RCR 2025/30
Studiekosten. Wanneer mag een bekostigde onderwijsinstelling kosten, die bovenop het (wettelijk of instellings-)collegegeld komen, aan studenten in rekening brengen?
HR 31-01-2025, ECLI:NL:HR:2025:165
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
31 januari 2025
- Magistraten
Mrs. G. de Groot, T.H. Tanja-van den Broek, F.J.P. Lock, F.R. Salomons, K. Teuben
- Zaaknummer
23/01284
- Conclusie
A-G mr. R.H. de Bock
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD9146:1
- Vakgebied(en)
Onderwijsrecht / Hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
Verbintenissenrecht / Onrechtmatige daad
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:165, Uitspraak, Hoge Raad, 31‑01‑2025
ECLI:NL:PHR:2024:374, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 05‑04‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 09‑06‑2023
Beroepschrift, Hoge Raad, 03‑04‑2023
- Wetingang
Art. 7.34, 7.50 WHW; art. 6:228 BW
Essentie
Studiekosten. Informatieverstrekking. Dwaling.
Wanneer mag een bekostigde onderwijsinstelling kosten, die bovenop het (wettelijk of instellings-)collegegeld komen, aan studenten in rekening brengen?
Samenvatting
In de periode 2009-2018 hebben eisers tot cassatie, een groep van 133 oud-studenten, aan de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR) een twee jaar durende parttime master bedrijfskunde (de Master) gevolgd. Afhankelijk van het jaar van hun inschrijving betaalden de oud-studenten voor het volgen van deze master rond de € 34.000. Het wettelijk collegegeld bedroeg in die periode rond de € 2.000 per jaar en het instellingscollegegeld (het bedrag dat instellingen studenten, die al een van overheidswege gefinancierde ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.