Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/10.4:10.4 Bijzonderheden van de concrete staat
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/10.4
10.4 Bijzonderheden van de concrete staat
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS456975:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Gewezen kan worden op het arrest van het Hof Den Haag 20 januari 2005, LJN AS3366 in de eerder besproken zaak-Kesbir, m.n. r.o. 2.4. en 4.5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Binnen deze betrekkelijk formele afbakening is vanzelfsprekend invloed mogelijk van de bijzonderheden van de concrete betrokken staat. Die bijzonderheden kunnen samenhangen met mensenrechtelijke normen, maar dat is niet per se het geval. Bepaalde aan het procesrecht van de andere staat eigen (on)mogelijkheden kunnen een obstakel vormen voor samenwerking. De mensenrechtelijke staat van dienst kan van groot belang zijn. De vraag hoe die moet worden vastgesteld is niet altijd eenvoudig te beantwoorden. De tendens is dat niet alleen veroordelingen door internationale hoven als het EHRM daar een rol in kunnen spelen, maar dat ook gekeken kan worden naar rapporten van niet-gouvernementele organisaties als Amnesty International en Human Rights Watch. In veel gevallen zal daarmee niet het laatste woord zijn gezegd, maar onder invloed van vooral het EHRM lijkt ook de Nederlandse rechter langzaam maar zeker huiverig om buiten de formele paden te treden.1