HR, 12-09-2014, nr. 14/02487
ECLI:NL:HR:2014:2663
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12-09-2014
- Zaaknummer
14/02487
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2014:2663, Uitspraak, Hoge Raad, 12‑09‑2014; (Cassatie, Artikel 80a RO-zaken)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:679, Gevolgd
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2014:3132
ECLI:NL:PHR:2014:679, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 27‑06‑2014
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2663, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 12‑09‑2014
Partij(en)
12 september 2014
Eerste Kamer
14/02487
EV/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de man],wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. M.L. Kleyn,
t e g e n
[de vrouw],wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak 243434 FA RK 11-5838 van de rechtbank Breda van 11 december 2012;
b. de beschikking in de zaak HV 200.121.956/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 13 februari 2014.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De advocaat van de man heeft bij brief van 10 juli 2014 op dat standpunt gereageerd.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 3 en 4).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, C.E. Drion en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 12 september 2014.
Conclusie 27‑06‑2014
Zaak 14/02487
Mr. P. Vlas
Zitting, 27 juni 2014
Conclusie inzake art. 80a
inzake:
[de man]
(hierna: de man),
Verzoeker tot cassatie,
tegen
[de vrouw]
(hierna: de vrouw),
Verweerster in cassatie.
1. De man (Turkse nationaliteit) en de vrouw (Turks/Nederlandse nationaliteit) zijn in 2002 op het Turkse consulaat te Rotterdam gehuwd en zijn beiden woonachtig in Nederland. Bij beschikking van 11 december 2012 heeft de rechtbank Rotterdam de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en onder meer bepaald dat de man aan de vrouw een bedrag van € 50.000 dient te voldoen in verband met een tussen partijen vóór het huwelijk aangegane ‘overeenkomst van uitzet’. In hoger beroep heeft de man verzocht de beschikking van de rechtbank ter zake van de betaling van € 50.000 te vernietigen. Bij beschikking van 13 februari 2014 heeft het hof ’s-Hertogenbosch de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. De man heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld.
2. Tegen de beschikking van het hof worden twee middelen aangevoerd. Kort gezegd wordt in middel I betoogd dat het hof het Turkse recht ten onrechte niet heeft toegepast en het beroep van de man op art. 27 van het Turkse ‘Borclar kanunu’ (‘Wetboek van Verbintenissenrecht’) ten onrechte althans op onjuiste gronden heeft verworpen. In middel II wordt betoogd dat het hof bij de beoordeling van de achtergrond en de betekenis van de ‘overeenkomst van uitzet’ en daarmee de bedoeling van partijen, de regels van het (islamitisch) gewoonterecht in aanmerking had moeten nemen. Het middel voert aan dat het hof heeft overwogen dat de uitleg van de man niet bij de aard van de overeenkomst zou passen, hetgeen volgens de man wel degelijk het geval is.
3. Voor zover de klachten al voldoen aan de aan een cassatiemiddel te stellen eisen van bepaaldheid en precisie, rechtvaardigen zij geen behandeling in cassatie, omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Daartoe geldt het volgende. In de bestreden beschikking heeft het hof de aanspraak van de vrouw uit de ‘overeenkomst van uitzet’ gekwalificeerd als een kwestie van huwelijksvermogensrecht, waarop Turks recht van toepassing is (zie rov. 3.5.2). De man heeft betoogd dat de overeenkomst nietig is en heeft daartoe een beroep gedaan op art. 27 van het Turkse Wetboek van Verbintenissenrecht. Het hof heeft het standpunt van de man weergegeven in rov. 3.3 en dit standpunt verworpen in rov. 3.5.3. Voor zover middel I klaagt dat het hof het Turkse recht ten onrechte niet heeft toegepast berust het middel op een onjuiste lezing van de bestreden beschikking. Voor het overige betoogt het middel dat het hof het beroep van de man op art. 27 van het Turkse Wetboek van Verbintenissenrecht ten onrechte heeft verworpen. Het middel betoogt terecht dat de Nederlandse rechter vreemd recht ambtshalve behoort toe te passen (zie art. 10:2 BW) en dat het hof het beroep van de man op art. 27 van het Turkse Wetboek van Verbintenissenrecht daarom niet had mogen passeren door te overwegen dat de man zijn beroep op deze bepaling niet heeft onderbouwd en geen literatuur en jurisprudentie ter ondersteuning van zijn stelling heeft bijgebracht. Het middel gaat echter eraan voorbij dat het hof de ‘overeenkomst van uitzet’ heeft gekwalificeerd als een kwestie van huwelijksvermogensrecht waarop Turks recht van toepassing is en dat in die kwalificatie kennelijk besloten ligt dat het beroep van de man op art. 27 van het Turkse Wetboek van Verbintenissenrecht niet ter zake is. Uit rov. 3.5.3 volgt dat het hof heeft geoordeeld dat de onderhavige overeenkomst niet kan worden aangemerkt als nietig naar Turks recht noch dat sprake is van strijd met de openbare orde. Voor het overige stuit het middel af op art. 79 lid 1 aanhef en onder b RO.
4. Middel II stuit eveneens af op art. 79 lid 1 aanhef en onder b RO, voor zover wordt geklaagd over de uitleg van de ‘overeenkomst van uitzet’ aan de hand van het ‘islamitisch recht’, waarmee kennelijk wordt gedoeld op de regels van gewoonterecht zoals deze zich naar islamitische opvatting in het Turkse recht hebben ontwikkeld. Voorts berust het middel op een onjuiste lezing van de bestreden beschikking, omdat het hof in rov. 3.6.1 het standpunt van de man heeft weergegeven en in rov. 3.6.4 heeft overwogen dat voor de door de man verdedigde uitleg van de overeenkomst dat er alleen een betalingsverplichting voor hem ontstaat indien hij zelf de echtscheiding verzoekt, geen aanwijzing is gevonden in de tekst van de overeenkomst en dat die uitleg ook niet past bij de aard van de bruidsschat.
5. De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G