Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/4.3.1
4.3.1 Het Nederlandse recht
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90808:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Naar Nederlands recht is een overdracht tot zekerheid niet mogelijk op grond van art. 3:84 lid 3 BW. Dit is genuanceerd door de Hoge Raad in het Sogelease-arrest en door de invoering van het FZO-pandrecht en de FZO–overdracht, maar blijft in dit proefschrift buiten beschouwing.
Art. 3:236 lid 1 of 3:237 lid 1 BW.
MvT, Kamerstukken II 2015/16, 34442, 3, p. 11-12 en p. 25-28. Zie ook Biemans 2017, T&C Burgerlijk Recht, art. 7:84 BW, nr. 2. Art. 7:92 BW daargelaten, want deze bepaling is ook bij een overeenkomst tussen twee (of meer) professionele partijen van dwingend recht, art. 7:98 BW.
Wil de leverancier een zekerheidsrecht verkrijgen op roerende zaken die hij niet heeft geleverd of wil hij een zekerheidsrecht dat strekt tot zekerheid van een vordering die buiten de opsomming van art. 3:92 lid 2 BW valt, dan biedt het eigendomsvoorbehoud geen soelaas. De leverancier zal een pandrecht moeten bedingen.
In sommige gevallen kan dit een voorbehouden pandrecht zijn. Dit pandrecht kan namelijk strekken tot zekerheid van vorderingen buiten art. 3:92 lid 2 BW. Het is echter beperkt tot de zaken die de leverancier levert aan de koper. Wenst de leverancier een pandrecht op andere goederen van de koper, dan moet de koper een pandrecht vestigen ten gunste van de leverancier.1 Gedacht kan worden aan de vordering uit doorverkoop van de onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaken. Een mogelijk nadeel van dit pandrecht ten opzichte van het voorbehouden pandrecht, is dat het rang neemt naar het moment van vestiging (bij voorbaat) op grond van de prioriteitsregel. Een eerder gevestigd pandrecht (bij voorbaat) gaat in rang boven het pandrecht van de leverancier.
Voor de vestiging van een pandrecht gelden vestigingsformaliteiten. Voor een vuistloos of stil pandrecht is een authentieke of een geregistreerde onderhandse akte vereist.2 Daarnaast bevat art. 7:86 BW aanvullende vereisten voor een pandrecht in het kader van een overeenkomst van goederenkrediet, mits partijen daarvan niet contractueel afwijken. Van deze overeenkomst is sprake indien de leverancier krediet heeft verstrekt dat pas na drie maanden of meer (terug)betaald hoeft te worden en de koper direct het genot van de zaak verkrijgt. De leverancier is verplicht om de kredietsom en het plan van afbetaling op te nemen in een schriftelijke overeenkomst, maar vereist niet dat het pandrecht uitdrukkelijk in de kredietovereenkomst staat zoals bij het eigendomsvoorbehoud. Professionele partijen kunnen hiervan contractueel afwijken.3