HR 14 juni 2016, ECLI:2016:1177.
HR, 01-11-2016, nr. 15/04108
ECLI:NL:HR:2016:2491, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
01-11-2016
- Zaaknummer
15/04108
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2016:2491, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 01‑11‑2016; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2015:4551, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:1056, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2016:1056, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 04‑10‑2016
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2491, Gevolgd
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2016-0411
Uitspraak 01‑11‑2016
Inhoudsindicatie
Niet beslist op voorwaardelijk gedaan getuigenverzoek. Hof is kennelijk uitgegaan van vooronderstelling dat aan verzoek tot horen van getuige geen voorwaarden kunnen worden verbonden. Deze opvatting is onjuist. Een verzuim op zo’n verzoek te beslissen heeft ex art. 330 Sv jo. art. 415 Sv nietigheid tot gevolg (vgl. ECLI:NL:HR:2016:1177).
Partij(en)
1 november 2016
Strafkamer
nr. S 15/04108
KD/AJ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 17 augustus 2015, nummer 23/004869-14, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht enafgedaan.
2. Beoordeling van het middel
2.1.
Het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd te beslissen op een ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging gedaan voorwaardelijk verzoek tot het horen van een getuige.
2.2.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte aldaar - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende aangevoerd:
"Om mij moverende redenen heb ik tot nu toe gemeend dat we [getuige] met rust moeten laten. In raadkamer kunt u alsnog besluiten om hem te horen. Daartoe doe ik een voorwaardelijk verzoek."
2.3.
Het proces-verbaal houdt voorts het volgende in:
"De voorzitter onderbreekt het pleidooi van de raadsman en deelt hem mede dat het hof geen voorwaardelijke verzoeken accepteert."
2.4.
Het Hof is kennelijk uitgegaan van de vooronderstelling dat aan een verzoek tot het horen van een getuige geen voorwaarden kunnen worden verbonden. Deze opvatting is onjuist. Een verzuim op een zodanig verzoek te beslissen heeft ingevolge art. 330 Sv in verbinding met art. 415 Sv nietigheid tot gevolg (vgl. HR 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016: 1177).
2.5.
Het middel is terecht voorgesteld.
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 november 2016.
Conclusie 04‑10‑2016
Inhoudsindicatie
Niet beslist op voorwaardelijk gedaan getuigenverzoek. Hof is kennelijk uitgegaan van vooronderstelling dat aan verzoek tot horen van getuige geen voorwaarden kunnen worden verbonden. Deze opvatting is onjuist. Een verzuim op zo’n verzoek te beslissen heeft ex art. 330 Sv jo. art. 415 Sv nietigheid tot gevolg (vgl. ECLI:NL:HR:2016:1177).
Nr. 15/04108
Mr. Machielse
Zitting 4 oktober 2016 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het gerechtshof Amsterdam heeft op 17 augustus 2015 het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 1 december 2014, waarbij verdachte voor: “witwassen” tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden en tot verbeurdverklaring van inbeslaggenomen geld is veroordeeld, onder aanvulling met een bespreking van een in hoger beroep gevoerd verweer, bevestigd.
2. Mr. P.J. Silvis, advocaat te Schiedam, heeft cassatie ingesteld. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft een schriftuur ingezonden houdende een middel van cassatie.
3.1. Het middel klaagt dat de voorzitter van het hof in reactie op een voorwaardelijk verzoek om een getuige te horen de advocaat van verdachte heeft onderbroken en hem heeft meegedeeld dat het hof geen voorwaardelijk verzoek accepteert.
3.2. Ter terechtzitting van het hof van 3 oktober 2015 heeft verdachte verklaard dat hij een huis wilde kopen in Turkije en daarom geld heeft geleend van een zwager, verdachtes compagnon. Hij heeft een schuld aan deze [getuige] van € 60.000. Vervolgens heeft de advocaat van verdachte onder meer het volgende verklaard:
"Om mij moverende redenen heb ik tot nu toe gemeend dat we [getuige] met rust moeten laten. In raadkamer kunt u alsnog besluiten om hem te horen. Daartoe doe ik een voorwaardelijk verzoek."
Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting vervolgt dan:
"De voorzitter onderbreekt het pleidooi van de raadsman en deelt hem mede dat het hof geen voorwaardelijke verzoeken accepteert."
3.3. Uit het proces-verbaal volgt dat een verzoek is gedaan als bedoeld in artikel 315 in verbinding met artikel 328 Sv, kennelijk onder de voorwaarde dat het hof niet zou overwegen om verdachte vrij te spreken. Zoals de steller van het middel betoogt heeft de verdediging door het optreden van de voorzitter niet de gelegenheid gekregen om het voorwaardelijk verzoek exact te formuleren. Maar de voorafgaande uitlating van de advocaat lijkt mij voldoende duidelijk. De maatstaf voor de beoordeling van zo een verzoek is of de rechter honorering van het verzoek noodzakelijk oordeelt. Het hof heeft deze maatstaf miskend, hetgeen tot vernietiging van het bestreden arrest dient te leiden.1.
4. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 04‑10‑2016