Gerechtshof Amsterdam 13 februari 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:363.
HR, 12-07-2024, nr. 24/00578
ECLI:NL:HR:2024:1072
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12-07-2024
- Zaaknummer
24/00578
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1072, Uitspraak, Hoge Raad, 12‑07‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2024:363
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:365
Verwijzing naar: ECLI:NL:GHDHA:2024:2296
ECLI:NL:PHR:2024:365, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 03‑04‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1072
Beroepschrift, Hoge Raad, 20‑02‑2024
- Vindplaatsen
INS-Updates.nl 2024-0179
Sdu Nieuws Insolventierecht 2024/139
NJ 2025/243 met annotatie van F.M.J. Verstijlen
Uitspraak 12‑07‑2024
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/00578
Datum 12 juli 2024
ARREST
In de zaak van
[de schuldenares],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: de schuldenares,
advocaat: T.E. Booms.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/15/20/145 R van de rechtbank Noord-Holland van 28 december 2023;
b. het arrest in de zaak 200.336.308/01 van het gerechtshof Amsterdam van 13 februari 2024.
De schuldenares heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 13 februari 2024 en tot afdoening als voorgesteld in de conclusie onder 4.12.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
Bij vonnis van 13 oktober 2020 is ten aanzien van de schuldenares de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken. Op grond van het op deze zaak toepasselijke recht is de wettelijke termijn van deze schuldsaneringsregeling drie jaar.
2.2
De rechtbank heeft na afloop van deze termijn de schuldenares geen schone lei verleend, op de grond dat de schuldenares toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van een aantal verplichtingen die voortvloeien uit de schuldsaneringsregeling.
2.3
Het hof1.heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en de looptijd van de schuldsaneringsregeling met 24 maanden (tot 13 oktober 2025) verlengd. Het hof heeft bepaald dat de schuldenares gedurende de verlenging in het kader van de afdrachtverplichting slechts het bewindvoerderssalaris is verschuldigd tot het moment dat de boedelachterstand is ingelopen, waarna de afdrachtverplichting in volle omvang herleeft tot het einde van de termijn is bereikt. Daartoe heeft het hof onder meer het volgende overwogen.
De schuldenares erkent dat de boedelachterstand € 20.271,44 bedraagt. (rov. 2.1)
De schuldenares is tekortgeschoten door de informatieverplichting niet na te komen en een boedelachterstand en nieuwe schulden te laten ontstaan. (rov. 2.4)
Deze tekortkomingen leiden in beginsel ertoe dat de schuldsaneringsregeling wordt beëindigd zonder dat de schone lei wordt verleend. Er is in dit geval aanleiding de looptijd van de schuldsaneringsregeling te verlengen, met dien verstande dat de regeling wordt verlengd met de maximale termijn van 24 maanden en dat de schuldenares enkel wordt vrijgesteld van de reguliere afdrachtverplichting gedurende de termijn waarin de boedelachterstand wordt ingelopen. Nadat de boedelachterstand is ingelopen, herleeft de reguliere afdrachtverplichting voor de resterende verlengde termijn van de schuldsaneringsregeling. (rov. 2.5)
De volgende omstandigheden zijn daarbij in het bijzonder meegewogen. De schuldenares heeft erkend kwalijk te hebben gehandeld en heeft zich gemotiveerd getoond om de schuldsaneringsregeling alsnog tot een goed einde te brengen. De bewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat het plan van de advocaat van de schuldenares haalbaar is en tot een oplossing van de boedelachterstand kan leiden. Ook heeft de bewindvoerder erkend dat een verhoor ten overstaan van de rechter-commissaris in een eerder stadium van de schuldsaneringsregeling wellicht tot een beter resultaat van de regeling had kunnen leiden. Verder heeft de schuldenares een stabiel inkomen en heeft zij de nieuwe schulden al afbetaald. Ten slotte weegt mee dat de schuldeisers een groot belang hebben bij het inlopen van de boedelachterstand. De totale schuldenlast van de schuldenares bedraagt € 137.967,89 en de schuldenares heeft thans een bedrag van € 20.091,57 gespaard voor de schuldeisers, hetgeen 14,56% van de totale schuldenlast behelst. Door het voortzetten van de schuldsaneringsregeling zal de boedel na de verlenging met 24 maanden ten minste € 40.363,01 bevatten en daarmee op bijna 30% van de totale schuldenlast komen. Bovendien zal de schuldenares naar verwachting in staat zijn (nog) meer baten voor de boedel te verwerven gedurende de verlenging van de schuldsaneringsregeling, aangezien zij de boedelachterstand bij stipte maandelijkse afdracht van de volledige afloscapaciteit in minder dan 24 maanden kan inlopen en de reguliere afdrachtverplichting voor de resterende termijn herleeft. Ter zitting in hoger beroep is voorts gebleken dat de bewindvoerder niet was ingelicht over het toegenomen inkomen van de meerderjarige, inwonende zoon van de schuldenares. Het hof verwacht dat de schuldenares alsnog alle benodigde informatie over het inkomen van haar zoon aan de bewindvoerder verstrekt, zodat eventueel een nieuwe berekening van het vrij te laten bedrag kan worden gemaakt. (rov. 2.6)
Bij een verlenging van de schuldsaneringsregeling blijven normaliter alle verplichtingen, waaronder de reguliere afdrachtverplichting, onverkort van toepassing. In de hiervoor weergegeven omstandigheden wordt aanleiding gezien de schuldenares tijdelijk vrij te stellen van de reguliere maandelijkse afdrachtverplichting gedurende de verlenging totdat de boedelachterstand is ingelopen, behoudens salaris bewindvoerder dat te allen tijde
verschuldigd blijft, teneinde haar in staat te stellen het hiervoor beschreven resultaat voor de boedel te bewerkstelligen en gedurende de resterende periode van de schuldsaneringsregeling zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De schuldenares zal gedurende de verlenging van de schuldsaneringsregeling al het inkomen boven het door de bewindvoerder (opnieuw) berekende vrij te laten bedrag maandelijks stipt op de boedelrekening moeten overmaken (ook als dit bedrag hoger is dan het maandelijkse bedrag van € 1.184,09 waarvan het plan van aanpak uitgaat). Deze maandelijkse afdracht (minus het salaris van de bewindvoerder) strekt tot het inlopen van de boedelachterstand. Zodra de boedelachterstand is ingelopen, herleeft de afdrachtverplichting, die zal voortduren tot het einde van de verlengde schuldsaneringstermijn, zodat gedurende de verlenging een extra bedrag voor de schuldeisers wordt gespaard, hetgeen een compensatie is voor de omstandigheid dat de schuldenares zich in de reguliere looptijd van de schuldsanering niet aan alle verplichtingen heeft gehouden. (rov. 2.7)
Tijdens het verdere verloop van de schuldsaneringsregeling blijven alle verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling onverkort van toepassing, voor zover hiervoor niet anders is vermeld, en moet de schuldenares zich aan al haar verplichtingen houden die uit de schuldsaneringsregeling voortvloeien. Na afloop van de verlengde termijn zal bekeken moeten worden of de schuldenares daadwerkelijk alle verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling naar behoren is nagekomen en of aan haar de schone lei kan worden verleend. (rov. 2.8)
3. Beoordeling van het middel
3.1
Onderdeel 1 van het middel klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 2.5-2.7 dat de verlenging van de schuldsaneringsregeling voor de schuldenares voortduurt ook na het inlopen van de boedelachterstand en dat zij na het inlopen van de boedelachterstand aan de reguliere afdrachtverplichting moet voldoen, berust op een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft, met het stellen van deze voorwaarden, ten onrechte een verdergaande verplichting aan de schuldenares opgelegd dan nodig is voor het herstellen van de aanvankelijke tekortkomingen in de nakoming van de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling. De beslissing tot verlenging van de schuldsaneringsregeling behoort in ieder geval proportioneel te zijn aan het doel van de verlenging, aldus het onderdeel.
Onderdeel 2 klaagt dat als het hof het voorgaande niet heeft miskend, zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd.
3.2.1
In deze zaak is de wettelijke termijn van de schuldsaneringsregeling in beginsel drie jaar (art. 349a lid 1 (oud) Fw). In zaken waarin op een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt beslist op of na 1 juli 2023, bedraagt de wettelijke termijn anderhalf jaar (art. 349a lid 1 Fw).2.Art. 349a lid 3 Fw voorziet in de mogelijkheid dat de rechter na afloop van die termijn de schuldsaneringstermijn verlengt tot ten hoogste vijf jaar.
3.2.2
Met deze mogelijkheid van verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling is met name beoogd een voorziening te treffen voor gevallen waarin na ommekomst van de reguliere termijn geen schone lei kan worden verleend, maar de verwachting gerechtvaardigd is dat dit na een (korte) verlenging van die termijn wel mogelijk zal zijn. In die gevallen is verlenging van de schuldsaneringstermijn een alternatief voor de beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder verlening van de schone lei.3.De verlenging kan dan ertoe dienen de schuldenaar in de gelegenheid te stellen tekortkomingen in de nakoming van zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling te herstellen.4.De schuldenaar wordt door de verlenging in de gelegenheid gesteld om alsnog gedurende een zekere periode goed gedrag te tonen om ervan blijk te geven dat een schone lei gerechtvaardigd is.5.
De rechter die de termijn van de schuldsaneringsregeling verlengt, kan maatwerk toepassen en beoordelen welke reactie op een tekortkoming van de schuldenaar in de specifieke omstandigheden van het geval het meest passend is.6.Het verdient daarom aanbeveling dat de rechter die de termijn van de schuldsaneringsregeling verlengt, zich in zijn beslissing niet ertoe beperkt de duur van die verlenging te bepalen, maar ook preciseert welke in het algemeen uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen gedurende de termijn van de verlenging voor de desbetreffende schuldenaar gelden.7.
Het is aan de rechter om bij het verlengen van de termijn van de schuldsaneringsregeling een evenwicht te bewaren tussen de belangen van de schuldenaar en het belang van de schuldeisers bij voldoening van (een deel van) hun vordering.8.Aannemelijk moet zijn dat de verlenging een voldoende vorm van compensatie biedt voor het eerdere tekortschieten van de schuldenaar in de nakoming van zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling.9.Het belang van de schuldeisers kan echter geen zelfstandige grond zijn voor verlenging van de schuldsaneringsregeling aan het einde van de looptijd daarvan.10.
3.2.3
Uit hetgeen hiervoor in 3.2.2 is overwogen volgt dat onderdeel 1 faalt voor zover het berust op de rechtsopvatting dat de periode van verlenging en de gedurende die periode geldende verplichtingen van de schuldenaar, niet verder mogen gaan dan nodig is voor het ongedaan maken van de toerekenbare tekortkoming van de schuldenaar die is vastgesteld bij het einde van de reguliere termijn. Die rechtsopvatting is ook niet goed hanteerbaar in gevallen waarin de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de inlichtingenplicht, zoals in dit geval, of in de sollicitatieverplichting.11.In gevallen waarin de schuldenaar (mede) is tekortgeschoten in de nakoming van de afdrachtverplichting, zoals in dit geval, kan de rechter bij het bepalen van de duur van de verlenging en de gedurende die periode geldende verplichtingen van de schuldenaar, ermee rekening houden dat de schuldeisers, als gevolg van het toerekenbaar tekortschieten van de schuldenaar, langer moeten wachten op voldoening van (een deel van) hun vordering, terwijl zij geen aanspraak kunnen maken op rente gedurende de (verlengde) looptijd van de schuldsanering (art. 303 lid 3 Fw).
3.2.4
Het hof heeft geoordeeld dat de looptijd van de schuldsaneringsregeling met 24 maanden wordt verlengd. Het hof heeft met die termijn aansluiting gezocht bij het aflossingsplan van de schuldenares. Dat plan houdt kort gezegd in dat de boedelachterstand wordt afgelost door afdracht van € 1.184,09 per maand (de in het plan genoemde aflossingscapaciteit), dat de boedelachterstand dan na twintig maanden is ingelopen en dat gedurende de dan resterende vier maanden in totaal € 4.736,36 extra wordt gespaard voor de schuldeisers. Het hof is in zoverre van dit plan afgeweken dat het heeft bepaald dat gedurende de gehele termijn van de verlenging al het inkomen boven het door de bewindvoerder te berekenen vrij te laten bedrag moet worden afgedragen, ook als de afdracht hoger is dan de door de schuldenares in haar plan genoemde aflossing van € 1.184,09 per maand.
In het hiervoor in 2.2 genoemde vonnis heeft de rechtbank overwogen dat de reguliere afdrachtverplichting – het inkomen boven het vrij te laten bedrag – ongeveer € 2.000,-- per maand bedraagt en het hof heeft in rov. 2.6 overwogen dat de rechter-commissaris het vrij te laten bedrag opnieuw kan vaststellen, onder meer aan de hand van door de schuldenares nog te verstrekken gegevens over het inkomen van haar zoon.
Uit de beslissing van het hof kan daarom voortvloeien dat de schuldenares gedurende de gehele verlengingsperiode van 24 maanden een aanzienlijk hoger bedrag dan het door haar genoemde bedrag van € 1.184,09 per maand moet afdragen. Als het inkomen boven het vrij te laten bedrag daadwerkelijk € 2.000,-- beloopt, zal de boedelachterstand mogelijk al binnen een jaar zijn ingelopen en zal vervolgens, gedurende de resterende looptijd van de verlenging, meer dan € 24.000,-- extra worden gespaard voor de schuldeisers.
Het hof heeft niet kenbaar in zijn overwegingen betrokken hoe in het hierboven geschetste scenario een evenwicht wordt bewaard tussen de belangen van de schuldenares en het belang van de schuldeisers, terwijl zonder nadere motivering niet van een dergelijk evenwicht blijkt. Het hof heeft daarmee ofwel blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, ofwel zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd. In de onderdelen 1 en 2 liggen daarop gerichte klachten besloten en die slagen dus.
3.2.5
Na cassatie en verwijzing zal, aan de hand van de dan beschikbare gegevens, moeten worden beoordeeld hoe een evenwicht kan worden bewaard tussen de belangen van de schuldenares en het belang van de schuldeisers.
4. Beslissing
De Hoge Raad
- vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 13 februari 2024;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.E. du Perron, als voorzitter, C.H. Sieburgh, F.R. Salomons, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 12 juli 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 12‑07‑2024
Art. II van de Wet van 10 februari 2023 tot wijziging van de Faillissementswet ter verbetering van de doorstroom van de gemeentelijke schuldhulpverlening naar de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, Stb 2023, 87, in verbinding met het Besluit van 17 mei 2023 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, Stb 2023, 175.
Vgl. Kamerstukken II 2005/06, 29 942, nr. 8, p. 4 en Kamerstukken II 2021/22, 36040, nr. 3, p. 76 en 77.
HR 9 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:316, rov. 3.3.2 en HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2935, rov. 3.4.3.
Vgl. Kamerstukken I 2006/07, 29 942, C, p. 11.
HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2935, rov. 3.4.4.
Vgl. Kamerstukken II 2021/22, 36 040, nr. 3, p. 78.
Vgl. Kamerstukken II 2021/22, 36 040, nr. 3, p. 78.
HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1203, rov. 3.4.4.
Vgl. HR 19 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2048, rov. 3.5.3.
Conclusie 03‑04‑2024
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00578
Zitting 3 april 2024
CONCLUSIE
R.H. de Bock
In de zaak
[de schuldenares] (hierna: de schuldenares)
advocaat: mr. T.E. Booms
1. Inleiding en samenvatting
Deze Wsnp-zaak gaat over de vraag of het hof de schuldenares aan het einde van de looptijd van drie jaar een maximale verlenging van 24 maanden mocht opleggen in verband met een opgelopen boedelachterstand, en daarbij te bepalen dat de afdrachtverplichting herleeft zodra de boedelachterstand is ingelopen.
M.i. luidt het antwoord op deze vraag ontkennend. Het verlengen van de schuldsaneringsregeling in plaats van een beëindiging zonder schone lei, strekt ertoe de schuldenaar in staat te stellen om alsnog aan te tonen dat hij een schone lei verdient. In de verlenging van de schuldsaneringsregeling staat het herstel van de geconstateerde gebreken dus centraal. De beslissing van het hof om de looptijd van de schuldsaneringsregeling te verlengen tot het maximum van 24 maanden met herleving van de reguliere afdrachtverplichting ná het inlopen van de boedelachterstand, verdraagt zich niet met de voorgaande uitgangspunten en getuigt daarmee van een onjuiste rechtsopvatting. Tegen deze achtergrond slaagt het cassatiemiddel.
M.i. kan de Hoge Raad de zaak zelf afdoen.
2. Feiten en procesverloop
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.1.
2.1
De schuldenares is op 13 oktober 2020 toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Ten tijde van de toelating van de schuldenares tot de Wsnp, bedroeg de reguliere termijn van de schuldsaneringsregeling nog drie jaar.
2.2
In het door de Wsnp-bewindvoerder opgestelde vervolgverslag van 18 mei 2023 is te lezen dat de schuldenares in de achterliggende periode niet naar behoren heeft afgedragen aan de boedel.
2.3
Op 24 mei 2023 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen de schuldenares en de bewindvoerder over de achterstand in de boedelafdracht.
2.4
In het eindverslag van 25 augustus 2023 is opgenomen dat de schuldenares niet aan haar informatieplicht heeft voldaan en dat ook niet naar behoren aan de afdrachtplicht is voldaan. Voorts is te lezen:
“Met schuldenares heeft eind mei 2023 een bespreking plaatsgevonden, waar de verplichtingen en de achterstand is besproken. Schuldenares heeft vervolgens desondanks opnieuw niet haar verplichtingen voldaan. Zij liet tijdens de bespreking weten de achterstand mogelijk tijdens een verlenging te willen inlopen. Nu er nadien nog altijd niet wordt afgedragen en aan de informatieplicht niet wordt voldaan, heeft de bewindvoerder daarin weinig vertrouwen. Schuldenares wordt nog eenmaal opgeroepen voor een bespreking om de mogelijkheden door te nemen. Blijkt de bewindvoerder dat de slagingskans van een verlenging te klein is, dan zal hij de Wsnp voordragen voor opheffing zonder schone lei.”
2.5
Op 19 december 2023 heeft de eindzitting plaatsgevonden.
2.6
Bij vonnis van 28 december 2023 heeft de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van de schuldenares beëindigd zonder toekenning van de schone lei. Daarvoor was volgens de rechtbank het volgende redengevend:2.
- Schuldenares heeft zich niet gehouden aan de informatieplicht. Schuldenares moet maandelijks de voor de schuldsaneringsregeling van belang zijnde informatie inleveren. Dit heeft zij niet gedaan.
- Schuldenares heeft een boedelachterstand laten ontstaan. Schuldenares moet maandelijks alle inkomsten boven het vrij te laten bedrag naar de boedelrekening overmaken. Dit heeft zij niet gedaan. De boedelachterstand bedraagt per 5 december 2023 € 21.897,62. Schuldenares kan dit bedrag niet meer binnen de looptijd van de Wsnp inlopen.
- Schuldenares heeft nieuwe schulden laten ontstaan. Tijdens de Wsnp mag schuldenares geen nieuwe schulden maken.
2.7
De schuldenares erkent de verwijten, maar voert aan dat er bijzondere omstandigheden waren waardoor zij wel een schone lei moet krijgen. Het vonnis van de rechtbank vermeldt hierover het volgende:3.
“Schuldenares heeft toegelicht dat zij heel hard heeft gewerkt en geen vrije tijd heeft gehad. Zij stelt dat zij zich daardoor niet ertoe heeft kunnen zetten om haar afdrachtverplichting maandelijks aan de boedel over te maken. De nieuwe schuld aan de energieleverancier is volgens schuldenares ontstaan doordat zij een verkeerd bedrag heeft ingevuld voor de automatische incasso en zij er niet aan is toegekomen om dat recht te zetten.”
2.8
De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om alsnog een schone lei toe te kennen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding tot verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling. Daartoe overweegt de rechtbank dat de schuldenares niet in staat zal zijn de boedelachterstand van bijna € 22.000,- in twee jaar tijd in te lopen, en daarnaast te voldoen aan de reguliere afdrachtplicht van bijna € 2.000,- per maand.
2.9
De schuldenares is op 5 januari 2024 bij het hof Amsterdam in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank. Zij heeft het hof verzocht om het vonnis te vernietigen en de looptijd van de schuldsaneringsregeling te verlengen, om haar de mogelijkheid te geven de boedelachterstand overeenkomstig een plan van aanpak in te lopen.
2.10
De schuldenares heeft in dit verband aangevoerd dat zij arbeidsongeschikt was toen zij op 13 oktober 2020 werd toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Omdat zij volgens de bewindvoerder een te dure huurwoning bewoonde, moest zij op zoek naar een goedkopere woning. Deze verhuisplicht was echter niet realistisch, nu zij niet duurzaam arbeidsongeschikt was en op termijn weer een hoger salaris zou gaan verdienen. Vanwege haar (te hoge) inkomen kwam de schuldenares ook niet in aanmerking voor een sociale huurwoning. Om een gedwongen verhuizing te voorkomen is de schuldenares weer gaan werken terwijl zij eigenlijk nog arbeidsongeschikt was. De werkdruk was hoog en de schuldenares heeft in de afgelopen twee jaar nauwelijks verlof kunnen opnemen. Daarbij komt dat zij ook lange periodes in het buitenland heeft gezeten voor haar werk. Bij thuiskomst had zij dan niet de energie om volledig aan de informatieverplichting te voldoen.4.
2.11
Verder heeft de schuldenares aangevoerd dat de bewindvoerder haar erop heeft gewezen dat zij haar verplichtingen niet nakwam, maar dat zij nimmer is opgeroepen voor verhoor ten overstaan van de rechter-commissaris. Er is ook nooit een beëindigingszitting gepland, terwijl dat voor de schuldenares een wake-up call zou zijn geweest. Ook is de schuldenares niet gewezen op de mogelijkheid om hulp in te schakelen, bijvoorbeeld van het nazorgteam van de gemeentelijke schuldhulpverlening.5.Inmiddels heeft zij wel verlof kunnen opnemen en heeft haar werkgever twee nieuwe werknemers aangenomen die de werkdruk moeten verlichten. De schuldenares is ervan overtuigd dat zij door deze omstandigheden meer ruimte heeft om haar administratie op orde te krijgen en haar betalingsverplichtingen stipt na te komen.6.
2.12
Op 6 februari 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden.
2.13
Ter zitting heeft de schuldenares erkend dat zij gedurende de schuldsaneringsregeling nieuwe schulden heeft laten ontstaan, maar heeft zij ook toegelicht dat zij deze schulden inmiddels volledig heeft afbetaald. De schuldenares erkent verder dat sprake is van een boedelachterstand van € 20.271,44.7.De schuldenares heeft een plan van aanpak overgelegd dat mr. Huizenga ter zitting heeft toegelicht. Dit plan komt erop neer dat de schuldenares maandelijks € 1.184,09 kan voldoen om de boedelachterstand in te lopen, met dien verstande dat de reguliere boedelafdracht, behoudens salaris bewindvoerder, gedurende de verlenging komt te vervallen.
2.14
Bij arrest van 13 februari 2024 heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en de looptijd van de schuldsaneringsregeling verlengd met 24 maanden (rov. 2.5). Gezien de omstandigheden van het geval (genoemd in rov. 2.6), ziet het hof aanleiding om de schuldenares vrij te stellen van de reguliere maandelijkse afdrachtverplichting gedurende de verlenging, totdat de boedelachterstand is ingelopen, een en ander behoudens het salaris van de bewindvoerder dat te allen tijde verschuldigd blijft. Zodra de boedelachterstand is ingelopen herleeft de afdrachtverplichting, die zal voortduren tot het einde van de verlengde schuldsaneringstermijn, zodat gedurende de verlenging een extra bedrag voor de schuldeisers wordt gespaard, hetgeen een compensatie is voor de omstandigheid dat de schuldenares zich in de reguliere looptijd van de schuldsanering niet aan alle verplichtingen heeft gehouden, zo overweegt het hof (rov. 2.7).
2.15
De schuldenares heeft tijdig8.cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. De bewindvoerder is niet verschenen.
3. Juridisch kader
3.1
Het cassatiemiddel komt met een rechtsklacht en een motiveringsklacht op tegen het oordeel van het hof in rov. 2.5-2.7, dat de verlenging van de schuldsaneringsregeling voor de schuldenares ook voortduurt na het inlopen van de boedelachterstand, en dat zij gedurende die periode gehouden is om aan de reguliere afdrachtverplichting te voldoen. Kort gezegd wordt geklaagd dat deze benadering niet strookt met de ratio van de mogelijkheid tot verlenging van de schuldsaneringsregeling als alternatief voor het onthouden van een schone lei (art. 349a lid 2 jo. lid 3 Fw). Volgens het middel is de verlenging bedoeld om de schuldenaar in de gelegenheid te stellen om alsnog aan te tonen dat hij een schone lei verdient. Daarmee bepleit het middel dat de verplichtingen die gedurende de verlenging gelden, moeten zijn gericht op het herstel van de gebreken die aan het verlenen van een schone lei in de weg staan.
3.2
De schuldsaneringsregeling bedroeg ten tijde van de toelating van de schuldenares tot de Wsnp in beginsel drie jaar.9.Uiterlijk drie maanden voordat de driejaarstermijn afloopt, brengt de bewindvoerder een verslag uit aan de rechter-commissaris waarin hij beschrijft of en hoe de schuldenaar zich gedurende de schuldsaneringsregeling aan al zijn verplichtingen heeft gehouden (art. 351a Fw). Vervolgens bepaalt de rechtbank uiterlijk een maand voor het einde van de driejaarstermijn de zitting waarop de beëindiging van de schuldsaneringsregeling en de vraag of de schuldenaar volledige kwijtschelding van zijn schuld behoort te krijgen, wordt behandeld (de beëindigingszitting, art. 352 lid 1 Fw).
3.3
In het kader van de beslissing of de schuldenaar in aanmerking komt voor volledige kwijtschelding van zijn schuld (de schone lei), toetst de rechter of de schuldenaar de schuldsaneringsregeling naar behoren is nagekomen (art. 354 lid 1 Fw). Als uit het verslag van de bewindvoerder blijkt dat twijfel bestaat of de schuldenaar de schuldsaneringsregeling naar behoren is nagekomen, worden de schuldenaar en de bewindvoerder door de rechtbank opgeroepen om tijdens de beëindigingszitting te worden gehoord. De rechtbank beslist in haar uitspraak volgend op de beëindigingszitting of de schuldenaar in de nakoming van één of meer uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen tekortgeschoten is en, als daarvan sprake is, of dit aan de schuldenaar kan worden toegerekend (art. 354 lid 1 Fw). Als sprake is van een tekortkoming van “bijzondere aard of geringe betekenis” kan de rechtbank besluiten om deze buiten beschouwing te laten en de schuldenaar toch kwijtschelding van zijn schulden te verlenen (art. 354 lid 2 Fw).
3.4
Als sprake is van een tekortkoming in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen kan de rechter ook besluiten, zo volgt uit art. 349a Fw, om de looptijd van de schuldsaneringsregeling te verlengen. Een dergelijke beslissing kan ook worden genomen als sprake is van een (voorstel tot) tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling. Terzijde zij opgemerkt dat verlenging ook kan plaatsvinden bij aanvang van de schuldsanering (art. 349a lid 1 Fw), maar dit lijkt in de praktijk weinig voor te komen.10.
Toepasselijke wetsbepalingen
3.5
Art. 349a lid 2 Fw is twee maal gewijzigd sinds de schuldenares in deze zaak tot de Wsnp is toegelaten; per 1 januari 2023 en per 1 juli 2023. De wijziging van 1 januari 2023 betrof een implementatie van de EU-Richtlijn herstructurering en insolventie, die vereist dat in nationale wetgeving wordt opgenomen onder welke omstandigheden verlenging van de kwijtscheldingstermijn mogelijk is.11.In art. 349a lid 2 Fw is daarom opgenomen dat de rechter-commissaris de termijn kan verlengen “als de schuldenaar niet aan al zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen kan voldoen, of als de schuldenaar toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen.”12.Deze wijziging is van toepassing op schuldsaneringsregelingen die na het tijdstip van inwerkingtreding van de wet zijn gestart; op lopende procedures bleef de oude regeling van toepassing.13.Hierna, onder 3.18 e.v., zal nog nader worden ingegaan op deze wijziging van art. 349a lid 2 Fw.
3.6
Verder is per 1 juli 2023 aan art. 349a lid 2 Fw toegevoegd dat verlenging ook mogelijk is “als zich andere omstandigheden voordoen, die bij algemene maatregel van bestuur kunnen worden bepaald.” Deze wijziging had onmiddellijke werking en was van toepassing op toelatingsverzoeken die voor de inwerkingtreding van de wet waren ingediend en waarop nog niet was beslist.14.Hieruit volgt dat deze wijziging geen onmiddellijke werking heeft in alle Wsnp-zaken. Nu de schuldenares in de onderhavige zaak vóór 1 januari 2023 tot de Wsnp is toegelaten, moet deze zaak worden beoordeeld aan de hand van de bepaling zoals deze tot die datum luidde, namelijk:15.
Art. 349a lid 2 Fw
De rechter-commissaris kan bij schriftelijke beschikking de termijn ambtshalve, dan wel op verzoek van de bewindvoerder, de schuldenaar, of een of meer schuldeisers wijzigen. De termijn bedraagt ten hoogste vijf jaar. De bewindvoerder geeft van de gewijzigde termijn onverwijld kennis aan de schuldeisers. De rechter-commissaris dient de schuldenaar in de gelegenheid [te] stellen te worden gehoord, alvorens te beslissen de termijn te verlengen.
Verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling
3.7
De mogelijkheid van verlenging van de schuldsaneringsregeling als bedoeld in art. 349a lid 2 en lid 3 Fw is sinds 1 januari 2008 opgenomen in de wet, in verband met de herziening van de Wsnp. Deze herziening strekte ertoe de schuldsaneringsregeling te vereenvoudigen en de toegang tot de schuldsaneringsregeling beter te beheersen. Beoogd werd om de regeling te beperken tot schuldenaren die “er klaar voor zijn”, en om een verlichting van de werklast te bewerkstelligen voor de rechterlijke macht en bewindvoerders.16.
3.8
De invoering van art. 349a Fw was nodig omdat per 1 januari 2008 het saneringsplan kwam te vervallen, waarin voorheen onder meer de duur van de schuldsaneringsregeling was bepaald. Sinds 1 januari 2008 bepaalt art. 349a lid 1 Fw de duur van de schuldsaneringsregeling en is in lid 2 een regeling opgenomen voor de wijziging van die duur.17.In aansluiting hierop bepaalt art. 349a lid 3 Fw, kort gezegd, dat de verlenging bedoeld in het tweede lid ook kan plaatsvinden in het kader van een (tussentijdse) beëindiging van de schuldsaneringsregeling.
3.9
De mogelijkheid tot verlenging van de schuldsaneringsregeling is in het wetgevingsproces aan de orde gekomen in het kader van een vraag over de sollicitatieplicht die uit art. 288 lid 1 sub c Fw voortvloeit. In dat kader is gevraagd of de rechtbank in beginsel een schuldsaneringsregeling dient te beëindigen indien de betreffende schuldenaar tijdens de looptijd van die regeling niet aan de sollicitatieplicht voldoet. In antwoord hierop is in de memorie van antwoord vermeld:18.
“Indien de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, een tussentijds einde en het onthouden van een schone lei een te zware sanctie acht, kan hij ook besluiten tot een verlenging van de duur van de schuldsaneringsregeling teneinde de schuldenaar alsnog in staat te stellen de sollicitatieplicht na te komen. Hierdoor wordt de schuldenaar in de gelegenheid gesteld om alsnog gedurende een zekere periode goed gedrag te tonen om blijk te geven dat een schone lei gerechtvaardigd is (HR 19 januari 2007, NJ 2007, 61).”
3.10
Het verlengen van de schuldsaneringsregeling in plaats van een tussentijdse beëindiging of een beëindiging zonder schone lei, strekt er dus toe de schuldenaar in staat te stellen om alsnog aan te tonen dat hij een schone lei verdient. Daarin ligt besloten dat in de verlenging van de schuldsaneringsregeling het herstel van de geconstateerde gebreken centraal staat.
3.11
De focus op het herstel-aspect komt ook tot uitdrukking in de rechtspraak van de Hoge Raad over art. 349a lid 2 Fw. Zo overwoog de Hoge Raad in een prejudiciële procedure uit 2014 (mijn onderstreping):19.
“Uit de wetsgeschiedenis, aangehaald in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.3-3.5, volgt dat de wetgever met de in art. 349a lid 2 en 3 Fw voorziene mogelijkheid van verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling met name heeft beoogd een voorziening te treffen voor gevallen waarin na ommekomst van de reguliere termijn nog geen schone lei kan worden verleend, maar de verwachting is gerechtvaardigd dat dit na een (korte) verlenging van die termijn wel mogelijk zal zijn. In dergelijke gevallen kan verlenging van de termijn ertoe dienen om de schuldenaar in de gelegenheid te stellen aanvankelijke tekortkomingen in de nakoming van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen te herstellen.”
3.12
Ook in de literatuur wordt benadrukt dat de verlenging van de schuldsaneringsregeling de schuldenaar de mogelijkheid biedt om de aanvankelijke tekortkomingen in de nakoming van zijn verplichtingen te herstellen.20.De koppeling tussen de verlenging en het (alsnog) kunnen ontvangen van een schone lei, maakt dat de rechter bij zijn oordeel tot verlenging alleen omstandigheden mag meewegen die samenhangen met een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de uit de Wsnp voortvloeiende verplichtingen. Een verlenging van de schuldsaneringsregeling op andere gronden, bijvoorbeeld vanwege de belangen van de schuldeisers bij verlenging, is niet toegestaan, zo overwoog de Hoge Raad in een arrest uit 2017.21.
3.13
Dat het doel van verlenging is om de schuldenaar in staat te stellen eerdere tekortkomingen te herstellen, is ook af te leiden uit de overweging van de Hoge Raad dat het, in het licht van de bedoeling van de wetgever, aanbeveling verdient “dat de rechter die de termijn van de schuldsaneringsregeling verlengt, zich in zijn beslissing niet ertoe beperkt de duur van die verlenging te bepalen, maar ook preciseert welke in het algemeen uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen gedurende de termijn van de verlenging voor de desbetreffende schuldenaar gelden.”22.De verplichtingen die gedurende de verlenging gelden, dienen dus te worden afgestemd op de tekortkomingen die hebben geleid tot het onthouden van de schone lei.
3.14
Verlenging is dus bedoeld om de schuldenaar in de gelegenheid te stellen de tekortkomingen in de nakoming van zijn verplichtingen te herstellen, om zo alsnog tot toekenning van de schone lei te kunnen komen. Een verlenging van de schuldsaneringsregeling geeft de schuldenaar daarmee ‘een tweede kans’, zodat hij alsnog zijn verplichtingen kan nakomen.23.Verlenging heeft hiermee geen punitief karakter, in die zin dat de schuldenaar bij niet-nakoming van een verplichting ‘gestraft’ dient te worden met een verlenging. Ook is verlenging niet bedoeld ‘ter genoegdoening’ van de schuldeisers.
Verplichtingen tijdens de verlenging
3.15
De wet bevat geen expliciete opsomming van de verplichtingen die op de schuldenaar rusten tijdens de looptijd van de schuldsaneringsregeling. Uit het wettelijke systeem en de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het om de volgende verplichtingen gaat:24.
- het afdragen van alle inkomsten – van welke aard dan ook – boven het vrij te laten bedrag (art. 295 Fw);
- het genereren van zoveel mogelijk boedelactief, mede geconcretiseerd in een arbeids- en sollicitatieplicht (art. 288 Fw en Recofa-richtlijnen 2023);
- een (spontane) inlichtingenplicht jegens de bewindvoerder en de rechter-commissaris (art. 327 jo. 105 Fw);
- het niet maken van nieuw schulden (art. 350 lid 2 onder d Fw);
- het nakomen van (met de rechter-commissaris en/of bewindvoerder) gemaakte afspraken;
- het hebben van een coöperatieve instelling en fatsoenlijk gedrag (af te leiden uit art. 350 lid 2 onder c Fw).
3.16
Een tekortkoming van de schuldenaar in de nakoming van een verplichting voortvloeiend uit de schuldsaneringsregeling heeft dus betrekking op een of meerdere van deze verplichtingen.
3.17
Als gezegd is door de Hoge Raad overwogen dat het aanbeveling verdient dat de rechter preciseert welke “in het algemeen uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen gedurende de termijn van de verlenging voor de desbetreffende schuldenaar gelden.”25.In het vonnis waarbij de schuldsaneringsregeling wordt verlengd, moet de rechter dus vermelden welke van de hiervoor genoemde verplichtingen nog gelden tijdens de verlenging.
Periode van verlenging
3.18
Art. 349a lid 2 Fw bevat een discretionaire bevoegdheid, zodat het aan de rechter is te bepalen of, en met hoeveel tijd (tot een maximum van 24 maanden) de schuldsaneringsregeling wordt verlengd.26.
3.19
In een uitspraak uit 2007 liet de Hoge Raad het oordeel van het hof in stand dat de schuldsaneringsregeling met twaalf maanden moest worden verlengd vanwege het schenden van de sollicitatieplicht, terwijl de schuldenaar in kwestie slechts vijf maanden niet aan die plicht had voldaan. De motiveringsklacht tegen dit oordeel faalde:27.
“Het hof was kennelijk van oordeel dat het niet nakomen van de sollicitatieplicht aan het verlenen van "een schone lei" in de weg stond en dat om de mogelijkheid te scheppen dat de schuldsaneringsregeling wel met de verlening van een schone lei zou kunnen worden afgesloten, een verlenging met vijf maanden te kort zou zijn en een verlenging met twaalf maanden nodig was. Het hof was daarbij blijkbaar van oordeel dat tegenover het door het hof als negatief beoordeelde optreden van [verzoekster] in de laatste maanden van de eerste 36 maanden van de schuldsaneringsregeling een wat langere periode van goed gedrag moet staan, wil het alsnog verlenen van een schone lei gerechtvaardigd zijn. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering.”
3.20
Uit deze uitspraak zou wellicht kunnen worden afgeleid dat niet vereist is dat er een directe relatie is tussen de tekortkoming en de periode waarmee de schuldsaneringsregeling wordt verlengd. Nu deze uitspraak dateert van vóór de invoering van de wettelijke bepalingen over verlenging van de schuldsaneringsregeling in art. 349a lid 2 en lid 3 Fw (zie onder 3.5-3.7), is het echter de vraag of die conclusie kan worden getrokken.
Wijziging art. 349a lid 2 Fw (1 januari 2023)
3.21
Hiervoor is al aangestipt dat art. 349a lid 2 Fw per 1 januari 2023 is gewijzigd. Hoewel de gewijzigde bepaling in de voorliggende zaak niet van toepassing is, is het toch zinvol om stil te staan bij deze wijziging, omdat in de toelichting daarop mede tot uitdrukking komt hoe de wetgever deze bepaling uitlegt. Daarbij verdient opmerking dat met de wijziging die per 1 januari 2023 is doorgevoerd, uitdrukking wordt gegeven aan de bestaande praktijk, zodat daarmee geen inhoudelijke wijziging is beoogd.28.
3.22
Per 1 januari 2023 is art. 349a lid 2 Fw bepaling komen te luiden (mijn onderstreping):
“De rechter-commissaris kan bij schriftelijke beschikking de termijn ambtshalve, dan wel op verzoek van de bewindvoerder, de schuldenaar, of een of meer schuldeisers wijzigen. De rechter-commissaris kan de termijn verlengen als de schuldenaar niet aan al zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen kan voldoen, of als de schuldenaar toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. De termijn bedraagt ten hoogste vijf jaar. De bewindvoerder geeft van de gewijzigde termijn onverwijld kennis aan de schuldeisers. De rechter-commissaris dient de schuldenaar in de gelegenheid te stellen te worden gehoord, alvorens te beslissen de termijn te verlengen.”
3.23
Deze wijziging is doorgevoerd in verband met de implementatie van de EU-Richtlijn herstructurering en insolventie uit 2019.29.Deze richtlijn bepaalt dat het voor lidstaten enkel mogelijk is om bepalingen te hanteren waarmee de kwijtscheldingstermijn wordt verlengd, indien sprake is van “bepaalde, welomschreven omstandigheden”, en indien de afwijking “naar behoren gerechtvaardigd” is. Zie art. 23 lid 2 van de richtlijn:30.
“In afwijking van de artikelen 20, 21 en 22 kunnen de lidstaten bepalingen handhaven of introduceren tot weigering of beperking van de toegang tot kwijtschelding van schuld, tot intrekking van kwijtschelding van schuld, of tot verlenging van de termijnen voor het verkrijgen van volledige kwijtschelding van schuld of van de beroepsverboden, zulks alleen in bepaalde, welomschreven omstandigheden en indien deze afwijkingen naar behoren gerechtvaardigd zijn.”
3.24
In de memorie van toelichting van de implementatiewet is te lezen dat art. 349a lid 2 Fw voordien (als geciteerd onder 3.6) niet vermeldde onder welke voorwaarden verlenging mogelijk was, maar dat uit het derde lid wel volgde dat verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling een alternatief kan zijn voor tussentijdse beëindiging op de voet van artikel 350 Fw, of voor beëindiging aan het eind van de looptijd zonder toekenning van een schone lei.31.Zo vermeldt de memorie van toelichting:32.
“Verlenging is immers een minder vergaand alternatief voor tussentijdse beëindiging of onthouding van de schone lei, voor die gevallen waarin de verwachting bestaat dat de schuldenaar de schuldsanering alsnog tot een goed einde zal weten te brengen. De rechter heeft daarmee de mogelijkheid om maatwerk toe te passen en te beoordelen welke reactie op een tekortkoming in de specifieke omstandigheden van het geval het meest passend is. Uit het woord «kan» volgt dat de rechter niet verplicht is om gevolgen te verbinden aan iedere toerekenbare tekortkoming. Hij heeft de mogelijkheid om de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, buiten beschouwing te laten (vergelijk, in het kader van de beëindiging van de schuldsaneringsregeling, artikel 354, tweede lid, Fw). Voor verlenging bestaat enkel aanleiding in gevallen waarin ook tussentijdse beëindiging of onthouding van de schone lei in beginsel gerechtvaardigd is. Door in plaats van tussentijdse beëindiging of onthouding van een schone lei te kiezen voor verlenging van de termijn, geeft de rechter de schuldenaar een kans om alsnog aan al zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling te voldoen.”
3.25
In deze passage wordt dus nadrukkelijk benoemd, zoals hiervoor ook uiteen is gezet, dat verlenging de schuldenaar de kans geeft om aan al zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling te voldoen.
3.26
Een verlenging is enkel gerechtvaardigd indien de verwachting bestaat dat de schuldenaar de schuldsaneringsregeling alsnog tot een goed einde zal weten te brengen.33.Dit bevestigt dat de verlenging van de schuldsaneringsregeling uitdrukkelijk bedoeld is om de schuldenaar een herstelmogelijkheid te bieden, zodat hij alsnog aan zijn verplichtingen uit hoofde van de schuldsaneringsregeling kan voldoen. In lijn hiermee is de opmerking in de wetsgeschiedenis dat verlenging van de termijn alleen mogelijk is, indien de tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen van zodanig gewicht is dat dit onthouding van de schone lei zou rechtvaardigen als de schuldenaar deze verplichtingen ook gedurende de verlengde termijn niet nakomt.34.
3.27
Hoewel de mogelijkheid tot verlenging daarmee dus primair een herstelmogelijkheid biedt aan de schuldenaar, is in de wetsgeschiedenis ook te lezen dat bij de verlenging van de schuldsaneringsregeling onder omstandigheden ook de belangen van de schuldeisers in het vizier moeten worden gehouden. Daarbij is in de memorie van toelichting onder meer opgemerkt dat in de verlenging ook een compensatie voor de schuldeisers besloten ligt:35.
“Wel geldt ook hier weer dat, gelet op de noodzaak een evenwicht te bewaren tussen de belangen van de schuldenaar en die van de schuldeisers, aannemelijk moet zijn dat de verlenging een voldoende vorm van compensatie biedt voor het niet kunnen voldoen aan de verplichtingen door de schuldenaar.”
3.28
Vervolgens wordt als voorbeeld gegeven dat de schuldsaneringsregeling wordt verlengd om de schuldenaar in staat te stellen in zijn woning te blijven wonen. Een schuldenaar die een hoge huur heeft, zal in beginsel op zoek moeten naar goedkopere woonruimte, omdat hij anders niet kan voldoen aan zijn verplichting tot afdracht van inkomsten aan de boedel. Als de specifieke omstandigheden van de schuldenaar hiertoe aanleiding geven, kan de rechter-commissaris de schuldenaar echter toestaan in de woning te blijven wonen door op de voet van art. 295 lid 3 Fw het vrij te laten bedrag te verhogen en daarmee de afdrachtverplichting van de schuldenaar te verlichten. Daarbij kan er wel aanleiding zijn om daarbij de termijn van de schuldsaneringsregeling tegelijkertijd te verlengen, zo vermeldt de toelichting.36.
3.29
In dit voorbeeld worden de schuldeisers dus op voorhand (dat wil zeggen bij aanvang dan wel op een moment tijdens de looptijd van de schuldsanering) gecompenseerd voor een lagere afdrachtverplichting van de schuldenaar, door een langere looptijd van de schuldsaneringsregeling op te leggen.37.Dit is dus een andere situatie dan die waarin de schuldsaneringsregeling aan het einde van de looptijd wordt verlengd wegens een tekortkoming van de schuldenaar. Daar is de ratio van de verlenging duidelijk een andere dan compensatie, nu die verlenging uitdrukkelijk de mogelijkheid biedt om de geconstateerde gebreken te herstellen.
4. Bespreking van het cassatiemiddel
4.1
Onderdeel 1 komt met een rechtsklacht op tegen het oordeel van het hof in rov. 2.5-2.7, dat de verlenging van de schuldsaneringsregeling voor de schuldenares ook voortduurt na het inlopen van de boedelachterstand, en dat zij gedurende die periode gehouden is om aan de reguliere afdrachtverplichting te voldoen. Het onderdeel betoogt dat deze oordelen op een onjuiste rechtsopvatting berusten, omdat de verlenging van de schuldsaneringsregeling bij deze benadering niet proportioneel is aan het doel om aanvankelijke tekortkomingen in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen te herstellen.
4.2
Onderdeel 2 bevat een motiveringsklacht tegen de oordelen in rov. 2.6 en 2.7, nu de daarin gehanteerde motivering niet uitgaat van de rechtsopvatting als uiteengezet in onderdeel 1.
4.3
Bij de bespreking van de klachten kan het volgende voorop worden gesteld. De verlengingsregeling van art. 349a Fw behelst een discretionaire bevoegdheid, waarbij de rechter een grote vrijheid toekomt (zie onder 3.18). Bij de beslissing om al dan niet te verlengen dient de rechter alle omstandigheden van het geval te betrekken. Gelet op het verband dat er bestaat tussen enerzijds de specifieke tekortkoming van de schuldenaar die eraan in de weg staat dat een schone lei wordt verleend, en anderzijds de duur en de invulling van de verlenging van de schuldsaneringsregeling (zie onder 3.13), moeten de duur van de verlenging en de verplichtingen die gedurende de verlenging op de schuldenaar rusten, worden afgestemd op de tekortkoming van de schuldenaar. De verlenging van de schuldsaneringsregeling heeft immers tot doel om de schuldenaar in de gelegenheid te stellen om alsnog zijn verplichtingen na te komen, en zodoende alsnog aan te tonen dat een schone lei gerechtvaardigd is (zie onder 3.14). Door de Hoge Raad wordt in dit verband uitdrukkelijk gesproken van het herstellen van tekortkomingen in de nakoming van de verplichtingen die uit de schuldsaneringsregeling voortvloeien (zie onder 3.11).38.
4.4
Dat de verlenging van de schuldsaneringsregeling behoort te worden afgestemd op de specifieke tekortkoming van de schuldenaar, volgt ook uit de wijziging van art. 349a lid 2 Fw per 1 januari 2023 in verband met art. 23 lid 2 van de EU-Richtlijn herstructurering en insolventie, die vereist dat het voor lidstaten enkel mogelijk is om bepalingen te hanteren waarmee de kwijtscheldingstermijn wordt verlengd, indien sprake is van “bepaalde, welomschreven omstandigheden”, en indien de afwijking “naar behoren gerechtvaardigd” (zie onder 3.23).
4.5
Verder is besproken dat het aanbeveling verdient dat de rechter die een verlenging van de schuldsaneringsregeling uitspreekt, zich in zijn beslissing ook uitlaat over de verplichtingen die gedurende de verlenging voor de schuldenaar gelden (zie onder 3.17).39.Daaruit volgt dat het niet zo is dat gedurende de verlenging van de schuldsaneringsregeling, zonder meer alle verplichtingen van toepassing zijn die ook tijdens de reguliere termijn hebben gegolden. De rechter moet hier maatwerk leveren. De verplichtingen die gedurende de verlenging van de looptijd gelden, moeten bovendien zijn afgestemd op de tekortkoming die aan het verlenen van een schone lei in de weg staat.
4.6
Tegen deze achtergrond slaagt de klacht uit onderdeel 1. De beslissing van het hof om de looptijd van de schuldsaneringsregeling te verlengen tot het maximum van 24 maanden met herleving van de reguliere afdrachtverplichting ná het inlopen van de boedelachterstand, verdraagt zich niet met de voorgaande uitgangspunten en getuigt daarmee van een onjuiste rechtsopvatting.
4.7
Het voorstel van de schuldenares in deze zaak hield in dat zij tijdens de verlengde looptijd maandelijks een bedrag van € 1.184,09 zou aflossen op de boedelachterstand (waarbij de reguliere boedelafdracht zou vervallen). Dit betekent dat zij de boedelachterstand van € 20.271,44 (zie rov. 2.1) in een periode van 18 maanden zou kunnen hebben ingelopen. Hiermee zou een verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling met 18 maanden op zijn plaats zijn geweest (op voorwaarde dat in die periode de boedelachterstand is ingelopen).40.Een dergelijke verlenging zou recht doen aan het uitgangspunt dat de verlenging dient tot herstel van tekortkomingen in de nakoming van de verplichtingen die uit de schuldsaneringsregeling voortvloeien.
4.8
Het hof heeft echter gekozen voor de maximale verlenging van 24 maanden, zo volgt uit rov. 2.7, als “compensatie voor de omstandigheid dat de schuldenaar zich in de reguliere looptijd van de schuldsanering niet aan alle verplichtingen heeft gehouden.” Het hof heeft echter niet toegelicht met het oog op welke specifieke verplichtingen, een verlenging van de schuldsaneringsregeling na het inlopen van de boedelachterstand gerechtvaardigd zou zijn.
4.9
Voor zover het hof zou doelen op de verplichting van de schuldenares om maandelijks het vastgestelde bedrag aan de boedel af te dragen, is de beslissing om te verlengen ná het inlopen van de boedelachterstand (met herleving van de reguliere afdrachtverplichting) strijdig met het uitgangspunt dat een verlenging moet worden afgestemd op de tekortkoming en tot doel heeft om die tekortkoming te herstellen. Als de boedelachterstand immers is ingelopen, is díe tekortkoming hersteld en is er geen grond om een nadere afdracht voor de schuldeisers te realiseren.
4.10
Voor zover het hof zou doelen op de verplichting van de schuldenares om de bewindvoerder van alle relevante informatie te voorzien (ook op het punt van de informatievoorziening heeft de schuldenares immers steken laten vallen, zo volgt uit rov. 4.1 van het vonnis van de rechtbank en ligt ook besloten in rov. 2.1 en 2.4 van het bestreden arrest), is de redenering ook niet steekhoudend. Aangenomen moet worden dat ten tijde van de verlengingsbeslissing de bewindvoerder inmiddels over alle relevante informatie beschikte. De schuldenares heeft dit vermeld in haar pleitaantekeningen in hoger beroep en deze stelling is niet kenbaar weersproken. Ook bevat het arrest geen aanknopingspunten dat bepaalde informatie nog zou ontbreken. De overweging van het hof dat het verwacht dat de schuldenares alsnog alle benodigde informatie over het inkomen van haar zoon aan de bewindvoerder verstrekt, heeft – zo is door de schuldenares in cassatie onbestreden vermeld – betrekking op een wijziging in haar situatie die zich heeft voorgedaan ná de beëindiging van de reguliere looptijd en betreft kennelijk een punt dat (eerst) ter zitting in hoger beroep aan de orde is gekomen.41.Als alle relevante informatie is verstrekt, is er geen grond om ‘ter compensatie’ de looptijd van de schuldsaneringsregeling te verlengen (met herleving van de reguliere afdrachtverplichting). Hier is dan immers geen sprake van herstel van de tekortkoming, maar van een sanctie voor de tekortkoming. Dat is niet in overeenstemming met het doel van een verlenging.
4.11
Nu onderdeel 2 enkel is voorgesteld voor zover het hof het voorgaande niet miskend zou hebben, kan een bespreking van onderdeel 2 achterwege blijven.
4.12
M.i. zou de Hoge Raad de zaak zelf kunnen afdoen door te bepalen dat de looptijd van de schuldsaneringsregeling wordt verlengd totdat de boedelachterstand is ingelopen (met een maximum van 24 maanden), waarbij de schuldenares gedurende de verlenging slechts het bewindvoerderssalaris zal zijn verschuldigd.
5. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 13 februari 2024 en tot afdoening als hiervoor onder 4.12 vermeld.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 03‑04‑2024
Grotendeels ontleend aan Rb. Noord-Holland 28 december 2023, C/15/20/145 R (niet gepubliceerd op www.rechtspraak.nl).
Rb. Noord-Holland 28 december 2023, C/15/20/145 R, rov. 4.1 (niet gepubliceerd op www.rechtspraak.nl).
Rb. Noord-Holland 28 december 2023, C/15/20/145 R, rov. 4.2 (niet gepubliceerd op www.rechtspraak.nl).
Zie beroepschrift d.d. 4 januari 2024, randnrs. 6-10.
Zie beroepschrift d.d. 4 januari 2024, randnr. 12. Overigens is in de pleitaantekeningen d.d. 6 februari 2024 te lezen dat de schuldenares lopende het hoger beroep inmiddels contact had gezocht met een beschermingsbewindvoerder.
Zie beroepschrift d.d. 4 januari 2024, randnr. 11.
Dit is het bedrag dat in het arrest van het hof is genoemd als door de schuldenares erkend bedrag aan boedelachterstand, zie rov. 2.1. In de pleitaantekeningen van schuldenares is vermeld dat het gaat om een bedrag van € 18.633,44, zie pleitaantekeningen d.d. 6 februari 2024, p. 2. Per 5 december 2023 bedroeg de achterstand nog € 21.897,62 (zie ook hiervoor onder 2.7), maar de schuldenares heeft hierna nog enkele boedelafdrachten gedaan.
De procesinleiding is op 20 februari 2024 ingediend in het portaal van de Hoge Raad.
Richtlijn (EU) 2019/1023 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 (Richtlijn betreffende herstructurering en insolventie) (PbEU 2019 L 172).
Deze richtlijn bepaalt dat het voor lidstaten enkel mogelijk is om bepalingen te hanteren waarmee de kwijtscheldingstermijn wordt verlengd, indien sprake is van “bepaalde, welomschreven omstandigheden”, en indien de afwijking “naar behoren gerechtvaardigd” is, zie: art. 23 lid 2 Richtlijn 2019/1023 (Herstructurering en insolventie).
Kamerstukken II 2021/22, 36 040, nr. 3 (MvT), p. 97; Stb. 2022, 491, p. 12.
Kamerstukken II 2021/22, 35 915, nr. 3 (MvT), p. 17, Stb. 2023, 87, p. 2.
Kamerstukken II 2004/05, 29 943, nr. 3 (MvT), p. 1.
Kamerstukken II 2004/05, 29 943, nr. 3 (MvT), p. 33.
Kamerstukken I 2006/07, 29 942, nr. C (MvA), p. 11.
HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2935, NJ 2014/470 m.nt. F.M.J. Verstijlen; JOR 2015/54 m.nt. A.J. Noordam, rov. 3.4.3. De Hoge Raad verwijst naar deze rechtsoverweging in HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1203, rov. 3.4.4, waar eveneens wordt aangestipt dat het mogelijk is om in plaats van het onthouden van een schone lei kan worden besloten tot verlenging. Zie eveneens de verwijzing in HR 9 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:316, rov. 3.3.2.
Zie bijvoorbeeld: Wessels Insolventierecht IX 2021/9363ea; Polak/Pannevis, Insolventierecht 2022/27.1.
HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1203 , rov. 3.4.4. Zie ook R.D. Vriesendorp, Insolventierecht 2021/365,
HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2935, rov. 3.4.4.
Groene Serie Faillissementswet, aant. 7.2 bij art. 349a Fw (Engberts). Zie ook T&C Faillissementswet, aant. 2 bij art. 349a Fw (Engberts); Module Rechtsbijstand en schuldhulpverlening, commentaar bij art. 349a Fw (Lankhorst).
HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2935, rov. 3.4.4.
HR 19 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2048, NJ 2007, 61, rov. 3.5.3. Zie ook Groene Serie Faillissementswet, aant. 7.4 bij art. 349a Fw (Engberts) en concl. A-G Timmerman 5 september 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1764 (conclusie voor HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2935), onder 3.5.
HR 19 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2048, NJ 2007, 61, rov. 3.5.3.
Op p. 76-77 van de memorie van toelichting is te lezen dat reeds uit de rechtspraak volgt dat verlenging van de schuldsaneringsregeling mogelijk is op de gronden waarop ook tussentijdse beëindiging of beëindiging aan het einde van de looptijd zonder toekenning van een schone lei mogelijk is (art. 350 lid 3 Fw). De memorie van toelichting vermeldt vervolgens: “In aansluiting hierop wordt nu in artikel 349a, tweede lid, Fw expliciet bepaald dat de rechter-commissaris de termijn kan verlengen als de schuldenaar toerekenbaar tekort is geschoten in één of meer van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen.”, zie: Kamerstukken II 2021/22, 36 040, nr. 3 (MvT), p. 76-77. Ook uit andere passages in de memorie van toelichting blijkt dat de wijziging van art. 349a lid 2 Fw geen nieuwe regeling behelst, zie bijv. p. 40: “In het onderhavige wetsvoorstel wordt artikel 349a lid 1 en 2 Fw daarom iets aangescherpt.” en p. 57: “Dit wetsvoorstel expliciteert voorts de gronden waarop de rechter over kan gaan tot verlenging van de termijn voor de wettelijke schuldsaneringsregeling.”
Richtlijn (EU) 2019/1023 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 (Richtlijn betreffende herstructurering en insolventie) (PbEU 2019 L 172).
Kamerstukken II 2021/22, 36 040, nr. 3 (MvT), p. 76.
Kamerstukken II 2021/22, 36 040, nr. 3 (MvT), p. 77.
Kamerstukken II 2021/22, 36 040, nr. 3 (MvT), p. 77, onder verwijzing naar HR 13 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1949 (rov. 4.2.4).
Kamerstukken II 2021/22, 36 040, nr. 3 (MvT), p. 77.
Kamerstukken II 2021/22, 36 040, nr. 3 (MvT), p. 78.
Kamerstukken II 2021/22, 36 040, nr. 3 (MvT), p. 78.
Dit geldt ook voor de andere voorbeelden die in de memorie van toelichting worden genoemd: verlenging van de termijn gedurende de looptijd als de schuldenaar verzoekt om een korte opleiding te volgen, waardoor hij tijdelijk niet kan voldoen aan zijn inspanningsverplichting om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven, en een verzoek van de schuldenaar om tijdelijk de zorg op zich te nemen voor een ziek familielid, waardoor hij gedurende een bepaalde periode geen of minder inkomsten kan verwerven. Zie Kamerstukken II 2021/22, 36 040, nr. 3 (MvT), p. 77-78.
HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2935, NJ 2014/470 m.nt. F.M.J. Verstijlen; JOR 2015/54 m.nt. A.J. Noordam, rov. 3.4.3.
HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2935, NJ 2014/470 m.nt. F.M.J. Verstijlen; JOR 2015/54 m.nt. A.J. Noordam, rov. 3.4.4.
Hierbij ga ik uit van de door het hof vastgestelde boedeltekort. Overigens is € 20.271,44 gedeeld door € 1.184,09, 17,12, dus dan zou het gaan om iets meer dan 17 maanden.
Zie de procesinleiding voetnoot 20.
Beroepschrift 20‑02‑2024
[via webportaal]
De edelhoogachtbare vrouwe
griffier van de Hoge Raad der Nederlanden
Korte Voorhout 8
2511 EK DEN HAAG
DATUM 20 februrai 2024
BETREFT [de schuldenares] (verlenging schuldsaneringsregeling)
PROCESINLEIDING VERZOEKZAAK HOGE RAAD
inzake
[de schuldenares] (‘[de schuldenares]’), wonende te [woonplaats],
Verzoekster tot cassatie
advocaat: mr. T.E. Booms
[de schuldenares] stelt hierbij cassatieberoep in tegen het arrest van 13 februari 2024 van het Gerechtshof Amsterdam (‘het hof’), gewezen in de zaak met zaaknummer 200.336.308/01 (‘het arrest’).
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van wezenlijke vormen, doordat het hof heeft overwogen en beslist als in het arrest is weergegeven, zulks op de volgende, mede in hun onderlinge samenhang in aanmerking te nemen gronden:
Inleiding
Het arrest gaat over de verlenging van de schuldsaneringsregeling van [de schuldenares]. De rechtbank heeft [de schuldenares] na afloop van 36 maanden schuldsanering geen schone lei verleend, vanwege (voor zover hier relevant, hoofdzakelijk) het laten ontstaan van een boedelachterstand. De boedelachterstand was het gevolg van de start van een nieuwe, veeleisende baan waarvoor [de schuldenares] meerdere malen aaneengesloten periodes in het buitenland moest doorbrengen. Haar eigen administratieve taken kwamen hierdoor in het gedrang. Daarnaast had [de schuldenares] gedurende een groot deel van de reguliere looptijd een inwonende, studerende zoon waarvoor het VTLB niet gecorrigeerd werd, maar waarvoor zij in realiteit wel kosten heeft gedragen. Ten slotte heeft het privégebruik van de leaseauto tot een correctie van het VTLB geleid, aangezien de bijtelling gecompenseerd diende te worden.
De rechtbank achtte uitgesloten dat een verlenging van de schuldsaneringsregeling ertoe zou leiden dat de boedelachterstand werd ingelopen, omdat [de schuldenares] daartoe — naast het voldoen aan de reguliere afdrachtverplichting — niet in staat zou zijn.
[de schuldenares] heeft in hoger beroep daarop het hof verzocht de schuldsaneringsregeling onder vrijstelling van de reguliere afdrachtverplichting te verlengen voor zo lang als nodig zou zijn om de boedelachterstand in te lopen.1. Het hof heeft het verlengingsverzoek toegewezen, maar in afwijking van het verzoek geoordeeld dat 1) de maximale verlenging van 24 maanden wordt toegepast en 2) [de schuldenares] enkel wordt vrijgesteld van de reguliere afdrachtverplichting gedurende de termijn die nodig is om de boedelachterstand in te lopen, waarna voor het restant van de verlenging de reguliere afdrachtverplichting herleeft (rov. 2.5 en 2.7). De redenering van het hof is dat met de herleving van de afdrachtverplichting gedurende de verlenging ‘een extra bedrag voor de schuldeisers wordt gespaard, hetgeen compensatie is voor de omstandigheid dat [de schuldenares] zich in de reguliere looptijd van de schuldsanering niet aan alle verplichtingen heeft gehouden’ (rov. 2.7).
Hoewel [de schuldenares] blij is met de mogelijkheid om haar schuldsaneringsregeling te verlengen en zo alsnog een schone lei te verkrijgen, meent zij dat de verplichting om het traject ná aanzuivering van de boedelachterstand voort te zetten — met toepassing van de reguliere afdrachtverplichting — ten onrechte is opgelegd. Zij stelt daarom cassatieberoep in.
Klachten
1
Het oordeel van het hof in overweging 2.5 tot en met 2.7, dat de verlenging van de schuldsaneringsregeling voor [de schuldenares] voortduurt ook ná het inlopen van de boedelachterstand én dat zij gedurende die periode gehouden is aan de reguliere afdrachtverplichting te voldoen, berust op een onjuiste rechtsopvatting, omdat de verlenging dan niet proportioneel is aan het doel om aanvankelijke tekortkomingen in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen te herstellen.
Toelichting
1.1
De verlengingsregeling uit art. 349a Fw kan door de rechter worden toegepast als de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, als gevolg waarvan tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling of het onthouden van de schone lei zou kunnen volgen, maar de rechter die (zware) sanctie niet wil uitspreken.2. De bevoegdheid van de rechter om in zulke gevallen de looptijd van de schuldsaneringsregeling te verlengen heeft een discretionair karakter, waarbij hem grote vrijheid toekomt.3. De rechter dient (wel) alle omstandigheden van het geval in zijn oordeel te betrekken.4. Dat stelt hem in staat om de duur van de verlenging en de verplichtingen die gedurende de verlengingsperiode op de schuldenaar rusten, af te stemmen op de reden waarom een verlenging nodig wordt geacht en de overige omstandigheden die op de situatie van de schuldenaar betrekking hebben.5.
1.2
[de schuldenares] meent dat de discretionaire bevoegdheid van de rechter niet zover gaat dat de rechter een beslissing kan nemen die indruist tegen — althans niet proportioneel is gezien — het doel en de strekking van de verlengingsregeling.
1.3
De bedoeling van de wetgever met de verlengingsregeling is er met name in gelegen een oplossing te bieden voor gevallen waarin bij het einde van de reguliere looptijd van de schuldsaneringsregeling nog geen schone lei kan worden verleend, maar de verwachting gerechtvaardigd is dat dit na een (korte) verlenging van die termijn alsnog mogelijk zal zijn.6. Door het verlengen van de looptijd wordt de schuldenaar de kans gegeven de aan de rechter gebleken tekortkomingen te herstellen en zo alsnog voor een schone lei in aanmerking te komen. Uw Raad overwoog daarover in een eerdere zaak:
‘In dergelijke gevallen kan verlenging van de termijn ertoe dienen om de schuldenaar in de gelegenheid te stellen aanvankelijke tekortkomingen in de nakoming van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen te herstellen.’7.
1.4
Uw Raad wees daarbij op de wetsgeschiedenis zoals die was uiteengezet door A.-G. Timmerman, die de opvatting van de wetgever als volgt samenvatte:
‘Blijkens de parlementaire geschiedenis van art. 349a Fw is dat [dat verlenging van de termijn geïndiceerd is, advocaat] onder meer het geval, wanneer er sprake is van een geringe achterstand in afdrachten aan de boedel die naar verwachting tijdens een korte verlenging kan worden ingelopen.8. Een schone lei kan dan alsnog worden verkregen.’9.
1.5
Timmerman bespreekt in zijn conclusie — als voorbeeld — de situatie waarin een boedelachterstand is ontstaan. Op basis van het proportionaliteitsbeginsel concludeert hij dat het dan in de rede ligt dat gedurende de verlenging enkel verplichtingen worden opgelegd die ertoe dienen die achterstand in te lopen:
‘M.i. brengt een redelijke uitleg van art. 349a Fw mee dat de rechter in zijn beslissing tot verlenging van de schuldsanering ook bepaalt wat de omvang van de verplichtingen is waaraan een schuldenaar in de periode van verlenging onderworpen is. Hij kan bepalen dat de schuldenaar nog voor enige tijd ‘gewoon’ aan alle uit de wettelijke schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is gebonden. Hij kan echter ook besluiten dat voor de schuldenaar een ‘verlicht’ regime van verplichtingen geldt. M.i. brengt het proportionaliteitsbeginsel mee dat de rechter het tijdens de verlenging geldende verplichtingen-regime op het doel dat hij met de verlenging wenst te bereiken afstemt. Zo is het denkbaar dat bepaald wordt dat de schuldenaar gedurende de verlengingstijd nog slechts een in omvang beperkt bedrag aan de boedel hoeft af te dragen en er verder geen verplichtingen, zoals de sollicitatieplicht, van kracht zijn.’10.
1.6
Uw Raad bevestigde vervolgens dat het aanbeveling verdient dat de rechter bij het toepassen van de verlengingsregeling uitwerkt aan welke verplichtingen de schuldenaar zich tijdens de verlenging dient te houden. Daarbij verwijst Uw Raad expliciet naar de eerdergenoemde bedoeling van de wetgever.11. De voor de duur van de verlenging opgelegde verplichtingen dienen dus dienstig (proportioneel) te zijn aan het doel van de verlenging — het herstellen van de gebleken tekortkomingen in de naleving van de schuldsaneringsregeling. Dat — zoals het hof in rov. 2.7 stelt — normaliter alle verplichtingen tijdens de verlenging van toepassing blijven, is dus onjuist (zie ook voetnoot 18 hierna).
1.7
In het ene geval zal gemakkelijker vast te stellen zijn welke maatregelen de schuldenaar moet treffen om alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen dan in het andere. Zo is een schending van de opgelegde inspanningsverplichting niet altijd eenvoudig te kwantificeren en — dus — evenmin eenvoudig om te rekenen naar een termijn waarmee de schuldsaneringsregeling zal moeten worden verlengd om de schending te herstellen.12. In het voorliggende geval staat echter buiten discussie dat [de schuldenares] aan haar inspanningsverplichting heeft voldaan.13. Door zich gedurende de reguliere looptijd van de schuldsaneringsregeling voldoende in te spannen om inkomen te genereren, is duidelijk geworden welke boedelomvang zij voor de schuldeisers kon realiseren. De reden dat [de schuldenares] nog geen schone lei wordt verleend, is dat zij van het verdiende inkomen onvoldoende heeft afgedragen om die boedel volledig te vullen. Die tekortkoming kan worden rechtgezet door alsnog dat bedrag af te dragen aan de boedel (plus extra bewindvoerderskosten en een eventueel renteverschil vanwege de latere uitkering).
1.8
Een verdergaande verplichting — dan nodig voor het herstellen van de aanvankelijke tekortkomingen tijdens de reguliere looptijd van de schuldsaneringsregeling — dient de rechter niet op te leggen. De schuldsaneringsregeling heeft geen punitief karakter.14. Een extra ‘bestraffing’ van de schuldenaar voor het aanvankelijke niet-nakomen van zijn verplichtingen zou daardoor niet proportioneel zijn in het licht van het doel van de schuldsaneringsregeling als geheel. Daarnaast zou een dergelijke extra bestraffing niet proportioneel zijn in het licht van het — op herstel gerichte — karakter van de verlengingsregeling in het bijzonder.
1.9
Ook de belangen van de schuldeisers vereisen niet dat verdergaande verplichtingen worden opgelegd dan noodzakelijk voor het herstellen van de aanvankelijke tekortkomingen. Er geldt een onderscheid tussen het doel van de reguliere looptijd van de schuldsaneringsregeling en het doel van een eventuele verlenging ervan. De reguliere looptijd van de schuldsaneringsregeling is bedoeld om de schuldenaar een kans te bieden op een schuldenvrije toekomst, doordat deze ten behoeve van de schuldeisers zoveel mogelijk baten voor de boedel verzamelt.15. Het doel van de verlenging is het herstellen van tekortkomingen die ertoe geleid hebben dat het eerdergenoemde doel (nog) niet is bereikt.16. De verlenging heeft niet als (zelfstandig) doel de baten voor de boedel te maximaliseren (boven hetgeen verzameld zou moeten zijn tijdens de reguliere looptijd).17. Het proportionaliteitsbeginsel brengt daarom met zich dat tijdens een verlengingsperiode enkel de verplichtingen dienen te gelden die nodig zijn om de tekortkomingen uit de reguliere looptijd te herstellen. In de rechtspraak wordt dan ook regelmatig bij verlenging van de schuldsanering geen reguliere afdrachtverplichting opgelegd, nu die verlenging slechts dient om de aanvankelijke tekortkomingen van de schuldenaar goed te maken.18.
1.10
Uw Raad heeft eerder al geoordeeld dat het enkele belang van de schuldeisers geen grond kan vormen voor het opleggen van een verlenging van de schuldsaneringsregeling.19. Daarmee zou zich niet verhouden dat de belangen van de schuldeisers wél als enkele grond zouden (kunnen) gelden om een verlenging die zijn doel bereikt heeft — het herstellen van de aanvankelijke tekortkomingen — nog langer voort te zetten. Zou dat anders zijn, dan zou iedere verlenging de maximale 24 maanden moeten duren.
1.11
Voor zover de verlenging voor méér dan de duur die nodig is om de boedelachterstand in te lopen is bedoeld als vergoeding voor schade die de schuldeisers lijden door niet-tijdige nakoming door [de schuldenares], miskent dit dat schadevergoeding voor het niet-tijdig betalen van een geldsom bestaat uit rente, en niet uit verlenging van een schuldsaneringsregeling.
2
Zou het hof het voorgaande niet miskend hebben, dan is het oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, nu enige motivering die niet uitgaat van de met onderdeel 1 bestreden rechtsopvatting ontbreekt.
Toelichting
2.1
De motivering van het hof wordt gegeven in rov. 2.6. Het hof noemt daar drie (typen) omstandigheden ter onderbouwing van zijn oordeel (zie rov. 2.7: ‘Het hof ziet in de hiervoor onder 2.6 weergegeven omstandigheden aanleiding …’):
- 1)
Het hof vangt aan met een trits aan omstandigheden die ten gunste van (het gunnen van een verlenging aan) [de schuldenares] pleiten;
- 2)
Daarna wijdt het hof een uitvoerige beschouwing aan het bedrag dat [de schuldenares] tijdens de verlenging voor haar schuldeisers zou kunnen genereren door eerst de boedelachterstand in te lopen en vervolgens nog aan haar reguliere afdrachtverplichting te voldoen;
- 3)
Ten slotte overweegt het hof dat [de schuldenares] informatie aan de bewindvoerder dient te verschaffen over het inkomen van haar inwonende, meerderjarige zoon.
2.2
Van de drie (typen) omstandigheden die het hof noemt, is enkel de onder 2) genoemde omstandigheid dragend voor zijn oordeel. De onder 1) genoemde omstandigheden die vóór [de schuldenares] pleiten vereisen immers niet dat de verlenging de maximale termijn van 24 maanden duurt en dat de reguliere afdrachtverplichting herleeft zodra de boedelachterstand is ingelopen. De onder 3) genoemde omstandigheid heeft in de opvatting van het hof geen consequenties voor zijn oordeel (mogelijk zal een nieuwe VTLB-berekening moeten worden gemaakt, maar dat is aan de bewindvoerder).20.
2.3
In rov. 2.7 komt het hof nogmaals terug op de onder 2) genoemde gevolgen van de verlenging voor [de schuldenares] en de schuldeisers. Uit deze overweging, gelezen in combinatie met rov. 2.6, volgt dat het doel van het hof bij het maximaal verlengen van de schuldsaneringsregeling en het laten herleven van de reguliere afdrachtverplichting zodra de boedelachterstand is ingelopen is gelegen in hetzij a) het bevoordelen van de schuldeisers (‘zodat gedurende de verlenging een extra bedrag voor de schuldeisers wordt gespaard’), dan wel b) het bestraffen van [de schuldenares] (‘hetgeen een compensatie is voor de omstandigheid dat [de schuldenares] zich in de reguliere looptijd van de schuldsanering niet aan alle verplichtingen heeft gehouden’). Enige motivering die niet uitgaat van de met onderdeel 1 bestreden rechtsopvatting ontbreekt daarmee.
2.4
Voor zover nodig heeft [de schuldenares] gesteld dat een verlenging zonder oplegging van de reguliere afdrachtverplichting haar in staat stelt de boedelachterstand in te lopen zonder dat de schuldeisers daardoor benadeeld zouden worden (mede omdat zij naast het aflossen op de boedelachterstand het salaris van de WNSP-bewindvoerder aan de boedelrekening zou overmaken).21. Het hof heeft op die stelling niet kenbaar gerespondeerd.
2.5
Aan hetgeen hiervoor (zowel ter onderbouwing van het eerste als het tweede middelonderdeel) is uiteengezet, doet niet af dat het hof ook opmerkt dat [de schuldenares] de informatieverplichting niet altijd goed is nagekomen en nieuwe schulden heeft laten ontstaan. Beide punten zijn voorafgaand aan de mondelinge behandeling in hoger beroep verholpen.22. Het hof legt enige schending van deze verplichtingen ook niet (gemotiveerd) ten grondslag aan zijn beslissing, althans werkt niet uit waarom de in rov. 2.7 opgelegde verplichtingen tot een proportionele genoegdoening daarvoor zouden leiden.
Overige opmerkingen
[de schuldenares] is blij dat zij van het hof de kans heeft gekregen om via de verlenging van haar schuldsanering alsnog een schone lei te verkrijgen, ook al is zij het niet geheel eens met de voorwaarden waaronder het hof de verlenging heeft uitgesproken.
Dat over de voorwaarden die het hof aan de verlenging heeft verbonden in hoger beroep niet uitvoerig is gesproken vindt zijn oorzaak in het feit dat de rechtbank de schuldsanering had beëindigd zonder deze te verlengen. De mondelinge behandeling in hoger beroep ging daarmee vooral over de vraag óf een verlenging mogelijk was.
Aan de verschillende oordelen van de rechtbank en het hof over die vraag liggen twee verschillende opvattingen ten grondslag, die tot danig verschillende gevolgen leiden. Uit het vonnis van de rechtbank blijkt dat zij van mening is dat het inlopen van een boedelachterstand tijdens een verlenging dient plaats te vinden vanuit het vrij te laten bedrag (immers: betaling náást de reguliere afdrachtplicht). Het hof heeft geoordeeld dat [de schuldenares] de boedelachterstand (aanvankelijk) mag inlopen vanuit haar inkomsten boven het vrij te laten bedrag (immers: in plaats van de reguliere afdrachtplicht (minus bewindvoerderskosten)). Al in 2007 bleek dat de leden van Recofa de voorkeur geven aan de opvatting van het hof, maar deze is — zo blijkt uit het vonnis van de rechtbank — nog geen gemeengoed.23. Het zou voor de praktijk daarom inzichtelijk kunnen zijn indien Uw Raad zich over deze kwestie zou willen uitlaten.24.
Tot slot vermeldt [de schuldenares] nog dat bij het indienen van de procesinleiding het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep nog niet voorhanden was. De advocaat van [de schuldenares] in hoger beroep heeft het proces-verbaal met spoed opgevraagd bij het hof. Indien het proces-verbaal [de schuldenares] aanleiding geeft om haar standpunten en onderbouwing in cassatie nader aan te vullen, maakt zij graag gebruik van de mogelijkheid daartoe.
Verzoek:
[de schuldenares] verzoekt dat de Hoge Raad het arrest vernietigt voor zover daarin wordt bepaald dat de verlenging voortduurt nadat de boedelachterstand is ingelopen en dat gedurende deze periode de reguliere afdrachtverplichting herleeft.
Amsterdam, 20 februari 2024
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 20‑02‑2024
In de pleitaantekeningen voor de mondelinge behandeling in hoger beroep wordt per abuis gesteld dat tijdens de verlenging alleen de ‘afdrachtplicht’ zou moeten gelden, waar bedoeld werd dat alleen zou moeten worden afgelost om de boedelachterstand in te lopen. In het verzoek zelf (beroepschrift onder 13, petitum) is dit wel juist vermeld. Dat het hof het verzoek ook zo heeft begrepen blijkt duidelijk uit rov. 2.5.
Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1203, rov. 3.4.4.
Vergelijk conclusie A.-G. Timmerman voor Hoge Raad 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2935, onder 3.5.
Hoge Raad 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2935, rov. 3.6.3.
Vergelijk conclusie A.-G. Timmerman voor Hoge Raad 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2935, onder 3.5.
Hoge Raad 9 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:316, rov. 3.3.2; Hoge Raad 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2935, rov. 3.4.3.
Hoge Raad 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2935, rov. 3.4.3.
Kamerstukken II 2005/06, 29 942, nr. 7, p. 84, 88; Kamerstukken I 2006/07, 29 942, nr. C, p. 11. [voetnoot 3 in origineel.]
Conclusie A.-G. Timmerman voor Hoge Raad 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2935, onder 3.4.
Conclusie A.-G. Timmerman voor Hoge Raad 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2935, onder 4.3. Zie bijvoorbeeld ook Hof 's‑Hertogenbosch 30 oktober 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:4521, rov. 3.9.4 (‘indien de achterstanden zijn aangezuiverd, de bewindvoerder deze zaak zal voordragen voor beëindiging’).
Hoge Raad 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2935, rov. 3.4.4 (‘In het licht van de hiervoor in 3.4.3 vermelde bedoeling van de wetgever …’).
In dit licht begrijpt [de schuldenares] Hoge Raad 19 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2048, waarin het feitelijke oordeel van het hof — mede gezien de beperkte mogelijkheid tot toetsing daarvan in cassatie — in stand werd gelaten dat het schenden van de sollicitatieplicht voor een periode van vijf maanden leidde tot een verlenging van de schuldsaneringsregeling met een periode van twaalf maanden.
Zie rechtbankvonnis, rov. 4.3 (‘De rechtbank heeft waardering voor het feit dat schuldenares zich maximaal heeft ingespannen om een inkomen te verdienen’) en de opmerking van de bewindvoerder in het hofarrest, rov. 2.2 (‘[de schuldenares] werkt hard, toont inzet en heeft een goed inkomen’). Het hof komt daar niet meer op terug.
Kamerstukken II 2005/06, 29 942, nr. 7 (Nota naar aanleiding van het Verslag), p. 53 en 89 (‘het is ten slotte geen strafregeling’). Kamerstukken I 2006/07, 29 942, nr. C (Memorie van Antwoord), p. 10–11 (‘De schuldsaneringsregeling is tenslotte geen straftermijn die hoe dan ook behoort te worden volbracht, maar zij is vooral bedoeld om de schuldenaar een kans op een schuldenvrije toekomst te bieden en ten behoeve van de schuldeisers zoveel mogelijk baten voor de boedel te verzamelen.’).
Kamerstukken I 2006/07, 29 942, nr. C (Memorie van Antwoord), p. 10–11.
Zie hiervóór onder randnummer 1.3.
Zie bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 19 oktober 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:8427 rov. 3.3; Rb. Rotterdam 1 september 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:9693; Hof 's‑Hertogenbosch 25 oktober 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BU2055, rov. 3.5.2; Hof 's‑Hertogenbosch 8 december 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:4456, bekrachting van eensluidend oordeel van de rechtbank. Hof 's‑Hertogenbosch 30 oktober 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:4521, rov. 3.9.4. Verder (niet gepubliceerd): Hof Amsterdam 30 maart 2017, 200.209.260/01 / C-13-14-3-R, rov. 2.1; Hof Amsterdam 1 mei 2018, 200.232.929/01 / C/15/675/2015 R, rov. 2.6; Hof Amsterdam 18 september 2018, 200.243.510/01 / C/13/15/455-R, rov. 2.5. Voorheen anders: Hof 's‑Hertogenbosch 4 juni 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008:BD5644, rov. 4.5.
Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1203, rov. 3.4.4.
Die consequenties zouden er — zie Hoge Raad 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2935, rov. 3.6.2 — ook niet behoren te zijn, omdat het inkomen van de zoon pas is toegenomen tussen de beëindiging van de reguliere termijn van de schuldsaneringsregeling en de mondelinge behandeling bij het hof.
Beroepschrift, onder 13.
Vergelijk rov. 2.6, waarin de bewindvoerder verklaart dat [de schuldenares] zich gemotiveerd heeft getoond de schuldsanering tot een goed einde te brengen en dat de nieuwe schulden reeds zijn afbetaald. Bij de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [de schuldenares] aangegeven: ‘Zij heeft inmiddels alle achterstallige informatie aan de bewindvoerder aangeleverd, waardoor deze de boedelachterstand nauwkeurig kon vaststellen’ (pleitaantekeningen). Van enige (voortdurende) schending van een verplichting — anders dan de boedelachterstand — is geen sprake.
Vergelijk B.J. Engberts, ‘De afdrachtplicht bij verlenging van de looptijd van de Wsnp’, Schuldsanering 2008/4, p. 3, die (in 2008) opmerkte dat het ‘van groot belang is dat op dit punt duidelijkheid komt’, maar dat ‘goed mogelijk [is] dat deze kwestie voorlopig niet aan de Hoge Raad wordt voorgelegd’.