Voetnoot 2 hof:“Het was blijkens de gegevens van het KNMI (https://daggegevens.knmi.nl/klimatologie/dag?date=2016-12-01&station=269) die dag, gemeten in Lelystad, gemiddeld 7,8 graden Celcius, met een maximum temperatuur van 9,3 en een minimum temperatuur van 5,2 graden Celcius.”
HR, 04-04-2023, nr. 21/04302
ECLI:NL:HR:2023:493
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
04-04-2023
- Zaaknummer
21/04302
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:493, Uitspraak, Hoge Raad, 04‑04‑2023; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2021:2913
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:169
ECLI:NL:PHR:2023:169, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 14‑02‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:493
Beroepschrift, Hoge Raad, 14‑02‑2022
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2023-0081
JIN 2023/68 met annotatie van mr. C. van Oort
NTS 2023/27
Uitspraak 04‑04‑2023
Inhoudsindicatie
Medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving waarbij slachtoffer is overleden (art. 282.3 Sr). Causaal verband tussen gedragingen verdachte en dood slachtoffer? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2012:BT6362 m.b.t. het redelijkerwijs toerekenen van een gevolg aan verdachte. Hof heeft o.m. het volgende vastgesteld. Verdachte en zijn mededaders hebben slachtoffer van zijn vrijheid beroofd gehouden, nadat slachtoffer die dag al enige tijd door ander van zijn vrijheid beroofd was gehouden en was mishandeld. Verdachte was woedend en wilde geld hebben van slachtoffer, maar slachtoffer kon niet aan geld komen. Op enig moment is slachtoffer hardhandig in auto gezet en zijn verdachte en zijn mededaders met slachtoffer weggereden. Niemand in auto wilde aan slachtoffer vertellen waar ze naartoe gingen. Nadat slachtoffer was meegenomen werd hij verschillende keren mishandeld door verdachte en zijn mededaders. Ook werd een vuurwapen aan hem getoond. Nadat slachtoffer al bijna twee uur door verdachte en zijn mededaders van zijn vrijheid beroofd was gehouden, arriveerden zij in het donker bij stille plek, te weten een strandje in Almere, waar nogmaals een vuurwapen aan slachtoffer werd getoond. Verdachte wees vervolgens met vuurwapen op slachtoffer en zei tegen hem dat hij “geen geintjes moest uithalen”. Slachtoffer is toen ijskoude water in gevlucht, waarna verdachte met zijn mededaders slachtoffer is gaan zoeken omdat verdachte wilde dat slachtoffer terug zou komen en weer naast hem zou staan. Verdachte en zijn mededaders hebben slachtoffer niet gevonden. Slachtoffer is, nadat hij het water was in gevlucht, verdronken. Hof heeft geoordeeld dat overlijden slachtoffer redelijkerwijs a.g.v. wederrechtelijke vrijheidsberoving (mede) aan verdachte kan worden toegerekend. Hof heeft aan oordeel o.m. ten grondslag gelegd dat slachtoffer a.g.v. gedragingen van verdachte en zijn mededaders in een “uitermate bedreigende en op dat moment voor hem ook uitzichtloze situatie” verkeerde en slachtoffer tegen die achtergrond kennelijk geen andere uitweg zag dan het ondernemen van risicovolle vluchtpoging door water in te gaan, wat hem fataal is geworden. Dat mede op die omstandigheden gebaseerde oordeel van hof geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping. Samenhang met 21/04245.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/04302
Datum 4 april 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 8 oktober 2021, nummer 23-003567-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het oordeel van het hof dat de dood van [slachtoffer] in redelijkheid als gevolg van de door de verdachte en zijn mededaders begane wederrechtelijke vrijheidsberoving (mede) aan de verdachte kan worden toegerekend.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 1 december 2016 te Wormerveer , gemeente Zaanstad, en Almere en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] , wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd gehouden, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders
- die [slachtoffer] onder dwang in een voertuig dat de garage [A] was binnengereden doen of laten plaatsnemen en
- die [slachtoffer] verplaatst naar Almere en
- die [slachtoffer] vervoerd naar een strandje aan de Strandweg te Almere en
- die [slachtoffer] uit het voertuig laten stappen en
- een vuurwapen aan die [slachtoffer] getoond en
- fysiek geweld op die [slachtoffer] toegepast en
- een voor die [slachtoffer] bedreigende situatie gecreëerd,
waarna die [slachtoffer] te water is geraakt ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen zoals weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 7.
2.2.3
Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring verder het volgende overwogen:
“Wederrechtelijke vrijheidsberoving
Op 1 december 2016 kwam [slachtoffer] tussen 12:21 uur en 12:36 uur binnen bij de garage [A] in [plaats] . [betrokkene 1] , de eigenaar van de garage, heeft [slachtoffer] op de grond en tegen een bak met gereedschappen geduwd, waardoor [slachtoffer] zichtbaar pijn had. Vervolgens moest [slachtoffer] van [betrokkene 1] plaatsnemen in de kantine van de garage. Toen [slachtoffer] op een gegeven moment de kantine wilde verlaten schreeuwde [betrokkene 1] tegen hem: “Blijf zitten”. Ook werd door [betrokkene 1] erop toegezien dat [slachtoffer] de kantine niet verliet. Gelet op voornoemde omstandigheden was er naar het oordeel van het hof sprake van een situatie waaraan [slachtoffer] zich niet kon onttrekken, zodat sprake is van het wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden van [slachtoffer] door [betrokkene 1] .
(...)
[slachtoffer] is in de garage vastgehouden tot het, hieronder nader te bespreken, moment dat hij is meegenomen in de Chrysler. Daarvoor heeft (de inmiddels ook in de garage verschenen) [betrokkene 7] de jas van [slachtoffer] afgenomen. [slachtoffer] heeft de garage dus zonder jas verlaten.
(...)
Omstreeks 15:55 uur arriveerde de Chrysler met [verdachte] , [betrokkene 2] en een NN-man in de garage. Tientallen seconden daarvoor was er contact tussen de telefoons van [betrokkene 3] en [verdachte] . Nadat voor hen de overheaddeur was geopend, reed de Chrysler achteruit de garage in. In de garage heeft [verdachte] [slachtoffer] geslagen en naar [slachtoffer] geschreeuwd, omdat deze hem beweerdelijk geld schuldig was. [slachtoffer] moest van [betrokkene 1] de Chrysler instappen; hij werd hardhandig in de auto gezet. Vervolgens reed de Chrysler met daarin [verdachte] , [slachtoffer] , [betrokkene 2] en NN-man weg van de garage. (...)
Omstreeks 16:35 uur vertrok de Chrysler met [verdachte] , [betrokkene 2] , de NN-man en [slachtoffer] uit de garage in de richting van Almere. [slachtoffer] wist op het moment dat ze op de snelweg reden niet waar ze naartoe gingen. Uit de telecomgegevens in samenhang met andere bewijsmiddelen blijkt dat [slachtoffer] meermalen telefonisch contact heeft gehad met [betrokkene 4] en met hem een afspraak heeft gemaakt bij het station [wijk] in Almere voor het verkrijgen van geld. Rond 18:00 uur had [betrokkene 4] op die plek een ontmoeting met [betrokkene 2] en de NN-man. Zij zeiden dat ze geld kwamen halen. [slachtoffer] zelf is met [verdachte] in de auto gebleven. Toen [betrokkene 4] geen geld gaf zijn de mannen weer weggegaan.
Na de ontmoeting met [betrokkene 4] heeft [verdachte] in de auto, in de buurt van het station Almere- [wijk] , een vuurwapen aan [slachtoffer] laten zien. Dit was een echt wapen. [verdachte] , [betrokkene 2] en de NN-man zijn vervolgens met [slachtoffer] in de Chrysler naar de Strandweg in Almere-Haven gereden. Vanaf 18:21 uur worden nagenoeg alle verbindingen van de telefoon van [verdachte] afgewikkeld via een zendmast die (onder andere) dekking geeft aan het strandje met het daarvoor gelegen eilandje dat is gelegen in het Gooimeer. De Chrysler is, gelet op de verdere gebeurtenissen, kennelijk in de nabijheid van het aan de Strandweg gelegen strandje gestopt. [verdachte] heeft, voordat hij met [slachtoffer] de auto uitstapte, aan [slachtoffer] voor de tweede maal een vuurwapen laten zien. Hij heeft dit wapen op [slachtoffer] gewezen. Daarbij heeft [verdachte] tegen [slachtoffer] gezegd dat hij, [slachtoffer] , geen geintjes moest maken. [verdachte] is vervolgens met [slachtoffer] de auto uit gegaan. [slachtoffer] droeg op dat moment geen jas (die was immers eerder die dag afgenomen), terwijl het - naar moet worden aangenomen gelet op de tijd van het jaar - koud zal zijn geweest. [voetnoot: Het was blijkens de gegevens van het KNMI (...) die dag, gemeten in Lelystad, gemiddeld 7,8 graden Celcius, met een maximum temperatuur van 9,3 en een minimum temperatuur van 5,2 graden Celcius.] [betrokkene 2] en de NN-man zaten in de auto. Op een gegeven moment is [slachtoffer] weggerend. [verdachte] is met een van de twee andere mannen, dus met [betrokkene 2] dan wel de NN-man, achter [slachtoffer] aangerend, maar ze konden hem niet vinden. De andere man, dus de NN-man dan wel [betrokkene 2] , kwam met de auto het strand op om te schijnen met de koplampen. Toen kwam de auto vast te staan. [verdachte] wilde dat [slachtoffer] terug zou komen omdat hij zijn geld wilde hebben en niet wilde dat [slachtoffer] zou “onderduiken”.
Uit het voorgaande blijkt dat [slachtoffer] tot het moment waarop hij bij het strandje wegrende, wederrechtelijk van zijn vrijheid beroofd is gehouden.
Dood van [slachtoffer]
De laatste keer dat (vermoedelijk) [slachtoffer] gebruik heeft gemaakt van zijn telefoon, is als met zijn telefoon om 18:21 uur wordt uitgebeld naar [betrokkene 5] . Als [slachtoffer] om 19:08 uur wordt gebeld, neemt hij niet meer op.
Op 6 december 2016 heeft [betrokkene 5] melding gedaan dat [slachtoffer] mogelijk gegijzeld dan wel vermist is. Op 7 december 2016 heeft [betrokkene 5] verklaard dat hij sinds dat [slachtoffer] hem belde om te helpen, niets meer van hem heeft gehoord. Dit duurde langer dan hij van [slachtoffer] gewend was.
Op 8 december 2016 vindt er een Telegram gesprek plaats tussen ‘ [verdachte] ’, zijnde [verdachte] , en ene ‘ [betrokkene 6] ’. Dit gesprek gaat over [slachtoffer] en gaat als volgt:
(...)
[betrokkene 6] : Jullie waren er toch ook
[verdachte] : Ja man wij hebben hem meegenomen
[verdachte] : hij moest mij ook lappen (hof: betalen)
(...)
[verdachte] : nu is hij kil spoorloos
[betrokkene 6] : heeft hij betaald
[verdachte] : nee man, niemand wou helpen
[betrokkene 6] : jullie hebben hem wel gesloopt (hof: mishandeld)
[verdachte] : ja
[betrokkene 6] : maar goed of gewoon een paar klappen
[verdachte] : maar hij is in het water gesprongen
[plaatje vuurwapen]
[verdachte] : op hem.
Op 22 december 2016 wordt het stoffelijk overschot van [slachtoffer] aangetroffen in het water van het Gooimeer, nabij een eilandje, welk eilandje tegenover het strandje aan de Strandweg te Almere Haven is gelegen waar de Chrysler is vast komen te zitten. De watertemperatuur was op dat moment 6 graden Celsius. Uit onderzoek is gebleken dat [slachtoffer] het eilandje niet heeft betreden. De bevindingen in het NFI-rapport pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood (sectierapport) luiden als volgt:
“Gelet op de buitentemperaturen van de afgelopen tijd kunnen de postmortale veranderingen passen bij een maximale postmortale periode van circa 20 dagen (waarna het slachtoffer niet meer levend was gezien) lang verblijf in het water. Er werden slechts beperkte letsels (onderhuidse bloeduitstortingen in de linker wenkbrauw, de benen en de rugzijde van de romp) aangetroffen. De letsels waren kort voor het overlijden opgetreden ten gevolge van inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend geweld zoals bijvoorbeeld (zich) stoten, vallen of geslagen worden. Zij hebben geen bijdrage geleverd aan het overlijden. Het vocht in de borstholten is mogelijk postmortaal ontstaan. Het kan echter niet worden uitgesloten dat (een deel van) deze vochtophoping en de vochtophoping in de maag in het kader van verdrinking zijn opgetreden. Ook het microscopisch beeld van acuut emfyseem kan optreden in het kader van verdrinking door ‘happen naar lucht’. Er werd geen toxicologische bijdrage aan de toedracht en/of het overlijden gevonden. Er waren, voor zover beoordeelbaar in verband met de postmortale veranderingen, geen aanwijzingen voor ziekelijke orgaanafwijkingen die het intreden van de dood zouden kunnen verklaren of hiervoor van betekenis geweest zouden kunnen zijn. De conclusie is dat bij de sectie geen anatomische of toxicologische oorzaak werd gevonden. Gelet op de situatie bij vinding dient verdrinking als mogelijke doodsoorzaak te worden overwogen.”
Het hof stelt op grond van het voorgaande, in samenhang bezien, vast dat [slachtoffer] bij het strandje in Almere-Haven is gevlucht voor [verdachte] , [betrokkene 2] en de NN-man en daarbij het water is ingegaan. Hierbij beschouwt het hof de mededeling van [verdachte] in het Telegrambericht van 8 december 2016, inhoudende: “hij is het water in gesprongen”, als een waarneming van een ooggetuige. Het lichaam van [slachtoffer] was op dat moment immers nog niet gevonden. Nu alleen [verdachte] , [betrokkene 2] en NN-man met [slachtoffer] op het strand aanwezig waren, is het in het water springen van [slachtoffer] door een of meer van hen waargenomen. De verklaring van [verdachte] dat hij deze informatie “op straat” had gehoord is niet aannemelijk geworden. Het past overigens ook niet in de context van de overige mededelingen die [verdachte] , met betrekking tot zijn eigen gedragingen (meenemen, mishandeling, tonen vuurwapen), op dat moment aan [betrokkene 6] deed. Het dossier biedt verder geen enkel aanknopingspunt om te veronderstellen dat [slachtoffer] om enige andere reden het water in is gegaan dan om te vluchten.
Bij [slachtoffer] is geen anatomische of toxicologische doodsoorzaak gevonden. De postmortale veranderingen kunnen passen bij een maximale postmortale periode van 20 dagen. De patholoog concludeert dat gelet op de situatie bij vinding, verdrinking als mogelijke doodsoorzaak dient te worden overwogen. Deze conclusie ligt in het verlengde van wat in de forensische literatuur wordt beschreven met betrekking tot verdrinking als doodsoorzaak, te weten dat verdrinking als doodsoorzaak niet kan worden vastgesteld bij sectie. Wel kan bij sectie worden uitgesloten dat sprake is van andere (ziekelijke) aandoeningen of een toxicologische bijdrage en kunnen aanwijzingen worden gevonden voor verdrinking.
Gelet op al het voorgaande, in samenhang bezien, en nu een mogelijk alternatieve doodsoorzaak niet aannemelijk is geworden, gaat het hof ervan uit dat [slachtoffer] na zijn vlucht in het ijskoude water daar niet meer levend uit is gekomen als gevolg van verdrinking.
Causaal verband tussen de vrijheidsberoving en het overlijden van [slachtoffer]
Tenslotte moet de vraag worden beantwoord of in strafrechtelijke zin causaal verband bestaat tussen de wederrechtelijke vrijheidsberoving door [verdachte] , [betrokkene 2] en de NN-man en de dood van [slachtoffer] . Daarbij dient te worden bezien of de dood van [slachtoffer] redelijkerwijs aan de gedragingen van [verdachte] , [betrokkene 2] en de NN-man, die zij in het kader van deze vrijheidsberoving hebben verricht, kan worden toegerekend. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6362, in dat verband, voor zover relevant, overwogen:
"Doorgaans is bij de beantwoording van de vraag of in strafrechtelijke zin causaal verband bestaat niet aan twijfel onderhevig dat in de keten van gebeurtenissen de gedraging van de verdachte een noodzakelijke factor is geweest voor het ingetreden gevolg - en staat dat gevolg dus in conditio sine qua non-verband tot de gedraging, welk verband in beginsel als ondergrens van het causaal verband fungeert -, maar gaat het daarbij vooral erom of het ingetreden gevolg redelijkerwijs aan (de gedraging van) de verdachte kan worden toegerekend.”
Zoals het hof hiervoor al heeft vastgesteld, is [slachtoffer] op zijn vlucht voor [verdachte] , [betrokkene 2] en de NN-man het water ingegaan, waarna hij is verdronken. De verdachten hebben door hun handelen, zijnde de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] , een reeks van gebeurtenissen in gang gezet die uiteindelijk heeft geleid tot de dood van [slachtoffer] . Het hof overweegt met betrekking tot dit handelen in het bijzonder nog het volgende.
[verdachte] , [betrokkene 2] en de NN-man zijn met zijn drieën in de Chrysler van [betrokkene 2] naar de garage gegaan, waar [slachtoffer] in de kantine reeds van zijn vrijheid beroofd werd gehouden. Zij waren getalsmatig in de meerderheid. [verdachte] was woedend en heeft [slachtoffer] geslagen. Hij wilde geld van [slachtoffer] , maar [slachtoffer] had geen geld. [slachtoffer] werd hardhandig in de auto van [betrokkene 2] gezet en vervolgens reden [verdachte] , [betrokkene 2] en de NN-man met [slachtoffer] weg. Op het moment dat ze op de snelweg reden wist [slachtoffer] niet waar ze naartoe gingen en dat wilde ook niemand in de auto hem vertellen. [slachtoffer] kon, toen [betrokkene 5] hem aan de lijn had, niet te veel zeggen en de telefoon werd later ook van hem afgepakt. [verdachte] , [betrokkene 2] en de NN-man reden met [slachtoffer] naar het station Almere [wijk] teneinde geld op te halen bij [betrokkene 4] . [slachtoffer] is met [verdachte] in de auto achtergebleven, terwijl [betrokkene 2] en de NN-man een ontmoeting hadden met de hun onbekende [betrokkene 4] , die echter geen geld gaf. Het hof leidt hieruit af dat [slachtoffer] in de auto werd gehouden om te verhinderen dat hij aan de macht van zijn belagers zou ontkomen, daartoe al dan niet geholpen door [betrokkene 4] . Na de ontmoeting met [betrokkene 4] heeft [verdachte] aan [slachtoffer] een vuurwapen getoond. Vervolgens hebben [verdachte] , [betrokkene 2] en de NN-man [slachtoffer] in de auto meegenomen naar de Strandweg in Almere, waaraan een strandje is gelegen. Naar moet worden aangenomen in die tijd van het jaar en op dat tijdstip, een stille plek. Het was donker, gelet op het tijdstip van arriveren (rond 18:21 uur op 1 december). Het hof hecht geen geloof aan de verklaring van [verdachte] dat [slachtoffer] na de ontmoeting met [betrokkene 4] met een paar jongens had gebeld en dat ze toen naar Almere Haven moesten rijden, omdat [slachtoffer] daar met iemand zou hebben afgesproken. Uit de telecomgegevens van [slachtoffer] blijkt immers dat na de ontmoeting met [betrokkene 4] hij enkel naar [betrokkene 4] en [betrokkene 5] heeft uitgebeld en alleen [betrokkene 5] te spreken kreeg (ZD1, p. 598). Voorts was, zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen, [slachtoffer] niet degene die bepaalde waar men naartoe ging. [verdachte] wilde nog steeds geld van [slachtoffer] , welk geld [slachtoffer] nog steeds niet had en waar hij ook niet aan kon komen. Immers, "niemand wou helpen”, aldus [verdachte] in het hiervoor genoemde Telegram gesprek. Kennelijk is [slachtoffer] ook mishandeld (afgezien van de klap die hij al in de garage van [verdachte] had gekregen) nadat hij was meegenomen door [verdachte] , [betrokkene 2] en de NN-man. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [verdachte] “ja” antwoordt op de vraag van ‘ [betrokkene 6] ’: “jullie hebben hem wel gesloopt”.
Voorts zijn bij [slachtoffer] letsels vastgesteld, die kort voor zijn overlijden zijn ontstaan. [verdachte] heeft [slachtoffer] bij het strand nogmaals een vuurwapen getoond, daarmee op hem gewezen en heeft gezegd dat [slachtoffer] geen geintjes moest uithalen. Toen [verdachte] , [betrokkene 2] en de NN-man met [slachtoffer] bij het strand arriveerden, werd deze inmiddels al bijna twee uur door hen van zijn vrijheid beroofd gehouden. Zij waren geenszins van plan om [slachtoffer] vrij te laten, getuige ook het feit dat zij hem met z’n drieën zijn gaan zoeken toen hij was weggerend. Daar komt bij dat [verdachte] heeft verklaard: “ik wilde mijn geld hebben. Ik wilde dat hij terug zou komen. Ik wilde dat hij naast mij zou staan. Als hij hem peert, duikt hij altijd onder.”
Een wederrechtelijke vrijheidsberoving kan naar de aard van het delict als gevolg hebben dat het slachtoffer een vluchtpoging onderneemt. Daarbij kan het slachtoffer, onder meer afhankelijk van zijn vrees voor degenen die hem vasthouden, de mate van dreiging die van de overige omstandigheden van de wederrechtelijke vrijheidsberoving uitgaat, zijn inschatting van wat er nog komen gaat en de mogelijke paniek waarin hij verkeert, al dan niet bewust risico’s nemen op zijn vlucht.
[slachtoffer] verkeerde, als gevolg van het handelen van [verdachte] , [betrokkene 2] en de NN-man zoals hiervoor omschreven, in een uitermate bedreigende en op dat moment voor hem ook uitzichtloze situatie.
Het is tegen deze achtergrond dat hij, kennelijk geen andere uitweg ziende, een risicovolle vluchtpoging heeft ondernomen door het water in te gaan, hetgeen hem fataal is geworden.
Conclusie
Het hof is van oordeel dat, gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, de dood van [slachtoffer] in redelijkheid aan [verdachte] , [betrokkene 2] en de NN-man kan worden toegerekend. Het tenlastegelegde feit kan daarom wettig en overtuigend worden bewezen.”
2.3
De vraag of causaal verband bestaat tussen de in de bewezenverklaring omschreven gedragingen van de verdachte en zijn mededaders en de dood van [slachtoffer] , moet worden beantwoord aan de hand van de maatstaf of dat overlijden redelijkerwijs als gevolg van die gedragingen (mede) aan de verdachte kan worden toegerekend (vgl. HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6362).
2.4.1
Het hof heeft onder meer het volgende vastgesteld. De verdachte en zijn mededaders hebben [slachtoffer] op 1 december 2016 van zijn vrijheid beroofd gehouden, nadat [slachtoffer] die dag al enige tijd door een ander van zijn vrijheid beroofd was gehouden en was mishandeld. De verdachte was woedend en wilde geld hebben van [slachtoffer] , maar [slachtoffer] kon niet aan geld komen. Op enig moment is [slachtoffer] hardhandig in een auto gezet en zijn de verdachte en zijn mededaders met [slachtoffer] weggereden. Niemand in de auto wilde aan [slachtoffer] vertellen waar ze naartoe gingen. Nadat [slachtoffer] was meegenomen werd hij verschillende keren mishandeld door de verdachte en zijn mededaders. Ook werd een vuurwapen aan hem getoond. Nadat [slachtoffer] al bijna twee uur door de verdachte en zijn mededaders van zijn vrijheid beroofd was gehouden, arriveerden zij in het donker bij een stille plek, te weten een strandje in Almere, waar nogmaals een vuurwapen aan [slachtoffer] werd getoond. De verdachte wees vervolgens met het vuurwapen op [slachtoffer] en zei tegen hem dat hij “geen geintjes moest uithalen”. [slachtoffer] is toen het ijskoude water in gevlucht, waarna de verdachte met zijn mededaders [slachtoffer] is gaan zoeken omdat de verdachte wilde dat [slachtoffer] terug zou komen en weer naast hem zou staan. De verdachte en zijn mededaders hebben [slachtoffer] niet gevonden. [slachtoffer] is, nadat hij het water was in gevlucht, verdronken.
2.4.2
Het hof heeft geoordeeld dat het overlijden van [slachtoffer] redelijkerwijs als gevolg van de wederrechtelijke vrijheidsberoving (mede) aan de verdachte kan worden toegerekend. Het hof heeft aan dat oordeel onder meer ten grondslag gelegd dat [slachtoffer] als gevolg van de gedragingen van de verdachte en zijn mededaders in een “uitermate bedreigende en op dat moment voor hem ook uitzichtloze situatie” verkeerde en [slachtoffer] tegen die achtergrond kennelijk geen andere uitweg zag dan het ondernemen van een risicovolle vluchtpoging door het water in te gaan, wat hem fataal is geworden. Dat mede op die omstandigheden gebaseerde oordeel van het hof geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
2.5
Het cassatiemiddel faalt in zoverre.
3. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 april 2023.
Conclusie 14‑02‑2023
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Vrijheidsberoving met dodelijke afloop door verdrinking in het Gooimeer in 2016. Het eerste middel betreft het ontbreken van een mogelijkheid om een 'onvindbare' getuige te horen. Het tweede middel klaagt over het bewijs van het causaal verband tussen het gedrag en de dood. Beide middelen slagen niet en het cassatieberoep kan worden verworpen.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/04302
Zitting 14 februari 2023
CONCLUSIE
P.C. Vegter
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 8 oktober 2021 door het gerechtshof Amsterdam wegens "medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroofd houden, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft", veroordeeld tot 54 maanden gevangenisstraf, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding en bepaald dat de benadeelde partij de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Er bestaat samenhang met de zaak 21/04245. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het gaat in deze zaak - kort en zakelijk samengevat - om het volgende. Op 22 december 2016 is het stoffelijk overschot van [slachtoffer] aangetroffen nabij een eilandje in het water van het [meer] . Volgens de patholoog dient verdrinking als mogelijke doodsoorzaak te worden overwogen, terwijl er geen aanwijzingen zijn voor een andere oorzaak dan verdrinking. Nader onderzoek heeft opgeleverd dat het slachtoffer, bij leven, kennelijk in verband met een (zakelijk) conflict (een geldschuld), op 1 december 2016 in een garage in [plaats] , tegen zijn wil is vastgehouden en is mishandeld. Er is een geldbedrag gehaald bij een neef van het slachtoffer. Later op de middag is het slachtoffer in een auto meegenomen door verdachte en nog twee personen. Het lukte niet om opnieuw geld bij een andere persoon te halen en de auto met inzittenden is doorgereden naar een strandje in [plaats] . Daar is het slachtoffer gedwongen om uit te stappen, bedreigd met een vuurwapen en is er geweld tegen hem gebruikt. Het slachtoffer heeft kans gezien weg te rennen en is te water geraakt. Op 6 december 2016 is hij als vermist opgegeven.
Alvorens de middelen te bespreken citeer ik de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen, de hier relevante bewijsoverwegingen van het hof alsmede de relevante beslissingen op een verzoek een getuige te horen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard:
“hij op 1 december 2016 te [plaats] , en [plaats] en/of elders in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] , wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd gehouden, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders
- die [slachtoffer] onder dwang in een voertuig dat de garage [A] was binnengereden doen of laten plaatsnemen en
- die [slachtoffer] verplaatst naar [plaats] en
- die [slachtoffer] vervoerd naar een strandje aan de [b-straat ] te [plaats] en
- die [slachtoffer] uit het voertuig laten stappen en
- een vuurwapen aan die [slachtoffer] getoond en
- fysiek geweld op die [slachtoffer] toegepast en
- een voor die [slachtoffer] bedreigende situatie gecreëerd,
waarna die [slachtoffer] te water is geraakt ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.”
7. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsvoering:
“1. Verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank Amsterdam van 19 augustus 2019, zakelijk weergegeven.
Ik wist dat [slachtoffer] in de garage was. Dat was de reden dat ik naar de garage ging. Toen ik bij de garage aankwam, zag ik [betrokkene 1] buiten staan. Zij heeft mij naar binnen gebracht. Daar zat [slachtoffer] (liet hof begrijpt hierna steeds: het slachtoffer [slachtoffer] ). Ik heb [slachtoffer] een klap gegeven, want ik was woedend. [slachtoffer] is toen gaan bellen. Ik heb aan [slachtoffer] gevraagd wanneer hij me zou betalen want hij had mij opgelicht.
Het klopt dat ik die dag met mijn eigen telefoon heb gezocht op Google naar de [a-straat ] in [plaats] . Ik ben met de Chrysler (het hof begrijpt: de Chrysler Voyager van [betrokkene 3] ) in [plaats] terechtgekomen, maar ik reed zelf niet. Ik heb de auto niet geleend en ook niet gehuurd. Ik heb die dag geen telefoon geleend.
Op uw vraag hoe het kan dat ik op ongeveer op hetzelfde moment als [slachtoffer] van [plaats] naar [plaats] reed, antwoord ik dat ik in de Chrysler zat. We waren met meerdere mensen. Ik zat achterin.
In [plaats] Stad zijn we aangekomen bij het station. Ik bleef met [slachtoffer] in de auto. Die andere
jongens konden geld halen. Toen die jongens terugkwamen was er niet betaald.
In [plaats] Haven stond ik met [slachtoffer] buiten de auto. Voordat we naar buiten gingen heb ik nog een pistool voor hem getrokken om te zeggen dat hij geen geintjes moest maken. Het was een echt pistool.
Op een gegeven moment is hij hem gepeerd. Die andere jongens kwamen toen ook uit de auto. Met één jongen ben ik achter hem aangerend. We konden hem niet vinden. Toen kwam een van de jongens met de auto het strand op om te schijnen met de koplampen. Die andere jongen en ik waren aan het zoeken.
Toen kwam de auto vast te staan.
Ik heb het pistool voor het eerst laten zien aan [slachtoffer] bij het station in de buurt, na de ontmoeting met [betrokkene 4] .
Ik wilde mijn geld hebben. Ik wilde dat hij terug zou komen. Ik wilde dat hij naast mij zou staan. Als hij hem peert, duikt hij altijd onder. U houdt mij voor dat ik in het bericht naar ‘ [slachtoffer] ’ een plaatje van een vuurwapen heb gestuurd met de tekst “op hem”. Ik heb het wapen op hem gewezen.
2. Verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van het gerechtshof van 7 september 2021, zakelijk weergegeven.
Ik liet [slachtoffer] een pistool zien. Ik wilde hem bang maken, zodat hij met geld over de brug zou
komen. We zijn naar [plaats] strand gereden. Het was een open plek bij de dijk. Het zou kunnen dat het donker was toen wij daar aankwamen. De twee jongens bleven in de auto zitten en wij stonden buiten te wachten. Vervolgens rende hij weg. Het klopt dat ik met één jongen achter [slachtoffer] ben aangerend.
We hebben met de auto naar hem gezocht op het strand en met de koplampen op het strand geschenen.
U houdt mij het proces-verbaal van bevindingen van 13 februari 2017 voor dat betrekking heeft op een Telegramgesprek tussen ‘ [slachtoffer] ’ en ‘ [verdachte] ’ op 8 december 2016. Ik ben ‘ [verdachte] ’. ‘ [slachtoffer] ’ is een vriend van mij. ‘ [betrokkene 5] ’ is inderdaad [betrokkene 5] , dat klopt. Met “niemand wilde helpen” bedoelde ik dat niemand geld voor hem wilde betalen.
3. Een proces-verbaal van bevindingen van 7 december 2016, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (ZDI, p. 76 e.v.), zakelijk weergegeven.
Op dinsdag 6 december 2016 is de melding binnengekomen dat [slachtoffer] mogelijk gegijzeld dan wel vermist is.
Melder [betrokkene 6] meldt dat er door een financieel geschil [slachtoffer] mogelijk gegijzeld dan wel ontvoerd is en vanuit een bedrijfspand in [plaats] is overgebracht naar [plaats] .
Daarna is niets meer van [slachtoffer] gehoord.
Op woensdag 7 december 2016 hebben wij, verbalisanten, een onderzoek ingesteld naar de mogelijke vermissing van [slachtoffer] . Hiervoor is gesproken met melder [betrokkene 6] . [betrokkene 6] verklaarde ons het volgende:
[slachtoffer] heeft twee telefoons met het nummer [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] . Ik weet dat het al bijna een week geleden is dat [slachtoffer] mij belde met zijn vraag om hem te helpen. Ik heb dat toen ook geprobeerd. Maar dat lukte niet. Toen ik niets meer van [slachtoffer] hoorde vond ik dat eerst niet
zo vreemd, omdat [slachtoffer] zo vaak in de problemen is, en ook wel eens een paar dagen onder de radar verdwijnt. Nu duurde het langer dan ik was gewend. Het zat mij gewoon niet lekker.
4. Een hoofdproces-verbaal forensisch onderzoek “TGO Noble”, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde verbalisant [verbalisant 3] (F.O. p. 004 e.v.), zakelijk weergegeven.
Op donderdag 22 december 2016 werd onderzoek naar sporen verricht in verband met een lijk(vinding) bij het strand gelegen aan de [b-straat ] te [plaats] -Haven. Tegenover het strand is een klein eiland gelegen. Tegen het eiland, in het water werd het stoffelijk overschot van [slachtoffer] aangetroffen.
De bosschages ter hoogte van de locatie waar het slachtoffer werd aangetroffen waren vrijwel ondoordringbaar. Als hier iemand aan wal was gekomen dan had dit sporen nagelaten. Deze werden niet aangetroffen. Gelet op het aangetroffen beeld lijkt het meer dan aannemelijk dat het slachtoffer [slachtoffer] niet op het eiland is geweest of heeft verbleven.
5. Een proces-verbaal Onderwaterzoeking/aantreffen lijk van 24 december 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde verbalisant [verbalisant 4] (F.O. p. 021 e.v.), zakelijk weergegeven.
Datum zoeking: 22 december 2016
Vermist persoon
achternaam: [slachtoffer]
Voornamen: [slachtoffer]
Datum/tijd vermissing 1 december omstreeks 16:00
PD-gegevens
GPS: Nee
Naam vaarwater: [meer] (Water) ( [plaats] ), binnen de gemeente [plaats] (eilandje voor strand [plaats] -haven)
Beroepsvaart: Nee
Getijdewater: Nee
Stroomsnelheid: n .v.t. km/u
Waterdiepte: 0,5 tot 2 meter
Bodemsoort: zand
Watertemperatuur: 6 gr C
Weersgesteldheid: mistig/bedekt
Omschrijving PD:
6. Een schriftelijk bescheid, zijnde een rapport van het Nederlands Forensisch instituut “Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood”, van 28 juni 2017 (F.O. p. 185 e.v.), zakelijk weergegeven.
Gelet op de buitentemperaturen van de afgelopen tijd kunnen de postmortale veranderingen passen bij een maximale postmortale periode van ca. 20 dagen (waarna het slachtoffer niet meer in leven was gezien) lang verblijf in het water.
Er werden slechts beperkte letsels (onderhuidse bloeduitstortingen in de linker wenkbrauw, de benen en de rugzijde van de romp) aangetroffen. De letsels waren kort voor het overlijden opgetreden ten gevolge van inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend geweld zoals bijvoorbeeld (zich) stoten, vallen of geslagen worden. Zij hebben geen bijdrage geleverd aan het overlijden. Het vocht in de borstholten is mogelijk postmortaal ontstaan. Het kan echter niet worden uitgesloten dat (een deel van) deze vochtophoping en de vochtophoping in de maag in het kader van verdrinking zijn opgetreden. Ook het microscopisch beeld van acuut emfyseem kan optreden in het kader van verdrinking door ‘happen naar lucht’. Er werd geen toxicologische bijdrage aan de toedracht en/of het overlijden gevonden. Er waren, voor zover beoordeelbaar in verband met de postmortale veranderingen, geen aanwijzingen voor ziekelijke orgaanafwijkingen die het intreden van de dood zouden kunnen verklaren of hiervoor van betekenis geweest zouden kunnen zijn. De conclusie is dat bij de sectie geen anatomische of toxicologische oorzaak werd gevonden (het hof begrijpt: voor het overlijden van het slachtoffer). Gelet op de situatie bij vinding dient verdrinking als mogelijke doodsoorzaak te worden overwogen.
7. Een proces-verbaal van bevindingen van 13 februari 2017, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde verbalisant [verbalisant 5] (ZD1, p. 408 e.v.), zakelijk weergegeven.
Door de politie Eenheid Amsterdam is een Apple iPhone 4 A1332 in beslag genomen onder [verdachte]
, geboren [geboortedatum] 1967 te [plaats] . Door verbalisant [verbalisant 6] is deze telefoon onderzocht en uitgelezen. Hieruit blijkt onder andere dat:
• Telefoonnummer in telefoon: [telefoonnummer 3] .
Donderdag 1 december 2016:
Ik zie dat de gebruiker van de telefoon, via WhatsApp, waar hij staat ingevoerd als ‘ [verdachte] ’, berichten uitwisselt.
Op 8-12-2016 voeren ' [slachtoffer] ' en ' [verdachte] * een Telegram gesprek.
Datum Tijd (let op UTC) Gebruikers ID Naam lnhoud
8-12-2016 12:01:17 (UTC [telefoonnummer 4] ( [verdachte] ); [betrokkene 5] is faja van dat filmpje
8-12-2016 12:01:31 (UTC [telefoonnummer 5] ( [slachtoffer] ): Welk filmpje
8-12-2016 12:01:37 (UTC [telefoonnummer 4] ( [verdachte] ): Gelukkig stond ik er niet op
8-12-2016 12:01:44 (UTC [telefoonnummer 4] ( [verdachte] ): Van [betrokkene 7]
8-12-2016 12:02:10 (UTC [telefoonnummer 5] ( [slachtoffer] ): Jullie waren er ook
8-12-2016 12:02:28 (UTC [telefoonnummer 4] ( [verdachte] ): Ja man wij hebben hem meegenomen
8-12-2016 12:02:40 (U‘l'C [telefoonnummer 4] ( [verdachte] ): Hij. Moest mij ook lappen
8-12-2016 12:03:01 (UTC [telefoonnummer 5] ( [slachtoffer] ): [betrokkene 5] heeft gefilmd
8-12-2016 12:03:40 (UTC [telefoonnummer 5] ( [slachtoffer] ): Heeft hij betaald
8-12-2016 12:03:48 (UTC [telefoonnummer 4] ( [verdachte] ): Nee man
[afbeelding]
8-12-2016 12:0446 (UTC [telefoonnummer 4] ( [verdachte] ): Op hem
8-12-2016 12:04:53 (UTC [telefoonnummer 5] ( [slachtoffer] ):
[afbeeldingen]
8-12-2016 12:05:21 (UTC [telefoonnummer 4] ( [verdachte] ): Filmpje fuck up
8-12-2016 12:05:24 (UTC [telefoonnummer 5] ( [slachtoffer] ): Hij moest jullie allemaal betalen
8-12-2016 12:05:56 (UTC [telefoonnummer 4] ( [verdachte] ): Die chick
8-12-2016 12:06:14 (UTC [telefoonnummer 4] ( [verdachte] ): Heeft alleen 2 kop gehad
8. Het proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 6] van 7 december 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde verbalisant [verbalisant 7] (ZD1, p. 80 e.v.), zakelijk weergegeven.
Op 1 december 2016 heb ik [slachtoffer] in de ochtend gesproken. Hij zou naar [betrokkene 8] gaan. [betrokkene 8] (het hof begrijpt hierna steeds: medeverdachte [betrokkene 8] ) heeft een garage op de [a-straat 1] in [plaats] . Rond 13:30 uur die middag werd ik gebeld door [slachtoffer] . Toen hoorde ik hem zeggen: “Os, ze houden me vast”. Ik vroeg: “Hoezo houden ze je vast?” [slachtoffer] zei toen: “Ik zit in de problemen, ik heb wat gedaan en nu houden ze me vast en laten me niet gaan voordat ik betaal”. Ik vroeg: “Wie houdt je vast?” “ [betrokkene 7] ’. Ik kreeg [betrokkene 7] (het hof begrijpt: medeverdachte [betrokkene 7] ) aan de lijn. Ik hoorde [betrokkene 7] zeggen dat [slachtoffer] hem geld moest betalen; hij noemde € 4.500,-. Ik hoorde [betrokkene 7] zeggen: “Ik hou hem hier vast zolang hij niet betaalt”. Ik zei toen tegen [betrokkene 7] : “Ik kan je € 2.000,- geven”. [betrokkene 7] is toen naar [plaats] gekomen, maar zonder [slachtoffer] . Toen [betrokkene 7] bij me was, hoorde ik hem zeggen dat hij moet betalen. Hij zei dat hij hem daar had gelaten. Ik heb toen € 2.000,- gegeven. Rond 16:15/16:30 uur was ik daar, in [plaats] . Daar aangekomen zag ik [betrokkene 8] . Ik vroeg waar is [slachtoffer] ? Ik hoorde [betrokkene 8] zeggen dat hij is meegenomen. Ik heb [slachtoffer] toen gebeld. Ik hoorde hem zeggen dat hij op de snelweg reed. Hij wist niet waar ze heen gingen. Dat wilde ook niemand in de auto tegen hem zeggen.
9. Het proces-verbaal uitwerking 2e verhoor verdachte [verdachte] van 29 december 2016 (PD-V03, p. 28 e.v.), in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 9] , zakelijk weergegeven.
Ik heb [slachtoffer] gezien bij die garage (het hof begrijpt: [A] in [plaats] ). In de garage heb ik hem een klap gegeven. Ik was boos op hem. Ik moest 7.000 euro van hem hebben.
10. Het proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 6] van 9 december 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde verbalisanten [verbalisant 10] en [verbalisant 11] (ZD1, p. 86), zakelijk weergegeven.
Toen ik in de garage in [plaats] aankwam sprak ik met [betrokkene 9] , de eigenaar van de garage. Ik groette hem en ik sprak met [betrokkene 7] . Ik vroeg waar [slachtoffer] was. [betrokkene 7] zei dat ze hem hadden meegenomen. [betrokkene 7] zei dat ene [verdachte] (het hof begrijpt hierna steeds: de verdachte) hem had meegenomen. [betrokkene 7] zei dat het om een andere schuld zou gaan van tussen € 8.000,- € 10.000.-. Ik liep toen weg en belde [slachtoffer] op. [slachtoffer] nam op. Ik vroeg waar hij was. [slachtoffer] zei dat hij in een auto zat. Ik vroeg waar hij was. Hij zei op de snelweg. Ik vroeg of ik hem kon ontmoeten. [slachtoffer] kon niet teveel zeggen. De telefoon werd later ook van [slachtoffer] afgepakt.
11. Het proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 6] d.d. 29 december 2016 in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde verbalisant [verbalisant 10] (ZD1, p. 107 e.v.), zakelijk weergegeven.
Toen ik, nadat ik [slachtoffer] om 15:30 uur aan de telefoon had gehad, bij de garage in [plaats] was zag ik [betrokkene 7] en vroeg aan hem waar [slachtoffer] was. [betrokkene 7] zei dat ze [slachtoffer] meegenomen hadden. Ik zei toen: “Wie heeft hem meegenomen, jij had hem toch”. [betrokkene 7] zei toen dat ene [verdachte] hem had meegenomen en dat ze met zijn drieën waren. Ik heb vervolgens weer het telefoonnummer van [slachtoffer] gebeld. [slachtoffer] nam op en ik vroeg waar hij was en waar hij naar toe ging. Ik hoorde dat hij in een auto zat. [slachtoffer] zei dat hij dat niet wist.
12. Het proces-verbaal van bevindingen in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde verbalisant [verbalisant 12] van 2 januari 2017, betreffende de audiovisuele opname van het verhoor van medeverdachte [betrokkene 7] van 13 december 2016,met als bijlage een schriftelijke bescheid “Transcriptie verhoor verdachte [betrokkene 7] 13 december 2016” (PD V02, p. 49 e.v.) zakelijk weergegeven.
Opeens zag ik een jongen die ik ken, [verdachte] , en twee jongens binnen komen in de garage (het hof
begrijpt: [A] in [plaats] ). Die twee jongens en die [verdachte] gingen met die jongen
praten. Ze zijn aan het discussiëren dat hij moet betalen.
13. Het proces-verbaal van bevindingen in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde verbalisant [verbalisant 12] van 10 januari 2017, betreffende de audiovisuele opname van het verhoor van medeverdachte [betrokkene 7] van 14 december 2016, met als bijlage een schriftelijk bescheid “Transcriptie verhoor verdachte [betrokkene 7] 14 december 2016” (PD V02, p. 154-155), zakelijk weergegeven.
Toen [verdachte] en die jongens in [plaats] verschenen, was er een beetje boosheid. Ze wilden hun geld. U vraagt mij hoe dat ging. Op die jongen in praten: “Waar is mijn geld!” en beetje schreeuwen. [verdachte] zei: “Ik wil mijn geld”. Dat heb ik gehoord. Ze stonden eigenlijk naast hem, voor hem, met hem te praten.
14. Het proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene 7] rechtmatigheid inverzekeringstelling en vordering tot inbewaringstelling door de rechter-commissaris 19 december 2016 (los stuk), zakelijk weergegeven.
Op een gegeven moment zag ik opeens [verdachte] , die ik ken, met twee jongens binnenkomen, ik hoorde toen dat het over geld ging. Later zag ik [verdachte] en [slachtoffer] met de twee jongens vertrekken.
15. Het proces-verbaal van bevindingen van 2 januari 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde verbalisant [verbalisant 12] , betreffende de audiovisuele opname van het verhoor van medeverdachte [betrokkene 1] van 13 december 2016, met als bijlage een schriftelijk bescheid “Transcriptie verhoor verdachte [betrokkene 1] 13 december 2016” (PD V04, p. 34-62), zakelijk weergegeven.
[slachtoffer] heeft € 4.000,00 van mij gestolen, hij heeft mij opgelicht. Op 1 december (het hof begrijpt: 2016) heb ik hem voor het laatst gezien. Mijn vriendin belde dat zij van haar vriend [betrokkene 5] (het hof begrijpt: de medeverdachte [betrokkene 5] ) had gehoord dat [slachtoffer] in de garage in [plaats] was. [betrokkene 5] (het hof begrijpt: de medeverdachte [betrokkene 7] ) en [betrokkene 5] zijn mij komen halen. We reden eerst naar [plaats] en daar kreeg ik van de neef van [slachtoffer] (het hof begrijpt: de getuige [betrokkene 6] ) € 2.000,00. Daarna gingen we naar de garage. Daar was [slachtoffer] . Ik heb zeg maar zijn jas gekregen. Die heb ik in de auto gedaan. De jas hangt in mijn slaapkamer. En toen kwamen de drie jongens aan. Toen werd het een beetje hectisch. Eén jongen gaf hem (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) nog een klap. Dat was [verdachte] .
16. Het proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 4] van 22 maart 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde verbalisanten [verbalisant 13] en [verbalisant 12] (ZD1, p. 128 e.v.), zakelijk weergegeven.
U houdt mij voor dat mijn telefoon tussen 17:35 uur en 18:01 uur meerdere malen contact heeft gemaakt met de telefoon van [slachtoffer] . [slachtoffer] vertelde mij dat hij naar de kiosk zou komen. Ik dacht dat hij op dat moment met [betrokkene 5] (het hof begrijpt: de medeverdachte [betrokkene 7] ) naar [plaats] zou komen, maar er kwamen later dus twee andere gasten die ik verder niet ken. Ze vertelden mij dat ze geld kwamen halen. Ik vertelde dat ik met [betrokkene 5] had afgesproken. Ze vroegen mij of ik hen geld ging geven, ik zei van: “Nee”. En toen zijn ze weggegaan. Ik heb [slachtoffer] daar niet bij gezien. Misschien zat hij daar ergens in de auto en werd hij vastgehouden.
V: Toen jij omstreeks 18:00 uur bij het station in de Muziekwijk aankwam had jij [slachtoffer] aan de telefoon en die zei dat je naar de kiosk moest lopen. Wie belde wie toen?
A: [slachtoffer] vertelde mij dat hij naar de kiosk moest komen. Ik keek nog naar de auto’s, maar het was heel druk. Ik weet niet in welke auto hij zat. Maar ik had [slachtoffer] aan de lijn en hij vertelde me dat ik ze geld moest geven.
17. Het proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 10] , geboren 6 mei 2000, van 1 februari 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 13] (ZD1, p. 151 e.v.), zakelijk weergegeven.
Toen ik op 1 december 2016 op mijn stageplek bij de garage [A] in [plaats] aankwam was [betrokkene 8] , mijn baas, er. Toen [slachtoffer] binnen was, zag ik dat hij een gesprek had met [betrokkene 8] . Ik zag dat [slachtoffer] bang was. Ik was aan het schoonmaken en ik hoorde van links een beetje geschreeuw. Ik zag wat er met [slachtoffer] gebeurde. Ik zag dat hij werd geduwd. [betrokkene 8] was heel boos op hem en die [slachtoffer] was een beetje bang. Hij had geweten dat hij mensen had opgelicht. Toen werd [slachtoffer] naar binnen gezet. In dat hokje, de kantine beneden. [betrokkene 8] had hem naar binnen gestuurd en hij mocht niet weg. Hij probeerde ook weg te lopen en hij had ook pijn aan zijn arm, want hij viel op zijn arm en toen werd hij geduwd. Hij wilde opstaan en toen werd er geschreeuwd. Hij viel op de grond. Hij werd door [betrokkene 11] geholpen om op te staan en toen werd hij de kantine in gestuurd door [betrokkene 8] . Hij werd aan zijn vest/jas vastgehouden en toen werd hij naar binnen gesleurd.
U houdt mij voor dat [slachtoffer] uit de kantine kon lopen. Daar werd op gecontroleerd door [betrokkene 8] . Toen [slachtoffer] opeens opstond hoorde ik [betrokkene 8] naar hem schreeuwen. Hij moest blijven zitten. [betrokkene 8] schreeuwde dat. Dat heb ik gehoord. Ik was met [betrokkene 11] bij een auto aan het kijken en toen zag ik dat er een auto naar binnen reed. Het was een grijze Chrysler. Hij kwam achteruit binnen rijden. [slachtoffer] moest in de auto stappen. Het was niet echt dat hij werd gestuurd maar hij moest wel in de auto zitten. [betrokkene 8] stond achter hem en die zette hem gewoon een beetje in de auto neer, hij moest in de auto stappen. Hij stapte rechtsachter in met een schuifdeur. [slachtoffer] was in shock. Er zaten twee mensen voorin. Toen de auto aan kwam rijden werd de deur open gedaan zodat hij naar binnen kon rijden. De deur is daarna meteen weer dicht gedaan met een knop aan de zijkant. De deur werd weer open gedaan en de auto is weg gereden met [slachtoffer] en de twee personen voorin.
18. Het proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 10] door de rechter-commissaris d.d. 5 februari 2018 (ongenummerd), zakelijk weergegeven.
Het klopt dat [slachtoffer] de kantine in werd geduwd door [betrokkene 8] . [betrokkene 8] heeft aan de rechterkant zo’n bak met bouten en moeren, daar werd [slachtoffer] tegenaan geduwd. Hij had daar pijn van en liep kreupel de kantine in. Ik zag angst in zijn ogen.
Mr. Kleczewski houdt mij voor dat ik heb verklaard dat ik gezien heb dat [slachtoffer] in de kantine zat en naar buiten wilde. Ja, er werd geroepen: blijf zitten. Mr. Kleczewski vraagt wie dat zei. Dat was [betrokkene 8] . Ik heb gezien dat [slachtoffer] een beetje agressief in de Chrysler werd geduwd. Mr. De Vries vraagt wat ik daarmee bedoel. Dat hij geduwd werd, een beetje hardhandig.
19. Het proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 12] van 23 juni 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde verbalisanten [verbalisant 14] [verbalisant 15] (ZD1, p. 285 e.v.), zakelijk weergegeven.
Het kan kloppen dat [betrokkene 3] (het hof begrijpt: de medeverdachte [betrokkene 3] ) gebruik heeft gemaakt van het nummer [telefoonnummer 6] . Als ik werd gebeld door een van de nummers van [betrokkene 3] kreeg ik altijd [betrokkene 3] aan de lijn. U houdt mij voor dat op 1 december 2016 er meerdere keren met mijn nummer naar het nummer [telefoonnummer 6] is gebeld. Dan zal ik hem hebben gesproken die dag. Het nummer [telefoonnummer 7] gebruik ik vanaf eind november 2016.
20. Het proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 12] door de rechter-commissaris d.d. 6 februari 2018 (ongenummerd), zakelijk weergegeven.
Mr. Mühren vraagt of ik mij de dag van 1 december 2016 nog goed kan herinneren. Mijn opa is dan jarig. Ik zou naar mijn opa’s feestje gaan. [betrokkene 3] zou mij brengen, maar hij kwam te laat en toen ben ik niet meer gegaan Over dat nummer eindigend op [telefoonnummer 6] : als ik dat nummer toen aan de politie heb gegeven dan zal dat kloppen. Mr. Mühren vraagt of ik mij telefonische contacten van 1 december 2016 kan herinneren tussen mijn nummer en het nummer eindigend op 197. Ik weet wel dat ik [betrokkene 3] toen heb gesproken. Ik was boos, omdat het niet meer doorging dat ik naar mijn opa zou gaan. Desgevraagd zeg ik dat het klopt dat ik wel zeker weet dat ik die dag telefonisch contact heb gehad met [betrokkene 3] in verband met het feestje bij mijn opa. Bovendien had ik altijd dagelijks contact, want hij was mijn vriend.
Op vragen van de officier van justitie:
Het klopt dat ik op 1 december 2016 nog een relatie had met [betrokkene 3] . De officier van justitie vraagt of ik samen met [betrokkene 3] naar het feestje van mijn opa zou gaan. [betrokkene 3] zou mij in ieder geval brengen. De officier van justitie vraagt hoe laat het feest was. We zouden er ergens na schooltijd naar toe gaan en het feest heeft de hele avond geduurd. Wij zouden gaan vanaf dat de kinderen uit school zouden komen. Destijds waren ze altijd om 15:15 uur uit.
21. Het proces-verbaal van bevindingen onderzoek historische telecommunicatie van 20 juni 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde verbalisant [verbalisant 16] (ZD1, p. 526-620), zakelijk weergegeven.
De navolgende in dit proces-verbaal besproken mobiele nummers werden afgegeven door de netwerkprovider KPN dan wel door telecommunicatieaanbieders die voor de afwikkeling van hun verbindingen gebruik maken van het radionetwerk van KPN, zijnde Lyca Mobile en Lebara Mobile.
Telefoonnummer Provider Verdachte/getuige
[telefoonnummer 2] KPN/Lyca Mobile [slachtoffer]
[telefoonnummer 8] KPN/Lyca Mobile [verdachte]
[telefoonnummer 3] KPN/Lebara Mobile [verdachte]
[telefoonnummer 6] KPN/Lyca Mobile [betrokkene 3]
[telefoonnummer 9] KPN/Lyca Mobile [betrokkene 7]
[telefoonnummer 10] KPN/Lyca Mobile [betrokkene 7]
[telefoonnummer 11] KPN/Lebara Mobile [betrokkene 5]
[telefoonnummer 12] KPN/Lyca Mobile [betrokkene 4]
[telefoonnummer 13] Vodafone [betrokkene 7]
[slachtoffer] :
Er werd een onderzoek ingesteld naar de telecommunicatie-middelen in gebruik (geweest) bij [slachtoffer] . Hieruit bleek hij te kunnen beschikken over het mobiele prepaid nummer [telefoonnummer 2] .
[verdachte] :
Er werd een onderzoek ingesteld naar de telecommunicatie-middelen in gebruik (geweest) bij [verdachte] . Hieruit bleek hij te kunnen beschikken over de twee mobiele prepaid nummers [telefoonnummer 8] en [telefoonnummer 3] .
Uit de door de provider KPN aangeleverde verkeersgegevens bleek dat [verdachte] op 1 december 2016 gebruik had gemaakt van beide mobiele nummers. De mobiele nummers [telefoonnummer 8] en [telefoonnummer 3] werden op dat moment respectievelijk gebruikt in een mobiele telefoon van het merk Nokia, type 105 DS (productnaam RM-I 133) voorzien van het imei nummer [001] en een mobiele telefoon van het merk Apple, type iPhone 4 (productnaam A-1332) voorzien van het imei-nummer [002] . Op 12 december 2016 werd [verdachte] neergeschoten. Op de plaats delict werden beide bovengenoemde mobiele telefoons aangetroffen en inbeslaggenomen.
[betrokkene 3] :
Er werd een onderzoek ingesteld naar de telecommunicatie-middelen in gebruik (geweest) bij [betrokkene 3] . Hieruit bleek hij te kunnen beschikken over het mobiele Lyca Mobile prepaid nummer [telefoonnummer 6] .
[betrokkene 7] :
Er werd een onderzoek ingesteld naar de telecommunicatie-middelen in gebruik (geweest) bij [betrokkene 7] . Hieruit bleek hij te kunnen beschikken over en gebruik te maken van de twee mobiele Lyca Mobile prepaid nummers ( [telefoonnummer 14] en [telefoonnummer 10] ) alsmede één prepaid Vodafone mobiel nummer ( [telefoonnummer 13] ). Op 1 december werden deze mobiele nummers respectievelijk gebruikt in:
[telefoonnummer 14] - Nokia 105, (Productnaam RM-I 134) imei-nummer [003] .
[telefoonnummer 10] - Nokia 105, (Productnaam RM-908) imei-nummer [004] .
[telefoonnummer 13] - Apple iPhone 6 (Productnaam Al 586) imei-nummer [005] .
Op 13 december 2016 werd [betrokkene 7] aangehouden in [c-straat 1] te [plaats] . Tijdens de daaropvolgende doorzoeking in de woning en in dé bij hem in gebruik zijnde personenauto werden alle drie de bovengenoemde mobiele telefoons aangetroffen en inbeslaggenomen.
[betrokkene 5] :
Er werd een onderzoek ingesteld naar de telecommunicatie-middelen in gebruik (geweest) bij [betrokkene 5] . Hieruit bleek hij te kunnen beschikken over en gebruik te maken van het Lebara prepaid nummer [telefoonnummer 11] . Op 1 december werd dit mobiele nummer gebruikt in combinatie met een Apple, iPhone 6 (Productnaam AI 586) voorzien van het imei-nummer [006] .
Op 19 december 2016 werd [betrokkene 5] aangehouden nabij [d-straat 1] te [plaats] .
Bovengenoemde mobiele telefoon werd onder hem aangetroffen en inbeslaggenomen.
[betrokkene 4] :
Er werd een onderzoek ingesteld naar de telecommunicatie-middelen in gebruik (geweest) bij [betrokkene 4] . Hieruit bleek hij te kunnen beschikken over en gebruik te maken van het mobiele Lyca Mobile prepaid nummer [telefoonnummer 15] .
1. Op 1 december 2016, vanaf 11:41:24 uur is er een verplaatsing zichtbaar van de mobiele nummers [telefoonnummer 2] ( [slachtoffer] ) en [telefoonnummer 16] ( [betrokkene 13] ) vanuit Amsterdam Zuidoost naar [plaats] .
Uit het ingestelde onderzoek is gebleken dat [betrokkene 13] deze dag de beschikking had over en gebruik
maakte van een donkerblauwe BMW, cabriolet 3 serie, voorzien van het kenteken [kenteken 1] . Op
beschikbaar beeldmateriaal vanuit het horecapand. “ [B] ”, gevestigd in perceel [a-straat 2] te [plaats] , is zichtbaar dat omstreeks 12:20:1 1 uur een donkere BMW, cabriolet 3 serie, door het beeld rijdt in de richting van het even verderop gelegen garagebedrijf “ [A] ”.
Omstreeks 12:21:19 uur werd dit kenteken voor de eerste keer door een verkeerscamera van de firma [C] BV geregistreerd. Deze verkeerscamera is geplaatst op de locatie Provincialeweg N246 te [plaats] kort na de kruising met de Kerkstraat. Deze opstelling registreert het verkeer dat in Noordelijk richting de N246 volgt richting de kruising met de [f-straat ] te [plaats] .
2. Omstreeks 12:36:19 uur werd voor het mobiele nummer [telefoonnummer 11] ( [betrokkene 5] ), een inkomende
verbinding geregistreerd afkomstig van het mobiele nummer [telefoonnummer 17] . Deze oproep werd doorgeschakeld naar de voicemail ( [telefoonnummer 18] ). Het mobiele nummer [telefoonnummer 17] betreft zoals reeds beschreven een abonnement op naam van [betrokkene 8] . [a-straat 1] , [plaats] . Voornoemde [betrokkene 8] is eigenaar van het garagebedrijf [A] BV”. Omstreeks 12:43:39 uur werd met het mobiele nummer [telefoonnummer 11] ( [betrokkene 5] ) gebeld naar het mobiele nummer [telefoonnummer 17] ( [betrokkene 8] ). Deze verbinding had een duur van 43 seconden.
Omstreeks 12:48:15 uur werd er voor [telefoonnummer 11] ( [betrokkene 5] ) weer een uitgaande verbinding geregistreerd naar het mobiele nummer [telefoonnummer 13] ( [betrokkene 7] ). Deze verbinding werd voor het mobiele nummer [telefoonnummer 11] ( [betrokkene 5] ) afgewikkeld door de KPN BTS-site op de locatie [e-straat 1] , [plaats] .
Tijdens voorgaand gesprek werd omstreeks 12:48:18 uur door het mobiele nummer [telefoonnummer 19] in gebruik bij de vriendin van [betrokkene 5] ingebeld er vond een doorschakeling naar de. voicemail plaats. Vrijwel direct na beëindiging van de verbinding met het mobiele nummer [telefoonnummer 13] ( [betrokkene 7] ) is zichtbaar dat de vriendin van [betrokkene 5] belt (het hof begrijpt: dat er met mobiele nummer [telefoonnummer 19] in gebruik bij de vriendin van [betrokkene 5] wordt gebeld). Ten tijde van dit gesprek omstreeks 12:59:10 uur, bevindt hij ( [betrokkene 5] ) (het hof begrijpt: de telefoon met het mobiele nummer [telefoonnummer 11] ) zich binnen het bereik van de KPN BTS-site, geplaatst op de locatie [f-straat 1] , [plaats] .
Uit het ingestelde onderzoek is gebleken dat [betrokkene 5] deze dag de beschikking had over en gebruik
Maakte van een Audi Q7, voorzien van het kenteken [kenteken 2] . Omstreeks 12:55:35 uur werd dit kenteken voor de eerste keer door een verkeerscamera van de [C] BV geregistreerd. Deze verkeerscamera is geplaatst op de locatie Provincialeweg N246 vlak na de afrit met de rijksweg A8 en registreert het verkeer dat in Noordelijk richting de N246 volgt in de richting [plaats] .
Op beschikbaar beeldmateriaal vanuit het horecapand. “ [B] ”, gevestigd in perceel [a-straat 2] te [plaats] , is zichtbaar dat omstreeks 12:56:26 uur een Audi Q7, door het beeld rijdt in de richting van het even verderop gelegen garagebedrijf “ [A] ”.
Omstreeks 12:57:16 uur werd dit kenteken voor de tweede keer door een verkeerscamera van de firma [C] BV geregistreerd. Deze verkeerscamera is geplaatst op de locatie Provincialeweg N246 te [plaats] kort na de kruising met de Kerkstraat. Deze opstelling registreert het verkeer dat in Noordelijk richting de N246 volgt richting de kruising met de [f-straat ] te [plaats] .
Omstreeks 13:02:19 uur werd voor [telefoonnummer 11] ( [betrokkene 5] ) een inkomende verbinding geregistreerd. Deze verbinding werd afgewikkeld door de KPN BTS-site, geplaatst op de locatie [f-straat 1] , [plaats] . De Cell-Id geeft onder andere dekking aan het perceel [a-straat 1] te [plaats] , waarin is gevestigd het garagebedrijf “ [A] BV”.
3. Omstreeks 12:47:41 uur werd er een inkomende verbinding geregistreerd voor het mobiele nummer [telefoonnummer 20] ( [betrokkene 1] ) afkomstig van het mobiele nummer [telefoonnummer 19] in gebruik is bij de vriendin van [betrokkene 5] , genaamd [betrokkene 14] .
Omstreeks 12:50:33 uur werd voor het mobiele nummer [telefoonnummer 14] ( [betrokkene 7] ) een uitgaande verbinding geregistreerd. Deze verbinding werd voor het mobiele nummer [telefoonnummer 14] ( [betrokkene 7] )
afgewikkeld door de KPN BTS-site geplaatst op de locatie [g-straat 1] , [plaats] .
Omstreeks 13:01:01 uur werd een verbinding voor het mobiele nummer [telefoonnummer 10] ( [betrokkene 7] ) afgewikkeld door de KPN BTS-site, geplaatst op de locatie [f-straat 1] , [plaats] . Enige minuten later en wel omstreeks 13:05:15 uur zal ook voor het mobiele nummer [telefoonnummer 14] ( [betrokkene 7] ) een verbinding worden afgewikkeld via dezelfde BTS-site en Cell-Id.
Op beschikbaar beeldmateriaal vanuit het horecapand, “ [B] ”, gevestigd in perceel [a-straat 2] te [plaats] , is zichtbaar dat omstreeks 12:56:08 uur een grijze Volkswagen Golf door het beeld rijdt in de richting van het even verderop gelegen garagebedrijf “ [A] ”.
4. Omstreeks 13:07:50 uur werd een uitgaande verbinding geregistreerd voor het mobiele nummer
[telefoonnummer 2] ( [slachtoffer] ) naar het mobiele nummer [telefoonnummer 12] ( [betrokkene 4] ), met een verbindingsduur van 792 seconden.
Omstreeks 13:26:38 uur werd een uitgaande verbinding geregistreerd voor het mobiele nummer [telefoonnummer 2] ( [slachtoffer] ) naar het mobiele nummer [telefoonnummer 21] ( [betrokkene 6] ), met een verbindingsduur van 352 seconden. Deze verbinding werd beëindigd omstreeks 13:32:30 uur.
Omstreeks 13:33:04 uur werd een uitgaande verbinding geregistreerd voor het mobiele nummer
[telefoonnummer 14] ( [betrokkene 7] ) naar het mobiele nummer [telefoonnummer 21] ( [betrokkene 6] ) met een verbindingsduur van 14 seconden.
Omstreeks 13:48:10 werd een uitgaande verbinding geregistreerd voor het mobiele nummer [telefoonnummer 14] ( [betrokkene 7] ) naar het mobiele nummer [telefoonnummer 21] ( [betrokkene 6] ) nu met een verbindingsduur van 203 seconden.
Omstreeks 1.3:48:28 uur werd een uitgaande verbinding voor het mobiele nummer [telefoonnummer 11] ( [betrokkene 5] ) geregistreerd naar het mobiele nummer [telefoonnummer 3] ( [verdachte] ), met een verbindingsduur van 63 seconden.
5. Op beschikbaar beeldmateriaal vanuit het horecapand, “ [B] ” gevestigd in perceel [a-straat 2] te [plaats] , is zichtbaar dat omstreeks 13:55:45 uur een grijze Volkswagen Golf door het beeld rijdt komende uit de richting van het even verderop gelegen garagebedrijf “ [A] ” en gaande in zuidelijke richting naar de Provincialeweg N203.
Omstreeks 14:22:08 uur werd voor het mobiele nummer [telefoonnummer 18] ( [betrokkene 5] ) een inkomend Sms-bericht geregistreerd verzonden door het mobiele nummer [telefoonnummer 8] ( [verdachte] ). Omstreeks 14:25:28 uur, werd er voor het mobiele nummer [telefoonnummer 11] ( [betrokkene 5] ) een inkomende verbinding geregistreerd vanaf het mobiele nummer [telefoonnummer 8] ( [verdachte] ) met een verbindingsduur van 18 seconden.
Omstreeks 14:34:22 uur en 14:36:52 uur werden er twee inkomende verbindingen geregistreerd voor het mobiele nummer [telefoonnummer 2] ( [slachtoffer] ) vanaf het mobiele nummer [telefoonnummer 21] ( [betrokkene 6] ). Beide inkomende verbindingen werden doorgeschakeld naar de voicemail ( [telefoonnummer 22] ).
Omstreeks 14:46:04 uur, werd er voor het mobiele nummer [telefoonnummer 11] ( [betrokkene 5] ) een inkomende
verbinding geregistreerd vanaf het mobiele nummer [telefoonnummer 8] ( [verdachte] ) met een verbindingsduur van 2 seconden.
Omstreeks 14:47:28 uur, werd er voor het mobiele nummer [telefoonnummer 11] ( [betrokkene 5] ) een inkomende
verbinding geregistreerd, vanaf het mobiele nummer [telefoonnummer 8] ( [verdachte] ) met een verbindingsduur van 13 seconden
Omstreeks 15:00:54 uur, werd er voor het mobiele nummer [telefoonnummer 11] ( [betrokkene 5] ) een inkomende
verbinding geregistreerd vanaf het mobiele nummer [telefoonnummer 8] ( [verdachte] ) met een verbindingsduur van 9 seconden. Deze inkomende verbinding werd doorgeschakeld naar de voicemail ( [telefoonnummer 18] ).
Omstreeks 15:02:24 uur, werd ervoor het mobiele nummer [telefoonnummer 18] ( [betrokkene 5] ), een inkomende
verbinding geregistreerd, de laatste verbinding in dit tijdsblok, vanaf het mobiele nummer [telefoonnummer 8] ( [verdachte] ) met een verbindingsduur van 12 seconden. Ten tijde van deze verbindingen verplaatste het mobiele nummer [telefoonnummer 11] ( [betrokkene 5] ) zich vanuit Amsterdam Zuidoost naar [plaats] .
Omstreeks 15:13:14 uur werd een uitgaande verbinding geregistreerd voor het mobiele nummer
[telefoonnummer 2] ( [slachtoffer] ) naar het mobiele nummer [telefoonnummer 12] [betrokkene 4] ) met een verbindingsduur van 33 seconden. Ten tijde van deze verbinding bevond het mobiele nummer [telefoonnummer 2] ( [slachtoffer] ) zich binnen bereik van de KPN BTS-site geplaatst op de locatie [h-straat 1] , [plaats] .
Omstreeks 15:32:55 uur werd nogmaals een uitgaande verbinding geregistreerd voor het mobiele
nummer [telefoonnummer 2] ( [slachtoffer] ) naar het mobiele nummer [telefoonnummer 23] ( [betrokkene 4] ) met een
verbindingsduur van dit maal 384 seconden. Ten tijde van deze verbinding bevond het mobiele nummer [telefoonnummer 2] ( [slachtoffer] ), zich weer binnen bereik van de KPN BTS-site. geplaatst op de locatie [f-straat 1] , [plaats] .
Alle geregistreerde verbindingen in liet tijdsblok 14:22:08 uur tot 14:39:17 uur voor het mobiele nummer [telefoonnummer 10] ( [betrokkene 7] ) betroffen in en uitgaande verbindingen van en naar het mobiele nummer [telefoonnummer 20] ( [betrokkene 1] ). De laatste onderlinge verbinding vond plaats omstreeks 14:39:17 uur. Deze verbinding werd voor beide mobiele nummers afgewikkeld door de respectievelijk de KPN en T-Mobile BTS-site beiden geplaatst op de locatie [i-straat 1] , [plaats] , die onder andere dekking geven aan [j-straat 1] , [plaats] , zijn de het woonadres van [betrokkene 1] .
Voor het mobiele nummer [telefoonnummer 14] ( [betrokkene 7] ) werden in dit tijdsblok registraties aangetroffen vanaf 14:40:08 uur. Op genoemd tijdstip werd een uitgaande verbinding voor het mobiele nummer
[telefoonnummer 14] ( [betrokkene 7] ) geregistreerd naar het mobiele nummer [telefoonnummer 21] ( [betrokkene 6] ) met een
verbindingsduur van 52 seconden.
Voor het mobiele nummer [telefoonnummer 14] ( [betrokkene 7] ) werd omstreeks 14:55:29 uur weer een uitgaande verbinding geregistreerd naar het mobiele nummer [telefoonnummer 21] ( [betrokkene 6] ), met een verbindingsduur van 71 seconden. Enige minuten later en wel omstreeks 14:57:10 uur werd nogmaals door het mobiele nummer [telefoonnummer 14] ( [betrokkene 7] ) contact gezocht met het mobiele nummer [telefoonnummer 21] ( [betrokkene 6] ), ditmaal met een verbindingsduur van 4 seconden.
Zichtbaar is dat beide verbindingen voor het mobiele nummer [telefoonnummer 14] ( [betrokkene 7] ) werden afgewikkeld door de KPN BTS-site geplaatst op de locatie [k-straat 1] , [plaats] en die voor het mobiele nummer [telefoonnummer 21] ( [betrokkene 6] ) door de KPN BTS-site geplaatst op de locatie [l-straat 1] , [plaats] .
Omstreeks 15:09:30 uur, werd een uitgaande verbinding voor het mobiele nummer [telefoonnummer 14]
( [betrokkene 7] ) geregistreerd naar het mobiele nummer [telefoonnummer 8] ( [verdachte] ) met een verbindingsduur van 15 seconden. De verbinding voor het mobiele nummer [telefoonnummer 14] ( [betrokkene 7] ) werd afgewikkeld door de KPN BTS-site geplaatst op de locatie [l-straat 1] , [plaats] .
Omstreeks 15:22:08 uur en 15:32:43 uur, werden er voor het mobiele nummer [telefoonnummer 14] ( [betrokkene 7] ) een tweetal inkomende verbindingen geregistreerd vanaf het mobiele nummer [telefoonnummer 8] ( [verdachte] ).
De eerste verbinding voor het mobiele nummer [telefoonnummer 14] ( [betrokkene 7] ) werd afgewikkeld door de KPN BTS-site geplaatst op de locatie [m-straat] , [plaats] , de tweede verbinding door de KPN BTS-site, geplaatst op de locatie [f-straat 1] , [plaats] : Deze GSM antenne geeft onder andere dekking aan het perceel [a-straat 1] te [plaats] , waarin is gevestigd het garagebedrijf “ [A] BV”.
Op beschikbaar beeldmateriaal vanuit liet horecapand, ‘ [B] ”, gevestigd in perceel [a-straat 2] te [plaats] , is zichtbaar dat omstreeks 15:27:21 uur een grijze Volkswagen Golf, door het beeld rijdt in de richting van het even verderop gelegen garagebedrijf “ [A] ”.
Uit het ingestelde onderzoek is gebleken dat [betrokkene 7] deze dag de beschikking had over en gebruik
maakte van een grijze Volkswagen Golf, voorzien van het kenteken [kenteken 3] .
Omstreeks 15:27:16 uur werd dit kenteken door een verkeerscamera van de firma [C] BV geregistreerd. Deze verkeerscamera is geplaatst op de locatie Provincialeweg N246 kort na de afrit van de Rijksweg A8. Deze opstelling registreert het verkeer gaande in Noordelijke richting over de N246. Omstreeks 15:28:51 uur werd dit kenteken voor de tweede maal door een verkeerscamera van de firma [C] BV geregistreerd. Deze verkeerscamera is geplaatst op de locatie Provincialeweg N246 te [plaats] kort na de kruising met de Kerkstraat. Deze opstelling registreert het verkeer dat in Noordelijk richting de N246 volgt richting de kruising met de [f-straat ] te [plaats] .
De verbindingen voor de mobiele nummers [telefoonnummer 11] ( [betrokkene 5] ), [telefoonnummer 14] ( [betrokkene 7] ) en [telefoonnummer 2] ( [slachtoffer] ) werden vanaf 15:31:06 uur weer afgewikkeld door de KPN BTS site
geplaatst op de locatie [f-straat 1] , [plaats] .
6. De verbindingen voor het mobiele nummer [telefoonnummer 8] ( [verdachte] ) werden tot 12:18:37 uur door KPN BTS-sites in de gemeente [plaats] afgewikkeld.
De KPN BTS-site [n-straat 1] , [plaats] geeft onder andere dekking aan de woning van [verdachte] , zijnde [o-straat 1] , [plaats] . Voor het mobiele nummer [telefoonnummer 6] ( [betrokkene 3] ) werden de verbindingen tot 11:59:34 afgewikkeld door KPN BTS sites
geplaatst in Amsterdam Zuidoost.
Omstreeks 11:52:11 uur werd er voor het mobiele nummer [telefoonnummer 8] ( [verdachte] ) een uitgaande verbinding geregistreerd naar het mobiele nummer [telefoonnummer 6] ( [betrokkene 3] ), met een verbindingsduur van 176 seconden. [verdachte] bevond zich op dat moment in [plaats] en [betrokkene 3] bevond zich in Amsterdam Zuidoost.
Omstreeks 12:12:19 uur werd er voor het mobiele nummer [telefoonnummer 8] ( [verdachte] ) een uitgaande verbinding geregistreerd naar het mobiele nummer [telefoonnummer 6] ( [betrokkene 3] ), nu met een verbindingsduur van 70 seconden. Zichtbaar is dat het mobiele nummer [telefoonnummer 6] ( [betrokkene 3] ) zich vanuit Amsterdam Zuidoost had verplaatst richting [plaats] . Deze verbinding werd door het mobiele nummer [telefoonnummer 6] ( [betrokkene 3] ), afgewikkeld door de KPN BTS-site geplaatst op de locatie [p-straat] , [plaats] .
Omstreeks 12:18:37 uur werd er voor het mobiele nummer [telefoonnummer 8] ( [verdachte] ) een uitgaande verbinding geregistreerd naar het mobiele nummer [telefoonnummer 6] ( [betrokkene 3] ), nu met een verbindingsduur van 257 seconden. Deze verbinding werd voor beide mobiele nummers afgewikkeld door de KPN BTS-site geplaatst op de locatie [n-straat 1] , [plaats] .
Vanaf 12:38:45 uur is zichtbaar dat de mobiele nummers [telefoonnummer 8] ( [verdachte] ) en [telefoonnummer 6] ( [betrokkene 3] ) zich gelijktijdig verplaatsten vanuit Almere naar Amsterdam Zuidoost en meer specifiek naar de omgeving van de KPN BTS-site geplaatst op de locatie [q-straat 1] , 1102 BA te Amsterdam Zuidoost.
Omstreeks 12:48:10 uur werd het kenteken [kenteken 4] door een verkeerscamera van de firma Vialis geregistreerd. Deze verkeerscamera is geplaatst op de Gooiseweg te Amsterdam en registreert het verkeer gaande in Zuidoostelijke richting (Daalwijkdreef). De camera is geplaatst 150 meter na de afrit S112 van de ringweg A10. Uit het ingestelde onderzoek is gebleken dat [betrokkene 3] de beschikking had over een grijze Chrysler Voyager met dat kenteken.
Tussen 12:59:52 uur en 13:37:49 uur, is zichtbaar dat de mobiele nummers [telefoonnummer 8] ( [verdachte] ) en [telefoonnummer 6] ( [betrokkene 3] ) zich bevinden binnen het bereik van de RPN BTS site geplaatst op de locatie [q-straat 1] , [plaats] . Vanaf laatst genoemde tijdstip is er een (kleine) verplaatsing zichtbaar van deze beide mobiele nummers naar een locatie binnen het bereik van de KPN BTS-site geplaatst op de locatie [r-straat 1] , [plaats] . Beide BTS-sites geven onder andere dekking aan een deel van de Daalwijkdreef. Het mobiele nummer [telefoonnummer 3] ( [verdachte] ) kreeg omstreeks 13:48:28 een inkomende verbinding binnen afkomstig van het mobiele nummer [telefoonnummer 11] ( [betrokkene 5] ).
Omstreeks 14:22:05 uur, werd door het mobiele nummer [telefoonnummer 8] ( [verdachte] ) een sms-bericht verzonden naar het mobiele nummer [telefoonnummer 11] ( [betrokkene 5] ).
Vanaf 14:22:05 uur is zichtbaar dat de mobiele nummers van [telefoonnummer 8] ( [verdachte] en [telefoonnummer 6] ( [betrokkene 3] ) zich verplaatsen vanuit de omgeving [r-straat ] te Diemen naar het aan [plaats] gelegen Assendelft. Vanaf omstreeks 14:46:04 uur tot en met 15:32:43 uur zullen de verbindingen voor beide mobiele nummers worden afgewikkeld door de KPN BTS-site geplaatst op de locatie [s-straat 1] , [plaats] .
Omstreeks 14:57:46 uur werd het kenteken [kenteken 4] door een verkeerscamera van de firma [C] BV geregistreerd. Deze verkeerscamera is geplaatst op de locatie
Provincialeweg N246 te [plaats] kort na de kruising met de Kerkstraat. Deze opstelling registreert het verkeer gaande in Zuidelijke richting over de N246.
Vanuit Assendelft wordt voor het mobiele nummer [telefoonnummer 8] ( [verdachte] viermaal en uitgaande
verbinding geregistreerd naar het mobiele nummer [telefoonnummer 11] ( [betrokkene 5] ). 14:46:04 uur: Deze verbinding werd doorgeschakeld naar de voicemail.
14:47:28 uur: Dit betreft een geslaagde verbinding met een duur van 12 seconden
15:00:55 uur: Deze verbinding werd doorgeschakeld naar de voicemail.
15:02:24 uur: Dit betreft een geslaagde verbinding met een duur van 12 seconden
Ten tijde van deze verbindingen verplaatste het mobiele nummer [telefoonnummer 18] ( [betrokkene 5] ) zich vanuit
Amsterdam Zuidoost naar [plaats] .
Omstreeks 15:09:30 uur, werd een inkomende verbinding voor het in Assendelft zijnde mobiele nummer [telefoonnummer 8] ( [verdachte] ) geregistreerd vanaf het mobiele nummer [telefoonnummer 14] ( [betrokkene 7] ) met een verbindingsduur van 15 seconden. De verbinding voor het mobiele nummer [telefoonnummer 9] ( [betrokkene 7] ) werd afgewikkeld door de KPN BTS-site geplaatst op de locatie [l-straat 1] , [plaats] .
Omstreeks 15:22:08 uur en 15:32:43 uur werden er voor het mobiele nummer [telefoonnummer 8] ( [verdachte] ) vanuit Assendelft, een tweetal uitgaande verbindingen geregistreerd naar het mobiele nummer [telefoonnummer 14] ( [betrokkene 7] ) met een verbindingsduur van respectievelijk 17 en 13 seconden. De tweede verbinding (15:32:43) werd afgewikkeld door de KPN BTS-site, geplaatst op de locatie [f-straat 1] , [plaats] . Deze GSM antenne geeft onder andere dekking aan het perceel [a-straat 1] te [plaats] , waarin is gevestigd het garagebedrijf “ [A] BV”.
De verbindingen voor de mobiele nummers [telefoonnummer 11] ( [betrokkene 5] ), [telefoonnummer 14] ( [betrokkene 7] ) en [telefoonnummer 2] ( [slachtoffer] ) werden vanaf 15:31:06 uur weer afgewikkeld door de KPN BTS-site
geplaatst op de locatie [f-straat 1] , [plaats] .
7. Tussen 15:31:06 uur en 16:38:59 uur werden alle verbindingen voor de navolgende mobiele nummers ( [slachtoffer] , [betrokkene 7] en [betrokkene 5] ) afgewikkeld door de KPN BTS-site. geplaatst op de locatie [f-straat 1] , [plaats] .
Omstreeks 15:39:30 uur werd voor het mobiele nummer [telefoonnummer 8] ( [verdachte] ) een uitgaande
verbinding geregistreerd naar het mobiele nummer [telefoonnummer 11] ( [betrokkene 5] ) met een verbindingsduur van 186 seconden.
Omstreeks 15:50:27 uur werd het kenteken [kenteken 4] door een verkeerscamera van de firma [C] BV geregistreerd. Deze verkeerscamera is geplaatst op de locatie
Provincialeweg N246 te [plaats] kort na de kruising met de Kerkstraat. Deze opstelling registreert het verkeer dat in Noordelijk richting de N246 volgt richting de kruising met de [f-straat ] te [plaats] .
Omstreeks 15:54:22 uur werd voor het mobiele nummer [telefoonnummer 11] ( [betrokkene 5] ) een inkomende verbinding geregistreerd vanaf het mobiele nummer [telefoonnummer 8] ( [verdachte] ) met een verbindingsduur van 12 seconden. Ten tijde van deze verbinding bevond het mobiele nummer [telefoonnummer 8] ( [verdachte] ), zich binnen bereik van de KPN BTS-site, geplaatst op de locatie Ned
[f-straat 1] , [plaats] .
Tussen 15:54:23 uur en 16:38:59 uur is zichtbaar dat de geregistreerde verbindingen van de mobiele nummers [telefoonnummer 8] ( [verdachte] ) en [telefoonnummer 6] ( [betrokkene 3] ) eveneens werden afgewikkeld door de KPN BTS-site, geplaatst op de locatie [f-straat 1] , [plaats] .
Omstreeks 16:34:38 uur werd een uitgaande verbinding voor het mobiele nummer [telefoonnummer 6]
( [betrokkene 3] ) geregistreerd naar het mobiele prepaid nummer [telefoonnummer 7] met een verbindingsduur van 128 seconden.
8. Op beschikbaar beeldmateriaal vanuit het horecapand, “ [B] ”, gevestigd in perceel
[a-straat 2] te [plaats] , is zichtbaar dat omstreeks 16:35:42 uur een grijskleurige Chrysler Voyager, door het beeld rijdt komende vanuit de richting van het even verderop gelegen garagebedrijf “ [A] ”.
Omstreeks 16:38:59 uur werd een uitgaande verbinding geregistreerd voor het mobiele nummer [telefoonnummer 2] ( [slachtoffer] ) naar het mobiele nummer [telefoonnummer 12] ( [betrokkene 4] ) met een verbindingsduur 61 seconden. De verbinding voor het mobiele nummer [telefoonnummer 2] ( [slachtoffer] ) werd afgewikkeld door de KPN BTS-site geplaatst op de locatie [f-straat 1] , [plaats] , die onder andere dekking geeft aan de Provincialeweg N246.
Omstreeks 16:40:13 werd het kenteken [kenteken 4] door een verkeerscamera van de firma [C] BV geregistreerd. Deze verkeerscamera is geplaatst op de locatie Provincialeweg N246 te [plaats] kort na de kruising met de Kerkstraat. Deze opstelling registreert het verkeer gaande in Zuidelijke richting over de N246.
Omstreeks 16:42:23 werd het kenteken [kenteken 4] voor de tweede keer door een verkeerscamera van de firma [C] BV geregistreerd. Deze verkeerscamera is geplaatst op de locatie Provincialeweg N246 kort voor de oprit naar de Rijksweg A8. Deze opstelling registreert het verkeer gaande in Zuidelijke richting over de N246.
Omstreeks 16:42:36 uur werd een uitgaande verbinding voor het mobiele nummer [telefoonnummer 6]
( [betrokkene 3] ) geregistreerd naar het mobiele prepaid nummer [telefoonnummer 7] met een verbindingsduur van 128 seconden. Deze verbinding werd voor het mobiele nummer [telefoonnummer 6] ( [betrokkene 3] ) afgewikkeld door de KPN BTS-site, geplaatst op de locatie [t-straat 1] , [plaats] , die onder andere dekking geeft aan de Provincialeweg N246 en de aansluiting van deze weg met de Rijksweg A8.
Omstreeks 17:04:43 uur werd een inkomende verbinding geregistreerd voor het mobiele nummer
[telefoonnummer 8] ( [verdachte] ) vanaf het mobiele nummer [telefoonnummer 14] ( [betrokkene 7] ) met een duur van 72
seconden. Ten tijde van deze verbindingen bevond het mobiele nummer [telefoonnummer 9] ( [betrokkene 7] ) zich nog onder bereik van de KPN BTS-site, geplaatst op de locatie [f-straat 1] , [plaats] .
Omstreeks 17:12:40 uur werd een uitgaande verbinding geregistreerd voor het mobiele nummer [telefoonnummer 8] ( [verdachte] ) naar het mobiele [telefoonnummer 11] ( [betrokkene 5] ), met een verbindingsduur van 14
seconden. Ten tijde van deze verbinding bevond het mobiele nummer [telefoonnummer 11] ( [betrokkene 5] ) zich binnen bereik van de KPN BTS-site geplaatst op de locatie [u-straat 1] , [plaats] .
Omstreeks 17:1 7:41 uur, werd een inkomende verbinding geregistreerd voor het mobiele nummer
[telefoonnummer 8] ( [verdachte] ) vanaf het mobiele nummer [telefoonnummer 14] ( [betrokkene 7] ) met een duur van 10
seconden. Ten tijde van deze verbinding bevond het mobiele nummer [telefoonnummer 14] ( [betrokkene 7] ) zich onder bereik van de KPN BTS-site, [v-straat 1] [plaats] .
Omstreeks 17:22:14 uur, werd een inkomende verbinding geregistreerd voor het mobiele nummer [telefoonnummer 8] ( [verdachte] ) vanaf het mobiele nummer [telefoonnummer 9] ( [betrokkene 7] ) met een duur van 227 seconden. Ten tijde van deze verbinding bevond het mobiele nummer [telefoonnummer 14] ( [betrokkene 7] ) zich onder bereik van de KPN BTS-site, [w-straat 1] , [plaats] .
Omstreeks 17:31:43 uur werd een uitgaande verbinding geregistreerd voor het mobiele nummer [telefoonnummer 6] ( [betrokkene 3] ) met het mobiele nummer [telefoonnummer 7] met een verbindingsduur van 60
seconden. Omstreeks 17:36:53 uur werd een ingaande verbinding geregistreerd voor het mobiele
nummer [telefoonnummer 6] ( [betrokkene 3] ) met het mobiele nummer [telefoonnummer 7] meteen verbindingsduur van 33 seconden.
Omstreeks 17:35:32 uur werd een uitgaande verbinding geregistreerd voor het mobiele nummer [telefoonnummer 2] ( [slachtoffer] ) naar het mobiele nummer [telefoonnummer 12] ( [betrokkene 4] ), met een verbindingsduur, van 38 seconden.
De laatste vier geregistreerde verbindingen voor de mobiele nummers [telefoonnummer 2] ( [slachtoffer] ), [telefoonnummer 8] ( [verdachte] ) en [telefoonnummer 6] ( [betrokkene 3] ), in het tijdsblok 16:38:59 uur tot en met 17:44:46 uur werden allen afgewikkeld door de KPN BTS-sitegeplaatst op de locatie [x-straat 1] [plaats] .
10.
Zichtbaar is dat alle geregistreerde verbindingen tussen 17:51:07 uur en 18:01:55 uur van de mobiele nummers [telefoonnummer 2] ( [slachtoffer] ), [telefoonnummer 8] ( [verdachte] ), [telefoonnummer 6] ( [betrokkene 3] ), [telefoonnummer 12] ( [betrokkene 4] ) werden afgewikkeld door de KPN BTS-site, geplaatst op de locatie [ij-straat 1] , [plaats] , die onder andere dekking geeft aan het NS-station Muziekwijk te [plaats] en zijn directe omgeving.
11. Omstreeks 18:05:30 uur werd voor het mobiele nummer [telefoonnummer 8] ( [verdachte] ) een inkomende verbinding geregistreerd vanaf het mobiele nummer [telefoonnummer 14] ( [betrokkene 7] ) met een verbindingsduur van 25 seconden. Deze verbinding voor het mobiele nummer [telefoonnummer 8] ( [verdachte] ) werd afgewikkeld door de KPN BTS-site, geplaatst op de locatie [z-straat 1] , [plaats] , die onder andere dekking geeft aan een deel van muziekwijk in [plaats] .
Omstreeks 18:06:11 uur werd nogmaals voor het mobiele nummer [telefoonnummer 8] ( [verdachte] ) een
inkomende verbinding geregistreerd vanaf het mobiele nummer [telefoonnummer 14] ( [betrokkene 7] ) nu met een verbindingsduur van 43 seconden. Deze verbinding voor het mobiele nummer [telefoonnummer 8] ( [verdachte] ) werd afgewikkeld door dezelfde KPN BTS-site, echter nu door de Cell-Id [007] . Deze Cell-ld betreft een UMTS antenne gericht op 210 graden ten opzichte van het Noorden en geeft onder andere dekking aan een deel van de Ringweg Hogering.
Zichtbaar is dat voor het mobiele nummer [telefoonnummer 2] ( [slachtoffer] ) een viertal uitgaande verbindingen werden geregistreerd naar de mobiele nummers [telefoonnummer 12] ( [betrokkene 4] ) en [telefoonnummer 21] ( [betrokkene 6] ). Omstreeks 18:21:00 uur werd er voor het mobiele nummer [telefoonnummer 2] ( [slachtoffer] ) de laatste actieve verbinding geregistreerd. Het betrof een uitgaande verbinding naar het mobiele nummer [telefoonnummer 21] ( [betrokkene 6] ) die na vier seconden werd doorgeschakeld naar de voicemail.
Omstreeks 18:21:04 uur werd weer voor het mobiele nummer [telefoonnummer 8] ( [verdachte] ) een inkomende verbinding geregistreerd vanaf het mobiele nummer [telefoonnummer 14] ( [betrokkene 7] ) met een verbindingsduur van ditmaal 97 seconden. Deze verbinding voor het mobiele nummer [telefoonnummer 8] ( [verdachte] ) werd afgewikkeld door de KPN BTS-site, geplaatst op de locatie [aa-straat1] , [plaats]
Zichtbaar is dat voor het mobiele nummer [telefoonnummer 8] ( [verdachte] ) vanaf 18:21:04 uur nagenoeg alle verbindingen werden afgewikkeld door de KPN BTS-site [aa-straat1] , [plaats] Haven.
Vanaf 19:09:12 uur tot en met 19:47:07 uur (einde van dit tijdsblok) worden alle verbindingen van het mobiele nummer [telefoonnummer 6] ( [betrokkene 3] ) afgewikkeld door de KPN BTS-site, geplaatst op de locatie [aa-straat1] , [plaats] De UMTS antennes zijn gericht op 200 graden ten opzichte van het Noorden en geven onder andere dekking aan de haven alsmede aan het strandje met het daarvoor gelegen eilandje dat is gelegen in het [meer] .
Omstreeks 19:09:09 uur werd voor het mobiele nummer [telefoonnummer 8] ( [verdachte] ) een inkomende sms-bericht geregistreerd vanaf het mobiele nummer [telefoonnummer 14] ( [betrokkene 7] ). Deze verbinding voor het mobiele nummer [telefoonnummer 8] ( [verdachte] ) werd afgewikkeld door de KPN BTS-site, geplaatst op de locatie [aa-straat1] , [plaats]
12. Het mobiele nummer [telefoonnummer 6] ( [betrokkene 3] ) bleef in het tijdsblok van 19:47:40 uur tot en met 20:38:16 uur al zijn geregistreerde verbindingen afwikkelen via de KPN BTS-site geplaatst op de locatie [aa-straat1] , [plaats] ”
8. Voorts heeft het hof over de wederrechtelijke vrijheidsberoving en de dood van [slachtoffer] , de volgende overwegingen in de bestreden uitspraak opgenomen (met weergave van één van de voetnoten van het hof):
“Wederrechtelijke vrijheidsberoving
Op 1 december 2016 kwam [slachtoffer] tussen 12:21 uur en 12:36 uur binnen bij de garage [A] in [plaats] . [betrokkene 8] , de eigenaar van de garage, heeft [slachtoffer] op de grond en tegen een bak met gereedschappen geduwd, waardoor [slachtoffer] zichtbaar pijn had. Vervolgens moest [slachtoffer] van [betrokkene 8] plaatsnemen in de kantine van de garage. Toen [slachtoffer] op een gegeven moment de kantine wilde verlaten schreeuwde [betrokkene 8] tegen hem: “Blijf zitten”. Ook werd door [betrokkene 8] erop toegezien dat [slachtoffer] de kantine niet verliet. Gelet op voornoemde omstandigheden was er naar het oordeel van het hof sprake van een situatie waaraan [slachtoffer] , zich niet kon onttrekken, zodat sprake is van het wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden van [slachtoffer] door [betrokkene 8] .
Uit de bewijsmiddelen blijkt verder dat [betrokkene 8] om 12:43 uur telefonisch contact heeft gehad met [betrokkene 5] .
Om 12:48 uur vindt telefonisch contact plaats tussen [betrokkene 5] en [betrokkene 7] . Vervolgens kwamen [betrokkene 5] en [betrokkene 7] omstreeks 12:56 uur bijna gelijktijdig aan bij de garage.
[slachtoffer] is in de garage vastgehouden tot het, hieronder nader te bespreken, moment dat hij is meegenomen in de Chrysler. Daarvoor heeft (de inmiddels ook in de garage verschenen) [betrokkene 1] de jas van [slachtoffer] afgenomen. [slachtoffer] heeft de garage dus zonder jas verlaten.
Vanaf ongeveer 12:00 uur hebben er meerdere telefonisch contacten plaatsgevonden tussen [verdachte] en [betrokkene 3] . Vanaf 12:38 uur verplaatsten de telefoonnummers van [verdachte] en [betrokkene 3] zich gelijktijdig van [plaats] naar de omgeving van Amsterdam. Het hof gaat ervan uit dat [verdachte] en [betrokkene 3] zich op dat moment bij elkaar voegden in de Chrysler van [betrokkene 3] .
Vanaf 13:48 uur tot ongeveer 15:55 uur hebben er meerdere telefonische contacten plaatsgevonden tussen [betrokkene 5] en [verdachte] . In de telecomgegevens is te zien dat de telefoon van [verdachte] zich in die periode verplaatst van Diemen naar Assendelft, in de omgeving van [plaats] . Het hof leidt hieruit af dat [verdachte] door [betrokkene 5] ervan op de hoogte is gebracht dat [slachtoffer] in de garage aanwezig was.
Omstreeks 15:55 uur arriveerde de Chrysler met [verdachte] , [betrokkene 3] en een NN-man in de garage.
Tientallen seconden daarvoor was er contact tussen de telefoons van [betrokkene 5] en [verdachte] . Nadat voor hen de overheaddeur was geopend, reed de Chrysler achteruit de garage in. In de garage heeft [verdachte] [slachtoffer] geslagen en naar [slachtoffer] geschreeuwd, omdat deze hem beweerdelijk geld schuldig was. [slachtoffer] moest van [betrokkene 8] de Chrysler instappen; hij werd hardhandig in de auto gezet.
Vervolgens reed de Chrysler met daarin [verdachte] , [slachtoffer] , [betrokkene 3] en NN-man weg van de
garage. Tussen 15:54 uur en 16:38 uur is zichtbaar dat de verbindingen van het telefoonnummer van [verdachte] en het telefoonnummer van [betrokkene 3] worden afgewikkeld via een zendmast die dekking geeft aan de locatie van de garage.
Omstreeks 16:35 uur vertrok de Chrysler met [verdachte] , [betrokkene 3] , de NN-man en [slachtoffer] uit de garage in de richting van [plaats] . [slachtoffer] wist op het moment dat ze op de snelweg reden niet waar ze naartoe gingen. Uit de telecomgegevens in samenhang met andere bewijsmiddelen blijkt dat [slachtoffer] meermalen telefonisch contact heeft gehad met [betrokkene 4] en met hem een afspraak heeft gemaakt bij het station Muziekwijk in [plaats] voor het verkrijgen van geld. Rond 18:00 uur had [betrokkene 4] op die plek een ontmoeting met [betrokkene 3] en de NN-man. Zij zeiden dat ze geld kwamen halen.
[slachtoffer] zelf is met [verdachte] in de auto gebleven. Toen [betrokkene 4] geen geld gaf zijn de mannen weer weggegaan.
Na de ontmoeting met [betrokkene 4] heeft [verdachte] in de auto, in de buurt van het station [plaats] -Muziekwijk, een vuurwapen aan [slachtoffer] laten zien. Dit was een echt wapen. [verdachte] , [betrokkene 3] en de NN-man zijn vervolgens met [slachtoffer] in de Chrysler naar de [b-straat ] in [plaats] -Haven gereden. Vanaf 18:21 uur worden nagenoeg alle verbindingen van de telefoon van [verdachte] afgewikkeld via een zendmast die.(onder andere) dekking geeft aan het strandje met het daarvoor gelegen eilandje dat is gelegen in het [meer] . De Chrysler is, gelet op de verdere gebeurtenissen, kennelijk in de nabijheid van het aan de [b-straat ] gelegen strandje gestopt. [verdachte] heeft, voordat hij met [slachtoffer] de auto uitstapte, aan [slachtoffer] voor de tweede maal een vuurwapen laten zien. Hij heeft dit wapen op [slachtoffer] gewezen. Daarbij heeft [verdachte] tegen [slachtoffer] gezegd dat hij, [slachtoffer] , geen geintjes moest maken. [verdachte] is vervolgens met [slachtoffer] de auto uit gegaan.
[slachtoffer] droeg op dat moment geen jas (die was immers eerder die dag afgenomen), terwijl het - naar moet worden aangenomen gelet op de tijd van het jaar- koud zal zijn geweest1.. [betrokkene 3] en de NN-man zaten in de auto. Op een gegeven moment is [slachtoffer] weggerend. [verdachte] is met een van de twee andere mannen, dus met [betrokkene 3] dan wel de NN-man, achter [slachtoffer] aangerend, maar ze konden hem niet vinden. De andere man, dus de NN-man dan wel [betrokkene 3] , kwam met de auto het strand op om te schijnen met de koplampen. Toen kwam de auto vast te staan. [verdachte] wilde dat [slachtoffer] terug zou komen omdat hij zijn geld wilde hebben en niet wilde dat [slachtoffer] zou “onderduiken”.
Uit het voorgaande blijkt dat [slachtoffer] tot het moment waarop hij bij het strandje wegrende,
wederrechtelijk van zijn vrijheid beroofd is gehouden.
Dood van [slachtoffer]
De laatste keer dat (vermoedelijk) [slachtoffer] gebruik heeft gemaakt van zijn telefoon, is als met zijn telefoon om 18:21 uur wordt uitgebeld naar [betrokkene 6] . Als [slachtoffer] om 19:08 uur wordt gebeld, neemt hij niet meer op.
Op 6 december 2016 heeft [betrokkene 6] melding gedaan dat [slachtoffer] mogelijk gegijzeld dan wel vermist is. Op 7 december 2016 heeft [betrokkene 6] verklaard dat hij sinds dat [slachtoffer] hem belde om te helpen, niets meer van hem heeft gehoord. Dit duurde langer dan hij van [slachtoffer] gewend was.
Op 8 december 2016 vindt er een Telegram gesprek plaats tussen ‘ [verdachte] ’, zijnde [verdachte] , en ene ‘ [slachtoffer] ’. Dit gesprek gaat over [slachtoffer] en gaat als volgt:
(...)
[slachtoffer] : Jullie waren er toch ook
[verdachte] : Ja man wij hebben hem meegenomen
[verdachte] : hij moest mij ook lappen (hof: betalen)
(…)
[verdachte] : nu is hij kil spoorloos
[slachtoffer] : heeft hij betaald
[verdachte] : nee man, niemand wou helpen
[slachtoffer] : jullie hebben hem wel gesloopt (hof: mishandeld)
[verdachte] : ja
[slachtoffer] : maar goed of gewoon een paar klappen
[verdachte] : maar hij is in het water gesprongen
[plaatje vuurwapen]
[verdachte] : op hem.
Op 22 december 2016 wordt het stoffelijk overschot van [slachtoffer] aangetroffen in het water van het [meer] , nabij een eilandje, welk eilandje tegenover het strandje aan de [b-straat ] te [plaats] Haven is gelegen waar de Chrysler is vast komen te zitten. De watertemperatuur was op dat moment 6 graden Celsius. Uit onderzoek is gebleken dat [slachtoffer] het eilandje niet heeft betreden.
De bevindingen in het NFl-rapport pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood (sectierapport) luiden als volgt:
“Gelet op de buitentemperaturen van de afgelopen tijd kunnen de postmortale veranderingen passen bij een maximale postmortale periode van circa 20 dagen (waarna het slachtoffer niet meer levend was gezien) lang verblijf in het water. Er werden slechts beperkte letsels (onderhuidse bloeduitstortingen in de linker wenkbrauw, de benen en de rugzijde van de romp) aangetroffen. De letsels waren kort voor het overlijden opgetreden ten gevolge van inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend geweld zoals bijvoorbeeld (zich) stoten, vallen of geslagen worden. Zij hebben geen bijdrage geleverd aan het overlijden. Het vocht in de borstholten is mogelijk postmortaal ontstaan. Het kan echter niet worden uitgesloten dat (een deel van) deze vochtophoping en de vochtophoping in de maag in het kader van verdrinking zijn opgetreden. Ook het microscopisch beeld van acuut emfyseem kan optreden in het kader van verdrinking door ‘happen naar lucht’. Er werd geen toxicologische bijdrage aan de toedracht en/of het overlijden gevonden. Er waren, voor zover beoordeelbaar in verband met de postmortale veranderingen, geen aanwijzingen voor ziekelijke orgaanafwijkingen die het intreden van de dood zouden kunnen verklaren of hiervoor van betekenis geweest zouden kunnen zijn. De conclusie is dat bij de sectie geen anatomische of toxicologische oorzaak werd gevonden. Gelet op de situatie bij vinding dient verdrinking als mogelijke doodsoorzaak te worden overwogen.”
Het hof stelt op grond van het voorgaande, in samenhang bezien, vast dat [slachtoffer] bij het strandje in [plaats] -Haven is gevlucht voor [verdachte] , [betrokkene 3] en de NN-man en daarbij het water is ingegaan.
Hierbij beschouwt het hof de mededeling van [verdachte] in het Telegrambericht van 8 december 2016, inhoudende: “hij is het water in gesprongen”, als een waarneming van een ooggetuige. Het lichaam van [slachtoffer] was op dat moment immers nog niet gevonden. Nu alleen [verdachte] , [betrokkene 3] en NN-man met [slachtoffer] op het strand aanwezig waren, is het in het water springen van [slachtoffer] door een of meer van hen waargenomen. De verklaring van [verdachte] dat hij deze informatie “op straat” had gehoord is niet aannemelijk. geworden. Het past overigens ook niet in de context van de overige mededelingen die [verdachte] , met betrekking tot zijn eigen gedragingen (meenemen, mishandeling, tonen vuurwapen), op dat moment aan [slachtoffer] deed. Het dossier biedt verder geen enkel aanknopingspunt om te veronderstellen dat [slachtoffer] om enige andere reden het water in is gegaan dan om te vluchten.
Bij [slachtoffer] is geen anatomische of toxicologische doodsoorzaak gevonden. De postmortale veranderingen kunnen passen bij een maximale postmortale periode van 20 dagen. De patholoog
concludeert dat gelet op de situatie bij vinding, verdrinking als mogelijke doodsoorzaak dient te worden overwogen. Deze conclusie ligt in het verlengde van wat in de forensische literatuur wordt beschreven met betrekking tot verdrinking als doodsoorzaak, te weten dat verdrinking als doodsoorzaak niet kan worden vastgesteld bij sectie. Wel kan bij sectie worden uitgesloten dat sprake is van andere (ziekelijke) aandoeningen of een toxicologische bijdrage en kunnen aanwijzingen worden gevonden voor verdrinking.
Gelet op al het voorgaande, in samenhang bezien, en nu een mogelijk alternatieve doodsoorzaak niet aannemelijk is geworden, gaat het hof er van uit dat [slachtoffer] na zijn vlucht in het ijskoude water daar niet meer levend uit is gekomen als gevolg van verdrinking.
Causaal verband tussen de vrijheidsberoving en het overlijden van [slachtoffer]
Tenslotte moet de vraag worden beantwoord of in strafrechtelijke zin causaal verband bestaat tussen de wederrechtelijke vrijheidsberoving door [verdachte] , [betrokkene 3] en de NN-man en de dood van [slachtoffer] . Daarbij dient te worden bezien of de dood van [slachtoffer] redelijkerwijs aan de
gedragingen van [verdachte] , [betrokkene 3] en de NIM-man, die zij in het kader van deze vrijheidsberoving hebben verricht, kan worden toegerekend. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6362, in dat verband, voor zover relevant, overwogen:
"Doorgaans is bij de beantwoording van de vraag of in strafrechtelijke zin causaal verband bestaat niet aan twijfel onderhevig dat in de keten van gebeurtenissen de gedraging van de verdachte een noodzakelijke factor is geweest voor het ingetreden gevolg - en staat dat gevolg dus in conditio sine qua non-verband tot de gedraging, welk verband in beginsel als ondergrens van het causaal verband fungeert -, maar gaat het daarbij vooral erom of het ingetreden gevolg redelijkerwijs aan (de gedraging van) de verdachte kan worden toegerekend.”
Zoals het hof hiervoor al heeft vastgesteld, is [slachtoffer] op zijn vlucht voor [verdachte] , [betrokkene 3] en de NN-man het water ingegaan, waarna hij is verdronken. De verdachten hebben door hun handelen, zijnde de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] , een reeks van gebeurtenissen in gang gezet die uiteindelijk heeft geleid tot de dood van [slachtoffer] . Het hof overweegt met betrekking tot dit handelen in het bijzonder nog het volgende.
[verdachte] , [betrokkene 3] en de NN-man zijn met zijn drieën in de Chrysler van [betrokkene 3] naar de garage
gegaan, waar [slachtoffer] in de kantine reeds van zijn vrijheid beroofd werd gehouden. Zij waren getalsmatig in de meerderheid. [verdachte] was woedend en heeft [slachtoffer] geslagen. Hij wilde geld van [slachtoffer] , maar [slachtoffer] had geen geld. [slachtoffer] werd hardhandig in de auto van [betrokkene 3] gezet en vervolgens reden [verdachte] , [betrokkene 3] en de NN-man met [slachtoffer] weg. Op het moment dat ze op de snelweg reden wist [slachtoffer] niet waar ze naartoe gingen en dat wilde ook niemand in de auto hem vertellen. [slachtoffer] kon, toen [betrokkene 6] hem aan de lijn had, niet te veel zeggen en de telefoon werd later ook van hem afgepakt. [verdachte] , [betrokkene 3] en de NN-man reden met [slachtoffer] naar het station [plaats] Muziekwijk teneinde geld op te halen bij [betrokkene 4] . [slachtoffer] is met [verdachte] in de auto achtergebleven, terwijl [betrokkene 3] en de NN-man een ontmoeting hadden met de hun onbekende [betrokkene 4] , die echter geen geld gaf. Het hof leidt hieruit af dat [slachtoffer] in de auto werd gehouden om te verhinderen dat hij aan de macht van zijn belagers zou ontkomen, daartoe al dan niet geholpen door [betrokkene 4] . Na de ontmoeting met [betrokkene 4] heeft [verdachte] aan [slachtoffer] een vuurwapen getoond. Vervolgens hebben [verdachte] , [betrokkene 3] en de NN-man [slachtoffer] in de auto meegenomen naar de [b-straat ] in [plaats] , waaraan een strandje is gelegen. Naar moet worden aangenomen in die tijd van het jaar en op dat tijdstip, een stille plek. Het was donker, gelet op het tijdstip van arriveren (rond 18:21 uur op 1 december). Het hof hecht geen geloof aan de verklaring van [verdachte] dat [slachtoffer] na de ontmoeting met [betrokkene 4] met een paar jongens had gebeld en dat ze toen naar [plaats] Haven moesten rijden, omdat [slachtoffer] daar met iemand zou hebben afgesproken. Uit de telecomgegevens van [slachtoffer] blijkt immers dat na de ontmoeting met [betrokkene 4] hij enkel naar [betrokkene 4] en [betrokkene 6] heeft uitgebeld en alleen [betrokkene 6] te spreken kreeg (ZD1, p. 598). Voorts was, zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen, [slachtoffer] niet degene die bepaalde waar men naartoe ging. [verdachte] wilde nog steeds geld van [slachtoffer] , welk geld [slachtoffer] nog steeds niet had en waar hij ook niet aan kon komen.
Immers, "niemand wou helpen”, aldus [verdachte] in het hiervoor genoemde Telegram gesprek. Kennelijk is [slachtoffer] ook mishandeld (afgezien van de klap die hij a) in de garage van [verdachte] had gekregen) nadat hij was meegenomen door [verdachte] , [betrokkene 3] en de NN-man. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [slachtoffer] “ja” antwoordt op de vraag van ‘ [slachtoffer] ’: “jullie hebben hem wel gesloopt”.
Voorts zijn bij [slachtoffer] letsels vastgesteld, die kort voor zijn overlijden zijn ontstaan. [verdachte] heeft [slachtoffer] bij het strand nogmaals een vuurwapen getoond, daarmee op hem gewezen en heeft gezegd dat [slachtoffer] geen geintjes moest uithalen. Toen [verdachte] , [betrokkene 3] en de NN-man met [slachtoffer] bij het strand arriveerden, werd deze inmiddels al bijna twee uur door hen van zijn vrijheid beroofd gehouden. Zij waren geenszins van plan om [slachtoffer] vrij te laten, getuige ook het feit dat zij hem met z’n drieën zijn gaan zoeken toen hij was weggerend. Daar komt bij dat [verdachte] heeft verklaard: “ik wilde mijn geld hebben. Ik wilde dat hij terug zou komen. Ik wilde dat hij naast mij zou staan. Als hij hem peert, duikt hij altijd onder.”
Een wederrechtelijke vrijheidsberoving kan naar de aard van het delict als gevolg hebben dat het
slachtoffer een vluchtpoging onderneemt. Daarbij kan het slachtoffer, onder meer afhankelijk van zijn vrees voor degenen die hem vasthouden, de mate van dreiging die van de overige omstandigheden van de wederrechtelijke vrijheidsberoving uitgaat, zijn inschatting van wat er nog komen gaat en de mogelijke paniek waarin hij verkeert, al dan niet bewust risico’s nemen op zijn vlucht. [slachtoffer] verkeerde, als gevolg van het handelen van [verdachte] , [betrokkene 3] en de NN-man zoals hiervoor omschreven, in een uitermate bedreigende en op dat moment voor hem ook uitzichtloze situatie. Het is tegen deze achtergrond dat hij, kennelijk geen andere uitweg ziende, een risicovolle vluchtpoging heeft ondernomen door het water in te gaan, hetgeen hem fataal is geworden.
Conclusie
Het hof is van oordeel dat, gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, de dood van [slachtoffer] in
redelijkheid aan [verdachte] , [betrokkene 3] en de NN-man kan worden toegerekend. Het tenlastegelegde feit kan daarom wettig en overtuigend worden bewezen.”
9. Het proces-verbaal van het hof van 7 september 2021 houdt omtrent het verzoek om [betrokkene 4] te horen als getuige in:
“De raadsman van de verdachte [verdachte] deelt mee:
Het hof heeft op 10 juli 2020 het verzoek tot het horen van getuigen [betrokkene 4] bij de raadsheer-commissaris toegewezen. De raadsheer-commissaris heeft onvoldoende gedaan om de verblijfplaats van deze getuige te achterhalen. [betrokkene 4] had ‘gesignaleerd’ kunnen worden of familieleden hadden geraadpleegd kunnen worden over zijn verblijfsplaats. Ook had via [betrokkene 6] geïnformeerd kunnen worden naar de getuige. In het dossier trof ik geen proces-verbaal
van bevindingen van de recherche of een bevel van medebrenging aan. [betrokkene 4] zit in Suriname volgens de gegevens van de afdeling Vreemdelingendienst van het Korps Politie Suriname. Het enkel informeren in Suriname is daarvoor onvoldoende. De suggestie is gedaan dat [betrokkene 4] in Frans Guyana verblijft en ook daar had geïnformeerd kunnen worden. De verdediging handhaaft het verzoek [betrokkene 4] als getuige te horen, nu zijn verklaring door de rechtbank voor het bewijs is gebruikt. Ik verzoek u de raadsheer-commissaris te bevelen nader onderzoek te doen naar de verblijfsgegevens van [betrokkene 4] , desnoods via een rechtshulpverzoek.
(…)
Het belang van het horen van deze getuige is door het hof eerder onderkend en de getuige is toegewezen. Het verdedigingscriterium is van toepassing. Mijn cliënt is geen bekennende verdachte. [slachtoffer] is vrijwillig met mijn cliënt meegegaan. Van gijzeling of ontvoering is geen sprake.
(…)
Het hof onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting voor beraad.
Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter in de zaak van de verdachte [verdachte] het volgende mee:
Het hof deelt de taakopvatting van de raadsman ten aanzien van de raadsheer-commissaris niet.
De raadsheer-commissaris is geen opsporende instantie. Getuigen worden in beginsel opgeroepen - en gehoord - aan de hand van vooraf opgegeven adres- en verblijfsgegevens. Bij de betekening van de oproeping in Nederland is bekend geworden dat [betrokkene 4] in Suriname zou verblijven. Dat is via een door de raadsheer-commissaris uitgevaardigd rechtshulpverzoek bevestigd door de Surinaamse autoriteiten. Horen is echter niet gelukt, omdat in Suriname geen adres- of verblijfgegevens bekend zijn geworden. Daarmee houdt de rol van de raadsheer-commissaris op. Er zijn op dit moment geen nieuwe aanknopingspunten voor de verblijfplaats van [betrokkene 4] . Dit betekent dat de getuige niet binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting gehoord kan worden, zodat het hof het verzoek van de raadsman afwijst.”
10. Voorts heeft het hof in de besteden uitspraak nog overwogen:
“Voorwaardelijk verzoek tot het horen van een getuige
De raadsman heeft verzocht [betrokkene 4] te horen als getuige in het geval het hof de verklaring van [betrokkene 4] voor het bewijs gebruikt. Nu dat het geval is, zal het hof op het verzoek beslissen. De raadsman heeft eerder verzocht [betrokkene 4] te horen. Dat verzoek is op de regiezitting van 10 juli 2020 toegewezen en de zaak is daartoe verwezen naar de raadsheer-commissaris. Die heeft [betrokkene 4] niet kunnen horen, omdat hij onvindbaar was. De raadsheer-commissaris heeft daarvan op 23 augustus 2021 een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt. Op de terechtzitting van 7 september 2021 heeft de raadsman opnieuw verzocht [betrokkene 4] te horen. Dat verzoek is door het hof afgewezen, omdat onaannemelijk werd geacht dat de getuige [betrokkene 4] binnen aanvaardbare termijn gehoord kon worden. Bij dat oordeel heeft het hof betrokken dat uit het onderzoek door de raadsheer-commissaris is gebleken dat [betrokkene 4] sinds 20 juli 2021 in Suriname verblijft en dat de Surinaamse autoriteiten hebben laten weten dat [betrokkene 4] niet voorkomt in de bevolkingsadministratie. [betrokkene 4] heeft ook geen logeeradres opgegeven. Van de getuige is dus geen adres in Suriname bekend geworden. Tevens zijn er geen uitreisgegeven van [betrokkene 4] , zodat
moet worden aangenomen dat de getuige nog in Suriname verblijft. Deze situatie is onveranderd. Van de getuige zijn geen adres- of verblijfsgegevens bekend en ook de raadsman heeft geen nieuwe informatie ter zake verstrekt. Bij die stand van zaken is het hof van oordeel dat (ook nu nog) onaannemelijk is dat de getuige [betrokkene 4] binnen aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
11. Het eerste middel klaagt dat het hof in de bewijsvoering gebruik heeft gemaakt van een verklaring van een getuige, afgelegd bij de politie, terwijl de verdediging niet de gelegenheid heeft gehad om vragen te kunnen stellen aan deze getuige.
12. De uitvoerige toelichting op het middel raakt de kern van de klacht met de volgende slotzin: “Nu verdachte niet in staat is gesteld de belastende getuige te horen heeft het hof ten onrechte niet doen blijken daarbij te hebben nagegaan of er compenserende maatregelen zijn getroffen en/of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, zodat het arrest, althans de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.2.”
13. Het beoordelingskader voor deze klacht is te vinden in HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:402, NJ 2022/209 m.nt. Jörg:
“2.4.1 De Hoge Raad is in zijn arrest van 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, ingegaan op de beoordeling van verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen door de feitenrechter, in de situatie dat zo’n verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al - in het vooronderzoek of anderszins - een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. In dat verband heeft de Hoge Raad onder meer aandacht besteed aan de wijze waarop de rechter dient na te gaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Daarover heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen:
“2.12.1 De voor het Nederlandse stelsel kenmerkende omstandigheid dat de rechter in de loop van het strafproces beslissingen neemt over het oproepen en horen van getuigen, is niet alleen van betekenis bij de beoordeling van getuigenverzoeken, maar ook bij de eindbeoordeling van de zaak. Zoals in het (...) arrest van 4 juli 2017 [ECLI:NL:HR:2017:1015] is overwogen, moet de rechter voordat hij einduitspraak doet, nagaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Zo nodig zal hij hetzij ambtshalve alsnog overgaan tot het oproepen en het horen van (een) getuige(n), hetzij bij zijn beslissing over de bewezenverklaring onder ogen moeten zien of en zo ja, welke gevolgen moeten worden verbonden aan de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid om de relevante getuige(n) in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen.
2.12.2 Deze wijze van beoordeling sluit aan bij de drie stappen die in de rechtspraak van het EHRM deel uitmaken van de beoordeling of, in gevallen waarin de verdediging niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om het ondervragingsrecht uit te oefenen, het proces als geheel eerlijk is verlopen. Van belang hierbij zijn (i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. Deze beoordelingsfactoren moeten daarbij in onderling verband worden beschouwd. Naarmate het gewicht van de verklaring groter is, is het - wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt - des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan. Dit betekent dat met name in gevallen waarin niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen zonder dat die in beslissende mate zal steunen op de verklaring van de getuige, terwijl de verdediging het nodige initiatief heeft getoond om het ondervragingsrecht te kunnen uitoefenen en een goede reden ontbreekt om de getuige niet te horen, de rechter (alsnog) zal moeten overgaan tot het oproepen en horen van die getuige, althans nog zal moeten doen wat redelijkerwijs mogelijk is om de verdediging de gelegenheid te bieden tot uitoefening van het ondervragingsrecht.
Als de uitoefening van het ondervragingsrecht niet wordt gerealiseerd, moet de rechter onderzoeken of voldoende compenserende factoren hebben bestaan voor de door de verdediging ondervonden beperkingen bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige, waarmee ook de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing wordt gewaarborgd. Als de rechter oordeelt dat (vooralsnog) onvoldoende compenserende factoren hebben bestaan, onderzoekt hij of daartoe alsnog stappen kunnen worden gezet. Het gaat er daarbij in de kern om dat de rechter de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige zorgvuldig onderzoekt, een en ander in samenhang met het overige bewijsmateriaal en in het licht van de betwisting door de verdachte van die verklaring. Van belang daarbij kunnen zijn verklaringen van personen tegenover wie de getuige - kort na de gebeurtenissen waar het om gaat - zijn of haar verhaal heeft gedaan of die anderszins feiten en omstandigheden waarop de getuigenverklaring ziet, kunnen bevestigen. Het kan onder omstandigheden ook gaan om verklaringen van deskundigen die de totstandkoming en de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige dan wel de persoon van die getuige aan een onderzoek hebben onderworpen. Verder kan compensatie betrekking hebben op procedurele waarborgen zoals de beschikbaarheid van een audiovisuele vastlegging van het verhoor van de getuige of het ondervragen van de zojuist genoemde personen of deskundigen. In dit verband kan ook van belang zijn dat de verdediging wel een beperkte mogelijkheid heeft gehad om vragen te (doen) stellen aan de getuige.
2.12.3 De toetsing in cassatie kan gericht zijn op de vraag of de beslissing het tenlastegelegde mede op grond van een verklaring van een niet-ondervraagde getuige bewezen te verklaren in overeenstemming is met het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en de daaraan verbonden notie van ‘the overall fairness of the trial’. Bij deze beoordeling kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dit het geval is, (nader) heeft gemotiveerd.”
2.4.2 Verder heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1418 het volgende overwogen:
“2.4.2 Hierbij is nog het volgende van belang. In het (...) arrest van de Hoge Raad van 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1016 heeft de Hoge Raad overwogen dat “de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid een getuige te ondervragen, niet eraan in de weg [staat] dat een door die getuige afgelegde verklaring voor het bewijs wordt gebezigd, mits is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, in het bijzonder doordat de bewezenverklaring niet in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd dan wel - indien de bewezenverklaring wel in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd - het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om de desbetreffende getuige te ondervragen in voldoende mate wordt gecompenseerd.” De Hoge Raad ziet mede in verband met de [hiervoor] bedoelde rechtspraak van het EHRM aanleiding deze rechtspraak als volgt te verduidelijken. Voor de beoordeling of wordt voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, is het gewicht van de betreffende getuigenverklaring in de bewijsconstructie nog altijd een belangrijke beoordelingsfactor. Dat doet er echter niet aan af dat ook de aanwezigheid van een goede reden voor het niet kunnen ondervragen van de getuige en het bestaan van compenserende factoren in die beoordeling moeten worden betrokken, waarbij al deze beoordelingsfactoren in onderling verband dienen te worden beschouwd (vgl. rechtsoverweging 2.12.2 van [HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576]).”
14. In het vervolg moet er verder van worden uitgegaan dat in het onderhavige geval de verzochte en opgeroepen getuige [betrokkene 4] niet door een rechter is gehoord (afwijzende beslissingen bij proces-verbaal van 7 september 2021 -randnummer 9- en bij eindarrest van het hof -randnummer 10-) , terwijl de verklaring wel voor het bewijs is gebruikt (bewijsmiddel 16 onder randnummer 7). Of er in een dergelijk geval voldaan is aan het in art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces komt naar voren uit de onder randnummer 13 geciteerde overwegingen van de Hoge Raad. Het is afhankelijk van drie aspecten: (i) is er een geldige reden voor niet horen van de getuige?: (ii) wat is het gewicht van diens verklaring in het geheel van de bewijzen?; (iii) zijn er compensatoire factoren denkbaar en toegepast? Ik bespreek deze aspecten die onderling verband en samenhang moeten worden gezien in de volgende randnummers.
15. Het eerste aspect betreft de vraag of de reden om van het verhoor af te zien geldig is. De door het hof gebezigde reden heeft een wettelijke grondslag te weten dat van verhoor van een getuige kan worden afgezien indien “het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter zitting zal verschijnen” (art. 288 lid 1 aanhef en onder a Sv). De beslissingen waarbij de verzoeken tot het horen van de getuige [betrokkene 4] zijn afgewezen, zijn op deze grondslag gebaseerd en voorzien van motivering opgenomen onder de randnummers 9 en 10 hierboven. Het komt er op neer dat de getuige onvindbaar is. In cassatie wordt (anders dan in feitelijke aanleg) noch de grondslag van de beslissing noch de motivering ervan betwist zodat al op die grond (en ook overigens) er verder van kan worden uitgegaan dat het hof dit aspect op een juiste en niet onbegrijpelijke wijze in de beoordeling heeft betrokken.
16. Het tweede aspect betreft het gewicht van de voor het bewijs gebezigde verklaring in het geheel van de bewijzen. Het hof heeft in de bewijsmotivering niet alleen aandacht besteed aan de mogelijkheid om de verklaring van onder meer [betrokkene 4] in verband met de betrouwbaarheid te gebruiken, maar ook aan de betekenis van die verklaring in het perspectief van het overige bewijs. Ik citeer in dit verband nogmaals uit het arrest van het hof een deel van hetgeen is opgenomen onder ‘Verweer betrouwbaarheid getuigen’:
“Het hof ziet echter geen aanleiding om de verklaringen van [betrokkene 6] voor het overige onbetrouwbaar te achten. Daartoe overweegt het hof dat deze verklaringen op belangrijke punten steun vinden in andere bewijsmiddelen. Zo heeft [betrokkene 6] verklaard dat hij het slachtoffer [slachtoffer] aan de telefoon heeft gehad, dat die hem vroeg om geld te betalen en daarbij zei dat hij werd vastgehouden. Deze verklaring staat niet op zichzelf. Meer in het bijzonder ten aanzien van het ‘vasthouden’ geldt dat de getuige [betrokkene 4] ook heeft verklaard dat [slachtoffer] hem belde voor geld en zei dat hij werd vastgehouden. In zoverre ondersteunen de verklaringen elkaar. Bovendien is [slachtoffer] in de garage gefilmd op een moment dat hij aan de telefoon is en hij zegt dan: “ze laten me niet gaan”. In zoverre acht het hof de verklaring van [betrokkene 6] voldoende betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.
Uit het voorgaande volgt dat het hof de verklaring van de getuige [betrokkene 4] ook voldoende betrouwbaar acht om te gebruiken voor het bewijs. Voorts vindt de verklaring van [betrokkene 4] dat hij met [slachtoffer] had afgespróken bij station [plaats] Muziekwijk, maar dat hij daar vervolgens een ontmoeting heeft gehad met twee voor hem onbekende mannen die geld kwamen halen, bevestiging in de verklaring van de verdachte zelf.”
17. Het oordeel van het hof over de betrouwbaarheid van de verklaring van [betrokkene 4] en daarmee de bruikbaarheid voor het bewijs is (onder meer) te zien als een min of meer impliciete reactie op de onderbouwing door de verdediging van het verzoek om de getuige te horen. Die onderbouwing is gegeven ter terechtzitting van 10 juli 2021 en wordt door de stellers van het middel onder nummer 1.5 van de cassatieschriftuur geciteerd. Naar voren is gebracht dat (onder meer) de getuige [betrokkene 4] diende te worden bevraagd over de betrouwbaarheid en de geloofwaardigheid van zijn verklaring. Waarom de verzochte getuige geen betrouwbare verklaring zou hebben afgelegd wordt in feitelijke aanleg niet verder toegelicht, maar wel wordt toegelicht dat de vragen de omstandigheid betreffen dat [betrokkene 4] [betrokkene 6] die dag uitvoerig heeft gesproken. De onder randnummer 16 geciteerde bewijsoverweging gaat daarmee juist in op het punt dat ten grondslag lag aan het verzoek tot het horen van [betrokkene 4] te weten zijn betrouwbaarheid. Dat het hof de (voor zover voor het bewijs gebruikte) verklaring van [betrokkene 4] betrouwbaar acht in het licht van het overige bewijs acht ik niet onbegrijpelijk. Ik licht dat toe.
18. De als bewijsmiddel 16 (randnummer 6 hierboven) opgenomen verklaring van [betrokkene 4] bevat een aantal feiten en omstandigheden:
(a) Telefonisch contact in de periode 16.35 en 18.01 uur tussen de telefoon van [betrokkene 4] en de telefoon van het slachtoffer [slachtoffer] ;
(b) Het slachtoffer vertelde aan de getuige dat hij naar de kiosk moest/zou komen;
(c) De getuige had het slachtoffer aan de lijn die hem vertelde dat hij ze geld moest geven;
(d) De getuige dacht dat het slachtoffer met [betrokkene 5] zou komen, maar hij kwam met twee onbekenden;
(e) De onbekenden zeiden de getuige dat ze geld kwamen halen;
(f) De getuige zei dat hij met [betrokkene 5] had afgesproken;
(g) Zij vroegen of de getuige geld ging geven en de getuige zei neen;
(h) De onbekende mannen zijn weggegaan en de getuige heeft het slachtoffer daar niet bij gezien;
(i) De getuige keek nog naar de auto’s, maar het was heel druk. Hij weet niet in welke auto het slachtoffer zat.
19. Onderdeel (a) wordt technisch bewezen door bewijsmiddel 21 (onder 9). Onderdelen (b), (c), (e), (g) vinden steun in de als bewijsmiddel 1 (randnummer 7) gebruikte verklaring van de verdachte. Veel van hetgeen de getuige verklaart past naadloos in beide door het hof voor het bewijs gebezigde verklaringen van [betrokkene 6] (bewijsmiddelen 11 en 12; randnummer 7). De getuige [betrokkene 6] is door de raadsheer-commissaris gehoord zodat de verdediging in de gelegenheid is geweest zijn verklaring op betrouwbaarheid te toetsen. Enkele onderdelen van de voor het bewijs gebruikte verklaring van [betrokkene 4] hebben niet of nauwelijks zelfstandige bewijsbetekenis en zijn kennelijk opgenomen om het lopende verhaal in het proces-verbaal van politie niet te onderbreken (onderdelen (f), (h) en (i)). Nog voorzichtig gezegd ligt in de bewijsconstructie van het hof besloten dat de verklaring van [betrokkene 4] zo bezien weinig zelfstandige betekenis heeft. Het gewicht van de voor het bewijs gebezigde verklaring is in het geheel van de bewijzen (tweede aspect) licht, in ieder geval verre van bepalend.
10. Over compenserende factoren (het derde aspect) bevat het arrest van het hof geen expliciete overwegingen. Kennelijk heeft het hof gelet op de geldige reden voor het afzien van het verhoor van de getuige [betrokkene 4] en de (zeer) geringe bewijsbetekenis van zijn verklaring dat niet noodzakelijk geacht. Dat is niet onjuist of onbegrijpelijk. Het verdient sterke voorkeur dat het hof deze afweging inzake de noodzaak van compensatie met zoveel woorden in het arrest maakt, maar ik meen dat hier de afwezigheid van noodzaak tot compensatie zodanig evident is dat het ontbreken van uitdrukkelijk gemotiveerde beslissing niet fataal hoeft te zijn. Ingeval van een gemotiveerde beslissing over de noodzaak had het hof daarbij overigens nog kunnen betrekken dat, zoals uit de in randnummer 16 geciteerde overwegingen van het hof naar voren komt, (ook) de verklaring van [betrokkene 4] in samenhang met de andere bewijsmiddelen betrouwbaar wordt geoordeeld. Bovendien zou in aanmerking kunnen worden genomen dat de verklaring van [betrokkene 6] in het geheel van de bewijsmiddelen van aanzienlijk meer gewicht is dan die van [betrokkene 4] . Door het horen van [betrokkene 6] door de raadsheer-commissaris was er gelegenheid de verklaring van [betrokkene 4] voor zover deze overeen kwam of aansloot bij die van [betrokkene 6] ten overstaan van de raadsheer-commissaris (weliswaar indirect) op betrouwbaarheid te toetsen.
21. Ik concludeer dat ondanks het niet horen van de getuige [betrokkene 4] is voldaan aan het in art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Het eerste middel faalt.
22. Het tweede middel klaagt over de motivering van het bewezenverklaarde oorzakelijk verband tussen de gedragingen en de dood.
23. Volgens het middel en de daarop in de cassatieschriftuur onder nummer 2.16 gegeven toelichting is de motivering onvoldoende en/of onbegrijpelijk wegens het ontbreken van (nadere) vaststellingen over de precieze doodsoorzaak, over de watertemperatuur en over de termijn dat het slachtoffer in het water heeft verbleven en dat verdachten op het strand naar hem hebben gezocht.
24. Voor de overwegingen van het hof inzake het oorzakelijk verband verwijs ik naar randnummer 8, in het bijzonder onder het kopje ‘Causaal verband tussen de vrijheidsberoving en het overlijden van [slachtoffer] ’.
25. Het middel klaagt niet over de door het hof bij de bepaling van het oorzakelijk verband aangelegde maatstaf. Weliswaar wordt in de toelichting op het middel (zeer) uitvoerig aandacht besteed aan uit de literatuur bekende uiteenlopende benaderingen van de strafrechtelijke causaliteit, maar dat leidt niet tot een concrete klacht over een door het hof onjuist toegepast criterium. Volgens vaste rechtspraak is het (nogal onbepaalde en voor de invulling nogal van de omstandigheden van het geval afhankelijke) criterium voor strafrechtelijke causaliteit ‘redelijke toerekening’.3.In de - ook door het hof geciteerde - woorden van de Hoge Raad uit 2012:
“Doorgaans is bij de beantwoording van de vraag of in strafrechtelijke zin causaal verband bestaat niet aan twijfel onderhevig dat in de keten van gebeurtenissen de gedraging van de verdachte een noodzakelijke factor is geweest voor het ingetreden gevolg - en staat dat gevolg dus in condicio sine qua non-verband tot de gedraging, welk verband in beginsel als ondergrens van het causaal verband fungeert -, maar gaat het daarbij vooral erom of het ingetreden gevolg redelijkerwijs aan (de gedraging van) de verdachte kan worden toegerekend.”4.
26. De eerste klacht betreft niet zo zeer de causaliteit als wel het bewijs van enige concrete oorzaak van de dood. De klacht dat het hof die doodsoorzaak in het midden heeft gelaten door te spreken van verdrinking als mogelijke doodsoorzaak berust op een onjuiste lezing van de overwegingen van het hof. Ik verwijs naar de overwegingen van het hof onder het kopje ‘Dood van [slachtoffer] ’, zoals hierboven geciteerd onder randnummer 8. Het hof wijst er op dat de patholoog concludeert dat gelet op de situatie bij vinding, verdrinking als mogelijke doodsoorzaak dient te worden overwogen. Belangrijk is vervolgens wat in de forensische literatuur wordt beschreven met betrekking tot verdrinking als doodsoorzaak, te weten dat verdrinking als doodsoorzaak niet kan worden vastgesteld bij sectie. Kortom de conclusie van de deskundige zal nooit zijn dat verdrinking de doodsoorzaak is, hooguit dat het als doodsoorzaak dient te worden overwogen. Nu volgens de deskundige verdrinking als doodsoorzaak dient te worden overwogen en nu een mogelijk alternatieve doodsoorzaak niet aannemelijk is geworden concludeert het hof dat de dood is ingetreden door verdrinking. De klacht mist daarmee feitelijke grondslag. Ten overvloede: in voorkomend geval behoeft enige onzekerheid over de doodsoorzaak het causaal verband nog niet uit te sluiten.
27. Dan de klacht dat door het hof uitsluitend de watertemperatuur ten tijde van het aantreffen van het stoffelijk overschot van het slachtoffer op 22 december 2016 in aanmerking is genomen en daarmee niet de (water)temperatuur ten tijde van het feit. In de onder randnummer 8 geciteerde overwegingen van het hof is onder het kopje ‘Wederrechtelijke vrijheidsbeneming’ ook een voetnoot (2) van het hof opgenomen en die voetnoot houdt de temperatuur in ten tijde van het bewezenverklaard feit (1 december 2016 in Lelystad, gemiddeld 7,8 graden Celsius, met een maximum temperatuur van 9,3 en een minimum temperatuur van 5,2 graden Celsius). In zoverre heeft het hof wel getracht enig inzicht in de temperatuur op de dag van het feit te geven. Die temperatuur achtte het hof relevant in het kader van de vrijheidsbeneming nu het koud was en verdachte geen jas (meer) had. Er ligt in besloten dat een mens in het algemeen dergelijke omstandigheden liever niet en zeker niet vrijwillig ondergaat.
28. De overwegingen van het hof onder randnummer 8, in het bijzonder onder het kopje ‘Causaal verband tussen de vrijheidsberoving en het overlijden van [slachtoffer] ’ houden niet in dat voor het aannemen van het causaal verband de temperatuur van het water gewicht in de schaal heeft gelegd. Het woord (water)temperatuur komt er niet in voor, evenmin als enige nadere verwijzing naar die temperatuur (bijvoorbeeld: het was koud). Ook in zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
29. In de overwegingen over het causaal verband in het arrest van het hof is niet met zoveel woorden aandacht besteed aan de omstandigheid dat verdachte naar het slachtoffer heeft gezocht en evenmin aan de omstandigheid dat het slachtoffer enige tijd in het water verbleef.5.Ook vaststellingen over de duur van het zoeken en de duur van het verblijf in het water ontbreken. Dergelijke nadere vaststellingen achten de stellers van het middel zo cruciaal dat het aannemen van causaal verband zonder die vaststellingen niet toereikend of onbegrijpelijk is gemotiveerd. De stellers besluiten met (cassatieschriftuur 2.17 laatste zin): “Zonder nadere feitelijke vaststellingen kan niet worden gezegd dat de in de bewijsmiddelen vastgestelde gedragingen van verdachten een redelijkerwijs voorzienbare kans op letsel, laat staan de dood, met zich mee hebben gebracht en dat het overlijden van het slachtoffer redelijkerwijze als gevolg van de wederrechtelijke vrijheidsberoving aan de verdachte en de medeverdachten kunnen worden toegerekend.”
30. Ik volg dat niet en meen dat deze klacht niet tot cassatie kan leiden. Omtrent beide feitelijke punten zou de verdediging in feitelijke aanleg een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359 lid 2, tweede lid, Sv hebben kunnen innemen en vervolgens zou er over het ontbreken van een (toereikende en begrijpelijke) beslissing van het hof naar aanleiding van dat standpunt in cassatie kunnen worden geklaagd. Nu is daarvoor geen ruimte meer. Ik wijs er bovendien nog op dat in de schriftuur terloops lijkt te worden geschakeld naar de adeguatietheorie (‘redelijk voorzienbaar’). Het hof gebruikt die woorden in de overwegingen niet, maar houdt het op de redelijke toerekening. Ook op dit punt ontbreekt een beroep op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Ten overvloede meen ik dat gelet op alle omstandigheden van het geval ook de conclusie dat de dood in redelijkheid voorzienbaar was niet onbegrijpelijk is.
31. Het oordeel van het hof dat de dood is veroorzaakt door het gedrag, is onjuist noch onbegrijpelijk.
32. Het tweede middel faalt eveneens.
33. Beide middelen falen en het tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
34. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 14‑02‑2023
Zie naast de in voetnoten 25, 26 en 27 genoemde arrest ook nog o.m. HR 25 mei 2021, NJ 2021/211 [aldus originele noot bij citaat]. Ik voeg de noten waarnaar wordt verwezen toe: 25 R.o.v. 2.4.2 HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1418; 26. R.o.v. 2.4.2. HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1930; 27 R.o.v. 2.5.2 HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:782. Verder wijs ik op een recente conclusie over deze materie van mijn ambtgenoot Harteveld: ECLI:Nl::PHR:2022:1108.HR 25 mei 2021, NJ 2021/212; HR 22 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:959.
HR 11 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5772, NJ 2006/548 en HR 28 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ00247, NJ 2007/49. Zie voorts J. de Hullu, Materieel strafrecht, Wolters Kluwer Deventer 2021, p. 175 e.v.
HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6362, NJ 2012/301 m.nt. Keijzer (Groningse HIV-zaak)..
Mij is overigens ook onduidelijk wat hiermee nu wordt bedoeld. De termijn tussen te water raken en het vinden van het slachtoffer staat vast. Bedoelen de stellers van het middel dat het voor het causaal verband van betekenis is hoe lang het slachtoffer nog levend (zwemmend) in het water verbleef? Of er nu een kwartier, een uur of een paar uur is gezocht lijkt mij voor het causaal verband ook niet bepalend. Mogelijk ligt het enigszins anders als er (onmiddellijk) alarm was geslagen. Juist lang zoeken kan hier ook een factor zijn die het causale verband ondersteunt.
Beroepschrift 14‑02‑2022
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te Den Haag
Griffienummer: S 20/02943
Betekening aanzegging: 15 januari 2022
Cassatieschriftuur
inzake:
[verdachte]
wonende te [woonplaats],
verdachte,
advocaten: R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker
dossiernummer: D20210370
Edelhoogachtbare Heren, Vrouwen:
Inleiding
Ondergetekenden, als daartoe door de verdachte bijzonder gevolmachtigd, R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, advocaten te Rotterdam, hebben hierbij de eer aan u Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten vervolge op het door [verdachte], ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam d.d. 8 oktober 2021, en alle beslissingen die door het hof ter terechtzitting(en) zijn genomen.
In genoemd arrest heeft het hof de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden.
Middelen van cassatie
Als gronden van cassatie hebben ondergetekenden de eer voor te dragen:
Middel I
Op 12 september 2019 is de verdachte door de rechtbank Noord-Holland veroordeeld. Ten behoeve van de bewezenverklaring heeft de rechtbank onder meer een verklaring van [medeverdachte 2] voor het bewijs gebruikt.
De verdediging heeft op 25 september 2019 hoger beroep ingesteld. Namens de verdachte is in een tijdig ingediende schriftuur verzocht om een aantal getuigen te horen. Van die verzoeken zijn ter terechtzitting de verzoeken tot het horen van [getuige 4] en [medeverdachte 2] gehandhaafd.
Deze getuigenverzoeken zijn door het hof toegewezen. [getuige 4] is nadien gehoord door de raadsheer-commissaris. Met betrekking tot getuige [medeverdachte 2] heeft het hof overwogen/geoordeeld dat [medeverdachte 2] niet kon worden gehoord, omdat geen verblijfsadres van hem bekend is geworden. Daartoe heeft het hof overwogen dat volgens de afdeling Vreemdelingendienst van het Korps Politie Suriname inreisgegevens van [medeverdachte 2] bekend zijn waaruit blijkt dat [medeverdachte 2] op 20 januari 2021 in Suriname is aangekomen en dat er geen uitreisgegevens betreffende [medeverdachte 2] na deze datum bekend zijn. De verdediging heeft het verzoek tot het horen van [medeverdachte 2] gehandhaafd. De verdediging heeft aangevoerd dat de raadsheer-commissaris onvoldoende heeft gedaan om de verblijfplaats van deze getuige te achterhalen, omdat [medeverdachte 2] gesignaleerd had kunnen worden of dat zijn familie kon worden geraadpleegd. De raadsman heeft daarbij aangevoerd dat ook via [getuige 4] geïnformeerd kon worden naar de getuige en in het dossier geen bevel medebrenging zit. De verdediging heeft daarnaast aangevoerd dat [medeverdachte 2] volgens de gegevens van de afdeling Vreemdelingendienst van het Korps Politie Suriname in Suriname zit en het enkel informeren in Suriname onvoldoende is. Daarbij is nog aangegeven dat de suggestie is gedaan dat [medeverdachte 2] in [a-land] verblijft en ook daar geïnformeerd had kunnen worden naar hem.
Het hof heeft het verzoek afgewezen en daartoe overwogen dat getuigen in beginsel worden opgeroepen aan de hand van vooraf opgegeven adres- en verblijfsgegevens; dat bij betekening van de oproeping in Nederland bekend is geworden dat [medeverdachte 2] in [b-land] zou verblijven; dat dat via een door de raadsheer-commissaris uitgevaardigd rechtshulpverzoek bevestigd is door de Surinaamse autoriteiten en dat het horen niet gelukt is omdat in Suriname geen adres- of verblijfgegevens bekend zijn geworden. Vervolgens heeft het hof overwogen/geoordeeld dat daar de rol van de raadsheer-commissaris is opgehouden en er op dit moment geen nieuwe aanknopingspunten voor de verblijfplaats van [medeverdachte 2] zijn, wat betekent dat de getuige niet binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting gehoord kan worden, zodat het hof het verzoek van de raadsman heeft afgewezen.
Ter terechtzitting in hoger beroep is vervolgens het voorwaardelijke verzoek gedaan om [medeverdachte 2] te horen indien en voor zover het hof diens verklaring tot het bewijs bezigt.
Het hof heeft in de verklaring van [medeverdachte 2] voor het bewijs wordt gebezigd. Daartoe heeft het hof onder meer overwogen dat [medeverdachte 2] niet in de bevolkingsadministratie van Suriname voorkomt en dat hij ook geen logeeradres opgegeven heeft, zodat van hem geen adres bekend is in het buitenland; moet worden aangenomen dat de getuige nog in Suriname verblijft; van de getuige geen adres- of verblijfsgegevens bekend zijn en ook de raadsman geen nieuwe informatie terzake verstrekt heeft, zodat gelet op die stand van zaken het onaannemelijk is dat de getuige [medeverdachte 2] binnen aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen, zodat het verzoek om [medeverdachte 2] te horen wordt afgewezen. Het hof heeft vervolgens de verklaring van [medeverdachte 2] als bewijsmiddel gebezigd.
Nu verdachte niet in staat is gesteld de belastende getuige te horen, heeft het hof ten onrechte niet doen blijken daarbij te hebben nagegaan of er compenserende maatregelen zijn getroffen en/of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, zodat het arrest, althans de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.
Toelichting
1.1
Op 12 september 2019 is de verdachte door de rechtbank Noord-Holland veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk. In het vonnis heeft de rechtbank bewezen verklaard, dat:
‘hij op 1 december 2016 te [a-plaats], gemeente [a-gemeente], en/of [b-gemeente], tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [benadeelde 1] wederrechtelijk van de vrijheid beroofd heeft gehouden,
immers hebben hij, verdachte, en/of zijn mededaders,
te [a-plaats]
- —
contact onderhouden met een of meer medeverdachte(n) en/of
- —
die [slachtoffer] geslagen en/of
naar die [slachtoffer] geschreeuwd en/of
- —
die [slachtoffer] naar een voertuig welke garage [garage] was binnengereden begeleid en/of vervolgens die [slachtoffer] in genoemd voertuig doen plaatsnemen en
te [b-gemeente] — die [slachtoffer] veen verplaatst naar [b-gemeente] en/of
- —
die [slachtoffer] bedreigd en/of
- —
contact onderhouden met medeverdachten en/of
- —
contact onderhouden met [medeverdachte 2] ten behoeve van het betalen en/of overhandigen van een geldbedrag en/of
- —
op/nabij NS station [b-gemeente] afgesproken met [medeverdachte 2] voor het verkrijgen van geld en/of
- —
die [slachtoffer] vervoerd naar een strandje aan de [c-straat] en/of aldaar die [slachtoffer] uit het voertuig laten stappen en/of een vuurwapen aan die [slachtoffer] getoond’
1.2
In het vonnis heeft de rechtbank onder meer overwogen:
‘4.3.1. Bewijsuitsluitingsverweren
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4] en [medeverdachte 2] moeten worden uitgesloten van het bewijs, nu deze niet als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt.
()
Met betrekking tot getuigen [getuige 4] en [medeverdachte 2] heeft de raadsman naar voren gebracht dat het gegeven dat zij op 1 december 2016 geen melding hebben gemaakt van een strafbaar feit jegens [slachtoffer], terwijl zij hem die dag uitgebreid en in een penibele situatie zouden hebben gesproken, vragen oproept.
()
De rechtbank acht daarnaast de verklaringen van [getuige 4] en [medeverdachte 2] voldoende betrouwbaar. Voor deze getuigen geldt dat zij beiden over het geheel genomen consistent hebben verklaard, zij het wat betreft [getuige 4] op basis van technisch bewijs niet op alle onderdelen juist te achten. De rechtbank ziet echter geen reden om aan te nemen dat [getuige 4] en [medeverdachte 2] (op onderdelen) opzettelijk in strijd met de waarheid hebben verklaard, dan wel dat zij hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd.
()’
1.3
Als bewijsmiddel heeft de rechtbank onder meer gebruikt:
‘Het proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte 2] d.d. 22 maart 2017 (ZD1, p. 129–130), zakelijk weergegeven inhoudende:
U houdt mij voor dat mijn telefoon tussen 17:35 uur en 18:01 uur meerdere malen contact heeft gemaakt met de telefoon van [betrokkene 14]. [betrokkene 14] vertelde mij dat hij naar de kiosk zou komen. Ik dacht dat hij op dat moment met [betrokkene 15] naar [b-gemeente] zou komen, maar er kwamen later dus twee andere gasten die ik verder niet ken. Ze vertelden mij dat ze geld kwamen halen. Ik vertelde dat ik met [betrokkene 15] had afgesproken. Ze vroegen mij of ik hen geld ging geven ik zei van: Nee. En toen zijn ze weggegaan. Ik heb [betrokkene 14] daar niet bij gezien.’
1.4
Op 25 september 2019 is de officier van justitie tegen dit vonnis is hoger beroep gegaan. De verdediging heeft op 25 september 2019 ook hoger beroep ingesteld. Tot de stukken behoort onder meer een ‘Schriftuur op grond van artikel 410 juncto 414 Sv’ wat onder meer het verzoek behelst de getuige [medeverdachte 2] in hoger beroep te horen.
1.5
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 10 juli 2021 is onder meer gerelateerd:
‘Van de getuigenverzoeken die mijn kantoorgenoot mr. De Vries bij schriftuur heeft opgegeven worden slechts twee gehandhaafd: die van [getuige 4] en [medeverdachte 2]. Deze verzoeken dienen te worden beoordeeld aan de hand van het verdedigingsbelangcriterium. De verdediging wenst deze personen te bevragen in verband met de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van hun verklaringen. De verdediging stelt zich op het standpunt dat hun verklaringen niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd, een en ander conform de weergave in het vonnis op pagina's 18–20. [getuige 4] en [medeverdachte 2] zouden het slachtoffer [slachtoffer] die dag uitgebreid hebben gesproken. De verdediging wenst hen daarover, alsook over hun onderlinge contacten, te bevragen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verklaring van de getuige [getuige 4] betreffende hun ontmoeting bij World of Food niet kan kloppen. Dientengevolge komt de rest van zijn verklaring in onze visie, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, op de tocht te staan Ik sluit mij verder aan bij hetgeen de advocaat-generaal naar voren heeft gebracht omtrent het verzoek om aansluiting bij de verhoren van in andere zaken toegewezen getuigen.
De advocaat-generaal reageert op de onderzoekswensen in de zaak tegen de verdachte [verdachte]:
Ik verzet mij niet tegen de verzoeken tot het horen als getuige van [getuige 4] en [medeverdachte 2]. Hun verhoren acht ik relevant, nu zij over de feiten hebben gesproken en de rechtbank hun verklaringen voor het bewijs heeft gebruikt. Indien de verzoeken worden toegewezen, dienen zij in alle zaken als getuige te worden gehoord.
()
De voorzitter deelt mede de overwegingen en beslissingen op de verzoeken gedaan op de regiezitting in de megazaak Noble.
()
Het hof wijst toe het in de zaken tegen de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 5] gedane verzoek tot het doen oproepen als getuige van:
- 1.
[getuige 4], geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats] ([geboorteland]), laatst bekende adres: [a-straat 01], [postcode] [woonplaats],
- 2.
[medeverdachte 2], geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats] laatst bekende adres: [b-straat 01], [postcode] [b-gemeente].
()’
1.5
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7 september 2021 is onder meer vermeld:
‘De voorzitter deelt mee dat op 10 juli 2020 een regiezitting is gehouden, waarin de onderzoekswensen van de verdediging aan de orde zijn gekomen. Het hof heeft toen bevolen dat [getuige 4] en [medeverdachte 2] als getuigen zouden worden gehoord bij de raadsheer-commissaris in de zaken tegen de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 3]. Getuige [getuige 4] is gehoord. Getuige [medeverdachte 2] kon niet worden gehoord omdat geen verblijfsadres van hem bekend is geworden. Volgens de afdeling Vreemdelingendienst van het Korps Politie Suriname zijn inreisgegevens van [medeverdachte 2] bekend waaruit blijkt dat hij op 20 januari 2021 in Suriname is aangekomen. Er zijn geen uitreisgegevens na deze datum bekend. De raadsheer-commissaris heeft hiervan een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt.
()
De raadsman van de verdachte [verdachte] deelt mee:
Het hof heeft op 10 juli 2020 het verzoek tot het horen van getuigen [medeverdachte 2] bij de raadsheer-commissaris toegewezen. De raadsheer-commissaris heeft onvoldoende gedaan om de verblijfplaats van deze getuige te achterhalen. [medeverdachte 2] had ‘gesignaleerd’ kunnen worden of familieleden hadden geraadpleegd kunnen worden over zijn verblijfsplaats. Ook had via [getuige 4] geïnformeerd kunnen worden naar de getuige. In het dossier trof ik geen proces-verbaal van bevindingen van de recherche of een bevel van medebrenging aan. [medeverdachte 2] zit in Suriname volgens de gegevens van de afdeling Vreemdelingendienst van het Korps Politie Suriname. Het enkel informeren in Suriname is daarvoor onvoldoende. De suggestie is gedaan dat [medeverdachte 2] in [a-land] verblijft en ook daar had geïnformeerd kunnen worden. De verdediging handhaaft het verzoek [medeverdachte 2] als getuige te horen, nu zijn verklaring door de rechtbank voor het bewijs is gebruikt. Ik verzoek u de raadsheer-commissaris te bevelen nader onderzoek te doen naar de verblijfsgegevens van [medeverdachte 2], desnoods via een rechtshulpverzoek.
Desgevraagd deelt de advocaat-generaal mee:
Volstaan is met een administratieve check. Ik kan om die reden het verzoek van de raadsman begrijpen, je kan best wat onderzoek naar familie doen. Het verzoek dient echter ter worden afgewezen. Het is mij onduidelijk waarover de verdediging [medeverdachte 2] wenst te bevragen. De tenlastegelegde gijzeling is niet meer aan de orde. [verdachte] is een bekennende verdachte.
De raadsman van de verdachte [verdachte] deelt mee:
Het belang van het horen van deze getuige is door het hof eerder onderkend en de getuige is toegewezen. Het verdedigingscriterium is van toepassing. Mijn cliënt is geen bekennende verdachte. [slachtoffer] is vrijwillig met mijn cliënt meegegaan. Van gijzeling of ontvoering is geen sprake.
Desgevraagd deelt de verdachte [verdachte] mee dat hij niet wenst te reageren.
Het hof onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting voor beraad.
Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter in de zaak van de verdachte [verdachte] het volgende mee:
Het hof deelt de taakopvatting van de raadsman ten aanzien van de raadsheer-commissaris niet. De raadsheer-commissaris is geen opsporende instantie. Getuigen worden in beginsel opgeroepen — en gehoord — aan de hand van vooraf opgegeven adres-en verblijfsgegevens. Bij de betekening van de oproeping in Nederland is bekend geworden dat [medeverdachte 2] in Suriname zou verblijven. Dat is via een door de raadsheer-commissaris uitgevaardigd rechtshulpverzoek bevestigd door de Surinaamse autoriteiten. Horen is echter niet gelukt, omdat in Suriname geen adres- of verblijfgegevens bekend zijn geworden. Daarmee houdt de rol van de raadsheercommissaris op. Er zijn op dit moment geen nieuwe aanknopingspunten voor de verblijfplaats van [medeverdachte 2]. Dit betekent dat de getuige niet binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting gehoord kan worden, zodat het hof het verzoek van de raadsman afwijst.’
1.6
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 8 september 2021 is onder meer gerelateerd dat mr. J. de Vries, advocaat te Amsterdam, raadsman van verdachte, ter terechtzitting het woord tot de verdediging heeft gevoerd overeenkomstig de overgelegde pleitnota. Hierin is onder meer vermeld:
‘Inhoudelijk
De verklaringen van [getuige 4], [medeverdachte 2], [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] moeten worden uitgesloten van het bewijs; dezen zijn onbetrouwbaar en daarom niet bruikbaar. Ik verwijs volledigheidshalve naar de pleitnota in eerste aanleg. De rechtbank deelde mijn conclusie ten aanzien van [getuige 1]; door de rechtbank zijn deze verklaringen van het bewijs uitgesloten. Verzocht wordt dit standpunt van de rechtbank over te nemen.
()
Ten aanzien van [medeverdachte 2] dient dan nog het navolgende te worden opgemerkt: hoewel deze getuige door uw hof was toegewezen, heeft de verdediging deze getuige niet kunnen horen. Zo u tot een bewezenverklaring komt, vermoed ik dat uw hof, gelet op uw beslissing van deze week, de verklaring niet zal (willen) gebruiken. Tegelijkertijd wil ik for the record opgemerkt hebben dat u deze voor client belastende getuige ook niet kúnt gebruiken, nu de verdediging zoals gezegd dus geen mogelijkheid heeft gehad [medeverdachte 2] te horen. Zo u tot een bewezenverklaring komt en zou overwegen de verklaringen van [medeverdachte 2] te willen gebruiken, benadruk ik nogmaals dat de verdediging deze (belastende) getuige wenst te (kunnen) horen.
()’
1.7
In het arrest heeft het hof bewezen verklaard, dat:
‘hij op 1 december 2016 te [a-plaats], gemeente [a-gemeente], en [b-gemeente] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [benadeelde 1], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd gehouden,
immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders
- —
die [slachtoffer] onder dwang in eén voertuig dat de garage [garage] was binnengereden doen of laten plaatsnemen en
- —
die [slachtoffer] verplaatst naar [b-gemeente] en
- —
die [slachtoffer] vervoerd naar een strandje aan de [c-straat] te [b-gemeente] en
- —
een vuurwapen aan die [slachtoffer] getoond en
- —
fysiek geweld op die [slachtoffer] toegepast en
- —
een voor die [slachtoffer] bedreigende situatie gecreëerd,
waarna die [slachtoffer] te water is geraakt ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.’
1.8
In het arrest heeft het hof onder meer overwogen:
‘Oordeel van het hof
Verweer betrouwbaarheid getuigen
()
Uit het voorgaande volgt dat het hof de verklaring van de getuige [medeverdachte 2] ook voldoende betrouwbaar acht om te gebruiken voor het bewijs. Voorts vindt de verklaring van [medeverdachte 2] dat hij met [slachtoffer] had afgesproken bij station [b-gemeente], maar dat hij daar vervolgens een ontmoeting heeft gehad met twee voor hem onbekende mannen die geld kwamen halen, bevestiging in de verklaring van de verdachte zelf.
()
Voorwaardelijk verzoek tot het horen van een getuige
De raadsman heeft verzocht [medeverdachte 2] te horen als getuige in het geval het hof de verklaring van [medeverdachte 2] voor het bewijs gebruikt. Nu dat het geval is, zal het hof op het verzoek beslissen. De raadsman heeft eerder verzocht [medeverdachte 2] te horen. Dat verzoek is op de regiezitting van 10 juli 2020 toegewezen en de zaak is daartoe verwezen naar de raadsheer-commissaris. Die heeft [medeverdachte 2] niet kunnen horen, omdat hij onvindbaar was. De raadsheer-commissaris heeft daarvan op 23 augustus 2021 een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt. Op de terechtzitting van 7 september 2021 heeft de raadsman opnieuw verzocht [medeverdachte 2] te horen. Dat verzoek is door het hof afgewezen, omdat onaannemelijk werd geacht dat de getuige [medeverdachte 2] binnen aanvaardbare termijn gehoord kon worden. Bij dat oordeel heeft het hof betrokken dat uit het onderzoek door de raadsheer-commissaris is gebleken dat [medeverdachte 2] sinds 20 juli 2021 in Suriname verblijft en dat de Surinaamse autoriteiten hebben laten weten dat [medeverdachte 2] niet voorkomt in de bevolkingsadministratie. [medeverdachte 2] heeft ook geen logeeradres opgegeven. Van de getuige is dus geen adres in Suriname bekend geworden. Tevens zijn er geen uitreisgegeven van [medeverdachte 2], zodat moet worden aangenomen dat de getuige nog in Suriname verblijft. Deze situatie is onveranderd. Van de getuige zijn geen adres- of verblijfsgegevens bekend en ook de raadsman heeft geen nieuwe informatie terzake verstrekt. Bij die stand van zaken is het hof van oordeel dat (ook nu nog) onaannemelijk is dat de getuige [medeverdachte 2] binnen aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.’
1.9
Als bewijsmiddel heeft het hof onder meer gebruikt:
- ‘16.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte 2] van 22 maart 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (ZD1, p. 128 e. v.), zakelijk weergegeven.
U houdt mij voor dat mijn telefoon tussen 17:35 uur en 18:01 uur meerdere malen contact heeft gemaakt met de telefoon van [betrokkene 14]. [betrokkene 14] vertelde mij dat hij naar de kiosk zou komen. Ik dacht dat hij op dat moment met [naam 1](het hof begrijpt: de medeverdachte [medeverdachte 5]) naar [b-gemeente] zou komen, maar er kwamen later dus twee andere gasten die ik verder niet ken. Ze vertelden mij dat ze geld kwamen halen. Ik vertelde dat ik met [naam 1] had afgesproken. Ze vroegen mij of ik hen geld ging geven, ik zei van: ‘Nee’. En toen zijn ze weggegaan. Ik heb [betrokkene 14] daar niet bij gezien. Misschien zat hij daar ergens in de auto en werd hij vastgehouden. V: Toen jij omstreeks 18:00 uur bij het station in de [b-gemeente] aankwam had jij [betrokkene 14] aan dé telefoon en die zei datje naar de kiosk moest lopen. Wie belde wie toen? A: [betrokkene 14] vertelde mij dat hij naar de kiosk moest komen. Ik keek nog naar de auto's, maar het was heel druk. Ik weet niet in welke auto hij zat. Maar ik had [betrokkene 14] aan de lijn en hij vertelde me dat ik ze geld moest geven.’
1.10
De beslissingen tot het afzien van de oproeping van niet verschenen getuigen moeten met redenen worden omkleed. Het achterwege laten van de motivering van de beslissing leidt tot substantiële nietigheid.1. Bij nutteloosheid gaat het om de verschijning van de getuige en bij overbodigheid om de waarde van diens verklaring. De concrete toepassing van het ‘noodzakelijkheidscriterium’ behoeft niet altijd wezenlijk te verschillen van wat met de toepassing van het criterium van het ‘verdedigingsbelang’ zou worden bereikt.2. Als het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn verschijnt, dan mag van diens oproeping worden afgezien, omdat een strafproces binnen een redelijke termijn moet worden afgerond. De reden voor het afzien van de oproeping is niet gelegen in de mogelijke waarde van de verklaring van de getuige. De oproeping is daarom niet overbodig, maar nutteloos. Ervan uitgaande dat de verklaring van de getuige niet als overbodig wordt aangemerkt, mag niet te snel worden aangenomen dat de getuige niet (tijdig) zal verschijnen.3. Het gaat hier om een afweging tussen het belang van zowel de verdachte als de maatschappij bij een berechting binnen een redelijke termijn en het belang van de verdachte bij een eerlijk proces. Bij de afweging dient rekening gehouden te worden met de tijd die met een hernieuwde oproeping is gemoeid, of te verwachten is dat de getuige op een nadere terechtzitting zal verschijnen, de aard van de zaak, het belang van de getuigenverklaring voor de door de rechter te nemen beslissingen, de tijd die sinds de aanvang van de vervolging en van de pleegdata van de tenlastegelegde feiten reeds is verstreken, de omvang van de zaak en de samenhang daarvan met andere zaken (van de verdachte of medeverdachten).4. Tegen het belang van de verdachte bij een succesvolle verdediging moet het belang van een doelmatige en snelle procesvoering worden afgewogen.5. De beantwoording van de vraag naar de (on)aannemelijkheid dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn verschijnt, staat goed beschouwd los van de inhoud van hetgeen de getuige zou kunnen verklaren. Wordt aan de hand van het onderhavige criterium afgezien van (hernieuwde) oproeping, dan is het niet omdat de verklaring van de getuige overbodig wordt geacht, maar omdat die (hernieuwde) oproeping nutteloos is, want niet zal leiden tot het verschijnen van de getuige ter terechtzitting. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat het concrete verdedigingsbelang en de woorden ‘binnen een aanvaardbare termijn’ veronderstellen dat de rechter in zijn afweging dient te betrekken (i) de periode waarbinnen de getuige eventueel ter terechtzitting zal kunnen verschijnen, (ii) de aard van de zaak en ook, hoewel het hier als gezegd om nutteloosheid van de oproeping en niet om overbodigheid van de verklaring van de getuige gaat, (iii) het belang van de getuigenverklaring voor de door de rechter te nemen beslissing.6. Voorts kan (iv) de rechter hierbij de voorafgaande procesgang en de duur van de behandeling van de zaak in hoger beroep tot dan toe betrekken.7. Een getuige van wie niet aannemelijk is dat hij binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen, is volgens de Memorie van Toelichting een getuige die zonder bekende woon- of verblijfplaats is of een getuige die met onbekende bestemming het land heeft gelaten.8. Andere voorbeelden zijn, zie de Memorie van Antwoord, de getuige die in het buitenland is gedetineerd of een getuige die onvindbaar blijkt te zijn.9. Steeds zullen dus eerst de nodige inspanningen moeten zijn gedaan om te bewerkstelligen dat de getuige ter terechtzitting verschijnt, alvorens het verzoek tot het horen van de getuige rechtens kan worden afgewezen. Het verdedigingsrecht van de verdachte staat voorop; als uitgangspunt heeft te gelden dat het niet verschijnen van de getuige met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid moet vaststaan; de rechter mag niet te snel aannemen dat de getuige toch niet zal verschijnen. De Staat zal steeds voldoende moeite moeten doen om te zorgen dat de getuige verschijnt.10.
1.11
Ingeval de op verzoek van de verdediging opgeroepen en door de rechter toegewezen getuige niet ter zitting verschijnt, heeft de verdachte niet het bij art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM voorziene recht kunnen uitoefenen die getuige te (doen) horen omtrent diens niet ter terechtzitting afgelegde, de verdachte belastende verklaring.
1.12
Het uitgangspunt was en is dat:11.
‘Article 6 § 3 (d) enshrines the principle that, before an accused can be convicted, all evidence against him must normally be produced in his presence at a public hearing with a view to adversarial argument.’
1.13
Dat het uitgangspunt dus is dat een (belastende) getuige ter zitting door de rechter zelf zal moeten worden gehoord blijkt ook uit de uitspraak in de zaak Blokhin12. van 23 maart 2016 en is ook nog eens onderstreept in de zaak Cafagna13.:
‘The Court observed that C.C. had been questioned by the carabinieri but had never appeared before the trial court. Therefore, neither the latter nor the applicant had been able to observe him during questioning in order to assess his credibility and the reliability of his statements.
The Court also noted that the domestic courts had based their decisions not just on C.C.'s statements but also on the testimony of the carabiniere L.R. It observed that the Court of Appeal had examined C.C.'s credibility with care before concluding that his statements were sufficiently reliable.
Nevertheless, the Court considered that the examination by the domestic courts of the evidence of the applicant's guilt had not been sufficient, by itself, to compensate for the fact that the witness had not been questioned by the defence. However thorough the examination conducted by the trial court, it was not capable of providing the information that could be gleaned from a confrontation at a public hearing between the accused and his or her accuser, and hence of testing the reliability of the evidence. The Court therefore concluded that Mr Cafagna's defence rights had been restricted in a manner incompatible with the requirements of a fair trial, and found a violation of his right to a fair trial.’
(Press Release).
1.14
Het uitgangspunt dat de getuige ter terechtzitting ten overstaan van de rechter die uiteindelijk over de zaak beslist moet worden gehoord is voorts nog eens herhaald en tot uitdrukking gebracht in de zaak Chernika14.:
‘(ii) The principle of immediacy
- 47.
The Court has held that an important element of fair criminal proceedings is the possibility for the accused to be confronted with a witness in the presence of the judge who will ultimately decide the case. This principle of immediacy is an important guarantee in criminal proceedings in which the observations made by the court about the demeanour and credibility of a witness may have important consequences for the accused. Therefore, a change in the composition of the trial court after the hearing of an important witness should normally lead to the rehearing of that witness (see P.K. v. Finland (dec.), no. 37442/97, 9 July 2002).’
1.15
Bij de beantwoording van de vraag of nog sprake is van een ‘eerlijk proces’ hanteert het EHRM een drietrapsraket.15. De eerste vraag die het EHRM in zaken als de onderhavige pleegt te onderzoeken, is of er ‘a good reason’ was voor (1) het feit dat de getuige niet ter terechtzitting door de verdediging ondervraagd kon worden en voor (2) het feit dat diens verklaring desondanks voor het bewijs werd gebruikt. Het accent bij deze twee deelvragen ligt op de eerste deelvraag. In deze fase van de driestappentoets gaat het EHRM na of en zo ja in hoeverre de justitiële en rechterlijke autoriteiten enig verwijt treft voor het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid tot ondervraging van de getuige. Het EHRM legt de lat hoog. Van de autoriteiten wordt het nodige verwacht teneinde te bewerkstelligen dat de getuige in het strafproces behoorlijk en effectief kan worden ondervraagd.16. Als er een goede reden is voor de onmogelijkheid van ondervraging (de getuige is bijvoorbeeld overleden), dan brengt ‘the interest of justice’ (waarachter de positieve verplichting schuil gaat om te voorzien in een effectieve strafvervolging) doorgaans mee dat het gebruik van de verklaring gerechtvaardigd is.17. Bij die eerste deelvraag gaat het om het ondervragingsrecht ter terechtzitting. Dat wordt fraai geïllustreerd door de zaak Aigner tegen Oostenrijk. Klager werd vervolgd wegens poging tot verkrachting. Het slachtoffer werd in het vooronderzoek gehoord door de rechter-commissaris in het bijzijn van de verdediging die haar kon ondervragen. De gevolgde procedure bracht mee dat het slachtoffer naar Oostenrijks recht ontheven was van de verplichting om ter terechtzitting te getuigen. Het EHRM onderzocht eerst of er voor de niet-verschijning van het slachtoffer ter zitting een goede reden was en accepteerde dat die reden gevonden kon worden in de bescherming van het slachtoffer tegen secundaire victimisatie. Het feit dat er gelegenheid tot ondervraging was geweest bij de rechter-commissaris merkte het EHRM vervolgens aan als een ‘counterbalancing factor’.18.
1.16
Eerder heeft de Hoge Raad wel geoordeeld dat indien een door de rechter opgeroepen getuige niet ter terechtzitting verschijnt en het proces-verbaal van de terechtzitting niet vermeldt dat de advocaat-generaal bij het hof en de verdediging op de voet van art. 288, derde lid, Sv uitdrukkelijk hebben ingestemd met het afzien van de hernieuwde oproeping van de daar niet verschenen getuige de rechter op grond van het ook in hoger beroep toepasselijke voorschrift van art. 287, derde lid, Sv de hernieuwde oproeping van die getuige moet bevelen. Daarvan kon (o.g.v. art. 288 lid 3 Sv) slechts bij een met redenen omklede beslissing worden afgezien op de grond hetzij dat het onaannemelijk was dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zou verschijnen, hetzij dat het gegronde vermoeden bestond dat de gezondheidstoestand van de getuige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting ernstig in gevaar zou worden gebracht, hetzij dat door het achterwege blijven van de oproeping redelijkerwijs noch het openbaar ministerie in de vervolging noch de verdachte in zijn verdediging werd geschaad. Indien zo'n beslissing ontbrak leidde het ontbreken tot nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gewezen einduitspraak.19. Nadien heeft de Hoge Raad de verantwoordelijkheid voor het nakomen van de uit art. 6 EVRM voortvloeiende verplichtingen ten aanzien van de waarborging van een eerlijk proces in de schoenen van de verdediging geschoven. Indien een getuige bijvoorbeeld eerder onvindbaar zou zijn en de verdediging ter terechtzitting niet zou hebben gepersisteerd bij het verzoek de getuige te horen behoefde de rechter geen uitdrukkelijke beslissing op het verzoek te nemen.20. Dit is evenwel in strijd met de uit art. 6 EVRM voortvloeiende eisen.21.
1.17
Ook ten aanzien van het horen van (belastende) getuigen stelde de Hoge Raad in het verleden eisen aan de verdediging. Zo diende het verzoek door de verdediging te worden onderbouwd omdat van de verdediging mocht worden verlangd dat zij ten aanzien van iedere van de door haar opgegeven getuigen motiveert waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing.22.
1.18
In de zaak Keskin tegen Nederland23. heeft het EHRM evenwel de in Nederland gangbare praktijk als niet juist bestempeld. In deze uitspraak heeft het EHRM (onder meer en andermaal) benadrukt dat de driestappentoets onverkort geldt. Voorts heeft het EHRM aangegeven dat het ondervragingsrecht niet afhankelijk mag worden gesteld van de omstandigheid dat een verdachte geen beroep heeft gedaan op zijn zwijgrecht en dat het verdedigingsbelang moet worden verondersteld bij het verzoek van de verdediging om een belastende getuige te ondervragen.
1.19
In het zogenaamde Post-Keskin arrest24. van de Hoge Raad heeft de Hoge Raad de eerdere jurisprudentie bijgesteld. De uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin heeft volgens de Hoge Raad tot gevolg dat in bepaalde gevallen het belang bij het oproepen en horen van een getuige moet worden voorondersteld, zodat van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang mag worden verlangd. Dat is aan de orde als het verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al — in het vooronderzoek of anderszins — een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. Het gaat dan om een verklaring die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt. Daarvan is in ieder geval sprake als de rechter in eerste aanleg een verklaring van een getuige voor het bewijs heeft gebruikt en de verdediging in hoger beroep het verzoek doet deze getuige op te roepen en te (doen) horen. Wel kan (nog steeds) een verzoek worden afgewezen. Zo'n verzoek kan worden afgewezen op de — in artikel 288 lid 1 Sv genoemde, maar ook voor de toepassing van artikel 315 Sv van belang zijnde — gronden dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen, of dat het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid of het welzijn van de getuige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting in gevaar wordt gebracht, en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang de getuige ter terechtzitting te kunnen ondervragen. Verder verzet artikel 6 EVRM zich niet ertegen dat de rechter het verzoek afwijst als het oproepen en horen van een getuige onmiskenbaar irrelevant of overbodig (‘manifestly irrelevant or redundant’) is, omdat het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen indien de al door de getuige afgelegde verklaring betrekking heeft op feiten en omstandigheden die door de verdachte niet worden betwist of als die feiten en omstandigheden door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek al buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. De Hoge Raad stelt voorts dat de rechter, voordat hij einduitspraak doet, moet nagaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Zo nodig zal hij hetzij ambtshalve alsnog overgaan tot het oproepen en het horen van (een) getuige(n), hetzij bij zijn beslissing over de bewezenverklaring onder ogen moeten zien of en zo ja, welke gevolgen moeten worden verbonden aan de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid om de relevante getuige(n) in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen. Deze wijze van beoordeling sluit aan bij de drie stappen die in de rechtspraak van het EHRM deel uitmaken van de beoordeling of, in gevallen waarin de verdediging niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om het ondervragingsrecht uit te oefenen, het proces als geheel eerlijk is verlopen. Van belang hierbij zijn (i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. Deze beoordelingsfactoren moeten daarbij in onderling verband worden beschouwd. Naarmate het gewicht van de verklaring groter is, is het — wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt — des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan. Dit betekent dat met name in gevallen waarin niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen zonder dat die in beslissende mate zal steunen op de verklaring van de getuige, terwijl de verdediging het nodige initiatief heeft getoond om het ondervragingsrecht te kunnen uitoefenen en een goede reden ontbreekt om de getuige niet te horen, de rechter (alsnog) zal moeten overgaan tot het oproepen en horen van die getuige, althans nog zal moeten doen wat redelijkerwijs mogelijk is om de verdediging de gelegenheid te bieden tot uitoefening van het ondervragingsrecht. Als de uitoefening van het ondervragingsrecht niet wordt gerealiseerd, moet de rechter onderzoeken of voldoende compenserende factoren hebben bestaan voor de door de verdediging ondervonden beperkingen bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige, waarmee ook de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing wordt gewaarborgd. Als de rechter oordeelt dat (vooralsnog) onvoldoende compenserende factoren hebben bestaan, onderzoekt hij of daartoe alsnog stappen kunnen worden gezet. De uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin heeft tot gevolg dat in gevallen waarin een getuige een verklaring met een belastende strekking heeft afgelegd, het belang bij het oproepen en horen van die getuige moet worden voorondersteld, zodat van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang mag worden verlangd. In die gevallen zal indringender dan voorheen de vraag onder ogen moeten worden gezien of een ondervragingsgelegenheid kan en moet worden gerealiseerd. Daarnaast onderstreept de uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin het belang dat de rechter, alvorens de bewezenverklaring wordt aangenomen mede op grond van de verklaring van een niet-ondervraagde getuige, nagaat of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces.
1.20
Nadien heeft de Hoge Raad onder meer gesteld dat voor de beoordeling of wordt voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, het gewicht van de betreffende getuigenverklaring in de bewijsconstructie nog altijd een belangrijke beoordelingsfactor is. Dat doet er volgens de Hoge Raad echter niet aan af dat ook de aanwezigheid van een goede reden voor het niet kunnen ondervragen van de getuige en het bestaan van compenserende factoren in die beoordeling moeten worden betrokken, waarbij al deze beoordelingsfactoren in onderling verband dienen te worden beschouwd.25. Voorts heeft de Hoge Raad aangegeven dat de verdediging ook tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg of in hoger beroep verzoeken kan doen tot het (opnieuw) oproepen en horen van getuigen. Zo'n verzoek kan worden afgewezen indien (bijvoorbeeld) de rechter tot het oordeel komt dat het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben. Voor het oordeel dat zich een dergelijke situatie voordoet, zijn onder meer van belang de inhoud van de in de tenlastelegging tot uitdrukking gebrachte beschuldiging, de andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek die zich in het procesdossier bevinden, zoals verklaringen van andere getuigen, en de procesopstelling van de verdachte, een en ander in het licht van het verhandelde ter terechtzitting waaronder wat daar mogelijkerwijs nog door de verdediging naar voren is gebracht over het doel van de beoogde ondervraging.26. Bij de beoordeling of het proces als geheel eerlijk is verlopen, kan de omstandigheid dat de verdediging wel een beperkte mogelijkheid heeft gehad vragen te stellen aan een getuige voorts tot op zekere hoogte compensatie bieden voor het niet ten volle realiseren van de uitoefening van het ondervragingsrecht.27.
1.21
Op 12 september 2019 is de verdachte door de rechtbank Noord-Holland veroordeeld. Ten behoeve van de bewezenverklaring heeft de rechtbank onder meer een verklaring van [medeverdachte 2] voor het bewijs gebruikt. Op 25 september 2019 is de officier van justitie tegen dit vonnis is hoger beroep gegaan. De verdediging heeft op 25 september 2019 ook hoger beroep ingesteld. Namens de verdachte is in een tijdig ingediende schriftuur verzocht om een aantal getuigen te horen. Van die verzoeken zijn ter terechtzitting de verzoeken tot het horen van [getuige 4] en [medeverdachte 2] gehandhaafd. Deze getuigenverzoeken zijn door het hof toegewezen. [getuige 4] is gehoord door de raadsheer-commissaris. Met betrekking tot getuige [medeverdachte 2] heeft het hof nadien overwogen/geoordeeld dat [medeverdachte 2] niet kon worden gehoord omdat geen verblijfsadres van hem bekend is geworden. Daartoe heeft het hof overwogen dat volgens de afdeling Vreemdelingendienst van het Korps Politie Suriname inreisgegevens van [medeverdachte 2] bekend zijn waaruit blijkt dat [medeverdachte 2] op 20 januari 2021 in Suriname is aangekomen en dat er geen uitreisgegevens betreffende [medeverdachte 2] na deze datum bekend zijn. De verdediging heeft het verzoek tot het horen van [medeverdachte 2] gehandhaafd. De verdediging heeft aangevoerd dat de raadsheer-commissaris onvoldoende heeft gedaan om de verblijfplaats van deze getuige te achterhalen, omdat [medeverdachte 2] gesignaleerd had kunnen worden of dat zijn familie kon worden geraadpleegd. De raadsman heeft daarbij aangevoerd dat ook via [getuige 4] geïnformeerd kon worden naar de getuige en in het dossier geen bevel medebrenging zit. De verdediging heeft daarnaast aangevoerd dat [medeverdachte 2] volgens de gegevens van de afdeling Vreemdelingendienst van het Korps Politie Suriname in Suriname zit en het enkel informeren in Suriname onvoldoende is. Daarbij is nog aangegeven dat de suggestie is gedaan dat [medeverdachte 2] in [a-land] verblijft en ook daar geïnformeerd had kunnen worden naar hem. Het hof heeft het verzoek afgewezen en daartoe overwogen dat getuigen in beginsel worden opgeroepen aan de hand van vooraf opgegeven adres- en verblijfsgegevens; dat bij betekening van de oproeping in Nederland is bekend geworden dat [medeverdachte 2] in Suriname zou verblijven; dat dat via een door de raadsheer-commissaris uitgevaardigd rechtshulpverzoek bevestigd is door de Surinaamse autoriteiten en dat het horen niet gelukt is omdat in Suriname geen adres- of verblijfgegevens bekend zijn geworden. Vervolgens heeft het hof overwogen/geoordeeld dat daar de rol van de raadsheer-commissaris is opgehouden en er op dit moment geen nieuwe aanknopingspunten voor de verblijfplaats van [medeverdachte 2] zijn, wat betekent dat de getuige niet binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting gehoord kan worden, zodat het hof het verzoek van de raadsman heeft afgewezen. Ter terechtzitting in hoger beroep is vervolgens het voorwaardelijke verzoek gedaan om [medeverdachte 2] te horen indien en voor zover het hof diens verklaring tot het bewijs bezigt. Het hof heeft geoordeeld dat de verklaring voor het bewijs wordt gebezigd. Daartoe heeft het hof onder meer overwogen dat [medeverdachte 2] niet in de bevolkingsadministratie van Suriname voorkomt en dat hij ook geen logeeradres opgegeven heeft, zodat van hem geen adres bekend is in het buitenland; moet worden aangenomen dat de getuige nog in Suriname verblijft; van de getuige geen adres- of verblijfsgegevens bekend zijn en ook de raadsman geen nieuwe informatie terzake verstrekt heeft, zodat die stand van zaken het onaannemelijk is dat de getuige [medeverdachte 2] binnen aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen, zodat het verzoek om [medeverdachte 2] te horen wordt afgewezen. Het hof heeft vervolgens de verklaring van [medeverdachte 2] als bewijsmiddel gebezigd. Nu verdachte niet in staat is gesteld de belastende getuige te horen heeft het hof ten onrechte niet doen blijken daarbij te hebben nagegaan of er compenserende maatregelen zijn getroffen en/of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, zodat het arrest, althans de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.28.
Middel II
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de art. 282 Sr alsmede 359 en 415 Sv, en wel om het navolgende:
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan (verkort zakelijk weergegeven) het op 1 december 2016 medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving van [benadeelde 1] de dood als gevolge hebbend.
De verdachte heeft het tenlastegelegde ontkend. Namens de verdachte is vrijspraak bepleit (onder meer) omdat (verkort zakelijk weergegeven) het causale verband tussen de gedragingen van verdachte(n) en het overlijden van [slachtoffer] ontbreekt. Daartoe is aangevoerd dat niet duidelijk is hoe, waar, wanneer en onder welke verdere omstandigheden [slachtoffer] is verdronken en of verdachte hiervan op de hoogte was. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat [slachtoffer] overlijden voor verdachte voorzienbaar was.
Het hof heeft overwogen/geoordeeld dat dient te worden bezien of de dood van [slachtoffer] redelijkerwijs aan de gedragingen van [verdachte], [medeverdachte 3] en de NN-man, die zij in het kader van deze vrijheidsberoving hebben verricht, kan worden toegerekend.
Het hof heeft daartoe vastgesteld dat [slachtoffer] op zijn vlucht voor [verdachte], [medeverdachte 3] en de NN-man het water is ingegaan, waarna hij is verdronken en dat de verdachten door hun handelen, te weten de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer], een reeks van gebeurtenissen in gang hebben gezet die uiteindelijk heeft geleid tot de dood van [slachtoffer]. Het hof heeft overwogen/geoordeeld dat [verdachte], [medeverdachte 3] en de NN-man met zijn drieën in de Chrysler van [medeverdachte 3] naar de garage zijn gegaan, waar [slachtoffer] in de kantine reeds van zijn vrijheid beroofd werd gehouden; zij getalsmatig in de meerderheid waren; [verdachte] woedend was en [slachtoffer] heeft geslagen; hij geld wilde van [slachtoffer]; [slachtoffer] hardhandig in de auto van [medeverdachte 3] gezet is; [verdachte], [medeverdachte 3] en de NN-man met [slachtoffer] wegreden; [slachtoffer] niet wist waar ze naartoe gingen; [verdachte] aan [slachtoffer] een vuurwapen heeft getoond; [verdachte], [medeverdachte 3] en de NN-man [slachtoffer] in de auto hebben meegenomen naar de [c-straat] in [b-gemeente], waaraan een strandje is gelegen; het daar donker was; [slachtoffer] kennelijk mishandeld is door een van de drie vervoerders; [verdachte] op het strand nogmaals aan [slachtoffer] een vuurwapen heeft getoond, daarmee op hem gewezen en heeft gezegd dat [slachtoffer] geen geintjes moest uithalen; [slachtoffer] reeds twee uur van zijn vrijheid beroofd werd gehouden toen men aankwam op het strandje en zij geenszins van plan waren om [slachtoffer] vrij te laten.
Het hof heeft overwogen/geoordeeld dat een wederrechtelijke vrijheidsberoving naar de aard van het delict als gevolg kan hebben dat het slachtoffer een vluchtpoging onderneemt, waarbij het slachtoffer — onder meer afhankelijk van zijn vrees voor degenen die hem vasthouden, de mate van dreiging die van de overige omstandigheden van de wederrechtelijke vrijheidsberoving uitgaat, zijn inschatting van wat er nog komen gaat en de mogelijke paniek waarin hij verkeert — al dan niet bewust risico's neemt op zijn vlucht.
Het hof heeft voorts overwogen/geoordeeld dat [slachtoffer] in een uitermate bedreigende en op dat moment voor hem ook uitzichtloze situatie verkeerde als gevolg van het handelen van [verdachte], [medeverdachte 3] en de NN-man. Het hof heeft verder overwogen dat tegen deze achtergrond [slachtoffer], kennelijk geen andere uitweg ziende, een risicovolle vluchtpoging heeft ondernomen door het water in te gaan, hetgeen hem fataal is geworden en de dood van [slachtoffer] in redelijkheid aan [verdachte], [medeverdachte 3] en de NN-man kan worden toegerekend.
Het oordeel van het hof, dat de dood van [slachtoffer] aan de verdachten kan worden toegerekend, is niet zonder meer begrijpelijk, althans onvoldoende met redenen omkleed nu niet zonder meer vast staat wát [slachtoffer] precies fataal is geworden. Het hof heeft in feite slechts vastgesteld dat verdrinking een mogelijke doodsoorzaak is, maar niet meer dan dat. Aangenomen kan voorts worden dat het enkele in het water springen en het enige tijd in het water verblijven niet, althans niet zonder meer, het gevolg meebrengt dat diegene overlijdt, ook niet als het water 6 graden Celsius is. Bovendien heeft het hof in feite louter vastgesteld wat de watertemperatuur was ten tijde van het in het water aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer], op 22 december 2016. Dit in tegenstelling tot de temperatuur van de dag [slachtoffer] klaarblijkelijk te water geraakt is, op 1 december 2016. Terwijl het juist de buiten- en watertemperatuur op laatstgenoemde dag is die door het hof kennelijk relevant — zo niet doorslaggevend — is voor het al dan niet kunnen toerekenen van de dood van [slachtoffer] aan de verdachten. Uit de bewijsmiddelen kan voorts niet, althans niet zonder meer, volgen hoe lang [slachtoffer] in het water is gebleven. Daarbij kan niet zonder meer uit de bewijsmiddelen volgen hoelang de verdachten op het strand hebben gezocht naar [slachtoffer].
Zonder nadere feitelijke vaststellingen kan niet worden gezegd dat de in de bewijsmiddelen vastgestelde gedragingen van verdachten een redelijkerwijs voorzienbare kans op letsel, laat staan de dood, met zich mee hebben gebracht en dat het overlijden van het slachtoffer redelijkerwijze als gevolg van de wederrechtelijke vrijheidsberoving aan de verdachte en de medeverdachten kan worden toegerekend.
Gelet op het bovenstaande is de verwerping van het verweer en/of de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed.
Toelichting
2.1
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
‘hij op of omstreeks 1 december 2016 te [a-plaats], gemeente [a-gemeente], en/of [b-gemeente] en/of(elders in) Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon, genaamd [benadeelde 1], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, met het oogmerk (een) ander(en), te weten O. [getuige 4] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer ander(en), te dwingen iets te doen, te weten het betalen/overhandigen van een hoeveelheid geld en/of niet te doen,
immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) meermalen, althans eenmaal,
(te [a-plaats] en/of elders in Nederland)
- —
contact onderhouden met een of meer medeverdachte(n) en/of
- —
die [slachtoffer] beticht van oplichting van een of meer klant(en) van garage [garage] en/of (een) ander(en) en/of
- —
achter die [slachtoffer] aangerend en/of die [slachtoffer] vastgepakt en/of geduwd en/of geslagen en/of
- —
die [slachtoffer] (in een ruimte) tegen diens wil vastgehouden en/of opgesloten en/of die [slachtoffer] belet het pand en/of de ruimte waarin die [slachtoffer] verbleefte verlaten en/of
- —
contact onderhouden met [getuige 4] en/of [medeverdachte 2] ten behoeve van het betalen en/of overhandigen van een geldbedrag en/of
- —
die [slachtoffer] bedreigd en/of naar die [slachtoffer] geschreeuwd en/of
- —
die [slachtoffer] naar een voertuig (welke garage [garage] was binnengereden) begeleid en/of (vervolgens) die [slachtoffer] in (genoemd) voertuig (onder dwang) doen of laten plaatsnemen en/of die
[slachtoffer] belet het voertuig te verlaten en/of
(te [b-gemeente] en/of elders in Nederland)
- —
die [slachtoffer] (tegen diens wil) verplaatst naar [b-gemeente], althans een plaats in Nederland, en/of die [slachtoffer] belet het voertuig waarin hij zich bevond te verlaten en/of
- —
die [slachtoffer] bedreigd en/of
- —
contact onderhouden met een of meer medeverdachte(n) en/of
- —
contact onderhouden met [getuige 4] en/of [medeverdachte 2] ten behoeve van het betalen en/of overhandigen van een geldbedrag en/of
- —
op/nabij NS station [b-gemeente] afgesproken met [medeverdachte 2] voor het verkrijgen van geld en/of
- —
die [slachtoffer] vervoerd naar een strandje aan de [c-straat] en/of(aldaar) die [slachtoffer] uit het voertuig doen of laten stappen en/of die [slachtoffer] (aldaar) bedreigd en/of met een vuurwapen (op en/of in de richting van die [slachtoffer]) geschoten en/of een vuurwapen aan die [slachtoffer] getoond en/of fysiek geweld op die [slachtoffer] toegepast en/of(zodoende) een voor die [slachtoffer] bedreigende situatie gecreëerd,
(waarna die [slachtoffer] te water is geraakt) ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;
en/of
hij op of omstreeks 1 december 2016 te [a-plaats], gemeente [a-gemeente], en/of [b-gemeente] en/of (elders, in) Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon, genaamd [benadeelde 1], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden,
immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) meermalen, althans eenmaal,
(te [a-plaats] en/of elders in Nederland)
- —
contact onderhouden met een of meer medeverdachte(n) en/of — die [slachtoffer] beticht van oplichting van een of meer klant(en) van garage [garage] en/of (een) ander(en) en/of — achter die [slachtoffer] aangerend en/of die [slachtoffer] vastgepakt en/of geduwd en/of geslagen en/of
- —
die [slachtoffer] (in een ruimte) tegen diens wil vastgehouden en/of opgesloten en/of die [slachtoffer] belet het pand en/of de ruimte waarin die [slachtoffer] verbleef te verlaten en/of
- —
contact onderhouden met [getuige 4] en/of [medeverdachte 2] ten behoeve van het betalen en/of overhandigen van een geldbedrag en/of
- —
die [slachtoffer] bedreigd en/of naar die [slachtoffer] geschreeuwd en/of
- —
die [slachtoffer] naar een voertuig (welke garage [garage] was binnengereden) begeleid en/of (vervolgens) die [slachtoffer] in (genoemd) voertuig (onder dwang) doen of laten plaatsnemen en/of (vervolgens die [slachtoffer] belet het voortuig te verlaten en/of
(te [b-gemeente] en/of elders in Nederland)
- —
die [slachtoffer] (tegen diens wil) verplaatst naar [b-gemeente], althans een plaats in Nederland, en/of die [slachtoffer] belet het voertuig waarin hij zich bevond te verlaten en/of
- —
die [slachtoffer] bedreigd en/of — contact onderhouden met een of meer medeverdachte(n) en/of
- —
contact onderhouden met [getuige 4] en/of [medeverdachte 2] ten behoeve van het betalen en/of overhandigen van een geldbedrag en/of
- —
op/nabij NS station [b-gemeente] [b-gemeente] afgesproken met [medeverdachte 2] voor het verkrijgen van geld en/of
- —
die [slachtoffer] vervoerd naar een strandje aan de [c-straat] en/of(aldaar) die [slachtoffer] uit het voertuig doen of laten stappen en/of die [slachtoffer] (aldaar) bedreigd en/of met een vuurwapen (op en/of in de richting van die Boerénveen) geschoten en/of een vuurwapen aan die [slachtoffer] getoond en/of fysiek geweld op die [slachtoffer] toegepast en/of (zodoende) een voor die [slachtoffer] bedreigende situatie gecreëerd, (waarna die [slachtoffer] te water is geraakt) ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.’
2.2
In het vonnis heeft de rechtbank bewezen verklaard dat verdachte (verkort zakelijk weergegeven) op 1 december 2016 te [a-plaats], gemeente [a-gemeente], en/of [b-gemeente] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [benadeelde 1] wederrechtelijk van de vrijheid beroofd heeft gehouden. Door de rechtbank zijn de verdachten vrijgesproken van het geobjectiveerde gevolg, te weten de dood van [slachtoffer]. De rechtbank heeft daartoe overwogen:
‘De rechtbank kan de vraag of het overlijden van [slachtoffer] redelijkerwijs kan worden toegerekend aan verdachte niet bevestigend beantwoorden. Op grond van de hierboven vermelde omstandigheden en bij gebreke van overig ter zake relevant bewijs is niet duidelijk hoe, waar, wanneer en onder welke verdere omstandigheden [slachtoffer] is verdronken en of verdachte hiervan op de hoogte was. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat [slachtoffer] overlijden voor verdachte voorzienbaar was. De omstandigheid dat [verdachte] op het strand nogmaals met zijn pistool op de van zijn vrijheid beroofde [slachtoffer] heeft gewezen waarna [slachtoffer] is gevlucht, is daarvoor onvoldoende. Van belang is dat niet gebleken is dat verdachte [slachtoffer] daarna nog heeft gezien terwijl informatie wat er vervolgens met [slachtoffer] is gebeurd, ontbreekt. Uit de inhoud van de bewijsmiddelen dient méér te blijken ten aanzien van verdachtes gedragingen of nalaten en de omstandigheden waaronder het slachtoffer is verdronken, wil van redelijke toerekening van diens overlijden aan verdachte sprake kunnen zijn.’
2.3
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 7 september 2021 is onder meer gerelateerd dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard:
‘Ik weet niet wat er met [slachtoffer] is gebeurd. Het is zo lang geleden. Ik weet ook niet met wie ik in de garage was. Het klopt dat ik naar de garage ben gegaan om bij [slachtoffer] geld te halen. Ik ken [medeverdachte 3] via een neef van mij. Ik heb niets van [medeverdachte 3] gehuurd, geen auto en geen telefoon. Ik was wel in de garage. Ik weet niet of [medeverdachte 3] daarbij was. Ik wil niet zeggen wie daar wel bij aanwezig waren.
U houdt mijn verklaring in eerste aanleg voor. Het klopt wat u mij voorhoudt. Ik weet niet waarom ik [slachtoffer] een klap heb gegeven.
Ik ben niet op het strandje geweest. Ik ging met [slachtoffer] mee. Hij zei dat hij geld ging halen. [slachtoffer] kwam met het idee om naar [b-gemeente] te gaan. Ik ben niet bij het station in de [b-gemeente] geweest. Ik ben met [slachtoffer] in de auto blijven zitten. De twee andere jongens zijn uitgestapt. Dit was op initiatief van [slachtoffer]. Hij zei ‘laat die andere twee gaan’. Ik weet niet of [medeverdachte 2] die andere twee jongens wel of niet kende. [slachtoffer] werd niet tegen zijn wil in de auto gehouden. Hij kon gewoon uitstappen. Hij zei tegen de jongens ‘gaan jullie het geld halen, ik blijf hier’.
Ik liet [slachtoffer] het pistool zien om stoer te doen. Ik wilde hem bang maken, zodat hij met geld over de brug kwam. Hij moest geen geintjes met mij uithalen. Dat is ook wat ik tegen hem zei. [slachtoffer] is een oplichter en hij belazert de boel. Ik ging ervan uit dat iemand naar het strandje zou komen, omdat hij dit had gezegd. Ik kan mij niet herinneren dat ik hem bang heb willen maken om te voorkomen dat hij de benen zou nemen.
Nadat de twee jongens terugkwamen, is er niets besproken. [slachtoffer] ging bellen. Ik weet niet wie hij heeft gebeld. Hij moest betalen. Ik had het idee dat hij op een speciale plek had afgesproken met de persoon die hij aan de telefoon had. [slachtoffer] gaf instructies. Hij zei: ‘laten we naar [b-gemeente] Haven rijden, naar het strandje’. Hij wist de weg. Ik dacht niet aan een mogelijk gevaar voor mijn eigen leven. Ik wilde alleen mijn geld.
Het klopt dat ik mijn pistool aan [slachtoffer] heb laten zien, maar ik heb het pistool niet op hem gericht. Het ging om een echt vuurwapen. Ik weet niet of het wapen geladen was: Ik had het wapen toevallig die dag bij mij. Ik heb vaker een wapen bij mij. [slachtoffer] kon gaan en staan waar hij wilde. Hij stelde voor om uit de auto te stappen en dat iemand geld zou komen brengen. Ik zei tegen [slachtoffer] dat hij geen geintjes moest maken. Ik heb verder niets tegen hem gezegd. De twee jongens bleven in de auto zitten en wij stonden buiten te wachten. Vervolgens is [slachtoffer] hem gepeerd. Ik weet niet of ik iets tegen hem heb geroepen, maar we zijn hem wel gaan zoeken. Ik wilde mijn geld.
Op uw vraag of [slachtoffer] het ook zo zal hebben ervaren dat hij kon gaan en staan waar hij wilde, sluit ik me aan bij de opmerking die mijn raadsman maakt: ik kan niet in het hoofd van [slachtoffer] kijken. Ik sluit overigens niet uit dat [slachtoffer] zogenaamd iemand heeft gebeld. Hij heeft met zijn eigen telefoon gebeld en niet met mijn telefoon. We zijn naar [b-gemeente] strand gereden. Het was een open plek bij de dijk. Ik kan mij niet meer herinneren hoe laat het was. Het was een bosrijk gebied. Het zou kunnen dat het donker was toen wij daar aankwamen.
()
Wij kwamen uit de richting van [b-gemeente]. We stonden langs de weg. Daarna zijn wij op de dijk gereden. Het was een lange weg. Ik weet niet meer vanuit welke kant dat is geweest. Vervolgens zijn wij langs de weg gestopt. Ik stond op de verharde weg. Ik moest hier van [slachtoffer] stoppen. We stonden vervolgens buiten de auto te wachten. [slachtoffer] zei dat de persoon eraan zou komen. Vervolgens rende hij weg. Het klopt dat ik met één jongen achter [slachtoffer] ben aangerend. Hij rende richting de bosjes. We zagen hem opeens niet meer. Ik heb niet over zand gerend, maar over gras. We hebben met de auto naar hem gezocht op het strand en met de koplampen op het strand geschenen. Wij zagen hem niet meer. Ik weet niet hoe lang ik heb gezocht. Ik heb gezocht want ik wilde mijn geld hebben. Ik denk dat het ongeveer een kwartiertje of een half uurtje is geweest. Het is mij niet gelukt hem te vinden. Ik weet niet of de auto op de bosjes heeft geschenen of richting het water.
U houdt mij het proces-verbaal van bevindingen van 13 februari 2017 voor dat betrekking heeft op een Telegramgesprek tussen ‘[naam 1]’ en ‘[naam 2]’ op 8 december 2016. Ik ben ‘[naam 2]’. ‘[naam 1]’ is een vriend van mij. ‘[naam 3]’ is inderdaad [naam 3], dat klopt. Met ‘meenemen’ bedoel ik niet letterlijk meenemen. Ik ben met [slachtoffer] weggegaan. Ik wist niet waar [slachtoffer] na 1 december 2016 was. Wist ik het maar. Met ‘niemand wilde helpen’ bedoelde ik dat niemand geld wilde betalen. [slachtoffer] heeft mij ook niet betaald. Niemand wilde geld voor hem betalen. Met ‘slopen’ bedoel ik dat ik [slachtoffer] een klap heb gegeven. Dat was in de garage, de klap was niet zo hard dat hij daar letsel van heeft opgelopen. Ik heb hem 1 keer tegen zijn lijf geslagen. Ik heb hem niet tegen zijn hoofd geslagen. Het was niet zo hard dat er sprake was van letsel. U houdt mij voor dat het lijkt of het in het Telegramgesprek gaat om een verklaring uit eigên wetenschap van mij. Ik heb later gehoord dat [slachtoffer] in hét water is gesprongen. Het klopt dat ik een vuurwapen heb laten zien. Dat [slachtoffer] in het water is gesprongen heb ik op straat gehoord. Ik weet niet van wie. Dat gerucht op straat was in ieder geval niet van mij afkomstig.
U houdt mij voor dat [naam 1] het in dit gesprek over een ‘filmpje’ heeft. Met filmpje’ wordt bedoeld, het filmpje dat net ter zitting in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 4] is getoond. Ik vond dat filmpje echt schandalig.
U houdt mij het sectierapport voor waarin is opgenomen dat bij [slachtoffer] letsels zijn geconstateerd, die zijn ontstaan kort voor zijn overlijden. U houdt mij voorts de overige onderzoeksresultaten uit het dossier voor, betreffende zijn overlijden en de omstandigheden waaronder zijn lichaam is aangetroffen. Ik heb [slachtoffer] geen klappen gegeven op het strand. Ik heb niet de auto oftelefoon van [medeverdachte 3] gehuurd. De details weet ik niet. Op straat werd gezegd dat ik iets met de dood van [slachtoffer] had te maken. Daarna ben ik neergeschoten. Ik weet niet door wie… Ook weet ik niet of dit met deze zaak te maken heeft. Nu komen alle nare herinneringen weer naar boven. Ik heb niets met de dood van [slachtoffer] te maken. Ook weet ik niet hoe hij is gestorven. Op een gegeven moment zijn wij weggegaan bij het strandje, omdat ik een wapen bij mij had. Ik ben naar Amsterdam gereden, omdat ik daar een afspraak in de Bijlmer had. Daar heb ik toevallig [medeverdachte 5] ontmoet. Vanaf de Bijlmer zijn wij richting het huis van mijn moeder gereden. Ik stond daar destijds ingeschreven. Vanaf [b-gemeente] ben ik met [medeverdachte 5] teruggegaan naar Amsterdam. Ik ben niet met [medeverdachte 5] naar het strandje gereden. U houdt mij voor dat ik volgens de politie met [medeverdachte 5] naar [b-gemeente] ben gereden. Ik weet niet wat ik daar deed of waarom ik daarheen ging. Ik ging niet daarheen om [slachtoffer] te zoeken. Op het strandje heb ik [medeverdachte 3] niet gezien.
()
Het klopt dat [A]‘ [A] is. Het gesprek gaat over de auto op [b-gemeente] strand. [slachtoffer] is toen richting de bosjes gerend. Ik heb hem niet in een andere richting zien rennen. Ook heb ik niet gezien dat hij bij het water was. Ik had [A] gebeld om mij te helpen met het slepen van de auto. Ik weet niet hoe laat dit contact is geweest of met welk nummer ik heb gebeld. De auto stond vast. Waarom [A] dit ontkent weet ik niet. Dit zult u aan hem moeten vragen. Ik heb het niet met [A] over [slachtoffer] gehad. Tijdens het gesprek hadden wij het erover of de auto er al uit was. [A] was niet aanwezig op het strandje. ()’
2.4
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 8 september 2021 is onder meer gerelateerd dat mr. J. de Vries, advocaat te Amsterdam, raadsman van verdachte, ter terechtzitting het woord tot de verdediging heeft gevoerd overeenkomstig de overgelegde pleitnota. Hierin is onder meer vermeld:
‘Eveneens wordt verzocht cliënt vrij te spreken van het geobjectiveerde gedeelte van de tenlastelegging, te weten: de dood van [slachtoffer]. Anders dan de AG en gelijk aan de inhoud van mijn pleidooi in eerste aanleg stelt de verdediging dat de dood (van [slachtoffer]) [verdachte] niet kan worden toegerekend.
Voor de tenlastelegging als geheel ontbreekt dus het wettig én overtuigende bewijs en zoals gezegd, ook voor de onderscheidenlijke gedeelten geldt dat. Uw hof wordt verzocht dat bij eindarrest ook als zodanig uit te spreken.
Allereerst nog een aantal opmerkingen over de opzet van dit pleidooi (en de daaronder liggende pleitnota).
In e-mailcorrespondentie met de voorzitter heb ik uw hof al voorgehouden dat wordt verzocht om de inhoud van mijn pleitnota (uit eerste aanleg) vandaag als herhaald en ingelast te beschouwen. Ik heb aangegeven dat het mij geen goed idee lijkt het pleidooi uit eerste aanleg opnieuw en integraal voor te dragen. Uw hof was het daarmee eens en heeft desgevraagd aangegeven hiermee akkoord te gaan. Ik zal dat dan ook niet doen. Een afschrift van mijn pleitnota uit eerste aanleg heb ik dus aan deze pleitnota gehecht. Ik verzoek in dit stadium en zekerheidshalve al (wel) om een afschrift van deze pleitnota (met inbegrip van de pleitnota uit eerste aanleg) aan het PV van de zitting te hechten (en met inachtneming van beide arrest te wijzen).
Tegelijkertijd geldt dat ik er simpelweg niet aan ontkom, met name ook gelet op het requisitoir van de AG, gedeelten opnieuw aan uw hof voor te houden. Ik ga dat uitsluitend doen ten aanzien van de strafverzwarende omstandigheid (te weten: de dood). Dat doe ik ook en bovenal, omdat ik meen dat de inhoud destijds goed en overtuigend op papier is gekomen. Tegelijkertijd lijkt hier het zwaartepunt (van de behandeling in hoger beroep) te liggen. Daarnaast snijdt de inhoud domweg hout. Tot slot geldt dat er in deze zaak nagenoeg niets is veranderd, sinds het vonnis van de rechtbank in september 2019. Eén en ander op een verhoor van getuige [getuige 4] na. Daar kom ik dan ook uitgebreid over te spreken. In verband met het voornoemde geldt in ieder geval dat ik ten aanzien van sommige deelverweren meen te kunnen volstaan met een verwijzing naar het pleidooi uit eerste aanleg.
()
In het kader van de tenlastegelegde strafverzwarende omstandigheid, te weten: ‘de dood ten gevolge hebbende’ wordt (in aanvulling op de pleitnota in eerste aanleg) het navolgende opgemerkt. Allereest geldt dat het vonnis op dat punt dient te worden bevestigd. Althans, de door de rechtbank uitgesproken vrijspraak (in deze) is goed gemotiveerd en dient in ieder geval in stand te blijven. Verzocht wordt als zodanig te oordelen.
Ik had dan nog toegezegd stil te staan bij de term ‘voorzienbaar(heid)’. De voorzitter refereerde hier gisteren expliciet aan, in reactie op het requisitoir van de AG. Terecht, denk ik. Deze term wordt door de HR en in (standaard)jurisprudentie bij het bespreken van causaliteit en meer specifiek in verband met de leer van de redelijke toerekening niet (meer) gehanteerd. ‘Voorzienbaar(heid)’ wordt door mij in mijn pleitnota in eerste aanleg wel meermaals gebruikt. Ik ben nagegaan hoe ik hiertoe ben gekomen. Dat ik deze term hanteer, is gelegen in het feit dat de OvJ deze term in requisitoir heeft gebruikt. Ik heb daarop gereageerd en ik heb deze term in het kader van causaliteit overgenomen. Overigens lijkt het erop dat de OvJ deze term uitsluitend gebruikt, omdat zij aansluiting zoekt bij het Apeldoornse containerarrest, waarin het hof de voorzienbaarheid benoemt in het kader van de leer van de redelijke toerekening. Ik kom daar nog over te spreken. In ieder geval geldt dat ik vandaag, en overigens ook in eerste aanleg, het standaardarrest op dit punt als uitgangspunt neem.
Voor de redelijke toerekening in deze zaak is dus vereist dat vastgesteld wordt dat de handelingen van [verdachte] een onmisbare schakel hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot de dood van [slachtoffer] hebben geleid, alsmede dat aannemelijk is dat de dood van [slachtoffer] met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door de gedragingen van [verdachte] zijn veroorzaakt. Handvatten bij deze toetsing zijn de vragen of de gedragingen van [verdachte] naar haar aard geschikt waren om het gevolg (de dood) teweeg te brengen en bovendien naar ervaringsregels van dien aard waren dat zij het vermoeden wettigt dat deze hebben geleid tot het intreden van het gevolg.
De gedragingen van [verdachte] komen in het kort neer op een afpersing. Ik heb dat eerder besproken. Aan de orde is dan ook: heeft de afpersing van [slachtoffer] door [verdachte] het gevaar dat [slachtoffer] zou komen te overlijden in zodanige mate verhoogd dat dat overlijden redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend als gevolg van zijn handelen of nalaten?
Ik kom daar zo nog over te spreken, maar allereerst nog dit. Hoezeer de suggestie van verdrinking ook aan de orde moge zijn, feit blijft dat de deskundigen een doodsoorzaak niet hebben kunnen vaststellen. Dat is onbevredigend, dat is cru, dat begrijp ik allemaal, maar het is voor de strafrechtelijke beoordeling van het verwijt jegens cliënt wel (één van) de belangrijkste conclusie(s). Als je al zou menen dat met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid kan worden vastgesteld dat [slachtoffer] te water zou geraken (of ‘te water is gegaan’, zie het requisitoir van de AG), misken je dat onbekend is gebleven hoe, waaraan, op welk moment of waardoor [slachtoffer] om het leven is gekomen.
Uw hof weet als geen ander hoe bepalend, althans relevant die doodsoorzaak is voor uw standpunt over de vraag of [verdachte] — de leer van de redelijke toerekening is daarbij het uitgangspunt — verantwoordelijk kan worden gehouden voor de dood (van [slachtoffer]). Hetzelfde geldt natuurlijk voor het OM. Dat het OM in hoger beroep blijft volharden in de stelling dat [slachtoffer] is verdronken, is wonderlijk en nog altijd ongepast. Ik herhaal dat nog maar eens. Dat die conclusie zo stellig wordt geformuleerd doet bovendien afbreuk aan het vertrouwen dat verdachten in een objectieve behandeling (door het OM) mogen hebben.
Ten aanzien van het overlijden van [slachtoffer] geldt dat meer dan de patholoog heeft overwogen, niet kan worden vastgesteld. Zo simpel is het. En ik benoemde dat al, ik kan me voorstellen dat zoiets onbevredigend is, zeker voor de nabestaanden. Het is tegelijkertijd echter niet zo dat bewijsprincipes of strafrechtelijke overtuigingen over deskundigenbewijs aan een soort van conjunctuur onderhevig zijn. Ook dat zou het OM toch moeten weten.
Naast de doodsoorzaak zijn de overige resultaten of bevindingen van technische en forensische aard cruciaal, althans dat geldt in dit geval voor het ontbreken ervan. Nogmaals, als al met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid kan worden vastgesteld dat [slachtoffer] te water zou geraken of te water is gegaan, dien je in het verlengde daarvan ook niet blind te zijn voor het gegeven dat de omstandigheden waaronder dit plaatsvond volstrekt onduidelijk zijn (gebleven). In dat kader had ik moeite met de inhoud van het requisitoir in eerste aanleg en houd ik dat in hoger beroep. Het OM blijft zeer stellig en onomwonden, maar als je de conclusies van het OM naast de inhoud van de technische en forensische bevindingen legt dan valt op dat de conclusies niet worden gedekt door onderliggende feiten en omstandigheden.
In die zin zijn de onderdelen van het requisitoir (ook in hoger beroep), waarin wordt betoogd dat het te water raken (in aanzienlijke mate) waarschijnlijk was, in het geheel niet nader onderbouwd en slechts suggesties. Zeker als je meent dat cliënt voor zijn rol 32 maanden gevangenisstraf opgelegd zou moeten krijgen, zijn de bevindingen hieromtrent nogal relevant voor de waarheidsvinding. Als je die niet kent, hoe kan cliënt de dood van [slachtoffer] dan worden toegerekend?
Ik zal dat specifieker maken. Het is natuurlijk niet zozeer de vraag óf [slachtoffer] in het water is terechtgekomen, maar hoe, waar en wanneer dat is gebeurd. Als je een verdachte hiervoor verantwoordelijk wil houden, zal het onderzoek dit moeten uitwijzen. En bij het uitblijven van relevante resultaten op dit punt, zul je voorzichtig moeten zijn bij het formuleren van conclusies hierover. Immers, het toerekenen van de dood is fors en ingrijpend. Op dit punt kun je niet volstaan met het presenteren van een conclusie, die in feite niet meer is dan gebaseerd op een groot aantal aannames.
Want kan de AG (ik vroeg het de OvJ in eerste aanleg ook) mij vertellen hoe diep het water daar eigenlijk is? Tot hoever vanaf de kant kon [slachtoffer] eigenlijk in het water staan? Heeft hij dat gedaan? Heeft hij gezwommen en zo ja, waar naartoe? Hoe lang duurt het eigenlijk voordat je in dat water onderkoeld raakt of voordat je je bewustzijn verliest? Was [slachtoffer] überhaupt bij bewustzijn toen hij te water raakte? Waar is hij precies te water geraakt? Was dat langs het strand of op een andere plek?
Het zijn allemaal meer dan relevante vragen, (juist) als je de dood (geobjectiveerd) aan een verdachte ten laste legt, omdat je in dat geval dus te maken hebt met de leer van de redelijke toerekening. Ik stel vast dat het dossier deze vragen onbeantwoord laat. Daar waar het OM dus zegt, ‘[verdachte], je had dit kunnen voorzien’, meen ik dat op basis van het ontbreken van technische en forensische bevindingen terughoudendheid gepast is.
Het klinkt allicht oneerbiedig, maar neemt u van mij aan, ik bedoel dat niet zo en ik ben bloedserieus; het dossier geeft op de keper beschouwd niet (eens) ondubbelzinnig antwoord op de vraag of [slachtoffer] nog leefde, althans bij bewustzijn was, vóórdat hij te water is geraakt. En ook dat is meer dan relevant, nu als onderdeel van de tenlastelegging geldt dat [slachtoffer] door toedoen van cliënt in het water is terechtgekomen waardoor/waarna hij is overleden. In technisch forensische zin zijn de omstandigheden waaronder dit heeft plaatsgevonden één groot raadsel (gebleven). Wanneer we de deskundigen als uitgangspunt nemen, en dat doen we, dan volgt daaruit dat niet kan worden vastgesteld dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van verdrinking; die doodsoorzaak dient ‘slechts’ te worden overwogen.
Ik heb met het voorgaande geprobeerd te schetsen wat de beperkingen van dit onderzoek zijn. Zonder doodsoorzaak is er wat de verdediging betreft geen causaliteit. Wanneer niet kan worden vastgesteld hoe [slachtoffer] is overleden, kan het voor een bewezenverklaring vereiste causale verband ook niet worden ingekleurd. Het overlijden van [slachtoffer] dient redelijkerwijs aan cliënt te kunnen worden toegerekend. Als onbekend blijft hoe dat overlijden is ontstaan, waardoor dat is gekomen, kan de redelijke toerekening simpelweg niet plaatsvinden.
Daarnaast geldt dat als uw opvatting onverhoopt anders is, er wel verdraaid veel onduidelijk is over wat zich nou precies heeft afgespeeld op dat strand. Wanneer je het overlijden op dat strand of in het water aan een verdachte wenst toe te rekenen, moet je gelet op alle denkbare alternatieven voor (het intreden van) de dood wel van bijzonder goeden huize komen. De verdediging meent dat [verdachte] alleen al met inachtneming van het hiervoor genoemde vrijgesproken zou moeten worden van de geobjectiveerde en strafverzwarende omstandigheid.
Het OM heeft mij gisteren opnieuw en ietwat verrast, hoewel dat ook als naïef zou kunnen worden gekwalificeerd. Door het OM is namelijk opnieuw geconcludeerd dat cliënt ervan op de hoogte was dat [slachtoffer] in het water is terechtgekomen en sterker nog: het was voor [verdachte] ook voorzienbaar dat [slachtoffer] het water in zou vluchten (onder 102 onder c.). Het zou de enige vluchtweg zijn geweest. Sterker nog, volgens de AG is [slachtoffer] naar het strand gebracht, omdat men zou weten dat er aldaar geen andere uitweg was dán het water (onder punt 95).
Terug naar de (ham)vraag: hebben de handelingen van [verdachte] het gevaar dat [slachtoffer] zou komen te overlijden in zodanige mate verhoogd dat het overlijden redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend als gevolg van zijn handelen of nalaten? Ik benadruk nogmaals dat we niet weten hoe (en overigens ook op welk moment) [slachtoffer] is overleden. Dat maakt het nader ingaan op deze vraag wat mij betreft een onlogische en onmogelijke operatie, maar ik zal er toch aan moeten, gelet op het standpunt van het OM.
De AG benoemt onder 95 de redenering op basis waarvan de dood zou kunnen worden toegerekend:
- —
[slachtoffer] werd al de hele middag vastgehouden, geslagen en bedreigd;
- —
cruciaal is volgens de AG ook dat [slachtoffer] angstig was;
- —
de verdachten hielden rekening met het feit dat [slachtoffer] zou ontsnappen omdat hij daarom bekend stond;
- —
daarom werd hij niet meegenomen naar de afspraak met [getuige 4];
- —
werd hij door [verdachte] met een vuurwapen onder schot gehouden om geen geintjes uit te halen;
- —
en het was ook de reden om hem mee te nemen naar een strandje waar hij niet weg kon komen vanwege het water;
- —
[verdachte], [medeverdachte 3] en de derde man waren zich ervan bewust dat ontsnappen via het water geen optie was voor [slachtoffer], als hij het er levend vanaf wilde brengen;
Ten aanzien hiervan geldt allereerst dat cliënt heeft verklaard dat men op initiatief van [slachtoffer] naar het strandje is gegaan. [slachtoffer] is daar dus niet heen gebracht met als reden dat hij op dat strandje niet gemakkelijk zou kunnen wegkomen vanwege het water. Met de AG wil ik wel aannemen dat [slachtoffer] zou vluchten, zo hij hiertoe de kans zou krijgen. Dit is uiteindelijk ook gebeurd. Daarnaast was er dus het geweld, althans de dreiging daarmee in de vorm van het pistool. Het is dus voorstelbaar dat [slachtoffer] een poging heeft gedaan om weg te komen. Maar vervolgens loopt de redenering van het OM in mijn optiek spaak.
De conclusie van de AG dat [slachtoffer] onder dreiging van de vrijheidsberoving en het vuurwapen het water is ingevlucht om te ontsnappen, bewusteloos is geraakt, en is verdronken (onder 100) wordt niet gedekt door de hetgeen uit het dossier kan worden opgemaakt; dit zijn simpelweg aannames. Er is, nogmaals, niets bekend over hoe [slachtoffer] te water is geraakt.
Los van het feit dat de doodsoorzaak van [slachtoffer] niet kan worden vastgesteld, blijft dus ook volstrekt onduidelijk hoe en wanneer [slachtoffer] te water is geraakt. Om te kunnen concluderen dat dit gevolg, het te water raken en daaraan overlijden, in aanzienlijke mate waarschijnlijk was, zal ook moeten worden vastgesteld hoe dat is gegaan en op welk moment dat heeft plaatsgevonden. Zoals gezegd, informatie over het vluchten en te water raken van [slachtoffer] ontbreekt. Tal van vragen hierover blijven onbeantwoord.
Daar redeneert de AG kundig omheen, maar dat is tegelijkertijd wel precies de kern op basis waarvan de rechtbank uiteindelijk heeft vrijgesproken; ik sluit me daarbij aan. Met de rechtbank stel ik me op het standpunt dat [slachtoffer] bij het strandje op enig moment richting de bosjes is gerend. Vervolgens wordt er gezocht. De auto wordt het strand op gereden en middels de verlichte koplampen wordt de zoektocht voortgezet. Daarna is de auto in het zand vast komen te zitten. ‘De rechtbank is van oordeel dat op basis van het procesdossier en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen, niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld wat zich daarna heeft af gespeeld.’ Die conclusie is juist en dient in stand te blijven.
In aanvulling daarop geldt ook nog: onduidelijk is gebleven waar de auto precies is gestopt. Op hoeveel meter afstand was dat van het water? Welke kant is [slachtoffer] nou precies op gerend? Wat heeft [verdachte] daarvan gezien, anders dan dat hij volgens hem richting de bosjes is gerend. [slachtoffer] kon ook in een andere richting rennen; heeft hij dat nog gedaan? Hoe ziet het er daar nu precies uit? Hoe hoog of dicht zijn bosschages en bebossing? Kun je op een winterse avond doorheen kijken? Hoe was überhaupt het zicht? Heeft [slachtoffer] zich nog verscholen (voordat hij in het water terecht is gekomen) of is hij direct het water in gerend? Hoeveel tijd zat daartussen? Heeft hij wellicht eerst in ondiep water geschuild en is er wellicht nadien iets gebeurd? Dat alles blijft onduidelijk en we weten er niets over, terwijl het wel van groot belang is.
Daarbij komt dat het kinderlijk eenvoudig is om met een andere blik naar de situatie te kijken. Ik zal dat illustreren. Als je wil vluchten op een koude winteravond en je staat op een strand (onbekend hoe ver van het water), is het dan inderdaad logisch, voorzienbaar, om het water in te rennen? Want waar kom je dan eigenlijk uit of waar zwem je dan naartoe? Het water in lopen en beginnen met zwemmen levert bovendien veel geluid op; zou iemand überhaupt die keuze maken? Belangrijke aanvulling is ook nog: over [slachtoffer] werd gezegd dat hij niet of nauwelijks kón zwemmen. Ook deze vragen zijn onbeantwoord gebleven. Het OM stelt dat het allemaal zo voor de hand ligt, maar ik zie dat toch echt anders.
Dit alles zou diametraal anders hebben gelegen, als het PD een klif was geweest of een steiger, met maar aan één kant een route naar het vaste land. Of op een plaats omgeven door water, waarbij er geen andere uitwegen waren. Dan is het water de enige en aldus logische vluchtroute. Maar op een strand, op een winteravond, in een min of meer weidse omgeving, met meerdere toegangswegen, is het niet logisch om de waterroute te kiezen. Dat roept vragen op: waarom en hoe is [slachtoffer] te water geraakt? Andere oorzaken zijn volgens de AG hoogst onwaarschijnlijk, omdat deze niet zijn gebleken noch zijn te bedenken. Dat is gelet op het voorgaande wel erg ongenuanceerd en is in ieder geval te kort door de bocht om de dood aan client toe te rekenen.
Dan tot slot met betrekking tot het door Apeldoornse containerarrest: ik zou hierop nog terugkomen. Dit arrest werd zowel door de OvJ als gisteren door de AG aangehaald (om de voorzienbaarheid te benadrukken). Maar deze casus betreft toch wel echt een heel ander geval. In deze zaak kon het latere slachtoffer nou juist nergens heen; hij zat opgesloten in een afvalcontainer vol chemisch materiaal en was hierin achtergelaten door de verdachte. Het slachtoffer kon onmogelijk uit de container komen. Toen het slachtoffer een vuurtje aanstak, ofwel om te roken, ofwel om licht te maken, ontstond brand, als gevolg waarvan het slachtoffer is overleden. Dit achtte het hof voorzienbaar voor de verdachte, waardoor de dood van het slachtoffer redelijkerwijs aan de verdachte kon worden toegerekend.
Het achterlaten van een slachtoffer in een opgesloten, pikdonkere afvalcontainer, is natuurlijk niet vergelijkbaar met het afpersen van iemand op een strandje. Dat weet het OM natuurlijk ook wel. Wanneer je iemand voor dood achterlaat in een afgesloten vuilniscontainer vol chemisch materiaal, kun je erop wachten tot het misloopt. Dat geldt op een strand met bosschages en verschillende toegangswegen simpelweg niet.
Voortbordurend op dit arrest: hoe was voor cliënt voorzienbaar dat [slachtoffer] op een zeker moment het water in zou gaan, als dat al is gebeurd? Wat had van hem nog meer kunnen worden gevergd dan zoeken om te kijken of hij [slachtoffer] kon vinden? Bovendien was hij in de richting van de bosjes gerend en heeft men daar uitvoerig gezocht. Het te water raken op een strandje aan het [b-plaats] en het gegeven dat [slachtoffer] dit met de dood heeft moeten bekopen, zo hij levend in het water is terechtgekomen, is, los van de vraag onder welke omstandigheden dit heeft plaatsgevonden, zeer onwaarschijnlijk (te noemen). Met het te water raken van [slachtoffer] heeft [verdachte] onder die omstandigheden geen rekening gehouden (en dat behoefde hij ook niet). Dat is het standpunt van de verdediging en ook met inachtneming van dit arrest dient de dood niet aan client te worden toegerekend en dient hij hiervan te worden vrijgesproken.
De vordering van de benadeelde partij dient in verband met het voorgaande niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Conclusie:
het wettig én overtuigende bewijs voor de wederrechtelijke vrijheidsberoving ontbreekt en daarom dient vrijspraak te volgen. In dat geval komt uw hof niet toe aan de beoordeling van de tenlastegelegde strafverzwarende omstandigheid.
In het geval uw hof hier wel aan toekomt, wordt verzocht client hiervan vrij te spreken, omdat de dood [verdachte] niet kan worden toegerekend. Daarvoor ontbreekt het bewijs.’
2.5
In het arrest heeft het hof bewezen verklaard, dat:
‘hij op 1 december 2016 te [a-plaats], gemeente [a-gemeente], en [b-gemeente] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [benadeelde 1], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd gehouden,
immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders
- —
die [slachtoffer] onder dwang in eén voertuig dat de garage [garage] was binnengereden doen of laten plaatsnemen en
- —
die [slachtoffer] verplaatst naar [b-gemeente] en
- —
die [slachtoffer] vervoerd naar een strandje aan de [c-straat] te [b-gemeente] en
- —
een vuurwapen aan die [slachtoffer] getoond en — fysiek geweld op die [slachtoffer] toegepast en
- —
een voor die [slachtoffer] bedreigende situatie gecreëerd,
waarna die [slachtoffer] te water is geraakt ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.’
2.6
Als bewijsmiddelen heeft het hof onder meer (voor zover in dit kader relevant) gebruikt;
- ‘1.
Verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank Amsterdam van 19 augustus 2019, zakelijk weergegeven.
()
In [b-gemeente] stond ik met [betrokkene 14] buiten de auto. Voordat we naar buiten gingen heb ik nog een pistool voor hem getrokken om te zeggen dat hij geen geintjes moest maken. Het was een echt pistool.
Op een gegeven moment is hij hem gepeerd. Die andere jongens kwamen toen ook uit de auto. Met één jongen ben ik achter hem aangerend. We konden hem niet vinden. Toen kwam een van de jongens met de auto het strand op om te schijnen met de koplampen. Die andere jongen en ik waren aan het zoeken.
Toen kwam de auto vast te staan.
Ik heb het pistool voor het eerst laten zien aan [slachtoffer] bij het station in de buurt, na de ontmoeting met [medeverdachte 2].
Ik wilde mijn geld hebben. Ik wilde dat hij terug zou komen. Ik wilde dat hij naast mij zou staan. Als hij hem peert, duikt hij altijd onder. U houdt mij voor dat ik in het bericht naar ‘[naam 1]’ een plaatje van een vuurwapen heb gestuurd met de tekst ‘op hem’. Ik heb het wapen op hem gewezen.
- 2.
Verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van het gerechtshof van 7 september 2021, zakelijk weergegeven.
Ik let [slachtoffer] een pistool zien. Ik wilde hem bang maken, zodat hij met geld over de brug zou komen. We zijn naar [b-gemeente] strand gereden. Het was een open plek bij de dijk. Het zou kunnen dat het donker was toen wij daar aankwamen. De twee jongens bleven in de auto zitten en wij stonden buiten te wachten. Vervolgens rende hij weg. Het klopt dat ik met één jongen achter [slachtoffer] ben aangerend.
We hebben met de auto naar hem gezocht op het strand en met de koplampen op het strand geschenen.
()
- 6.
Een schriftelijk bescheid, zijnde een rapport van het Nederlands Forensisch instituut ‘Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’, van 28 juni 2017 (F.O. p. 185 e.v.), zakelijk weergegeven.
()
Het vocht in de borstholten is mogelijk postmortaal ontstaan. Het kan echter niet worden uitgesloten dat (een deel van) deze vochtophoping en de vochtophoping in de maag in het kader van verdrinking zijn opgetreden.
()
De conclusie is dat bij de sectie geen anatomische of toxicologische oorzaak werd gevonden (het hof begrijpt: voor het overlijden van het slachtoffer). Gelet op de situatie bij vinding dient verdrinking als mogelijke doodsoorzaak te worden overwogen.
()’
2.7
In het arrest heeft het hof onder meer overwogen/geoordeeld:
‘Medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving, de dood ten gevolge hebbend
()
Oordeel van het hof
()
Dood van [slachtoffer]
De laatste keer dat (vermoedelijk) [slachtoffer] gebruik heeft gemaakt van zijn telefoon, is als met zijn telefoon om 18:21 uur wordt uitgebeld naar [getuige 4]. Als [slachtoffer] om 19:08 uur wordt gebeld, neemt hij niet meer op.
Op 6 december 2016 heeft [getuige 4] melding gedaan dat [slachtoffer] mogelijk gegijzeld dan wel vermist is. Op 7 december 2016 heeft [getuige 4] verklaard dat hij sinds dat [slachtoffer] hem belde om te helpen, niets meer van hem heeft gehoord. Dit duurde langer dan hij van [slachtoffer] gewend was.
Op 8 december 2016 vindt er een Telegram gesprek plaats tussen ‘[naam 2]’, zijnde [verdachte], en ene ‘[naam 1]’. Dit gesprek gaat over [slachtoffer] en gaat als volgt:
(…)
[naam 1]: Jullie waren er toch ook
[naam 2]: Ja man wij hebben hem meegenomen
[naam 2]: hij moest mij ook lappen (hof: betalen)
(…)
[naam 2]: nu is hij kil spoorloos
[naam 1]: heeft hij betaald [naam 2]: nee man, niemand wou helpen [naam 1]: jullie hebben hem wel gesloopt (hof: mishandeld)
[naam 2]: ja
[naam 1]:, maar goed of gewoon een paar klappen [naam 2]: maar hij is in het water gesprongen [plaatje vuurwapen]
[naam 2]: op hem.
Op 22 december 2016 wordt het stoffelijk overschot van [slachtoffer] aangetroffen in het water van het [b-plaats], nabij een eilandje, welk eilandje tegenover het strandje aan de [c-straat] te [b-gemeente] Haven is gelegen waar de Chrysler is vast komen te zitten. De watertemperatuur was op dat moment 6 graden Celsius. Uit onderzoek is gebleken dat [slachtoffer] het eilandje niet heeft betreden. De bevindingen in het NFI-rapport pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood (sectierapport) luiden als volgt:
‘Gelet op de buitentemperaturen van de afgelopen tijd kunnen de postmortale veranderingen passen bij een maximale postmortale periode van circa 20 dagen (waarna het slachtoffer niet meer levend was gezien) lang verblijf in het water. Er werden slechts beperkte letsels (onderhuidse bloeduitstortingen in de linker wenkbrauw, de benen en de rugzijde van de romp) aangetroffen. De letsels waren kort voor het overlijden opgetreden ten gevolge van inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend geweld zoals bijvoorbeeld (zich) stoten, vallen of geslagen worden. Zij hebben geen bijdrage geleverd aan het overlijden. Het vocht in de borstholten is mogelijk postmortaal ontstaan. Het kan echter niet worden uitgesloten dat (een deel van) deze vochtophoping en de vochtophoping in de maag in het kader van verdrinking zijn opgetreden. Ook het microscopisch beeld van acuut emfyseem kan optreden in het kader van verdrinking door ‘happen naar lucht’. Er werd geen toxicologische bijdrage aan de toedracht en/of het overlijden gevonden. Er waren, voor zover beoordeelbaar in verband met de postmortale veranderingen, geen aanwijzingen voor ziekelijke orgaanafwijkingen die het intreden van de dood zouden kunnen verklaren of hiervoor van betekenis geweest zouden kunnen zijn. De conclusie is dat bij de sectie geen anatomische of toxicologische oorzaak werd gevonden. Gelet op de situatie bij vinding dient verdrinking als mogelijke doodsoorzaak te worden overwogen.’
Het hof stelt op grond van het voorgaande, in samenhang bezien, vast dat [slachtoffer] bij het strandje in [b-gemeente] is gevlucht voor [verdachte], [medeverdachte 3] en de NN-man en daarbij het water is ingegaan. Hierbij beschouwt het hof de mededeling van [verdachte] in het Telegrambericht van 8 december 2016, inhoudende: ‘hij is het water in gesprongen’, als een waarneming van een ooggetuige. Het lichaam van [slachtoffer] was op dat moment immers nog niet gevonden. Nu alleen [verdachte], [medeverdachte 3] en NN-man met [slachtoffer] op het strand aanwezig waren, is het in het water springen van [slachtoffer] door een of meer van hen waargenomen. De verklaring van [verdachte] dat hij deze informatie ‘op straat’ had gehoord is niet aannemelijk geworden. Het past overigens ook niet in de context van de overige mededelingen die [verdachte], met betrekking tot zijn eigen gedragingen (meenemen, mishandeling, tonen vuurwapen), op dat moment aan [naam 1] deed. Het dossier biedt verder geen enkel aanknopingspunt om te veronderstellen dat [slachtoffer] om enige andere reden het water in is gegaan dan om te vluchten.
Bij [slachtoffer] is geen anatomische of toxicologische doodsoorzaak gevonden. De postmortale veranderingen kunnen passen bij een maximale postmortale periode van 20 dagen. De patholoog concludeert dat gelet op de situatie bij vinding, verdrinking als mogelijke doodsoorzaak dient te worden overwogen. Deze conclusie ligt in het verlengde van wat in de forensische literatuur wordt beschreven met betrekking tot verdrinking als doodsoorzaak, te weten dat verdrinking als doodsoorzaak niet kan worden vastgesteld bij sectie. Wel kan bij sectie worden uitgesloten dat sprake is van andere (ziekelijke) aandoeningen of een toxicologische bijdrage en kunnen aanwijzingen worden gevonden voor verdrinking.
Gelet op al het voorgaande, in samenhang bezien, en nu een mogelijk alternatieve doodsoorzaak niet aannemelijk is geworden, gaat het hof er van uit dat [slachtoffer] na zijn vlucht in het ijskoude water daar niet meer levend uit is gekomen als gevolg van verdrinking.
Causaal verband tussen de vrijheidsberoving en het overlijden van [slachtoffer]
Tenslotte moet de vraag worden beantwoord of in strafrechtelijke zin causaal verband bestaat tussen de wederrechtelijke vrijheidsberoving door [verdachte], [medeverdachte 3] en de NN-man en de dood van [slachtoffer]. Daarbij dient te worden bezien of de dood van [slachtoffer] redelijkerwijs aan de gedragingen van [verdachte], [medeverdachte 3] en de NN-man, die zij in het kader van deze vrijheidsberoving hebben verricht, kan worden toegerekend. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6362, in dat verband, voor zover relevant, overwogen:
‘Doorgaans is bij de beantwoording van de vraag of in strafrechtelijke zin causaal verband bestaat niet aan twijfel onderhevig dat in de keten van gebeurtenissen de gedraging van de verdachte een noodzakelijke factor is geweest voor het ingetreden gevolg — en staat dat gevolg dus in conditio sine qua non-verband tot de gedraging, welk verband in beginsel als ondergrens van het causaal verband fungeert -, maar gaat het daarbij vooral erom of het ingetreden gevolg redelijkerwijs aan (de gedraging van) de verdachte kan worden toegerekend.’
Zoals het hof hiervoor al heeft vastgesteld, is [slachtoffer] op zijn vlucht voor [verdachte], [medeverdachte 3] en de NN-man het water ingegaan, waarna hij is verdronken. De verdachten hebben door hun handelen, zijnde de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer], een reeks van gebeurtenissen in gang gezet die uiteindelijk heeft geleid tot de dood van [slachtoffer]. Het hof overweegt met betrekking tot dit handelen in het bijzonder nog het volgende
[verdachte], [medeverdachte 3] en de NN-man zijn met zijn drieën in de Chrysler van [medeverdachte 3] naar de garage gegaan, waar [slachtoffer] in de kantine reeds van zijn vrijheid beroofd werd gehouden. Zij waren getalsmatig in de meerderheid. [verdachte] was woedend en heeft [slachtoffer] geslagen. Hij wilde geld van Boérenveen, maar [slachtoffer] had geen geld. [slachtoffer] werd hardhandig in de auto van [medeverdachte 3] gezet en vervolgens reden [verdachte], [medeverdachte 3] en de NN-man met [slachtoffer] weg. Op het moment dat ze op de snelweg reden wist [slachtoffer] niet waar ze naartoe gingen en dat wilde ook niemand in de auto hem vertellen. [slachtoffer] kon, toen [getuige 4] hem aan de lijn had, niet te veel zeggen en de telefoon werd later ook van hem afgepakt. [verdachte], [medeverdachte 3] en de NN-man reden met [slachtoffer] naar het station [b-gemeente] teneinde geld op te halen bij [medeverdachte 2]. [slachtoffer] is met [verdachte] in de auto achtergebleven, terwijl [medeverdachte 3] en de NN-man een ontmoeting hadden met de hun onbekende [medeverdachte 2], die echter geen geld gaf. Het hof leidt hieruit af dat [slachtoffer] in de auto werd gehouden om te verhinderen dat hij aan de macht van zijn belagers zou ontkomen, daartoe al dan niet geholpen door [medeverdachte 2]. Na de ontmoeting met [medeverdachte 2] heeft [verdachte] aan [slachtoffer] een vuurwapen getoond. Vervolgens hebben [verdachte], [medeverdachte 3] en de NN-man [slachtoffer] in de auto meegenomen naar de [c-straat] in [b-gemeente], waaraan een strandje is gelegen. Naar moet worden aangenomen in die tijd van het jaar en op dat tijdstip, een stille plek. Het was donker, gelet op het tijdstip van arriveren (rond 18:21 uur op 1 december). Het hof hécht geen geloof aan de verklaring van [verdachte] dat [slachtoffer] na de ontmoeting met [medeverdachte 2] met een paarjongens had gebeld en dat ze toen naar [b-gemeente] Haven moesten rijden, omdat [slachtoffer] daar met iemand zou hebben afgesproken. Uit de telecomgegevens van [slachtoffer] blijkt immers dat na de ontmoeting met [medeverdachte 2] hij enkel naar [medeverdachte 2] en [getuige 4] heeft uitgebeld en alleen [getuige 4] te spreken kreeg (ZD1, p. 598). Voorts was, zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen, [slachtoffer] niet degene die bepaalde waar men naartoe ging. [verdachte] wilde nog steeds geld van [slachtoffer], welk geld [slachtoffer] nog steeds niet had en waar hij ook niet aan kon komen. Immers, ‘niemand wou helpen’, aldus [verdachte] in het hiervoor genoemde Telegram gesprek. Kennelijk is [slachtoffer] ook mishandeld (afgezien van de klap die hij al in de garage van [verdachte] had gekregen) nadat hij was meegenomen door [verdachte], [medeverdachte 3] en de NN-man. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [slachtoffer] ‘ja’ antwoordt op de vraag van ‘[naam 1]’: ‘jullie hebben hem wel gesloopt’. Voorts zijn bij [slachtoffer] letsels vastgesteld, die kort voor zijn overlijden zijn ontstaan. [verdachte] heeft [slachtoffer] bij het strand nogmaals een vuurwapen getoond, daarmee op hem gewezen en heeft gezegd dat [slachtoffer] geen geintjes moest uithalen. Toen [verdachte], [medeverdachte 3] en de NN-man met [slachtoffer] bij het strand arriveerden, werd deze inmiddels al bijna twee uur door hen van zijn vrijheid beroofd gehouden. Zij waren geenszins van plan om [slachtoffer] vrij te laten, getuige ook het feit dat zij hem met z'n drieën zijn gaan zoeken toen hij was weggerend. Daar komt bij dat [verdachte] heeft verklaard: ‘ik wilde mijn geld hebben. Ik wilde dat hij terug zou komen. Ik wilde dat hij naast mij zou staan. Als hij hem peert, duikt hij altijd onder.’
Een wederrechtelijke vrijheidsberoving kan naar de aard van het delict als gevolg hebben dat het slachtoffer een vluchtpoging onderneemt. Daarbij kan het slachtoffer, onder meer afhankelijk van zijn vrees voor degenen die hem vasthouden, de mate van dreiging die van de overige omstandigheden van de wederrechtelijke vrijheidsberoving uitgaat, zijn inschatting van wat er nog komen gaat en de mogelijke paniek waarin hij verkeert, al dan niet bewust risico's nemen op zijn vlucht.
[slachtoffer] verkeerde, als gevolg van het handelen van [verdachte], [medeverdachte 3] en de NN-man zoals hiervoor omschreven, in een uitermate bedreigende en op dat moment voor hem ook uitzichtloze situatie. Het is tegen deze achtergrond dat hij, kennelijk geen andere uitweg ziende, een risicovolle vluchtpoging heeft ondernomen door het water in te gaan, hetgeen hem fataal is geworden.
Conclusie
Het hof is van oordeel dat, gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, de dood van [slachtoffer] in redelijkheid aan [verdachte], [medeverdachte 3] en de NN-man kan worden toegerekend. Het tenlastegelegde feit kan daarom wettig en overtuigend worden bewezen.’
2.8
Het bewezenverklaarde is door het hof gekwalificeerd als:
‘Het bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroofd houden, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft.’
2.9
Wederrechtelijke vrijheidsberoving (art. 282 Sr) wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van 8 jaren (lid 1). Indien die wederrechtelijke vrijheidsberoving de dood ten gevolge heeft, wordt dit feit bestraft met een maximale gevangenisstraf van 12 jaren (lid 3). Geconstateerd moet dus worden dat er een ‘gat’ zit in de twee maxima en dat art. 282 lid 3 Sr een gekwalificeerde specialis is van art 282 lid 1 Sr. Het feit dat er een ‘gat’ in strafmaxima tussen 282 lid 1 Sr en 282 lid 3 Sr, maakt dat de motivering van een bewezenverklaring die is toegesneden op art. 282 lid 3 Sr — mede gelet op het verschil is strafmaxima — het geobjectiveerde gevolg van art. 282 lid 3 Sr moet kunnen dragen. Zoals gezegd is de dood blijkens art. 282 lid 3 Sr een geobjectiveerd gevolg van de handelingen zoals zij beschreven staan in art. 282 lid 1 Sr, het opzet noch de wederrechtelijkheid behoeven derhalve daarop gericht te zijn. Voor een bewezenverklaring van het geobjectiveerde gevolg is evenwel vereist dat de dood (redelijkerwijs) aan de verdachte(n) kan worden toegerekend. Genoemde toerekening wordt ingevuld middels de strafrechtelijke causaliteit.
2.10
De strafrechtelijke causaliteitsvraag wordt sinds 1978 door de Hoge Raad ingevuld door middel van het leerstuk van de redelijke toerekening, die als ‘paraplu’ wordt gebruikt.29. De leer van de redelijke toerekening kent een negatief criterium, dat luidt dat ‘omstandigheid X niet van zodanige aard is dat het overlijden van het slachtoffer redelijkerwijze niet meer als gevolg van gebeurtenis Y aan de dader zou kunnen worden toegerekend’. Nieboer en Strijards achten de leer van de redelijke toerekening een te vaag criterium. Zij menen dat in het strafrecht de voorzienbaarheid centraal moet staan.30. De Hullu merkt de leer van de redelijke toerekening aan als elastiek dat zelf weinig echte beperkingen kent.31. De Hullu signaleert een aantal bouwstenen ter opvulling en concretisering van de leer van de redelijke toerekening. Zo noemt hij het gedrag van de verdachte, de soort en mate van schuld en de andere causaliteitscriteria.32.
2.11
De Jong en Sikkema schrijven dat de vraag of sprake is van een causaal verband tussen de gedraging van een verdachte en een bepaald gevolg beoordeeld wordt aan de hand van de maatstaf of het gevolg redelijkerwijs als gevolg van de gedraging aan de verdachte kan worden toegerekend, waarbij vaak aangenomen wordt dat voor redelijke toerekening in beginsel vereist is dat de gedraging van de verdachte een onmisbare factor — een conditio sine qua non - voor het intreden van het gevolg heeft gevormd.33. Uit de rechtspraak kan volgens de auteurs worden afgeleid dat bij de invulling en toepassing van het criterium van de redelijke toerekening bepaalde oude causaliteitstheorieën (zoals de leer van de conditio sine qua non en de adequatietheorie) nog van belang kunnen zijn en dat relevante gezichtspunten vooral kunnen zijn: de vraag of de gedraging naar haar aard geschikt was om het uiteindelijke resultaat teweeg te brengen, althans in relevante mate het risico op het intreden van dat resultaat heeft vergroot; de aanwezigheid van opzet bij de verdachte gericht op het ingetreden gevolg en de aard en strekking van het delict. Volgens Witjens is het een misvatting te denken dat de conditio sine qua non-leer geschikt is om wetenschappelijke bevindingen over causaliteit in het recht te verwerken. Wetenschappers kunnen nooit met zekerheid vaststellen dat in een specifiek geval sprake is van een causaal verband. Witjens verdedigt daarom een benadering waarin geen rol meer is weggelegd voor de conditio sine qua non.34. De Jong en Sikkema vallen Witjens bij. De Jong en Sikkema concluderen dat in bepaalde gevallen toepassing van de leer van de conditio sine qua non (als ‘ondergrens’) leidt tot juridisch onaanvaardbare resultaten.
2.12
Een min of meer spiegelbeeldige opvatting wordt verdedigd door Kwakman, die juist meent dat de conditio sine qua non een zelfstandig causaliteitscriterium in het strafrecht is en als zodanig zou moeten worden toegepast. Volgens deze auteur dienen in het strafrecht allerlei feitelijke vaststellingen en normatieve oordelen (bijvoorbeeld met betrekking tot de causaliteit) strikter te worden gescheiden dan nu gewoonlijk gebeurt. Bij het causaliteitsvraagstuk zou zoveel mogelijk ‘eenvoudigweg’ moeten worden volstaan met de feitelijke (objectieve, logische of anderszins wetenschappelijk te verantwoorden) vaststelling dat sprake is van een conditio sine qua non -verband tussen de gedraging van de verdachte en het ingetreden gevolg. Aan de hand van alle (andere) voorwaarden voor strafbaarheid (zoals opzet, culpa, wederrechtelijkheid, enzovoort) zou vervolgens moeten worden nagegaan of de feitelijk vastgestelde causaliteit ook ‘normatief’ kan worden verheven tot strafrechtelijk relevante causaliteit. Voor het bewijs van het ‘feitelijke’ oorzakelijke verband geldt wat ook voor andere bewijskwesties geldt: het dient te worden vastgesteld aan de hand van ervaringsregels, wetenschappelijke bevindingen, logica, etc. De vraag hoe causale verbanden kunnen worden vastgesteld moesten we maar liever overlaten aan de betreffende wetenschappelijke disciplines en aan de daarin gespecialiseerde deskundigen, aldus Kwakman. Het toepassen van de leer van de redelijke toerekening op de conditio sine qua non zou een uitbreidende werking met zich meebrengen, hetgeen volgens Kwakman ontoelaatbare consequenties zou hebben. De normatieve toerekening naar redelijkheid dient in de visie van Kwakman enkel in beperkende zin een rol te spelen: niet iedere conditio sine qua non blijkt bij nader inzien ook strafrechtelijk relevant te zijn.35.
2.13
Machielse meent dat de civielrechtelijke jurisprudentie over causaliteit aanknopingspunten biedt voor de wijze waarop in het strafrecht vragen van causaliteit kunnen worden benaderd. Uitgangspunt is en blijft volgens hem de condicio sine qua non.36. Volgens Machielse is de norm van belang. Machielse vervolgt met dat de door het gevolg gekwalificeerde delicten een specifiekere relatie tussen oorzaak en gevolg verlangen dan dat het een, een condicio sine qua non is voor het ander. De wetgever heeft een causaal verband tussen het gevolg en de reeds zelfstandig strafbaar gestelde gedraging voldoende geoordeeld gelet op het feit dat gedragingen als mishandeling in zich reeds het risico bergen van het toebrengen van (ernstig) letsel. Bij andere door het gevolg gekwalificeerde delicten bestaat een dergelijk risico ook. Machielse stelt — onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad — dat als het slachtoffer van dit delict tracht een einde aan zijn gevangenschap te maken door langs een regenpijp naar beneden te klauteren en daarbij komt te vallen de gevolgen van die val in aanmerking genomen zullen mogen worden.
2.14
Volgens de Hoge Raad dient de vraag naar causaliteit beantwoord te worden aan de hand van de maatstaf van redelijke toerekening. Daarbij heeft de Hoge Raad wel geconstateerd dat doorgaans duidelijk is of de gedraging van de verdachte een noodzakelijke voorwaarde was voor het ingetreden gevolg en dat zodoende dat gevolg in conditio sine qua non-verband tot de gedraging staat. In die gevallen kan het conditio sine qua non-verband in beginsel als ondergrens van het causaal verband fungeren.37. In ‘meer uitzonderlijke gevallen’ kan echter niet worden vastgesteld of de gedraging van de verdachte een noodzakelijke voorwaarde is geweest voor het intreden van het gevolg. Volgens de Hoge Raad hoeft dit echter ‘(…) niet per se te leiden tot het oordeel dat het gevolg reeds daarom niet meer redelijkerwijs aan (een gedraging van) de verdachte kan worden toegerekend’.38. De Hoge Raad heeft daarbij gesteld dat voor het redelijkerwijs toerekenen van het gevolg aan (een gedraging van) de verdachte ten minste is vereist dat wordt vastgesteld dat dit gedrag een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het gevolg hebben geleid, alsmede dat ook aannemelijk is dat het gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door de gedraging van de verdachte is veroorzaakt. Of en wanneer sprake is van een dergelijke aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid zal afhangen van de concrete omstandigheden van het geval. Bij de beoordeling daarvan kan als hulpmiddel dienen of in de gegeven omstandigheden de gedraging van de verdachte naar haar aard geschikt is om dat gevolg teweeg te brengen en bovendien naar ervaringsregels van dien aard is dat zij het vermoeden wettigt dat deze heeft geleid tot het intreden van het gevolg.39. Daarbij kan ook worden betrokken in hoeverre aannemelijk is geworden dat ten verwere gestelde andere, niet aan de gedraging van de verdachte gerelateerde, oorzaken hoogstwaarschijnlijk niet tot dat gevolg hebben geleid.
2.15
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving de dood als gevolge hebbend. De verdachte heeft het tenlastegelegde ontkend. Namens de verdachte is (onder meer) vrijspraak bepleit omdat het causale verband tussen de gedragingen van verdachte(n) en het overlijden van [slachtoffer] ontbreekt.
2.16
Het hof heeft in het arrest overwogen dat dient te worden bezien of de dood van [slachtoffer] redelijkerwijs aan de gedragingen van [verdachte], [medeverdachte 3] en de NN-man, die zij in het kader van deze vrijheidsberoving hebben verricht, kan worden toegerekend. Het hof heeft vastgesteld dat [slachtoffer] op zijn vlucht voor [verdachte], [medeverdachte 3] en de NN-man het water is ingegaan, waarna hij is verdronken en dat de verdachten door hun handelen, zijnde de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer], een reeks van gebeurtenissen in gang hebben gezet die uiteindelijk heeft geleid tot de dood van [slachtoffer]. Het hof heeft daartoe overwogen dat [verdachte], [medeverdachte 3] en de NN-man met zijn drieën in de Chrysler van [medeverdachte 3] naar de garage gegaan zijn, waar [slachtoffer] in de kantine reeds van zijn vrijheid beroofd werd gehouden; zij getalsmatig in de meerderheid waren; [verdachte] woedend was en [slachtoffer] heeft geslagen; hij geld wilde van [slachtoffer]; [slachtoffer] hardhandig in de auto van [medeverdachte 3] gezet is; [verdachte], [medeverdachte 3] en de NN-man met [slachtoffer] wegreden; [slachtoffer] niet wist waar ze naartoe gingen; [verdachte] aan [slachtoffer] een vuurwapen heeft getoond; [verdachte], [medeverdachte 3] en de NN-man [slachtoffer] in de auto meegenomen hebben naar de [c-straat] in [b-gemeente], waaraan een strandje is gelegen en het daar donker was; [slachtoffer] kennelijk mishandeld is door een van de drie vervoerders; [verdachte] op het strand nogmaals aan [slachtoffer] een vuurwapen heeft getoond, daarmee op hem gewezen en heeft gezegd dat [slachtoffer] geen geintjes moest uithalen; [slachtoffer] reeds twee uur van zijn vrijheid beroofd gehouden werd toen men aankwam op het strandje en zij geenszins van plan waren om [slachtoffer] vrij te laten. Het hof heeft voorts overwogen dat een wederrechtelijke vrijheidsberoving naar de aard van het delict als gevolg kan hebben dat het slachtoffer een vluchtpoging onderneemt, waarbij het slachtoffer — onder meer afhankelijk van zijn vrees voor degenen die hem vasthouden, de mate van dreiging die van de overige omstandigheden van de wederrechtelijke vrijheidsberoving uitgaat, zijn inschatting van wat er nog komen gaat en de mogelijke paniek waarin hij verkeert — al dan niet bewust risico's zal nemen op zijn vlucht. Het hof heeft voorts overwogen dat [slachtoffer] in een uitermate bedreigende en op dat moment voor hem ook uitzichtloze situatie verkeerde als gevolg van het handelen van [verdachte], [medeverdachte 3] en de NN-man. Het hof heeft tegen deze achtergrond geoordeeld dat [slachtoffer], kennelijk geen andere uitweg ziende, een risicovolle vluchtpoging heeft ondernomen door het water in te gaan, hetgeen hem fataal is geworden en de dood van [slachtoffer] in redelijkheid aan [verdachte], [medeverdachte 3] en de NN-man kan worden toegerekend.
2.17
Het oordeel van het hof, dat de dood van [slachtoffer] aan de verdachten kan worden toegerekend, is niet, althans niet zonder meer, begrijpelijk, althans onvoldoende met redenen omkleed. Zo staat niet vast staat wát [slachtoffer] precies fataal is geworden, hetgeen door de verdediging ook is aangevoerd. Het hof heeft in feite slechts vastgesteld dat verdrinking een mogelijke doodsoorzaak is, maar niet meer dan dat. Aangenomen mag voorts worden dat het enkele in het water springen en het enige tijd in het water verblijven niet, althans niet zonder meer, het gevolg meebrengt dat diegene vervolgens overlijdt, ook niet als het water 6 graden Celsius is. Zo stelt de folder ‘Onderkoeling van Varen doe je samen’ dat degene die gekleed te water raakt in water van 5 graden Celsius een uur in het water kan doorbrengen voordat de dood intreedt.40. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat veel zwemmers zich ook in de winter gedurende enige tijd in de zee (kunnen) zwemmen. In dit opzicht verschilt deze zaak dan ook van de zaak waarin een gijzelaar de dakgoot in was geklommen en vervolgens — onder het dreigement van de gijzelnemer dat hij de gijzelaar ‘eraf zou schieten’ — van het dak sprong om zo aan zijn gijzelnemer te ontsnappen. Een dergelijke — vermoedelijk gepanikeerde — sprong van hoogte bergt een intrinsiek — en dus voorzienbaar — risico in zich dat de gijzelaar hierbij letsel op zal lopen.41. Daarnaast heeft het hof in feite louter vastgesteld wat de watertemperatuur was ten tijde van het in het water aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer], op 22 december 2016 en dus niet wat de temperatuur is geweest van het water op de dag dat [slachtoffer] klaarblijkelijk te water geraakt is, te weten 1 december 2016. Terwijl het juist de buiten- en watertemperatuur op laatstgenoemde dag is die kennelijk volgens het hof relevant — zo niet doorslaggevend — is voor het al dan niet kunnen toerekenen van de dood van [slachtoffer] aan de verdachten. Uit het dossier kan voorts niet, althans niet zonder meer, volgen hoe lang [slachtoffer] in het water is gebleven. Daarbij kan ook niet (zonder meer) uit de bewijsmiddelen volgen hoe lang de verdachten op het strand hebben gezocht naar [slachtoffer]. Daar komt nog bij dat het hof heeft vastgesteld dat de koplampen van één auto kennelijk (dus) slechts (een deel van) het strand hebben verlicht. Voorts ontbreken bewijsmiddelen waaruit volgt dat ter plekke door gevaarlijke onderstromen e.d. de mogelijkheid of enig risico van verdrinking aanwezig was. In feite heeft het hof slechts vastgesteld dat [slachtoffer] van de vrijheid is beroofd en later dood is aangetroffen en dat de dood mogelijk door verdrinking is veroorzaakt. Zonder nadere feitelijke vaststellingen kan niet worden gezegd dat de in de bewijsmiddelen vastgestelde gedragingen van verdachten een redelijkerwijs voorzienbare kans op letsel, laat staan de dood, met zich mee hebben gebracht en dat het overlijden van het slachtoffer redelijkerwijze als gevolg van de wederrechtelijke vrijheidsberoving aan de verdachte en de medeverdachten kunnen worden toegerekend.
2.18
Gelet op het bovenstaande is de verwerping van het verweer en/of de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed.
Dat
Op vorenstaande gronden het u Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
Rotterdam, 14 februari 2022
Advocaten
R.J. Baumgardt
P. van Dongen
S. van den Akker
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 14‑02‑2022
HR 28 november 1978, NJ 1979/150.
HR 19 juni 2007, NJ 2007/626; HR 1 juli 2014, NJ 2014/441.
zie bijv. HR 15 februari 2011, NJ 2011, 92.
HR 23 november 1999, NJ 2000, 126.
MvT, Kamerstukken II 1988/89, 21 241, nr. 3, p. 23.
MvT, Kamerstukken II 1988/89, 21 241, nr. 3, p. 23–25.
HR 23 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1625, NJ 2000/126.
Kamerstukken II 1982–1983, 16 652, nr. 6, p. 2. Zie ook HR 13 maart 1979, NJ 1979/268 en HR 17 oktober 1972, NJ 1973/19.
B. de Wilde, Stille getuigen, Kluwer 2015, p. 158–160; C.P.J. Scheele, ‘Het beoordelen van getuigenverzoeken: een leidraad voor de praktijk’, Strafblad 2011, p. 64 en noot 13; D.M.H.R. Garé & P.A.M. Mevis, ‘Over het oproepen van getuigen ter terechtzitting en getuigenbewijs in strafzaken’, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2000, p. 70.
EHRM 15 december 2011, Al-hawaia & Tahery vs. UK, appl. 26766/05.
EHRM 23 maart 2016, appl. 47152/06.
EHRM 12 oktober 2017, appl. 26073/13.
EHRM 12 maart 2020, appl. 53791/11.
Zoals beschreven in de Al-Khawaja and Tahery judgment van het EHRM en verder is genuanceerd in de Schatschaschwili judgment: EHRM 15 december 2011, nrs. 26766/05 en 22228/06, NJ 2012/283 m.nt. Schalken en Alkema (Al-Khawaja en Tahery/Verenigd Koninkrijk) en EHRM 15 december 2015, nr. 9154/10, NJ 2017/294 m.nt. Myjer (Schatschaschwili/Duitsland), §§ 107 e.v. Voor een nadere bespreking van deze driestappentoets met verdere verwijzingen naar (recentere) EHRM-jurisprudentie zie CAG Aben behorende bij HR 11 februari 2020, NJ 2020/186, m.nt. W.H. Vellinga, randnummers 9–12.
Zo is de enkele omstandigheid dat de getuige zich in het buitenland bevindt niet voldoende voor een goede reden, zie EHRM 10 april 2012, nr. 8088/05 (Gabrielyan/Armenië). Bovendien moeten de justitiële autoriteiten actief op zoek naar de getuige en elke redelijke maatregel nemen die de aanwezigheid van de getuige verzekert, zie EHRM 27 februari 2014, nr. 5699/11 (Lučić /Kroatië), § 79.
Zie Al-Khawaja en Tahery (§ 156) en EHRM 17 september 2013, nr. 23789/09 (Brzuszczyński tegen Polen), § 82. Daar staat tegenover dat uit de aanwezigheid van een good reason niet zonder meer voortvloeit dat aan de verplichtingen van artikel 6 EVRM is voldaan, zie bijvoorbeeld: EHRM 10 juli 2012, nr. 29353/06, ECLI:NL:XX:2012:BX3071, NJ 2012/649 m.nt. Schalken (Vidgen/Nederland), en EHRM 28 augustus 2018, nr. 37617/10 (Cabral/Nederland).
EHRM 10 mei 2012, nr. 28328.
HR 30 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001: AB 2943 en HR 17 oktober 2006, NJ 2006/581.
HR 16 november 2010, NJ 2011/355, m.nt. Y. Buruma; HR 6 november 2012, NJ 2013/144, m.nt. J.M. Reijntjes en HR 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1833.
Ook J.M. Reijntjes uit zich over het arrest kritisch in zijn noot onder HR 6 november 2012, NJ 2013/144.
HR 4 juli 2017, NJ 2017/440, m.nt. T. Kooijmans.
EHRM 19 januari 2021, nr. 2205/16 (Keskin t. Nederland).
HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, NJ 2021/173 m.nt. J.M. Rejintjes.
R.o.v. 2.4.2 HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1418.
R.o.v. 2.4.2. HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1930.
R.o.v. 2.5.2 HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:782.
Zie naast de in voetnoten 25, 26 en 27 genoemde arrest ook nog o.m. HR 25 mei 2021, NJ 2021/211; HR 25 mei 2021, NJ 2021/212; HR 22 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:959.
HR 12 september 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC2616, NJ 1979, 60 m.nt. Van Veen.
W. Nieboer en G.A.M. Strijards, Voorzienbaarheid — een juridische hulpconstructie?, DD 1979, p. 440–447.
J. de Hullu, Materieel Strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht. Deventer: Wolter Kluwer 2021, p. 181.
J. de Hullu, a.w., p. 180–183.
F. de Jong & E. Sikkema, Zeven stellingen over causaliteit in het strafrecht, DD 2016/72 (afl. 10).
E.M. Witjens, Strafrechtelijke causaliteit. De redelijke toerekening vergeleken met het privaatrecht (diss. Groningen), Deventer: Kluwer 2011, p. 14–15 en p. 372–375.
N.J.M. Kwakman, ‘De causaliteit in het strafrecht. Het vereiste van conditio sine qua non als enige bruikbare criterium’; N.J.M. Kwakman, ‘Causaal verband in de Groninger HIV-zaak: een reactie’, DD 2012/45 en N.J.M. Kwakman, ‘Strafrechtelijk relevante causaliteit’, TPWS 2014/31.
Machielse in Handboek Strafzaken 26.4.3.2.2.
HR 27 maart 2012, LJN BT6362, r.o. 2.4.1.
HR 27 maart 2012, LJN BT6362, r.o. 2.4.3.
vgl. HR 20 september 2005, LJN AT8303, NJ 2006/86, rov. 3.5.
HR 16 maart 1999, NJ 1999/387.