Ook uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 december 2019 in de ontnemingsprocedure (rolnummer: 22-002667-18; parketnummer: 10-765028-12) blijkt dat toen al de meervoudige kamer voor strafzaken de ontnemingszaak onder zich had.
HR, 18-02-2025, nr. 22/03406 P
ECLI:NL:HR:2025:288, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-02-2025
- Zaaknummer
22/03406 P
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:288, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑02‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2022:2065, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1306
ECLI:NL:PHR:2024:1306, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 10‑12‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:288
Beroepschrift, Hoge Raad, 01‑05‑2023
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0074
NJ 2025/208 met annotatie van J.M. ten Voorde
Uitspraak 18‑02‑2025
Inhoudsindicatie
Profijtontneming, w.v.v. uit verduistering en soortgelijke feiten a.b.i. art. 36e.2 (oud) Sr door geldbedragen van derdengeldrekening van notariskantoor, waar betrokkene werkzaam was, te laten overboeken naar privérekeningnummers van hemzelf. Motivering schatting w.v.v., arrest hof in strafzaak als bewijsmiddel in ontnemingszaak. 1. Kon hof het in strafzaak gewezen arrest aanmerken als wettig b.m. a.b.i. art. 511f Sv? 2. Kon hof in bewezenverklaring van strafzaak genoemde bedragen bij schatting w.v.v. betrekken, nu die bedragen uitsluitend blijken uit als b.m. opgenomen uitspraak in strafzaak en niet ook uit rekeningafschriften die als overige b.m. zijn opgenomen? Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2013:BV9087 m.b.t. eisen die worden gesteld aan motivering van schatting van w.v.v. Arrest hof in strafzaak tegen betrokkene kan als wettig b.m. worden aangemerkt. Dat arrest betreft immers beslissing “in den wettelijken vorm opgemaakt door colleges of personen met rechtspraak belast” en daarmee schriftelijk bescheid a.b.i. art. 339.1.5 jo. 344.1.1 Sv. Deze bepalingen zijn o.g.v. art. 511g.2 jo. 415.1 Sv ook van toepassing in (hoger beroep in) ontnemingszaken. Ad 2. Geen rechtsregel staat eraan in de weg dat rechter in ontnemingszaak aan bewezenverklaring, die is opgenomen in uitspraak in strafzaak, gegevens ontleent die redengevend zijn voor schatting w.v.v. Rechter in ontnemingszaak is in zo’n geval niet gehouden om b.m. die betrekking hebben op die bewezenverklaring, ook in uitspraak in ontnemingszaak op te nemen. Dat is alleen anders als het opnemen van die b.m. in concreet geval noodzakelijk is voor begrijpelijkheid van schatting w.v.v. of als met het opnemen van die b.m. de redenen kunnen worden opgegeven die in het bijzonder hebben geleid tot het afwijken van uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over schatting van voordeel. Hof heeft, door uitspraak in strafzaak als wettig b.m. te gebruiken, daarin opgenomen bewezenverklaring en in die bewezenverklaring genoemde (door betrokkene verduisterde) geldbedragen tot uitgangspunt kunnen nemen bij schatting van het door betrokkene uit de in strafzaak bewezenverklaarde feiten verkregen voordeel. Hof heeft met het opnemen van dat b.m. de schatting w.v.v., ook v.zv. deze schatting verband houdt met hiervoor genoemde bedragen, toereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat hof wat betreft die geldbedragen (ten aanzien waarvan verdediging niet heeft betwist dat betrokkene deze bedragen vanaf derdengeldenrekening van notariskantoor heeft ontvangen en ook niet dat deze als w.v.v. kunnen worden aangemerkt) niet tevens rekeningafschriften m.b.t. overboeking van die bedragen als b.m. heeft opgenomen. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/03406 P
Datum 18 februari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 9 september 2022, nummer 22-002667-18, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de betrokkene.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft N. Gonzalez Bos, advocaat in ‘s–Hertogenbosch, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend is gemotiveerd.
2.2.1
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 augustus 2022 heeft de raadsman van de betrokkene daar het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig zijn pleitnota die in het procesdossier is gevoegd. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“1. Inleiding
1.1.
Zoals ik reeds aangaf tijdens het pleidooi in de strafzaak, realiseert cliënt zich dat de (niet-verjaarde) overboekingen die hij vanaf de derdenrekeningen van het notariskantoor heeft ontvangen, kunnen worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel.
1.2.
Dat hij zal moeten betalen omdat hij geen recht had op het geld, is hem ook volstrekt duidelijk. In eerste aanleg is getracht een schikking overeen te komen met het Openbaar Ministerie. Daarbij heeft het OM vertrouwelijkheid bedongen, dus ik kan daarover verder geen mededelingen doen, behalve dat cliënt een zijns inziens reëel en redelijk voorstel heeft gedaan met de intentie tot een oplossing te komen.
1.3.
De rechtbank heeft vervolgens uitspraak gedaan en daarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel op € 594.192,67 vastgesteld.
1.4.
In eerste aanleg is een aantal verweren gevoerd, die in de kern zijn verworpen met de overweging dat “de inhoud van het vonnis van 7 juli 2016 als vaststaand wordt aangenomen”. De ontnemingsrechter dient echter zelfstandig een oordeel te vellen over de verweren die in de ontnemingszaak worden gevoerd.
1.5.
De motivering van de rechtbank is dus ontoereikend. Ik voer in hoger beroep niet alle verweren die in eerste aanleg zijn gevoerd opnieuw, maar wel het verweer dat op de ontnemingsvordering in mindering moet worden gebracht (a.) een bedrag van € 7.000,- dat cliënt op 4 maart 2011 heeft teruggeboekt en (b.) het bedrag van € 183.801,39 dat hij in de tenlastegelegde periode heeft overgemaakt aan [A] en één van de derdengeldenrekening.
1.6.
Daarnaast geldt (c.) dat zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, een bedrag van € 30.000,- in mindering dient te worden gebracht dat door cliënt is terugbetaald aan de schadeverzekeraar van [A] .
1.7.
En ten slotte is (d.) ook in de ontnemingszaak de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM geschonden.”
2.2.2
De uitspraak van het hof houdt over deze verweren en over de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel onder meer in:
“Verweer
(...)
Daarnaast is door de verdediging aangevoerd dat de betrokkene in de periode waarin de strafbare feiten zijn gepleegd, diverse bedragen – waaronder een bedrag van in totaal € 183.801,39 heeft teruggestort naar [A] om de salarissen van het personeel te kunnen betalen. Ook deze bedragen moeten daarom op de vordering in mindering worden gebracht.
Het hof overweegt met betrekking tot het (totaal)bedrag van € 183.801,39 dat uit de omschrijving van de overboekingen blijkt dat deze strekken tot aflossing op het bedrag dat de veroordeelde in rekening-courant aan de maatschap verschuldigd was, zodat deze geen verband houden met het bedrag dat de betrokkene zich ten onrechte heeft toegeëigend en ook niet voor verrekening met het voordeel in aanmerking komen. De betrokkene heeft het bedrag immers overgeboekt naar de reguliere betaalrekening van het notariskantoor, zodat de gelden niet zijn teruggevloeid naar de derdengeldenrekening(en), met betrekking tot welke rekening(en) de strafbare feiten zijn gepleegd.
De verweren worden verworpen.
De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep komt naar voren dat de betrokkene door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde handelen en soortgelijke feiten financieel voordeel heeft genoten. Dit voordeel dient te worden ontnomen.
Het hof stelt vast dat in het arrest in de strafzaak bewezen is verklaard dat de betrokkene zich een bedrag van € 450.557,00 wederrechtelijk heeft toegeëigend.
Daarnaast stelt het hof vast dat de betrokkene uit soortgelijke (wel door de rechtbank bewezenverklaarde, doch verjaarde) feiten een bedrag van € 180.635,67 heeft ontvangen. Totaal bedraagt dit een bedrag van € 631.192,67.
Naar het oordeel van het hof staat vast dat de betrokkene een bedrag van € 7.000,00 direct heeft teruggestort naar dezelfde derdengeldrekening en nadien een bedrag van € 30.000,00 aan de schadeverzekeraar van [A] heeft terugbetaald. Die bedragen dienen in mindering te worden gebracht. Het voordeel dat de verdachte wederrechtelijk heeft gekregen wordt dan ook geschat op € 594.192,67.”
2.2.3
De schatting van het voordeel dat de betrokkene wederrechtelijk heeft verkregen steunt op de bewijsmiddelen die zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 8. Kort samengevat betreffen de bewijsmiddelen 2 tot en met 12 rekeningafschriften, die inhouden dat op betaalrekeningen ten name van de betrokkene bedragen zijn ontvangen die afkomstig zijn van (derdengelden-) rekeningen ten name van het notariskantoor, op de daar gespecificeerde data.
2.2.4
Als bewijsmiddel 1 is het arrest van het hof van 9 september 2022 vermeld dat is gewezen in de strafzaak tegen de betrokkene. Dit arrest is als bijlage gehecht aan de uitspraak van het hof in deze ontnemingszaak en houdt onder meer in:
“Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het (...) tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij in de periode van 10 september 2010 tot en met 31 juli 2012 (p. 13 pv Dossier [...]), te [plaats] , althans in Nederland, meermalen,
A.
opzettelijk geldbedrag, te weten vanaf derdengeldenrekening [rekeningnummer 3] tnv Derdengelden [A] te [plaats] naar (Rabobank) rekening [rekeningnummer 1] ten name van [betrokkene] :- op 1 september 2011, een bedrag van € 4.500,00 envanaf derdengeldenrekening [rekeningnummer 3] tnv Derdengelden [A] te [plaats] naar (ING) rekening [rekeningnummer 2] ten name van [betrokkene] :- op 4 maart 2011, een bedrag van € 86.231,00 en- op 8 april 2011, een bedrag van € 114.261,00 en- op 18 augustus 2011, een bedrag van € 22.173,00 en
vanaf derdengeldenrekening [rekeningnummer 4] tnv Derdengelden [A] te [plaats] naar (ING) rekening [rekeningnummer 2] ten name van [betrokkene] :- op 23 december 2011, bedrag van € 8.685.14 en- op 9 maart 2012, een bedrag van € 67.190,86 en- op 21 mei 2012, een bedrag van € 10.023,00 en- op 21 mei 2012, een bedrag van € 54.040,00 en- op 18 juli 2012, een bedrag van € 34.401,00 en- op 18 juli 2012, een bedrag van € 49.052,00
welke geldbedragen toebehoorden aan- een of meer andere (rechts)perso(o)n(en),welke geldbedragen hij, verdachte, als kantoormanager bij notariskantoor [A] te [plaats] , anders dan door een misdrijf/misdrijven, telkens onder zich had, wederrechtelijk heeft toegeëigend.”
2.3
Op grond van artikel 511f van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan de schatting van het op geld waardeerbare wederrechtelijk verkregen voordeel slechts worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen. Volgens artikel 511e lid 1 Sv (in eerste aanleg) en artikel 511g lid 2 Sv (in hoger beroep) is op de uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel artikel 359 lid 3 Sv van overeenkomstige toepassing. Dat betekent dat die uitspraak de bewijsmiddelen moet vermelden waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend met weergave van de inhoud daarvan, voor zover die de voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden bevatten. (Vgl. HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087.)
2.4
Voor zover het cassatiemiddel betoogt dat het hof ten onrechte het arrest van het gerechtshof Den Haag in de strafzaak tegen de betrokkene als wettig bewijsmiddel heeft aangemerkt, faalt het. Dat arrest betreft immers een beslissing “in den wettelijken vorm opgemaakt door colleges of personen met rechtspraak belast” en daarmee een schriftelijk bescheid in de zin van artikel 339 lid 1, aanhef en onder 5° in samenhang met artikel 344 lid 1, aanhef en onder 1°, Sv. Deze bepalingen zijn op grond van artikel 511g lid 2 in samenhang met artikel 415 lid 1 Sv ook van toepassing in (het hoger beroep in) ontnemingszaken.
2.5.1
Het cassatiemiddel voert verder aan dat het hof de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de in de strafzaak bewezenverklaarde feiten ontoereikend heeft gemotiveerd, voor zover het gaat om de in die bewezenverklaring genoemde en in de schatting van dat voordeel betrokken bedragen van € 67.190,86, € 10.023, € 54.040, € 34.401 en € 49.052 (in totaal € 214.706,86). Het voert daartoe aan dat die bedragen uitsluitend blijken uit de als bewijsmiddel 1 opgenomen uitspraak in de strafzaak en niet ook uit de rekeningafschriften die als bewijsmiddelen 2 tot en met 12 zijn opgenomen.
2.5.2
Geen rechtsregel staat eraan in de weg dat de rechter in de ontnemingszaak aan de bewezenverklaring die is opgenomen in de uitspraak in de strafzaak, gegevens ontleent die redengevend zijn voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechter in de ontnemingszaak is in zo’n geval niet gehouden om de bewijsmiddelen die betrekking hebben op die bewezenverklaring, ook in de uitspraak in de ontnemingszaak op te nemen. Dat is alleen anders als het opnemen van die bewijsmiddelen in het concrete geval noodzakelijk is voor de begrijpelijkheid van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, of als met het opnemen van die bewijsmiddelen de redenen kunnen worden opgegeven die in het bijzonder hebben geleid tot het afwijken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de schatting van het voordeel.
2.5.3
Het hof heeft, door de uitspraak in de strafzaak als wettig bewijsmiddel te gebruiken, de daarin opgenomen bewezenverklaring en de in die bewezenverklaring genoemde - door de betrokkene verduisterde - geldbedragen tot uitgangspunt kunnen nemen bij de schatting van het door de betrokkene uit de in de strafzaak bewezenverklaarde feiten verkregen voordeel. Het hof heeft met het opnemen van dat bewijsmiddel de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, ook voor zover deze schatting verband houdt met de onder 2.5.1 genoemde bedragen, toereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat het hof wat betreft die onder 2.5.1 genoemde geldbedragen – ten aanzien waarvan de verdediging niet heeft betwist dat de betrokkene deze bedragen vanaf de derdengeldenrekening van het notariskantoor heeft ontvangen en ook niet dat deze als wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen worden aangemerkt – niet tevens rekeningafschriften met betrekking tot de overboeking van die bedragen als bewijsmiddel heeft opgenomen.
2.5.4
Ook in zoverre is het cassatiemiddel tevergeefs voorgesteld.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting van € 594.192,67.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 589.192,67 bedraagt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 februari 2025.
Conclusie 10‑12‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Profijtontneming. Middelen over 1) bevoegdheid rechter om zaak te behandelen en 2) schatting van deel van het wederrechtelijk verkregen voordeel voor zover dit deel is afgeleid uit het bewijsmiddel dat verwijst naar het aangehechte (straf)arrest van het hof in de hoofdzaak. Volgens de AG treffen de middelen geen doel. De conclusie strekt daarom tot verwerping van het beroep.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/03406 P
Zitting 10 december 2024
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de betrokkene
I Inleiding
Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 9 september 2022 het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vastgesteld op een bedrag van € 594.192,67 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Namens de betrokkene heeft N. Gonzalez Bos, advocaat in Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld. Ik bespreek hieronder eerst het tweede middel.
II Het tweede cassatiemiddel en de bespreking daarvan
3. Het tweede middel klaagt dat het in het arrest van het hof besloten liggend oordeel dat de "economische kamer" bevoegd was om in hoger beroep over de zaak te beslissen, onjuist is en/of doordat de zaak in hoger beroep ten onrechte is behandeld en beslist door de "economische kamer.
4. Het bestreden ontnemingsarrest houdt, voor zover voor de bespreking van dit middel van belang, het volgende in:
“Rolnummer: 22-002667-18 PO
Parketnummer: 10-765028-12
Datum uitspraak: 9 september 2022
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
economische kamer
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 21 juni 2018 in de ontnemingszaak tegen de betrokkene:
[…]”
5. In de aanhef van het onderhavige arrest wordt inderdaad (ten onrechte) de economische kamer aangehaald, als zou dit arrest niet door de (bevoegde) meervoudige kamer voor strafzaken maar door de (onbevoegde) economische kamer zijn gewezen. Ik meen echter dat hier sprake is van een kennelijke misslag. Vooreerst is mij ambtshalve bekend dat het bij het gerechtshof Den Haag steevast de meervoudige kamer voor strafzaken is die in een ontnemingsprocedure de arresten wijst. Wat betreft deze concrete ontnemingszaak wijs ik er daarnaast op dat blijkens de aanhef van het proces-verbaal van de terechtzitting van 26 augustus 2022 (rolnummer: 22-002667-18; parketnummer: 10-765028-12) het onderzoek ter terechtzitting is gedaan door de meervoudige kamer voor strafzaken, en de ontnemingszaak toen gelijktijdig is behandeld met de strafzaak tegen de betrokkene (rolnummer 22-003163-16)1., en dat blijkens het proces-verbaal van 9 september 2022 de uitspraak van het onderhavige ontnemingsarrest is gedaan uit naam van de meervoudige kamer voor strafzaken. De Hoge Raad kan dit arrest in zoverre verbeterd lezen, en wel in die zin dat het is gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken. Daarmee komt de feitelijke grondslag aan het middel te ontvallen.
III Het eerste cassatiemiddel en de bespreking daarvan
6. Het eerste middel keert zich met een viertal deelklachten tegen de wijze waarop een deel van het wederrechtelijk verkregen voordeel – namelijk voor zover dit deel het totaalbedrag van € 214.706,86 beloopt – door het hof is geschat. De klachten luiden als volgt:
(i) ’s hofs schatting van dat deel van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan niet worden afgeleid uit de door het hof in het arrest opgenomen bewijsmiddelen;
(ii) het hof heeft (ik, A-G begrijp: in zoverre) verzuimd (in voldoende mate) de bewijsmiddelen te vermelden waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend;
(iii) het hof heeft (de bewezenverklaring die is vermeld in) het in de hoofdzaak gewezen arrest ten onrechte aangemerkt als een (wettig) bewijsmiddel in de zin van art. 511f Sv;
(iv) het hof heeft wat betreft bewijsmiddel 1 ten onrechte niet de inhoud daarvan weergegeven voor zover bevattende de voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel redengevende feiten en omstandigheden.
7. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“Verweer
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat een deel van de in de strafzaak onder 1A tenlastegelegde verduistering is verjaard, zodat de daarmee gemoeide bedragen in mindering dienen te komen op het door het hof te schatten wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het hof baseert zich bij de bepaling van het wederrechtelijk voordeel op artikel 36e lid 2 Sr (oud), in die zin dat ten aanzien van de baten uit bewezenverklaarde - en soortgelijke feiten de hoogte van het te ontnemen bedrag kan worden vastgesteld. Uit de jurisprudentie blijkt dat ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter zake van "soortgelijke feiten" zoals bedoeld in artikel 36e, tweede lid, (oud) Sr, mogelijk is, ook indien vervolging ter zake van die soortgelijke feiten wegens verjaring niet meer mogelijk is (ECLI:NL:PHR:2010:BL7 660 en ECLI:NL:HR:2009:BI2307).
Daarnaast is door de verdediging aangevoerd dat de betrokkene in de periode waarin de strafbare feiten zijn gepleegd, diverse bedragen - waaronder een bedrag van in totaal € 183.801,39 heeft teruggestort naar [A] om de salarissen van het personeel te kunnen betalen. Ook deze bedragen moeten daarom op de vordering in mindering worden gebracht.
Het hof overweegt met betrekking tot het (totaal)bedrag van € 183.801,39 dat uit de omschrijving van de overboekingen blijkt dat deze strekken tot aflossing op het bedrag dat de veroordeelde in rekening-courant aan de maatschap verschuldigd was, zodat deze geen verband houden met het bedrag dat de betrokkene zich ten onrechte heeft toegeëigend en ook niet voor verrekening met het voordeel in aanmerking komen. De betrokkene heeft het bedrag immers overgeboekt naar de reguliere betaalrekening van het notariskantoor, zodat de gelden niet zijn teruggevloeid naar de derdengeldenrekening(en), met betrekking tot welke rekening(en) de strafbare feiten zijn gepleegd.
De verweren worden verworpen.
De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep komt naar voren dat de betrokkene door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde handelen en soortgelijke feiten, financieel voordeel heeft genoten. Dit voordeel dient te worden ontnomen.
Het hof stelt vast dat in het arrest in de strafzaak bewezen is verklaard dat de betrokkene zich een bedrag van € 450.557,00 wederrechtelijk heeft toegeëigend.
Daarnaast stelt het hof vast dat de betrokkene uit soortgelijke (wel door de rechtbank bewezenverklaarde, doch verjaarde) feiten een bedrag van € 180.635,67 [heeft] ontvangen. Totaal bedraagt dit een bedrag van € 631.192,67.
Naar het oordeel van het hof staat vast dat de betrokkene een bedrag van € 7.000,00 direct heeft teruggestort naar dezelfde derdengeldrekening en nadien een bedrag van € 30.000,00 aan de schadeverzekeraar van [A] heeft terugbetaald. Die bedragen dienen in mindering te worden gebracht. Het voordeel dat de verdachte wederrechtelijk heeft gekregen wordt dan ook geschat op € 594.192,67.”
8. De door het hof gebezigde bewijsmiddelen zijn opgenomen in de bijlage bij het bestreden ontnemingsarrest. Deze bewijsmiddelen houden in:
“1. Het arrest van het gerechtshof Den Haag in de strafzaak van betrokkene van 9 september 2022 met rolnummer 22-003163-16 (als bijlage bijgevoegd).
2. Een geschrift, zijnde een als bijlage bij proces-verbaal nummer PL17R3-551/2013 gevoegd (overzicht)maandrekeninginformatie van Rabobankrekening met [rekeningnummer 1] d.d. 1 maart 2009 ten name van [de verdachte]2.(p. 334), inhoudende:
25-02 | [rekeningnummer 3] | bg | DERDENGELDEN [A] | 7.660,60 BY | 24-02-2009 13:36:11 [...]
| | | zie overzicht d.d. 24 februari 2009 | | [...]
| | | | |
3. Een geschrift, zijnde een als bijlage bij proces-verbaal nummer PL 17R3-551/2013 gevoegd (overzicht)maandrekeninginformatie van Rabobankrekening met [rekeningnummer 1] d.d. 1 september 20.09 ten name van [de verdachte] (p. 352), inhoudende:
28-08 | [rekeningnummer 3] | bg | DERDENGELDEN [A] | 6.316,07 BY | 28-08-2009 09:51:20 [...]
| | | [...], verkoop [a-straat 1] | | [...]
| | | te [plaats] | |
4. Een geschrift, zijnde een als bijlage bij. proces-verbaal nummer PL17R3-551/2013 gevoegd (overzicht)maandrekeninginformatie van. Rabobankrekening met [rekeningnummer 1] d.d. 19 februari 2010 ten name van [de verdachte] (p. 79), inhoudende:
05-02 | [rekeningnummer 3] | bg | DERDENGELDEN [A] | | 900,00
| | | uitbetaling vve [naam 1] te [plaats] | |
| | | | |
5. Een geschrift, zijnde een als bijlage bij proces-verbaal nummer PL17R3-551/2013 gevoegd (overzicht)maandrekeninginformatie van Rabobankrekening met [rekeningnummer 1] d.d. 6 april 2010 ten name van [de verdachte] (p. 88), inhoudende:
01-04 | bg | [rekeningnummer 3] DERDENGELDEN [A] | | 35.000,00
| | [...], overdrachtsbelasting [plaats] | |
| | te [naam 2] /Gemeente | |
| | [plaats] | |
6. Een geschrift, zijnde een als bijlage bij proces-verbaal nummer PL17R3-551/2013 gevoegd (overzicht)maandrekeninginformatie van Rabobankrekening met [rekeningnummer 1] d.d. 15 juni 2010 ten name van [de verdachte] (p. 96), inhoudende:
11-06 | bg | [rekeningnummer 3] DERDENGELDEN [A] | | 72.289,00
| | [...] | |
7. Een geschrift, zijnde een als bijlage bij proces-verbaal nummer PL17R3-551/2013 gevoegd (Overzicht)maandrekeninginformatie van Rabobankrekening met [rekeningnummer 1] d.d. 6 september 2010 ten name van [de verdachte] (p. 152), inhoudende:
01-09 | bg | [rekeningnummer 3] DERDENGELDEN [A] | | 4.500,00
| | [...], overdrachtsbelasting inzake | |
| | [naam 3] , kenm.18. | |
8. Een geschrift, zijnde een als bijlage bij proces-verbaal nummer PL17R3-551/2013 gevoegd (overzicht)afschrift ING-betaalrekening met [rekeningnummer 2] d.d. 8 september 2010 ten name van [de verdachte] (p. 55), inhoudende:
Geboekt op | Omschrijving | Code nr | Rekeningnummer | Af/bij Bed
1 SEP | DERDENGELDEN [A] [plaats] | OV | [rekeningnummer 3] | BIJ 58.470,
9. Een geschrift, zijnde een als bijlage bij proces-verbaal nummer PL17R3-551/2013 gevoegd (overzicht)afschrift ING-betaalrekening met [rekeningnummer 2] d.d. 9 maart 2011 ten name van [de verdachte] (p. 58), inhoudende:
4 MRT | DERDENGELDEN [A] [plaats] | OV | [rekeningnummer 3] | BIJ 86.231,
[...]
10. Een geschrift, zijnde een als bijlage bij proces-verbaal nummer PL17R3-551/2013 gevoegd (overzicht)afschrift ING-betaalrekening met [rekeningnummer 2] d.d. 13 april 2011 ten name van [de verdachte] (p. 59), inhoudende:
8 APR | DERDENGELDEN [A] [plaats] | OV | [rekeningnummer 3] | BIJ 114.261,
[...]
11. Een geschrift, zijnde een als bijlage bij proces-verbaal nummer PL17R3-551/2013 gevoegd (overzicht)afschrift ING-betaalrekening met [rekeningnummer 2] d.d. 14 september 2011 ten name van [de verdachte] (p. 62), inhoudende:
18 AUG | DERDENGELDEN [A] [plaats] | OV | [rekeningnummer 3] | BIJ 22.713,
[...]
12. Een geschrift, zijnde een als bijlage bij proces-verbaal nummer PL17R3-551/2013 gevoegd (overzicht)afschrift ING-betaalrekening met [rekeningnummer 2] d.d. 11 januari 2012 ten name van [de verdachte] (p. 65), inhoudende:
23 DEC | [A] [plaats] | OV | [rekeningnummer 5] | BIJ 8.685,14
Voor zover geschriften zijn gebruikt, zijn deze slechts gebruikt in samenhang met de inhoud van andere bewijsmiddelen, die op hetzelfde feit betrekking hebben.”
9. In bewijsmiddel 1 wordt het strafarrest van het hof in de hoofdzaak van 9 september 2022 met rolnummer 22-003163-16 aangehaald en daarbij vermeld dat dit strafarrest als bijlage bij het ontnemingsarrest is gevoegd. Dit strafarrest houdt onder meer het volgende in:
“Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
Hij in de periode van 10 september 2010 tot en met 31 juli 2012 (p. 13 pv Dossier [naam 4] ), te [plaats] , althans in Nederland, meermalen,
A.
Opzettelijk geldbedrag, te weten vanaf derdengeldenrekening [rekeningnummer 3] tnv Derdengelden [A] te [plaats] naar (Rabobank) rekening [rekeningnummer 4] ten name van [betrokkene] :
- op 1 september 2011, een bedrag van € 4.500,00 en
vanaf derdengeldenrekening [rekeningnummer 3] tnv Derdengelden [A] te [plaats] naar (ING) rekening [rekeningnummer 1] ten name van [betrokkene] :
- op 4 maart 2011, een bedrag van € 86.231,00 en
- op 3 april 2011 , een bedrag van € 114.261,00 en
- op 18 augustus 2011, een bedrag van € 22.173,003.en
vanaf derdengeldenrekening [rekeningnummer 5] tnv Derdengelden [A] te [plaats] naar (ING) rekening [rekeningnummer 1] ten name van [betrokkene] :
- op 23 december 2011, bedrag van € 8.685.14 en
- op 9 maart 2012, een bedrag van € 67.190,86 en
- op 21 mei 2012, een bedrag van € 10.023,00 en
- op 21 mei 2012, een bedrag van € 54.040,00 en
- op 18 juli 2012, een bedrag van € 34.401,00 en
- op 18 juli 2012, een bedrag van € 49.052,00
welke geldbedragen toebehoren aan
- een of meer andere (rechts)perso(o)n(en),
welke geldbedragen hij, verdachte, als kantoormanager bij notariskantoor [A] te [plaats] , anders dan door een misdrijf/misdrijven, telkens onder zich had, wederrechtelijk heeft toegeëigend.
[…]
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
[…]
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bij zonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verduistering van een aanzienlijke geldbedrag. De verdachte heeft bij het notariskantoor waar hij werkzaam was, gedurende een langere periode betaalopdrachten verstrekt voor betalingen vanaf de derdengeldenrekening van het kantoor, die waren voorzien van een (van de) privérekeningennummer(s) van de verdachte. De verdachte heeft deze betaalopdrachten geprint en met de bijbehorende betaallijsten aan de tekenbevoegde notaris(sen) voorgelegd, waarna de betalingen werden uitgevoerd, en de gelden op zijn rekening terecht kwamen. De verdachte had geen enkel recht op deze bedragen en heeft door aldus te handelen het vertrouwen van zijn collega's en de reputatie van het notariskantoor op grove wijze geschaad en zich kennelijk slechts laten leiden door hebzucht.”
10. Een aanvulling op het arrest in de hoofdzaak, aangestipt onder het hoofd ‘Bewijsvoering’ in het citaat hierboven, hoefde kennelijk niet te worden opgemaakt, althans zo’n aanvulling bevindt zich niet onder de stukken van het geding voor zover ik kan overzien.
1. In de bewezenverklaring (strafarrest) staan data en bedragen die in de voormelde bewijsmiddelen 7, 9, 10, 11 en 12 (ontnemingsarrest) zijn terug te vinden, namelijk (achtereenvolgens): op 1 september € 4500, op 4 maart € 86.231,00, op 8 april 2011 € 114.261,00, op 18 augustus 2011 € 22.173,00 en op 23 december 2011 € 8.685,14. Uit de toelichting in de schriftuur maak ik op dat (kort gezegd) de klachten in het middel zich daartegen niet keren.
12. Ik lees die toelichting aldus dat de pijlen zijn gericht op ’s hofs vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel wat betreft het in het middel genoemde deelbedrag ter grootte van in totaal € 214.706,86, nu dit deelbedrag volgens de steller van het middel niet uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen in de ontnemingszaak kan worden afgeleid. Het betreft de optelsom van vijf geldbedragen “die zijn verkregen als gevolg van de overboekingen d.d. 9 maart 2012, 21 mei 2012 (2x) en 18 juli 2012 (2x)”, te weten (successievelijk) € 67.190,86, € 10.023,00, € 54.040,00, € 34.401,00 en € 49.052,00. In mijn bespreking van het middel zal ik mij dan ook tot deze bedragen beperken en daarbij de deelklachten gezamenlijk betrekken.
13. Inderdaad kunnen deze vijf geldbedragen niet volgen uit de (hierboven aangehaalde) bewijsmiddelen 2 t/m 12. De vraag is nu of de meergenoemde vijf bedragen en daarmee het deelbedrag van in totaal € 214.706,86 voldoende duidelijk uit het als bewijsmiddel 1 aangehaalde strafarrest, dat dus als bijlage bij het ontnemingsarrest is gevoegd, kunnen worden afgeleid. Daaraan gaat echter nog een andere vraag vooraf, en wel óf dat strafarrest hier wel als een bewijsmiddel in de zin van de wet kan gelden.
14. Ingevolge art. 511f Sv kan de schatting van het op geld waardeerbare wederrechtelijk verkregen voordeel slechts worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen. Indien in de ontnemingsprocedure hoger beroep is ingesteld, geldt art. 511g Sv. Dat artikel bepaalt in lid 2 dat Titel II van het derde Boek van overeenkomstige toepassing is, waarna in de wettekst nog enkele bijzonderheden worden genoemd die hier niet relevant zijn. In die Titel II bevindt zich de schakelbepaling van art. 415 Sv, die onder meer art. 359 Sv op het rechtsgeding voor het gerechtshof van overeenkomstige toepassing verklaart. Dat betekent, aldus HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087, NJ 2013/544, m.nt. Borgers, dat de uitspraak in een ontnemingsprocedure de bewijsmiddelen moet vermelden waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend met weergave van de inhoud daarvan, voor zover bevattende de voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden.4.
15. Voorts heeft de Hoge Raad in dat arrest de in dit verband aan de motivering te stellen eisen verduidelijkt, onder meer met de volgende overwegingen. Indien door of namens de betrokkene de bedoelde gevolgtrekking voldoende gemotiveerd is betwist, dienen aan de motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel nadere eisen te worden gesteld. In dat geval zal de rechter in zijn overwegingen met betrekking tot die schatting moeten motiveren op grond waarvan hij, ondanks hetgeen door of namens de betrokkene tegen die gevolgtrekking en de onderliggende feiten en omstandigheden is aangevoerd, die gevolgtrekking aanvaardt. Indien de rechter de aan het financieel rapport of aan andere wettige bewijsmiddelen ontleende feiten en omstandigheden, die hij bij zijn oordeel daaromtrent betrekt en die redengevend zijn voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, in de overwegingen (samengevat) weergeeft onder nauwkeurige vermelding van de vindplaatsen daarvan, is aan de uit art. 359 lid 3 Sv voortvloeiende verplichting voldaan. Voorts heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 14 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BU4206, NJ 2013/295 geoordeeld, voor zover hier van belang, dat de ontnemingsrechter op grond van de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting moet vaststellen dat de betrokkene als gevolg van een strafbaar feit waarvoor hij veroordeeld is of als gevolg van een ander strafbaar feit voordeel heeft verkregen. Maar anders dan voor de schatting van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel, geldt voor die vaststelling niet dat ingevolge art. 511g lid 2 Sv (in hoger beroep) art. 359 lid 3 Sv van overeenkomstige toepassing is. Dat betekent, aldus de Hoge Raad in dit arrest, dat de uitspraak alleen de bewijsmiddelen moet vermelden waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend met weergave van de inhoud daarvan, voor zover bevattende de voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden.
16. Voorts wijs ik ter illustratie nog op de volgende vier arresten.
17. In HR 19 maart 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2509, NJ 1997/60, m.nt. Knigge luidde de overweging van het hof dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel had verkregen uit een drietal bewezenverklaarde strafbare feiten en was de schatting van dit voordeel door het hof ontleend aan de inhoud van bewijsmiddelen uit het strafarrest door de vermelding van de nummers van deze bewijsmiddelen (overigens, voor zover ik heb kunnen nagaan, zonder dat een exemplaar van het strafarrest aan de ontnemingsuitspraak was gehecht). Volgens de Hoge Raad had de inhoud van de bewijsmiddelen ingevolge de toepasselijke wetsartikelen in de ontnemingsuitspraak moeten zijn opgenomen, maar kon vernietiging van de ontnemingsuitspraak in die zaak achterwege blijven, nu de inhoud van die bewijsmiddelen was aangeduid door de vermelding van de nummers van de bewijsmiddelen, zoals die waren terug te vinden in het in de hoofdzaak gewezen arrest en niet viel in te zien dat in dit geval door deze gang van zaken enig rechtens relevant belang was geschaad.
18. In HR 14 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8125, NJ 2006/165 had het hof “uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep” afgeleid dat de betrokkene € 4000,- had gekregen voor de door hem gepleegde moord op een vrouw, en daarnaast overwogen dat een exemplaar van het strafarrest aan het ontnemingsarrest werd gehecht en de inhoud van dat strafarrest daarom als ingelast gold. Naar het oordeel van de Hoge Raad had het hof weliswaar verwezen naar het aan de bestreden ontnemingsuitspraak gehechte arrest van 23 februari 2005 in de hoofdzaak, maar bevatte dit (straf)arrest geen bewijsmiddel waaruit de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel kon volgen. De vaststelling van het hof in de strafmotivering in dat (straf)arrest dat de betrokkene na de moord € 4000,- had ontvangen, kon niet als een zodanig bewijsmiddel worden aangemerkt, nu dit geen bewijsmiddel is in de zin van art. 511f Sv.
19. In de zaak die heeft geleid tot HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2751 hield de overweging van het hof in, dat de betrokkene in de strafzaak was veroordeeld voor het medeplegen van witwassen van twee geldbedragen (groot € 470.000,00 en € 453.250,00).5.Als ik het goed begrijp bevatte de aanvulling op de verkorte uitspraak van het hof in de ontnemingszaak slechts als bewijsmiddel: “Het in het verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam van 8 februari 2010, gewezen in de strafzaak tegen de veroordeelde met parketnummer 23-000197-08, ten laste van de veroordeelde bewezen verklaarde te weten dat: hij in de periode 19 augustus 2002 tot en met 11 oktober 2004 in Nederland en Luxemburg, tezamen en in vereniging met anderen, 470.000 euro en 453.250 euro (totaal 923.250 euro), voorhanden had terwijl hij wist dat dat geld – onmiddellijk - afkomstig was van enig misdrijf.” De Hoge Raad herhaalde in dit arrest van 23 september 2014 dat krachtens 511f Sv de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel slechts kan worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen. En zonder dit verder te expliciteren oordeelde hij dat de “bestreden uitspraak – waarin in de kern niet meer wordt overwogen dan dat de betrokkene in ‘de met de onderhavige ontnemingszaak samenhangende strafzaak’ is veroordeeld ter zake van het medeplegen van witwassen van in totaal € 923.250,- en dat het op geld waardeerbare wederrechtelijk verkregen voordeel op dat bedrag wordt geschat – niet aan dit vereiste [voldoet]”. Ik neem aan dat dit oordeel verband houdt met de vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de enkele omstandigheid dat een goed, zoals in dit geval een geldbedrag, voorwerp is van het bewezenverklaarde misdrijf witwassen, niet met zich brengt dat alleen al daarom dat goed wederrechtelijk verkregen voordeel vormt.6.
20. Tot slot HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:147, NJ 2022/136, m.nt. Jörg. In navolging van de rechtbank overwoog het hof dat de betrokkene in de strafzaak was veroordeeld ter zake van valsheid in geschrift (meermalen), het gebruik maken van een vals geschrift (meermalen), oplichting voor een totaalbedrag van € 958.164,00 en het zich schuldig maken aan gewoontewitwassen. Op grond van deze veroordeling legde het hof de betrokkene de verplichting op tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van het voordeel, wederrechtelijk verkregen door middel van of uit de baten van de ingevolge dat strafarrest bewezenverklaarde strafbare feiten. Het ‘oplichtingsbedrag’ van € 958.164,72 gold als uitgangspunt. Daarop werden twee bedragen in mindering gebracht, waarna het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel werd geschat op € 645.621,49. Met verwijzing naar het eerder genoemde arrest van HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087, NJ 2013/544, m.nt. Borgers luidde de slotsom van de Hoge Raad: “Het hof heeft overwogen dat het uitgaat van het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel zoals is bewezenverklaard, hetgeen – op een bedrag van € 29.419,85 na – het totale bedrag is dat door [A] naar de bankrekeningen van de vijf koeriersbedrijven is overgemaakt. In aanmerking genomen dat de verdediging heeft aangevoerd dat niet is gebleken dat de betrokkene grote contante bedragen heeft opgenomen bij banken in Rotterdam en Delft, kon het hof – gelet op wat hiervoor onder 2.3 is vooropgesteld – niet volstaan met het weergeven van de in de ontnemingsrapportage gemaakte gevolgtrekking dat het bedrag dat op de bankrekeningen van de vijf koeriersbedrijven is overgemaakt, daadwerkelijk aan de betrokkene is toegekomen. De uitspraak is in zoverre ontoereikend gemotiveerd.”
21. Ik keer terug naar de onderhavige zaak. Eerst de kwestie of het aan een ontnemingsuitspraak als bijlage gevoegde strafarrest een wettig bewijsmiddel kan zijn in de ontnemingsprocedure. Ik meen dat deze vraag zich op grond van het navolgende bevestigend laat beantwoorden.
22. Art. 339 Sv luidt:
“1. Als wettige bewijsmiddelen worden alleen erkend:
1°. eigen waarneming van den rechter;
2°. verklaringen van den verdachte;
3°. verklaringen van een getuige;
4°. verklaringen van een deskundige;
5°. schriftelijke bescheiden."
2. Feiten of omstandigheden van algemeene bekendheid behoeven geen bewijs.”
23. Art. 511f Sv – inhoudend: “De rechter kan de schatting van het op geld waardeerbare voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht slechts ontlenen aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen – kan, denk ik, (wat betreft de eerste aanleg) niet anders worden begrepen dan dat de verwijzing naar ‘wettige’ bewijsmiddelen betrekking heeft op de in art. 339 lid 1 Sv limitatief opgesomde bewijsmiddelen, ook al wordt deze bepaling in art. 511f Sv niet uitdrukkelijk genoemd.7.Ook ingevolge art. 511g lid 2 (het hoger beroep betreffend) in verbinding met art. 415 en art. 359 lid 3 Sv dient de ontnemingsuitspraak van een gerechtshof de inhoud te bevatten van het bewijsmiddel of de bewijsmiddelen waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend. Bijzonder is dat ingevolge art. 511g lid 2 Sv en de in verband daarmee van toepassing zijnde schakelbepaling art. 415 Sv, art. 339 Sv wèl expliciet van overeenkomstige toepassing is verklaard op het rechtsgeding voor het gerechtshof. Hoe dan ook, in beide gevallen is het strafarrest dan een schriftelijk bescheid als bedoeld in art. 339 lid 1 onder 5° Sv en in zoverre een wettig bewijsmiddel. Als ik goed zie verzet de rechtspraak van de Hoge Raad zich evenmin tegen het gebruik als bewijsmiddel van een strafarrest dat als bijlage aan de ontnemingsuitspraak is gevoegd.
24. Voor zover het rechtsmiddel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het.
25. Dan de vraag of de vijf bedragen die tezamen het deelbedrag van in totaal € 214.706,86 vormen, voldoende duidelijk uit bewijsmiddel 1 – het meergenoemde strafarrest – kunnen volgen.
26. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft de raadsman ter ’s hofs terechtzitting van 26 augustus 2022 het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover hier relevant en met weglating van voetnoten, het volgende in:
“1. Inleiding
1.1.
Zoals ik reeds aangaf tijdens het pleidooi in de strafzaak, realiseert cliënt zich dat de (niet-verjaarde) overboekingen die hij vanaf de derdenrekeningen van het notariskantoor heeft ontvangen, kunnen worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel.
1.2.
Dat hij zal moeten betalen omdat hij geen recht had op het geld, is hem ook volstrekt duidelijk. In eerste aanleg is getracht een schikking overeen te komen met het Openbaar Ministerie. Daarbij heeft het OM vertrouwelijkheid bedongen, dus ik kan daarover verder geen mededelingen doen, behalve dat cliënt een zijns inziens reëel en redelijk voorstel heeft gedaan met de intentie tot een oplossing te komen.
1.3.
De rechtbank heeft vervolgens uitspraak gedaan en daarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel op € 594.192,67 vastgesteld.
1.4.
In eerste aanleg is een aantal verweren gevoerd, die in de kern zijn verworpen met de overweging dat "de inhoud van het vonnis van 7 juli 2016 als vaststaand wordt aangenomen". De ontnemingsrechter dient echter zelfstandig een oordeel te vellen over de verweren die in de ontnemingszaak worden gevoerd.
1.5.
De motivering van de rechtbank is dus ontoereikend. Ik voer in hoger beroep niet alle verweren die in eerste aanleg zijn gevoerd opnieuw, maar wel het verweer dat op de ontnemingsvordering in mindering moet worden gebracht (a.) een bedrag van € 7.000,- dat cliënt op 4 maart 2011 heeft teruggeboekt en (b.) het bedrag van € 183.801,39 dat hij in de tenlastegelegde periode heeft overgemaakt aan [A] en één van de derdengeldenrekening.
1.6.
Daarnaast geldt (c.) dat zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, een bedrag van € 30.000,- in mindering dient te worden gebracht dat door cliënt is terugbetaald aan de schadeverzekeraar van [A] .
1.7.
En ten slotte is (d.) ook in de ontnemingszaak de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is geschonden.
[…]”
27. Op dit verweer is door het hof in het onderhavige ontnemingsarrest gerespondeerd. Geen verweer – ook door de betrokkene zelf niet – is op de terechtzitting van het hof gevoerd met betrekking tot de vijf bedoelde bedragen, die blijkens de bewezenverklaring in de hoofdzaak alle zien op de derdengeldenrekening 69.39.87.11 ten name van Derdengelden [A] te [plaats] en bij elkaar opgeteld het bedrag van € 214.706,86 opleveren.
28. Nu (i) in bewijsmiddel 1 het strafarrest is vervat dat als bijlage aan de ontnemingsuitspraak is gevoegd, (ii) in dit strafarrest in één oogopslag te zien is dat de betrokkene (ook) deze vijf geldbedragen zich wederrechtelijk heeft toegeëigend, (iii) door of namens de betrokkene niet is betwist dat de betrokkene (ook) die vijf geldbedragen als voordeel wederrechtelijk heeft verkregen en (iv) er geen sprake is van een deelnemingsvorm, komt het mij in het licht van het bepaalde in art. 359 lid 3 Sv en de hierboven besproken rechtspraak van de Hoge Raad voor, dat in dit specifieke geval de onderhavige ontnemingsuitspraak voldoet aan het vereiste dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend aan de gebezigde bewijsmiddelen met weergave van de inhoud daarvan, voor zover bevattende de voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden. Tot een nadere motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel was het hof mijns inziens in dit geval dan ook niet gehouden. Ook in zoverre treffen de klachten geen doel.
IV Slotsom
29. Beide middelen falen.
30. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
31. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 10‑12‑2024
De naam heb ik hier en hieronder telkens gewijzigd in ‘de verdachte’.
Ik begrijp € 22.713,00 (zie bewijsmiddel 11 in mijn randnummer 8).
Zie ook: HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2917, NJ 2015/243, m.nt. Reijntjes; HR 6 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2765; en HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:147, NJ 2022/136, m.nt. Jörg.
Zie in relatie tot witwassen ook HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3051/3071 en HR 29 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2718.
Zie onder meer HR 6 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1077, NJ 2021/299, m.nt. Vellinga.
In die zin ook de memorie van toelichting bij de Wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering en enkele andere wetten ter verruiming van de mogelijkheden tot toepassing van de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en andere vermogenssancties; zie Kamerstukken II 1989/90, 21 504, nr. 3, p. 14.
Beroepschrift 01‑05‑2023
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
22/03406 E
[betrokkene] — geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, verzoeker tot cassatie van een onder rolnummer 22-00266-18 PO gewezen arrest van het gerechtshof Den Haag, dat is uitgesproken op 9 september 2022.
Middel 1
(schatting wederrechtelijk verkregen voordeel onjuist/ontoereikend gemotiveerd)
Het recht — in het bijzonder de artikelen 511. Sv en 511. lid 2 in verbinding met 359 lid 2 Sv — is geschonden dan wel verkeerd toegepast en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormschriften, doordat:
- —
de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel — wat betreft een bedrag van EUR 214.706,86 dat van die schatting deel uitmaakt — niet kan worden afgeleid uit de door het hof in het arrest opgenomen bewijsmiddelen;
- —
het hof heeft verzuimd (in voldoende mate) de bewijsmiddelen te vermelden waaraan het de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft ontleend met weergave van de inhoud daarvan, voor zover bevattende de voor deze schatting redengevende feiten en omstandigheden;
- —
het hof (de bewezenverklaring die is vermeld in) het in de hoofdzaak gewezen arrest ten onrechte heeft aangemerkt als een (wettig) bewijsmiddel in de zin van artikel 511. Sv, en
- —
het hof wat betreft bewijsmiddel 1 ten onrechte niet de inhoud daarvan heeft weergegeven, voor zover bevattende de voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel redengevende feiten en omstandigheden.
Toelichting
1.
Het hof heeft het door verzoeker wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op EUR 594.192,67. Aan deze schatting heeft het hof de navolgende vaststellingen en overwegingen ten grondslag gelegd (accentueringen raadsman):
‘(…) Het hof stelt vast dat in het arrest in de strafzaak bewezen is verklaard dat de betrokkene zich een bedrag van € 450.557,00 wederrechtelijk heeft toegeëigend.
Daarnaast stelt het hof vast dat de betrokkene uit soortgelijke (wel door de rechtbank bewezenverklaarde, doch verjaarde) feiten een bedrag van € 180.635,67 ontvangen. Totaal bedraagt dit bedrag van € 631.192,67.
Naar het oordeel van het hof staat vast dat de betrokkene een bedrag van € 7.000,00 direct heeft teruggestort naar dezelfde derdengeldrekening en nadien een bedrag van € 30.000,00 aan de schadeverzekeraar [A] heeft terugbetaald. Die bedragen dienen in mindering te worden gebracht.’1.
2.
In de hoofdzaak, waarnaar in de hiervoor geaccentueerde overwegingen wordt verwezen, heeft het hof o.m. bewezen verklaard dat verzoeker zich de navolgende, als gevolg van overboekingen naar zijn privé-bankrekeningen verkregen, geldbedragen wederrechtelijk heeft toegeëigend:
- —
op 1 september 2011, een bedrag van € 4.500,00;
- —
op 4 maart 2011, een bedrag van € 86.231,00;
- —
op 8 april 2011, een bedrag van € 114.261,00;
- —
op 18 augustus 2011, een bedrag van € 22.173,00;
- —
op 23 december 2011, een bedrag van € 8.685.14;
- —
op 9 maart 2012, een bedrag van € 67.190,86;
- —
op 21 mei 2012, een bedrag van € 10.023,00;
- —
op 21 mei 2012, een bedrag van € 54.040,00;
- —
op 18 juli 2012, een bedrag van € 34.401,00;
- —
op 18 juli 2012, een bedrag van € 49.052,00.2.
3.
Het totaalbedrag van deze overboekingen beloopt EUR 450.557,-. Hiervan maken de hiervoor onder 2 gearceerde geldbedragen, die zijn verkregen als gevolg van de overboekingen d.d. 9 maart 2012, 21 mei 2012 (2x) en 18 juli 2012 (2x) en een totaalbedrag van EUR 214.706,86 belopen, deel uit.
4.
Ten aanzien van dit laatstgenoemde bedrag/onderdeel van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel geldt dat (i.) het hof heeft verzuimd de bewijsmiddelen te vermelden waaraan het de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft ontleend met weergave van de inhoud daarvan, voor zover bevattende de voor deze schatting redengevende feiten en omstandigheden en (ii.) dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend is gemotiveerd nu deze schatting in zoverre niet uit de in het arrest opgenomen bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
5.
Verzoeker licht dit als volgt toe.
6.
De bewijsvoering van het hof in de ontnemingszaak bestaat uit het arrest in de hoofdzaak (bewijsmiddel 1) en een aantal bankafschriften waaruit volgt dat de daarin vermelde geldbedragen op enig moment zijn bijgeschreven op bankrekeningen ten name van verzoeker (bewijsmiddelen 2 t/m 12).
7.
De bewijsmiddelen 2 t/m 12 betreffen overboekingen d.d. 25 februari 2009, d.d. 28 augustus 2009, 5 februari 2010, 1 april 2010, 11 juni 2010, 1 september 2010 (2x), d.d. 2 maart 2011, d.d. 8 april 2011, d.d. 18 augustus 2011 en 23 december 2011, die een totaalbedrag van EUR 417.024,81 belopen. Uit deze bewijsmiddelen kan niets worden afgeleid over de overboekingen d.d. 9 maart 2012, 21 mei 2012 (2x) en 18 juli 2012 (2x).
8.
Evenmin kan de schatting met betrekking tot deze laatstgenoemde overboekingen worden afgeleid uit bewijsmiddel 1, het arrest in de hoofdzaak. Dit arrest bevat immers geen bewijsmiddelen waaruit de omvang van (de voornoemde onderdelen van) het wederrechtelijk verkregen voordeel zou kunnen worden afgeleid.3.
9.
Ten aanzien van het gebruik van het arrest in de hoofdzaak als bewijsmiddel in de ontnemingszaak, stelt verzoeker zich voorts op de navolgende standpunten.
10.
Ten eerste. Door in de overwegingen in het arrest in de ontnemingszaak naar de bewezenverklaring uit de hoofdzaak te verwijzen, heeft het hof niet een (wettig) bewijsmiddel in de zin van artikel 511. Sv gebezigd waaruit de omvang van (de voornoemde onderdelen van) het te ontnemen bedrag kan volgen.4. In zijn conclusie voor ECLI:NL:HR:2014:2751 schrijft advocaat-generaal Hofstee onder verwijzing naar eerdere rechtspraak van de Hoge Raad:
‘De bewezenverklaring in de hoofdzaak kan immers niet als een zodanig bewijsmiddel worden aangemerkt, nu dit geen bewijsmiddel is in de zin van artikel 511f Sv.’ 5.
11.
In zoverre geeft de bewijsvoering van het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting en/of is deze zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.
12.
Ten tweede. De weergave van bewijsmiddel 1 in de ontnemingszaak houdt in:
- ‘1.
Het arrest van het gerechtshof Den Haag in de strafzaak van betrokkene van 9 september 2022 met rolnummer 22-003163-16 (als bijlage gevoegd)’
13.
Aldus heeft het hof wat dit bewijsmiddel betreft ten onrechte niet de inhoud daarvan weergegeven, voor zover bevattende de voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel redengevende feiten en omstandigheden.
14.
In eerdere rechtspraak heeft de Hoge Raad dit soort klachten wel als volgt afgedaan (accentueringen raadsman):
‘2.4.
De bestreden uitspraak houdt in dat de betrokkene bij vonnis van de Rechtbank van 20 oktober 2006 is veroordeeld ter zake van ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd’ en als gevolg daarvan wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Kennelijk als gevolg van een misslag is het vonnis van de Rechtbank opgenomen onder de bewijsmiddelen. Het Hof heeft dan ook de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet aan de inhoud van dit vonnis ontleend. Het middel kan dus niet tot cassatie leiden.’6.
15.
In de onderhavige zaak heeft het hof evenwel in de (hiervoor onder 1 weergegeven) overwegingen in het arrest expliciet verwezen naar de bewezenverklaring uit de hoofdzaak. In zoverre is de opname van het arrest uit de hoofdzaak onder de bewijsmiddelen in de ontnemingszaak hier klaarblijkelijk niet een (kennelijke) misslag.
16.
Nu het hof in diens overwegingen expliciet verwijst naar de bewezenverklaring die in hoger beroep is uitgesproken in de hoofdzaak, kan aan het onderhavige verzuim bovendien evenmin voorbij worden gegaan onder verwijzing naar de bewijsvoering van de ontnemingsrechter in eerste aanleg, zoals in ECLI:NL:HR:2014:2917 werd gedaan. In het onderhavige geval voldoet immers de bewijsvoering van de rechter in eerste aanleg ook niet aan de vereisten, terwijl de in hoger beroep in de hoofdzaak uitgesproken bewezenverklaring wezenlijk afwijkt (beperkter is) dan de in eerste aanleg in de hoofdzaak uitgesproken bewezenverklaring en het hof het vonnis van de ontnemingsrechter in eerste aanleg heeft vernietigd.
17.
Op grond van artikel 511. lid 2 in verbinding met 359 lid 2 Sv dient de uitspraak van de rechter op een vordering als bedoeld in artikel 36e Sr op straffe van nietigheid de redengevende inhoud te bevatten van de bewijsmiddelen waaraan zijn schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend. Uit het voorgaande volgt dat de uitspraak hier niet aan voldoet.
18.
Het arrest kan dus niet in stand blijven.
Middel 2
Het recht — in het bijzonder artikel 52 WED in verbinding met 64 RO — is geschonden dan wel verkeerd toegepast en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormschriften, doordat het in het arrest van het hof besloten liggende oordeel dat de ‘economische kamer’ bevoegd was om in hoger beroep over de zaak te beslissen, onjuist is en/of doordat de zaak in hoger beroep ten onrechte is behandeld en beslist door de ‘economische kamer’.
Toelichting
1.
Aangenomen wordt dat de vraag naar de bevoegdheid van de economische kamer aan de orde dient te komen bij de beraadslaging over de bevoegdheid van de rechter (accentueringen raadsman):
‘De vraag naar de bevoegdheid van de economische kamer wordt consequent behandeld als een bevoegdheidsvraag in het kader van art. 348 Sv. Wordt dus een niet-economisch delict bij de economische kamer aangebracht, dan dient de rechtbank haar onbevoegdheid uit te spreken.’7.
2.
In hoger beroept dient het gerechtshof ook te beoordelen of het bevoegd is kennis te nemen van het hoger beroep.8. Dit volgt voor de ontnemingsrechter in hoger beroep, zo begrijpt verzoeker, uit de schakelbepaling in artikel 511g lid 2 Sv.
3.
Wat de bevoegdheid van de economische kamer van het gerechtshof in strafzaken betreft, is de rechtspraak van de Hoge Raad duidelijk. In o.m. ECLI:NL:HR:2013:1182 is beslist dat deze bevoegdheid ingevolge artikel 52 WED in verbinding met artikel 64 RO afhankelijk is van de vraag of in eerste aanleg door een economische kamer van de rechtbank vonnis is gewezen.
4.
Of dit ook geldt voor de ontnemingsrechter in hoger beroep is evenwel niet duidelijk. In ECLI:NL:HR:2010:BM6652 heeft de Hoge Raad aangegeven dat de enkelvoudige kamer van het gerechtshof tevens bevoegd is ontnemingsvorderingen te behandelen, maar een dergelijke beslissing ten aanzien van de economische kamer in ontnemingszaken is er, voor zover verzoeker bekend, niet.
5.
Uit het wettelijke systeem volgt in ieder geval naar verzoeker meent, het navolgende.
6.
Op grond van artikel 52 WED ‘behandelen en beslissen’ de economische kamers van de gerechtshoven ‘uitsluitend zaken waarin door de economische kamers van de rechtbanken vonnis is gewezen’.
7.
De situatie dat de economische kamer van de rechtbank in een ontnemingszaak (bevoegd) vonnis wijst, kan zich gelet op artikel 38 WED evenwel niet voordoen. Deze bepaling luidt immers als volgt:
‘De kennisneming van economische delicten in eerste aanleg is bij uitsluiting opgedragen aan de rechtbank. Economische delicten worden behandeld en beslist door de economische kamers van de rechtbank, bedoeld in artikel 52 van Wet op de rechterlijke organisatie.’
8.
Een ontnemingsmaatregel wordt opgelegd in een aparte, van de strafzaak afgescheiden procedure die is neergelegd in titel IIIb van het Wetboek van Strafvordering. Daarmee is welbewust een inbreuk gemaakt op het concentratiebeginsel, dat voorschrijft dat de rechter één beslissing neemt ter zake van alle vragen van artikel 350 Sv, en dus over de gehele sanctieoplegging.9.
9.
De beslissing van de rechter op een vordering van het Openbaar Ministerie ex artikel 36e Sr kan mede gelet hierop niet worden aangemerkt als het ‘beslissen’ van ‘economische delicten’ in de zin van artikel 38 WED. Deze interpretatie past ook bij de in artikel 36e lid 2 Sr geboden mogelijkheid van voordeelsontneming ter zake van ‘andere feiten’, welke ‘andere feiten’ immers ook niet-economische delicten kunnen betreffen. Bij een dergelijke voordeelsontneming is allerminst sprake van het ‘beslissen’ van ‘economische delicten’ in de zin van artikel 38 WED. Bij een voordeelsontneming op grond van artikel 36e lid 3 Sr raken de economische delicten bovendien nog verder uit beeld.
10.
In het voorgaande ligt de stelling besloten dat een economische kamer van de rechtbank nimmer bevoegd is een ontnemingsvordering te behandelen. Dit brengt met zich mee dat de economische kamer van het gerechtshof daartoe evenmin bevoegd is.
11.
Aan een dergelijke simpele bevoegdheidsverdeling (waarin de reguliere/commune meervoudige of enkelvoudige kamers in eerste aanleg en hoger beroep exclusief bevoegd zijn tot het behandelen van ontnemingsvorderingen) kleven evenwel ook voordelen. HR 10 december 2019, NJ 2020/100 maakt duidelijk welke processuele complicaties zich in het licht van de termijn van artikel 511. lid 1 Sv kunnen voordoen bij het aanbrengen van een ontnemingsvordering bij de ‘verkeerde’ kamer.
12.
In de onderhavige zaak doet zich het volgende voor.
13.
Het op 9 september 2022 uitgesproken arrest vermeldt gewezen te zijn door de ‘economische kamer’ van het hof.
14.
De ‘economische kamer’ van het hof was evenwel niet bevoegd tot (behandeling en) berechting van de ontnemingsvordering. Het andersluidende, in het arrest besloten liggende, oordeel van het hof is onjuist.
15.
Dat is ten eerste het geval omdat uit het wettelijk systeem, gelet op hetgeen hiervóór onder 1 t/m 10 is aangevoerd, volgt dat de economische kamer nimmer bevoegd is tot behandeling van een ontnemingsvordering.
16.
Indien de Hoge Raad deze opvatting niet als juist beschouwt, geldt ten tweede dat het hof zichzelf ten onrechte bevoegd heeft geacht en/of dat de zaak ten onrechte is ‘beslist’ door de economische kamer van het gerechtshof omdat de bevoegdheid van de economische kamer in hoger beroep enkel afhankelijk is van de vraag of vonnis is gewezen door de economische kamer van de rechtbank.
17.
Bij de stukken van het geding bevindt zich een op 21 juni 2018 uitgesproken vonnis van de rechtbank Rotterdam dat vermeldt:
‘Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (…)’10.
18.
Er is derhalve geen sprake van een vonnis dat is gewezen door een economische kamer van de rechtbank. Dit brengt met zich mee dat de zaak in hoger beroep niet behoorde te worden ‘beslist’ door een economische kamer van het hof. Het hof heeft dit miskend.
19.
Het arrest kan niet in stand blijven.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. N. Gonzalez Bos, advocaat te Rotterdam, die verklaart dat verzoeker hem daartoe bepaaldelijk heeft gevolmachtigd.
N. Gonzalez Bos
Rotterdam, 1 mei 2023
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 01‑05‑2023
Zie het bestreden arrest, p. 3–4.
Zie de bewezenverklaring in het arrest in de hoofdzaak d.d. 9 september 2022, p. 3–4.
Vgl. o.a. HR 19 maart 1996, NJ 1997/60, r.o. 8.2
Vgl. o.a. ECLI:NL:HR:2006:AU8125.
ECLI:NL:PHR:2014:1508, par. 6.
G. Knigge, Tot oordelen bevoegd, in: B.F. Keulen e.a. (red.), Pet af. Liber amicorum prof. D.H. de Jong, 2007, p. 251.
Vgl. HR 14 december 2010, NJ 2011/12.
Vgl. M.J. Borgers, ‘Het procesrechtelijk raamwerk van de ontnemingsmaatregel’, in: M.J. Borgerds & J. Rozie, Voordeelsontneming. De procesrechtelijke invalshoek (preadviezen NVVS), Nijmegen, 2005, p. 63–65.
Vonnis d.d. 21 juni 2018, p. 1.