NJB 2025/931:Medeplegen invoer 250 kilo cocaïne, art. 47 Sr: onderscheid medeplegen en medeplichtigheid, HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316. Wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, rust op de rechter de taak om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. In casu heeft verdachte in het voortraject diverse gesprekken met mededaders gehad, waaruit blijkt dat verdachte onaangenaam verrast was dat er toch een partij cocaïne onderweg was, dat zijn bemoeienis met de partij cocaïne daar echter niet is opgehouden, en dat verdachte heeft gezegd dat hij er dan niet is, maar dat een medeverdachte wel gebeld kan worden. Verdachte heeft voorts onder meer een medeverdachte benaderd om te helpen met het uitladen en gescheiden houden van de pallet met cocaïne en verder heeft hij twee keer gevraagd om op de hoogte te worden gehouden. In casu kon het hof over de invoer van cocaine en de voorafgaande voorbereidingshandelingen oordelen dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. Verdachte heeft, ook al heeft hij in een gesprek aangegeven er niet te zijn, bemoeienis gehouden met de invoer van de partij cocaïne en daartoe actief gehandeld, waarbij het hof kennelijk in het bijzonder het oog heeft op de intensiteit van de samenwerking tussen de bij de invoer betrokken personen en de rol van de verdachte in de voorbereiding van die invoer. Voorts heeft het hof de verklaring van de verdachte dat hij probeerde alles af te houden, dat hij ongevraagd op de hoogte werd gehouden en dat hij zich wilde onttrekken aan (de voorbereiding van) de invoer van cocaïne, ongeloofwaardig geacht. CAG: anders. De A-G meent voorts dat de verdachte, ondanks kwalificatie als eendaadse samenloop, voldoende belang heeft bij cassatie.