vgl. HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2102.
Rb. Noord-Nederland, 16-02-2022, nr. C/18/198781 / HA ZA 20-99
ECLI:NL:RBNNE:2022:509
- Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
- Datum
16-02-2022
- Zaaknummer
C/18/198781 / HA ZA 20-99
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBNNE:2022:509, Uitspraak, Rechtbank Noord-Nederland, 16‑02‑2022; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:RBNNE:2021:1035, Uitspraak, Rechtbank Noord-Nederland, 31‑03‑2021; (Eerste aanleg - enkelvoudig, Schadevergoedingsuitspraak, Op tegenspraak, Tussenuitspraak)
- Vindplaatsen
PS-Updates.nl 2022-0185
JA 2022/78
PS-Updates.nl 2021-0317
JA 2021/110 met annotatie van Bosch, E.W.
Uitspraak 16‑02‑2022
Inhoudsindicatie
Letselschadezaak. Schadevergoeding na mishandeling. Beoordeling schadeposten. Toekenning extra bedrag aan immateriële schadevergoeding na eerder vonnis op dit punt van de strafrechter.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
Locatie Groningen
zaaknummer / rolnummer: C/18/198781 / HA ZA 20-99
Vonnis van 16 februari 2022
in de zaak van
[eiseres] ,
wonende te Oude Pekela,
eiseres, hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. N.D. Spijker te Winschoten,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te Beerta,
gedaagde, hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. H.G.B. van der Wal te Winschoten.
1. De procedure
1.1
Naar aanleiding van het tussenvonnis van 31 maart 2021 (hierna: het tussenvonnis) heeft op 15 november 2021 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [eiseres] en haar advocaat zijn toen verschenen, evenals de advocaat van [gedaagde] . [gedaagde] zelf is niet verschenen. Ter zitting zijn de standpunten over en weer nader toegelicht, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. Deze aantekeningen zijn aan het procesdossier toegevoegd.
1.2.
Na de zitting is de zaak korte tijd aangehouden voor overleg tussen partijen over een eventuele regeling van de zaak. [eiseres] heeft hierna gevraagd om uitspraak te doen.
1.3.
Het vonnis is (nader) bepaald op vandaag.
2. De beoordeling
2.1.
De inhoud van genoemd tussenvonnis moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. De rechtbank blijft bij wat zij in dit tussenvonnis heeft overwogen en beslist.
2.2.
In het tussenvonnis is, kort samengevat, geoordeeld dat de door [gedaagde] begane poging tot zware mishandeling van [eiseres] (hierna ook kortweg "het incident" te noemen) een onrechtmatige daad van [gedaagde] oplevert, die haar verplicht om de hierdoor voor [eiseres] veroorzaakte schade te vergoeden.
Naar aanleiding van het tussenvonnis heeft [eiseres] het zogenoemde Schadeopgaveformulier Misdrijven dat zij bij de strafrechter heeft ingediend overgelegd. Hierin is opgenomen dat [eiseres] zich ter zake van eventuele overige schade en kosten alle rechten voorbehoudt.
In dit vonnis gaat de rechtbank verder in op de door [eiseres] ingestelde schadevergoedingsvordering en de diverse onderdelen daarvan. In rechtsoverweging 3.3. van het tussenvonnis is al een kort overzicht van deze schadeposten gegeven.
2.3.
De rechtbank stelt in dit kader het volgende voorop. Artikel 6:95 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt dat de schade die op grond van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding moet worden vergoed, bestaat in vermogensschade (artikel 6:96 BW) en ander nadeel, voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft. Op grond van artikel 6:98 BW komt voor vergoeding slechts in aanmerking schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldeiser berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend. Op grond van artikel 6:97 BW begroot de rechter de schade op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Wanneer de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, dan wordt zij geschat.
Deurwaarderskosten
2.4.
[eiseres] vordert onder deze noemer vergoeding van een nota van de deurwaarder van 11 februari 2019 ten bedrage van € 78,34.
2.4.1.
[eiseres] voert hiertoe het volgende aan. Bij deurwaardersexploot van 11 februari 2019 is een stuitingsbrief van de advocaat van [eiseres] d.d. 31 januari 2019 aan [gedaagde] betekend. Een brief ter stuiting van verjaring dient aangetekend aan de wederpartij te worden verstuurd, om te kunnen bewijzen dat deze brief de wederpartij heeft bereikt. De kosten voor het uitbrengen van het exploot waren derhalve noodzakelijk, aldus [eiseres] .
2.4.2.
[gedaagde] betwist de vordering. Het is de keuze van [eiseres] geweest om genoemde brief bij deurwaardersexploot aan haar te betekenen. Het was voldoende geweest om de brief per post of e-mail te sturen. De gemaakte deurwaarderskosten waren dan ook niet noodzakelijk, aldus [gedaagde] .
2.4.3.
De rechtbank stelt voorop dat het bij deze schadepost gaat om redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte, zoals bedoeld in artikel 6:96 lid 2 onder c BW, die als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Voor toewijsbaarheid van deze kosten is vereist dat, in de gegeven omstandigheden, de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk waren en dat de gemaakte kosten naar hun omvang redelijk zijn.1.
2.4.4.
De rechtbank is van oordeel dat het bij deurwaardersexploot betekenen van een brief die ertoe dient om een lopende verjaringstermijn te stuiten in de rechtspraktijk niet ongebruikelijk is. Het belang van deze wijze van corresponderen is gelegen in de bewijskracht van een exploot (dat het document is ontvangen), in tegenstelling tot een gewone brief en/of een e-mail. Aldus is sprake van werkzaamheden die redelijkerwijs noodzakelijk worden geacht en daarmee voor vergoeding in aanmerking komen. De hoogte van het door de deurwaarder in rekening gebrachte bedrag is door [gedaagde] niet betwist en komt de rechtbank ook niet onredelijk voor. Dat een aangetekende brief weliswaar iets goedkoper zou zijn geweest, doet hieraan niet af. De onderhavige schadepost is daarom toewijsbaar.
Medische kosten
2.5.
[eiseres] vordert onder deze noemer vergoeding van (a) een nota van de huisarts van 21 oktober 2019 ten bedrage van € 41,07, (b) een nota van de zorgverzekeraar in verband met eigen risico ten bedrage van € 282,79 en (c) toekomstige kosten in verband met plastische chirurgie ten bedrage van € 1.000,00. Daarmee komen de totale medische kosten uit op
€ 1.323,86.
2.5.1.
[eiseres] voert hiertoe het volgende aan. De onder (a) en (b) genoemde medische kosten zijn voor haar eigen rekening gekomen. Zij verkeerde in de veronderstelling dat zij voor deze kosten geen bijzondere bijstand van de gemeente kon krijgen, zodat zij geen aanvraag daarvoor heeft gedaan. De onder (c) genoemde medische kosten betreffen een schatting van de toekomstige kosten voor plastische chirurgie. Deze kosten kunnen waarschijnlijk niet via de zorgverzekering worden vergoed. De Friesland, de zorgverzekeraar van [eiseres] , kan nog geen antwoord geven of deze kosten wel of niet worden vergoed. Dat kan pas als er meer concrete informatie over de voorgenomen behandeling is. Van belang is onder meer of de behandeling een medisch doel heeft of louter vanwege cosmetische redenen plaatsvindt. Een littekencorrectie van een klein litteken onder narcose kost gemiddeld meer dan € 1.000,00. De hoogte van in dat verband gevorderde vergoeding is daarom volgens [eiseres] redelijk te noemen.
2.5.2.
[gedaagde] betwist de gevorderde medische kosten. Ten aanzien van de onder (a) en (b) genoemde kosten stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat het eigen risico van de zorgverzekering bij de gemeente, onder de noemer van bijzondere bijstand, kan worden gedeclareerd. Ten aanzien van de onder (c) genoemde kosten van plastische chirurgie geldt dat deze kosten niet zijn onderbouwd met onderliggende medische stukken. Bovendien kunnen kosten van plastische chirurgie onder omstandigheden ook via de zorgverzekering worden vergoed. Daarmee staat vooralsnog niet vast dat [eiseres] op dit punt enige schade lijdt, aldus [gedaagde] .
2.5.3.
De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van [gedaagde] dat de kosten van de nota's van de huisarts (onder a) en het eigen risico zorgverzekering (onder b) via de bijzondere bijstand van de gemeente kunnen worden vergoed. In zijn algemeenheid kan een burger slechts aanspraak op een vergoeding van medische kosten van gemeentewege maken, wanneer het gaat om bijzondere kosten die hij of zij niet zelf uit zijn eigen inkomsten of vermogen kan betalen. Het eigen risico, waar het - zo begrijpt de rechtbank - bij beide posten om gaat, valt daar niet onder, omdat voor iedere burger het eigen risico gelijk geldt. Zodoende is er in zoverre wél sprake van vermogensschade bij [eiseres] , die voor vergoeding in aanmerking komt. De gevorderde bedragen van € 41,07 en € 282,79 als zodanig heeft [gedaagde] niet betwist. Een en ander betekent dat ook deze schadeposten kunnen worden toegewezen.
2.5.4.
De gevorderde toekomstige kosten van plastische chirurgie (onder c) zal de rechtbank afwijzen. Daartoe is redengevend dat [eiseres] tot op heden, ondanks dat zij daartoe door de rechtbank in het tussenvonnis in de gelegenheid is gesteld, niet heeft onderbouwd dat deze kosten (uiteindelijk) geheel of gedeeltelijk voor haar rekening zullen komen. Uit de door [eiseres] (als productie 12) overgelegde brief van 28 mei 2021 van haar zorgverzekeraar, De Friesland, leidt de rechtbank af dat de advocaat van [eiseres] een verzoek voor de vergoeding van een littekencorrectie ten behoeve van [eiseres] heeft ingediend. In haar brief maakt De Friesland kenbaar dat een verwijzing van de huisarts voor de plastisch chirurg noodzakelijk is en dat de plastisch chirurg hierna vooraf een aanvraag bij De Friesland moet indienen, waarna laatstgenoemde beoordeelt of er sprake is van voor vergoeding in aanmerking komende kosten. Uit de brief blijkt verder dat wanneer de kosten van littekencorrectie worden vergoed, deze (in 2021) meetellen voor het eigen risico. Kennelijk heeft [eiseres] tot dusver (zes jaar na het incident) onvoldoende reden gezien om daadwerkelijk te besluiten tot een littekencorrectie over te gaan. Bij die stand van zaken staat niet vast dat [eiseres] tot littekencorrectie zal overgaan en indien dit het geval zal zijn zélf kosten hiervoor zal (gaan) maken. Gelet op het tijdsverloop had van [eiseres] de nodige duidelijkheid met betrekking tot de littekencorrectie mogen worden verwacht.
Reiskosten
2.6.
[eiseres] vordert onder deze noemer vergoeding van gemaakte reiskosten van en naar medische behandelaars (conform de NPP2.kilometervergoeding), zijnde het ziekenhuis, de huisarts en de psycholoog, voor een bedrag van € 150,00, te vermeerderen met een bedrag van € 75,00 aan parkeerkosten. Daarmee komen de totale reiskosten uit op € 225,00.
2.6.1.
[eiseres] voert hiertoe aan dat zij om op de afspraken met genoemde zorgverleners te verschijnen reiskosten moeten maken. Het bedrag aan opgevoerde reiskosten betreft een schatting. Deze kosten kan [eiseres] niet exact specificeren.
2.6.2.
[gedaagde] betwist de vordering. Genoemde reiskosten zijn niet met bewijsstukken onderbouwd. Er ontbreekt ook een specificatie van gemaakte kilometers. Waarop de parkeerkosten zien, is bij gebrek aan onderbouwing eveneens niet duidelijk, aldus [gedaagde] .
2.6.3.
De rechtbank overweegt dat [eiseres] voldoende heeft onderbouwd - dit is door [gedaagde] ook niet betwist - dat zij naar aanleiding van het incident het ziekenhuis, de huisarts en de psycholoog heeft bezocht. [eiseres] woont in Oude Pekela, waar ook haar huisarts gevestigd is, zodat de rechtbank aanneemt dat zij in zoverre nauwelijks of geen reiskosten heeft gemaakt. Het Ommelander Ziekenhuis en de psycholoog (Lentis GGZ) zijn in Scheemda respectievelijk Groningen gevestigd. Dat [eiseres] vanuit Oude Pekela reiskosten hiervoor heeft moeten maken, acht de rechtbank dan ook aannemelijk. [eiseres] heeft de reiskosten echter niet van een berekening voorzien, zodat de rechtbank deze kosten niet nauwkeurig kan vaststellen. Dat [eiseres] enige parkeerkosten zal hebben gemaakt, komt de rechtbank niet onaannemelijk voor. Hier ontbreekt echter ook een berekening., Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het bedrag aan reiskosten ex aequo et bono op 50% van het gevorderde bedrag vaststellen, derhalve een bedrag van € 112,50.
Verlies zelfwerkzaamheid
2.7.
[eiseres] vordert onder deze noemer vergoeding van een bedrag van € 1.168,00, gebaseerd op de NPP richtlijnen 2014 en 2018, bestaande uit de normbedragen voor 2016 en 2017 van telkens € 285,00 en de normbedragen voor 2018 en 2019 van telkens € 299,00.
2.7.1.
[eiseres] voert hiertoe aan dat zij als gevolg van de mishandeling een diepe snijwond in haar nek/hals heeft opgelopen. Aannemelijk is volgens [eiseres] dat zij als gevolg van de wond en de hechtingen niet in staat was om onderhoud aan haar huis en tuin te verrichten. De mishandeling heeft bij [eiseres] ook tot psychische klachten geleid. Zowel de psycholoog als de praktijkondersteuner GGZ van de huisarts beschrijven dat [eiseres] niet in staat was om activiteiten uit te voeren en weinig ondernam. Ook dit maakt aannemelijk dat [eiseres] niet in staat was om onderhoud aan haar huis en tuin te verrichten.
2.7.2.
[gedaagde] betwist de vordering. [eiseres] heeft niet onderbouwd dat zij als gevolg van de mishandeling niet in staat was tot het verrichten van onderhoud aan haar huis en tuin. Dit blijkt ook niet uit de overgelegde medische stukken. Die maken juist duidelijk dat [eiseres] in haar leven meerdere ingrijpende gebeurtenissen heeft meegemaakt die invloed hebben (gehad) op haar psychische welbevinden, aldus [gedaagde] .
2.7.3.
De rechtbank oordeelt als volgt. Bij "zelfwerkzaamheid" gaat het om het verrichten van werkzaamheden in, aan en rond de woning van de benadeelde.3.In zaken met betrekking tot letselschade wordt bij het vaststellen van het verlies aan zelfwerkzaamheid doorgaans aangesloten bij de normbedragen van de Letselschade Richtlijnen. Bij toepassing van deze richtlijnen hoeft geen concreet bewijs van schade te worden geleverd, maar de schade dient wel aannemelijk te worden gemaakt.
2.7.4.
In het licht van de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] heeft [eiseres] naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij schade in verband met verlies aan zelfwerkzaamheid heeft geleden, in die zin dat zij hiervoor kosten zou hebben gemaakt, laat staan gedurende een periode van meerdere jaren. Ter zitting is gebleken dat [eiseres] ten tijde van het incident nog thuis woonde, bij haar vader. Een dergelijke periode telt niet mee. Verder heeft [eiseres] niet onderbouwd dat zij, nadat zij op zichzelf was gaan wonen, ten gevolge van het incident niet (meer) in staat was tot zelfwerkzaamheid. Dit wordt niet anders door de door [eiseres] genoemde omstandigheid dat zij na het ondergaan van EMDR-behandelingen tijdelijk niet in staat was tot zelfwerkzaamheid. Ook aan deze stelling heeft zij onvoldoende concrete feitelijke invulling gegeven. Daar komt nog bij dat die behandelingen kennelijk pas in het najaar van 2019 zijn gestart. De rechtbank wijst de onderhavige schadepost dan ook als onvoldoende onderbouwd af.
Studievertraging/verlies verdienvermogen
2.8.
[eiseres] vordert onder deze noemer vergoeding van een bedrag van € 16.100,00.
2.8.1.
[eiseres] voert hiertoe aan dat zij ten gevolge van het incident studievertraging heeft opgelopen. Zij heeft zich ingeschreven voor de opleiding Verzorgende-IG, maar zij heeft deze opleiding niet kunnen afmaken vanwege de psychische klachten waarmee zij destijds kampte. Om die reden heeft zij zich weer uitgeschreven voor deze opleiding, zonder dat zij een diploma heeft gehaald. [eiseres] had te kampen met slaap- en concentratieproblemen waardoor zij niet meer kon bijblijven met de opleiding. Bovendien durfde zij niet meer naar school te gaan, omdat [gedaagde] ook deze school bezocht en [eiseres] een confrontatie met [gedaagde] vreesde. De schade wegens studievertraging moet worden berekend aan de hand van de NPP studievertraging, normbedrag 2015, categorie MBO.
2.8.2.
[gedaagde] betwist de vordering. [eiseres] dient concrete bewijsstukken te overleggen, waaruit blijkt dat zij daadwerkelijk studievertraging heeft opgelopen. Dat heeft zij echter nagelaten. [eiseres] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de gestelde studievertraging een gevolg is van de mishandeling. [gedaagde] wijst er ook hier op dat uit de stukken blijkt dat [eiseres] in haar leven meerdere ingrijpende gebeurtenissen heeft meegemaakt die invloed hebben (gehad) op haar psychische welbevinden.
2.8.3.
De rechtbank stelt voorop dat onder "schade wegens studievertraging" wordt verstaan de schade die optreedt doordat een benadeelde later op de arbeidsmarkt actief zal zijn als gevolg van een door een ongeval onderbroken opleiding, voor welke studievertraging een derde aansprakelijk is te houden.4.Bij de bepaling van de schade wordt doorgaans aangesloten bij de Letselschade Richtlijn Studievertraging.
2.8.4.
De rechtbank constateert dat [eiseres] geen enkel stuk heeft overgelegd ter onderbouwing van de gestelde studievertraging. Het had - mede gelet op de betwisting hiervan door [gedaagde] - op de weg van [eiseres] gelegen hiertoe stukken van haar (voormalige) opleidingsinstituut in het geding te brengen, waaruit kan worden afgeleid dát zij de opleiding tot IG-verzorgende heeft afgebroken en wanneer dat is gebeurd. Bij gebreke van deze stukken kan er niet zonder meer van uit worden gegaan dat zij daadwerkelijk studievertraging heeft opgelopen. Daarop strandt de vordering tot betaling van schadevergoeding op dit punt reeds.
De rechtbank neemt zonder meer aan dat de mishandeling door [gedaagde] psychische impact op [eiseres] heeft gehad. Uit het dossier komt, zoals [gedaagde] terecht aangeeft, echter óók naar voren dat [eiseres] psychische klachten heeft, althans heeft ondervonden, in verband met andere gebeurtenissen, zoals seksueel misbruik en de scheiding van haar ouders. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] tegen deze achtergrond onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de mishandeling door [gedaagde] en de psychische gevolgen daarvan de enige factoren zijn geweest die tot studievertraging hebben geleid, zo er al sprake is geweest van studievertraging. [eiseres] heeft ook onvoldoende (feitelijke) aanknopingspunten verschaft voor een gedeeltelijke toerekening van eventuele studievertraging door het incident. Daarmee is het noodzakelijke causale verband tussen de mishandeling en de gestelde schade wegens studievertraging in deze procedure niet komen vast te staan. De vordering tot schadevergoeding wegens studievertraging zal dus ook worden afgewezen.
2.8.5.
Ter zitting heeft [eiseres] , bij monde van haar advocaat, aangegeven dat de aanvankelijk opgevoerde schadepost "verlies verdienvermogen" als afzonderlijke post vervalt en geacht wordt in de schadepost "studievertraging" te zijn begrepen. De rechtbank behoeft zich daarom niet meer apart over deze schadepost te buigen.
Huishoudelijke hulp
2.9.
[eiseres] vordert onder deze noemer vergoeding van een bedrag van € 897,00, bestaande uit de kosten van huishoudelijke hulp gedurende dertien weken vanaf datum voorval, 28 februari 2015, tot 30 mei 2015, conform de NPP richtlijnen huishoudelijke hulp, zijnde een bedrag van € 69,00 per week (alleenstaande, licht tot matig beperkt, 100% aandeel).
2.9.1.
[eiseres] voert hiertoe aan dat het aannemelijk is dat zij in verband met de snijwond in haar nek/als en de aangebrachte hechtingen niet in staat was om gedurende dertien weken na het incident huishoudelijke taken te verrichten. De psychische klachten van [eiseres] weerhielden haar eveneens daarvan. Derhalve was het voor [eiseres] noodzakelijk om huishoudelijke hulp in te schakelen.
2.9.2.
[gedaagde] betwist de vordering. [eiseres] heeft volgens [gedaagde] allereerst niet onderbouwd dát zij gedurende een bepaalde periode niet in staat was om huishoudelijke taken te verrichten, waardoor zij huishoudelijke hulp nodig had. Wanneer dat niettemin het geval zou zijn geweest, dan is niet onderbouwd dat dit een gevolg van het incident was.
2.9.3.
De rechtbank stelt bij de beoordeling van deze schadepost voorop dat onder "huishoudelijke hulp" moet worden verstaan de behoefte aan huishoudelijke ondersteuning door derden, bestaande uit bijvoorbeeld de activiteiten schoonmaken, boodschappen doen en kinderen verzorgen, met uitzondering van activiteiten op het gebied van zelfredzaamheid (persoonlijke verzorging en algemene dagelijkse levensverrichtingen).5.De rechtbank sluit aan bij de Letselschade Richtlijn Huishoudelijke Hulp. Het moet conform deze richtlijn gaan om mantelzorg voor hulp in de huishouding die voorafgaand aan het voorval door de benadeelde werden verricht.
2.9.4.
De rechtbank heeft hiervoor reeds als vaststaand aangenomen dat [eiseres] ten tijde van het incident nog thuis woonde, bij haar vader. Zij was toen al meerderjarig. Tegen deze achtergrond acht de rechtbank het op zich aannemelijk dat [eiseres] thuis destijds bepaalde huishoudelijke taken verrichtte. Welke huishoudelijke taken zij aanvankelijk deed en na het incident (tijdelijk) niet meer, heeft [eiseres] echter niet nader toegelicht. Voorts heeft [eiseres] niet behoorlijk onderbouwd dat zij als gevolg van het incident (tijdelijk) niet in staat was om huishoudelijke taken te verrichten. Het enkele stellen dat "dit voldoende aannemelijk is", is onvoldoende. Het had - mede gelet op de betwisting van een en ander door [gedaagde] - op de weg van [eiseres] gelegen om een en ander feitelijk voldoende te onderbouwen.6.[eiseres] heeft ook onvoldoende aanknopingspunten verschaft op grond waarvan kan worden aangenomen dat het niet kunnen verrichten van huishoudelijke taken gedeeltelijk aan het incident kan worden toegerekend.
De onderhavige vordering zal dan ook als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.
(Aanvullend) smartengeld
2.10.
[eiseres] vordert onder deze noemer vergoeding van een bedrag van € 5.200,00 aan immateriële schadevergoeding, waarop het na het vonnis van de politierechter reeds ter zake betaalde bedrag van € 1.200,00 in mindering kan strekken.
2.10.1.
[eiseres] voert hiertoe het volgende aan. Als gevolg van het incident heeft zij fysiek letsel en geestelijke schade opgelopen. Zij heeft last van nachtmerries, is niet in staat geweest om naar school te gaan, ervaart concentratieproblemen en ondervindt lichamelijke klachten als hartkloppingen, trillen en zweten. Het slapen gaat moeizaam en [eiseres] durft weinig te ondernemen. Er is sprake van terugtrekgedrag en depressieve klachten en een post-traumatische stressstoornis. Vanwege haar geestelijke klachten staat [eiseres] onder behandeling van een psycholoog. Een eindtoestand is nog niet bereikt. Verder dient te worden bedacht dat [eiseres] als gevolg van het incident studievertraging heeft opgelopen. Al deze omstandigheden rechtvaardigen volgens [eiseres] toekenning van een fors bedrag aan smartengeld. Rekening houdend met haar leeftijd en de bedragen die door rechters in Nederland in min of meer vergelijkbare gevallen zijn toegewezen, is [eiseres] van mening dat aan haar in elk geval een bedrag aan smartengeld van € 4.000,00 moet worden toegekend. Omdat [eiseres] een operatie moet ondergaan om het litteken in haar nek/hals minder zichtbaar te maken, wat een extra belasting voor [eiseres] oplevert, is een extra bedrag aan smartengeld geïndiceerd. In totaal dient daarom een bedrag van € 5.200,00 aan smartengeld aan haar te worden toegekend.
2.10.2.
[gedaagde] betwist de vordering. Deze vordering is niet-ontvankelijk omdat eerder al de strafrechter, op basis van alle toen al voorhanden zijnde medische informatie, een bedrag aan smartengeld aan [eiseres] heeft toegekend. Hierbij is aansluiting gezocht bij de Smartengeldgids van de ANWB. Daarom is er nu geen ruimte meer om nog een aanvullend bedrag aan smartengeld toe te kennen. De hoogte van het gevorderde bedrag is, gelet op alle omstandigheden, ook veel te hoog, aldus [gedaagde] .
2.10.3.
De rechtbank verwijst in de eerste plaats naar wat zij in het tussenvonnis heeft overwogen over de ontvankelijkheid van de vordering van [eiseres] . Om de daar genoemde redenen kan [eiseres] (ook) in haar smartengeldvordering worden ontvangen. Bovendien heeft zij in het schadeformulier een expliciet voorbehoud gemaakt. De rechtbank zal die vordering dus ook inhoudelijk beoordelen.
2.10.4.
Op grond van het bepaalde in artikel 6:106 lid 1 aanhef en onder b BW heeft [eiseres] recht op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding, indien vast staat dat zij lichamelijk letsel heeft opgelopen of op andere wijze in haar persoon is aangetast. Onder die laatste categorie valt in elk geval geestelijk letsel. Bij de bepaling van de omvang van de immateriële schadevergoeding moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, in het bijzonder de aard en de ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor de benadeelde. Bij de bepaling van de hoogte van dit bedrag neemt de rechtbank mede in aanmerking bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend alsmede de sinds de betreffende uitspraken opgetreden geldontwaarding.7.
2.10.5.
De partij die zich op aantasting van de persoon in de vorm van geestelijk letsel beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval een psychische beschadiging is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel is of had kunnen zijn vastgesteld. Soms kunnen de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.8.Om van geestelijk letsel te kunnen spreken is niet voldoende dat sprake is van meer of minder sterk psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen.9.
2.10.6.
Tegen deze achtergrond overweegt de rechtbank het volgende.
2.10.7.
Uit het vonnis van de politierechter volgt dat [gedaagde] zich jegens [eiseres] opzettelijk schuldig heeft gemaakt aan een ernstig geweldsmisdrijf. Nu [gedaagde] in deze civiele zaak geen aanwijzingen voor het tegendeel heeft gegeven, gaat de rechtbank ervan uit dat er sprake was van een willekeurige mishandeling, die [gedaagde] zwaar moet worden aangerekend. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat [gedaagde] redelijkerwijs had kunnen voorzien dat een bierglas in het gezicht van een ander drukken tot letsel zou kunnen leiden. Bovendien staat vast dat de mishandeling (fysieke) pijn heeft veroorzaakt en voor een ontsierend litteken in de nek/hals van [eiseres] heeft gezorgd. Indien [eiseres] dit wil laten verhelpen, dient zij een operatie te ondergaan, hetgeen - naar zij onweersproken heeft gesteld - bezwarend voor haar is. Dat er sprake is van lichamelijk letsel, staat gelet op het voorgaande vast.
2.10.8.
Verder wil de rechtbank zonder meer met [eiseres] aannemen dat het incident een flinke psychische impact op haar heeft gehad. Het behoeft geen betoog dat slachtoffer worden van een mishandeling, met zichtbaar letsel tot gevolg, een bijzonder nare ervaring is. Daarmee is echter de drempel voor toekenning van immateriële schadevergoeding wegens "aantasting in de persoon" nog niet gehaald. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, moet dan sprake zijn van (mede) door het incident ontstaan geestelijk letsel, waartoe de benadeelde voldoende objectiveerbare concrete en specifieke gegevens moet aanvoeren.
2.10.9.
[eiseres] heeft in het voorliggende geval echter in onvoldoende mate, aan de hand van concrete, objectieve gegevens onderbouwd dat het incident bij haar geestelijk letsel heeft veroorzaakt. Op basis van de door [eiseres] in het geding gebrachte (medische) gegevens kan niet worden vastgesteld of, zoals [eiseres] stelt, het incident de ontstaansbron voor haar latere psychische problematiek is geweest. De verklaring van de praktijkondersteuner GGZ van de huisarts van [eiseres] hierover van 20 mei 2015 acht de rechtbank onvoldoende. Deze verklaring wijst bovendien ook uitdrukkelijk op andere gebeurtenissen in het verleden van [eiseres] die invloed hebben gehad op haar psychische gezondheid. Hierin wordt geen concreet onderscheid gemaakt. Ook de latere verklaring van deze praktijkondersteuner GGZ acht de rechtbank in dit kader onvoldoende. De verklaring van Lentis GGZ van 10 december 2019 kan ook onvoldoende bijdragen tot het bewijs van aard en ernst van de psychische klachten als gevolg van het incident. In deze verklaring wordt weliswaar vermeld dat tijdens de intake depressieve klachten en een posttraumatische stressstoornis zijn geconstateerd en dat [eiseres] in het verleden ingrijpende gebeurtenissen heeft meegemaakt, maar een verdere toelichting hierop ontbreekt. Er zijn ook geen behandelverslagen van Lentis GGZ van latere datum overgelegd.
2.10.10.
Rekening houdend met alle omstandigheden van het geval, waarbij de rechtbank bijzonder gewicht toekent aan de aard van de aan [gedaagde] verweten gedraging en het lichamelijk letsel van [eiseres] , alsmede gelet op andere uitspraken in min of meer vergelijkbare gevallen10.en de sindsdien opgetreden geldontwaarding, acht de rechtbank in dit geval toekenning van een bedrag aan immateriële schadevergoeding van € 2.000,00 billijk. De rechtbank acht, anders dan [eiseres] , de door haar aangehaalde uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch11., onvoldoende vergelijkbaar met deze zaak, omdat in die zaak, náást mishandeling ook de persoonlijke predispositie van de benadeelde (vaststaande eerdere stotterklachten, een pestverleden, terugtrekgedrag) een belangrijke rol speelde en de mishandeling leidde tot een terugval in stotteren, toenemend terugtrekgedrag en bijbehorende psychische klachten.
2.10.11.
Op dit bedrag strekt in mindering het reeds betaalde bedrag aan immateriële schadevergoeding van € 1.200,00, zodat ter zake per saldo een bedrag van € 800,00 toewijsbaar is.
Slotsom
2.11.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat aan schadevergoeding toewijsbaar zijn de volgende bedragen:
- € 78,34
- € 41,07
- € 282,79
- € 112,50
- € 800,00
-------------
totaal € 1.314,70
2.12.
Bij een schadevergoedingsverbintenis op grond van onrechtmatige daad treedt het verzuim zonder ingebrekestelling in (artikel 6:83 onder b BW). Dit betekent dat [eiseres] vanaf het moment van de mishandeling een opeisbare vordering op [gedaagde] heeft. [eiseres] heeft als ingangsdatum voor de wettelijke rente echter 11 februari 2019, een latere datum dan de datum van het incident, genoemd. De wettelijke rente zal derhalve (slechts) vanaf deze datum kunnen worden toegewezen over het hiervoor genoemde bedrag van € 1.314,70 .
2.13.
Gelet op de uitkomst van deze procedure, waarbij partijen over en weer op diverse punten deels in het (on)gelijk zijn gesteld, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren.
3. BESLISSING
De rechtbank:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van een schadevergoeding ten bedrage van € 1.314,70, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 februari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;
3.2.
verklaart het vonnis voor wat betreft de veroordeling onder 3.1. uitvoerbaar bij voorraad;
3.3.
compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Griffioen en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2022.
614 (MP)
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 16‑02‑2022
NPP = Nationaal Platform Personenschade, de voorganger van de Letselschade Raad.
Zie (o.a.) De Letselschade Richtlijn Huishoudelijke Hulp per 1 januari 2022.
Zie (o.a.) De Letselschade Richtlijn Studievertraging, versie 1 januari 2022.
Zie De Letselschade Richtlijn Huishoudelijke Hulp per 1 januari 2022.Hiis
vgl. rechtbank Noord-Nederland 1 december 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:4597.
vgl. HR 17 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8358.
vgl. HR 15 maart 2019, ECLI:NL:2019:376.
vgl. HR 13 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1608 en HR 23 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2551.
o.a. de in de Smartengeldgids opgenomen uitspraken met de nummers 1370, 1602 en 1849, waarin mishandeling en (blijvend) letsel aan de orde waren.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 25 februari 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:537.
Uitspraak 31‑03‑2021
Inhoudsindicatie
- Verdachte van mishandeling is door de politierechter veroordeeld tot betaling van vergoeding voor materiële en immateriële schade aan het slachtoffer. - Slachtoffer vindt de toegekende vergoeding te laag en start een procedure bij de civiele rechter. - Ontvankelijkheid van de nieuwe vordering.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
Locatie Groningen
zaaknummer / rolnummer: C/18/198781 / HA ZA 20-99
Vonnis van 31 maart 2021
in de zaak van
[eiseres] ,
wonende te [woonplaats 1],
eiseres, hierna te noemen: [eiseres],
advocaat: mr. W.G. ten Have te Winschoten,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde, hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. H.G.B. van der Wal te Winschoten.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de dagvaarding van 24 maart 2020;
- -
de conclusie van antwoord;
- -
de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
[eiseres], geboren op [geboortedatum eiseres], is op 28 februari 2015 in een café te Winschoten door [gedaagde] mishandeld. [gedaagde] heeft [eiseres] toen een glas in haar gezicht gedrukt. Het glas is daarbij kapot gegaan.
2.2.
[eiseres] heeft als gevolg van deze mishandeling letsel opgelopen, waarvoor zij kort daarna op de afdeling Spoedeisende Hulp van het Ommelander Ziekenhuis in Scheemda is behandeld. De dienstdoende arts heeft een snijwond in de hals van circa 4 cm, 15 oppervlakkige snijwondjes in het gezicht, enkele ontvellingen in de linker gezichtshelft, een kneuzing bij het linker jukbeen en een bloeduitstorting rond de linker oogkas geconstateerd. De snee in de hals is door de arts gehecht.
2.3.
[eiseres] heeft dezelfde dag nog bij de politie aangifte gedaan tegen [gedaagde] wegens zware mishandeling. Het Openbaar Ministerie heeft hierna strafvervolging tegen [gedaagde] ingesteld.
2.4.
Op 6 maart 2015 is [eiseres] voor controle gezien op de polikliniek van het ziekenhuis, waarbij de hechtingen zijn verwijderd. Bij het einde van de controle is [eiseres] uit het ziekenhuis ontslagen.
2.5.
[eiseres] heeft blijvend letsel aan de mishandeling overgehouden, in die zin dat zij nog steeds littekens in haar gezicht heeft.
2.6.
[eiseres] heeft op 20 mei 2015 haar huisarts, [huisarts] te [vestigingsplaats huisarts] (hierna te noemen: de huisarts), bezocht. Van dit gesprek heeft de huisarts een verslag opgesteld, waarin hij onder meer schrijft:
"Veel traumatische dingen in een hele korte tijd.
28 april heeft zij ruzie gekregen met een van meisje op school tijdens het uitgaan. Dit meisje heeft een glas in haar gezicht gedrukt. Veel verwondingen waarvan littekens in het gezicht duidelijk zichtbaar (ruzie ging over ex-vriend)
Sindsdien veel dromen, bang om naar school te gaan, concentratie problemen, veel lichamelijk klachten zoals hartkloppingen, zweten trillen. Durft ook niet goed meer op straat te gaan. Gaat met mensen op straat die zij kent. Is bang. Als ze op straat is is heel alert en achterdochtig. Sindsdien ervaart ze weinig plezier.
(…)
5 mei naar bevrijdingsfestival in Groningen met een aantal vrienden.
Een van deze vrienden heeft iets in haar drankje gedaan en heeft haar seksueel misbruikt. Heeft van dat misbruik foto's op internet geplaatst.
Nu is helemaal mis. Ze wil niet meer leven. Geen concreet plan. Weet niet goed hoe ze verder moet.
Huilen, stressen. Verdrietig. Concentratie problemen, slapen gaat moeilijk. (…)"
2.7.
Op 10 juni 2015 is de strafzaak tegen [gedaagde] door de politierechter van deze rechtbank behandeld. [eiseres] heeft in deze strafzaak een vordering benadeelde partij ingediend, waarbij zij zowel vergoeding van materiële als immateriële schade heeft gevorderd. Hiertoe heeft [eiseres] een standaard voegingsformulier ingevuld en ingediend bij het Openbaar Ministerie.
2.8.
De politierechter heeft in haar vonnis bewezenverklaard dat sprake is van een poging tot zware mishandeling en [gedaagde] daarom veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren. De politierechter heeft de schadevordering van [eiseres] als benadeelde partij toegewezen, in die zin dat [gedaagde] is veroordeeld tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 1.229,38, bestaande uit € 29,38 aan materiële schade en € 1.200,00 aan immateriële schade. Ook heeft de politierechter bepaald dat [gedaagde] van haar schadevergoedingsplicht jegens [eiseres] is bevrijd voor zover zij voldoet aan haar verplichting tot vergoeding van deze schade.
2.9.
Tegen dit vonnis van de politierechter is geen hoger beroep ingesteld, waarmee het vonnis onherroepelijk is geworden.
2.10.
[eiseres] heeft op 4 februari 2019 haar huisarts bezocht in verband met klachten van psychische aard. Ook van dit gesprek heeft de huisarts een verslag opgesteld, waarin hij onder meer schrijft:
"Klachten zijn:
Wisselende stemming, onzeker, snel boos, kort lontje. Slapen gaat moeizaam, eten wisselend, concentratie minimaal. Snel afgeleid. Onderneemt weinig. Is angstig, kruipt in haar schulp.
Deze symptomen zijn passend bij somberheid/depressie maar gezien haar verhaal zou het goed passen bij een PTSS.
Het trauma (herbelevingen) zijn vooral de gebeurtenis rondom de situatie dat er glas in haar gezicht is gedrukt en waar zij nog dagelijks mee geconfronteerd wordt.
Op dit moment lukt het haar niet om voorledig te werken. Blijft zij thuis en ontloopt zij uitjes. Hierdoor staat relatie onder druk.
Om bovenstaande redenen verwijs ik client naar een EMDR therapeut."
2.11.
Op 11 februari 2019 heeft de deurwaarder aan [gedaagde] een brief van de advocaat van [eiseres] d.d. 31 januari 2019 betekend, waarin [gedaagde] aansprakelijk wordt gesteld voor de materiële en immateriële schade van [eiseres] naast de reeds door de politierechter toegewezen schadevergoeding.
2.12.
[eiseres] heeft zich in verband met de littekens in haar gezicht in 2019 bij het Ommelander Ziekenhuis gemeld. Op 3 juli 2019 is zij gezien op de afdeling Plastische Chirurgie. De dienstdoende plastisch chirurg heeft hypertrofische littekens in nek/kin vastgesteld. Er is een injectie met kenacort gegeven, met een controleafspraak over acht weken. Op 26 september 2019 is [eiseres] wederom gezien op de afdeling Plastische Chirurgie van het ziekenhuis, waarbij [eiseres] heeft aangegeven dat zij een littekencorrectie wenst. Er is een afspraak gemaakt voor een operatie op 1 november 2019. Tot dusver heeft deze operatie nog niet plaatsgevonden.
2.13.
[eiseres] heeft op 19 juli en 27 september 2019 intakegesprekken bij Basis GGZ Lentis (hierna: Lentis) gehad in verband met psychische klachten. Naar aanleiding hiervan heeft Lentis de advocaat van [eiseres] bij brief van 10 december 2019 geschreven:
"(…) Tijdens de intake werden depressieve klachten en een posttraumatische stressstoornis geconstateerd. Mevrouw geeft aan ingrijpende gebeurtenissen te hebben meegemaakt, zowel in het recente als in het verre verleden. Mevrouw werkt sinds maart 2019 niet meer.
In de behandeling wordt in eerste instantie door middel van EMDR gewerkt aan het verwerken van de ingrijpende gebeurtenissen in het recente verleden. De andere klachten zullen worden behandeld middels cognitieve gedragstherapie. (…)"
3. Het geschil
3.1.
[eiseres] vordert dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 31.062,82 aan materiële en immateriële schadevergoeding, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
[eiseres] legt, samengevat weergegeven, het volgende aan haar vorderingen ten grondslag. [gedaagde] heeft onrechtmatig jegens [eiseres] gehandeld door haar te mishandelen, ten gevolge waarvan [eiseres] schade heeft geleden die [gedaagde] - als aansprakelijke partij - moet vergoeden. De door de strafrechter in 2015 toegekende vergoeding voor materiële en immateriële schade doet geen recht aan de daadwerkelijk door [eiseres] geleden schade. Daarom moet [gedaagde] thans aanvullende bedragen ter zake van smartengeld en diverse materiële schadeposten aan [eiseres] betalen.
3.3.
Het gaat daarbij om de volgende schadeposten:
- -
Overige materiële schade € 78,34
- -
Medische kosten € 1.323,86
- -
Reiskosten € 225,00
- -
Verlies zelfwerkzaamheid € 1.168,00
- -
Studievertraging € 16.100,00
- -
Huishoudelijke hulp € 897,00
- -
Verlies verdienvermogen € 7.300,00
- -
Smartengeld € 5.200,00
---------------
Subtotaal € 32.292,20
Betaald € 1.229,38
---------------
Totale schade € 31.062,82.
3.4.
[gedaagde] voert verweer.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Het door [gedaagde] gepleegde strafbare feit staat in deze procedure vast
4.1.
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 161 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) een onherroepelijk ("in kracht van gewijsde gegaan") en op tegenspraak gewezen vonnis van de strafrechter waarbij deze bewezen heeft verklaard dat iemand een strafbaar feit heeft begaan, dwingend bewijs van dat feit oplevert in een (latere) civielrechtelijke procedure. Dit betekent dat de civiele rechter de inhoud van dit strafvonnis - behoudens tegenbewijs - als waar moet aannemen.
4.2.
Het vonnis van de politierechter van 10 juni 2015, waarbij bewezen is verklaard dat [gedaagde] zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [eiseres], is onherroepelijk geworden, nu hiertegen geen hoger beroep is ingesteld.
Dit vonnis levert daarmee dwingend bewijs van het bewezenverklaarde (strafbare) feit op in deze civielrechtelijke procedure, zodat de rechtbank, behoudens tegenbewijs, de inhoud van het vonnis als waar moet aannemen. Het leveren van tegenbewijs op dit punt is naar het oordeel van de rechtbank niet aan de orde, omdat [gedaagde] de mishandeling van [eiseres] niet heeft betwist en zij geen aanbod gedaan om enig tegenbewijs te leveren.
4.3.
Zodoende staat naar het oordeel van de rechtbank in deze civielrechtelijke procedure vast dat [gedaagde] een poging tot zware mishandeling van [eiseres] heeft begaan.
[gedaagde] heeft onrechtmatig tegenover [eiseres] gehandeld
4.4.
Op grond van artikel 6:162 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) is degene die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, die aan hem kan worden toegerekend, verplicht om de daardoor veroorzaakte schade te vergoeden. Als onrechtmatige daad wordt onder andere aangemerkt een inbreuk op een recht van een ander, een handelen/nalaten in strijd met een wettelijke plicht, of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond (lid 2). Een onrechtmatige daad kan onder meer aan de dader worden toegerekend, indien zij te wijten is aan zijn schuld (lid 3). Voor aansprakelijkheid op grond van dit wetsartikel moet aldus voldaan zijn aan de volgende eisen: onrechtmatige daad, toerekenbaarheid van de daad aan de dader, schade, causaal verband tussen daad en schade en relativiteit.
4.5.
De rechtbank overweegt dat de door [gedaagde] begane poging tot zware mishandeling van [eiseres] een onrechtmatige daad als hiervoor bedoeld oplevert. Met haar handelen heeft [gedaagde] immers inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [eiseres]. Dit handelen kan haar ook worden toegerekend.
Aldus is [gedaagde] gehouden om de ten gevolge van dit onrechtmatig handelen voor [eiseres] veroorzaakte schade aan haar te vergoeden.
Ontvankelijkheid van [eiseres] in haar vordering
4.6.
Voordat de rechtbank kan toekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de door [eiseres] genoemde schadeposten, moet eerst nog de vraag naar haar ontvankelijkheid worden beantwoord. [gedaagde] heeft namelijk als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat [eiseres] ná de toekenning van materiële en immateriële schadevergoeding door de politierechter, wier vonnis onherroepelijk is geworden, niet nog eens in een (latere) civielrechtelijke procedure, aanvullende schadevergoeding kan vorderen en daarom niet-ontvankelijk in haar huidige vorderingen moet worden verklaard.
[eiseres] betwist dit, stellende dat zij in de procedure bij de politierechter haar recht op het vorderen van aanvullende schadevergoeding uitdrukkelijk heeft voorbehouden en dat zij pas na het vonnis van de politierechter met haar volledige materiële en immateriële schade bekend is geworden.
4.7.
De rechtbank hanteert bij de beoordeling van dit ontvankelijkheidsverweer de volgende uitgangspunten.1.
4.7.1.
Op grond van artikel 51f lid 1 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan de benadeelde partij in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die hij door een strafbaar feit heeft geleden indien tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Op deze vordering is het materiële burgerlijke recht van toepassing. Zowel materiële als immateriële schade kan in het strafproces voor vergoeding in aanmerking komen.
4.7.2.
In artikel 51g lid 1 Sv is onder meer bepaald dat de officier van justitie het slachtoffer bij de mededeling dat hij tot vervolging van de verdachte over gaat, een formulier voor voeging geeft. De voeging zelf gebeurt voor de aanvang van de terechtzitting door de indiening van een (standaard) formulier tot voeging bij de officier van justitie. Op dit formulier moeten de inhoud van de vordering en de gronden waarop deze berust worden vermeld.
4.7.3.
De strafrechter beslist op grond van artikel 335 Sv in samenhang met artikel 361 lid 1 Sv in beginsel tegelijk met de uitspraak in de strafzaak ook op de vordering van de benadeelde partij. Uit artikel 361 lid 3 Sv volgt dat, indien de strafrechter oordeelt dat de vordering of een deel daarvan een onevenredige belasting legt op het strafproces, de benadeelde in zijn vordering of een deel daarvan niet ontvankelijk wordt verklaard. Indien dat gebeurt, betekent dat dat de benadeelde het niet-ontvankelijk verklaarde deel van zijn vordering aan de burgerlijke rechter kan voorleggen.
4.7.4.
Aan een onherroepelijk geworden uitspraak van de strafrechter komt in een civielrechtelijke procedure gezag van gewijsde toe op de voet van artikel 236 lid 1 Rv, voor zover daarin de vordering van de benadeelde partij (gedeeltelijk) is toe- of afgewezen.2.
Dit houdt in dat de beslissingen in die uitspraak voor partijen bindend zijn en dat in latere procedures tussen dezelfde partijen onbetwistbaar vastligt wat de rechter omtrent de rechtsbetrekking tussen deze partijen in dat vonnis heeft beslist. Het gezag van gewijsde is niet beperkt tot het dictum van de beslissing in de eerste procedure maar zich strekt zich ook uit tot de dragende overwegingen daarvan.
4.8.
Deze uitgangspunten betekenen naar het oordeel van de rechtbank voor het voorliggende geschil het volgende.
4.9.
De rechtbank leidt uit de formulering van de beslissing in de aantekening mondeling vonnis van de politierechter af dat de gehele destijds voorliggende vordering benadeelde partij van [eiseres], in totaal € 1.229,38, in de strafzaak is toegewezen. Er wordt immers in dit vonnis geen gedeelte van de gevorderde schadevergoeding afgewezen.
4.10.
Het vonnis van de politierechter is onherroepelijk geworden. Aan deze uitspraak komt in deze civielrechtelijke procedure dan ook gezag van gewijsde toe voor wat betreft de toen toegewezen (bedragen aan) materiële en immateriële schadevergoeding en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen van de politierechter.
4.11.
Het voorgaande sluit echter niet uit dat de benadeelde, [eiseres], in een latere civielrechtelijke procedure een vergoeding kan vorderen van aanvullende schade, dus schade die niet reeds in de strafrechtelijke procedure is gevorderd en beoordeeld. Het is de rechtbank overigens bekend dat op de voegingsformulieren voor benadeelde partijen in strafzaken al geruime tijd een standaardformulering staat in de trant van "dat voor overige c.q. andere schade alle rechten worden voorbehouden", waarmee duidelijk wordt gemaakt dat de benadeelde zich het recht voorbehoudt om niet op het voegingsformulier genoemde schade later nog te vorderen. De rechtbank gaat ervan uit dat dit ook ten tijde van de strafzaak tegen [gedaagde] in 2015 het geval was. [gedaagde] moest er dan ook rekening mee houden dat [eiseres] een in later stadium, in een civielrechtelijke procedure, nog een aanvullende schadevergoeding van haar zou kunnen vorderen. Overigens is, anders dan [gedaagde] aanvoert, niet gebleken dat [eiseres] voorafgaand aan de behandeling van de strafzaak al met haar volledige, in deze procedure opgevoerde, schade bekend was.
4.12.
Tegen deze achtergrond staat naar het oordeel van de rechtbank voor [eiseres] de weg naar de civiele rechter derhalve open indien zij meent dat de destijds door de politierechter toegekende schadevergoeding ontoereikend is. Dit laat onverlet dat de eerder toegekende schadevergoeding uiteraard wel moet worden betrokken bij de beantwoording van de vraag in hoeverre er nog recht op aanvullende schadevergoeding bestaat, waarover hierna onder r.o. 4.16. meer. De procedures bij de politierechter en de civiele rechter mogen elkaar immers niet (inhoudelijk) overlappen vanwege het gezag van gewijsde van de uitspraak van de politierechter.
4.13.
Het door [gedaagde] opgeworpen (algemene) ontvankelijkheidsverweer moet dan ook worden verworpen.
Inhoudelijke beoordeling schadeposten
4.14.
Daarmee komt de rechtbank toe aan de inhoudelijke beoordeling van de door [eiseres] opgevoerde (nadere) schadeposten in verband met het onrechtmatig handelen van [gedaagde].
4.15.
De rechtbank zal eerst een mondelinge behandeling bepalen om deze schadeposten met partijen te bespreken en om te bezien of een minnelijke regeling van het geschil mogelijk is.
4.16.
Om een volledig beeld van het geschil te krijgen, acht de rechtbank het van belang dat [eiseres] een afschrift van het destijds in de strafzaak door haar ingediende voegingsformulier benadeelde partij met (eventuele) onderliggende stukken, alsmede een afschrift van het proces-verbaal van de zitting bij de politierechter voorafgaand aan de mondelinge behandeling in het geding brengt. Deze stukken kan zij - naar de rechtbank aanneemt - bij het Openbaar Ministerie en/of de afdeling strafrecht van deze rechtbank opvragen. De rechtbank zal [eiseres] daarom opdragen om genoemd(e) stuk(ken) bij akte te overleggen. Deze stukken kunnen vervolgens op de zitting in het debat worden betrokken.
4.17.
Verder acht de rechtbank het gewenst dat [eiseres] in verband met de opgevoerde kosten van plastische chirurgie voorafgaand aan de mondelinge behandeling meer informatie in het geding brengt ter onderbouwing van haar stelling dat deze kosten niet via haar zorgverzekering vergoed zullen worden. Uit de op dit moment voorhanden zijnde (zeer summiere) stukken op dit punt kan niet worden afgeleid dat deze kosten (uiteindelijk) voor rekening van [eiseres] zullen komen.
4.18.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
BESLISSING
De rechtbank:
5.1.
bepaalt een mondelinge behandeling van de zaak voor het verstrekken van nadere inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling, op de terechtzitting van
mr. M. Griffioen in het gerechtsgebouw te Groningen aan het Guyotplein 1, op een door de rechtbank vast te stellen dag en tijdstip;
5.2.
bepaalt dat partijen, bijgestaan door hun advocaten, dan in persoon aanwezig moeten zijn;
5.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 14 april 2021 voor het opgeven van de verhinderdata van partijen en hun advocaten in een periode van vier maanden vanaf die datum, waarna dag en tijdstip van de mondelinge behandeling zullen worden bepaald;
5.4.
bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank dag en tijdstip van de mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen;
5.5.
bepaalt dat na de vaststelling van dag en tijdstip van de mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd;
5.6.
wijst partijen er op dat voor de zitting ongeveer twee uur zal worden uitgetrokken;
5.7.
bepaalt dat [eiseres] uiterlijk tien dagen vóór de mondelinge behandeling de hiervoor onder 4.16. en 4.17. genoemde stukken bij akte in het geding zal brengen;
5.8.
bepaalt dat partijen overige stukken die zij nog van belang achten ook uiterlijk tien dagen vóór de mondelinge behandeling aan de rechtbank en de wederpartij moeten toezenden;
5.9.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Griffioen en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2021.
MP (614)
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 31‑03‑2021
Zie ook Hoge Raad 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793.
zie ook Hoge Raad 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV2654.