Een blik over de papieren muur leert overigens ook dat de in de woning aangetroffen droognetten waarin hennepresten zijn aangetroffen, nagenoeg schoon zijn. Zie het proces-verbaal PL1500-2015235062 van 20 oktober 2015 van de politie eenheid Den Haag (district Den Haag-centrum), p. 38.
HR, 28-01-2020, nr. 18/01404 P
ECLI:NL:HR:2020:132
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
28-01-2020
- Zaaknummer
18/01404 P
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2020:132, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 28‑01‑2020; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1259
ECLI:NL:PHR:2019:1259, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 03‑12‑2019
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:132
- Vindplaatsen
Uitspraak 28‑01‑2020
Inhoudsindicatie
Profijtontneming, w.v.v. uit hennepteelt. Klacht dat het Hof bij de schatting van het w.v.v. en i.h.b. bij de berekening van de opbrengst aan hennep in het voordeel van de betrokkene rekening had moeten houden met in de kwekerij in droognetten achtergebleven restanten hennep. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 18/01403.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 18/01404 P
Datum 28 januari 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 22 maart 2018, nummer 22/003177-17, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de betrokkene.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft D.J.G.J. Cornelissen, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt en die in cassatie aanhangig is onder nr. 18/01403, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. De compensatie waartoe de overschrijding van de redelijke termijn moet leiden, zal worden toegepast in de strafzaak.
3.3
Daarom is er geen aanleiding om in deze zaak aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 januari 2020.
Conclusie 03‑12‑2019
Inhoudsindicatie
Conclusie plv. AG. Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel. Het middel klaagt tevergeefs dat in de droognetten achtergebleven hennep niet heeft geleid tot een vermindering van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Strekt tot verwerping van het beroep.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 18/01404 P
Zitting 3 december 2019 (bij vervroeging)
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de betrokkene.
Het gerechtshof Den Haag heeft bij uitspraak van 22 maart 2018 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 22.832,66 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van hetzelfde bedrag aan de staat.
Er bestaat samenhang met de zaak 18/01403. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Namens de betrokkene heeft mr. D.J.G.J. Cornelissen, advocaat te Den Haag, twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft geschat en vastgesteld op een bedrag van € 22.832,66, aangezien uit ’s hofs vaststellingen niet zonder meer volgt dat betrokkene “concreet daadwerkelijk voordeel” heeft behaald.
De bestreden uitspraak houdt het volgende in (onderstreept, schuingedrukt en vetgedrukt in het origineel):
“Vaststelling van de betalingsverplichting
Het hof heeft de berekening van wederrechtelijk verkregen voordeel gegrond op het 'Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex art. 36 2e lid Sr, inhoudende – zakelijk weergegeven – :
In dit rapport wordt uitgegaan van een kweekperiode van 15 weken namelijk van 28 februari 2015 tot 11 juni 2015.
Kweekruimte 2 en 3
De 2e kweekruimte was ingericht als kwekerij, er stonden 151 zwarte plastic potten gevuld met aarde. De 3e kweekruimte was ook ingericht als kweekruimte, er stonden 117 zwarte plastic potten gevuld met aarde. In kweekruimte 2 en 3 werden respectievelijk 151 en 117 potten met aarde aangetroffen. Gezien de indicatoren die werden aangetroffen (knipscharen met hennepresten, droognetten met resten van volgroeide hennepplanten, restkluiten van hennepplanten, etc) is het aannemelijk dat in ruimte 2 en 3 hennepplanten opgegroeid werden tot volgroeide/bloeiende hennepplanten. In dit rapport wordt er van uitgegaan dat er in ruimte 2 en 3 een (1) eerdere hennepoogst is geweest.
In het BOOM-rapport wordt uitgegaan van 15 planten per vierkante meter. In de kwekerij werden in de ruimtes het volgende aantal planten en potten met aarde aangetroffen:
Ruimte 2: (14m2) : 151 potten met aarde
Ruimte 3: (14 m2 : 117 potten met aarde
Totaal aangetroffen planten en potten:
268 potten met aarde
In het BOOM-rapport van 1 november 2010 is een tabel opgenomen met daarin de opbrengst per hennepplant. Deze opbrengst is afhankelijk van de hoeveelheid hennepplanten op een m2. Hieruit blijkt, dat hoe lager het aantal planten op een m2, hoe hoger de opbrengst per plant. Als het aantal planten per m2 niet kan worden achterhaald, zal worden gerekend met 15 planten per m2 en de daarbij behorende opbrengst van 28,2 gram per plant. De opbrengst aan hennep per plant van deze kwekerij is volgens de tabel minimaal 28,2 gram.
Opbrengst hennep per oogst
De totaal bruto opbrengst aan hennep per oogst bedraagt:
Ruimte 2: 151 potten x 28.2 gram = 4.258,2 kg x 3280,- = € 13.966,90
Ruimte 3: 117 potten x 28.2 gram = 3.299,4 kg x 3280,- = € 10.822,03
Vaststelling opbrengst per oogst
In de kwekerij werden geen planten meer aangetroffen. De daadwerkelijke verkoopprijs van de hennep kon niet worden vastgesteld.
Volgens het BOOM-rapport bedraagt dit minimaal € 3.280,- per kilogram.
De totale bruto opbrengst per oogst bedraagt minimaal 7.557,6 kilogram x € 3.280,- = € 24.788,90 euro.
In de hierna vermelde berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt uitgegaan van 1 reeds eerder gerealiseerde oogst(en).
Kostenberekening
Veroordeelde [betrokkene], betrok de elektriciteit op illegale wijze en door Stedin Netbeheer B.V. werd hiervan aangifte gedaan.
De berekening van de toe te rekenen elektriciteitskosten per oogst luidt als volgt:
Totaal kosten elektriciteit exclusief BTW: € 6.491,62
Stedin Netwerkbeheer B.V. is bij haar berekening uitgegaan van 5 oogsten. Dus de besparing op elektriciteitskosten per oogst bedragen € 6.491,62 : 5 = € 1.298,32 euro per oogst. Omdat bij arrest van heden veroordeelde mede is veroordeeld tot betaling van onder meer dit geldbedrag aan Stedin, worden deze kosten bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel verder buiten beschouwing gelaten.
Uit het onderzoek rijst het vermoeden dat er ten behoeve van de huisvesting geen extra kosten gemaakt zijn. Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal er dan ook geen rekening mee worden gehouden.
De in mindering te brengen kosten per oogst voor de in dit onderzoek betrokken hennepkwekerij zijn op basis van het rapport van het BOOM als volgt:
Afschrijvingskosten:
2 ruimtes, minder dan 200 planten. 2 x 150 = € 300,00
hennepstekken : 268 x 2,85 = € 763,80
Variabele kosten : 268 x € 3,33 = € 892,44
x aantal oogsten: 1
Totaal aan kosten: € 1.956,24
Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel
Het netto wederrechtelijk verkregen voordeel wordt gesteld op:
Bruto opbrengst 1 oogst á € 24.788,90 = € 24.788,90
Totale kosten 1 oogst á € 1.956,24 = € 1.956,24 –
Wederrechtelijk verkregen voordeel = € 22.832,66
Gelet op bovenstaande stelt het hof het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 22.832,66 (tweeëntwintigduizend achthonderdtweeëndertig euro en zesenzestig cent).
Het hof zal tevens de veroordeelde de verplichting opleggen het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat aan de Staat te betalen.”
6. Het middel richt zich in de kern op de door het hof gehanteerde koppeling tussen de opbrengst aan hennep enerzijds en het daaruit verkregen voordeel anderzijds. In het bijzonder wordt geklaagd dat het hof geen aftrek op het verkregen voordeel heeft toegepast vanwege de nog in de droognetten aangetroffen restanten van volgroeide hennepplanten, zijnde hennep. Dit deel van de oogst heeft immers niet tot daadwerkelijk voordeel geleid.
7. Het hof heeft de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gegrond op het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex art 36 2e lid Sr” (hierna: het Rapport), waarin voor de vaststelling van de opbrengst per hennepplant en per oogst gebruik is gemaakt van het BOOM-rapport van 1 november 2010. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging aangevoerd dat de betrokkene geen enkel wederrechtelijk verkregen voordeel heeft behaald, maar de inhoud van het rapport voor het overige niet betwist.
8. Kennelijk heeft het hof geen aanwijzing gevonden dat de in de droognetten achtergebleven restanten hennep tezamen een dusdanig gewicht hadden, dat daarmee bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel in het voordeel van de betrokkene rekening diende te worden gehouden.1.Mede nu ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging geen bezwaren tegen de wijze van berekening van de opbrengst aan hennep in het Rapport naar voren zijn gebracht, heeft het hof de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel voldoende gemotiveerd. Daarmee is het middel tevergeefs voorgesteld.
9. Het middel faalt.
10. Het tweede middel klaagt dat de redelijke (inzend)termijn, zoals bedoeld in art. 6 EVRM, is overschreden, nu tussen het instellen van cassatie en het insturen van het dossier naar de griffie een periode van meer dan zes maanden is verstreken.
11. Het middel treft doel. Namens de betrokkene is op 29 maart 2018 beroep in cassatie ingesteld, terwijl de stukken van het geding eerst op 28 mei 2019 op de griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen. De redelijke inzendtermijn is zodoende met bijna zes maanden overschreden. Daaraan behoeft evenwel geen rechtsgevolg te worden verbonden, nu de Hoge Raad de compensatie in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak (met nr. 18/01403) kan toepassen.2.In dat geval kan in de onderhavige zaak met het enkele oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, worden volstaan.
12. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met een aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. De gegrondheid van het tweede middel behoeft niet tot cassatie te leiden.
13. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 03‑12‑2019
Zie: HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 (rov. 3.6.3 onder B.), m.nt. Mevis.