NJB 2025/2088:Aanhoudingsverzoek en aanwezigheidsrecht, art. 6 EVRM: de Hoge Raad herhaalt het vaste beoordelingskader. Voor zover het hof in de vereiste belangenafweging heeft betrokken dat de verdachte niet zijn raadsvrouw heeft geïnformeerd over de reden voor afwezigheid en dat het “in geen enkel opzicht” aannemelijk is dat de verdachte als gevolg van overmacht niet aanwezig kan zijn op de zitting, is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk, gelet op wat de raadsvrouw heeft aangevoerd over de redenen waarom kan worden vermoed dat er iets met de verdachte aan de hand is en in aanmerking genomen dat de raadsvrouw geen gelegenheid is geboden het verzoek op een later moment nader te onderbouwen. Daarnaast heeft het hof in de belangenafweging niet het door de raadsvrouw gestelde belang betrokken dat de verdachte van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wil maken om te laten zien dat het goed met hem gaat. De afwijzing van het aanhoudingsverzoek is daarom ontoereikend gemotiveerd.