HR, 27-09-2024, nr. 22/03916
ECLI:NL:HR:2024:1296
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
27-09-2024
- Zaaknummer
22/03916
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 27‑09‑2024
ECLI:NL:HR:2024:1296, Uitspraak, Hoge Raad, 27‑09‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2022:7634
- Vindplaatsen
NLF 2024/2203
NTFR 2024/1620
Belastingblad 2024/364 met annotatie van L.J. Boone
Viditax (FutD) 2024092712
FutD 2024-2039
Beroepschrift 27‑09‑2024
Plaats/Datum | […], 5 december 2022 |
Inzake | [X] / Gemeente Epe / Forensenbelasting 2018 en 2019 |
Onze ref. | […] |
Uw ref. | Zaaknummer 22/03916 |
Edelhoogachtbaar College,
Namens belanghebbende heb ik de eer bij Uw Raad de na te melden cassatiemiddelen aan te voeren ten behoeve van het — tijdig — ingestelde beroep in cassatie tegen de (gecombineerde) uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, gedaan op 6 september 2022, aan partijen verzonden op 6 september 2022, onder de zaaknummers BK-ARN 21/00075 en BK-ARN 21/00604, in het geding tussen belanghebbende en de Gemeente Epe (heffingsambtenaar van Belastingcentrum Tribuut).
Een afschrift van de bestreden uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Gerechtshof) is op 18 oktober 2022 aan het digitale dossier toegevoegd.
1. De Feiten
1.1.
Aan belanghebbende, die zijn hoofdverblijf heeft in de gemeente Leiden, zijn voor de jaren 2018 en 2019 door de Gemeente Epe (hierna: de Gemeente) aanslagen forensbelasting opgelegd, omdat belanghebbende in die betreffende jaren voor meer dan 90 dagen een gemeubileerde vakantiewoning ([a-straat 1] te [Q]) beschikbaar heeft gehouden.
1.2.
De aan belanghebbende opgelegde aanslag forensbelasting voor het jaar 2018 bedraagt EUR 1.349,12 en voor het jaar 2019 EUR 1.382,10.
1.3.
Belanghebbende wordt door de Gemeente naast de forensenbelasting eveneens aangeslagen voor alle reguliere gemeentelijke belastingen, waaronder bijvoorbeeld de onroerende zaakbelasting.
2. Het Geschil
2.1.
Tussen belanghebbende en de Gemeente is (samengevat) in geschil de vraag (a) of aan belanghebbende in de betreffende jaren 2018 en 2019 een aanslag forensenbelasting mag worden opgelegd en (b) zo ja, voor welk bedrag c.q. welk tarief.
2.2.
Belanghebbende heeft beide vragen ontkennende beantwoord, in die zin dat er geen aanslag forensenbelasting mag worden opgelegd en dat het gehanteerde tarief onredelijk hoog is.
Forensenbelasting 2018
2.3.
De door belanghebbende tegen deze vragen opgeworpen bezwaren bij de Gemeente zijn door de Gemeente bij uitspraak van 25 november 2019 ongegrond verklaard.
2.4.
Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank Gelderland, die bij uitspraak van 7 december 2020 het beroep ongegrond heeft verklaard.
2.5.
Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof, die bij — de incassatie bestreden — uitspraak het hoger beroep ongegrond heeft verklaard.
Forensenbelasting 2019
2.6.
De door belanghebbende tegen deze vragen opgeworpen bezwaren bij de Gemeente zijn door de Gemeente bij uitspraak van 29 april 2020 ongegrond verklaard.
2.7.
Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank Gelderland, die bij uitspraak van 14 april 2021 het beroep ongegrond heeft verklaard.
2.8.
Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof, die bij — de incassatie bestreden — uitspraak het hoger beroep ongegrond heeft verklaard.
3. Het oordeel van het Gerechtshof
3.1'.
In de bestreden uitspraak van het Gerechtshof somt het Gerechtshof in de onderdelen 4.2. en 4.3. — vanwege artikel 223 Gemeentewet — negen door belanghebbende opgeworpen grieven op (aangeduid als: grieven (i) tot en met (ix)) en verwerpt de grieven (i) tot en met (viii) met een verwijzing naar een eerdere uitspraak van het Gerechtshof van 19 mei 2020, waarbij uitspraak werd gedaan in het geschil tussen belanghebbende en de Gemeente met betrekking tot de forensenbelasting voor het jaar 2017.
3.2.
In onderdeel 4.5. van de bestreden uitspraak verwerpt het Gerechtshof grief (ix) van belanghebbende door te overwegen dat de heffing van forensenbelasting niet is gekoppeld aan de overtreding van enig wettelijk voorschrift.
3.3.
Belanghebbende kan zich met deze oordelen en deze uitspraak niet verenigen en doet tegen de uitspraak van het Gerechtshof de navolgende cassatiemiddelen formuleren.
4. De Cassatiemiddelen
Middel 1:
Vormverzuim: In de bestreden uitspraak van het Gerechtshof volstaat het Gerechtshof met betrekking tot de door belanghebbende opgeworpen grieven (i) tot en met (viii) met een enkele en simpele verwijzing naar een eerdere uitspraak tussen belanghebbende en de Gemeente met betrekking tot de forensenbelasting 2017.
Met deze wijze van afdoening van een geschil tussen partijen kan in rechte niet worden volstaan. Het Gerechtshof dient in haar uitspraak niet enkel te verwijzen naar een eerdere uitspraak, maar per opgeworpen grief een deugdelijke motivering en oordeel te geven, temeer nu de fiscale jaren 2018 en 2019 (telkens) op zich zelf staan. Door dit na te laten, althans op deze wijze de grieven ‘weg te schrijven’, schendt het Gerechtshof het motiveringsbeginsel en is er derhalve sprake van een vormverzuim.
Middel 2:
Vormverzuim: In de bestreden uitspraak van het Gerechtshof wordt geen melding gemaakt van een op 10 juni 2022 door belanghebbende (via zijn raadsman) indiende uitgebreide aanvulling en uitbereiding van de gronden van het hoger beroep.
Nu het Gerechtshof nalaat van deze indiening en de reikwijdte van de inhoud daarvan in haar uitspraak enige vermelding te maken en /of verwijzing op te nemen, en ook niet vaststaat dat het Gerechtshof deze aanvulling en uitbereiding in haar motivering en oordeelvorming op enigerlei wijze heeft betrokken, schendt het Gerechtshof het motiveringsbeginsel en is er derhalve sprake van een vormverzuim.
Middel 3:
Schending van het recht, nu het Gerechtshof ten onrechte heeft overwogen dat forensenbelasting niet onredelijk en willekeurig is.
Middel 4:
Schending van het recht, nu het Gerechtshof ten onrechte heeft overwogen dat er voor het beperkte profijt dat een niet ingezetene (lees: belanghebbende) van de gemeentelijke diensten geniet een redelijke en objectieve rechtvaardiging is.
Middel 5:
Schending van het recht, nu het Gerechtshof ten onrechte heeft overwogen dat er geen sprake is van een verboden discriminatie tussen niet-ingezetenen (lees: belanghebbende) en ingezetenen in de Gemeente (Epe).
Middel 6:
Schending van het recht, nu het Gerechtshof ten onrechte heeft overwogen dat er bij de forensenbelastin geen er geen sprake is van een verboden (meervoudige) heffing.
Middel 7:
Schending van het recht, nu het Gerechtshof ten onrechte heeft overwogen dat aan het feit dat een niet ingezetene (lees: belanghebbende) geen gemeentelijk kiesrecht heeft, geen relevante betekenis toekomt.
Middel 8:
Schending van het recht, nu het Gerechtshof ten onrechte heeft overwogen dat aan de wijziging van de financiering van het Gemeentefonds niet het gevolg mag worden verbonden dat de forensenbelasting had moeten worden afgeschaft, althans op een andere wijze had moeten worden vormgegeven.
Middel 9:
Schending van het recht, nu het Gerechtshof ten onrechte heeft overwogen dat bij de hoogte van de forensenbelasting geen sprake is van strijd met artikel 219, lid 2 van de Gemeente wet.
Middel 10:
Schending van het recht, nu het Gerechtshof ten onrechte heeft overwogen dat het tarief van de forenbelasting niet onredelijke hoog is.
Middel 11:
Schending van het recht, nu het Gerechtshof ten onrechte heeft overwogen dat de nu er geen sprake is van enige overtreding van een wettelijk voorschrift, de forensenbelasting niet gelijk te stellen is aan een sanctie en/of boete.
5. Toelichting op de Cassatiemiddelen
5.1.
De cassatiemiddelen 3 tot en met 11 lenen zich voor een gezamenlijke bespreking en toelichting.
5.2.
Bij brieven van 10 juni 2022 zijn door (de raadsman van) belanghebbende met het oog op de door het Gerechtshof bepaalde (gecombineerde) mondelinge behandeling op 22 juni 2022 de gronden in hoger beroep aangevuld en uitgebreid, met een verwijzing naar (de vindplaats van) voor het geschil relevante jurisprudentie.
5.3.
Uit de bestreden uitspraak van het Gerechtshof valt niet af te leiden of deze aanvulling c.q. uitbreiding van de gronden van het hoger beroep bij haar oordeelsvorming door het Gerechtshof zijn betrokken.
5.4.
Deze aanvulling en uitbreiding van de gronden van het hoger beroep, die hierna integraal wordt weergegeven, geldt tevens als toelichting op de cassatiemiddelen en wordt integraal herhaald.
Met ‘Ik’ wordt telkens belanghebbende bedoeld.
‘BEGIN CITAAT
Primair: bezwaar tegen het heffen van forensenbelasting
Ik maak bezwaar tegen de heffing van forensenbelasting. Net als alle andere justitiabelen ben ik ingezetene van een Nederlandse gemeente. In mijn geval van de gemeente Leiden. Alle inwoners van Nederlandse gemeenten voeden via de rijksbelastingen samen het Gemeentefonds. Ik ga ervan uit dat ingezetenen van Nederlandse gemeenten op gelijke wijze moeten worden behandeld. Het gelijkheidsbeginsel brengt dit met zich brengt mee, dat is logisch. Van dit beginstel afwijken is aanvaardbaar als daar een redelijke en billijke rechtvaardiging voor is. Ik stel dat die rechtvaardiging er niet is voor het heffen van extra belasting voor door u zogenoemde forensen, mensen met een vakantiewoning.
Volgens Hof Den Bosch ECLI:NL:GHSHE:2016:1999 Gerechtshof 's‑Hertogenbosch, 15/00752 strekt forensenbelasting ter compensatie van een gemis aan gemeentelijke inkomsten wegens de omstandigheid dat de uitkering die een gemeente ontvangt uit het gemeentefonds mede afhankelijk is van het aantal inwoners van die gemeente, waarbij forensen niet tot de inwoners worden gerekend (vgl. HR 9 november 2001, nr. 36 111, ECLI:NL:HR:2001:AD5329, BNB 2002/17, ov). Maar na de wijziging van de financiering uit het Gemeentefonds is er nauwelijks, en sinds 2019 helemaal geen sprake van zo'n gemis aan gemeentelijke inkomsten. Dit betekent dat er geen redelijke en billijke rechtvaardiging, dus geen grondslag-meer- is voor het heffen van forensenbelasting. Sterker, bekijk je de bedragen uit het Gemeentefonds dan blijkt dat de Gemeente Epe over de jaren 2019 en 2020 zelfs ‘verdient’ aan forensen.
Het blote feit dat forensenbelasting toegestaan is, volstaat niet. Er is enige rechtvaardiging nodig.
De ongelijke behandeling van Nederlandse ingezetenen is alleen aanvaardbaar, als daar een objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond voor is. Als het niet gaat om onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van de betrokkenen, dient het oordeel van de wetgever omtrent rechtvaardiging van ongelijke behandeling weliswaar te worden geëerbiedigd, maar dat geldt niet meer als evident is dat dit van elke redelijke grond ontbloot is. In dat geval is sprake van schending van de Gemeentewet. Er moet een redelijke grond zijn om woningeigenaren die niet-ingezetene zijn zwaarder, ja zelfs veel zwaarder te belasten dan woningeigenaren die wel-ingezetene zijn. Is er geen redelijke grond voor dit onderscheid, dan is dit niet toegestaan. Alleen het gegeven dat de wetgever het heffen van forensenbelasting mogelijk maakt, volstaat niet, althans niet zonder verdere inhoudelijke rechtvaardigheidsgrond.
Toen de wetgever de wijze van financiering uit het gemeentefonds wijzigde, zijn geen aanwijzingen gegeven over toelaatbaarheid en hoogte van het heffen van forensenbelasting. Maar het ontbreken van zulke aanwijzingen laat onverlet dat belastingheffing nooit onredelijk en willekeurig mag zijn en evident van elke redelijke grond ontbloot. Immers, ook zonder expliciete opdracht van de wetgever mag zulke redelijkheid van de Gemeente verwacht worden. Dit vloeit immers sowieso al voort uit de beginselen van het EVRM en daaraan is de Gemeente gebonden, ook als de nationale wetgever dit niet expliciet maakt.
Ook het feit dat forensenbelasting in de algemene middelen van de Gemeente vloeit en dus niet is toegekend aan een specifieke taak van de Gemeente laat onverlet dat belastingheffing niet onredelijk of willekeurig mag zijn.
Die noodzaak van redelijke rechtvaardiging voor het heffen van forensenbelasting wordt nog eens helder benadrukt door eerdere uitspraken van de rechter.
Vgl. ECLI:NL:GHSHE:2016:1999 Hof Den Bosch 15/00752:. De forensenbelasting strekt ter compensatie van een gemis aan gemeentelijke inkomsten wegens de omstandigheid dat de uitkering die een gemeente ontvangt uit het Gemeentefonds mede afhankelijk is van het aantal inwoners van die gemeente’.
Vgl. ook HR 9 nov. 2001, nr. 36111, ECLI:NL:HR:2001:AD5329, BNB 2002/17 ‘bij 3.6.: voor het gebruik maken van die bevoegdheid (tot het heffen van forensenbelasting) is een rechtvaardiging gelegen in de omstandigheid dat de bijdrage die een gemeente op grond van de Financiële verhoudingswet ontvangt uit het Gemeentefonds, mede afhankelijk is van het aantal inwoners van die gemeente’.
Feit is echter dat de financiering uit het Gemeentefonds zozeer gewijzigd is, dat daarmee rechtvaardiging voor het heffen van forensenbelasting compleet is vervallen. Een goed bestuurder zou dat moeten verdisconteren. Dit mag dan dus ook van de gemeente Epe worden gevergd. Belasting blijven heffen zonder enige rechtvaardigheidsgrond is immoreel. Belasting heffen wordt zo gedegradeerd tot ordinair graaien. Het is logisch dat het opleggen van forse extra lasten aan een willekeurige groep zonder enige onderbouwing of rechtvaardiging niet toelaatbaar is. Dit adagium vloeit voort uit zowel ons nationale rechtstelsel als uit Europees recht. Ik stel dat u als heffingsambtenaar in eerdere bezwaar- en beroepsprocedures verzuimd hebt om enige onderbouwing of rechtvaardiging te geven voor het heffen van forensenbelasting. Dit noopt mij ertoe om opnieuw bezwaar te maken.
In WCLI:NL:GHMAS:2019:528 concludeert het Hof dat het EVRM niet verbiedt om gelijke gevallen ongelijk te behandelen, maar daaraan wordt toegevoegd dat sprake is van ongeoorloofde discriminatie als een redelijke en objectieve rechtvaardiging ontbreekt. Er is sprake van ongeoorloofde discriminatie als het gemaakte onderscheid geen gerechtvaardigde doelstelling heeft of als er geen redelijke verhouding bestaat tussen de maatregel die het onderscheid maakt en het daarmee beoogde gerechtvaardigde doel. Voorts stelt het Hof dat voor het heffen van forensenbelasting sprake zou moeten zijn van een objectieve rechtvaardiging, te weten compensatie voor gemiste inkomsten uit het Gemeentefonds.
Dus herhaaldelijk is in rechte vastgesteld dat er tenminste sprake moet zijn van compensatie voor gemiste inkomsten uit het Gemeentefonds. Compensatie is schadeloosstelling (bron Dikke van Dale). Ik bestrijdt gemotiveerd en cijfermatig onderbouwd dat sprake is van zo'n tekort aan inkomsten oftewel schade, en dus van de noodzaak tot compensatie.
Volgens het Europese Hof komt aan de wetgever op fiscaal gebied in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toe bij beantwoording van de vraag of gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en zo ja, of er een objectieve en redelijke rechtvaardiging is om die gevallen dan toch in verschillende zin te regelen. Maar zulke marginale toetsing laat onverlet dat een rechtvaardiging niet volledig mag ontbreken. Of, zoals de Hoge Raad stelde: rechtvaardiging voor heffing van forensenbelasting moet gezocht worden in compensatie voor de uitkering die de gemeente voor ingezetenen ontvangt uit het gemeentefonds. Mogelijk niet nominaal het gelijke bedrag, maar toch in die mate dat er enige redelijkheid is (9 nov. 2001, nr. 36111, UN: B17844).
Taak van de rechter
De rechter mag in het algemeen de wet niet toetsen aan de Grondwet of beoordelen op haar innerlijke waarde en billijkheid. Dat is een taak van de wetgever. Maar ik wijs er op dat, bij aperte onredelijkheid en onbillijkheid bij uitvoering van die wet, er wel degelijk een taak ligt voor de rechter.
Want als je de cijfers bekijkt, zie je dat de gemeente Epe zowel voor inwoners ingeschreven in het BRP als ook voor eigenaren van vakantiewoningen-niet ingezetenen geld krijgt uit het Gemeentefonds. Het fonds keert uit op basis van diverse groepen, de zogenoemde categorieën. En één van deze categorie refereert aan het woningbezit van forensen. Hiermee leveren forensen net als ingezetenen wel degelijk een uitkering aan het Gemeentefonds op. En wel zoveel, dat voor compensatie van enig gemis dan ook geen enkele aanleiding of grondslag te vinden in de uitkeringen van het Gemeentefonds.
De gemeente Epe ontvangt, net als andere Nederlandse Gemeenten, weliswaar extra bijdragen voor inwoners naar leeftijd, voor lage inkomens, bijstandontvangers, uitkeringsontvangers, minderheden, leerlingen e.d. Maar dit zijn specifieke categorieën die gebruik maken van diensten waar forensen sowieso niet voor in aanmerking komen. En belangrijk is om mee te wegen dat ik middels de gebruikelijke gemeentelijke heffingen en belastingen zoals onroerende zaakbelasting, rioolheffing e.d. ook al op exact gelijke wijze bijdraag als ingezetenen van Epe aan de gemeentelijke inkomsten. Op basis van de financieringsgrondslag uit het Gemeentefonds komt de gemeente Epe niets te kort voor de categorie woningeigenaren-niet ingezetenen. Dit resulteert in de conclusie dat er geen enkele rechtvaardiging is om dan ‘forensen’ zoveel zwaarder te belasten dan ‘gewone’ ingezetenen. Zoals gezegd, belasting mag niet ontbloot zijn van enigerlei rechtvaardiging, en die rechtvaardiging ontbreekt volledig. De gemeente Epe wordt uit het Gemeentefonds zelfs overgecompenseerd voor forensen vanaf het jaar 2019!
Uit al het hier genoemde volgt dat de Gemeente het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden. Er is geen sprake van een deugdelijke besluitvorming. Ook het motiveringsbeginsel is geschonden. Forensenbelasting is onbegrijpelijk en volstrekt onvoldoende gemotiveerd. Daarnaast heeft de Gemeente gehandeld in strijd met het evenredigheidsbeginsel. De lasten staan in geen enkele verhouding tot het algemeen belang dat zou worden gediend. Er is sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel. Ten slotte heeft de Gemeente het verbod van détournement de pouvoir en het verbod van willekeur genegeerd.
Ik onderschrijf dat van justitiabelen verlangd mag worden dat ze bijdragen in de kosten van de overheid. Maar daar staat tegenover dat van de belastingheffer dan tenminste verlangd worden dat inzichtelijk wordt gemaakt of er een redelijke en billijke grondslag is voor het heffen van bijzondere heffingen, zoals forensenbelasting. Voor compensatie voor gemiste uitkering uit het Gemeentefonds is geen aanleiding. In eerdere procedures heeft de belastingheffer dit ook steeds onweersproken gelaten. In een eerdere procedure zocht de Rechtbank Arnhem, bij gebreke van inhoudelijk verweer zijdens de belastingheffer, dan maar zelf rechtvaardiging. Dit werd gedaan met de stelling dat de gemeente Epe ‘extra bijdragen’ ontvangt voor inwoners naar leeftijd, voor lage inkomens, bijstandontvangers, uitkeringsontvangers, minderheden, leerlingen e.d. en dat dit gecompenseerd moet worden. Dit is aperte onzin. De gemeente krijgt immers geen extra geld voor ingezetenen tussen 20 en 64 jaar die niet tot zo'n categorie behoren. Waarom zouden ‘forensen’, die ook niet tot zo'n categorie behoren en ook nog eens nooit rechten doen gelden op gemeentelijke voorzieningen, hoe oud of behoeftig ze ook worden, dan wel moeten compenseren?
Toen bleek dat dit inderdaad geen redelijke grondslag voor forensenbelasting was, werd door de rechter dan maar rechtvaardiging gezocht in de stelling dat forensen moeten bijdragen aan infrastructuur en inrichting van openbaar gebied. Ook onzin, ik draag via de gemeentelijke belastingen al evenveel bij als ingezetenen van de gemeente Epe en elke gemeente krijgt vergoedingen hiervoor op basis van oppervlakte, niet inwoners (oppervlakte land, oppervlakte bebouwde woonkern en bebouwd buitengebied e.d.). Dit is niet gerelateerd aan het aantal ingezetenen en dus voor vergelijking van bijdragen voor ingezetenen versus forensen totaal niet relevant. Het is ook onlogisch nu iedereen die de gemeente bezoekt profiteert van infrastructuur en openbaar gebied, zonder daar extra financieel aan bij te hoeven dragen.
Alles overziend resteert slechts één conclusie: voor forensenbelasting is een redelijke grondslag vereist en die grondslag ontbreekt. In de bijlage bij dit bezwaarschrift wordt dit cijfermatig onderbouwd. Het ontbreken van een rechtvaardiging hebt u als heffingsambtenaar in eerdere bezwaar- en beroepsprocedures steeds onweersproken gelaten. Mocht u vragen hebben over dit bezwaar, of over de cijfermatige onderbouwing ervan, dan licht ik dit gaarne toe. Mocht u menen dat de becijfering niet klopt, dan verneem ik dat graag. Maar zolang u dit volledig onweersproken laat, noopt u mij tot het maken van bezwaar.
Subsidiair: bezwaar tegen de hoogte van forensenbelasting
Ik maak bezwaar tegen de hoogte van forensenbelasting. Want zou er toch enige rechtvaardiging voor forensenbelasting zijn, quod non, dan is dit nog geen rechtvaardiging om forensen een veelvoud bij te laten dragen vergeleken met ingezetenen. Een onverklaarbaar hoge last is willekeurig en daarmee strijdig met het EVRM.
De meeste gemeenten hebben ingezien dat er geen grondslag is voor forensenbelasting. Gemeenten die deze belasting toch nog doorzetten, werken veelal met bescheiden vaste tarieven die heel wat redelijker zijn dan wat de Gemeente Epe eist. Forensenbelasting plus de bijdrage uit het Gemeentefonds voor forensen samen leiden er in de gemeente Epe toe dat forensen ruim 7 maal meer moeten bijdragen aan de algemene middelen van de Gemeente dan ingezetenen. Dit is zo apert onredelijk, dat dit strijdig is met het gelijkheidsbeginsel, zoals dat — onder meer — is neergelegd in artikel 26 IVBPR en in artikel 1 Twaalfde Protocol bij het EVRM. Bij zulke aperte onredelijkheid en onbillijkheid mag van de rechter gevraagd worden dat hij/zij dit toetst aan het EVRM en gepast ingrijpt.
Bijlage: cijfermatige onderbouwing
De forensenbelasting is voor compensatie voor bijdragen voor inwoners uit het gemeentefonds. Ik heb de sociale categorieën uit het gemeentefonds grondig bestudeerd en kom tot de conclusie dat de volgende categorieën voor mij van toepassing zouden zijn als ik inwoner in plaats van forens zou zijn:
- ○
Inwoners
- ○
eenpersoonshuishoudens
- ○
gemiddeld_gestandaardiseerd_inkomen_particuliere_hh
- ○
inwoners_jonger_dan_65_jaar
Ik heb becijferd wat de bijdrage, het te compenseren bedrag, per categorie is.
Naast deze gemiste inkomsten voor de gemeente, lever ik als forens een bijdrage via het gemeentefonds, namelijk via de categorie ‘ozb_waarde_van_de_niet_woningen_gedeeld_door_1000000’. Ik heb deze bijdrage van het te compenseren bedrag afgetrokken.
In onderstaande tabel is het resultaat van mijn berekeningen over de jaren 2017–2020 weergegeven:
2017 | 2018 | 2019 | 2020 | |||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
ex. uf | ind. uf | ex. uf | incl. uf | ex. uf | incl. uf | ex. uf | incl. uf | |
bedrag per inwoner (‘inwoners’) | 152,92 | 230,45 | 153,72 | 219,82 | 160,07 | 246,03 | 160,23 | 259,41 |
eenpersoonshuishoudens | 21,45 | 32,33 | 90,50 | 129,42 | 51,24 | 78,76 | 51,22 | 82,93 |
gemi ddel d^gesta nda a rdi s eerdJ nkomen_pa rti cul i ere_hh | - | - | -125,25 | -192,51 | -121,93 | -197,40 | ||
inwonersjonger dan 65Jaar | - | - | 4,03 | 6,19 | 4,06 | 6,57 | ||
ozb_waarde_van_de_niet_woningen_gedeeld_door_1000000 | -380,70 | -139,41 | -380,70 | -135,01 | -380,70 | 149,21 | -380,05 | -156,90 |
uitkeringsfactor (uf) | 1,51 | 1,43 | 1,54 | 1,62 | ||||
WOZ-waarde | 243.000 | 248.000 | 255.000 | 255.000 | ||||
WOZ-waarde in mln | 0,24 | 0,25 | 0,26 | 0,26 | ||||
Te compenseren bedrag | 123,36 | 214,22 | -10,74 | -5,40 | ||||
Forensen belasting % van WOZ waarde | 0,535% | 1.300,05 | 0,542% | 1.349,12 | 0,542% | 1.382,10 | 0,558% | 1.422,90 |
OVERCOMPENSATIE | 1.176,69 | 1.134,90 | 1.392,84 | 1.428,30 | ||||
Uitleg berekening:
Uit de documenten ‘verdeling van de algemene uitkering uit het gemeentefonds’ (zie gebruikte bronnen) is per van toepassing zijn de categorie de bijdrage overgenomen. Dit bedrag is exclusief de uitkeringsfactor (kolom: ‘ex. uf’). Dit bedrag wordt vermenigvuldigd met de uitkeringsfactor. Het resultaat staat in de kolom ‘incl. uf’.
De bijdrage ‘ozb_waarde_van_de_niet_woningen_gedeeld_door_1000000’ is negatief, omdat deze afgetrokken moet worden van het te compenseren bedrag. In de rij ‘WOZ-waarde’ staat de WOZ waarde van mijn recreatiewoning, zoals vermeld in het betreffende AANSLAGBILJET GEMEENTEBELASTINGEN. Deze waarde is gedeeld door 1 miljoen en het resultaat staat vermeld in de rij ‘WOZ-waarde in mln’.
Het bedrag ‘ozb_waarde_van_de_niet_woningen_gedeeld_door_1000000’ in de kolom ‘incl. uf’ is het bedrag ‘ozb_waarde_van_de_niet_woningen_gedeeld_door_1000000’ in de kolom ‘ex. uf’ vermenigvuldigd met de ‘WOZ-waarde in mln’ en de ‘uitkeringsfactor (uf)’.
Conclusie:
Uit de tabel valt te lezen dat er in 2017 en 2018 een gering bedrag viel te compenseren, echter veel minder dan de gemeente Epe in rekening brengt.
In 2019 en 2020 is het compensatiebedrag zelfs negatief, m.a.w. de gemeente Epe verkrijgt meer uit het gemeentefonds op mij als forens dan op een inwoner. Niet de gemeente moet gecompenseerd worden, maar ik als forens.’
Gebruikte bronnen:
AANSLAGBILJET GEMEENTEBELASTINGEN 2018
AANSLAGBILJET GEMEENTEBELASTINGEN 2019
AANSLAGBILJET GEMEENTEBELASTINGEN 2020
AANSLAGBILJET GEMEENTEBELASTINGEN 2021
EINDE CITAAT’
5.6.
Meer in het bijzonder geldt dat de rechtvaardiging voor (het heffen van) een forensenbelasting gevonden wordt in enigerlei compensatie voor gemiste inkomsten uit het Gemeentefonds. Dat volgt specifiek uit rechtsoverweging 3.6 van de uitspraak van de Hoge Raad van 9 november 2001 (ECLI;NL:HR:2001:AD5229) en in de lijn daarvan ook de uitspraak van het Gerechtshof Den Bosch van 20 mei 2016 (ECLI:NL:GHSHE:2016:1999). Nu er de facto in 2018 en 2019 geen sprake meer is van enig gemis aan gemeentelijke inkomsten vanwege de wijziging van de financiering uit het Gemeentefonds, is 's Hofs overweging, zoals weergegeven in rechtsoverweging 4.4. van de bestreden uitspraak, dan ook onbegrijpelijk.
5.6.
Uw Raad wordt verzocht, voor zoveel nodig de feiten en de rechtsgronden van dit beroep in cassatie aan te vullen.
6. Conclusie
6.1.
Op gronde van het voren overwogene moge belanghebbende Uw Raad in overweging geven, de uitspraak van het Gerechtshof, waarvan beroep in cassatie, te vernietigen en de zaak terug te verwijzen, althans af te doen op de wijze die Uw Raad in goede justitie juist acht.
6.2.
Tevens verzoekt belanghebbende Uw Raad de Gemeente Epe te veroordelen in de kosten van het geding in alle instanties.
Met de meeste hoogachting,
Uitspraak 27‑09‑2024
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/03916
Datum 27 september 2024
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
het BESTUUR VAN TRIBUUT BELASTINGCENTRUM
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 september 2022, nrs. BK-ARN 21/00075 en BK-ARN 21/006041., op het hoger beroep van belanghebbende tegen uitspraken van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 20/33 en AWB 20/3186) betreffende aan belanghebbende voor de jaren 2018 en 2019 opgelegde aanslagen in de forensenbelasting.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door H.A.J. Kalsbeek, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het bestuur van Tribuut belastingcentrum, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2018 en 2019 aanslagen in de forensenbelasting opgelegd. De aanslag voor het jaar 2018 bedraagt € 1.349,12, zijnde 0,544 procent van de WOZ-waarde van de woning. De aanslag voor het jaar 2019 bedraagt € 1.382,10, zijnde 0,542 procent van de WOZ-waarde van de woning.
2.2
Het Hof heeft het standpunt van belanghebbende verworpen dat de hoogte van de forensenbelasting volgens de Verordening forensenbelasting 2018 en de Verordening forensenbelasting 2019 van de gemeente Epe afhankelijk is van de WOZ-waarde van de woning en dus van het vermogen en dat dit in strijd is met artikel 219, lid 2, van de Gemeentewet.
3. Beoordeling van de middelen
3.1
Het negende middel, dat zich keert tegen het hiervoor in 2.2 weergegeven oordeel van het Hof, faalt op de gronden die zijn vermeld in het op 13 september 2024 uitgesproken arrest van de Hoge Raad met nummer 23/00801, ECLI:NL:HR:2024:1178, rechtsoverweging 4.3.
3.2
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 27‑09‑2024