Procestaal: Nederlands.
HvJ EU, 24-03-2026, nr. C-767/23
ECLI:EU:C:2026:243
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
24-03-2026
- Magistraten
K. Lenaerts, T. von Danwitz, F. Biltgen, K. Jürimäe, M.L. Arastey Sahún, J. Passer, S. Rodin, E. Regan, D. Gratsias, M. Gavalec, Z. Csehi, S. Gervasoni, N. Fenger
- Zaaknummer
C-767/23
- Conclusie
Ćapeta
- Roepnaam
Remling
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
Europees belastingrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2026:243, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 24‑03‑2026
ECLI:EU:C:2025:486, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 26‑06‑2025
Prejudiciële beslissing op vraag van: ECLI:NL:RVS:2023:4632
Uitspraak 24‑03‑2026
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Artikel 267 VWEU — Omvang van de verwijzingsplicht van nationale rechterlijke instanties die in laatste aanleg uitspraak doen — Uitzonderingen op deze plicht — Verplichting om de concrete toepassing van deze uitzonderingen te motiveren — Nationale regeling die de nationale rechterlijke instantie in laatste aanleg de bevoegdheid geeft om beroepen met een verkorte motivering af te wijzen — Voorwaarden voor de motivering om geen prejudiciële vragen te stellen
K. Lenaerts, T. von Danwitz, F. Biltgen, K. Jürimäe, M.L. Arastey Sahún, J. Passer, S. Rodin, E. Regan, D. Gratsias, M. Gavalec, Z. Csehi, S. Gervasoni, N. Fenger
Partij(en)
In zaak C-767/23 [Remling] *i.,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Nederland) bij beslissing van 13 december 2023, ingekomen bij het Hof op dezelfde dag, in de procedure
A. M.
tegen
Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, T. von Danwitz, vicepresident, F. Biltgen, K. Jürimäe, M. L. Arastey Sahún en J. Passer, kamerpresidenten, S. Rodin, E. Regan, D. Gratsias, M. Gavalec (rapporteur), Z. Csehi, S. Gervasoni en N. Fenger, rechters,
advocaat-generaal: T. Ćapeta,
griffier: A. Lamote, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 4 maart 2025,
gelet op de opmerkingen van:
- —
A. M., vertegenwoordigd door E. C. Gelok, advocaat,
- —
de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en J. Langer als gemachtigden,
- —
de Duitse regering, vertegenwoordigd door R. Kanitz als gemachtigde,
- —
de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door S. Fiorentino als gemachtigde,
- —
de Finse regering, vertegenwoordigd door A. Laine en M. Pere als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Ronkes Agerbeek en C. Urraca Caviedes als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 juni 2025,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 267, derde alinea, VWEU, gelezen in samenhang met artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen A. M., een derdelander, en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Nederland; hierna: ‘Staatssecretaris’) over de weigering van de Staatssecretaris om A. M. een verblijfsvergunning te verlenen.
Toepasselijke bepalingen
3
Artikel 91, lid 2, van de Vreemdelingenwet 2000 van 23 november 2000 (Stb. 2000, 495; hierna: ‘Vreemdelingenwet’ of ‘Vw’), bepaalt:
‘Indien de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [(Nederland)] oordeelt dat een aangevoerde grief niet tot vernietiging kan leiden, kan zij zich bij de vermelding van de gronden van haar uitspraak beperken tot dit oordeel.’
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
4
A. M., die de Marokkaanse nationaliteit heeft en wiens echtgenote en kinderen in Nederland wonen en de Nederlandse nationaliteit hebben, heeft bij de Staatssecretaris een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning die geldig is voor het grondgebied van de Europese Unie. Bij besluit van 8 oktober 2019 is deze aanvraag afgewezen op grond dat A. M. al over een verblijfsvergunning in Spanje beschikte.
5
A. M. heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt, dat bij een besluit van de Staatssecretaris van 19 mei 2020 is afgewezen. Vervolgens heeft A. M. bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht (Nederland), tegen dat besluit op bezwaar beroep ingesteld.
6
Bij vonnis van 5 maart 2021 heeft deze rechter dit beroep verworpen op grond dat het overeenkomstig het arrest van 10 mei 2017, Chavez-Vilchez e.a. (C-133/15, EU:C:2017:354), aan A. M. was om met het oog op de afgifte van de gevraagde verblijfsvergunning aan te tonen dat zijn kinderen niet over een verblijfsvergunning in Spanje beschikten of een dergelijke vergunning niet konden verkrijgen.
7
A. M. heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de verwijzende rechter. In het kader van dat hoger beroep betwist A. M. om te beginnen de uitlegging die de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, heeft gegeven aan het arrest van 10 mei 2017, Chavez-Vilchez e.a. (C-133/15, EU:C:2017:354), en beroept hij zich op een afgeleid verblijfsrecht, uit hoofde van artikel 20 VWEU, zoals dat met name in dat arrest is uitgelegd. Vervolgens verwijt hij deze rechter in eerste aanleg dat hij, ondanks de verschillen in de nationale rechtspraak op het gebied van de bewijslast inzake dit afgeleide verblijfsrecht, het Hof niet krachtens artikel 267 VWEU om een prejudiciële beslissing heeft verzocht. Ten slotte verzoekt hij de verwijzende rechter opnieuw om krachtens deze bepaling prejudiciële vragen aan het Hof te stellen.
8
De verwijzende rechter is van oordeel dat het antwoord op de door A. M. gestelde vraag over de uitlegging van het Unierecht duidelijk blijkt uit de rechtspraak van het Hof. Overeenkomstig de rechtspraak die voortvloeit uit de arresten van 6 oktober 1982, Cilfit (283/81, EU:C:1982:335), en 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management en Catania Multiservizi (C-561/19, EU:C:2021:799), is deze rechter dan ook van oordeel dat hij niet verplicht is om krachtens artikel 267, derde alinea, VWEU prejudiciële vragen te stellen en dat hij uitspraak in het hoofdgeding kan doen door zijn beslissing als volgt bondig te motiveren:
‘Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de [rechter in eerste aanleg]. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd.
De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).’
9
Deze in artikel 91, lid 2, van de Vreemdelingenwet opgenomen bevoegdheid om verkort te motiveren weerspiegelt het door de Nederlandse wetgever bij de vaststelling van deze wet gewenste evenwicht tussen het openstellen van hoger beroep in alle vreemdelingenzaken en de noodzaak om de verwijzende rechter in staat te stellen zich in zijn onderzoek te concentreren op vragen die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin moeten worden beantwoord.
10
De verwijzende rechter benadrukt dat hij zijn beslissingen met name verkort mag motiveren wanneer de voor hem aangevoerde middelen niet ter zake dienend zijn, of wanneer partijen opkomen tegen een oordeel waarmee de rechter in eerste aanleg vaste rechtspraak van de Raad van State toepast, zonder dat partijen duidelijk maken waarom die toepassing onjuist of gebrekkig is of waarom daarvan moet worden afgeweken. Het nogmaals of opnieuw uitgebreid motiveren van jurisprudentiële oplossingen die niet werkelijk worden betwist, heeft dan geen toegevoegde waarde. Indien er geen grond is voor vernietiging van de uitspraak van de rechter in eerste aanleg en er geen vragen van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming aan de orde zijn, betekent dit in het algemeen dat er ook geen Unierechtelijke rechtsvragen aan de orde zijn waarvoor een prejudiciële verwijzing nodig is.
11
De verwijzende rechter is van oordeel dat de justitiabele ook bij een verkorte motivering effectieve rechterlijke bescherming geniet omdat de rechter in eerste aanleg elke vreemdelingenzaak grondig en uitvoerig onderzoekt, waarbij derdelanders en hun rechtsbijstandverleners met name hun middelen schriftelijk kunnen indienen en hun zaak tijdens zittingen op basis van hoor en wederhoor kunnen bepleiten. Vervolgens komt de rechter in eerste aanleg altijd met een volledig gemotiveerde uitspraak. De verwijzende rechter voert altijd een volledige inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep uit, ook al blijkt dit niet uit de verkorte motivering van de uitspraak.
12
Deze rechter merkt ook op dat de gespecialiseerde kamer voor vreemdelingenrecht in de periode van 2020 tot en met 2023 11 047 arresten ten gronde heeft gewezen, waarvan 85 % verkort is gemotiveerd. Hij wijst er in dit verband op dat het Unierecht een steeds grotere invloed op het vreemdelingenrecht heeft en merkt op dat in hogerberoepsprocedures veel verzoeken worden gedaan om prejudiciële vragen te stellen, waarvan sommige ongemotiveerd zijn. Gelet op deze situatie kan het relatief veel tijd vergen om te motiveren dat de verwijzende rechter geen prejudiciële vragen stelt omdat een van de uitzonderingen aan de orde is die het Hof heeft geformuleerd in het arrest van 6 oktober 1982, Cilfit (283/81, EU:C:1982:335, punt 21), waaruit blijkt dat een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep (hierna: ‘nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep’) en waarbij een vraag over de uitlegging van het Unierecht is voorgelegd, ontheven is van haar verplichting om zich tot het Hof te wenden in de zin van artikel 267, derde alinea, VWEU, wanneer zij heeft vastgesteld dat de opgeworpen vraag niet relevant is, dat de betrokken bepaling van Unierecht reeds door het Hof is uitgelegd of dat de juiste uitlegging van het Unierecht zo evident is dat er redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel kan bestaan (hierna: ‘drie Cilfit-uitzonderingen’).
13
De verwijzende rechter voegt daaraan toe dat hij met een verkort gemotiveerde uitspraak de uitkomst van de beslissing in eerste aanleg onderschrijft maar niet noodzakelijkerwijs de volledige motivering ervan. Op dit punt preciseert hij dat hij op andere gronden tot dezelfde uitkomst kan komen als de rechter in eerste aanleg. Dat betekent dat hij verkort kan motiveren wanneer de rechter in eerste aanleg een verzoek om prejudiciële vragen niet deugdelijk gemotiveerd heeft afgewezen of zelfs niet heeft onderzocht.
14
Uit met name het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 24 april 2018, Baydar tegen Nederland (CE:ECHR:2018:0424JUD005538514), maakt de verwijzende rechter op dat de hem bij artikel 91, lid 2, van de Vreemdelingenwet geboden bevoegdheid om verkort te motiveren in overeenstemming is met de algemene motiveringsplicht die voortvloeit uit artikel 47, eerste alinea, van het Handvest en artikel 6, lid 1, van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Hij stelt daarover dan ook geen vragen aan het Hof.
15
De verwijzende rechter merkt echter op dat uit punt 51 van het arrest van 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management en Catania Multiservizi (C-561/19, EU:C:2021:799), voortvloeit dat wanneer een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep van oordeel is dat zij niet gehouden is aan de verplichting om het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken, uit haar beslissing moet blijken dat de opgeworpen vraag van Unierecht niet relevant is voor de beslechting van het bij haar aanhangige geding, dat de uitlegging van de betrokken Unierechtelijke bepaling blijkt uit de rechtspraak van het Hof, of — bij gebreke daarvan — dat de uitlegging van het Unierecht voor deze rechterlijke instantie zo evident is dat er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan. Bijgevolg rijst de vraag of de bevoegdheid om een dergelijke beslissing verkort te motiveren in overeenstemming is met artikel 267, derde alinea, VWEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest, wanneer een partij in het bij die rechter aanhangige geding verzoekt om prejudiciële vragen aan het Hof te stellen. De verwijzende rechter vraagt zich in het bijzonder af of hij in dat geval uitgebreid moet motiveren waarom hij niet verplicht is om het Hof prejudiciële vragen te stellen, door met name aan te geven welke van de drie Cilfit-uitzonderingen van toepassing is.
16
In dit verband merkt de verwijzende rechter op dat uit de punten 61 tot en met 65 van het arrest van 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management en Catania Multiservizi (C-561/19, EU:C:2021:799), blijkt dat wanneer een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep om redenen die eigen zijn aan de procedure bij die rechterlijke instantie een beroep niet-ontvankelijk verklaart, zij ervan kan afzien om het Hof een prejudiciële vraag te stellen zonder dat zij gebonden is aan de in punt 51 van dat arrest opgenomen motiveringsplicht. De verwijzende rechter vraagt zich af of deze oplossing ook kan worden toegepast in de situatie waarin een beroep wel ontvankelijk is, maar waarin de aangezochte rechterlijke instantie om redenen die eigen zijn aan de procedure bij deze instantie haar beslissing verkort motiveert.
17
In die omstandigheden heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Moet artikel 267, derde alinea, [VWEU], gelezen in het licht van artikel 47, tweede alinea, van het [Handvest], zo worden uitgelegd dat deze bepalingen in de weg staan aan een nationale regeling als opgenomen in artikel 91, tweede lid, Vw 2000, op grond waarvan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, als nationale rechter wiens beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep, een opgeworpen vraag over de uitleg van Unierecht, al dan niet in combinatie met een uitdrukkelijk verzoek om prejudiciële verwijzing, verkort gemotiveerd kan afdoen zonder te motiveren welke van de drie uitzonderingen op haar verwijzingsplicht zich voordoet?’
Beantwoording van de prejudiciële vraag
18
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 267, derde alinea, VWEU, gelezen in het licht van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep, een door een van de partijen in het geding opgeworpen vraag over de uitlegging of de geldigheid van een Unierechtelijke bepaling met een verkorte motivering kan afdoen, ongeacht of deze vraag gepaard gaat met een uitdrukkelijk verzoek om prejudiciële vragen aan het Hof te stellen, en zonder kenbaar te maken welke van de drie Cilfit-uitzonderingen in de betreffende zaak van toepassing is.
19
Er zij aan herinnerd dat de prejudiciële verwijzingsprocedure van artikel 267 VWEU de hoeksteen vormt van het bij de Verdragen ingevoerde rechterlijke systeem. Deze procedure brengt tussen het Hof en de rechterlijke instanties van de lidstaten een dialoog van rechter tot rechter tot stand die tot doel heeft de uniforme uitlegging van het Unierecht te verzekeren. Aldus maakt deze procedure het mogelijk om de coherentie, de volle werking, de eigenheid en de autonomie te waarborgen van het rechtsstelsel van de Unie, waarvan het Hof de eerbiediging verzekert [zie in die zin advies 2/13 (Toetreding van de Unie tot het EVRM) van 18 december 2014, EU:C:2014:2454, punt 176, en arrest van 15 oktober 2024, KUBERA, C-144/23, EU:C:2024:881, punt 33].
20
Wanneer er volgens het nationale recht geen hoger beroep openstaat tegen de uitspraak van een nationale rechterlijke instantie, is deze instantie in beginsel gehouden zich krachtens artikel 267, derde alinea, VWEU tot het Hof te wenden wanneer voor haar een vraag over de uitlegging van het Unierecht of de geldigheid van een handeling van afgeleid recht wordt opgeworpen (arresten van 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management en Catania Multiservizi, C-561/19, EU:C:2021:799, punt 32, en 15 oktober 2024, KUBERA, C-144/23, EU:C:2024:881, punt 34).
21
De verplichting voor een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep om het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken, moet worden gezien in het kader van de samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties — in hun hoedanigheid van rechters belast met de toepassing van het Unierecht — en het Hof, ter verzekering van de juiste toepassing en eenvormige uitlegging van het Unierecht in alle lidstaten. Deze verplichting heeft dus met name tot doel om te voorkomen dat in een lidstaat nationale rechtspraak wordt ontwikkeld die niet strookt met het Unierecht (arresten van 24 mei 1977, Hoffmann-La Roche, 107/76, EU:C:1977:89, punt 5, en 15 oktober 2024, KUBERA, C-144/23, EU:C:2024:881, punt 35).
22
Een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep kan dus slechts van deze verplichting worden ontheven indien zij zich in een situatie bevindt waarin sprake is van een van de drie Cilfit-uitzonderingen. Deze rechterlijke instantie moet dus op eigen verantwoordelijkheid, op onafhankelijke wijze en met de nodige zorgvuldigheid beoordelen of zij verplicht is zich tot het Hof te wenden met betrekking tot de Unierechtelijke kwestie die bij haar aan de orde is gesteld, dan wel of zij kan worden vrijgesteld van die verplichting aangezien er sprake is van een van de drie Cilfit-uitzonderingen (zie in die zin arrest van 15 oktober 2024, KUBERA, C-144/23, EU:C:2024:881, punten 36 en 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
23
In dit verband volgt uit het bij artikel 267 VWEU ingevoerde stelsel, gezien in het licht van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest, dat wanneer een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep van oordeel is dat er sprake is van een van de drie Cilfit-uitzonderingen en zij derhalve niet gehouden is aan de in artikel 267, derde alinea, VWEU opgenomen verplichting om het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken, uit de motivering van haar beslissing moet blijken dat de opgeworpen vraag van Unierecht niet relevant is voor de beslechting van het geschil, dat de uitlegging van de betrokken bepaling van Unierecht blijkt uit de rechtspraak van het Hof, of — bij gebreke daarvan — dat de uitlegging van het Unierecht voor haar zo evident is dat er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan (arresten van 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management en Catania Multiservizi, C-561/19, EU:C:2021:799, punt 51, en 15 oktober 2024, KUBERA, C-144/23, EU:C:2024:881, punt 62).
24
Gelet op de fundamentele rol van de prejudiciële procedure van artikel 267 VWEU in de rechtsorde van de Unie, kan een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep dus geen middelen afwijzen die een vraag over de uitlegging of de geldigheid van een bepaling van Unierecht opwerpen, zonder eerst te beoordelen of zij verplicht is om het Hof om een prejudiciële beslissing over die vraag te verzoeken, dan wel of deze vraag onder een van de drie Cilfit-uitzonderingen valt. Wanneer die rechterlijke instantie op grond van een van deze uitzonderingen beslist om zich niet tot het Hof te wenden, moet deze beslissing derhalve in elk geval voldoen aan het in het vorige punt in herinnering gebrachte motiveringsvereiste, namelijk dat de rechterlijke instantie specifiek en concreet uiteenzet waarom die uitzondering van toepassing is.
25
Deze uitlegging doet niet af aan de rechtspraak die voortvloeit uit de arresten van 15 maart 2017, Aquino (C-3/16, EU:C:2017:209, punt 56), en 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management en Catania Multiservizi (C-561/19, EU:C:2021:799, punt 61), op grond waarvan een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep ervan kan afzien om het Hof een prejudiciële vraag te stellen om redenen van niet-ontvankelijkheid die eigen zijn aan de procedure bij die nationale rechterlijke instantie, mits het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel in acht worden genomen (arrest van 15 oktober 2024, KUBERA, C-144/23, EU:C:2024:881, punt 47).
26
Afgezien van deze situatie kan de afwijzing van een beroep met een verkorte motivering, waarin enkel wordt vastgesteld dat in de betreffende zaak is voldaan aan de voorwaarden die de nationale regeling aan een dergelijke motivering stelt, niet voldoen aan de verplichting die rust op de nationale rechterlijke instanties waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep om uiteen te zetten waarom zij van oordeel zijn dat een van de drie Cilfit-uitzonderingen van toepassing is op het bij hen aanhangige geding en rechtvaardigt dat zij het Hof niet om een prejudiciële beslissing verzoeken.
27
Het is juist dat het EHRM met name in het arrest van 24 april 2018, Baydar tegen Nederland (CE:ECHR:2018:0424JUD005538514, §§ 20, 48 en 51), heeft geoordeeld dat er geen grond was om een Nederlandse regeling die vergelijkbaar is met de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling en op grond waarvan de Hoge Raad een cassatieberoep met een verkorte motivering kan afwijzen, onverenigbaar met de bepalingen van het EVRM te verklaren.
28
De rechtspraak van het EHRM, die is ontwikkeld vanuit het oogpunt van de eerbiediging van het door artikel 6, lid 1, EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, ziet echter enkel op de situatie waarin een partij bij een geding de aangezochte rechter uitdrukkelijk heeft verzocht om een verzoek om een prejudiciële beslissing in te dienen. Zoals het EHRM heeft verduidelijkt, dient het recht op een met redenen omklede beslissing de in het EVRM verankerde algemene regel die de betrokkene beschermt tegen willekeur, door aan partijen te tonen dat zij zijn gehoord en te waarborgen dat zij een antwoord op hun opmerkingen ontvangen en de rechterlijke beslissing begrijpen. Aangezien het EVRM bovendien geen recht op prejudiciële verwijzing van een vraag aan het Hof waarborgt, kan een partij, als waarborg tegen willekeur, slechts een antwoord van een nationale rechter in de motivering van een arrest of beslissing verwachten indien zij bij de bevoegde nationale rechterlijke instantie om een verwijzing heeft verzocht. Indien een dergelijk met redenen omkleed verzoek ontbreekt, is het EHRM dan ook van oordeel dat het feit dat een rechterlijke instantie zonder motivering een prejudiciële vraag niet naar het Hof heeft verwezen, niet kan worden beschouwd als een schending van het recht op een eerlijk proces (zie in die zin EHRM, 16 december 2025, Gondert tegen Duitsland, CE:ECHR:2025:1216JUD003470121, § 42).
29
Wat het Unierecht betreft zijn de nationale rechterlijke instanties waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep echter verplicht om uiteen te zetten waarom zij menen dat een van de drie Cilfit-uitzonderingen op dat geding van toepassing is wanneer een van de partijen in het bij hen aanhangige geding zich op het Unierecht beroept, waarbij het niet ter zake doet of die partij verzoekt om prejudiciële vragen aan het Hof te stellen. De prejudiciële verwijzing berust namelijk op een dialoog van rechter tot rechter, waarvan het initiatief volledig afhankelijk is van de beoordeling door de nationale rechter van de relevantie en de noodzaak van deze verwijzing (arrest van 12 februari 2008, Kempter, C-2/06, EU:C:2008:78, punt 42); een verzoek daartoe van partijen is niet vereist. Bijgevolg is het voor de toepasselijkheid van deze motiveringsplicht voldoende dat een van de partijen in het betreffende geding zich op het Unierecht heeft beroepen, zonder dat van haar wordt verlangd dat zij daarnaast uitdrukkelijk heeft verzocht om prejudiciële vragen aan het Hof te stellen.
30
In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 267, tweede en derde alinea, VWEU, dat voorziet in een prejudiciële verwijzing naar het Hof ‘[i]ndien een […] vraag wordt opgeworpen in een zaak aanhangig bij een nationale rechterlijke instantie’, deze verwijzing niet beperkt tot de gevallen waarin een van de partijen in het betreffende geding het initiatief heeft genomen om een vraag over de uitlegging of de geldigheid van het Unierecht op te werpen, maar ook betrekking heeft op gevallen waarin een dergelijke vraag ambtshalve wordt opgeworpen door de nationale rechterlijke instantie, die een beslissing van het Hof op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis (zie in die zin arresten van 16 juni 1981, Salonia, 126/80, EU:C:1981:136, punt 7; 6 oktober 1982, Cilfit, 283/81, EU:C:1982:335, punt 9, en 21 februari 2013, Fédération Cynologique Internationale, C-561/11, EU:C:2013:91, punt 30).
31
Die motiveringsplicht geldt dus ook voor een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep ingeval zij, hoewel de partijen in het betreffende geding zich niet op het Unierecht hebben beroepen, op grond van haar nationale recht of het Unierecht bevoegd of verplicht is om de aan een dwingende regel van Unierecht ontleende rechtsgronden ambtshalve in het geding te brengen (zie in die zin arresten van 14 december 1995, Van Schijndel en Van Veen, C-430/93 en C-431/93, EU:C:1995:441, punten 13, 14 en 22, en 12 februari 2008, Kempter, C-2/06, EU:C:2008:78, punt 45, respectievelijk arresten van 26 oktober 2006, Mostaza Claro, C-168/05, EU:C:2006:675, punt 38, en 17 mei 2022, Ibercaja Banco, C-600/19, EU:C:2022:394, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32
Wanneer een lidstaat een dergelijke rechterlijke instantie toestaat een verkorte motivering te geven en zo de duur van gerechtelijke procedures te verkorten en die rechterlijke instantie in staat te stellen het grootste deel van haar middelen te wijden aan de beslechting van zaken van belang met het doel de eenheid en de samenhang van het recht te waarborgen, om een goede rechtsbedeling te verzekeren, moet deze rechterlijke instantie in die verkorte motivering dus niettemin ook specifiek en concreet uiteenzetten waarom zij van oordeel is dat een van de drie Cilfit-uitzonderingen op het bij haar aanhangige geding van toepassing is en het daarom gerechtvaardigd is dat zij het Hof niet om een prejudiciële beslissing verzoekt.
33
Aan deze verplichting wordt geacht te zijn voldaan wanneer een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep, uitdrukkelijk verklaart dat zij voornemens is de door de lagere rechterlijke instantie in het betreffende geding in aanmerking genomen gronden over te nemen, mits deze laatste instantie heeft uiteengezet waarom zij heeft geoordeeld dat de opgeworpen vraag van Unierecht niet relevant was, dat de betrokken bepaling van Unierecht reeds door het Hof was uitgelegd of dat deze uitlegging zo evident was dat er redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel kon bestaan.
34
Buiten deze situatie moet de motivering van de nationale rechterlijke instanties waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep beantwoorden aan de feitelijke en juridische omstandigheden van het betreffende geding, en vereist deze motivering in elk geval dat zij specifiek en concreet uiteenzetten waarom zij van oordeel zijn dat het Hof niet om een prejudiciële beslissing hoeft te worden verzocht.
35
De specifieke en concrete motivering ter rechtvaardiging van de toepassing van een van de drie Cilfit-uitzonderingen kan echter in de regel beknopt zijn wanneer een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep van oordeel is dat de vragen die haar door een of meer partijen in het betreffende geding worden voorgelegd, niet relevant zijn voor de beslechting van dat geding, namelijk wanneer het antwoord erop, hoe het ook luidt, geen invloed kan hebben op de oplossing van het geschil (zie in die zin arrest van 6 oktober 1982, Cilfit, 283/81, EU:C:1982:335, punt 10).
36
Ook kan een dergelijke nationale rechterlijke instantie, wanneer de opgeworpen vraag zakelijk gelijk is aan een vraag die eerder in een soortgelijk geval — of, a fortiori, in dezelfde nationale zaak — voorwerp van een prejudiciële beslissing is geweest (arresten van 27 maart 1963, Da Costa e.a., 28/62–30/62, EU:C:1963:6, blz. 77; 6 oktober 1982, Cilfit e.a., 283/81, EU:C:1982:335, punten 13 en 14, en 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management en Catania Multiservizi, C-561/19, EU:C:2021:799, punt 36), met een eenvoudige verwijzing naar de relevante rechtspraak van het Hof rechtvaardigen dat zij zich niet tot het Hof wendt. Wanneer de aan de orde zijnde vraagstukken echter niet volledig gelijk zijn en het aan de orde zijnde punt met betrekking tot het recht is beslecht door vaste rechtspraak van het Hof, ongeacht de procedures die aanleiding hebben gegeven tot deze rechtspraak, kan een uitgebreidere motivering noodzakelijk blijken om het achterwege laten van een prejudiciële verwijzing te rechtvaardigen.
37
Ten slotte zal een uitgebreidere motivering in de regel ook vereist zijn om aan te tonen dat de juiste uitlegging van het Unierecht zo evident is dat er redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel kan bestaan, aangezien bij de beoordeling of een dergelijk geval zich voordoet rekening moet worden gehouden met de specifieke kenmerken van het Unierecht, de bijzondere moeilijkheden bij de uitlegging ervan en het gevaar voor uiteenlopende rechtspraak binnen de Unie. Een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep, moet in het licht van deze elementen uiteenzetten waarom zij ervan overtuigd is dat de gehanteerde oplossing even evident zou zijn voor de rechterlijke instanties van de andere lidstaten waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep, en voor het Hof (zie in die zin arrest van 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management en Catania Multiservizi, C-561/19, EU:C:2021:799, punt 40). Deze nationale rechter hoeft echter niet uitgebreid aan te tonen dat deze andere nationale rechterlijke instanties en het Hof dezelfde uitlegging zouden geven.
38
Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 267, derde alinea, VWEU, gelezen in het licht van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep, een door een van de partijen in het geding opgeworpen vraag over de uitlegging of de geldigheid van een Unierechtelijke bepaling met een verkorte motivering kan afdoen, ongeacht of deze vraag gepaard gaat met een uitdrukkelijk verzoek om prejudiciële vragen aan het Hof te stellen, tenzij deze nationale rechterlijke instantie specifiek en concreet uiteenzet waarom een van de drie Cilfit-uitzonderingen in de betreffende zaak van toepassing is.
Kosten
39
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:
Artikel 267, derde alinea, VWEU, gelezen in het licht van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, een door een van de partijen in het geding opgeworpen vraag over de uitlegging of de geldigheid van een Unierechtelijke bepaling met een verkorte motivering kan afdoen, ongeacht of deze vraag gepaard gaat met een uitdrukkelijk verzoek om prejudiciële vragen aan het Hof te stellen, tenzij deze nationale rechterlijke instantie specifiek en concreet uiteenzet waarom een van de door het Hof in het arrest van 6 oktober 1982, Cilfit (283/81, EU:C:1982:335, punt 21), genoemde drie uitzonderingen op de verwijzingsplicht van een dergelijke rechterlijke instantie in de betreffende zaak van toepassing is.
Lenaerts | von Danwitz | Biltgen |
Jürimäe | Arastey Sahún | Passer |
Rodin | Regan | Gratsias |
Gavalec | Csehi | Gervasoni |
Fenger |
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 24 maart 2026.
De griffier | De president |
A. Calot Escobar | K. Lenaerts |
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 24‑03‑2026
Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
Conclusie 26‑06‑2025
Inhoudsindicatie
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Artikel 267 VWEU — Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Omvang van de verplichting voor nationale rechterlijke instanties die in laatste aanleg uitspraak doen om te motiveren waarom zij niet om een prejudiciële beslissing verzoeken — Nationale wettelijke regeling die een rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak doet, toestaat om een zaak af te doen met een verkort gemotiveerde uitspraak
Ćapeta
Partij(en)
Zaak C-767/23 [Remling] i.1.
A. M.
tegen
Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
[verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Raad van State (Nederland)]
I. Inleiding
1.
In punt 51 van zijn arrest Consorzio2. heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat nationale rechterlijke instanties die in laatste aanleg uitspraak doen3. en die hebben besloten geen vraag over de uitlegging van het Unierecht te stellen uit hoofde van artikel 267, derde alinea, VWEU, verplicht zijn om hun keuze om geen verzoek om een prejudiciële beslissing in te dienen, te motiveren in het licht van de in het arrest Cilfit omschreven situaties4..
2.
In de onderhavige zaak wordt het Hof verzocht om deze verplichting nader uit te werken door te verduidelijken of een nationale rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak doet, altijd uitdrukkelijk moet motiveren waarom hij niet verwijst, ook al is zij naar nationaal recht bevoegd om de zaak in kwestie af te doen met een verkort gemotiveerde uitspraak.
II. Hoofdgeding en prejudiciële vraag
3.
A. M. is staatsburger van een derde land (Marokko). Zijn echtgenote en hun twee minderjarige kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit.
4.
A. M. heeft bij de bevoegde autoriteiten een verzoek ingediend voor de afgifte van een document waaruit blijkt dat hij rechtmatig in Nederland verblijft. Hij meende dat hij in aanmerking kwam voor een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU, zoals het Hof dat in zijn rechtspraak heeft erkend in onder meer het arrest Chavez-Vilchez5..
5.
Bij besluit van 8 oktober 2019 heeft de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: ‘Staatssecretaris’) het verzoek van A. M afgewezen. A. M. heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
6.
Bij besluit van 19 mei 2020 heeft de Staatssecretaris het bezwaar van A. M afgewezen.
7.
A. M. heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht (Nederland).
8.
Bij vonnis van 5 maart 20216. heeft die rechter het beroep van A. M. ongegrond verklaard. In het bijzonder heeft hij onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof geoordeeld dat de Staatssecretaris zich terecht op het standpunt kon stellen dat A. M. geen afgeleid verblijfsrecht heeft, aangezien hij houder is van een verblijfstitel in Spanje en zijn kinderen niet zijn gedwongen om het grondgebied van de Unie te verlaten.
9.
A. M. heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Raad van State (Nederland), een rechter in laatste aanleg en de verwijzende rechter in de onderhavige zaak.
10.
Volgens de verwijzingsbeslissing betoogt A. M. dat de lagere rechter blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet te antwoorden op zijn argument dat deze rechter het Hof van Justitie had moeten verzoeken om een prejudiciële beslissing, en verzoekt hij de verwijzende rechter om alsnog prejudiciële vragen aan het Hof voor te leggen. De verwijzende rechter is van oordeel dat er een uitzondering op zijn verplichting tot prejudiciële verwijzing van toepassing is, aangezien het antwoord op de vraag van A. M. over de uitlegging van het toepasselijke Unierecht kan worden afgeleid uit de rechtspraak van het Hof en er dus sprake is van een acte éclairé.
11.
De verwijzende rechter wenst echter het beroep van A. M. af te wijzen met een verkort gemotiveerde uitspraak overeenkomstig artikel 91, lid 2, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: ‘Vw 2000’). Op grond van deze regeling zou hij kunnen afzien van een motivering van zijn besluit om het Hof geen prejudiciële vragen voor te leggen. De verwijzende rechter vraagt zich niettemin af of deze regeling niet in strijd is met de krachtens het Unierecht op hem rustende plicht tot motivering van dat besluit.
12.
De verwijzende rechter licht toe dat artikel 91, lid 2, Vw 2000 de Raad van State de bevoegdheid verleent om zijn uitspraak te beperken tot het oordeel dat een aangevoerde grief niet tot vernietiging van de uitspraak van de lagere rechter kan leiden, zonder dit nader te motiveren. Deze bepaling luidt als volgt:
‘Indien de [Raad van State, uitspraak doende in hoger beroep,] oordeelt dat een aangevoerde grief niet tot vernietiging kan leiden, kan [hij] zich bij de vermelding van de gronden van [zijn] uitspraak beperken tot dit oordeel.’
13.
In dit verband wijst de verwijzende rechter erop dat de Raad van State, wanneer hij zijn bevoegdheid uit hoofde van artikel 91, lid 2, Vw 2000 uitoefent, in zijn beslissing in beginsel de volgende standaardformule vermeldt:
‘Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd.
De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).’
14.
De verwijzende rechter benadrukt dat toen de wetgever de mogelijkheid invoerde om in vreemdelingenzaken beroep in te stellen bij de Raad van State, deze rechterlijke instantie tegelijkertijd de bevoegdheid kreeg om dergelijke zaken af te doen met een verkort gemotiveerde uitspraak. De Raad van State heeft de taak om uitspraak te doen over vragen die beantwoording behoeven in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin. De bevoegdheid om een verkorte motivering te geven in zaken waarin dergelijke vragen niet aan de orde worden gesteld, waarborgt de kwaliteit en de werkbaarheid van dit systeem, aangezien het de Raad van State in staat stelt om op efficiënte wijze een groot aantal hoger beroepen af te doen.
15.
De verwijzende rechter benadrukt met name dat een dergelijke verkorte motivering slechts wordt gebruikt indien er geen aanleiding is om de aangevallen uitspraak te vernietigen en er evenmin rechtsvragen aan de orde zijn die een prejudiciële verwijzing nodig maken. Hij merkt voorts op dat een verkorte motivering geen afbreuk doet aan de rechtsbescherming van de betrokken vreemdeling, aangezien er in eerste aanleg een volledige motivering wordt gegeven en het oordeel van de Raad van State gebaseerd is op een volledige inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep, ook al komt deze beoordeling niet voor in de verkorte motivering.
16.
De verwijzende rechter is van oordeel dat de in artikel 91, lid 2, Vw 2000 bedoelde bevoegdheid om een verkorte motivering te geven in overeenstemming is met de motiveringsplicht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’) en artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM).7. In het bijzonder leidt deze rechter uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) af dat, indien de wet een rechterlijke instantie toestaat om uitspraak te doen zonder haar beslissing nader te motiveren, de beoordeling van het verzoek om een prejudiciële verwijzing deel uitmaakt van de beoordeling van de zaak in haar geheel en de rechter niet verplicht is om afzonderlijke redenen aan te voeren waarom hij geen prejudiciële vragen stelt.8.
17.
De verwijzende rechter vraagt zich niettemin af of een dergelijke beknopte motivering in overeenstemming is met artikel 267, derde alinea, VWEU, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, dan wel of hij op grond van punt 51 van het arrest Consorzio uitvoeriger moet motiveren waarom hij niet hoeft te verzoeken om een prejudiciële beslissing, en met name of hij moet onderbouwen welke uitzondering op de verwijzingsplicht van toepassing is en waarom. Deze rechter is van oordeel dat een summiere motivering toereikend is, aangezien dit impliceert dat er sprake is van een uitzondering op deze plicht.
18.
Tegen deze achtergrond heeft de Raad van State de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een beslissing over de volgende prejudiciële vraag:
‘Moet artikel 267, derde alinea, [VWEU], gelezen in het licht van artikel 47, tweede alinea, van het [Handvest], zo worden uitgelegd dat deze bepalingen in de weg staan aan een nationale regeling als opgenomen in artikel 91, tweede lid, [Vw 2000], op grond waarvan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, als nationale rechter wiens beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep, een opgeworpen vraag over de uitleg van Unierecht, al dan niet in combinatie met een uitdrukkelijk verzoek om prejudiciële verwijzing, verkort gemotiveerd kan afdoen zonder te motiveren welke van de drie uitzonderingen op haar verwijzingsplicht zich voordoet?’
III. Procedure bij het Hof
19.
Bij het Hof zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door A. M., de Nederlandse en de Finse regering alsmede de Europese Commissie.
20.
Bij beschikking van de president van het Hof van 24 juli 2024 is de behandeling van de onderhavige zaak geschorst tot de uitspraak van het arrest in de zaak KUBERA9.. De procedure bij het Hof is hervat op 18 oktober 2024.
21.
Op 4 maart 2025 heeft een terechtzitting plaatsgevonden, waar alle belanghebbenden, alsmede de Duitse en de Italiaanse regering, mondelinge opmerkingen hebben gemaakt.
IV. Analyse
22.
In de onderhavige zaak wordt het Hof verzocht om de omvang te verduidelijken van de verplichting van nationale rechterlijke instanties die in laatste aanleg uitspraak doen, om de redenen aan te geven waarom zij hebben besloten het Hof geen vraag voor te leggen over de uitlegging van het in deze zaak aan de orde zijnde Unierecht.
23.
Aangezien het Hof pas relatief recent heeft vastgesteld dat er in het Unierecht een dergelijke verplichting bestaat, zal ik mijn analyse beginnen met een korte uiteenzetting van de ontwikkeling en de voornaamste kenmerken van de relevante rechtspraak van het Hof tot op heden (A). Vervolgens zal ik de ratio van de motiveringsplicht behandelen in het licht van artikel 267 VWEU en artikel 47 van het Handvest (B). Op basis daarvan zal ik de in de onderhavige zaak gestelde prejudiciële vraag onderzoeken (C).
A. Rechtspraak van het Hof
24.
Om te beginnen zijn nationale rechterlijke instanties die in laatste aanleg uitspraak doen, sinds de oprichting van de Unie10., en zoals thans is bepaald in artikel 267, derde alinea, VWEU, verplicht om het Hof vragen over de uitlegging en de geldigheid van het Unierecht voor te leggen wanneer dergelijke vragen voor hen worden opgeworpen.
25.
Deze verplichting vloeit voort uit de modaliteit waarvoor de opstellers van de Verdragen hebben gekozen om de uniformiteit van het Unierecht te waarborgen. Het Unierecht wordt toegepast door een breed scala aan verschillende rechterlijke instanties van thans 27 lidstaten, die optreden als Europese rechterlijke instanties11.. Dit brengt een groot risico met zich mee dat verschillende rechters aan dezelfde EU-regel verschillende betekenissen toekennen. Een vergelijkbaar risico bestaat ook binnen elke interne rechtsorde van een lidstaat wanneer verschillende rechterlijke instanties nationaalrechtelijke bepalingen toepassen. Vóór de toetreding tot de Europese Unie beschikten de lidstaten dus reeds over methoden om binnen hun rechtsstelsels de uniformiteit van het recht te waarborgen, een taak die, op de ene of de andere procedurele wijze, op hun hoogste rechterlijke instanties rustte.12. Met de invoering van de verplichting voor deze rechters in laatste aanleg om het Hof om uitlegging van het Unierecht te verzoeken, heeft artikel 267 VWEU de nationale rechterlijke instanties die in laatste aanleg uitspraak doen, betrokken in de taak om de uniformiteit van het Unierecht te waarborgen.
26.
Zoals het Hof heeft erkend, heeft de verwijzingsplicht van artikel 267, derde alinea, VWEU dus met name tot doel om te voorkomen dat zich in een lidstaat nationale rechtspraak ontwikkelt die niet strookt met het Unierecht.13.
27.
Aanvankelijk rustte op de rechters in laatste aanleg echter geen verplichting om in alle gevallen een prejudiciële procedure in te leiden, maar gold deze plicht alleen wanneer de vraag betreffende de uitlegging van het Unierecht voor hen wordt ‘opgeworpen’. Een vraag wordt ‘opgeworpen’ indien de rechterlijke instantie oordeelt dat de vraag relevant is en uitlegging behoeft. Zelfs indien een partij in de procedure een vraag van Unierecht heeft opgeworpen, betekent dit dus niet dat een dergelijke vraag wordt ‘opgeworpen’ in de zin van artikel 267, derde alinea, VWEU.14.
28.
Aanvankelijk heeft het Hof in het arrest Cilfit uiteengezet in welke situaties een nationale rechter, ondanks dat hij in een gegeven zaak uitspraak doet in laatste aanleg, geen prejudiciële vraag hoeft te stellen.15. Hoewel deze rechtspraak vaak wordt beschreven alsof het Hof daarin bepaalde ‘uitzonderingen’ heeft ingevoerd op de verder onvoorwaardelijke verplichting tot verwijzing16., vormen deze ‘uitzonderingen’ in werkelijkheid niets anders dan een verduidelijking van de betekenis van het vereiste dat de vraag over het Unierecht voor een nationale rechter moet worden ‘opgeworpen’. Deze ‘uitzonderingen’ vormen dus enkel een toelichting van de situaties waarin een nationale rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak doet, kan oordelen dat een vraag van Unierecht niet voor hem is ‘opgeworpen’.
29.
In het arrest Consorzio heeft het Hof deze in het arrest Cilfit genoemde situaties als volgt samengevat: ‘Volgens vaste rechtspraak van het Hof kan een rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, enkel van deze verplichting [tot verwijzing] worden ontheven wanneer zij heeft vastgesteld dat de opgeworpen vraag niet relevant is, dat de betrokken bepaling van het Unierecht reeds door het Hof is uitgelegd, of dat de juiste uitlegging van het Unierecht zo evident is dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan.’17.
30.
De eerste van deze situaties wijkt af van de andere twee in die zin dat een nationale rechter van laatste aanleg niet alleen is ontheven van zijn verwijzingsplicht, maar in feite helemaal niet kan verwijzen indien het antwoord op de vraag niet relevant is voor de beslechting van het bij hem aanhangige geding. Het staat immers vast dat het Hof enkel prejudiciële beslissingen kan geven indien het antwoord door de verwijzende rechter kan worden gebruikt om het bij hem aanhangige geding te beslechten.18. Indien het Unierecht niet relevant is voor de oplossing van het geding, is het Hof van Justitie dus niet bevoegd om daaraan uitlegging te geven. Vanuit het oogpunt van de nationale rechter in laatste aanleg bij zijn beoordeling of hij een verwijzingsplicht heeft wanneer een partij een vraag over het Unierecht opwerpt maar hij van oordeel is dat de vraag niet relevant is voor de beslechting van het geding, wordt deze vraag niet ‘opgeworpen’ in de zin van artikel 267, derde alinea, VWEU.
31.
De twee andere situaties kunnen worden opgevat als gevallen waarin het Unierecht relevant is in een geding dat aanhangig is bij een nationale rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak doet, maar er geen redelijke twijfel bestaat over de juiste toepassing van het Unierecht, zodat een prejudiciële verwijzing niet nodig is. In het eerste geval kan het Hof reeds voldoende duidelijkheid hebben verschaft over het toepasselijke Unierecht in kwestie om geen enkele twijfel te laten bestaan over de wijze waarop dit recht moet worden toegepast in de omstandigheden van het bij de rechter in laatste aanleg aanhangige geding. In dit geval wordt gewoonlijk gesproken van een acte éclairé.19. In het tweede geval kan een toepasselijke Unierechtelijke regel, ook al heeft het Hof er nog geen relevante uitlegging aan gegeven, zelf zo duidelijk zijn dat er redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de juiste uitlegging ervan. In dit geval wordt gewoonlijk gesproken van een acte clair.20.
32.
De praktische moeilijkheid ligt in het feit dat de beoordeling van de vraag of de toepasselijke Unieregel — of deze nu reeds is uitgelegd in de rechtspraak van het Hof of niet — geen ruimte laat voor redelijke twijfel over de juiste toepassing ervan op een specifiek feitencomplex, geen wetenschappelijke exercitie is die aan de hand van nauwkeurige regels kan worden uitgevoerd. In het arrest Cilfit heeft het Hof uiteengezet dat, alvorens tot het besluit te komen dat er geen redelijke twijfel bestaat over de juiste uitlegging en toepassing van de regel in de zaak in kwestie, een rechter in laatste aanleg ervan overtuigd moet zijn dat de gehanteerde oplossing even evident zou zijn voor de rechters in laatste aanleg van de andere lidstaten en voor het Hof van Justitie.21.
33.
De kern van het criterium dat de rechter in laatste aanleg moet toepassen, bestaat erin dat hij zich ervan moet vergewissen dat dezelfde Unieregel niet anders kan worden uitgelegd in andere lidstaten of door het Hof. In dat geval blijft de uniformiteit van het Unierecht onaangetast. Mijns inziens moet dit criterium worden toegepast in zowel de situatie waarin er sprake is van een acte éclairé als die waarin er sprake is van een acte clair. In de eerste situatie moet een rechter in laatste aanleg ervan overtuigd zijn dat de rechters in laatste aanleg van andere lidstaten de bestaande rechtspraak daadwerkelijk op dezelfde wijze zouden toepassen op de bijzondere situatie in kwestie. Concreet zou de verwijzende rechter zich in de onderhavige zaak moeten afvragen of de enige mogelijke uitlegging van het arrest Chavez-Vilchez is dat A. M. geen afgeleid verblijfsrecht heeft omdat hij in Spanje over een verblijfsvergunning beschikt, waardoor zijn kinderen niet verplicht zijn om het grondgebied van de Unie te verlaten, ook al zouden zij Nederland moeten verlaten.
34.
Wat de acte clair betreft, heeft het Hof in het arrest Cilfit verschillende criteria ontwikkeld waarmee nationale rechterlijke instanties die in laatste aanleg uitspraak doen, rekening moeten houden.22. Sinds het wijzen van dit arrest, meer dan 40 jaar geleden, zijn deze criteria veelvuldig bekritiseerd.23.
35.
Ofschoon men het erover eens kan zijn dat bij de letterlijke toepassing van de CILFIT-criteria ‘de kans dat zich een echte acte clair voordoet […] zo groot [lijkt] als de kans een eenhoorn tegen te komen’24., was het doel van de formulering van deze criteria om te wijzen op de aandacht die de nationale rechterlijke instanties die in laatste aanleg uitspraak doen aan de zaak moeten besteden alvorens te besluiten om niet te verwijzen. Dienaangaande heeft het Hof uitgelegd dat de rechters in laatste aanleg ‘[…] op eigen verantwoordelijkheid, op onafhankelijke wijze en met de nodige zorgvuldigheid [moeten] beoordelen of er sprake is van een van de drie situaties waarin zij ervan kunnen afzien om een voor hen opgeworpen vraag over de uitlegging van het Unierecht aan het Hof voor te leggen’.25.
36.
In het arrest Consorzio heeft het Hof bevestigd dat een nationale rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak doet, zich alleen in een van de drie Cilfit-situaties aan de verwijzingsplicht kan onttrekken.26. Het Hof heeft er ook aan herinnerd dat de taak om te beslissen of de vraag van uitlegging van het Unierecht niet voor de rechter in laatste aanleg is ‘opgeworpen’, uiteindelijk een beslissing is die alleen door deze rechter zelf kan worden genomen, waarbij hij zich ten volle bewust moet zijn van de gevolgen die hieruit kunnen voortvloeien voor de uniforme uitlegging van het Unierecht in de gehele Unie.27.
37.
Het novum van het arrest Consorzio is dat het Hof, in punt 51 van dit arrest, een andere verplichting voor de nationale rechterlijke instanties in laatste aanleg heeft toegevoegd, die niet was genoemd in het arrest Cilfit noch in de daarop gebaseerde rechtspraak, namelijk de verplichting voor die rechterlijke instanties om de redenen aan te geven waarom zij van oordeel zijn dat een van de Cilfit-situaties hen van de verwijzingsplicht ontslaat (hierna: ‘motiveringsplicht’).28.
38.
Aangezien in de onderhavige zaak in feite de omvang van de motiveringsplicht moet worden uitgelegd, is het de moeite om dit punt van het arrest Consorzio te citeren: ‘[…] [U]it het bij artikel 267 VWEU ingevoerde stelsel, gelezen in het licht van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest, [volgt] dat wanneer een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, van oordeel is dat zij niet gehouden is door de in artikel 267, derde alinea, VWEU neergelegde verplichting om het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken, omdat er sprake is van een van de drie […] [Cilfit-situaties], uit de motivering van haar beslissing moet blijken dat de opgeworpen vraag van Unierecht niet relevant is voor de beslechting van het geschil, dat de uitlegging van de betrokken bepaling van Unierecht blijkt uit de rechtspraak van het Hof, of — bij gebreke daarvan — dat de uitlegging van het Unierecht voor de rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak doet zo evident is dat er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan.’29.
39.
In het arrest Kubera werd het Hof voor het eerst sinds het arrest Consorzio verzocht om de motiveringsplicht uit te leggen. Na te hebben geoordeeld dat een specifieke soort procedure voor het toelaten van een hoger beroep een nationale rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak doet, er niet van ontslaat om na te gaan of zij verplicht is om prejudicieel te verwijzen, heeft het Hof de in punt 51 van het arrest Consorzio geformuleerde motiveringsplicht bevestigd. Het Hof heeft de omvang van deze verplichting echter niet nader gepreciseerd.30.
40.
De huidige rechtspraak verplicht nationale rechterlijke instanties die in laatste aanleg uitspraak doen derhalve om, in het licht van de Cilfit-situaties, te motiveren waarom zij besluiten geen prejudiciële vragen aan het Hof voor te leggen. Mijns inziens moet bij die motivering worden verduidelijkt waarom het Unierecht in een gegeven geval niet relevant is, waarom de bestaande rechtspraak van het Hof een oplossing biedt voor de omstandigheden van het geval, dan wel waarom de rechter in laatste aanleg van oordeel is dat rechterlijke instanties van andere lidstaten niet tot een andere uitlegging kunnen komen. Met andere woorden, het volstaat niet dat de rechter zich enkel op een van de drie situaties van het arrest Cilfit beroept, hij moet uitleggen waarom daar sprake van is.
41.
In de onderhavige zaak rijst de vraag of een dergelijke uitdrukkelijke motivering ook noodzakelijk is in situaties waarin het nationale recht rechters toestaat om bepaalde soorten zaken met een beknopte motivering af te doen.
42.
Voor de beantwoording van deze vraag moet mijns inziens worden ingegaan op de bestaansredenen van de motiveringsplicht die rust op nationale rechterlijke instanties in laatste aanleg.
B. Ratio van de motiveringsplicht
1. Bestaansreden in het licht van artikel 267 VWEU
43.
Ik herinner eraan dat artikel 267 VWEU, met de verplichting voor nationale rechterlijke instanties in laatste aanleg om het Hof vragen over de uitlegging van het Unierecht voor te leggen, beoogt de uniformiteit van het Unierecht in alle lidstaten te waarborgen.31.
44.
Artikel 267, derde alinea, VWEU legt dus in het algemeen belang een verwijzingsplicht op aan nationale rechterlijke instanties die in laatste aanleg uitspraak doen. Om die reden verleent deze Verdragsbepaling particulieren geen daarmee samenhangend recht om van een rechter in laatste aanleg te eisen dat hij prejudicieel verwijst.32. Volgens vaste rechtspraak van het Hof hebben procespartijen immers niet het recht om een vraag te laten voorleggen aan het Hof.33.
45.
Aangezien artikel 267 VWEU particulieren geen recht verleent om een vraag te laten voorleggen, kan de motiveringsplicht niet op dergelijke gronden worden gerechtvaardigd.34.
46.
Dienaangaande voert de Duitse regering aan dat de motivering om niet om een prejudiciële beslissing te verzoeken een tweeledig doel heeft. Ten eerste beoogt zij te verzekeren dat nationale rechterlijke instanties die in laatste aanleg uitspraak doen, voldoen aan de uit hoofde van artikel 267, derde alinea, VWEU op hen rustende verwijzingsverplichting, waarbij het gaat om een zuiver objectieve verplichting die geen subjectief recht op een prejudiciële beslissing verleent. Ten tweede stelt zij partijen in staat te begrijpen waarom de nationale rechter zich in casu niet tot het Hof heeft gewend. Dit vloeit echter niet voort uit artikel 267 VWEU, maar is veeleer een uitdrukking van het recht op een eerlijk proces.
47.
Ik ben het eens met de Duitse regering. In de grondgedachte van algemeen belang, die kan worden verbonden met artikel 267 VWEU, is de bestaansreden van de motiveringsplicht dus dat hiermee wordt gewaarborgd dat een nationale rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak doet, zorgvuldig en naar behoren nagaat welke redenen haar van haar verplichting tot prejudiciële verwijzing kunnen ontheffen.
48.
Bijgevolg ben ik van mening dat de nieuwe — of althans in het Unierecht nieuwe35. — motiveringsplicht die in het arrest Consorzio is opgelegd aan nationale rechterlijke instanties die in laatste aanleg uitspraak doen, een geschikt instrument is om ervoor te zorgen dat die rechterlijke instanties de noodzaak van een prejudiciële verwijzing naar behoren onderzoeken en aldus bijdragen tot de uniformiteit van het Unierecht.
49.
Een dergelijke motiveringsplicht compenseert de moeilijkheden rond de vaststelling van eenvoudige regels die aangeven wanneer nationale rechterlijke instanties die in laatste aanleg uitspraak doen, zijn vrijgesteld van hun verwijzingsplicht. Iedere jurist heeft waarschijnlijk weleens ervaren dat, bij het aan anderen uitleggen van wat hij of zij als de juiste interpretatie van het recht beschouwt, zijn of haar eigen redenering dikwijls duidelijker wordt of zelfs verandert. In dezelfde lijn zullen nationale rechterlijke instanties die in laatste aanleg uitspraak doen, bij de verplichte motivering van hun weigering om prejudicieel te verwijzen, geroepen zijn om hun standpunt over de juiste toepassing van het Unierecht in de zaak in kwestie te bevestigen of te wijzigen.
50.
Er kunnen uiteraard nog altijd beoordelingsfouten worden gemaakt. Mijns inziens kan een nationale rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak doet evenwel, indien zij naar behoren motiveert waarom zij niet prejudicieel verwijst, worden ontheven van enige aansprakelijkheid, waaronder de aansprakelijkheid die voortvloeit uit het arrest Köbler36..
51.
Samenvattend is de ratio van de motiveringsplicht vanuit het oogpunt van artikel 267, derde alinea, VWEU, dat ervoor wordt gezorgd dat een nationale rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak doet, serieus onderzoekt of er in het voorliggende geval vragen rijzen over de uitlegging van het Unierecht, en aldus bij te dragen tot de uniformiteit van het Unierecht.
2. Bestaansreden in het licht van artikel 47 van het Handvest
52.
Artikel 47, tweede alinea, van het Handvest waarborgt het recht op een eerlijk proces. Volgens de rechtspraak van het Hof verlangt de eerbiediging van dit recht onder meer dat elke rechterlijke beslissing wordt gemotiveerd. Dit stelt de betrokkene in staat om te begrijpen waarom een beslissing is genomen en om een passend rechtsmiddel aan te wenden.37.
53.
Artikel 47, tweede alinea, van het Handvest komt volgens de toelichtingen bij het Handvest overeen met artikel 6, lid 1, EVRM. In dit verband is de rechtspraak van het EHRM waarnaar de belanghebbenden in de onderhavige zaak hebben verwezen, relevant om de ratio van de motiveringsplicht vanuit het oogpunt van artikel 47 van het Handvest te begrijpen.
54.
In zijn rechtspraak over artikel 6, lid 1, EVRM heeft het EHRM duidelijk uiteengezet dat het recht op een met redenen omklede beslissing de betrokkene beschermt tegen willekeur, door de partijen in staat te stellen om de gegeven rechterlijke beslissing te begrijpen. Voorts dient de motivering om aan partijen aan te tonen dat zij zijn gehoord, en om aldus ertoe bij te dragen dat zij de beslissing met meer bereidwilligheid aanvaarden.38. Aangezien de mogelijkheid voor nationale rechterlijke instanties die in laatste aanleg uitspraak doen, om te weigeren vragen over de uitlegging van het Unierecht voor te leggen aan het Hof, beperkt is tot de Cilfit-situaties, heeft het EHRM geoordeeld dat deze rechterlijke instanties in die context moeten aangeven om welke redenen zij het niet nodig hebben geacht een prejudiciële vraag te stellen.39.
55.
De in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest opgelegde plicht voor nationale rechterlijke instanties die in laatste aanleg uitspraak doen om hun beslissingen om geen prejudiciële vraag te stellen, in het licht van de Cilfit-situaties te motiveren, houdt, net als artikel 6, lid 1, EVRM, verband met een subjectief recht van een partij, dat in wezen bestaat in het recht om te begrijpen waarom het recht in de zaak op een bepaalde wijze is toegepast zonder prejudiciële verwijzing.
56.
Het is belangrijk op te merken dat een dergelijk recht om de redenen te begrijpen waarom, in het licht van de Cilfit-situaties, geen prejudiciële vraag wordt gesteld, moet worden geacht te bestaan in elke situatie waarin het Unierecht van toepassing kan zijn, ongeacht of een partij al dan niet heeft verzocht om een prejudiciële verwijzing. Dit recht verschilt van het recht om een prejudiciële vraag te laten stellen, dat een partij noch op grond van artikel 267 VWEU noch op grond van artikel 47 van het Handvest geniet. Partijen genieten op grond van artikel 47 van het Handvest veeleer het recht om uitleg te verkrijgen over een beslissing om niet prejudicieel te verwijzen.
57.
De rechtspraak van het EHRM over artikel 6, lid 1, EVRM heeft tot dusverre betrekking gehad op zaken waarin een partij om een prejudiciële verwijzing heeft verzocht. Het feit dat deze zaken in een dergelijke context zijn beslecht, sluit echter niet uit dat die rechtspraak ook kan worden toegepast op situaties waarin in een zaak Unierecht aan de orde was, maar een partij niet om een prejudiciële verwijzing heeft verzocht.
58.
Hoe dan ook hangt de verwijzingsplicht van artikel 267 VWEU niet af van een verwijzingsverzoek van een partij. Bijgevolg zijn rechters in laatste aanleg krachtens artikel 47 van het Handvest verplicht om aan partijen uit te leggen waarom hij niet heeft verwezen, ook als geen van de partijen die rechter daarom heeft verzocht.40.
59.
Kortom, de ratio van de motiveringsplicht vanuit het oogpunt van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest is dat de partijen in een zaak in staat worden gesteld om te begrijpen op grond van welke redenen de rechterlijke beslissing is genomen, met inbegrip van een beslissing om geen prejudiciële vraag te stellen, en aldus hun recht op een eerlijk proces wordt gewaarborgd.
60.
Uit het voorgaande volgt dat de op rechters in laatste aanleg rustende motiveringplicht uit hoofde van artikel 267 VWEU een andere bestaansreden heeft dan uit hoofde van artikel 47 van het Handvest. In tegenstelling tot de ratio van artikel 267 VWEU, die verband houdt met objectieve overwegingen in verband met het waarborgen van het algemene belang van de uniformiteit van het Unierecht, houdt de ratio van artikel 47 van het Handvest verband met subjectieve overwegingen waarmee wordt beoogd het individuele recht van een procespartij te waarborgen.
61.
Aangezien er sprake is van verschillende ratio's, kan er verschillend worden geconcludeerd met betrekking tot de nodige omvang van de motivering.
C. Motiveringsplicht en verkorte motivering
62.
Ik herinner eraan dat de uit de arresten Consorzio en KUBERA voortkomende rechtspraak bevestigt dat rechters in laatste aanleg moeten toelichten waarom zij ervan afzien een prejudiciële vraag te stellen. Een dergelijke toelichting moet het mogelijk maken te begrijpen welke van de Cilfit-situaties de rechters van toepassing achten en waarom zulks het geval is.
63.
Moet deze motivering altijd expliciet zijn of is een verkorte motivering mogelijk?
64.
De bij het nationale recht aan rechterlijke instanties verleende bevoegdheid om zaken verkort gemotiveerd af te doen, heeft eveneens een bestaansreden. Zoals de verwijzende rechter en de Nederlandse regering opmerken, vormt een verkorte motivering in situaties als de onderhavige een noodzakelijk compromis om het instellen van hoger beroep in vreemdelingenzaken mogelijk te maken. Een volledige motiveringsplicht zou afbreuk doen aan het evenwicht dat de nationale wetgever in het systeem heeft ingebouwd door, enerzijds, particulieren rechtsbescherming te bieden middels een beroepsmogelijkheid in vreemdelingenzaken en, anderzijds, te voorzien in een verkorte motivering teneinde te voorkomen dat de rechtspleging vertraagd wordt41..
65.
Om de in de onderhavige zaak gestelde vraag te kunnen beantwoorden, moet derhalve een afweging worden gemaakt tussen het belang van een dergelijke verkorte motivering in de nationale rechtsorden en het uit het Unierecht voortvloeiende belang dat nationale rechterlijke instanties die in laatste aanleg uitspraak doen hun beslissingen om geen prejudiciële vragen te stellen, motiveren.
66.
Onder afdeling B heb ik uiteengezet dat de motiveringsplicht van artikel 267 VWEU een andere ratio heeft dan die van artikel 47 van het Handvest. Als aan de ene kant van de weegschaal de bestaansredenen van de verkorte motivering worden geplaatst en aan de andere kant die van de motiveringsplicht, kan de uitkomst van de afweging variëren naargelang deze motiveringsplicht wordt gerechtvaardigd uit hoofde van artikel 267 VWEU dan wel uit hoofde van artikel 47 van het Handvest.
67.
In dit verband zou aan het algemeen belang van het waarborgen van de uniformiteit van het Unierecht, die de bestaansreden voor de motiveringsplicht van artikel 267 VWEU vormt, kunnen worden beantwoord indien de nationale rechter die in laatste aanleg uitspraak doet de Cilfit-situaties in aanmerking neemt, maar zijn beslissing om zich niet tot het Hof te wenden niet heeft gemotiveerd. Om aan deze reden van algemeen belang te beantwoorden, is het vooral zaak dat de rechter de Cilfit-situaties serieus onderzoekt, en niet dat de procespartijen de gedachtegang van deze rechter begrijpen. Artikel 267 VWEU verzet zich dus niet tegen de praktijk van verkorte motivering.
68.
Indien daarentegen uit de beslissing van de nationale rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak doet, niet op zijn minst impliciet de redenen blijken waarom geen prejudiciële vraag wordt gesteld, aldus dat de procespartijen de uitkomst van de beslissing begrijpen, wordt niet beantwoord aan het belang dat de motiveringsplicht van artikel 47 van het Handvest rechtvaardigt.
69.
In het licht van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest moet er dus sprake zijn van enige, op zijn minst impliciete motivering. Dit sluit niet automatisch een verkorte motivering uit, zolang die motivering toereikend is voor de partijen om te begrijpen waarom de rechter geen prejudiciële vraag heeft gesteld.
70.
Wat is een toereikende verkorte motivering in het kader van artikel 47 van het Handvest?
71.
Uit de rechtspraak van het Hof en van het EHRM blijkt dat de beoordeling of de motivering toereikend is, afhangt van de omstandigheden van het concrete geval.
72.
Volgens het Hof kan de omvang van de motiveringsplicht verschillen naargelang de aard van de betrokken rechterlijke beslissing en moet deze worden onderzocht in het licht van de procedure in haar geheel en van alle relevante omstandigheden.42.
73.
Dit volgt ook uit de rechtspraak van het EHRM.43. Het EHRM heeft geoordeeld dat, afhankelijk van de omstandigheden, in het kader van artikel 6, lid 1, EVRM kan worden aanvaard dat een rechter in laatste aanleg uitspraak doet met een verkorte motivering in situaties waarin bijvoorbeeld de redenen voor de afwijzing van het verzoek om een prejudiciële verwijzing impliciet zijn of uit andere delen van de beslissing kunnen worden afgeleid.44.
74.
In het bijzonder heeft het EHRM in het arrest Baydar45. geoordeeld dat er geen sprake was van schending van artikel 6, lid 1, EVRM met betrekking tot de verkorte motivering door de Hoge Raad der Nederlanden. Het EHRM heeft geoordeeld dat in het kader van de versnelde procedures waarin de in die zaak aan de orde zijnde Nederlandse wettelijke regeling voorziet46., geen principiële kwestie uit hoofde van artikel 6, lid 1, EVRM rijst wanneer een hoger beroep met een verkorte motivering wordt verworpen en uit de omstandigheden van het geval duidelijk blijkt dat de beslissing niet willekeurig of anderszins kennelijk onredelijk was. Het EHRM heeft geoordeeld dat de beslissing in kwestie noch willekeurig noch onredelijk was, omdat de Hoge Raad de schriftelijke middelen van de verzoeker, alsook de conclusie van de advocaat-generaal en het schriftelijke antwoord van de verzoeker daarop naar behoren had onderzocht.
75.
In het arrest Harisch47. heeft het EHRM geoordeeld dat er bij de verkorte motivering van het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) geen sprake was van schending van artikel 6, lid 1, EVRM. Het EHRM was van oordeel dat, aangezien het Bundesgerichtshof een gedetailleerde motivering had gegeven voor de weigering om een prejudiciële vraag te stellen, de verzoeker in staat was om de beslissing van deze rechterlijke instantie te begrijpen. Bijgevolg was het EHRM, gelet op het doel van de motiveringsplicht van artikel 6 EVRM en na de procedure in haar geheel te hebben onderzocht, ervan overtuigd dat de weigering om een prejudiciële vraag te stellen in de omstandigheden van het geval toereikend was gemotiveerd.
76.
Kortom, uit de hierboven aangehaalde rechtspraak van het EHRM met betrekking tot artikel 6, lid 1, EVRM volgt dat een uitdrukkelijke en specifieke motivering van de keuze van een rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak doet om niet prejudicieel te verwijzen, niet altijd vereist is. Op basis van arresten zoals die in de zaken Baydar en Harisch lijkt deze rechtspraak de mogelijkheid van een verkorte motivering door rechters in laatste aanleg open te laten. Een dergelijke motivering is mogelijk indien de partijen in de omstandigheden van het concrete geval ervan worden verzekerd dat zij zijn gehoord en in staat zijn te begrijpen waarom hun verzoek om een prejudiciële verwijzing is afgewezen.
77.
Deze redenering kan mijns inziens ook worden toegepast op de uitlegging van artikel 47 van het Handvest. Volgens deze bepaling kan, zoals de Finse regering heeft opgemerkt, de omvang van de vereiste motivering niet vooraf worden aangegeven, aangezien elk geval anders is.48.
78.
In dit verband mag het nationale recht geen beknopte motivering opleggen, maar kan het de nationale rechterlijke instanties wel toestaan om een dergelijke motivering te hanteren. De nationale rechter die in laatste aanleg uitspraak doet, moet de bevoegdheid hebben om per geval te beoordelen of een verkorte motivering toereikend is.
79.
De in casu aan de orde zijnde nationale wettelijke regeling lijkt aan deze vereisten te voldoen. Het staat dus aan de rechter in laatste aanleg om in elk concreet geval te beoordelen of de standaardformule voor een verkorte motivering in vreemdelingenzaken toereikend is dan wel of een uitgebreidere motivering noodzakelijk is om de procespartij in staat te stellen te begrijpen waarom die rechter, rekening houdend met alle relevante omstandigheden, niet heeft verwezen.
80.
Indien, bijvoorbeeld, een nationale rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak doet, de beslissing en de redenering van een lagere rechter volgt, kan een verkorte motivering op basis van een standaardformule, zoals die welke in de praktijk van de verwijzende rechter wordt gebruikt, toereikend zijn. Dit is het geval indien deze formulering impliceert dat in de beslissing van de lagere rechter afdoende is gemotiveerd waarom het Unierecht niet relevant is voor de beslechting van het geschil in kwestie, hoe het Unierecht is verduidelijkt in de rechtspraak van het Hof van Justitie, dan wel waarom, bij gebreke van een dergelijke rechtspraak, redelijkerwijs geen twijfel bestaat over de juiste toepassing van het Unierecht.
81.
Indien echter de nationale rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak doet, het wel eens is met de uitkomst van de zaak, maar niet met de redenering van de lagere rechter, of indien er geen motivering is waaruit de mogelijke redenen voor het uitblijven van een verwijzing blijken, kan de rechter in laatste aanleg geen dergelijke standaardformule hanteren, maar moet hij zijn standpunt uitdrukkelijk toelichten.
82.
Een bijkomende kwestie die de betrokken partijen aan de orde hebben gesteld in de procedure bij het Hof, is of het voldoende zou zijn dat de rechter in laatste aanleg simpelweg verwijst naar een van de drie Cilfit-situaties.
83.
Uit de voorgaande bespreking volgt dat het enkele feit dat wordt aangegeven welke van die situaties de rechter in aanmerking heeft genomen om te besluiten niet te verwijzen, op zich niet volstaat. De procespartij moet kunnen begrijpen waarom deze situatie van toepassing wordt geacht. Het is echter geenszins noodzakelijk om uitdrukkelijk aan te geven welke Cilfit-situatie de rechter in aanmerking neemt indien dit eenvoudig kan worden afgeleid uit de motivering.
84.
Kortom, artikel 267 VWEU, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, staat niet in de weg aan een verkorte motivering, mits de partijen begrijpen waarom de rechter in laatste aanleg in het licht van de Cilfit-situaties heeft beslist om geen prejudiciële vraag voor te leggen aan het Hof.
85.
Het staat aan de rechter in laatste aanleg, in casu dus de verwijzende rechter, om te beoordelen of een verkorte motivering toereikend is dan wel of in de omstandigheden van het geval een aanvullende motivering geboden is.
V. Conclusie
86.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van de Raad van State als volgt te beantwoorden:
‘Artikel 267, derde alinea, VWEU, gelezen in het licht van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,
staat niet in de weg aan een nationale regeling als opgenomen in artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, op grond waarvan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, als nationale rechter wiens beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep, een opgeworpen vraag over de uitleg van Unierecht, al dan niet in combinatie met een uitdrukkelijk verzoek om prejudiciële verwijzing, verkort gemotiveerd kan afdoen zonder te motiveren welke van de drie uitzonderingen op haar verwijzingsplicht zich voordoet, mits deze motivering de partijen in staat stelt te begrijpen waarom die rechter heeft besloten om de vraag over de uitlegging van het Unierecht niet voor te leggen aan het Hof van Justitie.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 26‑06‑2025
Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
Oorspronkelijke taal: Engels.
Arrest van 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management en Catania Multiservizi (C-561/19, EU:C:2021:799; hierna: ‘arrest Consorzio’).
Ik gebruik de termen ‘(nationale) rechterlijke instanties die in laatste aanleg uitspraak doen’ en ‘rechters in laatste aanleg’ ter aanduiding van de rechterlijke instanties van de lidstaten tot welke artikel 267, derde alinea, VWEU is gericht. Deze bepaling heeft betrekking op ‘een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep’.
Zie arrest van 6 oktober 1982, Cilfit e.a. (283/81, EU:C:1982:335; hierna ‘arrest Cilfit’), met name de punten 9–21. Zie ook de punten 28–35 van deze conclusie, in het bijzonder punt 29.
Arrest van 10 mei 2017, Chavez-Vilchez e.a. (C-133/15, EU:C:2017:354; hierna: ‘arrest Chavez-Vilchez’).
NL:RBDHA:2021:15503.
In dit verband verwijst de verwijzende rechter naar zowel zijn arrest van 5 maart 2015 (NL:RVS:2015:785), waarin hij heeft geoordeeld dat artikel 91, lid 2, Vw 2000 niet in strijd was met artikel 47 van het Handvest en artikel 6, lid 1, EVRM, gelezen in samenhang met artikel 13 EVRM, als zijn arrest van 3 april 2019 (NL:RVS:2019:1060), waarin dat eerdere arrest werd bevestigd en artikel 91, lid 2, VW 2000 nader werd onderzocht.
De verwijzende rechter noemt onder andere de arresten van het EHRM van 24 april 2018, Baydar tegen Nederland (CE:ECHR:2018:0424JUD005538514; hierna: ‘arrest ‘Baydar’), en 11 april 2019, Harisch tegen Duitsland (CE:ECHR:2019:0411JUD005005316; hierna: ‘arrest Harisch’).
Arrest van 15 oktober 2024 (C-144/23, EU:C:2024:881; hierna: ‘arrest Kubera’).
Zie oud artikel 177, derde alinea, EEG (later artikel 234, derde alinea, EG en thans artikel 267, derde alinea, VWEU); maar zie ook artikel 41 EGKS-Verdrag, dat niet op dezelfde wijze in een prejudiciële beslissing voorzag. Op grond van artikel 106 bis van het EGA-Verdrag is artikel 267 VWEU van toepassing op dat verdrag.
Zie in dit verband arrest van 27 februari 2018, Associação Sindical dos Juízes Portugueses (C-64/16, EU:C:2018:117, punten 32 en 33).
In dit verband heeft advocaat-generaal Capotorti in zijn conclusie in de zaak Cilfit e.a. (283/81, EU:C:1982:267; 1982 Jurispr. blz. 3432, in het bijzonder blz. 3440) uiteengezet dat ‘de rechterlijke instanties in laatste aanleg […] definitieve beslissingen [wijzen] die niet meer vatbaar zijn voor beroep en die richtinggevend kunnen zijn voor de lagere rechterlijke instanties van het betrokken land. De ‘harde kern’ van de nationale rechtspraak wordt, met andere woorden, gevormd door de uitspraken in laatste aanleg’.
Zie bijvoorbeeld arrest van 24 mei 1977, Hoffmann-La Roche (107/76, EU:C:1977:89, punt 5), overgenomen in talrijke zaken, laatstelijk in het arrest Kubera (punt 35).
Het Hof heeft dit reeds gepreciseerd in het arrest Cilfit (punt 9). Zie tevens arrest van 10 januari 2006, IATA en ELFAA (C-344/04, EU:C:2006:10, punt 28), en arrest Consorzio (punt 54).
Zie arrest Cilfit (in het bijzonder punten 10–21). In het arrest van 27 maart 1963, Da Costa e.a. (28/62-30/62, EU:C:1963:6; 1963 Jurispr. blz. 31; hierna: ‘arrest Da Costa’) (in het bijzonder blz. 38) heeft het Hof echter reeds een aantal gevallen genoemd waarin een nationale rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak doet, is vrijgesteld van de verwijzingsplicht. In dit arrest heeft het Hof geoordeeld dat ‘het gezag van een door het Hof reeds krachtens [artikel 267 VWEU] gegeven uitlegging [de verplichting tot verwijzing] van haar grond kan beroven en derhalve van haar inhoud kan ontdoen.’
Het Hof zelf verwijst soms naar ‘uitzonderingen’. Zie bijvoorbeeld arrest van 5 april 2016, PFE (C-689/13, EU:C:2016:199, punt 32), en arrest Kubera (punten 55–58, 63 en 64). In het arrest Consorzio heeft het Hof evenwel verwezen naar ‘situaties’ waarin een nationale rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak doet, kan afzien van een verwijzing (zie punten 39, 50, 51, 57 en 58 van dat arrest) en het Hof handhaaft deze formulering wanneer het naar dat arrest verwijst (zie bijvoorbeeld arrest Kubera, punten 37, 38 en 62).
Arrest Consorzio (punt 33).
Zie voor een recent voorbeeld arrest van 21 maart 2023, Mercedes-Benz Group (Aansprakelijkheid van fabrikanten van met een manipulatie-instrument uitgeruste voertuigen) (C-100/21, EU:C:2023:229, met name punten 53–55), waarin het Hof heeft geoordeeld dat een vraag niet-ontvankelijk was omdat de verwijzende rechter niet had uiteengezet waarom de gevraagde uitlegging van het Unierecht noodzakelijk was om het bij hem aanhangige geding te kunnen beslechten.
Zie arrest Consorzio (punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Deze situatie komt overeen met die welke het Hof reeds in 1963 heeft erkend in het arrest Da Costa (zie voetnoot 15 van deze conclusie).
Zie arrest Consorzio (punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Deze situatie is voor het eerst door het Hof erkend in het arrest Cilfit.
Zie arrest Cilfit (punt 16). De verwijzing naar rechterlijke instanties van andere lidstaten die in laatste aanleg uitspraak doen (in plaats van naar hun gewone rechterlijke instanties) is toegevoegd aan het arrest Consorzio (punt 40).
In het arrest Cilfit heeft het Hof uiteengezet dat een nationale rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak doet, alvorens tot de slotsom te komen dat een Unierechtelijke bepaling geen ruimte laat voor redelijke twijfel over de juiste toepassing ervan, rekening moet houden met de specifieke kenmerken van het Unierecht en de bijzondere moeilijkheden bij de uitlegging ervan (bijvoorbeeld het feit dat dit recht is opgesteld in een groot aantal talen die gelijkelijk authentiek zijn of dat de daarin gebruikte bewoordingen in betekenis kunnen verschillen van dezelfde bewoordingen die in de nationale rechtsorden wordt gebruikt), en dat die rechter rekening moet houden met het risico van uiteenlopende rechtspraak binnen de Unie. Zie punten 16–21 van dat arrest.
Onder meer door een aantal advocaten-generaal, zoals beschreven in de conclusie van advocaat-generaal Bobek in de zaak Consorzio Italian Management en Catania Multiservizi (C-561/19, EU:C:2021:291, punten 100–103).
Zoals advocaat-generaal Wahl het zo treffend heeft beschreven in zijn conclusie in de gevoegde zaken X en van Dijk (C-72/14 en C-197/14, EU:C:2015:319, punt 62).
Arrest Consorzio (punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie voor een gedetailleerde discussie bijvoorbeeld Broberg, M., en Fenger, N., ‘If you love somebody set them free: On the Court of Justice's revision of the acte clair doctrine’, Common Market Law Review, deel 59(3), 2022, blz. 711–738; Cecchetti, L., en Gallo, D., ‘The unwritten exceptions to the duty to refer after Consorzio Italian Management II: ‘CILFIT Strategy’ 2.0 and its loopholes’, Review of European Administrative Law, deel 15(3), 2022, blz. 29–61; Maher, I., ‘The CILFIT criteria clarified and extended for national courts of last resort under Art. 267 TFEU’, European Papers, deel 7(1), 2022, blz. 265–274; Millet, F.-X., ‘Cilfit still fits — ECJ 6 October 2021, Case C-561/19, Consorzio Italian Management’, European Constitutional Law Review, deel 18(3), 2022, blz. 533–555; Petrić, D., ‘How to make a unicorn or ‘There never was an ‘acte clair’ in EU law’: Some remarks about case C-561/19 Consorzio Italian Management’, Croatian Yearbook of European Law & Policy, deel 17, 2021, blz. 307–328.
Zie de conclusie van advocaat-generaal Bobek in de zaak Consorzio Italian Management en Catania Multiservizi (C-561/19, EU:C:2021:291, punten 69–87) voor een discussie over de vraag of een dergelijke beslissing een subjectieve beslissing van de nationale rechter is of zou moeten zijn, waarbij rekening wordt gehouden met het belang van het specifieke geval, dan wel een objectievere beslissing waarbij rekening wordt gehouden met het belang van de uniforme toepassing van het Unierecht.
Reeds vóór het arrest Consorzio was advocaat-generaal Bot van mening dat het arrest Cilfit een motiveringsplicht oplegt wanneer de rechter in laatste aanleg ervan afziet om het Hof van Justitie te raadplegen. Zie zijn conclusie in de zaak Ferreira da Silva e Brito e.a. (C-160/14, EU:C:2015/390, punten 90 en 94).
Arrest Consorzio (punt 51).
Het Hof heeft zich in de punten 61–65 van het arrest Kubera gebogen over de motiveringsplicht en geoordeeld dat wanneer een nationale rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak doet, beslist om een verzoek om toestemming voor het instellen van een hogere voorziening dat ook een verzoek bevat om aan het Hof een vraag over het Unierecht voor te leggen, af te wijzen, deze beslissing de in punt 51 van het arrest Consorzio geformuleerde motiveringsplicht in acht moet nemen.
Zie in die zin de in voetnoot 13 van deze conclusie aangehaalde rechtspraak.
Het feit dat personen die partij zijn in een procedure voor de nationale rechter niet dat recht genieten, betekent niet dat zij geen belang hebben bij de handhaving van de verwijzingsplicht. Wanneer zij een zaak voorleggen aan een nationale rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak doet, kunnen zij een zeker gewettigd vertrouwen hebben in het feit dat juist wegens die objectief gemotiveerde verplichting een verwijzing zal plaatsvinden, met name wanneer de rechterlijke instantie die uitspraak doet niet voornemens is hun standpunt te volgen ten aanzien van de wijze waarop een bepaald Unievoorschrift in hun geval moet worden toegepast. Deze mogelijkheid om een nationale rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak doet, er indirect toe te bewegen zich tot het Hof van Justitie te wenden, zou in feite een reden kunnen zijn voor hun beslissing om zich tot een hogere rechter te wenden.
Zoals het Hof heeft geoordeeld, is het bij artikel 267 VWEU ingevoerde stelsel immers geen rechtsmiddel ten behoeve van de partijen in een bij een nationale rechter aanhangig geschil. Zie bijvoorbeeld arrest Cilfit (punt 9), en arrest Consorzio (punt 54). Op dezelfde wijze staat de omstandigheid dat partijen in het hoofdgeding in kwestie voor de verwijzende rechter geen punt van Unierecht aan de orde hebben gesteld, er niet aan in de weg dat deze rechter prejudicieel naar het Hof verwijst. Zie bijvoorbeeld arresten van 16 juni 1981, Salonia (126/80, EU:C:1981:136, punt 7), en 15 januari 2013, Križan e.a. (C-416/10, EU:C:2013:8, punt 65).
Zoals de Nederlandse, de Duitse, de Italiaanse en de Finse regering alsook de Commissie hebben aangegeven, vloeit de motiveringsplicht voort uit artikel 47 van het Handvest en niet uit artikel 267 VWEU, dat particulieren geen rechten toekent.
Het vereiste van artikel 267, derde alinea, VWEU om te motiveren waarom niet wordt verwezen, was reeds ontwikkeld in de rechtspraak van de lidstaten die een constitutionele toetsing van de verwijzingsplicht hebben ontwikkeld, hetzij in het kader van de toetsing van de eerbiediging van het recht op een bij de wet aangewezen rechter, hetzij in het kader van die van het recht op een eerlijk proces. Zie, voor een beschrijving en beoordeling van die nationale ontwikkelingen, bijvoorbeeld, Broberg, M., en Fenger, N., Broberg and Fenger on Preliminary References to the European Court of Justice, 3e druk, Oxford University Press, Oxford, 2021, met name blz. 235, 236, 241 en 242; Lacchi, C., Preliminary References to the Court of Justice of the European Union and Effective Judicial Protection, Larcier, Brussels, 2020, met name hoofdstuk 3; Wallerman Ghavanini, A., en Rauchegger, C., ‘Effective judicial protection before national courts: Article 47 of the Charter, national constitutional remedies and the preliminary reference procedure’, in Bonelli, M., Eliantonio, M., en Gentile, G. (red.), Article 47 of the EU Charter and Effective Judicial Protection, Volume 1: The Court of Justice's Perspective, Hart, Oxford, 2022, blz. 45–60, met name blz. 50–54. Dat vereiste is ook door het EHRM opgelegd op grond van artikel 6 EVRM. Zie ook de punten 54 en 73–76 van deze conclusie.
Arrest van 30 september 2003, Köbler (C-224/01, EU:C:2003:513).
Zie bijvoorbeeld arrest van 6 september 2012, Trade Agency (C-619/10, EU:C:2012:531, punt 53), en conclusie van advocaat-generaal Kokott in het arrest Trade Agency (C-619/10, EU:C:2012:247, punten 84 en 85). Zie in dit verband ook de conclusie in de gevoegde zaken Zweden en API/Commissie en Commissie/API (C-514/07 P, C-528/07 P en C-532/07 P, EU:C:2009:592, punt 32), waarin advocaat-generaal Poiares Maduro overwoog dat ‘[e]en van de voornaamste doelen van het recht op een met redenen omkleed arrest [erin] bestaat […] het publiek inzicht te verschaffen in de gronden van de beslissing van het Hof en in de wijze waarop deze tot stand is gekomen’.
Zie bijvoorbeeld arrest Baydar (§ 39), arrest Harisch (§ 33), en EHRM, 15 december 2022, Rutar en Rutar Marketing d.o.o tegen Slovenië (CE:ECHR:2022:1215JUD002116420, § 62).
Zie bijvoorbeeld EHRM, 20 september 2011, Ullens de Schooten en Rezabek tegen België (CE:ECHR:2011:0920JUD000398907, § 62); 8 april 2014, Dhahbi tegen Italië (CE:ECHR:2014:0408JUD001712009, § 31), en 30 april 2019, Repcevirág Szövetkezet tegen Hongarije (CE:ECHR:2019:0430JUD007075014, § 50).
Zie Broberg, M., en Fenger, N., aangehaald in voetnoot 26 van deze conclusie, blz. 725.
De Nederlandse regering heeft ter terechtzitting verklaard dat de Raad van State in 2024 in 4 200 vreemdelingenzaken een beslissing ten gronde heeft gegeven. Van deze zaken is ongeveer de helft, oftewel 2 200 zaken, met een verkort gemotiveerde uitspraak afgedaan, terwijl ongeveer 1 300 op dezelfde wijze zijn afgedaan maar met een aanvullende redengeving en 300 zaken volledig zijn gemotiveerd; de ongeveer 400 resterende zaken zijn niet-ontvankelijk verklaard of wegens procedurefouten niet afgedaan. Volgens deze regering bestaan er twee soorten verkorte motivering: naast de standaardformule kan bij de verkorte motivering ook een aanvulling worden verstrekt; deze kan bijvoorbeeld de motivering van de rechter in de beslissing omvatten, zoals de vermelding dat er in het concrete geval sprake is van een acte éclairé.
Zie bijvoorbeeld arrest van 6 september 2012, Trade Agency (C-619/10, EU:C:2012:531, punt 60).
Zie arresten Baydar (§ 40), Harisch (§ 34), en EHRM, 15 december 2022, Rutar en Rutar Marketing d.o.o. tegen Slovenië (CE:ECHR:2022:1215JUD002116420, § 58).
Zie bijvoorbeeld arrest Baydar (§§ 42 en 43), en arresten van het EHRM van 13 februari 2020, Sanofi Pasteur tegen Frankrijk (CE:ECHR:2020:0213JUD002513716, § 71), en 13 juli 2021, Bio Farmland Betriebs S.R.L. tegen Roemenië (CE:ECHR:2021:0713JUD004363917, § 51).
Zie arrest Baydar (§§ 45–53).
Deze wettelijke regeling is niet dezelfde als die op grond waarvan in de onderhavige zaak een verkorte motivering kan worden gegeven.
Zie arrest Harisch (§§ 37–43).
Evenzo heeft advocaat-generaal Emiliou geopperd dat de omvang van de motiveringsplicht varieert naargelang de relevante omstandigheden; zie zijn conclusie in de zaak KUBERA (C-144/23, EU:C:2024:522, punten 122–133).