Zie rov. 1.1 t/m 1.12 van het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage van 26 september 2012 en rov. 1.1 t/m 1.15 van het arrest van het hof ’s-Gravenhage van 18 december 2012.
HR, 04-04-2014, nr. 13/00912
ECLI:NL:HR:2014:828
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
04-04-2014
- Zaaknummer
13/00912
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Internationaal publiekrecht (V)
Internationaal strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2014:828, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 04‑04‑2014; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:1642, Gevolgd
In cassatie op: ECLI:NL:GHSGR:2012:BY6075, Bekrachtiging/bevestiging
ECLI:NL:PHR:2013:1642, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 29‑11‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:828, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 08‑02‑2013
- Wetingang
art. 88 Uitvoeringswet Internationaal Strafhof
- Vindplaatsen
NJ 2014/481 met annotatie van E.A. Alkema
JV 2014/171 met annotatie van prof. mr. H. Battjes
RV20140080 met annotatie van Cornelisse G.N. Galina
Uitspraak 04‑04‑2014
Inhoudsindicatie
Gedetineerden uit Democratische Republiek Congo (DRC) zijn opgeroepen te getuigen in bij het Internationaal Strafhof (ICC) aanhangige procedure. Vordering tegen Nederlandse staat om detentie over te nemen van het ICC, hangende een in Nederland ingediend asielverzoek. Art. 93 lid 7 van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (Trb. 2000, 120). Nederlandse wet niet van toepassing op detentie, art. 88 van de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof (Stb. 2002, 314). Geen rechtsmacht voor Nederland op grond van art. 1 EVRM (EHRM van 9 oktober 2012 inzake Longa/Nederland, ECLI:NL:XX:2012:BY2306), ondanks onbevoegdheidsoordeel ICC bij verzoek toetsing detentietitel bij ICC. Medewerkingsplicht Staat aan teruggeleiding naar DRC? Non-refoulement. Overdracht getuigen aan Nederland bij toewijzing asielverzoek. Fundamentele rechten en vrijheden voldoende gewaarborgd.
Partij(en)
4 april 2014
Eerste Kamer
13/00912
LZ/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [eiser 1],
2. [eiser 2],
3. [eiser 3],allen verblijvende in het Detention Centre van het Internationaal Strafhof, Scheveningen, gemeente Den Haag,
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. G.R. den Dekker,
t e g e n
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Buitenlandse Zaken en Ministerie van Veiligheid en Justitie),zetelende te ’s-Gravenhage,
VERWEERDERS in cassatie,
advocaten: mr. M.M. van Asperen en mr. J.W.H. van Wijk.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser ] c.s. en de Staat.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 424426/KG ZA 12-808 van de voorzieningenrechter in de rechtbank te ’s-Gravenhage van 26 september 2012;
b. de arresten in de zaak 200.114.941/01 van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 29 oktober 2012 en 18 december 2012.
Het arrest van het hof van 18 december 2012 is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof van 18 december 2012 hebben [eiser ] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, alsmede voor [eiser ] c.s. door mr. E.C. Rozeboom, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [eiser ] c.s. heeft bij brief van13 december 2013 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [eiser ] c.s. zijn onderdanen van de Democratische Republiek Congo (hierna: DRC) en waren aldaar gedetineerd op verdenking van betrokkenheid bij de dood van VN-militairen respectievelijk hoogverraad. [eiser ] c.s. en de DRC hebben ermee ingestemd dat [eiser ] c.s. als getuigen zouden worden gehoord in de bij het Internationaal Strafhof te Den Haag (hierna: het ICC) aanhangige zaken tegen [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. [eiser ] c.s. zijn daartoe overeenkomstig art. 93 lid 7 van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (Trb. 2000, 120; hierna: het Statuut) op 27 maart 2011 overgebracht naar het ICC; zij zijn sinds die datum gedetineerd in het Detention Centre van het ICC te Scheveningen. [eiser ] c.s. hebben op 3 mei 2011 hun getuigenverklaringen voor het ICC afgerond. Op grond van art. 93 lid 7, onder b, Statuut blijft een persoon die op verzoek van het ICC is overgebracht in hechtenis, maar wordt hij door het ICC onverwijld naar de aangezochte Staat teruggezonden wanneer het doel van de overbrenging is vervuld.
(ii) [eiser ] c.s. hebben op 12 mei 2011 bij de Nederlandse autoriteiten asiel aangevraagd, op de grond dat zij als gevolg van de verklaringen die zij met betrekking tot de zittende president Kabila van de DRC bij het ICC hebben afgelegd, vervolging of onmenselijke behandeling vrezen.
(iii) In een uitspraak van 9 juni 2011 heeft de Trial Chamber II van het ICC (hierna: Trial Chamber), waarvoor [betrokkene 1] en [betrokkene 2] terecht staan en waarvoor [eiser ] c.s. als getuigen zijn gehoord, geoordeeld dat [eiser ] c.s. hangende hun asielprocedure niet op de voet van art. 93 lid 7, onder b, Statuut kunnen worden teruggezonden naar de DRC. De Trial Chamber heeft gerefereerd aan het door het ICC ingestelde onderzoek naar de detentieomstandigheden en de procesgang in de DRC na terugkeer van [eiser ] c.s. en heeft voorts overwogen dat [eiser ] c.s. hangende hun asielprocedure, gelet op het beginsel van non-refoulement van art. 33 Vluchtelingenverdrag, niet kunnen worden teruggestuurd naar de DRC en dat een oplossing voor hun detentie moet worden gezocht in overleg tussen het ICC, de DRC en het gastland Nederland.
(iv) Bij uitspraak van 24 augustus 2011 heeft de Trial Chamber overwogen dat er gelet op de door de DRC verstrekte garanties met betrekking tot de veiligheid van de getuigen geen gronden meer zijn om de terugkeer van [eiser ] c.s. naar de DRC langer uit te stellen, maar dat het ICC hangende de asielprocedure in Nederland de terugkeer van [eiser ] c.s. niet kan gelasten.
(v) In haar uitspraak van 16 september 2011 vermeldt de Trial Chamber dat de DRC zich op het standpunt stelt dat [eiser ] c.s. onmiddellijk moeten worden teruggezonden naar de DRC en dat de Nederlandse autoriteiten van mening zijn dat zij gedetineerd dienen te blijven in het Detention Centre van het ICC in afwachting van een beslissing op hun asielaanvraag.
(vi) In haar uitspraak van 1 maart 2012 heeft de Trial Chamber onder meer overwogen:
“11. As a result of the failure of the consultations to produce any alternative solution, the Court has found itself bound in the following position. On the one hand, since the witnesses have finished their testimony and their security in the DRC in case of return is guaranteed, the Court has no reason anymore to maintain custody over the witnesses and should return them. On the other hand, the Court’s obligation to return the witnesses has been suspended until the final outcome of their asylum claim. Given this situation, the Court has had so far no other choice but to keep the three detained witnesses in its custody, in accordance with article 93(7) of the Statute. This situation continues until today. (...)
18. Although the detention of the witnesses by the DRC and the custody of the Court are clearly interrelated, the Chamber has no authority to review the detention of the witnesses by the DRC. The Chamber notes, in this regard, that the Court has not been advised by the DRC of any change in their detention status. In the absence of such notification by the Congolese authorities, the witnesses are to remain in detention while they are in the custody of the Court.
(...)
20. As regards the legality of the continued detention of the witnesses by the Court since the completion of their testimony, the Chamber notes that the custody of the Court on the basis of article 93(7) of the Statute has so far been maintained because the existence of the asylum claim has engendered an extraordinary situation, in which the Court has very little room for manoeuvre. The Chamber reiterates, in this respect, that the processing of the witnesses’ asylum applications must not cause the unreasonable extension of their detention under article 93(7) of the Statute and that, in light of inter alia Article 21(3) of the Statute, the Court cannot contemplate prolonging their custody indefinitely.”
(vii) Op 1 juni 2012 heeft de Trial Chamber onder meer beslist op het verzoek van [eiser ] c.s. om te verklaren dat de voortgezette detentie de primaire verantwoordelijkheid van gastland Nederland is en niet langer een kwestie is die binnen de exclusieve rechtsmacht van het ICC valt.De Trial Chamber heeft dit verzoek afgewezen en overwogen:
“14. As it recalled at paragraph 1 above, the Court has custody of the Detained Witnesses under article 93(7) of the Statute. In its aforementioned decisions of 9 June and 24 August 2011, as reiterated in its decision of 1 March 2012, the Chamber clearly set out the grounds for their detention, also stating unequivocally that “the processing of the witnesses’ asylum applications must not cause the unreasonable extension of their detention under article 93(7) of the Statute […]”. Accordingly, in response to the third issue raised by duty counsel, the Chamber need only to refer him to these two decisions, both public documents which can therefore be tendered in court if necessary. (…).”
(viii) Aanvankelijk heeft de Staat de asielaanvragen van [eiser ] c.s. niet in behandeling genomen. Nadat de vreemdelingenkamer van de rechtbank ’s- Gravenhage, zittingsplaats Amsterdam, bij uitspraak van 28 december 2011 (ECLI:NL:2011:RBSGR:BU9492) had beslist dat de omstandigheid dat [eiser ] c.s. zich in de rechtsmacht van het ICC bevinden niet afdoet aan de toepasselijkheid van de in de Vreemdelingenwet 2000 voorziene procedures ten aanzien van de behandeling en beoordeling van asielaanvragen, heeft de Staat de asielaanvragen van [eiser ] c.s. alsnog in behandeling genomen. Bij beschikkingen van 31 oktober 2012 en 28 november 2012 zijn de asielaanvragen van [eiser ] c.s. met toepassing van art. 1(F) Vluchtelingenverdrag afgewezen, kort gezegd omdat ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat zij misdrijven tegen de vrede, oorlogsmisdrijven of misdrijven tegen de menselijkheid hebben begaan. Daarbij is tevens beslist dat er geen aanleiding is te oordelen dat bij uitzetting naar de DRC sprake is van een reëel risico op schending van art. 3 of 6 EVRM. Bij uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 14 oktober 2013 (ECLI:NL:RBAMS:2013:6688, 6692 en 6705) zijn deze besluiten vernietigd en is de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie opgedragen nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraken.
3.2
In het onderhavige kort geding vorderen [eiser ] c.s. de Staat te gebieden om aan het ICC te verklaren dat Nederland bereid is [eiser ] c.s. van het ICC over te nemen en daartoe met het ICC in overleg te treden. Zij leggen aan hun vordering ten grondslag dat de Staat onrechtmatig jegens hen handelt door te weigeren aan hun overdracht door het ICC mee te werken. De Staat laat aldus een met art. 5 en 13 EVRM strijdige situatie in stand waarin [eiser ] c.s. onrechtmatig zijn gedetineerd zonder dat hun daartegen een rechtsmiddel ter beschikking staat.
3.3
De voorzieningenrechter heeft de gevraagde voorziening toegewezen. Daartoe overwoog hij, kort samengevat, dat [eiser ] c.s. in een uitzichtloze (detentie)situatie verkeren; zij bevinden zich sedert 24 augustus 2011 niet meer in een rechtmatige vorm van detentie, terwijl onduidelijk is of zij de rechtmatigheid van hun detentie kunnen voorleggen aan een bevoegde rechterlijke instantie. Niet uitgesloten is dat de vestiging van het ICC op Nederlands grondgebied voldoende aanknopingspunten biedt om rechtsmacht van Nederland aan te nemen, in het bijzonder nu de Nederlandse asielprocedures aan terugzending van [eiser ] c.s. naar de DRC in de weg staan. De Staat dient zich het lot van [eiser ] c.s. aan te trekken en mag hen niet hangende de asielprocedures, waarvan het einde nog niet in zicht is, in detentie door het ICC laten.
3.4
Het hof heeft de gevraagde voorziening alsnog afgewezen. Daaraan heeft het de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.
[eiser ] c.s. waren in de DRC gedetineerd en werden om die reden, op grond van art. 93 lid 7 Statuut en de door het ICC met de DRC gemaakte afspraak, als getuigen bij het ICC eveneens gedetineerd. De titel voor hun detentie was en is dan ook de titel op grond waarvan zij in de DRC werden gedetineerd. De detentie door het ICC is daarvan een afgeleide. Rechtsmiddelen tegen hun detentie als zodanig moeten [eiser ] c.s. dan ook instellen in de DRC. Noch de Nederlandse rechter, noch het ICC (vergelijk de uitspraak van de Trial Chamber van 1 maart 2012 onder 18) heeft rechtsmacht om over de rechtmatighe id van die detentie een oordeel te geven, ook niet indien gesteld wordt dat hun voortgezette detentie of het ontbreken van rechtsmiddelen daartegen in de D RC in strijd is met internationaal erkende mensenrechten. Een uitzondering op deze regel kan niet gevonden worden in het door [eiser ] c.s. gedane beroep op de door het EVRM gewaarborgde rechten. Uit de uitspraak EHRM 9 oktober 2012, nr. 33917/12 ([betrokkene 3]/Nederland), ECLI:NL:XX:2012:BY2306, volgt immers dat het feit dat [eiser ] c.s. zich op Nederlands grondgebied bevinden en daar asiel hebben aangevraagd, niet meebrengt dat vragen rond de rechtmatigheid van hun detentie binnen de rechtsmacht van Nederland zijn gebracht. (rov. 2.2)
De Trial Chamber heeft niet geoordeeld dat een titel voor voortgezette detentie ontbreekt. Het hof begrijpt de uitspraken van de Trial Chamber aldus dat zij d e voortgezette detentie door het ICC ongewenst acht nu het getuigenverhoor van [eiser ] c.s. is afgerond, maar dat door de asielaanvraag een bijzondere , onvoorziene situatie is ontstaan die het terugzenden van [eiser ] c.s. naar de DRC juridisch onmogelijk maakt en dat, zolang terugzending onmogelijk is, art . 93 lid 7 Statuut de grondslag biedt voor voortgezette detentie. (rov. 2.3 )
Anders dan de voorzieningenrechter is het hof ook niet van oordeel dat [eiser ] c.s. zich in een uitzichtloze situatie bevinden. Afgezien van de rechtsmiddele n die hun mogelijk ten dienste staan in de DRC, zal naar verwachting aan hun detentie door het ICC een einde komen nadat definitief over hun asielaanvraa g is beslist. Het feit dat de asielprocedure nog geruime tijd kan duren betekent niet dat hun situatie uitzichtloos is. (rov. 2.4)
Gezien het voorgaande komt het hof niet toe aan een beoordeling van de vraag of de detentie waarin [eiser ] c.s. zich thans bevinden in strijd is met art. 5 of art . 13 EVRM. Vragen rond de rechtmatigheid van hun detentie vallen immers niet binnen de Nederlandse rechtsmacht in de zin van art. 1 EVRM. Ook overigens rust op de Staat geen rechtsplicht [eiser ] c.s. van het ICC over te nemen. De omstandigheid dat zij asiel in Nederland hebben aangevraagd brengt, noch naar Nederlands recht noch naar de bepalingen van het EVRM (vgl. de uitspraak inzake [betrokkene 3]), mee dat zij de uitkomst van de asielprocedure op Nederland s grondgebied mogen afwachten. (rov. 2.5)
3.5
Het middel klaagt, naar de kern genomen:
(a) dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat art. 93 lid 7 Statuut een toereikende grondslag is voor de voortgezette detentie van [eiser ] c.s. als getuigen bij het ICC, in welk verband het hof bovendien een onhoudbare uitleg heeft gegeven aan de uitspraken van de Trial Chamber in de zaak van [eiser ] c.s. (vooral onderdelen 1.2-1.4 en 2.1-2.2);
(b) dat het hof heeft miskend dat de rechtsmacht van de Nederlandse rechter op het grondgebied van de Staat niet wordt beperkt door art. 1 EVRM en dat de Nederlandse rechter wel degelijk kan constateren dat het ontbreken van effectieve rechtsmiddelen tegen de voortdurende detentie van [eiser ] c.s. inbreuk maakt op de regels die in (onder meer) art. 5 lid 4 EVRM zijn neergelegd (onderdelen 1.5-1.8, 3.1-3.2 en 4.1-4.2).
3.6
Art. 93 lid 7, onder a, Statuut bepaalt dat het ICC de tijdelijke overbrenging van een gedetineerd persoon kan verzoeken ten behoeve van (onder meer) het afleggen van een getuigenverklaring, en dat die persoon kan worden overgebracht indien hij daartoe vrijelijk zijn “informed consent” geeft en de aangezochte Staat instemt met de overbrenging op tussen het ICC en de aangezochte Staat overeen te komen voorwaarden. Vast staat dat [eiser ] c.s. op de voet van deze bepaling naar het ICC zijn overgebracht. Hun detentie in het Detention Centre van het ICC berust dan ook op de detentietitel die is tot stand gekomen in de DRC in samenhang met de tussen de DRC en het ICC op de voet van art. 93 lid 7, onder a, Statuut getroffen regeling.
De Trial Chamber heeft in een aantal uitspraken een oordeel gegeven over de vraag of de detentie van [eiser ] c.s. in het Detention Centre, in afwachting van de uitkomst van hun asielprocedure in Nederland, gecontinueerd kon worden. Zij heeft geoordeeld dat nakoming van de uit art. 93 lid 7, onder b, Statuut voortvloeiende verplichting van het ICC om de getuigen na het afronden van hun getuigenverklaringen onverwijld naar de DRC terug te zenden, moet worden opgeschort in verband met de uitoefening door [eiser ] c.s. van hun internationaal erkende fundamentele recht van een “effective remedy” ter zake van hun asielverzoeken. Naar het oordeel van de Trial Chamber bleef deze voortgezette detentie berusten op art. 93 lid 7 Statuut. Zij heeft daarbij wel aangetekend dat de asielprocedures “must not cause the unreasonable extension of their detention under article 93(7) of the Statute and that, in light of inter alia Article 21(3) of the Statute, the Court cannot contemplate prolonging their custody indefinitely”, maar daarin geen aanleiding gezien de voortgezette detentie in het Detention Centre te beëindigen.
3.7
De omstandigheid dat de detentie in het Detention Centre van het ICC ten uitvoer wordt gelegd op het grondgebied van de Nederlandse Staat, brengt niet mee dat Nederland rechtsmacht heeft met betrekking tot deze detentie. Art. 88 van de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof (Stb. 2002, 314) bepaalt dat de Nederlandse wet niet van toepassing is op vrijheidsontneming ondergaan op last van het Strafhof binnen in Nederland aan het Strafhof ter beschikking gestelde ruimten. Aangenomen moet worden dat deze bepaling gelijkelijk van toepassing is op verdachten en getuigen die onder verantwoordelijkheid van het ICC gedetineerd zijn in het Detention Centre.
Ook het EVRM brengt niet mee dat Nederland gehouden is rechtsmacht (“jurisdiction”) als bedoeld in art. 1 EVRM aan te nemen ter zake van de beoordelin g van de rechtmatigheid van de detentie van een getuige in het Detention Centre van het ICC op de voet van art. 93 lid 7 Statuut. Aldus is uitdrukkelijk beslist i n de uitspraak van het EHRM van 9 oktober 2012 inzake [betrokkene 3]/Nederland, ECLI:NL:XX:2012:BY2306, welke uitspraak eveneens betrekking had op ee n detentie op de voet van art. 93 lid 7 Statuut van een Congolese getuige. Het EHRM overwoog daartoe dat de wettelijke basis voor deze detentie gevormd wordt door de afspraak tussen de DRC en het ICC op de voet van art. 93 lid 7 Statuut en dat het ICC blijkens de uitspraken van de Trial Chamber dienovereenkomstig oordeelt, zodat geen rechtsvacuüm bestaat (punt 75). Voorts overwoog het EHRM dat de detentie gebaseerd is op bepalingen van internationaal recht die het functioneren van het ICC beheersen en dat het ICC bevoegd is maatregelen ter bescherming van de fundamentele rechten van getuigen te bevelen en van die bevoegdheid ook daadwerkelijk gebruik maakt, waarbij niet beslissend is dat zulks niet tot invrijheidstelling door de autoriteiten van de DRC leidt; het EVRM legt daarom op een Staat die heeft ingestemd met de vestiging van een internationaal strafhof op zijn grondgebied, niet de verplichting de rechtmatigheid te beoordelen van een vrijheidsbeneming op grond van rechtmatig aangegane afspraken tussen dat hof en Staten die geen partij bij het EVRM zijn (punt 79-80). Dat wordt niet anders doordat een asielverzoek van de getuigen in behandeling is genomen (punt 81-83).
3.8.1
Er bestaat onvoldoende grond te oordelen dat de Staat, in weerwil van het vorenstaande, verplicht is [eiser ] c.s. over te nemen van het ICC.
3.8.2
Ingevolge het Statuut vindt bij het overbrengen naar het ICC van gedetineerde getuigen op de voet van art. 93 lid 7 Statuut, met betrekking tot de rechtmatigheid van de detentietitel die tot stand is gekomen in de aangezochte Staat, geen toetsing plaats, zulks kennelijk met het oog op het bevorderen van een goede en eerlijke behandeling van de bij het ICC aanhangige strafzaken, waarvoor het horen van getuigen van wezenlijk belang is.
In overeenstemming daarmee acht het ICC zich niet bevoegd de rechtmatigheid te beoordelen van de detentietitel van getuigen die in de aangezochte Staat tot stand is gekomen. Aldus heeft de Trial Chamber in de hiervoor in 3.1 onder (vi) geciteerde uitspraak van 1 maart 2012, punt 18, geoordeeld met betrekking tot de detentie van [eiser ] c.s., hetgeen nadien is bevestigd in een (meerderheids)uitspraak van 1 oktober 2013 van de Trial Chamber (ICC-01/04-01/07-3405), punten 24-28. Dit houdt – zoals ook is overwogen in punt 28 van laatstgenoemde uitspraak van de Trial Chamber – verband met de omstandigheid dat een andere opvatting de in het Statuut tussen de verdragsluitende Staten overeengekomen samenwerkingsprocedures en het fundamentele beginsel van staatssoevereiniteit zou uithollen. Het functioneren van het ICC berust immers op de tussen de verdragsluitende Staten, waaronder Nederland, overeengekomen afspraken zoals neergelegd in het Statuut, onder meer met betrekking tot de “Internationale samenwerking en wederzijdse rechtshulp” (Deel 9 van het Statuut, waarvan art. 93 deel uitmaakt).
3.8.3
In dit verband is van belang dat het overnemen van [eiser ] c.s. door de Nederlandse Staat ertoe kan leiden dat niet langer gewaarborgd is dat zij, ingeval hun asielaanvraag definitief zou worden afgewezen, overeenkomstig art. 93 lid 7, onder b, Statuut naar de DRC kunnen worden teruggeleid. Een eventuele vreemdelingenbewaring van [eiser ] c.s. is immers aan de daarvoor in Nederland geldende regels onderworpen en kan niet voor onbepaalde duur worden verlengd. In het licht hiervan zou een op de Staat rustende verplichting om [eiser ] c.s. van het ICC over te nemen, op onaanvaardbare wijze de in het Statuut tussen de verdragsluitende Staten overeengekomen samenwerkingsprocedures en het fundamentele beginsel van staatssoevereiniteit uithollen.
3.8.4
Indien evenwel in de asielprocedure wordt beslist dat aan [eiser ] c.s. een verblijfsvergunning moet worden verleend, dan wel dat de uitzetting van hen naar de DRC in strijd komt met het verbod van refoulement, is de Staat gehouden dienovereenkomstig te handelen, hetgeen meebrengt dat de Staat niet kan meewerken aan een teruggeleiding naar de DRC. In overeenstemming met het vorenstaande heeft de Trial Chamber, in punt 21 van haar beslissing van 1 oktober 2013, geoordeeld dat het ICC op grond van het Statuut gehouden is [eiser ] c.s. terug te zenden naar de DRC indien hun asielaanvraag wordt afgewezen en naar het oordeel van de Nederlandse autoriteiten het beginsel van non-refoulement niet wordt geschonden, en dat in het omgekeerde geval [eiser ] c.s. door het ICC aan de Nederlandse autoriteiten zullen worden overgedragen. Aldus zijn de fundamentele rechten en vrijheden van [eiser ] c.s. in voldoende mate gewaarborgd, ook al acht het ICC zich niet bevoegd over hun detentie als zodanig te oordelen, en ook al is de Staat niet gehouden hen gedurende de asielprocedure van het ICC over te nemen.
3.9
Het bovenstaande brengt mee dat de hiervoor in 3.5 vermelde klachten falen. Ook de overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser ] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 818,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, C.A. Streefkerk, C.E. Drion en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 4 april 2014.
Conclusie 29‑11‑2013
Inhoudsindicatie
Gedetineerden uit Democratische Republiek Congo (DRC) zijn opgeroepen te getuigen in bij het Internationaal Strafhof (ICC) aanhangige procedure. Vordering tegen Nederlandse staat om detentie over te nemen van het ICC, hangende een in Nederland ingediend asielverzoek. Art. 93 lid 7 van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (Trb. 2000, 120). Nederlandse wet niet van toepassing op detentie, art. 88 van de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof (Stb. 2002, 314). Geen rechtsmacht voor Nederland op grond van art. 1 EVRM (EHRM van 9 oktober 2012 inzake Longa/Nederland, ECLI:NL:XX:2012:BY2306), ondanks onbevoegdheidsoordeel ICC bij verzoek toetsing detentietitel bij ICC. Medewerkingsplicht Staat aan teruggeleiding naar DRC? Non-refoulement. Overdracht getuigen aan Nederland bij toewijzing asielverzoek. Fundamentele rechten en vrijheden voldoende gewaarborgd.
Partij(en)
Zaak 13/00912
Mr P. Vlas
Zitting, 29 november 2013
Conclusie inzake
1. [eiser 1],
2. [eiser 2],
3. [eiser 3],
eisers tot cassatie
tegen
De Staat der Nederlanden, Ministerie van Buitenlandse Zaken en Ministerie van Veiligheid en Justitie,
verweerder in cassatie
Dit geschil betreft de door het Internationaal Strafhof te ’s-Gravenhage (hierna: het ICC) gelaste detentie van eisers tot cassatie (hierna: [eiser] c.s.) als getuigen in de strafzaak tegen [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Inzet van de onderhavige procedure is de vraag of de Staat, nu [eiser] c.s. na het afleggen van hun getuigenverklaringen asiel hebben aangevraagd in Nederland, bevolen kan worden tot overname van deze getuigen. [eiser] c.s. hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat de Staat jegens hen onrechtmatig handelt door te weigeren aan hun overdracht door het ICC mee te werken.
1. Feiten en procesverloop
1.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.1.[eiser] c.s. zijn onderdanen van de Democratische Republiek Congo (hierna: DRC) die aldaar waren gedetineerd op verdenking van betrokkenheid bij de dood van VN-militairen respectievelijk hoogverraad. [eiser] c.s. en de DRC hebben ermee ingestemd dat [eiser] c.s. als getuigen zouden worden gehoord in de bij het ICC aanhangige zaken tegen [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. [eiser] c.s. zijn daartoe overeenkomstig art. 93 lid 7 van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (hierna: Statuut)2.op 27 maart 2011 overgebracht naar het ICC en sinds die datum gedetineerd in het Detention Centre van het ICC te Scheveningen.3.[eiser] c.s. hebben op 3 mei 2011 hun getuigenverklaringen voor het ICC afgerond. Op grond van art. 93 lid 7, sub b, Statuut blijft een persoon die op verzoek van het ICC is overgebracht in hechtenis, maar wordt deze persoon door het ICC onverwijld naar de aangezochte Staat teruggezonden wanneer het doel van de overbrenging is vervuld.
1.2
[eiser] c.s. hebben op 12 mei 2011 bij de Nederlandse autoriteiten asiel aangevraagd, omdat zij als gevolg van de verklaringen die zij met betrekking tot de zittende president Kabila van de DRC bij het ICC hebben afgelegd, vervolging vrezen en/of onmenselijke behandeling.
1.3
In een uitspraak van 9 juni 2011 heeft de Trial Chamber II van het ICC (hierna: Trial Chamber), waarvoor Katanga en Chiu terecht staan en waarvoor [eiser] c.s. als getuigen zijn gehoord, geoordeeld dat [eiser] c.s. hangende hun asielprocedure niet op de voet van art. 93 lid 7, sub b, Statuut kunnen worden teruggezonden naar de DRC en dat hun detentie in Detention Centre van het ICC mocht voortduren.4.De Trial Chamber heeft gerefereerd aan het door het ICC geëntameerde onderzoek naar de detentieomstandigheden en de procesgang in de DRC na terugkeer van [eiser] c.s. en heeft voorts overwogen dat [eiser] c.s. ook hangende hun asielprocedure gelet op het beginsel van non-refoulement van art. 33 Vluchtelingenverdrag5.niet kunnen worden teruggestuurd naar de DRC en dat een oplossing voor de detentie van [eiser] c.s. moest worden gezocht in overleg tussen het ICC, de DRC en het gastland Nederland.
1.4
Bij uitspraak van 24 augustus 2011 heeft de Trial Chamber overwogen dat er gelet op de door de DRC verstrekte garanties met betrekking tot de veiligheid van de getuigen geen gronden meer zijn om de terugkeer van [eiser] c.s. naar de DRC langer uit te stellen, maar dat het ICC hangende de asielprocedure in Nederland de terugkeer van [eiser] c.s. niet kan gelasten.6.
1.5
In zijn uitspraak van 16 september 2011 vermeldt de Trial Chamber dat de DRC zich op het standpunt stelt dat [eiser] c.s. onmiddellijk moeten worden teruggezonden naar de DRC en dat de Nederlandse autoriteiten van mening zijn dat zij gedetineerd dienen te blijven in het Detention Centre van het ICC in afwachting van een beslissing op hun asielaanvraag.
1.6
In zijn uitspraak van 1 maart 2012 heeft de Trial Chamber onder meer overwogen:
‘11. As a result of the failure of the consultations to produce any alternative solution, the Court has found itself bound in the following position. On the one hand, since the witnesses have finished their testimony and their security in the DRC in case of return is guaranteed, the Court has no reason anymore to maintain custody over the witnesses and should return them. On the other hand, the Court’s obligation to return the witnesses has been suspended until the final outcome of their asylum claim. Given this situation, the Court has had so far no other choice but to keep the three detained witnesses in its custody, in accordance with article 93(7) of the Statute. This situation continues until today. (...)
18. Although the detention of the witnesses by the DRC and the custody of the Court are clearly interrelated, the Chamber has no authority to review the detention of the witnesses by the DRC. The Chamber notes, in this regard, that the Court has not been advised by the DRC of any change in their detention status. In the absence of such notification by the Congolese authorities, the witnesses are to remain in detention while they are in the custody of the Court. (...)
20. As regards the legality of the continued detention of the witnesses by the Court since the completion of their testimony, the Chamber notes that the custody of the Court on the basis of article 93(7) of the Statute has so far been maintained because the existence of the asylum claim has engendered an extraordinary situation, in which the Court has very little room for manoeuvre. The Chamber reiterates, in this respect, that the processing of the witnesses’ asylum applications must not cause the unreasonable extension of their detention under article 93(7) of the Statute and that, in light of inter alia Article 21(3) of the Statute, the Court cannot contemplate prolonging their custody indefinitely’.7.
1.7
Op 1 juni 2012 heeft de Trial Chamber onder meer beslist op het verzoek van [eiser] c.s. om te verklaren dat de voortgezette detentie de primaire verantwoordelijkheid van gastland Nederland is en niet langer een kwestie is die binnen de exclusieve rechtsmacht van het ICC valt. De Trial Chamber heeft dit verzoek afgewezen en overwogen:
‘14. As it recalled at paragraph 1 above, the Court has custody of the Detained Witnesses under article 93(7) of the Statute. In its aforementioned decisions of 9 June and 24 August 2011, as reiterated in its decision of 1 March 2012, the Chamber clearly set out the grounds for their detention, also stating unequivocally that “the processing of the witnesses’ asylum applications must not cause the unreasonable extension of their detention under article 93(7) of the Statute […]”. Accordingly, in response to the third issue raised by duty counsel, the Chamber need only to refer him to these two decisions, both public documents which can therefore be tendered in court if necessary. (…)’.8.
1.8
Aanvankelijk heeft de Staat de asielaanvragen van [eiser] c.s. niet in behandeling genomen. Blijkens de uitspraak van de vreemdelingenkamer van de rechtbank ’s-Gravenhage, zittingsplaats Amsterdam, van 28 december 2011 (ECLI:NL:RBSGR:BU9492)9.doet echter de omstandigheid dat [eiser] c.s. zich in de rechtsmacht van het ICC bevinden, niet af aan de toepasselijkheid van de in de Vreemdelingenwet 2000 voorziene procedures ten aanzien van de behandeling en beoordeling van asielaanvragen, omdat niet blijkt van een doorkruising van de taakuitoefening van het ICC. De Staat heeft tegen deze beslissing geen hoger beroep ingesteld.
1.9
In de onderhavige civiele procedure vorderen [eiser] c.s. in kort geding te gebieden dat de Staat aan het ICC zal verklaren dat Nederland bereid is [eiser] c.s. van het ICC over te nemen en daartoe op de daarvoor geëigende en gebruikelijke wijze met het ICC in overleg te treden. [eiser] c.s. stellen zich op het standpunt dat zij zich in een juridisch vacuüm bevinden, doordat zowel de DRC als Nederland geen duidelijkheid verschaffen over hun status als gedetineerden respectievelijk over de duur en de uitkomst van hun asielaanvragen. [eiser] c.s. stellen sinds geruime tijd zonder geldige titel en daarmee in strijd met verschillende bepalingen van het EVRM bij het ICC gedetineerd te zijn. Aan hen staat geen mogelijkheid open deze detentie door een rechter te laten toetsen. Volgens [eiser] c.s. heeft de Staat door de vestiging van het ICC op zijn grondgebied en de aanhangige asielprocedure bij uitsluiting de effectieve middelen om een einde te maken aan hun onrechtmatige detentie.
1.10
Bij vonnis van 26 september 2012 (ECLI:NL:RBSGR:2012:BX8320) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage overwogen dat, nog daargelaten de juistheid van het verweer dat een asielverzoek gedaan door personen die zich niet in (de rechtsmacht van) Nederland bevinden geen recht op verblijf in Nederland oplevert, heeft te gelden dat de Staat zich het lot van [eiser] c.s. dient aan te trekken en hen niet hangende de volgens de Vreemdelingenwet 2000 af te handelen asielprocedures, waarvan het einde nog niet in zicht is, onder detentie van het ICC mag laten. Volgens de voorzieningenrechter dient de Staat in overleg met het ICC te treden om een einde te maken aan de onrechtmatige detentie van [eiser] c.s.10.
1.11
Op 9 oktober 2012 heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) uitspraak gedaan in de zaak [betrokkene 3]/Nederland.11.Deze uitspraak komt in het kort op het volgende neer. Volgens het EHRM is het enkele feit dat een getuige is gedetineerd op Nederlands grondgebied onvoldoende om vragen rond de rechtmatigheid van zijn detentie binnen de rechtsmacht van Nederland te brengen als bedoeld in art. 1 EVRM (rov. 73). Deze detentie is gebaseerd op de afspraken tussen het ICC en de DRC op de voet van art. 93 lid 7 Statuut (rov. 75). Het EVRM verplicht een Staat die zich bereid heeft verklaard als gastland voor een internationaal strafrechtelijk tribunaal op te treden niet de rechtmatigheid te beoordelen van een detentie die berust op een afspraak die is gemaakt tussen dat tribunaal en Staten die geen partij zijn bij het EVRM (rov. 80). Staten zijn in beginsel niet verplicht om onderdanen van andere Staten op hun grondgebied toe te laten om de uitkomst van asielprocedures af te wachten (rov. 81). Uit het feit dat Nederland zich bereid heeft verklaard om een asielaanvraag van een gedetineerde getuige in behandeling te nemen volgt niet de verplichting de rechtmatigheid van zijn detentie te beoordelen en zo nodig de invrijheidstelling op Nederlands grondgebied te gelasten (rov. 82-83).
1.12
Bij beschikkingen van 31 oktober 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel met toepassing van art. 1(F) Vluchtelingenverdrag de asielaanvragen van [betrokkene 4] en [betrokkene 5] afgewezen12.en tevens beslist dat er geen aanleiding is te oordelen dat sprake is van een reëel risico op schending van art. 3 en 6 EVRM.13.
1.13
De Staat is in hoger beroep gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter van 26 september 2012. Het hof ’s-Gravenhage heeft in rov. 1.15 van zijn arrest van 18 december 2012 (ECLI:NL:GHSGR:2012:BY6075) aansluiting gezocht bij de uitspraak van het EHRM in de zaak [betrokkene 3]/Nederland. Het hof heeft het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en de vorderingen van [eiser] c.s. afgewezen. Daartoe heeft het hof in rov. 2.2 t/m 2.5 het volgende overwogen:
‘2.2 De grieven zijn gegrond. Uitgangspunt in deze zaak is dat [eiser] c.s. in de DRC gedetineerd waren en dat zij om die reden, op grond van art. 93 lid 7 Statuut en het [lees: de; A-G] door het ICC met de DRC gemaakte afspraak, als getuigen bij het ICC eveneens werden gedetineerd. De titel voor de detentie van [eiser] c.s. was en is dan ook de titel op grond waarvan zij in de DRC werden gedetineerd. De detentie door het ICC is daarvan een afgeleide. Rechtsmiddelen tegen hun detentie als zodanig moeten [eiser] c.s. dan ook instellen in de DRC. Noch de Nederlandse rechter, noch het ICC (vergelijk de uitspraak van de Trial Chamber van 1 maart 2012 onder 18) heeft rechtsmacht om over de rechtmatigheid van die detentie een oordeel te geven, ook niet indien gesteld wordt dat hun voortgezette detentie of het ontbreken van rechtsmiddelen daartegen in de DRC in strijd is met internationaal erkende mensenrechten. Een uitzondering op deze regel kan niet gevonden worden in het door [eiser] c.s. gedane beroep op de door het EVRM gewaarborgde rechten, reeds omdat uit de uitspraak inzake [betrokkene 3] volgt dat het feit dat [eiser] c.s. zich op Nederlands grondgebied bevinden en daar asiel hebben aangevraagd, niet meebrengt dat vragen rond de rechtmatigheid van hun detentie binnen de rechtsmacht van Nederland zijn gebracht.
2.3
Anders dan [eiser] c.s. betogen leest het hof in de uitspraken van de Trial Chamber niet dat deze van oordeel zou zijn dat een titel voor voortgezette detentie ontbreekt. Over de vraag of de door de Congolese autoriteiten bevolen detentie (nog) rechtmatig is doet het ICC geen uitspraak (zie de uitspraak van 1 maart 2012 onder 18). Voor wat betreft de voortgezette detentie door het ICC begrijpt het hof de uitspraken van de Trial Chamber aldus, dat deze de voortgezette detentie door het ICC ongewenst acht nu het verhoor van [eiser] c.s. is afgerond, maar dat er door de asielaanvraag een bijzondere, onvoorziene situatie is ontstaan die het terugzenden van [eiser] c.s. naar de DRC juridisch onmogelijk maakt en dat, zolang terugzending onmogelijk is, art. 93 lid 7 Statuut de grondslag biedt voor voortgezette detentie. De hiervoor (…) geciteerde rechtsoverweging uit de uitspraak van 1 juni 2012 kan in redelijkheid niet anders begrepen worden.
2.4
Anders dan de voorzieningenrechter is het hof ook niet van oordeel dat [eiser] c.s. zich in een uitzichtloze situatie bevinden. Afgezien van de rechtsmiddelen die hun mogelijk ten dienste staan in de DRC (of bij internationale organisaties: [eiser] c.s. stellen dat zij bij de Mensenrechtencommissie in Genève een klacht tegen de DRC hebben ingediend), zal naar verwachting aan hun detentie door het ICC een einde komen nadat definitief over hun asielaanvraag is beslist. Het feit dat de asielprocedure nog geruime tijd kan duren betekent niet dat hun situatie uitzichtloos is.
2.5.
Gezien het voorgaande komt het hof niet toe aan een beoordeling van de vraag of de detentie waarin [eiser] c.s. zich thans bevinden in strijd is met art. 5 of art. 13 EVRM. Vragen rond de rechtmatigheid van de detentie van [eiser] c.s. vallen immers niet binnen de Nederlandse rechtsmacht in de zin van art. 1 EVRM. Ook overigens rust op de Staat geen rechtsplicht [eiser] c.s. van het ICC over te nemen. De omstandigheid dat zij asiel in Nederland hebben aangevraagd brengt, noch naar Nederlands recht noch naar de bepalingen van het EVRM (vgl. de uitspraak inzake [betrokkene 3]), mee dat zij de uitkomst van de asielprocedure op Nederlands grondgebied mogen afwachten’.
1.14
Ten tijde van het arrest van het hof was op de asielaanvraag van [eiser 1] nog geen beslissing genomen.14.
1.15
[eiser] c.s. zijn tijdig in cassatie gekomen van het arrest van 18 december 2012. De Staat heeft verweer gevoerd. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht, met re- en dupliek.
1.16
[eiser] c.s. hebben aan de schriftelijke toelichting een uitspraak van de Trial Chamber van 8 februari 2013 gehecht, waarin Nederland en de DRC worden uitgenodigd tot het beantwoorden van vragen ten aanzien van de duur en de uitkomst van asielprocedures in Nederland respectievelijk ten aanzien van de status van [eiser] c.s. als gedetineerden in de DRC.15.De Staat heeft bij Nota van dupliek een brief van het ministerie van Buitenlandse Zaken van 28 februari 2013 overgelegd, waarin antwoord is gegeven op de vragen van de Trial Chamber. De Staat heeft daarbij aangegeven dat hij zijn uiterste best doet asielprocedures vlot te laten verlopen, maar dat de Staat nu eenmaal gebonden is aan de voor dergelijke procedures geldende (beroeps)termijnen en veel afhangt van de houding van [eiser] c.s. in de asielprocedures en de wegen, waaronder die naar het EHRM, die zij zullen bewandelen.
2. Bespreking van het cassatieberoep
2.1
Het cassatiemiddel bestaat uit vier onderdelen die gericht zijn tegen rov. 2.2 t/m 2.5 van het bestreden arrest. De onderdelen vallen in verschillende subonderdelen uiteen en betogen in de kern genomen dat de voortgezette detentie op last van het ICC binnen de door Nederland aan het ICC ter beschikking gestelde ruimten onrechtmatig is in verband met het feit dat [eiser] c.s. zich in een juridisch vacuüm zouden bevinden (zie hierboven onder 1.9).
2.2
Bij de bespreking van het middel dient het volgende tot uitgangspunt. Art. 93 lid 7 van het Statuut luidt als volgt:
‘7 (a) The Court may request the temporary transfer of a person in custody for purposes of identification or for obtaining testimony or other assistance. The person may be transferred if the following conditions are fulfilled:
(i) The person freely gives his or her informed consent to the transfer;
and
(ii) The requested State agrees to the transfer, subject to such conditions as that State and the Court may agree.
(b) The person being transferred shall remain in custody. When the purposes of the transfer have been fulfilled, the Court shall return the person without delay to the requested State’.16.
2.3
De verhouding tussen het ICC en gastland Nederland is geregeld in het Zetelverdrag.17.Op grond van art. 44 Zetelverdrag is de Staat gehouden op verzoek van het ICC mee te werken aan het transport van gedetineerde personen. Art. 8 Zetelverdrag luidt (in Nederlandse vertaling), voor zover in cassatie van belang, als volgt:
‘1. Het terrein van het Hof staat onder het beheer en gezag van het Hof, zoals bepaald in dit Verdrag.
2. Tenzij anders bepaald in dit Verdrag, is de wet- en regelgeving van het Gastland van toepassing op het terrein van het Hof.
3. Het Hof is bevoegd tot het uitvaardigen van op zijn terrein geldende regels die noodzakelijk zijn voor het uitoefenen van zijn taken. Het Hof brengt dergelijke regels na de aanneming ervan terstond ter kennis van de bevoegde autoriteiten. Op het terrein van het Hof worden geen wetten of regels van het Gastland gehandhaafd voor zover deze onverenigbaar zijn met de regels van het Hof uit hoofde van dit lid.
(…)’.
2.4
In het Koninkrijk der Nederlanden is ter uitvoering van de door het Statuut opgelegde verplichting tot samenwerking van de verdragsstaten met het ICC tot stand gekomen de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof.18.Art. 88 van de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof luidt als volgt:
‘De Nederlandse wet is niet van toepassing op vrijheidsontneming ondergaan op last van het Strafhof binnen in Nederland aan het Strafhof ter beschikking gestelde ruimten’.
2.5
De (toenmalige) minister van Justitie heeft in het kader van de behandeling van het wetsvoorstel voor de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof de Tweede Kamer een notitie toegestuurd over de kwestie “Internationaal Strafhof en asiel”.19.Hierin heeft de minister erop gewezen dat deze materie gecompliceerd is vanwege de verschillende juridische posities die Nederland en het ICC innemen en vanwege de verschillende internationale verplichtingen die Nederland heeft, waarbij gedacht kan worden aan de samenloop van het Statuut, het Zetelverdrag, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Asielaanvragen kunnen het volkenrechtelijk systeem doorkruisen en tot ingewikkelde competentievragen leiden.20.In de genoemde notitie heeft de minister van Justitie met betrekking tot verdachten van internationale misdrijven onderscheid gemaakt tussen de situatie van detentie en de situatie van doorvoer. Zolang de verdachte is gedetineerd op last van het ICC binnen de door Nederland aan het ICC ter beschikking gestelde ruimten, verkeert de verdachte in de rechtsmacht van het ICC en niet in die van Nederland.21.Dit komt ook tot uitdrukking in art. 88 Uitvoeringswet Internationaal Strafhof.
2.6
De toepassing van art. 88 Uitvoeringswet Internationaal Strafhof is niet afhankelijk van iemands status van verdachte of getuige, zoals ook bevestigd wordt in de eerder genoemde uitspraak van het EHRM in de zaak [betrokkene 3]/Nederland, waar het EHRM uitdrukkelijk overweegt:
’75. The Court finds that for as long as the applicant is neither returned to the Democratic Republic of the Congo nor handed over to the Netherlands authorities at their request, the legal ground for his detention remains the arrangement entered into between the International Criminal Court and the authorities of the Democratic Republic of the Congo under Article 93 § 7 of the Statute of the International Criminal Court. This is reflected in Trial Chamber I’s Order of 1 September 2011 and its Decision of 15 September 2011 (see paragraphs 23 and 24 above), which make it clear that the International Criminal Court is waiting to comply with its obligation under Article 93 § 7 (b) of its Statute to return the applicant to the Democratic Republic of the Congo once the reason for his presence on its premises has ceased to exist. There is thus no legal vacuum’.22.
2.7
Duidelijk is dat de ratio voor het maken van het onderscheid tussen de situatie van detentie en de situatie van doorvoer daarin is gelegen dat Nederland de taakuitoefening van het ICC niet mag bemoeilijken, bijvoorbeeld doordat een Nederlandse rechter oordeelt over een kwestie die valt onder het Statuut, zoals art. 93 lid 7.23.In het algemeen geldt dat de effectiviteit van het ICC in belangrijke mate afhankelijk is van de samenwerking tussen de bij het Statuut aangesloten Staten en het ICC.24.Deze samenwerking ligt ook ten grondslag aan art. 93 Statuut, waarin de samenwerking is geregeld ten aanzien van verzoeken van het ICC om rechtshulp met betrekking tot onderzoek of vervolging. Art. 93 is opgenomen in ‘Part IX. International Cooperation and judicial assistance’ van het Statuut, welk deel wordt beschouwd als een van de hoekstenen van het Statuut.25.
2.8
Art. 8 Zetelverdrag heeft in art. 88 Uitvoeringswet Internationaal Strafhof een nadere uitvoering gekregen op het punt van de vrijheidsontneming in de door Nederland aan het ICC ter beschikking gestelde ruimten. Gaat het om het uitoefenen van rechtsmacht in een situatie van detentie, dan hebben de Nederlandse autoriteiten en de Nederlandse rechter geen enkele beoordelingsruimte ten aanzien van de vraag of een bepaalde handeling de taakuitoefening van het ICC doorkruist.26.In deze zin heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitspraak van 22 maart 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW0617) beslist dat ingevolge art. 88 Uitvoeringswet Internationaal Strafhof de vreemdelingenrechter niet bevoegd is om de rechtmatigheid van de detentie van de vreemdeling in gevallen als de onderhavige te beoordelen. De Afdeling heeft in rov. 2.1.7 van deze beslissing overwogen:
‘Ingevolge art. 88 van de Uitvoeringswet is de Nederlandse wet niet van toepassing op vrijheidsontneming ondergaan op last van het Strafhof binnen in Nederland aan het Strafhof ter beschikking gestelde ruimten. Reeds daarom kan detentie van de vreemdeling niet berusten op de uitoefening of gepretendeerde uitoefening van enige in de Vw 2000 aan de minister verleende bevoegdheid. Derhalve heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de vreemdelingenrechter niet bevoegd is om over de rechtmatigheid van deze detentie te oordelen.
Gelet hierop klaagt de vreemdeling eveneens tevergeefs dat de rechtbank in strijd met artikel 8:71 van de Awb niet in haar uitspraak heeft vermeld dat slechts een vordering bij de burgerlijke rechter mogelijk is. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 8:71 van de Awb blijkt, dat deze bepaling is geschreven voor situaties waarin onduidelijk is of de Nederlandse bestuursrechter dan wel de Nederlandse burgerlijke rechter bevoegd is, maar wel vaststaat dat enige Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. In de thans voorliggende zaak staat, gelet op artikel 88 van de Uitvoeringswet, geenszins vast dat enige Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en dus ook niet dat een vordering bij de Nederlandse rechter mogelijk is. Derhalve heeft de rechtbank terecht geen toepassing gegeven aan artikel 8:71 Awb’.
2.9
Uit het voorgaande volgt dat het in behandeling nemen en beoordelen van een asielaanvraag – zoals ten aanzien van [eiser] c.s. is geschied – geen belemmering vormt van het functioneren van het ICC, maar dat daarvan wel sprake is in geval van vreemdelingendetentie. Een bezwaar van dit uitgangspunt is uiteraard dat bij het ICC gedetineerde personen die het gevaar lopen van een onmenselijke behandeling bij terugkeer in het land van herkomst dan wel op andere wijze aldaar verstoken zullen zijn van de meest basale rechten van verdachten en van gedetineerden, met behulp van de Nederlandse autoriteiten naar het land van herkomst zullen worden teruggestuurd op het moment dat het ICC daartoe besluit. Nederland is immers op grond van het Zetelverdrag verplicht in het kader van doorvoer van personen hulp te verlenen aan het ICC. Wanneer zou worden aanvaard dat het beginsel van non-refoulement (vgl. art. 33 Vluchtelingenverdrag) de status van ius cogens heeft27., kan een dergelijke verplichting niet worden beperkt door nationaal recht, in casu art. 88 Uitvoeringswet Internationaal Strafhof. Nog daargelaten of het beginsel van non-refoulement tot het ius cogens kan worden gerekend, heeft de Staat bij de ratificatie van het Statuut en het Zetelverdrag de op het volkenrecht berustende afweging van belangen gemaakt, namelijk het belang van het functioneren van het ICC en het belang van het waarborgen van mensenrechten. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof blijkt dat onderkend is dat Nederland als gastland van het ICC – het ICC is formeel geen partij bij de mensenrechtenverdragen – ervan moet kunnen uitgaan dat het ICC zich bij de uitoefening van zijn taken als internationaal tribunaal (met internationale rechtspersoonlijkheid krachtens art. 4 Statuut) rekenschap geeft van de mensenrechtensituatie van gedetineerden, ook wat betreft het beginsel van non-refoulement.28.Dit is het ICC ook opgedragen in art. 21 lid 3 Statuut:
‘The application and interpretation of law pursuant to this article must be consistent with internationally recognized human rights, and be without any adverse distinction founded on grounds such as gender as defined in article 7, paragraph 3, age, race, colour, language, religion or belief, political or other opinion, national, ethnic or social origin, wealth, birth or other status’.29.
2.10
In verband met het beginsel van non-refoulement heeft de Trial Chamber in rov. 64 van zijn uitspraak van 9 juni 2011 het volgende overwogen:
‘Admittedly, as an international organisation with a legal personality, the Court cannot disregard the customary rule of non-refoulement. However, since it does not possess any territory, it is unable to implement the principle within its ordinary meaning, and hence is unlikely to maintain long-term jurisdiction over persons who are at risk of persecution or torture if they return to their country of origin. In the Chamber’s view, only a State which possesses territory is actually able to apply the non-refoulement rule. Furthermore, the Court cannot employ the cooperation mechanisms provided for by the Statute in order to compel a State Party to receive onto its territory an individual invoking this rule. Moreover, it cannot prejudge, in lieu of the Host State, obligations placed on the latter under the non-refoulement principle. In this case, it is therefore incumbent upon the Dutch authorities, and them alone, to assess the extent of their obligations under the non-refoulement principle, should the need arise’.30.
Hieruit blijkt dat het ICC zich inderdaad rekenschap geeft van het beginsel van non-refoulement, maar dat het uiteindelijk aan gastland Nederland is om de reikwijdte van zijn verplichtingen onder dit beginsel te bepalen. Die verplichtingen worden wat Nederland betreft gewaarborgd in het kader van de behandeling en beoordeling van de asielaanvragen.
2.11
Het is vaste rechtspraak van het EHRM dat het EVRM op zich niet in de weg staat aan de overdracht van soevereine bevoegdheden van een Staat aan een internationale organisatie, maar dat die Staat na de overdracht van bevoegdheden verantwoordelijk blijft voor de naleving van de uit het EVRM voortvloeiende rechten wanneer de desbetreffende internationale organisatie geen aan het EVRM gelijkwaardige bescherming biedt. Wordt deze gelijkwaardige bescherming door de organisatie geboden, dan geldt volgens het EHRM het vermoeden
‘that a State has not departed from the requirements of the Convention when it does no more than implement legal obligations flowing from its membership of the organisation.
However, any such presumption can be rebutted if, in the circumstances of a particular case, it is considered that the protection of Convention rights was manifestly deficient. In such cases, the interest of international cooperation would be outweighed by the Convention’s role as a ‘constitutional instrument of European public order’ in the field of human rights’.31.
2.12
In de reeds genoemde uitspraak [betrokkene 3]/Nederland heeft het EHRM deze rechtspraak herhaald en geconstateerd dat het ICC over bevoegdheden beschikt om de fundamentele rechten van getuigen te waarborgen.32.Naar aanleiding van de uitspraak [betrokkene 3] is in de literatuur geopperd een onderscheid te maken tussen het geval dat een verdachte of een getuige nog door het ICC moet worden gehoord en het geval dat de verdachte is vrijgesproken of dat de getuige reeds is gehoord. In de eerste situatie zou optreden door de Nederlandse autoriteiten of door de Nederlandse rechter niet mogelijk zijn, in het tweede geval wel ter bescherming van de rechten uit het EVRM.33.In de rechtspraak van het EHRM is voor dit onderscheid echter geen steun te vinden. Wanneer het Statuut en het ICC een aan het EVRM gelijkwaardige bescherming bieden, zie ik niet in waarom na het afleggen van de getuigenverklaring bij het ICC deze gelijkwaardige bescherming zou komen te ontbreken, waar deze bescherming voorafgaand aan het afleggen van de verklaring aanwezig is. Uit de hierboven onder 1.3 t/m 1.7 genoemde uitspraken van de Trial Chamber in de onderhavige zaak blijkt dat het ICC [eiser] c.s. ook na het afleggen van hun verklaringen een gelijkwaardige bescherming biedt, dat er gelet op de door de DRC verstrekte garanties met betrekking tot de veiligheid van de getuigen geen gronden meer zijn om de terugkeer van [eiser] c.s. naar de DRC langer uit te stellen, maar dat het ICC hangende de asielprocedure in Nederland de terugkeer van [eiser] c.s. niet kan gelasten.34.
2.13
Gelet op het voorafgaande meen ik dat het middel in al zijn onderdelen moet falen en kunnen de verschillende onderdelen kort worden besproken.
2.14
Onderdeel 1.2 (onderdeel 1.1 bevat een korte inleiding) betoogt dat de Trial Chamber in zijn uitspraken in deze zaak heeft aangegeven dat een onredelijk lange doorlooptijd van de behandeling van de asielverzoeken van [eiser] c.s. door de Staat de rechtmatigheid van de voortzetting van hun detentie aantast, omdat art. 93 lid 7 Statuut voor de voortgezette detentie geen grondslag biedt.
2.15
Het onderdeel faalt, omdat in het onderhavige civiele geding over de rechtmatigheid van de detentie geen plaats is voor een rechtmatigheidsoordeel over de duur en de uitkomst van asielprocedures. Het is evenmin aan de burgerlijke rechter om op die procedures vooruit te lopen en de Staat te verplichten hangende die procedures elders gedetineerde personen van het ICC over te nemen en in Nederlandse vreemdelingenbewaring te stellen.
2.16
Voor zover het onderdeel betoogt dat de titel van detentie bij het ICC ontbreekt, omdat [eiser] c.s. niet door het ICC worden vervolgd en zij hun getuigenverklaringen reeds hebben afgelegd, faalt het eveneens. Het ICC heeft de bevoegdheid getuigen in detentie te houden op grond van het bepaalde in art. 93 lid 7, onder b, Statuut. Het voortzetten van die detentie in afwachting van nadere informatie van de DRC en van Nederland berust op de ‘inherent powers’ van het ICC als internationaal tribunaal met internationale rechtspersoonlijkheid.35.In de hierboven onder 1.6 aangehaalde uitspraak van de Trial Chamber van 1 juni 2012 heeft het ICC dit onderkend en het verzoek van [eiser] c.s. afgewezen om te verklaren dat hun voortgezette detentie de primaire verantwoordelijkheid van gastland Nederland zou zijn en niet langer zou vallen binnen de exclusieve rechtsmacht van het ICC. Waar het ICC in rov. 20 van deze beslissing overweegt dat het ‘cannot contemplate prolonging their custody indefinitely’, doelt het ICC niet op een verplichting van de Staat om [eiser] c.s. over te nemen en in Nederlandse vreemdelingenbewaring te stellen, maar moet dit veeleer worden gezien als een oproep aan de Staat om voortgang te maken met de asielprocedures.36.
2.17
De onderdelen 1.3 t/m 1.7 bouwen voort op de aanname dat [eiser] c.s. onrechtmatig vastzitten binnen de door gastland Nederland aan het ICC ter beschikking gestelde ruimten en dat de Nederlandse rechter de vrijheid heeft de rechtmatigheid van de detentie te beoordelen en zo nodig de Staat kan bevelen [eiser] c.s. over te nemen en in Nederlandse vreemdelingenbewaring te stellen. De klachten, die voornamelijk uit motiveringsklachten bestaan, richten zich vergeefs tegen het zuivere rechtsoordeel van het hof dat Nederland in deze zaak geen rechtsmacht heeft. In rov. 2.2 van het bestreden arrest heeft het hof klaarblijkelijk tot uitdrukking willen brengen dat art. 88 Uitvoeringswet Internationaal Strafhof het hof geen ruimte biedt om vragen rond het gewaarborgd zijn van de mensenrechten van [eiser] c.s. tijdens hun detentie bij het ICC of in de DRC te beantwoorden. Ik volsta te verwijzen naar 2.5 t/m 2.8 van mijn conclusie. Daarbij maakt het, anders dan de onderdelen 1.6 en 1.7 betogen, geen verschil of het gaat om rechtsmacht in de zin van art. 1 EVRM of om rechtsmacht in algemene zin. Voor zover onderdeel 1.6 betoogt dat art. 5 EVRM doorwerkt in de interne rechtsorde van Nederland en daarom art. 1 EVRM niet beslissend behoeft te zijn voor de vraag of de Staat rechtsmacht heeft, faalt ook dit betoog om de zojuist genoemde reden. Waar onderdeel 1.7 nog een beroep doet op art. 21 lid 3 Statuut, faalt het onderdeel eveneens, omdat die bepaling zich niet richt tot [eiser] c.s., maar het ICC opdraagt dat de toepassing en interpretatie van het volgens art. 21 Statuut door het ICC toe te passen recht verenigbaar moet zijn met de internationaal erkende mensenrechten. Zie ook onder 2.9 van deze conclusie.
2.18
Onderdeel 1.8 klaagt dat het hof niet heeft gerespondeerd op de uitgewerkte stellingen van [eiser] c.s. over het onderscheid met de zaak [betrokkene 3]. Dit onderdeel faalt, omdat de verwijzing door het hof naar de uitspraak van het EHRM in de zaak [betrokkene 3]/Nederland niet méér inhoudt dan een bevestiging of ondersteuning van het rechtsoordeel dat gastland Nederland in situaties als de onderhavige geen rechtsmacht heeft.
2.19
Onderdeel 2 betoogt dat het hof een onjuiste, althans onbegrijpelijke, uitleg heeft gegeven aan de uitspraken van de Trial Chamber die door het hof zijn geciteerd (zie hierboven onder 1.3 t/m 1.7). Het onderdeel stelt dat de Trial Chamber in zijn uitspraken helemaal niet aangeeft dat zolang terugzending van de getuigen onmogelijk is, art. 93 lid 7 Statuut een grondslag biedt voor de voortdurende detentie bij het ICC, maar dat de Trial Chamber heeft geoordeeld dat de onredelijk lange doorlooptijd van de behandeling van de asielverzoeken van [eiser] c.s. door de Staat, de rechtmatigheid van hun detentie op basis van art. 93 lid 7 Statuut aantast. Volgens het onderdeel ontbreekt een titel voor voortgezette detentie op grond van art. 93 lid 7 Statuut. Het onderdeel bouwt voort op onderdeel 1.2 en moet het lot daarvan delen.
2.20
Onderdeel 3 stelt dat het hof niet had mogen oordelen dat Nederland geen rechtsmacht heeft, omdat de situatie van [eiser] c.s. wel degelijk uitzichtloos is. Volgens onderdeel 3.1 is het oordeel van het hof dat Nederland geen rechtsmacht heeft, onjuist althans onbegrijpelijk. Ook dit onderdeel bouwt voort op onderdeel 1.2 en moet het lot daarvan delen. Ik herhaal dat in het kader van deze civiele procedure geen plaats is voor een rechtmatigheidsoordeel over de duur en de uitkomst van de asielprocedures bij de vreemdelingenrechter. In ieder geval zullen die procedures op een zeker moment tot een einde komen en is er derhalve geen sprake van een ‘juridisch vacuüm’, zoals ook het EHRM in de zaak [betrokkene 3]/Nederland heeft overwogen (zie rov. 75, hierboven geciteerd onder 2.6). Tegen die achtergrond is het oordeel van het hof dat de situatie van [eiser] c.s. niet uitzichtloos is, juist en begrijpelijk. Voor zover het hof in rov. 2.4 van het bestreden arrest heeft verwezen naar de procedure die [eiser] c.s. tegen DRC hebben aangespannen bij de Mensenrechtencommissie in Genève, is deze verwijzing ten overvloede geschied. Om die reden faalt ook onderdeel 3.2.
2.21
Onderdeel 4 klaagt dat het hof in rov. 2.5 ten onrechte heeft overwogen dat het niet toekomt aan de beoordeling van de vraag of de detentie van [eiser] c.s. in strijd is met art. 5 of art. 13 EVRM. Voor zover het onderdeel voortbouwt op de voorgaande onderdelen moet het het lot daarvan delen. Voor zover in onderdeel 4.3 een motiveringsklacht tegen rov. 2.5 wordt aangevoerd, omdat er ‘geen spoor van respons’ is terug te vinden op de stellingen van [eiser] c.s. ten aanzien van art. 21 lid 3 Statuut en het beginsel van non-refoulement, faalt deze klacht. Het zuivere rechtsoordeel over de rechtsmacht kan immers niet worden bestreden met een motiveringsklacht. Ten slotte klaagt onderdeel 4.4 dat onbegrijpelijk is wat het hof in rov. 2.5 heeft bedoeld met de woorden ‘Nederlands grondgebied’. Met deze overweging, mede in verband met de verwijzing naar de uitspraak van het EHRM in de zaak [betrokkene 3], heeft het hof klaarblijkelijk bedoeld aan te geven dat de omstandigheid dat [eiser] c.s. in Nederland asiel hebben aangevraagd noch naar Nederlands recht noch naar bepalingen van het EVRM meebrengt dat zij de uitkomst van de asielprocedure op Nederlands grondgebied buiten de detentieruimte van het ICC mogen afwachten. Volgens het EHRM bestaat er immers geen verplichting de uitkomst van de asielprocedure af te wachten op het grondgebied van de staat waar asiel is verzocht.37.Het onderdeel stuit hierop af.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij
de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 29‑11‑2013
Rome Statute of the International Criminal Court, tot stand gekomen op 17 juli 1998, in werking getreden op 1 juli 2002. De Franse en de Engelse tekst zijn te vinden in Trb. 2000, 120, waarin tevens de Nederlandse vertaling is opgenomen.
Art. 93 lid 7 Statuut is geciteerd in nr. 2.2 van deze conclusie.
ICC Trial Chamber II, Decision on an Amicus Curiae application and on the ‘Requête tendant à obtenir presentation des témoins DRC-D02-P-350, DRC-D02-P-0236, DRC-D02-P-0228 aux autorités néerlandaises aux fins d’asile’ (articles 68 and 93(7) of the Statute), 9 June 2011, ICC-01/04-01/07-3003.
Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, gesloten te Genève, 28 juli 1951, in werking getreden op 1 augustus 1956. Zie Trb. 1954, 88 (Nederlandse vertaling).
ICC Trial Chamber II, Decision on the Security Situation of witnesses DRC-D02-P-0236, DRC-D02-P-0228, and DRC-D02-P-0350, 24 August 2011, ICC-01/04-01/07-3128.
ICC Trial Chamber II, Decision on the Urgent Request for Convening a Status Conference on the Detention of Witnesses DRC-D02-P-0236, DRC-D02-P-0228, and DRC-D02-P-0350, 1 March 2012, ICC-01/04-01/07-3254.
ICC Trial Chamber II, Order on duty counsel’s request concerning the detention of Witnesses DRC-D02-P-0236, DRC-D02-P-0228, and DRC-D02-P-0350, 1 June 2012, ICC-01/04-07-3303.
Zie hierover ook J. van Wijk, Asielzoekende getuigen bij het Internationaal Strafhof. Een steeds Nederlandser probleem, NJB 2012/527.
Zie rov. 3.8 van het vonnis van de voorzieningenrechter.
EHRM 9 oktober 2012, nr. 33917/12, [betrokkene 3] v. The Netherlands, ECLI:NL:XX:2012:BY2306, JV 2012/455, m.nt. H. Battjes, EHRC 2013/23, m.nt. M. den Heijer.
Art. 1(F) Vluchtelingenverdrag bepaalt kort gezegd dat het verdrag niet van toepassing is op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat deze persoon een in deze bepaling omschreven misdrijf heeft begaan of zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen die in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.
Zie rov. 1.12 van het arrest van het hof ’s-Gravenhage van 18 december 2012.
In nr. 2.13 van de schriftelijke toelichting in cassatie wijst de Staat erop dat de asielaanvraag van [eiser] inmiddels is afgewezen bij beschikking van 28 november 2012 en dat alle eisers tegen de afwijzing van hun asielaanvraag beroep hebben ingesteld.
ICC Trial Chamber II, Decision on the request for release of witnesses DRC-D02-P-0236, DRC-D02-P-0228, and DRC-D02-P-0350, 8 February 2013.
Op het punt van ‘transfer of a person in custody’ geeft Rule 192 van de ‘Rules of Procedure and Evidence’ van het ICC nadere regels.
Headquarters Agreement between the International Criminal Court and the host State (Zetelverdrag tussen het Internationaal Strafhof en het Gastland), gesloten te ’s-Gravenhage op 7 juni 2007, Trb. 2007, 31 (authentieke Engelse tekst, Nederlandse vertaling). Het Zetelverdrag is op 1 maart 2008 in werking getreden.
Rijkswet van 20 juni 2002 tot uitvoering van het Statuut van het Internationaal Strafhof met betrekking tot de samenwerking met en bijstand aan het Internationaal Strafhof en de tenuitvoerlegging van zijn vonnissen (Uitvoeringswet Internationaal Strafhof), Stb. 2002, 314, in werking getreden op 1 juli 2002 krachtens Besluit van 20 juni 2002, Stb. 2002, 315.
Zie Tweede Kamer, vergaderjaar 2002-2002, 28 090 (R 1704) en 28 099, nr. 13, p. 2.
Zie de ‘wenk’ bij de uitspraak van het EHRM in de zaak [betrokkene 3]/Nederland, RAV 2013/11.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2002-2203, 28 090 (R 1704) en 28 099, nr. 13, p. 4-5.
EHRM 9 oktober 2012, nr. 33917/12, [betrokkene 3] v. The Netherlands, ECLI:NL:XX:2012:BY2306, JV 2012/455, m.nt. H. Battjes, EHRC 2013/23, m.nt. M. den Heijer.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2002-2203, 28 090 (R 1704) en 28 099, nr. 13, p. 5.
Zie art. 86 Statuut; zie ook Antonio Cassese/Paola Gaeta/John R.W.D. Jones (eds.), The Rome Statute of the International Criminal Court, A Commentary, volume II, 2002, p. 1911.
Zie Cassese/Gaeta/Jones, a.w., p. 1589. Zie ook over de verplichting van verdragsstaten mee te werken aan de vrijwillige verschijning van getuigen voor het ICC: Sylvia Ntube Ngane, Witnesses before the International Criminal Court, Law & Prac. Int’l Cts. & Tribunals 2009, p. 431-457.
Zie hierover o.a. Jean Allain, The jus cogens Nature of non-refoulement, International Journal of Refugee Law, 2001, p. 533-558; Cordula Droege, Transfers of detainees: legal framework, non-refoulement and contemporary challenges, International Review of the Red Cross, 2008, p. 690; C.W. Wouters, International Legal Standards for the Protection from Refoulement, 2009, p. 30, i.h.b. noot 130, waar hij op literatuur wijst waarin over deze kwestie verschillend wordt gedacht.
Zie Tweede Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 28 098 (R 1704), nr. 3, p. 48.
Zie hierover Cassese/Gaeta/Jones, a.w., p. 1079-1082.
ICC Trial Chamber II, Decision on an Amicus Curiae application and on the ‘Requête tendant à obtenir presentation des témoins DRC-D02-P-350, DRC-D02-P-0236, DRC-D02-P-0228 aux autorités néerlandaises aux fins d’asile’ (articles 68 and 93(7) of the Statute), 9 June 2011, ICC-01/04-01/07-3003. Vgl. Maarten den Heijer, Asiel en het Internationaal Strafhof, NTM/NJCM-Bulletin 2012, p. 537.
EHRM 30 juni 2005, nr. 45036/98, Bosphorus Airlines v. Ireland, rov. 156, ECLI:NL:XX:2005:AU2360; AB 2006/273, m.nt. T. Barkhuysen en M.L. van Emmerik; EHRC 2005/91, m.nt. M. Bulterman.
Zie rov. 76-80 van de uitspraak van het EHRM 9 oktober 2012, nr. 33917/12, [betrokkene 3] v. The Netherlands, ECLI:NL:XX:2012:BY2306.
Aldus H. Battjes in nr. 9 van zijn noot onder de uitspraak van het EHRM in de zaak [betrokkene 3]/Nederland, JV 2012/455.
ICC Trial Chamber II, Decision on the Security Situation of witnesses DRC-D02-P-0236, DRC-D02-P-0228, and DRC-D02-P-0350, 24 August 2011, ICC-01/04-01/07-3128.
Zie ook rov. 80 en 83 van de beslissing van de ICC Trial Chamber, Decision on an Amicus Curiae application and on the ‘Requête tendant à obtenir presentation des témoins DRC-D02-P-350, DRC-D02-P-0236, DRC-D02-P-0228 aux autorités néerlandaises aux fins d’asile’ (articles 68 and 93(7) of the Statute), 9 June 2011, ICC-01/04-01/07-3003. Voorts: Cassese/Gaeta/Jones, a.w., p. 1614; zie in het algemeen over ‘implied powers’ (‘inherent powers’): Danesh Sarooshi, The Powers of the United Nations International Criminal Tribunals, Max Planck Yearbook of International Law 1998, p. 141-167; Manuel Rama-Montaldo, International Legal Personality and Implied Powers of International Organizations, British Yearbook of International Law 1970, p. 111-155.
Dit blijkt ook uit de door [eiser] c.s. bij schriftelijke toelichting in cassatie overgelegde uitspraak van de Trial Chamber van 8 februari 2013 (zie ook onder 1.16 van deze conclusie).
Vaste rechtspraak, zie EHRM 9 oktober 2012, nr. 33917/12, [betrokkene 3] v. The Netherlands, ECLI:NL:XX:2012:BY2306, rov. 81: ‘(…). Finally, States are, in principle, under no obligation to allow foreign nationals to await the outcome of immigration proceedings on their territory (…)’.
Beroepschrift 08‑02‑2013
Toevoegingen aangevraagd op 22 januari 2013, onder nrs. 3HP2751, 3HP2761 en 3HP2766
CASSATIEDAGVAARDING
heden, [de achtste februari tweeduizenendendertien] ten verzoeke van:
- 1.
[rekwirant 1],
- 2.
[rekwirant 2],
- 3.
[rekwirant 3].
allen verblijvende[, en te dezer zake woonplaats hebbende,] te Scheveningen, [gemeente 's‑Gravenhage] in het Detention Centre van het Internationaal Strafhof, voor deze cassatieprocedure woonplaats kiezende te (2514 EA) 's‑Gravenhage aan het Lange Voorhout 3 ten kantore van de advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. G.R. den Dekker, die door mijn rekwiranten is aangewezen om hen in deze cassatieprocedure te vertegenwoordigen;
heb ik,
[Edzard Raymundo Veldhuizen, als toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwraarder, werkzaam ten kantore van Diana Johanna Vermeulen, gerechtsdeurwaarder met vestigingsplaats Delft, Nederland, en aldaar kantoorhoudende aan de Wallerstraat 14c-16c;]
AAN
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Buitenlandse Zaken en Ministerie van Veiligheid en Justitie), zetelend te 's‑Gravenhage, in deze zaak in de vorige instantie laatstelijk woonplaats gekozen hebbende ten kantore van de hem laatstelijk vertegenwoordigende advocaat mr. E.J. Daalder (Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn NV, kantoorhoudende te (2594 AC) 's‑Gravenhage aan de Bezuidenhoutseweg 57, aldaar aan die gekozen woonplaats mijn exploot doende, afschrift dezes latende aan en sprekende met:
[de heer G.W. van Dijke, aldaar werkzaam;]
AANGEZEGD
dat mijn rekwiranten beroep in cassatie instellen tegen het op 18 december 2012 door het Gerechtshof te 's‑Gravenhage, Sector Civiel recht, onder zaaknummer 424426/KG ZA 12-808 gewezen arrest tussen mijn rekwiranten als geïntimeerden en de gerekwireerde voornoemd als appellant;
Vervolgens heb ik, [toegevoegd kandidaats-gerechts] deurwaarder, voornoemde gerekwireerde
GEDAGVAARD
om op vrijdag één maart tweeduizendendertien (01-03-2013), 's ochtends om 10.00 uur, niet in persoon maar vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, te verschijnen ter terechtzitting van de Hoge Raad der Nederlanden, die zal worden gehouden in het gebouw van de Hoge Raad aan de Kazernestraat 52 te 's‑Gravenhage;
MET DE AANZEGGING, DAT
- a.
indien verweerder in cassatie advocaat stelt maar het hierna te noemen griffierecht niet tijdig betaalt, en de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen, de rechter verstek tegen verweerder verleent, het door de verweerder in cassatie gevoerde verweer buiten beschouwing blijft en diens recht om in cassatie te komen vervalt;
- b.
bij verschijning in het geding op de voorgeschreven wijze van verweerder in cassatie een griffierecht van € 747,- zal worden geheven, te voldoen binnen vier weken te rekenen vanaf het tijdstip van verschijning;
- c.
van een persoon die onvermogend is, een lager griffierecht wordt geheven, namelijk van € 309,--, indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven heeft overgelegd:
- 1e.
een afschrift van het besluit tot toevoeging, bedoeld in artikel 29 van de Wet op de rechtsbijstand, of indien dit niet mogelijk is ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan hem zijn toe te rekenen, een afschrift van de aanvraag, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Wet op de rechtsbijstand, dan wel
- 2e.
een verklaring van de raad als bedoeld in artikel 1, onder b, van die wet, waaruit blijkt dat zijn inkomen niet meer bedraagt dan de bedragen, bedoeld in artikel 35, derde en vierde lid, telkens onderdelen a tot en met d dan wel in die artikelleden, telkens onderdeel e, van die wet;
met dien verstande dat als gevolg van een inmiddels van kracht geworden wijziging van de Wet op de rechtsbijstand nu geldt dat de verklaring wordt verstrekt door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, bedoeld in artikel 2 van die wet, terwijl de bedragen waaraan het Inkomen wordt getoetst zijn vermeld in artikel 2, eerste en tweede lid, van het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand;
TENEINDE
tegen het aangevallen arrest te horen aanvoeren het navolgende
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen, doordat het Hof heeft overwogen en beslist als is vervat in rov. 2.2 tot en met 2.5 het ten deze bestreden arrest, zulks ten onrechte om één of meer van de navolgende, mede in onderlinge samenhang te lezen redenen:
Inleiding en procesverloop1.
1.
Deze zaak gaat over het juridisch vacuüm waarin eisers tot cassatie, [rekwirant 1] (hierna: ‘[rekwirant 1]’), [rekwirant 2] (hierna: ‘[rekwirant 2]’) en [rekwirant 3] (hierna: ‘[rekwirant 3]’), hierna gezamenlijk ook ‘[rekwiranten] c.s.’ genoemd, verkeren ten gevolge van de weigering van verweerder in cassatie (hierna: ‘de Staat’), om mee te werken aan de beëindiging van de voortgezette detentie van [rekwiranten] c.s. bij het Internationaal Strafhof (hierna: ‘ICC’ — International Criminal Court) in Scheveningen, erin bestaande dat de Staat zich bereid verklaart [rekwiranten] c.s. over te nemen van het ICC voor (in ieder geval) de duur van de behandeling bij de Nederlandse (vreemdelingen)rechter van hun asielprocedure. Door de impasse die de Staat heeft laten bestaan zijn [rekwiranten] c.s. al bijna twee jaar gedetineerd in Nederland als getuigen bij het ICC, terwijl — ten gevolge van het ten deze bestreden arrest van het Hof — het einde van deze detentiesituatie voor [rekwiranten] c.s. niet in zicht komt en geen enkele rechter de rechtmatigheid van hun voortdurende detentie kan toetsen.
2.
[rekwirant 3] en [rekwirant 2] zijn in 2005 en [rekwirant 1] is in 2010 in de Democratische Republiek Congo (hierna: ‘DRC’) aangehouden en gedetineerd. Tegen geen van hen is een strafrechtelijke procedure gevoerd. Met toepassing van artikel 93 lid 7 van het Statuut van Rome van het ICC van 17 juli 1998 (hierna: ‘het Statuut’) zijn [rekwiranten] c.s. op 27 maart 2011 overgebracht naar het ICC om op verzoek van de verdediging een getuigenverklaring af te leggen in de zaak van de Aanklager tegen [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. De getuigenverklaringen zijn op 3 mei 2011 afgerond. De getuigenverklaringen die [rekwiranten] c.s. hebben afgelegd zijn belastend voor het huidige regime van de DRC.2.
3.
Op 12 mei 2011 hebben [rekwiranten] c.s. een asielaanvraag ingediend bij de Nederlandse autoriteiten, onder meer gebaseerd op de vrees voor vervolging en/of onmenselijke behandeling in de DRC als gevolg van de belastende verklaringen die zij bij het ICC met betrekking tot de zittende president Kabila hebben afgelegd. Het is een feit van algemene bekendheid dat de mensenrechtensituatie in de DRC, en de situatie van gedetineerden die zich tegen de zittende president hebben uitgesproken als afgeleide daarvan, ernstig te wensen overlaat.3.
4.
Het ICC is op grond van art. 21 lid 3 van het Statuut gehouden om het Statuut en de andere rechtsbronnen toe te passen op een wijze die niet onverenigbaar of in strijd is met internationaal erkende mensenrechten.4. Gezien de, mede op de dreiging van schending van hun mensenrechten in de DRC (in verband met hun getuigenverklaringen) gebaseerde, asielaanvraag van [rekwiranten] c.s. in Nederland heeft het ICC beslist dat het niet een verzoek kon richten aan Nederland om [rekwiranten] c.s. terug te sturen naar de DRC, temeer daar de verplichting van Nederland om [rekwiranten] c.s. niet in strijd met het non-refoulement beginsel terug te sturen in het geding is.
5.
In uitspraken van 9 juni 2011, 24 augustus 2011, 16 september 2011, 1 maart 2012 en 1 juni 2012 heeft het ICC — Trial Chamber II (de [betrokkene 1]-kamer5.) — naast de voornoemde overwegingen tevens de onwenselijkheid van de aldus ontstane impasse onder de aandacht gebracht en Nederland opgeroepen hier spoedig een einde aan te maken, in overleg met de Griffier (Registrar) van het ICC en de DRC.6. De Trial Chamber heeft daarbij gewaarschuwd dat artikel 93 lid 7 Statuut geen grondslag biedt om [rekwiranten] c.s. onredelijk lang vast te houden.
6.
Bij uitspraak van 28 december 2011 (LJN: BU9492) heeft de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, bepaald dat de asielaanvragen van [rekwiranten] c.s. volgens de Vreemdelingenwet 2000 ("Vw") moeten worden behandeld. Tegen deze beslissing is geen hoger beroep ingesteld.
7.
In de onderhavige zaak hebben [rekwiranten] c.s. In eerste aanleg voorziening gevraagd om de Staat ertoe te verplichten binnen een door de rechter te stellen termijn aan het ICC te verklaren dat Nederland bereid is hen van het ICC over te nemen en daartoe met het ICC in overleg te treden. De Rechtbank Den Haag (voorzieningenrechter) heeft het verzoek van [rekwirant 1] toegewezen, en daarbij de termijn op vier weken na de uitspraak bepaald.7. De Staat heeft hoger beroep ingesteld.
8.
Het Hof Den Haag heeft op 29 oktober 2012 arrest gewezen in het incident, waarin tot schorsing van de uitvoerbaar verklaring bij voorraad van het vonnis in eerste aanleg is beslist. Ter gelegenheid daarvan heeft het Hof overwogen dat onzekerheid bestaat over de vraag of [rekwiranten] c.s. kunnen worden teruggenomen door het ICC als zij aan Nederland zijn overgedragen, omdat daartoe, aldus de Staat, de titel ontbreekt omdat [rekwiranten] c.s. immers niet worden vervolgd voor het ICC en hun getuigenverklaringen al hebben afgelegd, zodat het ICC de bevoegdheid ontbeert om [rekwiranten] c.s. in detentie (terug) te nemen.8. Het Hof heeft tevens overwogen dat onrechtmatige detentie beoordeling en zo nodig ingrijpen van de rechter vereist.9.
9.
Bij (eind)arrest van 18 december 2012 heeft het Hof alsnog het verzoek van [rekwiranten] c.s. afgewezen, kort gezegd omdat er volgens het Hof een rechtsgeldige titel aan hun voortgezette detentie bij het ICC ten grondslag ligt, er geen uitzichtloze detentiesituatie is, en de Staat rechtsmacht ontbeert in de zin van artikel 1 EVRM om de rechtmatigheid van de detentie van [rekwiranten] c.s. te beoordelen, zodat het Hof aan de klacht dat hun detentie in strijd is met artikel 5 en artikel 13 EVRM niet toekomt, en er ook overigens geen rechtsplicht rust op de Staat om [rekwiranten] c.s. hun asielprocedure op Nederlands grondgebied te laten afwachten.
10.
In het hierna volgende worden klachten gericht tegen rov. 2.2 tot en met 2.5 van het arrest van 18 december 2012. Indien een of meer van de klachten slagen, kunnen ook rov. 3.1 en 3.2, alsmede het dictum, van het bestreden arrest niet in stand blijven.
Klachten
Onderdeel 1
1.1
In rov. 2.2 oordeelt het Hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk, dat de grieven 1 en 2 van de Staat gegrond zijn. Deze algemene klacht wordt hierna in dit onderdeel, alsmede in de volgende drie onderdelen, uitgewerkt. [rekwiranten] c.s. hebben er, gezien de omschrijving door het Hof van de betreffende grieven van de Staat in rov. 2.1 van het bestreden arrest, vanuit te gaan dat het Hof niet alleen rov. 2.2 maar ook rov. 2.3 tot en met 2.5 ten grondslag heeft gelegd aan het oordeel dat deze grieven gegrond zijn.
1.2
Het oordeel van het Hof in rov. 2.2, na de vaststelling door het Hof dat [rekwiranten] c.s. bij het ICC zijn gedetineerd op grond van de 93 lid 7 Statuut en de door het ICC met de DRC gemaakte afspraak, dat ‘[D]e titel voor de detentie van [rekwiranten] c.s. was en is dan ook de titel op grond waarvan zij in de DRC werden gedetineerd. De detentie door het ICC is daarvan een afgeleide’, is onjuist, althans onbegrijpelijk, in het licht van de (vier) uitspraken van het ICC — Trial Chamber II, hierna ook ‘de Trial Chamber’ — in de zaak van [rekwiranten] c.s.
De uitspraak van de Trial Chamber van 1 juni 2012, rov. 14 (vgl. rov. 1.11 bestreden arrest) luidt, voor zover hier relevant, als volgt: ‘In its aforementioned decisions of 9 June and 24 August 2011, as reiterated in its decision of 1 March 2012, the Chamber clearly set out the grounds for their detention, also stating unequivocally that ‘the processing of the witnesses' asylum applications must not cause the unreasonable extension of their detention under article 93 (7) of the Statute […]’. In de uitspraak van 1 maart 2012, waar de Trial Chamber in dit verband naar verwijst, overwoog de Trial Chamber (vgl. rov. 1.10 bestreden arrest): ‘(…) The Chamber reiterates, in this respect, that the processing of the witnesses' asylum applications must not cause the unreasonable extension of their detention under article 93(7) of the Statute and that, in light of inter alia article 21(3) of the Statute, the Court cannot contemplate prolonging their custody indefinitely.’ In de uitspraak van 9 juni 2011 waar de Trial Chamber in dit verband eveneens naar verwijst, overwoog de Trial Chamber in rov. 85 (vgl. rov. 1.7 bestreden arrest): ‘In any event, since their testimony is now complete, and since the three asylum applicants are now in detention, it is imperative that the Dutch authorities examine the applications as soon as possible, since the processing of their applications must in no way cause any unreasonable delay to their detention under article 93(7) of the Statute (…).’ In de uitspraak van 24 augustus 2011 waar de Trial Chamber eveneens naar verwijst in dit verband, overwoog de Trial Chamber in rov. 17 (vgl. rov. 1.8 bestreden arrest): ‘In any event, given that the obligation of the Court to detain the three witnesses has how, in principle, come to an end, the Chamber is of the view that a solution must be found urgently". Kortom, de Trial Chamber geeft in al zijn uitspraken aan dat een onredelijk lange doorlooptijd van de behandeling van de asielverzoeken van [rekwiranten] c.s. ("the processing of the witnesses’ asylum applications") door de Staat de rechtmatigheid van de voorzetting van hun detentie op basis van art. 93 lid 7 Statuut aantast. Voor een ‘unreasonable extension’ van hun detentie biedt art. 93 lid 7 Statuut immers geen grondslag, mede gezien art. 21 lid 3 Statuut, zodat een urgente oplossing geboden is, zo blijkt uit de hiervoor weergegeven citaten uit de uitspraken van de Trial Chamber. De afspraak tussen het ICC en de DRC kan niet art. 93 lid 7 Statuut terzijde stellen (omdat die afspraak op dat artikel is gebaseerd10.) zodat volgens de Trial Chamber dus wel degelijk een titel voor de voortgezette detentie bij het ICC ontbreekt als deze detentie ten gevolge van de duur van de asielprocedures onredelijk lang voortduurt. Het Hof heeft dit miskend in rov. 2.2.
Het oordeel van het Hof in rov. 2.2 kan ook geen stand houden als men bedenkt dat de consequentie ervan is dat op grond van de Congolese titel voor detentie, de detentie bij het ICC ad infinitum zou kunnen voortduren, terwijl het ICC de onaanvaardbaarheid daarvan (en een spoedige oplossing) nu juist evident onder de aandacht heeft gebracht van de Staat in zijn (openbare) uitspraken. Daar komt nog bij, dat een titel voor hernieuwde detentie bij het ICC (na overname van [rekwiranten] c.s. door Nederland) volgens de Staat ontbreekt omdat [rekwiranten] c.s. niet worden vervolgd voor het ICC en hun getuigenverklaringen al hebben afgelegd.11. Ook in dat licht valt niet in te zien hoe het Hof de titel voor voortgezette detentie bij het ICC kan sauveren als afgeleide van de detentie in de DRC. Als de titel van detentie uit het ‘thuisland’ immers blijft kleven aan de getuigen zou dat ook zo moeten zijn na hun overname door Nederland.
1.3
De overweging van het Hof in rov. 2.2, dat ‘[rekwiranten] c.s. rechtsmiddelen tegen hun detentie als zodanig moeten instellen in de DCR’, is onbegrijpelijk naast de overweging van het Hof dat ‘noch de Nederlandse rechter, noch het ICC (…) rechtsmacht heeft om over de rechtmatigheid van die detentie een oordeel te geven, ook niet Indien gesteld wordt dat hun voortgezette detentie of het ontbreken van rechtsmiddelen daartegen in de DRC in strijd is met internationaal erkende mensenrechten.’
Immers, bij het ontbreken van rechtsmiddelen in de DRC tegen hun voortgezette detentie staat vast dat [rekwiranten] c.s. geen rechtsmiddelen kunnen aanwenden tegen de rechtsgeldigheid van hun detentie in de DRC. In dat verband valt op dat in de feitenweergave door het Hof de belangrijke rov. 2.1 uit het vonnis van de rechtbank in eerste aanleg,12. ontbreekt. Uit rov. 1.2 van het vonnis blijkt namelijk dat [rekwirant 3] en [rekwirant 2] al in 2005 zijn aangehouden en zijn gedetineerd in de DRC en [rekwirant 1] in 2010, terwijl tegen geen van hen een strafrechtelijke procedure is gestart. [rekwiranten] c.s. hebben in dat verband — onbetwist — gesteld dat er in de DRC sinds 2 juli 2007 ten aanzien van [rekwirant 3] en [rekwirant 2] geen toetsing van de voortzetting van hun ‘voorlopige’ hechtenis heeft plaatsgevonden.13. Dit rechtvaardigt ten minste de presumptie dat aan eisers tot cassatie in de DRC geen rechtsmiddelen ter beschikking staan om hun detentie te laten toetsen.
1.4
Om de hierboven onder 1.3 genoemde redenen is ook de overweging van het Hof in rov. 2.4 ‘[A]fgezien van de rechtsmiddelen die hun mogelijk ten dienste staan in de DRC (…)’ onbegrijpelijk. Het Hof had, gelet op het vaststaande feit (vonnis rechtbank, rov. 2.1) dat er in de DRC al sinds 2005 c.q. 2010 sprake is van detentie van [rekwiranten] c.s. zonder dat sprake is van een strafrechtelijke vervolging van hen, en de onbetwiste stellingen van eisers dat ten aanzien van (twee van) hen al sinds 2 juli 2007 geen rechterlijke instantie zich meer heeft uitgelaten over de rechtmatigheid van de voortzetting van hun ‘voorlopige’ hechtenis, niet zonder nadere motivering, die echter geheel ontbreekt, de mogelijkheid open kunnen houden dat eisers rechtsmiddelen in de DRC ter beschikking staan tegen hun voortdurende detentie.
1.5
Het oordeel van het Hof in rov. 2.2 ‘noch de Nederlandse rechter (…) heeft rechtsmacht om over de rechtmatigheid van die detentie een oordeel te geven, ook niet indien gesteld wordt dat hun voortgezette detentie (…) in strijd is met internationaal erkende mensenrechten,’ is onjuist althans onbegrijpelijk, omdat de vraag bij de Nederlandse rechter naar de verenigbaarheid van de voortgezette detentie bij het ICC met fundamentele mensenrechten mede is gerezen naar aanleiding van het gebrek in de rechtsbescherming van [rekwiranten] c.s. inhoudende dat onzeker is of er een bevoegde rechter is die de rechtmatigheid van hun huidige detentiesituatie kan beoordelen.14. Het oordeel van het Hof bevestigt dus juist het bestaan van dit gebrek (dat dit een gebrek is, staat buiten twijfel, vgl. art. 5 lid 4 EVRM) en dat had het Hof wel degelijk kunnen constateren. Vergelijk ook het eerdere oordeel van hetzelfde Hof in dezelfde zaak, dat ‘onrechtmatige detentie beoordeling en zo nodig ingrijpen van de rechter vereist’.15. Uit de meergenoemde uitspraken van de Trial Chamber blijkt dat het ICC in elk geval jegens Nederland de mogelijkheid heeft opengehouden dat de Nederlandse rechter kan constateren dat de voortgezette detentie van [rekwiranten] c.s. bij het ICC onredelijk lang duurt en daarom in strijd is met de mensenrechten (zie ook onderdelen 1.2 hiervóór en 2.1 hierna).
1.6
Bij het voorgaande komt, dat uit rov. 2.5 blijkt, dat het Hof (ook) in rov: 2.2 klaarblijkelijk het oog heeft op rechtsmacht in de zin van artikel 1 EVRM. Dat maakt zijn oordeel in rov. 2.2 temeer, alsook op zichzelf genomen, onjuist, omdat de Nederlandse rechter bij het bepalen van de rechtspositie van personen op Nederlands grondgebied niets te maken heeft met eventuele beperkingen van art. 1 EVRM. Er is immers niets ‘extra-territoriaals’ aan de detentie van [rekwiranten] c.s. in Scheveningen, en — voor de volledigheid — de beoordeling van de gevolgen van naleving van volkenrechtelijke verplichtingen door de Staat onttrekt zich evenmin aan de rechtsmacht van de nationale rechter.16. Artikel 1 EVRM is ook eerst en vooral een duiding van het bindende karakter van het EVRM en van de (resultaats-)verplichting dat de lidstaten om nationale procedures in het leven te roepen teneinde de door het EVRM gegarandeerde mensenrechten te waarborgen.17. Met dit alles is niet verenigbaar dat de Staat en zijn organen (waaronder de nationale rechter) dit artikel zouden kunnen aangrijpen om rechtsmacht op het eigen grondgebied te beperken.
De regel dat iemand niet zonder vorm van proces voortdurend in detentie gehouden mag worden en dat in ieder geval een rechterlijke instantie zich moet kunnen buigen over de rechtmatigheid van het voortduren van de detentie, geldt bovendien ook naar intern Nederlands recht, waarin artikel 5 EVRM doorwerkt.18.Artikel 1 EVRM doet daar niet aan af. Voor zover het Hof bij zijn beoordeling mocht hebben betrokken — kenbaar is dit niet — de veronderstelling dat de Nederlandse wet19. niet van toepassing is op de onderhavige detentie, heeft het Hof tevens miskend dat het in hoger beroep zelf heeft vastgesteld dat [rekwiranten] c.s. (die getuigen zijn, en niet verdachten, voor het ICC) gevangen zitten op last van de DRC (val, rov. 2.1 bestreden arrest) en dus niet op last van het ICC, zodat ook de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof hier geen beperking kan inhouden.20.
1.7
In het slot van rov. 2.2 overweegt het Hof dat het beroep van [rekwiranten] c.s. op door het EVRM gewaarborgde rechten, kort gezegd, niet meebrengt dat de Nederlandse rechter een oordeel kan geven over de rechtmatigheid van hun detentie ‘reeds omdat uit de uitspraak van het EHRM inzake Longa volgt dat het feit dat eisers zich op Nederlands grondgebied bevinden en daar asiel hebben aangevraagd, niet meebrengt dat vragen rond de rechtmatigheid van hun detentie binnen de rechtsmacht van Nederland zijn gebracht.’
Dit oordeel is onbegrijpelijk, omdat het zwaartepunt van het betoog van [rekwiranten] c.s. is dat het ICC (Trial Chamber II) zoals blijkt uit de uitspraken in hun zaak,21. zich op grond van art. 21 lid 3 Statuut gehouden acht om bij toepassing van het Statuut met de mensenrechten rekening te houden en die verplichting gezien de asielaanvragen van [rekwiranten] c.s. zwaarder heeft laten wegen dan de verplichting van het ICC jegens de DRC op de voet van art. 93 lid 7 Statuut en hun onderlinge afspraak om [rekwiranten] c.s. na het afleggen van hun getuigenverklaringen spoedig terug te zenden naar hun land van herkomst. Het ICC heeft Nederland in dat verband ook expliciet opgeroepen om over de situatie van de voortdurende detentie van [rekwiranten] c.s. in overleg te treden en een spoedige oplossing te vinden. Er is dus bepaald méér aan de hand dan alleen het gegeven dat het ICC in Nederland is gevestigd en [rekwiranten] c.s. op Nederlands grondgebied in de cel zitten en hier ten lande asiel hebben aangevraagd.
Bovendien is het wezenlijke punt van de uitspraak van het EHRM in de zaak Longa dat een staat, die zich bereid heeft verklaard om als gastland voor een internationaal strafrechtelijk tribunaal op te treden, niet verplicht is om de rechtmatigheid te beoordelen van een detentie die berust op een afspraak die is gemaakt tussen dat tribunaal en staten die geen partij zijn bil het EVRM.22. Dat de DRC geen partij is bij het EVRM heeft uiteraard gevolgen voor de rechtsmacht van het EHRM als toezichthouder van het EVRM, maar betekent niet dat daarmee (tevens) is gegeven dat Nederland rechtsmacht ontbeert om het ICC te verzoeken [rekwiranten] c.s. van het ICC over te nemen — dan wel dat dit een belemmering zou inhouden voor het oordeel van de Nederlandse rechter dat de Staat daartoe ook verplicht is. Uit de meergenoemde uitspraken van de Trial Chamber blijkt dat het ICC in elk geval jegens Nederland de mogelijkheid heeft opengehouden dat de Nederlandse rechter kan constateren dat de voortgezette detentie van [rekwiranten] c.s. bij het ICC onredelijk lang duurt en daarom in strijd is met de mensenrechten (zie ook onderdelen 1.2 hiervóór en 2.1 hierna). De afspraak tussen het ICC en de DRC staat daar dus (kennelijk) niet aan in de weg.
1.8
Met zijn oordeel aan het slot van rov. 2.2 (zie onderdeel 1.7 hiervóór) ziet het Hof er tevens aan voorbij dat in de zaak EHRM Longa de betrokkene, anders dan [rekwiranten] c.s., zijn asielaanvraag heeft ingetrokken, en dat de Trial Chamber in het geval van Longa (namelijk Trial Chamber I, de Lubanga kamer) een andere Trial Chamber was dan in het geval van [rekwiranten] c.s. (Trial Chamber II, de [betrokkene 1] kamer), terwijl de Trial Chambers van het ICC onderling afwijkende beslissingen kunnen nemen, waar [rekwiranten] c.s. ook op hebben gewezen.23. In de zaak Longa zijn geen beslissingen genomen door het ICC zoals die in het onderhavige geval wel zijn genomen door Trial Chamber II betreffende het probleem van de voortgezette detentie bij het ICC en de noodzaak om spoedig een oplossing hiervoor te vinden. Op deze uitgewerkte — en voor het onderscheid met de zaak EHRM Longa essentiële — stellingen van [rekwiranten] c.s.24. heeft het Hof in zijn arrest in het geheel niet (kenbaar) gerespondeerd.
Onderdeel 2
2.1
In rov. 2.3 overweegt het Hof wat betreft de voortgezette detentie door het ICC, dat het de uitspraken van de Trial Chamber aldus begrijpt dat ‘zolang terugzending onmogelijk is, art. 93 lid 7 Statuut de grondslag biedt voor voortgezette detentie.’ De door het Hof ‘onder rov. 1.11 geciteerde rechtsoverweging uit de uitspraak van 1 juni 2012 kan in redelijkheid niet anders begrepen worden’, aldus het Hof. Dit oordeel rust op een onjuiste, althans onbegrijpelijke, uitleg die het Hof geeft aan de uitspraken van de Trial Chamber, waaronder de uitspraak van 1 juni 2012, rov. 14, die het Hof in rov. 1.11 van zijn arrest citeert.
Het citaat van de uitspraak van 1 juni 2012, rov. 14, van de Trial Chamber dat In rov. 1.11 van het bestreden arrest wordt weergegeven, luidt, voor zover hier relevant, als volgt: ‘In its aforementioned decisions of 9 June and 24 August 2011, as reiterated in its decision of 1 March 2012, the Chamber clearly set out the grounds for their detention, also stating unequivocally that ‘the processing of the Witnesses' asylum applications must not cause the unreasonable extension of their detention under article 93 (7) of the Statute […]’ Accordingly, in response to the third issue raised by duty counsel the Chamber need only refer him to these two decisions, both public documents which can therefore be tendered in court if necessary. (…)’. Zoals ook in onderdeel 1.2 hiervóór al aan de orde is gesteld, geeft de Trial Chamber in zijn uitspraken — anders dan het Hof overweegt in rov. 2.3 - helemaal niet aan dat zolang terugzending van de getuigen onmogelijk is, art. 93 lid 7 Statuut een grondslag biedt voor hun voortdurende detentie bij het ICC. Integendeel: de uitspraken van de Trial Chamber vallen In redelijkheid niet anders te begrijpen dan dat de Trial Chamber heeft geoordeeld dat een onredelijk lange doorlooptijd van de behandeling van de asielverzoeken van [rekwiranten] c.s. (‘the processing of the witnesses' asylum applications’) door de Staat, de rechtmatigheid van de voorzetting van hun detentie op basis van art. 93 lid 7 Statuut aantast. Voor een ‘unreasonable extension’ van hun detentie biedt art. 93 lid 7 Statuut Immers geen grondslag, mede gezien art. 21 lid 3 Statuut, zodat een urgente oplossing geboden is, zo blijkt uit de uitspraken van de Trial Chamber. Een titel voor voortgezette detentie op grond van art. 93 lid 7 Statuut ontbreekt volgens de Trial Chamber dus wel degelijk als deze detentie ten gevolge van de duur van de asielprocedures onredelijk lang voortduurt.
2.2
Gezien het vaststaande feit dat de detentie van eisers bij de ICC sinds 27 maart 2011 tot op de dag van vandaag voortduurt (inmiddels dus bijna twee jaar) en de gemotiveerde stellingen van eisers, door de Staat als zodanig niet bestreden, dat de behandeling van de asielprocedures van de betrokkenen door de Staat tot heden niet uitblonken In snelheid van behandeling en ook nog lang zullen gaan duren (in ieder geval tot de zomer van 2014),25. heeft het Hof in rov. 2.3 bovendien ten onrechte, althans onbegrijpelijk, nagelaten te onderzoeken of, in de woorden van de Trial Chamber, de ‘processing of the witnesses' asylum applications caused an unreasonable extention’ van de voortgezette detentie bij het ICC, omdat als gevolg daarvan art. 93 lid 7 Statuut als grondslag aan die detentie ontvalt en een (geldige) titel voor voortgezette detentie door de ICC dus wel degelijk ontbreekt.
Onderdeel 3
3.1
In rov. 2.4 overweegt het Hof dat de situatie van [rekwiranten] c.s. niet uitzichtloos is, omdat (afgezien van een mogelijke rechtsgang in de DRC of bij internationale instanties) naar verwachting aan hun detentie door de ICC een einde zal komen nadat definitief over hun asielaanvraag is beslist. Het feit dat de asielprocedure nog geruime tijd kan duren betekent niet dat hun situatie uitzichtloos is, aldus het Hof.
Dit oordeel van het Hof geeft blijk van een onjuiste, want te beperkte, rechtsopvatting over de betekenis van ‘uitzichtloosheid’ in een detentiesituatie, omdat niet alleen een onredelijk lange duur van de procedure de detentiesituatie uitzichtloos maakt, maar ook het ontbreken van rechterlijk toezicht op de rechtmatigheid van de detentie en de toetsing van de voortzetting daarvan.26. [rekwiranten] c.s. hebben hun vorderingen ook mede gebaseerd op het feit dat zij hun asielprocedures buiten de detentiefaciliteit van het ICC willen afwachten, omdat in vreemdelingenbewaring of grensbewaring vanwege de Staat, die zij alsdan hoogstwaarschijnlijk zullen ondergaan, in elk geval heldere criteria gelden voor de voortzetting van hun detentie en er bovendien geen twijfel meer bestaat dat de rechter in voorkomend geval de rechtmatigheid van hun voortgezette detentie kan toetsen.27. Het in rov. 2.2 en 2.5 van het bestreden arrest verwoorde (wat eisers tot cassatie betreft, onhoudbare) oordeel van het Hof dat de Nederlandse rechter de rechtmatigheid van de detentie van eisers niet kan toetsen, bevestigt wat dat betreft precies de uitzichtloosheid van de detentiesituatie van eisers. Het staat vast dat [rekwiranten] c.s. hun voortgezette detentie bij het ICC na het afronden van hun getuigenverklaringen op 3 mei 2011 niet effectief hebben kunnen laten toetsen door een rechter.
3.2
Voor zover het Hof in rov. 2.4 met zijn verwijzing naar eventuele rechtsmiddelen in de DRC dan wel in internationale instanties, waarbij het Hof de klacht van eisers tegen de DRC bij de mensenrechtencommissie in Geneve noemt,28. heeft willen zeggen dat er om die reden van uitzichtloosheid van de detentiesituatie van [rekwiranten] c.s. geen sprake is, is dat oordeel onjuist, althans onbegrijpelijk.
Het oordeel van het Hof is onjuist, omdat eventuele rechterlijke toetsing van de rechtmatigheid en de voortzetting van de detentiesituatie in de DRC per definitie geen oplossing biedt voor de huidige detentiesituatie bij de ICC en ook geen toetsing van de voortzetting van die detentie kan inhouden, maar hooguit een toetsing achteraf of (twee van de) eisers tot cassatie niet al sedert juli 2007 op vrije voeten gesteld hadden moeten zijn. De klacht van [rekwiranten] c.s, bij de mensenrechtencommissie in Geneve is ook gericht tegen de DRC, en deze procedure levert geen juridisch bindende uitspraken op.29.
Het oordeel van het Hof Is onbegrijpelijk, omdat het er wat mensenrechtenbescherming betreft altijd om gaat dat de rechtsmiddelen die ter beschikking staan (niet theoretisch en illusoir, maar) praktisch en effectief zijn.30. Zelfs als er in theorie rechtsmiddelen in de DRC voorhanden zijn voor [rekwiranten] c.s., had het Hof niet zonder motivering, die echter ontbreekt, mogen aannemen dat die rechtsmiddelen ook effectief zijn. Bij gebrek aan een bindende uitspraak kan ook de gang naar de mensenrechtencommissie niet, althans niet zonder meer, effectief worden geacht.
Onderdeel 4
4.1
In rov. 2.5 overweegt het Hof dat het ‘gezien het voorgaande niet toekomt aan de beoordeling van de vraag of de detentie waarin [rekwiranten] c.s. zich thans bevinden in strijd is met artikel 5 of artikel 13 EVRM. Vragen rond de rechtmatigheid van de detentie vallen immers niet binnen de Nederlandse rechtsmacht in de zin van artikel 1 EVRM.’ Deze overweging kan om te beginnen geen stand houden omdat, zoals uit de voorgaande onderdelen moge zijn gebleken, het Hof wel degelijk behoorde toe te komen aan de vraag of de detentie waarin [rekwiranten] c.s. zich thans bevinden in strijd is met de eisen van art. 5 en art. 13 EVRM.
4.2
Bovendien is de opvatting van het Hof in rov. 2.5 dat art. 1 EVRM ertoe leidt dat vragen naar de rechtmatigheid van de detentie van [rekwiranten] c.s. bij het ICC aan de beoordeling door de Nederlandse rechter zijn onttrokken, onjuist. [rekwiranten] c.s. verwijzen naar onderdeel 1.6 hiervóór.
4.3
Onbegrijpelijk bij gebrek aan motivering, die geheel ontbreekt, is dat er volgens het Hof in rov. 2.5 (ook overigens) geen rechtsplicht op de Staat zou rusten om eisers tot cassatie over te nemen van het ICC omdat de omstandigheid dat zij asiel in Nederland hebben aangevraagd niet meebrengt dat zij de uitkomst van de asielprocedure op Nederlands grondgebied mogen afwachten.
Het is immers precies de inzet van de onderhavige procedure dat de Nederlandse rechter de voornoemde verplichting aan de Staat oplegt, omdat de Staat weigerachtig blijft om in te gaan op de herhaalde verzoeken van het ICC (Trial Chamber II) aan Nederland om spoedig een oplossing te vinden voor de huidige detentiesituatie van [rekwiranten] c.s., mede gelet op de samenhang tussen hun ten overstaan van het ICC afgelegde getuigenverklaringen, hun asielaanvraag in Nederland en de beslissing van het ICC dat het [rekwiranten] c.s. thans niet Kan terugsturen naar de DRC in verband met art. 21 lid 3 Statuut en het non-refoulement beginsel waar Nederland aan Is gebonden. Er is geen spoor van respons op deze argumentatie in het oordeel van het Hof terug te vinden.
4.4
Bovendien is onbegrijpelijk wat het Hof in rov. 2.5-slot heeft bedoeld met ‘Nederlands grondgebied’. Sinds 27 maart 2011 zijn [rekwiranten] c.s. immers gedetineerd op het grondgebied van Nederland, in de detentiefaciliteit van het ICC in Scheveningen. Dat is net zozeer Nederlands grondgebied als, bijvoorbeeld, de grond waarop ambassades in Nederland staan, of bijvoorbeeld het terrein van een internationale organisatie zoals de OPCW in Den Haag.
Voor zover het Hof in rov. 2.5-slot heeft bedoeld dat in het volkenrecht een beperking van rechtsmacht van de gaststaat door Immuniteit of onschendbaarheid van gebouwen van een internationaal straftribunaal betekent dat de gaststaat soevereiniteit ontbeert over (dat deel van) zijn grondgebied, getuigt het oordeel van het Hof van een onjuiste rechtsopvatting. Het is de territoriale begrenzing die aangeeft op welk grondgebied de statelijke rechtsorde gelding geniet en zo het territoriale geldingsbereik van de staat definieert (met de in het internationale recht erkende mogelijkheden van extraterritoriale jurisdictie als uitzondering).31.
Mitsdien:
de Hoge Raad op grond van dit middel het aangevallen arrest zal vernietigen, met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad juist zal achten; kosten rechtens.
De kosten van dit exploot zijn € [76,71 + € 16,11 (21% BTW) in debet]
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 08‑02‑2013
Vgl. vonnis voorzieningenrechter 26 september 2102 in eerste aanleg, rov. 1.1–1.12 jo rov. 1.1 bestreden arrest, en rov. 1.2–1.16 bestreden arrest.
Vgl. rov. 1.5 vonnis eerste aanleg jo rov. 1.1 bestreden arrest.
Vgl. ook mva nr. 7 en 8; en pleitnotitie in appel zijdens [rekwiranten] c.s., nr. 12, door de Staat niet weersproken.
Vgl. rov. 1.7 bestreden arrest.
Vgl. het arrest in het incident van 29 oktober 2012, rov. 1.3.
Vgl. rov. 1.7–1.11 bestreden arrest. Vgl. ook het arrest in het Incident van 29 oktober 2012, rov. 1.3.
Vgl. voor een korte weergave van de inhoud van het vonnis, rov. 1.14 van het bestreden arrest.
Vgl. arrest 29 oktober 2012, rov. 7.
Vgl. arrest 29 oktober 2012, rov. 8.
Vgl. ook de spoedappeldagvaarding van de Staat, nr. 3.1.2.
Vgl. het arrest van het Hof in het incident van 29 oktober 2012, rov. 7.
De feitenvaststelling van de rechtbank in eerste aanleg geldt blijkens rov. 1.1 van het bestreden arrest tevens als vaststaand in hoger beroep.
Vgl. mva nr. 6, en pleitnotitie in appel zijdens [rekwiranten] c.s. nr. 32.
Vgl. rov. 1.14 bestreden arrest.
Vgl. het arrest in het incident 29 oktober 2012, rov. 8.
Vgl. EHRM (grote kamer) 30 juni 2005, nr. 45036/98 (Bosphorus v. Ierland), rov. 153; EHRM 2 maart 2010, nr. 61498/08 (Al-Saadoon en Mufdhi v. VK), rov. 128.
Vgl. EVRM Rechtspraak & Commentaar, artikel 1, aantek. C.1, C.3. (SDU, 2011).
Vgl. bijv. HR 16 juni 2009, NJ 2009, 602.
De verwijzing naar de Nederlandse wet schept overigens een beperkter kader dan het Nederlandse recht, omdat ook ongeschreven recht en algemene rechtsbeginselen daartoe behoren.
De Uitvoeringswet Internationaal Strafhof bepaalt dat de Nederlandse wet niet van toepassing is op vrijheidsbeneming ondergaan op last van het ICC binnen Nederland aan het ICC ter beschikking gestelde ruimten. Vgl. vonnis rechtbank eerste aanleg, rov. 1.4.
Vgl. de genoemde uitspraken van de Trial Chamber in rov. 1.7 t/m 1.11 bestreden arrest.
Vgl. rov. 1.15 sub (b) van het bestreden arrest.
Vgl. cva inc. in appel nr. 39 en 40, en mva nr. 16.
Vgl. cva inc. in appel nr. 39–43 en 48–21; pleitnotitie inc. in appel zijdens [rekwiranten] c.s. nr. 35–37; mva nr. 17 en 37; en pleitnotitie in appel zijdens [rekwiranten] c.s. nr. 23–26.
Vgl. cva inc. in appel nr. 32 en 33; pleitnotitie inc. in appel zijdens [rekwiranten] c.s. nr. 9 en 10; en mva nr. 9 en 66.
Vgl. bijv. J. van der Velde, EVRM Rechtspraak & Commentaar — artikel 5 (SDU, 2004), met verwijzing naar o.a. EHRM Winterwerp v. Nederland (EHRM 24 oktober 1979, NJ 1980, 114, rov. 60).
Vgl. mva nr. 85; en pleitnotitie in appel zijdens [rekwiranten] c.s. nr. 18.
Vgl. mva nr. 6.
Vgl. artikel 5 lid 4 Eerste Optionele Protocol bij het IVBPR.
Vaste rechtspraak van het EHRM, vgl. bijv. EHRM 9 oktober 1979, nr. 6289/73 (Airey v. Ierland), rov. 24.
Vgl. W. Werner, ‘De Staat’, in: N. Horbach et al. (red.), Handboek Internationaal Recht (TMC Asser Press, 2007), p. 164.