd, vastgesteld dat de verdachte en de medeverdachte overdag op station Duivendrecht op [betrokkene 1] zijn afgelopen en dat de medeverdachte vervolgens op boze toon tegen [betrokkene 1] heeft gezegd dat hij mee moest lopen, waarna zij gezamenlijk naar een auto zijn gelopen. Vervolgens heeft de medeverdachte tegen [betrokkene 1] gezegd dat hij moest instappen en is [betrokkene 1] in de auto gestapt. [betrokkene 1] was bang, wilde niet in de auto stappen, maar heeft dat toch gedaan omdat hij dacht dat de medeverdachte hem toch wel te pakken zou krijgen als hij weg zou rennen.
2.5.
Het oordeel van het Hof dat de verdachte aldus samen met een ander [betrokkene 1] van zijn vrijheid heeft "beroofd" in de zin van art. 282, eerste lid, Sr, is niet toereikend gemotiveerd. De volgens de bewezenverklaring gebezigde bewoordingen "komen jullie twee mee naar beneden" of "komen jullie mee" en "stap in de auto" zijn immers in het algemeen niet van dien aard dat [betrokkene 1] in feite van zijn vrijheid - de vrijheid om te gaan en te staan waar hij wilde - werd "beroofd". In het onderhavige geval heeft het Hof niets naders vastgesteld omtrent de context waarin voormelde uitlatingen zijn gedaan. Gelet hierop biedt de bewijsvoering onvoldoende grond voor het kennelijke oordeel van het Hof dat van zodanige feiten en omstandigheden sprake was dat [betrokkene 1] niet de vrijheid had om niet mee te gaan of om weg te gaan, en is de bewezenverklaring wat betreft het "beroven" van de vrijheid onvoldoende gemotiveerd.
2.6.
Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak – voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen – niet in stand kan blijven, de middelen voor het overige geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, voor zover aan zijn oordeel onderworpen;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak wat betreft het onder 2 tenlastegelegde op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, J. de Hullu, H.A.G. Splinter-van Kan en N. Jörg, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 mei 2015.
Conclusie 03‑02‑2015
Inhoudsindicatie
Wederrechtelijke vrijheidsberoving, art. 282 Sr. De HR schetst de uit de bewijsvoering blijkende f&o waaronder de vrijheidsberoving heeft plaatsgevonden. ’s Hofs oordeel dat verdachte aldus samen met een ander X van zijn vrijheid heeft “beroofd” i.d.z.v. art. 282.1 Sr is niet toereikend gemotiveerd. De volgens de bewezenverklaring gebezigde bewoordingen “komen jullie twee mee naar beneden” of “komen jullie mee” en “stap in de auto” zijn immers in het algemeen niet van dien aard dat X in feite van zijn vrijheid - de vrijheid om te gaan en staan waar hij wil - werd “beroofd”. I.c. heeft het Hof niets naders vastgesteld omtrent de context waarin voormelde uitlatingen zijn gedaan. Gelet hierop biedt de bewijsvoering onvoldoende grond voor het kennelijke oordeel van het Hof dat van zodanige f&o sprake was dat X niet de vrijheid had om niet mee te gaan of om weg te gaan, en is de bewezenverklaring wat betreft het “beroven” van de vrijheid onvoldoende gemotiveerd.
Nr. 14/01121 Zitting: 3 februari 2015 | Mr. T.N.B.M. Spronken Conclusie inzake: [verdachte] |
De verdachte is bij arrest van 31 oktober 2013 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 43 dagen, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr, alsmede tot een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. Daarnaast is een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij als nader in het arrest omschreven.
Mr. Th.J. Kelder, advocaat te ’s-Gravenhage, heeft namens verdachte twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel komt op tegen de motivering van de bewezenverklaring en klaagt zowel over het oordeel van het hof dat sprake is van (wederrechtelijke) vrijheidsberoving als over het oordeel dat de verdachte zich opzettelijk daaraan schuldig heeft gemaakt. Daarnaast klaagt het middel over de motivering van het hof voor zover betrekking hebbende op het van de vrijheid beroofd houden van het slachtoffer.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 04 november 2010 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [betrokkene 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededader
- -
[betrokkene 1] dreigend de woorden toegevoegd: “Komen jullie twee mee naar beneden” of “Komen jullie mee” en “Stap in de auto”,
- -
[betrokkene 1] tegen zijn wil in de auto meegenomen.”
5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] , brigadier van politie Amsterdam-Amstelland, opgemaakt proces-verbaal van aangifte, genummerd PL132E 201027761-1, gesloten en getekend op 11 november 2010, dossierpagina 06-11, voor zover inhoudende als aangifte van [betrokkene 1] , zakelijk weergegeven:
Op donderdag 04 november 2010 was ik op school geweest. Omstreeks 13.30 uur nam ik metrolijn 50 vanaf Isolatorweg richting Amsterdam Zuidoost. Ik stapte uit op station Duivendrecht. Ik denk dat het op dat moment tussen 14.00 en 14.15 uur was. Ik was in het gezelschap van een vriend van school, hij heet [betrokkene 2] .
Op het moment dat wij in de hal bij de treinen stonden, zag ik een jongen die ik ken via de trap naar boven komen lopen. Deze jongen heet [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte). Ik zag [verdachte] wel naar mij kijken maar hij zei verder niets. Kort hierop kwam ook [betrokkene 3] (het hof begrijpt: [betrokkene 3] ) via de trap naar boven lopen. Ik ken hem maar het is niet zo dat ik met hem praat of zo. Ik zag dat [betrokkene 3] naar mij en [betrokkene 2] toekwam en hoorde dat hij zei: ‘Komen jullie twee mee naar beneden’. Op dat moment leek het mij het beste om maar gewoon mee te lopen. Wij zijn achter hem aangelopen richting de uitgang van het station, aan de zijde van de Venserpolder. Ik zag dat [betrokkene 3] richting een auto liep die daar geparkeerd stond. Deze stond op de bushalte waar ook snorders vaak staan. Ik zag dat [verdachte] ook hij deze auto stond en zag een derde jongen op de passagiersstoel zitten. Deze jongen heet [betrokkene 4] , hem ken ik niet maar ik hoorde van [betrokkene 2] dat hij [betrokkene 4] heet. De auto was een zwarte Volkswagen. Ik hoorde dat [betrokkene 3] zei: “Stap in de auto”. Op dat moment was ik best bang. Ik wilde eigenlijk niet instappen, maar dacht: als ik wegren krijgt hij mij toch wel te pakken. Daarom zijn ben ik maar ingestapt, ook [betrokkene 2] stapte in de auto.
Ik zag dat [verdachte] achter het stuur ging zitten, naast [betrokkene 4] . Ikzelf zat links achterin, [betrokkene 2] zat in het midden en [betrokkene 3] rechts achterin. Vervolgens zijn we gaan rijden via de Dolingadreef, rechtsaf de Daalwijkdreef op. Vervolgens sloegen we rechtsaf naar Dennenrode. Ik zag dat [verdachte] direct de parkeergarage inreed. Ik zag dat [verdachte] achterin de garage stopte. Ik hoorde dat [betrokkene 3] tegen me zei dat ik uit moest stappen. Ik zag ook dat hij zich alleen op mij richtte en niet op [betrokkene 2] . Ik ben uitgestapt en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] stapten ook uit. Ik hoorde dat [betrokkene 3] tegen [betrokkene 2] zei dat hij moest blijven zitten. Ik zag dat hij de deur dichtgooide zodat [betrokkene 2] niet kon uitstappen. Vervolgens reed [verdachte] de parkeergarage uit en waren we nog maar met zijn drieën.
2. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] , brigadier van politie Amsterdam-Amstelland, opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige, genummerd PL132E 201027761-12, gesloten en getekend op 16 november 2010, dossierpagina 40-41, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 2] , zakelijk weergegeven:
Ik zal u vertellen wat ik weet en gezien heb. Ik was met [betrokkene 1] op station Duivendrecht toen 2 jongens naar ons toe kwamen. Ik zag dat de ene persoon [betrokkene 3] (het hof begrijpt: [betrokkene 3] ) was. Die andere ken ik niet. [betrokkene 3] ken ik van de kerk. Toen we naar beneden liepen, liepen we naar een auto. Boven zei [betrokkene 3] tegen ons: komen jullie mee. Dat was niet op een normale toon, ik zag dat hij boos was. De auto is een Volkswagen, zwart van kleur, type weet ik niet. We zijn met z'n allen ingestapt. En daarmee bedoel ik: [betrokkene 3] , [verdachte] (zo heet die andere jongen die ook boven op het station was dat hoorde ik later van [betrokkene 1] in de auto), [betrokkene 1] , ikzelf en ene [betrokkene 4] .
Daarna zijn we naar Dennenrode gereden. Daar aangekomen zijn we achter in de garage gegaan. Ik zag dat iedereen uitstapte behalve ik. Ik hoorde dat [betrokkene 3] tegen mij zei: “Dit heeft niets met jou te maken, blijf jij zitten.”, daarom bleef ik zitten. Ik zag dat [betrokkene 1] vast gehouden werd door iemand, alleen kon ik niet zien door wie. Daarna kwam [verdachte] terug in de auto en toen werd ik weg gebracht door hem naar buiten op de parkeerplaats en hij vertelde mij: “Het is beter als je nu naar huis gaat”. Ik zag dat [verdachte] terug rende naar de parkeer garage.
3. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] , brigadier van politie Amsterdam-Amstelland, opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte, genummerd 201027761 -29, gesloten en getekend op 17 november 2010, dossierpagina 45-54, voor zover inhoudende als verklaring van medeverdachte [betrokkene 3] , zakelijk weergegeven:
Die jongen die ik wilde spreken heet [betrokkene 1] . Zijn achternaam weet ik niet. Ik ben met twee neven naar Duivendrecht gegaan. U zegt mij dat [betrokkene 4] en [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) erbij waren. Dat klopt, dat zijn de neven die ik bedoel.
Ik ben naar Duivendrecht gegaan omdat ik van een kennis, die ik niet wil noemen, hoorde dat [betrokkene 1] daar was. Ik had die kennis gebeld en gevraagd waar [betrokkene 1] was. Hij vertelde mij dat die op Duivendrecht was. Ik ben naar Duivendrecht gegaan met de auto. Dat is een huurauto, een Volkswagen Golf Plus, zwart. Toen ik bij het station was heb ik hem gevraagd om mee te lopen.
4. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] , brigadier van politie Amsterdam-Amstelland, opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, genummerd 2010277761-29, gesloten en getekend op 16 november 2010, dossierpagina 25, voor zover inhoudende als bevindingen van voornoemde verbalisant zakelijk weergegeven:
Naar aanleiding van een wederrechtelijke vrijheidsberoving, straatroof en bedreiging op maandag 4 november 2010 heb ik, verbalisant, camerabeelden uitgekeken van het metro/trein station Duivendrecht en wel van de ingang/uitgang aan de kant van de Venserpolder. Aan deze zijde van het station is een camera gericht op de controle poortjes alwaar ingecheckt en uitgecheckt wordt.
foto 1 - binnenkomst [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte)
foto 2 - aangever met muts bij uitchecken en getuige [betrokkene 2]
foto 3 - aangever voor het uitchecken
foto 4 - aangever loopt naar poortje
foto 5 en 6 - aangever checkt uit
foto 7 - aangever met muts met rode streep door poortje met op de achtergrond [verdachte]
foto 6 - aangever door poortje met op de achtergrond [verdachte]
foto 9 - [verdachte] richting uitgang
foto 10 - [verdachte] richting uitgang.
Opmerking hof: anders dan bij arrest is overwogen, is [betrokkene 3] op deze beelden niet zichtbaar.
5. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de meervoudige strafkamer in de rechtbank te Amsterdam van 8 februari 2011, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:
[betrokkene 3] en ik halen elkaar elke dag uit school. Wie het eerst vrij is, komt de ander halen. [betrokkene 3] kwam mij 4 november 2010 ophalen. [betrokkene 4] zat ook in de auto. Bij station Duivendrecht is [betrokkene 3] uit de auto gestapt. Ik ben in het station ook naar boven gelopen.”
6. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“Overweging met betrekking tot het bewijs
Door de raadsman is bepleit dat zijn cliënt ook dient te worden vrijgesproken van de onder 2 tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving. Hij heeft hiertoe -kort gezegd- hetvolgende aangevoerd. Primair heeft de autorit geen wederrechtelijke vrijheidsberoving opgeleverd, subsidiair kan niet worden bewezen dat cliënt opzet had op wederrechtelijke vrijheidsberoving. Verdachte wist niet wat er te gebeuren stond.
Medeverdachte [betrokkene 3] heeft verklaard dat hij samen met verdachte in de auto naar station Duivendrecht is gereden. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij evenals [betrokkene 3] uit de auto is gestapt en station Duivendrecht is binnengelopen. Aangever heeft verklaard dat hij op station Duivendrecht eerst verdachte zag en dat deze naar hem keek. Hij is op station Duivendrecht achter [betrokkene 3] aangelopen in de richting van de uitgang omdat het hem het beste leek om gewoon mee te lopen. Hij heeft verklaard dat hij best bang was en dat hij niet wilde instappen in de auto. Hij is wel ingestapt, omdat hij dacht dat [betrokkene 3] hem toch wel te pakken zou krijgen als hij weg zou rennen. Dit wordt bevestigd door hetgeen getuige [betrokkene 2] heeft verklaard over de wijze waarop zij door verdachte en [betrokkene 3] op het station zijn benaderd. Hij heeft namelijk verklaard dat twee jongens naar aangever en hem toekwamen en dat hij kon zien dat [betrokkene 3] boos was toen hij zei dat zij mee moesten komen. Volgens de getuige zei [betrokkene 3] dat niet op een normale toon. Bovendien blijkt uit de verklaring van [betrokkene 4] dat aangever wist dat [betrokkene 3] hem zocht.
Op afdrukken van de camerabeelden van station Duivendrecht is te zien dat aangever [betrokkene 1] , getuige [betrokkene 2] , alsmede verdachte en medeverdachte [betrokkene 3] op 4 november 2010 rond 14.20 uur richting de uitgang van het station lopen. Vervolgens is aangever met de auto van station Duivendrecht vervoerd naar de parkeergarage van het flatgebouw Dennenrode. In de auto zat ook verdachte samen met alle hiervoor genoemde personen.
Uit de verklaring van aangever blijkt dat verdachte achter het stuur is gaan zitten en direct naar de parkeergarage Dennenrode is gereden. Getuige [betrokkene 2] en aangever hebben verklaard dat verdachte, nadat hij in de parkeergarage uit de auto was gestapt, weer terug in de auto is gestapt om [betrokkene 2] naar buiten te brengen. Verdachte heeft tegen [betrokkene 2] gezegd dat ‘hij ( [betrokkene 2] ) er niets mee te maken had.’ Verdachte is daarna teruggekeerd naar de parkeergarage.
Ondanks het feit dat medeverdachte [betrokkene 3] alle schuld ten aanzien van een groot deel van de feiten op zich lijkt te willen nemen, is het hof, evenals de rechtbank, op grond van deze verklaringen van oordeel dat [betrokkene 3] zo nauw en volledig heeft samengewerkt met verdachte dat sprake is van medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving.
Ook staat voor het hof vast dat het slachtoffer van zijn vrijheid beroofd is gehouden door de omstandigheid dat hij is meegenomen naar een parkeergarage, waar het slachtoffer niet de vrijheid had om weg te gaan. Pas toen de verdachten waren vertrokken, heeft hij zich kunnen aankleden en is hij de garage uitgelopen.
Het hof is derhalve van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.”
7. De in het middel geformuleerde eerste klacht houdt kort samengevat in dat het hof op grond van de vastgestelde feiten, die erop neer komen dat het slachtoffer [betrokkene 1] is gevraagd om mee te komen en in de auto te stappen, ook al is dat door hem als bedreigend ervaren, ten onrechte tot een bewezenverklaring van opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving is gekomen, omdat [betrokkene 1] zelf ervoor gekozen heeft in verdachtes auto te stappen.
8. Om de klacht te kunnen beoordelen moet eerst worden vastgesteld wat onder opzettelijke vrijheidsberoving zoals is strafbaar gesteld in art. 282 Sr moet worden verstaan. Dat is (mede) afhankelijk van de vraag wat met vrijheid wordt bedoeld. Machielse maakt in Noyon-Langemeijer-Remmelink het onderscheid tussen twee soorten vrijheid, te weten de lichamelijke vrijheid en de geestelijke vrijheid en stelt dat art. 282 Sr uitsluitend betrekking heeft op de lichamelijke vrijheid. Het uitoefenen van ‘zedelijke dwang’ valt volgens hem niet onder art. 282 Sr, maar onder art. 284 Sr (dwang) en art. 285 Sr (bedreiging met bepaalde ernstige misdrijven). In zijn optiek is voor een bewezenverklaring van art. 282 Sr een handeling noodzakelijk die de fysieke verplaatsing onmogelijk maakt.1.Bij wederrechtelijke vrijheidsberoving in de zin van art. 282 Sr moet het volgens Machielse dus gaan om de feitelijke beroving van de fysieke bewegingsvrijheid. De Hoge Raad is echter in deze opvatting niet meegegaan. In zijn arrest van 15 mei 19902., oordeelde de Hoge Raad dat door opzettelijk de indruk te vestigen dat het slachtoffer onmiddellijk zou worden neergeschoten indien zij zou proberen het perceel waarop zij zich bevond te verlaten, de verdachte haar van haar vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden in de zin van art. 282 Sr.3.De overlap tussen art. 282 Sr en de art. 284 Sr (dwang) en 285 Sr (bedreiging met een ernstig misdrijf) kan daarbij volgens de Hoge Raad worden opgelost via de regels van de samenloop (art. 55 Sr). Hieruit kan worden afgeleid dat niet alleen de fysieke beperking van iemands bewegingsvrijheid strafbaar is, bijvoorbeeld door iemand op te sluiten of feitelijk te verhinderen weg te lopen, maar dat de strafbare ontneming van de bewegingsvrijheid ook door het aanjagen van angst bewerkstelligd kan worden.
9. Volgens Knigge is het verschil tussen de opvatting van Machielse en de Hoge Raad minder groot dan het misschien lijkt. In zijn conclusie4.voor het arrest van de Hoge Raad van 20 november 20125., betoogt hij dat uit het arrest van 1990 niet kan worden afgeleid dat iedere vorm van zedelijke dwang wederrechtelijke vrijheidsberoving oplevert. Volgens hem is van vrijheidsberoving pas sprake als het toepassen van zedelijke dwang onmiddellijk tot gevolg heeft dat het slachtoffer zich niet meer fysiek vrij kan bewegen. Ik vind de term “zedelijk” in dit verband in de meeste gevallen wat merkwaardig aandoen. Het gaat om alle mogelijke vormen van niet fysieke dwang die sterk genoeg zijn om het effect van vrijheidsberoving te bewerkstelligen. Bijvoorbeeld in het geval van een gijzeling waarbij mensen onder schot worden gehouden en zich niet meer durven te verroeren, ook al is de ruimte waarin zij zich bevinden niet afgesloten en zouden zij zich ook uit de voeten kunnen maken, als zij dat zouden durven. Als er nog keuzevrijheid is, bijvoorbeeld in het geval dat iemand telefonisch bedreigd wordt dat als hij zijn huis verlaat, hij neergeschoten wordt, levert dit in Knigges optiek nog geen vrijheidsberoving op. In zijn bijdrage aan de Machielse-bundel, waarin ook uitvoerig wordt ingegaan op de implicatie van de wil van degene wiens vrijheid wordt ontnomen voor de strafbaarheid van vrijheidsberoving6., schrijft Knigge dat veel ervoor pleit om vrijheidsberoving in de zin van art. 282 Sr te definiëren als het benemen van de feitelijke mogelijkheid om zich te verplaatsen.7.Ik sluit mij graag bij deze definitie aan.
10. In de onderhavige zaak heeft het hof aan de vraag of op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden kan worden aangenomen dat hetgeen zich heeft afgespeeld kan worden beschouwd als het benemen van de feitelijke mogelijkheid van het slachtoffer om zich te verplaatsen geen nadere overwegingen gewijd anders dan:
“Ondanks het feit dat medeverdachte [betrokkene 3] alle schuld ten aanzien van een groot deel van de feiten op zich lijkt te willen nemen, is het hof, evenals de rechtbank, op grond van deze verklaringen van oordeel dat [betrokkene 3] zo nauw en volledig heeft samengewerkt met verdachte dat sprake is van medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving.
Ook staat voor het hof vast dat het slachtoffer van zijn vrijheid beroofd is gehouden door de omstandigheid dat hij is meegenomen naar een parkeergarage, waar het slachtoffer niet de vrijheid had om weg te gaan. Pas toen de verdachten waren vertrokken, heeft hij zich kunnen aankleden en is hij de garage uitgelopen.”
Verder heeft het hof overwogen dat het verweer strekkende tot vrijspraak voor zover inhoudende dat de autorit geen wederrechtelijke vrijheidsberoving heeft opgeleverd wordt weerlegd door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen.
11. Uit die bewijsmiddelen blijkt dat het slachtoffer en diens vriend zich op station Duivendrecht bevonden en daar de verdachte en diens medeverdachte naar boven zagen komen lopen. De medeverdachte heeft toen tegen het slachtoffer en diens vriend gezegd ‘Komen jullie twee mee naar beneden’. Het leek het slachtoffer het beste om maar gewoon mee te lopen. De medeverdachte heeft vervolgens gezegd ‘Stap in de auto’. Het slachtoffer was op dat moment best bang, wilde eigenlijk niet instappen, maar dacht: als ik wegren krijgt hij mij toch wel te pakken. Hij is daarom maar ingestapt. Ook zijn vriend is ingestapt. De vriend verklaart dat de medeverdachte niet op een normale toon sprak toen hij zei ‘komen jullie mee’ en dat hij zag dat hij boos was.
12. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, lijkt mij dit onvoldoende te zijn om te kunnen spreken van wederrechtelijke vrijheidsberoving in de zin van art. 282 Sr. Het slachtoffer is niet de auto ingetrokken of geduwd en is evenmin vastgebonden of iets dergelijks. Van een fysieke onmogelijkheid tot vrije verplaatsing was op dat moment dan ook geen sprake. Het enkele op een “niet normale” toon tegen het slachtoffer en diens vriend zeggen/vragen mee te komen en in te stappen is naar mijn mening een te lichte vorm van zedelijke dwang om te kunnen spreken van vrijheidsberoving in de zin van art. 282 Sr.
13. Daarbij speelt tevens mee dat de gedachte van het slachtoffer dat hij toch wel gepakt zou worden als hij zou wegrennen (en de wijze waarop dat dan zou gebeuren) niet door enig bewijsmiddel wordt gestaafd. Uit de bewijsvoering van het hof blijkt niets van enige andere zedelijke dwang waardoor het voor het slachtoffer onmiddellijk onmogelijk werd zich te verplaatsen. Het feit dat hij nadat hij is ingestapt is meegenomen in de auto naar de parkeergarage betekent weliswaar dat verdachte tijdens die rit waarschijnlijk niet kon uitstappen, maar dat kan moeilijk als wederrechtelijke vrijheidsberoving worden aangemerkt. Nu de bewijsvoering ook niets inhoud met betrekking tot de situatie in de auto gedurende de rit naar de parkeergarage, kan ook daaruit de wederrechtelijke vrijheidsberoving zoals bedoeld in art. 282 Sr niet worden afgeleid. Zo blijkt bijvoorbeeld niet dat verdachte niet zou zijn gestopt om het slachtoffer (en diens vriend) uit te laten stappen op het moment dat zij daarom zouden vragen. Of er in de parkeergarage sprake is geweest van wederrechtelijke vrijheidsbeneming kan evenmin uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid. Daaruit blijkt niet meer dat [betrokkene 1] na aankomst daar is achtergelaten en dat [betrokkene 2] vrijwillig in de auto is blijven zitten en mee naar buiten is gereden en toen weg kon gaan.
14. Nu van vrijheidsberoving in de zin van art. 282 Sr geen sprake is, kom ik niet meer toe aan de bespreking van de eveneens in het middel opgeworpen vragen of hier sprake is geweest van wederrechtelijke vrijheidsberoving en de vraag of de verdachte zich daaraan (als mededader) opzettelijk heeft schuldig gemaakt.
15. Voor zover het middel klaagt over de motivering van het hof met betrekking tot de bewezenverklaring van het van de vrijheid beroofd houden is het eveneens terecht voorgesteld. Uit de hiervoor onder 6 weergegeven overweging blijkt inderdaad, zoals de steller van het middel opmerkt, dat het hof met de bewezenverklaring van het van de vrijheid beroofd houden het oog heeft gehad op de situatie in de parkeergarage na de autorit. Zoals hierboven al is aangevoerd zijn ten laste van de verdachte geen gedragingen in de parkeergarage bewezenverklaard hierop wijzen, noch kunnen die zonder meer worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen.8.De motivering van het hof van de bewezenverklaring van het van de vrijheid beroofd houden is dan ook ontoereikend.
16. Het eerste middel slaagt.
17. Het tweede middel klaagt over de strafmotivering van het hof, voor zover deze inhoudt dat de verdachte blijkens het Uittreksel uit de Justitiële Documentatie eerder is veroordeeld.
18. Het bestreden arrest houdt onder het kopje ‘Oplegging van straf en/of maatregel’ – voor zover hier van belang – het volgende in:
“Voorts heeft het hof gelet op het verdachte betreffende Uittreksel uit de Justitiële Documentatie. Hieruit volgt dat de verdachte eerder is veroordeeld. Kennelijk hebben deze eerdere veroordelingen verdachte er niet van weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan een ernstig strafbaar feit.”
19. Uit het zich bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindende Uittreksel uit het Justitiële Documentatieregister van 17 oktober 2013 blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het plegen van het onderhavige feit alleenl meermalen een transactie is opgelegd.9.Gegevens omtrent een onherroepelijke veroordeling/onherroepelijke veroordelingen voorafgaand aan het plegen van het onderhavige feit ontbreken. De strafoplegging is dan ook ontoereikend gemotiveerd.
20. Ook het tweede middel slaagt.
21. Beide middelen slagen. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
22. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het Hof, teneinde deze op het bestaande beroep opnieuw te berechten en af te doen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 03‑02‑2015
ECLI:NL:PHR:2012:BX5468 onder 4.6.
Knigge geeft in zijn stuk hiervan een aantal spannende voorbeelden, zoals iemand die zich inbeeldt ‘Houdini’ te zijn en mensen uit het publiek vraagt om hem in de boeien te slaan. Dat gebeurt in beginsel vrijwillig en dan is er geen sprake van vrijheidsberoving. Dat kan anders worden als het hem niet lukt zichzelf te bevrijden en hij ondanks smeekbeden aan het publiek niet wordt losgemaakt.
G. Knigge, Van vrijheidsberoving, bewustheid en bestwil, in Ad hunc modum, Opstellen over materieel strafrecht, Liber amicorum A.J. Machielse, Kluwer Deventer 2013, p. 201.
Enkel bewijsmiddel 2 houdt in dat [betrokkene 2] (de vriend van het slachtoffer) zag dat iedereen uitstapte, dat hij zag dat [betrokkene 1] (het slachtoffer) vast werd gehouden door iemand en dat [verdachte] (de verdachte) terug liep naar de parkeergarage.
Transacties kunnen niet gelijk gesteld worden aan onherroepelijke veroordelingen. Zie HR 5 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2231.
Beroepschrift 14‑05‑2014
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Griffienummer: S 14/01121
SCHRIFTUUR HOUDENDE
MIDDELEN VAN CASSATIE
Van : Mr. Th.J. Kelder
Dossiernummer: 1616187
Inzake:
[verzoeker],
verzoeker tot cassatie van een door het Gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden op 31 oktober 2013, onder nummer 21-004750-11 gewezen arrest.
Middel I
1.
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat
het Hof het verweer, inhoudende dat geen sprake was van (wederrechtelijke) vrijheidsberoving, noch van opzet bij verzoeker daarop, ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen,
en doordat
de bewezenverklaring, in het bijzonder voor zover zij inhoudt dat verzoeker ‘opzettelijk’ [aangever] ‘wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden’ niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.
2. Toelichting
2.1
Aan verzoeker is onder 2 ten laste gelegd dat:
‘hij op of omstreeks 04 november 2010 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [aangever] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft (hebben) hij, verdachte, en/of (een of meer) van zijn mededader(s)
- —
die [aangever] (dreigend) de woorden toegevoegd: ‘Komen jullie twee mee naar beneden’ en/of ‘Komen jullie mee’ en/of ‘Stap in de auto’, althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking en/of
- —
die [aangever] tegen zijn wil in de auto meegenomen en/of rondgereden en/of
- —
die [aangever] (, terwijl hij werd vastgehouden) (meermalen) (met kracht) in/tegen/op het gezicht, in elk geval het lichaam, geslagen en/of gestompt en/of
- —
die [aangever] in zijn buik, in elk geval het lichaam, geschopt en/of getrapt en/of — die [aangever] (meermalen) met (de gesp van) een riem tegen zijn bil(len) geslagen en/of
- —
(met kracht) de broek en/of onderbroek en/of schoenen en/of jas en/of muts, in elk geval (een deel van) de kleding van die [aangever] uitgetrokken, tengevolge waarvan de broek en/of onderbroek en/of jas en/of schoenen van die [aangever] zijn gescheurd en/of kapot gegaan en/of
- —
(vervolgens) (, terwijl hij werd vastgehouden) een of meer foto's van die naakt op de grond liggende [aangever] gemaakt en/of
- —
(vervolgens) die [aangever] (meermalen) (dreigend) de woorden toegevoegd: ‘Als je dit tegen iemand zegt, dan kom ik je pakken’ en/of ‘Je moet je mond houden en je mag niet naar de politie gaan, anders pak ik je’, althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking.’
2.2
Daarvan heeft het Hof bewezen verklaard dat:
‘hij op 04 november 2010 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [aangever] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededader
- —
die [aangever] (dreigend) de woorden toegevoegd: ‘Komen jullie twee mee naar beneden’ of ‘Komen jullie mee’ en ‘Stap in de auto’, en
- —
die [aangever] tegen zijn wil in de auto meegenomen.’
2.3
Deze bewezenverklaring steunt op de in de aanvulling op het verkorte arrest opgenomen bewijsmiddelen. De inhoud van die bewijsmiddelen is in het arrest samengevat in de bewijsoverweging (p. 4–5):
‘Door de raadsman is bepleit dat zijn cliënt ook dient te worden vrijgesproken van de onder 2 tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving. Hij heeft hiertoe —kort gezegd— het volgende aangevoerd. Primair heeft de autorit geen wederrechtelijke vrijheidsberoving opgeleverd, subsidiair kan niet worden bewezen dat cliënt opzet had op wederrechtelijke vrijheidsberoving. Verdachte wist niet wat er te gebeuren stond.
Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij samen met verdachte in de auto naar station Duivendrecht is gereden. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij evenals [medeverdachte] uit de auto is gestapt en station Duivendrecht is binnengelopen. Aangever heeft verklaard dat hij op station Duivendrecht eerst verdachte zag en dat deze naar hem keek. Hij is op station Duivendrecht achter [medeverdachte] aangelopen in de richting van de uitgang omdat het hem het beste leek om gewoon mee te lopen. Hij heeft verklaard dat hij best bang was en dat hij niet wilde instappen in de auto. Hij is wel ingestapt, omdat hij dacht dat [medeverdachte] hem toch wel te pakken zou krijgen als hij weg zou rennen. Dit wordt bevestigd door hetgeen getuige [getuige] heeft verklaard over de wijze waarop zij door verdachte en [medeverdachte] op het station zijn benaderd. Hij heeft namelijk verklaard dat twee jongens naar aangever en hem toekwamen en dat hij kon zien dat [medeverdachte] boos was toen hij zei dat zij mee moesten komen. Volgens de getuige zei [medeverdachte] dat niet op een normale toon. Bovendien blijkt uit de verklaring van [aangever] dat aangever wist dat [medeverdachte] hem zocht.
Op afdrukken van de camerabeelden van station Duivendrecht is te zien dat aangever [aangever], getuige [getuige], alsmede verdachte en medeverdachte [medeverdachte] op 4 november 2010 rond 14.20 uur richting de uitgang van het station lopen. Vervolgens is aangever met de auto van station Duivendrecht vervoerd naar de parkeergarage van het flatgebouw Dennenrode. In de auto zat ook verdachte samen met alle hiervoor genoemde personen.
Uit de verklaring van aangever blijkt dat verdachte achter het stuur is gaan zitten en direct naar de parkeergarage Dennenrode is gereden. Getuige [getuige] en aangever hebben verklaard dat verdachte, nadat hij in de parkeergarage uit de auto was gestapt, weer terug in de auto is gestapt om [getuige] naar buiten te brengen. Verdachte heeft tegen [getuige] gezegd dat ‘hij ([getuige]) er niets mee te maken had.’ Verdachte is daarna teruggekeerd naar de parkeergarage.
Ondanks het feit dat medeverdachte [medeverdachte] alle schuld ten aanzien van een groot deel van de feiten op zich lijkt te willen nemen, is het hof, evenals de rechtbank, op grond van deze verklaringen van oordeel dat [medeverdachte] zo nauw en volledig heeft samengewerkt met verdachte dat sprake is van medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving.
Ook staat voor het hof vast dat het slachtoffer van zijn vrijheid beroofd is gehouden door de omstandigheid dat hij is meegenomen naar een parkeergarage, waar het slachtoffer niet de vrijheid had om weg te gaan. Pas toen de verdachten waren vertrokken, heeft hij zich kunnen aankleden en is hij de garage uitgelopen.
Het hof is derhalve van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.’
2.4
Door en namens verzoeker is aangevoerd dat verzoeker moet worden vrijgesproken van beide aan hem ten laste gelegde feiten.
2.5
Het Hof heeft verzoeker vrijgesproken van de onder 1 ten laste gelegde diefstal met geweld en mishandeling van [aangever]. Volgens het Hof ontbreekt het ten aanzien van die feiten aan voldoende wettig en overtuigend bewijs, terwijl ook onvoldoende is gebleken dat verzoeker heeft bijgedragen aan de uitvoering van de mishandeling.
2.6
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde komt het Hof tot een bewezenverklaring, zij het dat het een eind meegaat in hetgeen door de verdediging is aangevoerd. Het verweer ten aanzien van het tweede feit hield het volgende in (pleitnota hoger beroep, par. 17 t/m 22):
‘Feit 2
- 17.
Idem ligt dit ten aanzien van feit 2. De eerste vraag is of zich een vrijheidsberoving heeft voorgedaan.
- 18.
Naar oordeel van de verdediging in ieder geval (nog) niet op de momenten die zijn opgenomen onder de eerste twee gedachtestreepjes op de tenlastelegging, samen te vatten als het opwachten op het station en vervolgens de autorit.
- 19.
Getuige [getuige] (p. 40) heeft verklaard dat het vooral [medeverdachte] is geweest die tegen hen gezegd heeft dat ze moesten instappen. Dat is ook wat aangever verklaart op p. 7: ‘Ik zag dat [medeverdachte] naar mij en [getuige] (liep) en dat hij zei ‘komen jullie mee naar beneden’. Pas bij die auto ziet aangever ook cliënt. Alleen al om die reden heeft cliënt niet meegewerkt aan het plegen van de eerste gedachtestreepjes op de tenlastelegging. Verder verklaart aangever duidelijk dat hij niet zozeer uit angst maar vooral uit pragmatisme is ingestapt: Die pragmatische keuze geeft in zo'n sterke mate blijk van een zelfstandig wilsbesluit, dat daarin geen aanwijzingen voor een wederrechtelijke vrijheidsberoving besloten liggen.
- 20.
Ziet uw hof dat anders, dan verplaatst de discussie zich naar het opzet van cliënt. Zelfs als aangever een zekere onvrijwilligheid heeft ervaren, dan nog blijft overeind dat hij toen niet kenbaar heeft gemaakt niet te willen instappen, en al helemaal niet meer op het moment dat hij met [medeverdachte] aankwam bij de auto. De manier van vragen was ook niet zodanig dat niet anders kan dan dat cliënt wist (of moest vermoeden) dat het instappen onvrijwillig geschiedde. Ook de omstandigheden van de rit zijn onvoldoende om dat opzet uit af te leiden, aangezien er onderweg naar de garage volgens alle verklaringen geen handelingen zijn voorgevallen waaruit volgt dat het (naar uiterlijke verschijningsvorm beoordeeld) niet anders kan zijn geweest dan dat aangever daar tegen zijn wil aanwezig was.
- 21.
Kortom: vrijspraak primair omdat de autorit geen wederrechtelijke vrijheidsberoving heeft opgeleverd, en subsidiair omdat bewijs ontbreekt dat cliënt opzet had op dat feit.
- 22.
Bij de volgende gedachtestreepjes hebben we de voorfase verlaten en gaat het om de uitvoeringshandelingen; in dit verband herhaal ik het standpunt dat cliënt daarvan niet als medepleger is aan te merken bij gebrek aan een (voldoende) aandeel daarin. Cliënt was tijdens een groot gedeelte van deze handelingen niet aanwezig omdat hij toen in de auto is blijven zitten en/of direct met de auto de garage uit is gereden. Cliënt heeft daarmee part noch deel aan de handelingen die vervolgens hebben plaatsgevonden — opnieuw ontbreekt het dan aan zowel het opzet van cliënt op dat feit, als aan een nauwe en bewuste samenwerking (door cliënt) gericht op de uitvoering van dat feit; zie par. 5–16 van deze pleitnota. Vrijspraak.’
2.7
Het laatste deel van dit verweer is door het Hof overgenomen: van de ten laste gelegde gedragingen die neerkomen op (nare) gewelddadigheden jegens [aangever] is verzoeker vrijgesproken. Dat ligt in lijn met 's Hofs overwegingen ten aanzien van de onder 1 ten laste gelegde feiten. Het Hof verwerpt het verweer echter voor het overige: het gaat niet mee in het betoog dat hetgeen overblijft (het vragen om mee te komen en in de auto te stappen, en het rijden van station Duivendrecht naar de parkeergarage van het flatgebouw Dennenrode) onvoldoende is om van opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving te kunnen spreken.
2.8
De verwerping van dit verweer en de (daarmee samenhangende) toereikendheid van de bewijsmotivering van het onder 2 bewezen verklaarde worden in cassatie betwist. Het gaat daarbij om de interpretatie van de in art. 282 Sr opgenomen bestanddelen ‘opzettelijk’ en ‘wederrechtelijk van de vrijheid berooft of beroofd houdt’.
Vrijheidsberoving
2.9
De tenlastelegging en bewezenverklaring onder 2 zijn toegesneden op art. 282 lid 1 Sr. Die bepaling luidt:
‘Hij die opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid berooft of beroofd houdt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.’
2.10
Blijkens de Memorie van Toelichting (zie Smidt, deel II, 1881, p. 417) kan vrijheidsberoving plaatsvinden door middel van opsluiting en op andere wijze, bijvoorbeeld door vastbinden. In de rechtspraak is vrijheidsberoving ook wel aangenomen toen opzettelijk de indruk werd gevestigd dat het slachtoffer onmiddellijk zou worden neergeschoten als deze het perceel verliet (HR 15 mei 1990, NJ 1990/668). Uw Raad overwoog (rov. 5):
‘… dat verdachte, door die [naam 1] met een vuurwapen en met woorden te bedreigen, bij haar opzettelijk de indruk heeft gevestigd dat zij onmiddellijk zou worden neergeschoten indien zij zou proberen het in de bewezenverklaring genoemde perceel te verlaten.
Deze lezing is niet onbegrijpelijk en kan in cassatie niet verder worden onderzocht. Aldus heeft de verdachte [naam 1] verhinderd zich te verwijderen van de plaats waar zij zich bevond en haar van de vrijheid beroofd en beroofd gehouden in de zin van art. 282 Sr.’
2.11
Een opzettelijk door de dader opgewekte situatie die het slachtoffer verhindert zich fysiek te verwijderen lijkt derhalve vereist. In soortgelijke zin merkt prof. Machielse in NLR op (aant. 1 bij art. 282 Sr, suppl. april 2013):
‘Nodig zal dus zijn een handeling die de fysieke verplaatsing onmogelijk maakt.’
2.12
Hoe intensief en imponerend de gedragingen van de verdachte in dit verband moeten zijn, valt uit de rechtspraak van Uw Raad niet eenduidig af te leiden. Wel volgt daaruit dat het dwingen van iemand tot het ondergaan van een rit in een auto onder omstandigheden voldoende kan zijn om van vrijheidsberoving te spreken (HR 23 april 1985, NJ 1985/891). In de betreffende zaak hadden de verdachte en zijn mededader het slachtoffer, in weerwil van diens verzet, vastgegrepen, vastgehouden en geduwd en getrokken naar een auto, om hem vervolgens in die auto te duwen en weg te rijden. Daarin ligt een belangrijk verschil met onderhavige casus; fysieke belemmeringen die de vrijheid van het slachtoffer om te vertrekken hebben aangetast zijn in de thans voorliggende zaak immers niet aan de orde.
2.13
In deze zaak lijkt veeleer sprake te zijn van een door [aangever] ervaren onbehagen dan dat verzoeker (en zijn medeverdachte) zodanige gedragingen hebben verricht of een dusdanig bedreigende situatie hebben gecreëerd, dat [aangever] daardoor daadwerkelijk van zijn lichamelijke bewegingsvrijheid werd beroofd.
2.14
Van belang is dat de psychische beleving van [aangever] niet doorslaggevend is (vgl. G. Knigge, ‘Van vrijheidsberoving, bewustheid en bestwil’, Machielse-bundel, p. 201, die meent dat ‘veel ervoor pleit om vrijheidsberoving te definiëren als het benemen van de feitelijke mogelijkheid om zich te verplaatsen, zodat de actuele beleving van het slachtoffer irrelevant is.’). Bovendien valt in casu moeilijk in te zien waarom [aangever] door het enkele vragen om mee te komen en in te stappen dermate in zijn lichamelijke bewegingsvrijheid werd beperkt dat sprake is van het strafbare feit van art. 282 Sr. Knigge wijst er in zijn conclusie ECLI:NL:PHR:2012:BX5468 immers terecht op dat de aan het slachtoffer opgelegde ‘zedelijke dwang’ wel dusdanig moet zijn dat een ‘onmiddellijke onmogelijkheid zich vrij te verplaatsen’ ontstaat (par. 4.6):
‘Het toepassen van zedelijke dwang valt dus alleen onder bepaalde omstandigheden onder art. 282 Sr. Die dwang moet resulteren in de onmiddellijke onmogelijkheid zich vrij te verplaatsen. Anders gezegd: een beperking van de keuzevrijheid als zodanig levert nog geen vrijheidsberoving op.’
2.15
Van een onmiddellijke onmogelijkheid voor [aangever] om zich vrij te verplaatsen blijkt in casu niet. [aangever] is niet vastgepakt, niet indringend bedreigd en evenmin op enige andere manier gehinderd in zijn fysieke bewegingsmogelijkheden. Het lijkt er eerder op dat [aangever] zelf de keuze heeft gemaakt om mee te gaan, waar hij in zijn door het Hof tot het bewijs gebezigde verklaring stelt:
‘Op dat moment leek het mij het beste om maar gewoon mee te lopen. (…) Ik wilde eigenlijk niet instappen maar dacht: als ik wegren krijgt hij mij toch wel te pakken. Daarom ben ik maar ingestapt (…).’
2.16
[aangever] heeft dus een afweging gemaakt en vervolgens zijn keuze bepaald: hij wilde ‘eigenlijk’ niet instappen, maar deed dat toch ‘maar’ vrijwillig, anders zou [medeverdachte] vast achter hem aankomen. Dat laatste is een eigen invulling van [aangever] geweest, die niet is te herleiden op duidelijke uitlatingen of gedragingen van verzoeker (en zijn medeverdachte). Onduidelijk is bovendien waarom [aangever] meende dat hij ‘gepakt’ zou worden als hij zou wegrennen. Uit het enkele feit dat hem werd gevraagd mee te komen en in te stappen kan dat niet worden afgeleid. Uit 's Hofs bewijsmotivering blijkt ook niet van andere, bijkomende omstandigheden die die gedachte van [aangever] rechtvaardigden. Dat medeverdachte [medeverdachte] ‘boos was’ (hetgeen overigens iets anders is dan het bewezen verklaarde ‘dreigend’ spreken) is in dit verband onvoldoende. En waar het Hof nog overweegt dat uit de verklaring van [aangever] blijkt dat aangever wist dat [medeverdachte] hem zocht, geldt niet alleen dat dit ‘zoeken’ geenszins op voorgenomen geweld hoeft te duiden, maar ook dat het Hof verzuimt aan te geven op welke verklaring van [aangever] (die niet in de bewijsmiddelen is opgenomen) het hier doelt, en waar deze opmerking precies te vinden zou zijn.
2.17
Het voorgaande betekent dat verzoeker betwist dat in de door het Hof vastgestelde omstandigheden sprake is geweest van (wederrechtelijke) vrijheidsberoving van [aangever]. 's Hofs andersluidende opvatting gaat uit van een te ruime (en dus onjuiste) interpretatie van art. 282 Sr, althans zij is zonder nadere doch ontbrekende motiering niet begrijpelijk. Het door de verdediging gevoerde verweer is reeds daarom ten onrechte en op ontoereikende gronden verworpen, terwijl de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat verzoeker [aangever] ‘wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden’, bovendien niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.
2.18
Steun voor het standpunt dat het Hof in casu te licht bewezen heeft geacht dat een dusdanige situatie is gecreëerd dat het [aangever] onmiddellijk onmogelijk werd gemaakt om zich vrij te verplaatsen, zodat sprake is van vrijheidsberoving in de zin van art. 282 Sr, vindt verzoeker ook in recente lagere rechtspraak. Daaruit blijkt dat een bedreigende situatie niet snel met zich brengt dat sprake is van zodanige onmogelijkheid van fysieke verplaatsing dat ook van vrijheidsberoving in de zin van deze bepaling kan worden gesproken. De Rechtbank Limburg overwoog op 20 augustus 2013 (ECLI:NL:RBLIM:2013:4840) bijvoorbeeld:
‘De rechtbank stelt voorop dat de artikelen 282 en 282a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) betrekking hebben op de lichamelijke vrijheid (de vrijheid om fysiek te gaan en staan waar men wil). Van vrijheidsberoving in de zin van de artikelen 282 en 282a Sr is slechts sprake wanneer het iemand onmogelijk is gemaakt zich fysiek te verplaatsen. De artikelen 284 en 285 hebben betrekking op de geestelijke vrijheid (de vrijheid om te doen of laten wat men wil). Wanneer iemand zich fysiek niet wil verplaatsen vanwege een zedelijke dwang (het verplaatsen zou in strijd zijn met een morele of ethische verplichting dan wel in strijd met de eerbaarheid of omdat iemand gewoon bang is), maar dat fysiek wel zou kunnen, is er sprake van bedreiging in de zin van de artikelen 284 of 285 Sr.
Er zijn echter situaties denkbaar die zowel onder de artikelen 282 of 282a Sr als onder 284 of 285 Sr vallen. Dit is bijvoorbeeld het geval als de dreiging zodanig is dat het slachtoffer moet vrezen onmiddellijk te worden neergeschoten, wanneer het pand zou worden verlaten (HR 15 mei 1990, LJN: ZC8416). Een dergelijke geestelijke dwang resulteert in een onmiddellijke onmogelijkheid zich vrij te verplaatsen (Conclusie AG bij HR 20 november 2012 LJN: BX5468). Indien zich zo'n situatie voordoet is er sprake van eendaadse samenloop (HR 15 mei 1990, LJN: ZC8416).
In de onderhavige strafzaak is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte het de aanwezigen in de onderhavige situatie onmogelijk heeft gemaakt zich fysiek te verplaatsen. Dat blijkt al uit het feit dat tijdens het incident diverse mensen de ruimte zijn binnengekomen en twee van die mensen de ruimte op verschillende momenten ook weer hebben verlaten. Ook de jongere persoon waar verdachte dreigend tegen had gezegd dat hij niet weg mocht, heeft de ruimte vervolgens gewoon verlaten. De door verdachte opgerichte barricade was er ook niet op gericht om het de aanwezigen onmogelijk te maken de ruimte te verlaten, gelet op het feit dat de deur naar buiten toe openklapte en gelet op het feit dat het spullen waren die zonder al te veel moeite opzij geschoven konden worden.
De rechtbank is verder van oordeel dat evenmin kan worden bewezen dat de dreiging die van verdachte uitging een zodanige geestelijke dwang opleverde dat het voor de aanwezigen onmiddellijk onmogelijk was om zich te verplaatsen. Uit de stukken blijkt wel dat verdachte dreigend met twee messen heeft staan zwaaien en daarbij heeft geëist dat hij de unitcoördinator en de gedragswetenschapper te spreken kreeg, maar van een concrete onmiddellijke ernstige bedreiging naar de aanwezigen is geen sprake geweest. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de twee jongeren die als getuige zijn gehoord beiden hebben verklaard dat zij nooit het gevoel hebben gehad dat zij tegen hun wil werden vastgehouden en dat het personeel dat in de ruimte aanwezig was niet heeft verklaard dat zij dat gevoel wel hadden.
Wat betreft enkele stekende bewegingen die verdachte in de richting van enkele mensen heeft gemaakt was dat naar eigen zeggen met de bedoeling mensen uit zijn buurt te houden en niet om hen in de ruimte te houden. Ook getuige [getuige 5] had die indruk.
Dat verdachte daarnaast volgens diverse getuigen heeft geroepen dat niemand weg mocht en dat verdachte tegen een jongere persoon dreigend heeft gezegd dat hij niet weg mocht, doet hier evenmin iets aan af nu ook hieruit niet de noodzakelijke geestelijke dwang voor het kunnen aannemen van vrijheidsbeneming is voortgevloeid.
Dit betekent dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de in de tenlastelegging onder feit 1 genoemde personen wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden en evenmin dat verdachte een deur heeft gebarricadeerd om de aanwezigen te beletten de ruimte te verlaten. De verdachte zal van deze bestanddelen in het tenlastegelegde feit dan ook worden vrijgesproken.’
2.19
In soortgelijke terughoudende zin overwoog de Rechtbank Amsterdam op 1 november 2013 (ECLI:NL:RBAMS:2013:7270):
‘4.4.1.1
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is geweest van wederrechtelijke vrijheidsberoving van [persoon 1] en zal verdachte daarvan vrijspreken. Zij overweegt daartoe als volgt.
4.4.1.2
Artikel 282 en 282a van het Wetboek van het Strafrecht vallen onder misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid. In de situatie waarin men — zonder dat de dader daartoe gerechtigd is — iemand doet verblijven op een plaats — waaronder ook een voertuig kan vallen — waarvan of waaruit die persoon zich niet op ieder gewenst ogenblik kan verwijderen, is sprake van wederrechtelijke vrijheidsberoving.
Van wederrechtelijke vrijheidsberoving als bedoeld in de artikelen 282 en 282a van het Wetboek van Strafrecht kan naast het geval wanneer het iemand tegen diens wil fysiek onmogelijk wordt gemaakt zich te verplaatsen, onder bepaalde omstandigheden ook het toepassen van zogeheten zedelijke dwang, dat wil zeggen dwang die betrekking heeft op de wil, vallen. Die dwang moet resulteren in de onmiddellijke onmogelijkheid zich vrij te verplaatsen (AG Knigge ECLI:NL:PHR:2012:BX5468). Zo is het mogelijk dat iemand zich als gevolg van geestelijke dwang niet vrij voelt te gaan en te staan waar hij wil, bijvoorbeeld als hij moet vrezen onmiddellijk te worden neergeschoten, wanneer hij een bepaalde plaats verlaat (vgl. HR 15 mei 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8416, NJ 1990, 668).
4.4.1.3
De ten laste gelegde vrijheidsberoving betreft het ophalen van [persoon 1] uit zijn woning in [plaats] op 17 januari 2012, inclusief het brengen van [persoon 1] naar het hotel in Amersfoort, het onderbrengen van [persoon 1] in dat hotel, het brengen van [persoon 1] naar het kantoor van mr. [persoon 2], inclusief de bespreking daar, en ten slotte het vervoeren van [persoon 1] op 19 januari 2012 naar de rechtbank Amsterdam. Verdachte en zijn medeverdachten zouden zich kort gezegd in woord en gebaar op zeer intimiderende, indringende, agressieve en bedreigende wijze hebben gedragen waardoor [persoon 1] zich zo bang voelde dat hij de indruk had dat als hij niet zou doen wat verdachte en/of zijn medeverdachte hem opdroegen, hij dood zou zijn en hij zich niet vrij voelde om weg te gaan en de auto en/of het hotel te verlaten.
4.4.1.4
De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte of zijn medeverdachten het aan [persoon 1] onmogelijk heeft of hebben gemaakt zich vrijelijk te bewegen. Uit de verklaring van [persoon 1] volgt niet dat er een fysiek middel is aangewend om hem van zijn vrijheid te beroven en dit volgt ook niet anderszins uit het dossier. Uit de verklaring van [persoon 1] volgt verder niet dat hij vreesde of moest vrezen dat hem onmiddellijk onheil zou overkomen als hij niet zou gehoorzamen en dus ook niet dat sprake is geweest van onmiddellijke dreiging die maakte dat [persoon 1] zich niet kon verplaatsen. Uit zijn verklaring volgt wel dat hij bang en geïntimideerd was. Voor zover zijn verklaring inhoudt dat hij niet kon gaan en staan waar hij wilde, vindt zij evenwel geen steun in ander bewijs. Integendeel, uit het aanwezige bewijs kan juist worden afgeleid dat [persoon 1] zich telkens vrij kon bewegen en dus niet van zijn vrijheid was beroofd. [persoon 1] heeft aan het begin van de autorit van [plaats] naar Amersfoort de auto verlaten om zonder begeleiding brandstof te gaan halen en aannemelijk is dat hij op 18 januari 2012, de dag nadat hij in een hotel in Amersfoort zijn intrek had genomen, zonder begeleiding verschillende bezoeken elders heeft afgelegd. Bovendien staat vast dat [persoon 1] steeds over zijn mobiele telefoon kon beschikken en dat hij daarvan veelvuldig gebruik heeft gemaakt, terwijl niet is gebleken dat hij eerder dan bij zijn ontmoeting met de rechter-commissaris op 19 januari 2012 de hulp van politie of justitie heeft ingeroepen.’
2.20
Met deze recente rechtspraak, waarvan verzoeker de juistheid onderschrijft, valt 's Hofs oordeel in onderhavige zaak — waarin blijkens de bewijsmiddelen niet meer is voorgevallen dan dat [aangever] is gevraagd om mee te komen en in de auto te stappen — slecht te rijmen. Een enigszins bedreigende situatie levert volgens die rechtspraak immers nog geen (wederrechtelijke) vrijheidsberoving op, nog daargelaten dat van enige bedreigende situatie in casu überhaupt niet blijkt.
2.21
Voor zover het Hof overigens heeft bewezen verklaard dat verzoeker [aangever] ‘wederrechtelijk van de vrijheid beroofd heeft gehouden’, geldt dat het Hof daarmee, blijkens de laatste alinea van zijn bewijsoverweging op p. 4 van het arrest, het oog lijkt te hebben op de situatie in de parkeergarage. Het Hof overweegt immers:
‘Ook staat voor het hof vast dat het slachtoffer van zijn vrijheid beroofd is gehouden door de omstandigheid dat hij is meegenomen naar een parkeergarage, waar het slachtoffer niet de vrijheid had om weg te gaan. Pas toen de verdachten waren vertrokken, heeft hij zich kunnen aankleden en is hij de garage uitgelopen.’
2.22
Deze overwegingen steunen evenwel niet op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen. Daaruit kan niet worden afgeleid dat het slachtoffer in de parkeergarage niet de vrijheid had om weg te gaan, noch dat hij zich pas nadat de verdachten waren vertrokken heeft kunnen aankleden en uit de garage heeft kunnen verwijderen. Bovendien zijn ten laste van verzoeker geen gedragingen in de parkeergarage bewezen verklaard. Voor zover het Hof overweegt dat verzoeker [aangever] van zijn vrijheid beroofd heeft gehouden is het arrest ook hierom ondeugdelijk gemotiveerd.
2.23
Het arrest kan reeds hierom niet in stand blijven.
Opzet
2.24
Naast de vraag of sprake is geweest van ‘wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden’, staat nog de vraag naar verzoekers opzet. Uit de plaats van het bestanddeel ‘opzettelijk’ in art. 282 Sr (en in de bewezenverklaring) volgt dat verzoeker [aangever] opzettelijk wederrechtelijk van zijn vrijheid moet hebben beroofd en beroofd hebben gehouden.
2.25
De aanwezigheid van dat opzet is door de raadsman betwist: zelfs als aangever een zekere onvrijwilligheid heeft ervaren, geldt namelijk nog steeds dat hij op geen enkele wijze heeft kenbaar gemaakt niet te willen instappen, terwijl de feitelijke gang van zaken ook niet zodanig was dat daaruit kan worden afgeleid dat verzoeker wist dat het instappen onvrijwillig geschiedde. Tijdens de daaropvolgende (zeer korte) rit was dat niet anders: er is immers niks gezegd of gedaan waaruit van onvrijwilligheid of van de onmogelijkheid om te vertrekken blijkt.
2.26
Uit 's Hofs bewijsoverweging kan niet worden afgeleid waarom het precies van oordeel is dat bij verzoeker wél sprake was van opzet op (wederrechtelijke) vrijheidsberoving van [aangever]. De bewijsmiddelen vermelden dienaangaande ook niets specifieks. Kennelijk is het Hof van oordeel dat het vragen aan iemand om mee te komen en in te stappen, waaraan diegene vervolgens zonder protest voldoet, de conclusie rechtvaardigt dat (voorwaardelijk) opzet op wederechtelijke vrijheidsberoving van die persoon bestaat.
2.27
Dat oordeel acht verzoeker niet juist, noch toereikend gemotiveerd. Van opzet kan immers eerst sprake zijn als blijkt dat verzoeker welbewust (wetenschapselement) de aanmerkelijke kans (waarschijnlijkheidsoordeel) heeft aanvaard (wilselement) dat [aangever] door de bewezen verklaarde gedragingen wederrechtelijk van zijn vrijheid werd beroofd, zoals bedoeld in art. 282 Sr. Daarvan blijkt uit de bewijsmotivering echter niet. De bewezen verklaarde gedragingen zijn te neutraal en te algemeen om naar hun uiterlijke verschijningsvorm te kwalificeren als (wederrechtelijke) vrijheidsberoving van degene tot wie zij zijn gericht, temeer nu daartegen door die persoon op geen enkele wijze is geprotesteerd of verzet is gepleegd. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat verzoeker door zijn gedrag welbewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat [aangever] wederrechtelijk van zijn vrijheid werd beroofd.
2.28
Verzoeker betwist dus eveneens de juistheid en begrijpelijkheid van 's Hofs oordeel dat in de vastgestelde omstandigheden sprake is geweest van opzettelijke (wederrechtelijke) vrijheidsberoving van [aangever]. Het door de verdediging gevoerde verweer is ten onrechte en op ontoereikende gronden verworpen, terwijl de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat verzoeker [aangever] ‘opzettelijk’ wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, bovendien niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.
2.29
Het arrest kan ook hierom niet in stand blijven.
Middel II
1.
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat de strafoplegging ontoereikend is gemotiveerd. Het Hof heeft bij de strafmotivering namelijk in aanmerking genomen dat verzoeker ‘eerder is veroordeeld. Kennelijk hebben deze eerdere veroordelingen verdachte er niet van weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan een ernstig strafbaar feit.’, zulks terwijl het uittreksel uit het Justitiële Documentatieregister niet inhoudt dat verzoeker voorafgaand aan het plegen van het onderhavige feit is veroordeeld voor enig strafbaar feit (laat staan dat dit meerdere keren het geval is geweest).
2. Toelichting
2.1
Bij de bepaling van de aan verzoeker op te leggen straf heeft het Hof acht geslagen op het hem betreffende uittreksel uit het Justitiële Documentatieregister en — kennelijk in zijn nadeel — meegewogen dat verzoeker (arrest, p. 6):
‘eerder is veroordeeld. Kennelijk hebben deze eerdere veroordelingen verdachte er niet van weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan een ernstig strafbaar feit.’
2.2
De stelling dat verzoeker ‘eerder is veroordeeld’ en dat deze ‘eerdere veroordelingen’ hem niet ervan hebben weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit, is niet juist en evenmin begrijpelijk. Uit het door het Hof bedoelde uittreksel blijkt immers niet van enige eerdere veroordeling. Daarop is slechts een aantal eerdere transacties vermeld.
2.3
Een transactie is niet hetzelfde als een veroordeling. Zo impliceert een transactie geen schuldvaststelling1. (zij kan om puur pragmatische redenen worden aangegaan) en zegt zij niets over de vraag of het feit daadwerkelijk is begaan. Een transactie wordt juist aangegaan om vervolging en bestraffing te voorkomen. Het is dan ook onjuist om transacties en veroordelingen aan elkaar gelijk te stellen (vgl. HR 5 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2231). Nu het Hof dat wel heeft gedaan is 's Hofs strafmotivering niet begrijpelijk. Het gaat in het licht van de rest van de strafmotivering overigens niet om een ‘misser’ van ondergeschikt belang, te minder nu het Hof spreekt van meerdere ‘veroordelingen’.
2.4
Het arrest kan niet in stand blijven.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door Th.J. Kelder, advocaat te Den Haag, die verklaart dat verzoeker hem daartoe bepaaldelijk heeft gevolmachtigd.
Th.J. Kelder
Den Haag, 14 mei 2014
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 14‑05‑2014
Zie bijvoorbeeld Kamerstukken II 2004/05, 29 849, nr. 3, p. 1–2: ‘Uit een oogpunt van rechtmatigheid is van belang dat de strafbeschikking — anders dan de transactie — een daad van vervolging is en een bestraffing oplevert die op een vaststelling van schuld aan een strafbaar feit gebaseerd is.’ Zie ook idem, p. 86: ‘Uitgangspunt is daarbij dat de lijn van het onderhavige wetsvoorstel, behelzende dat de strafbeschikking meer dan de transactie in veel opzichten gelijk te stellen is met een rechterlijke veroordeling, gelet op de daarin besloten liggende schuldvaststelling, ook op het terrein van de — verstrekking van — justitiële gegevens wordt doorgetrokken.’