HR, 28-10-2016, nr. 16/00371
ECLI:NL:HR:2016:2425
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
28-10-2016
- Zaaknummer
16/00371
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2016:2425, Uitspraak, Hoge Raad, 28‑10‑2016; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2015:5187, Bekrachtiging/bevestiging
Beroepschrift, Hoge Raad, 08‑03‑2016
- Vindplaatsen
FED 2017/14 met annotatie van E. POELMANN
NLF 2016/0494
FutD 2016-2594
Viditax (FutD) 2016102802
Uitspraak 28‑10‑2016
Inhoudsindicatie
Als de inspecteur in hoger beroep de strafmaat van een bestuurlijke boete ter discussie stelt, is de hogerberoepsrechter gehouden te beoordelen welk boetebedrag in de omstandigheden van het geval passend en geboden is, en kan de boete lager uitvallen ook als de belastingplichtige geen (incidenteel) hoger beroep heeft ingesteld. Uitzondering als bedoeld in BNB 2015/78.
Partij(en)
28 oktober 2016
nr. 16/00371
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's Hertogenbosch van 11 december 2015, nrs. 14/00721 tot en met 14/00729, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. AWB 14/158 tot en met AWB 14/166) betreffende aan [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) opgelegde naheffingsaanslagen in de belasting zware motorrijtuigen en de daarbij gegeven boetebeschikkingen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Beoordeling van de middelen
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
2.1.2
Belanghebbende had tot 1 juli 2013 de belasting zware motorrijtuigen (hierna: de BZM) over een tijdvak van een jaar op aangifte voldaan. Op verschillende data in juli, augustus en september 2013 is geconstateerd dat met voormeld zwaar motorrijtuig gebruik werd gemaakt van de autosnelweg zonder dat de verschuldigde BZM vóór de aanvang van dat gebruik op aangifte was voldaan. De Inspecteur heeft daarop aan belanghebbende negen naheffingsaanslagen in de BZM opgelegd van elk € 8. Daarbij heeft de Inspecteur op de voet van artikel 13, lid 1, van de Wet BZM per naheffingsaanslag een boetebeschikking gegeven van € 246.
2.1.3.
De naheffingsaanslagen zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd. De boetebeschikkingen zijn bij die uitspraken verminderd tot telkens € 160.
2.1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard voor zover het de boetebeschikkingen betreft, de uitspraken op bezwaar betreffende de boetebeschikkingen vernietigd en elk van de boetebeschikkingen verminderd tot een bedrag van € 111,11.
2.1.5.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft geen hoger beroep of incidenteel hoger beroep ingesteld. Hij heeft evenmin een verweerschrift ingediend.
2.2.
Voor het Hof was uitsluitend in geschil of de boetebeschikkingen tot te hoge bedragen zijn vastgesteld.
2.3.1.
Het Hof heeft geoordeeld dat terecht negen boetebeschikkingen zijn gegeven. Daartoe heeft het Hof overwogen dat het belastbare feit voor de Wet BZM het gebruik van de autosnelweg met een zwaar motorrijtuig is en dat het meermalen gebruikmaken van de autosnelweg met een zwaar motorrijtuig zonder dat de BZM vóór de aanvang van dat gebruik is voldaan, evenzovele malen een verzuim vormt. Van afwezigheid van alle schuld bij belanghebbende is naar ’s Hofs oordeel voorts geen sprake, zodat moet worden geoordeeld dat belanghebbende negen verzuimen in de zin van artikel 13, lid 1, van de Wet BZM heeft begaan, waardoor belanghebbende in beginsel een boete beloopt van € 160 per verzuim.
2.3.2.
In het kader van de beoordeling van de vraag of de hoogte van de boeten in dit geval passend en geboden is, heeft het Hof aannemelijk geacht:
(i) dat belanghebbende ter zake van het zware motorrijtuig waarmee voormelde verzuimen zijn begaan, het oogmerk had om de verschuldigde BZM over een tijdvak van een jaar te betalen vóór aanvang van het gebruik van de autosnelweg met dat zware motorrijtuig,
(ii) dat dit vanwege een fout niet is gebeurd, en
(iii) dat belanghebbende alsnog een jaarvignet heeft aangevraagd zodra hem van deze fout was gebleken.
Hiervan uitgaande heeft het Hof geoordeeld dat de negen verzuimen steeds zijn terug te voeren op voormelde fout. Het Hof heeft daarop de bedragen van de boeten zodanig verder verminderd dat in totaal een bedrag aan boeten resteert van € 160, en heeft dat bedrag verdeeld over de negen beboete verzuimen.
2.4.1.
Het tweede middel betoogt onder meer dat de hogerberoepsrechter een boete niet op een lager bedrag mag vaststellen dan de rechter in eerste aanleg heeft gedaan wanneer de belastingplichtige geen (incidenteel) hoger beroep heeft ingesteld.
2.4.2.
De partij die niet tijdig hoger beroep instelt en evenmin binnen de daarvoor geldende termijn incidenteel hoger beroep instelt, kan door de uitspraak van de hogerberoepsrechter niet in een gunstiger positie komen te verkeren ten opzichte van de uitspraak van de rechtbank. Dat is slechts anders in het geval waarin de beslissing van de hogerberoepsrechter een kwestie betreft waarnaar deze rechter ambtshalve onderzoek behoort te doen (zie HR 19 december 2014, nr. 13/06296, ECLI:NL:HR:2014:3610, BNB 2015/78, rechtsoverweging 2.3.3).
2.4.3.
In het onderhavige geval doet zich een hiervoor in de slotzin van 2.4.2 bedoelde uitzondering voor. Ingeval de inspecteur in hoger beroep de strafmaat van een bestuurlijke boete ter discussie stelt, is het gerechtshof gehouden te beoordelen welk boetebedrag naar de omstandigheden van het geval passend en geboden is. Indien dat bedrag lager is dan het boetebedrag dat uit de uitspraak van de rechtbank voortvloeit, dient het gerechtshof de uitspraak van de rechtbank te vernietigen, en de boete op dat lagere bedrag vast te stellen (in dezelfde zin CRvB 11 december 2014, nr. 14-3106 TW, ECLI:NL:CRVB:2014:4214).
2.4.4.
Op grond van hetgeen hiervoor in 2.4.2 en 2.4.3 is overwogen, faalt het tweede middel in zoverre. Het tweede middel voor het overige kan evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu dat middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
2.5.
Het eerste middel betoogt dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, de hoogte van de negen boeten verder heeft verminderd tot in totaal € 160. Het middel faalt. Het Hof heeft bij zijn oordeel omtrent de vraag welk boetebedrag voor elk van de negen verzuimen passend en geboden is, terecht acht geslagen op alle feiten en omstandigheden van het onderhavige geval. Het Hof heeft geen rechtsregel geschonden door bij dat oordeel tevens van belang te achten dat de negen verzuimen steeds zijn terug te voeren op één fout die, zodra deze belanghebbende was gebleken, is hersteld. ’s Hofs oordeel geeft mitsdien geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
3. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, E.N. Punt, P.M.F. van Loon en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken 28 oktober 2016.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 503.
Beroepschrift 08‑03‑2016
Den Haag, [- MRT 2016]
Kenmerk: DGB 2016-381
Motivering van het beroepschrift in cassatie (rolnummer 16/00371) tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 11 december 2015, nrs. 14/00721 t/m 14/00729, inzake [X] te [Z] betreffende de aan belanghebbende met dagtekening van 26 september 2013, 31 oktober 2013 en 28 november 2013 opgelegde naheffingsaanslagen belasting zware motorrijtuigen met boetebeschikkingen.
AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Naar aanleiding van uw brief van 27 januari 2016 heb ik de eer het volgende op te merken.
Als middelen van cassatie draag ik voor:
I
Schending van het Nederlandse recht, in het bijzonder van het bepaalde in de artikelen 2, 11 en 13 van de Wet belasting zware motorrijtuigen (hierna: Wet BZM) in samenhang met paragraaf 36, derde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (hierna: BBBB) en artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht, doordat het Hof heeft geoordeeld dat het totaal aan boetes dient te worden bepaald op € 160 te verdelen over de negen boetebeschikkingen, zulks op grond van het hiernavolgende ten onrechte althans op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen.
Ter toelichting merk ik het volgende op.
Feiten
Vaststaat dat op 22, 23, 29 en 31 juli 2013, 21, 28 en 29 augustus 2013 en 23 en 25 september 2013 is geconstateerd dat met het motorrijtuig gebruik is gemaakt van de autosnelweg. De verschuldigde BZM is niet vóór aanvang van het gebruik van de autosnelweg op aangifte voldaan. Ter zake hiervan heeft de Inspecteur de onderhavige negen naheffingsaanslagen BZM met boetebeschikkingen opgelegd. De Inspecteur heeft de verzuimboete per naheffingsaanslag verminderd tot op € 160 per boetebeschikking. De rechtbank heeft de boeten verminderd tot op € 111, 11 per naheffingsaanslag.
Meer verzuimen
Het Hof overweegt in r.o. 4.7 terecht, dat het meermalen gebruik maken van de autosnelweg met een zwaar motorrijtuig zonder dat de belasting voor aanvang is voldaan, evenzovele keren een verzuim vormt. Het feit dat belanghebbende voornemens was om de belasting te voldoen door middel van een jaaraangifte, doet daar niet aan af.
Het Hof oordeelt eveneens met recht in r.o. 4.9 dat het gelet op de keuze van de wetgever voor een gering tarief per dag en de mogelijkheid om per dag te betalen, een relatief hoge boete gerechtvaardigd is om de nakoming van die fiscale verplichtingen af te dwingen. De nakoming van de fiscale verplichting dient immers te worden ingescherpt. Daarenboven wijst het Hof (r.o. 4.10) erop dat het de verantwoordelijkheid van belanghebbende is om zo nodig dagelijks te controleren of alle benodigde papieren bij de vrachtauto in orde zijn, zodat de verschuldigde BZM tijdig wordt afgedragen. De naheffingsaanslagen en verzuimboetes zijn niet bedoeld als signaleringssysteem.
Passend en geboden boete: matiging bij jaarvignetten
Bij de beoordeling of sprake is van passend en geboden boetes speelt voor het Hof kennelijk een doorslaggevende betekenis dat belanghebbende het oogmerk had ter zake van de vrachtauto het zogenoemde jaarvignet te verlengen.
Hiermee brengt het Hof mijns inziens echter een onzuiver element in beeld. Vooropgesteld, de beboetbare gedraging is het niet betalen van de verschuldigde BZM ter zake van het met de vrachtauto gebruik maken van de autosnelweg op de verschillende dagen. Per geconstateerd gebruik op een dag staat vast dat belanghebbende een beboetbare gedraging begaat in de vorm van het niet betalen van BZM voor dat gebruik op die dag. Hieraan doet de omstandigheid dat de wetgever ook de mogelijkheid biedt om de betaling van de BZM voor een week, een maand of een jaar te doen niet af. Hierin ligt besloten dat de Inspecteur op een en dezelfde dag ook slechts kan constateren dat voor die dag geen BZM is betaald, waardoor het na te heffen belastingbedrag aan BZM daartoe dient te worden beperkt. Een naheffing van BZM over een langere periode dan één dag past niet in het systeem van de Wet BZM.
Het Hof lijkt nu in materiële zin de beboetbare gedraging te koppelen aan het niet tijdig verlengen van het jaarvignet. Daargelaten op welke wijze nu precies kan c.q. dient te worden bepaald wanneer sprake is van een zogenoemde jaar- of dagauto, acht ik dat een onjuiste benadering van de beboetbare gedraging c.q. de onderwerpelijke materie. Bij het door het Hof voorgestane onderscheid zou het naar mijn mening ook passen het na te heffen bedrag aan BZM te laten aansluiten bij de kwalificatie van de vrachtauto als jaar- of dagauto met daarbij passende tarieven. Het systeem van de Wet BZM dat aansluit bij het gebruik van de autosnelweg en het voor aanvang daarvan betalen van de BZM in combinatie met het opleggen van een naheffingsaanslag, sluit dat echter uit.
Vanuit de (calculerende) belastingplichtige bezien zal het effect van het niet betalen van de BZM gedurende een bepaalde tijd worden bezien aan de hand van de verhouding tussen de opgelegde naheffingsaanslagen met boetebeschikkingen ten opzichte van het ‘uitgespaarde’ bedrag aan BZM over die periode.
In de door het Hof gehanteerde benadering leidt dat tot de volgende verhouding. Gedurende drie maanden — juli, augustus, september — in 2013 heeft belanghebbende geen BZM betaald voor deze vrachtauto. Pas vanaf eind september 2013 is belanghebbende weer voor een jaar BZM gaan betalen. De daarmee uitgespaarde BZM is tenminste een bedrag van ¼ × het jaartarief ex artikel 10, eerste lid, Wet BZM (stel bijvoorbeeld € 960) is € 240.
Het totaal aan naheffingsaanslagen met passend en geboden boetebeschikkingen voor die drie maanden bedraagt naar het oordeel van het Hof negen naheffingen × € 8 (= € 72) vermeerderd met een totaal aan boetes van € 160, maakt een totaalbedrag van € 232. Reeds uit deze simpele vergelijking kan worden geconcludeerd dat het niet betalen van BZM voor deze vrachtauto door belanghebbende ‘loont’. Daarmee gaat ieder effect van de opgelegde boete ter inscherping van het nakomen van de fiscale verplichting verloren. In mijn optiek heeft het Hof dit gevolg miskend c.q. volledig uit het oog verloren, terwijl het Hof in de r.o. 4.9 en 4.10 dit wel op een correcte wijze als uitgangspunt heeft geformuleerd.
Conclusie
Hoe groot in beginsel de beoordelingsruimte voor de feitenrechter ook is ten aanzien van het leerstuk van de passende en geboden boete, ben ik in het onderhavige geval van mening dat het Hof op onjuiste gronden tot het oordeel is gekomen dat in casu een totaal aan boetes van €160 een passend en geboden boetebedrag vormt.
Van het door de rechtbank vastgestelde totaalbedrag aan boetes van € 1000 kan gelet op het door mij gestelde daarentegen niet worden geconcludeerd dat dit disproportioneel is, zodat een verdere matiging mijns inziens ook niet in de rede zou liggen c.q. genoopt is.
II.
Schending van het Nederlandse recht, in het bijzonder van het bepaalde in artikel 8:110 Algemene wet bestuursrecht en de in acht te nemen regels van formeel belastingrecht, doordat het Hof het hoger beroep van de Inspecteur ontvankelijk heeft verklaard en vervolgens zonder ingesteld incidenteel hoger beroep door belanghebbende op een resultaat uitkomt dat voor de Inspecteur slechter is dan de beslissing van de rechtbank, zulks in verband met het hiernavolgende ten onrechte.
Ter toelichting merk ik het volgende op.
Inleiding
De rechtbank heeft de boeten verminderd tot op € 111, 11 per naheffingsaanslag. Blijkens de pleitnota van de Inspecteur kan deze zich uiteindelijk in deze vermindering vinden, maar is het ingestelde hoger beroep gericht tegen de door de rechtbank gegeven motivering. Belanghebbende heeft geen verweerschrift ingediend.
Niet-ontvankelijk hoger beroep Inspecteur
De Inspecteur beklaagt zich voor het Hof nog slechts over de door de rechtbank gebezigde motivering ter onderbouwing van de matiging van de boetes naar een totaalbedrag van € 1000. Met de beslissing van de rechtbank kan de Inspecteur zich verenigen. Het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep kan dus niet tot een voor de Inspecteur gunstiger resultaat leiden dan de uitspraak van de rechtbank. In een dergelijk geval is mijns inziens sprake van een gebrek aan belang bij het hoger beroep, zodat het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Vgl. o.a. HR 3 december 2010, nr. 09/04397, BNB 2011/69, en Hof Den Haag 27 januari 2016, nr. 15/00338, ECLI:NL:GHDHA:2016:126. Het Hof is hiertoe niet overgaan, hetgeen naar mijn mening dan ook rechtens onjuist is.
Geen verweerschrift belanghebbende; geen incidenteel hoger beroep
Belanghebbende heeft in hoger beroep geen verweerschrift ingediend en evenmin binnen de termijn een andersoortig geschrift. Gelet op het bepaalde in artikel 8:110 Algemene wet bestuursrecht kan het instellen van incidenteel hoger beroep dan niet meer aan de orde zijn of komen, nu die bepaling voorschrijft dat het incidenteel hoger beroep op het laatst dient te gebeuren bij, in of met het verweerschrift. Hieraan doet het door uw Raad gewezen arrest van 12 september 2014, nr. 13/01640, BNB 2015/9, niet af. Daarin heeft uw Raad namelijk het volgende overwogen:
‘Voor zover middel II betoogt dat het Hof ten onrechte in het verweerschrift een incidenteel hoger beroep heeft onderkend, wordt het middel verworpen. Niet is vereist dat wanneer incidenteel hoger beroep wordt ingesteld in het verweerschrift dit met zoveel woorden als incidenteel hoger beroep is aangeduid. Het oordeel van het Hof dat het onderhavige verweerschrift in hoger beroep mede een incidenteel hoger beroep behelst, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst.’
Weliswaar is gelet op dit arrest het met zoveel woorden melding maken van het instellen van incidenteel hoger beroep niet vereist, maar dat laat onverlet dat er wel een verweerschrift dient te zijn ingediend. Van dat laatste is in het onderhavige geval geen sprake. Derhalve dient ervan te worden uitgegaan, dat belanghebbende geen (tijdig) incidenteel hoger beroep heeft ingediend. Desondanks pakt het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep slechter uit dan de beslissing van de rechtbank, hetwelk volgens mij op formele gronden niet correct is.
Overigens merk ik nog op dat het arrest van uw Raad van 10 augustus 2001, nr. 35618, BNB 2001/377, hieraan niet afdoet, nu immers in casu niet tijdig een incidenteel hoger beroep is ingesteld of kan worden verondersteld.
Ambtshalve beoordeling hoger beroep door het Hof
Gelet op het door het Hof gestelde onder r.o. 4.5 en 4.17 komt het Hof blijkbaar op ambtshalve aangebrachte gronden tot de matiging van het totaal aan boetes en bepaling van dat bedrag op € 160.
Kan dit een rechtvaardiging zijn voor de voor de Inspecteur slechtere uitkomst van het ingestelde hoger beroep of anderszins voor de voor belanghebbende gunstigere uitspraak zonder het instellen van principaal of incidenteel hoger beroep?
Een vraag die door mij ontkennend wordt beantwoord onder verwijzing naar het door uw Raad gewezen arrest van 19 december 2014, nr. 13/06296, BNB 2015/78. In voornoemd arrest overweegt uw Raad immers:
‘2.3.2.
In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleld tot de totstandkoming van artikel 27m AWR is het volgende vermeld:
‘De rechtsstrijd in hoger beroep wordt (…) beperkt tot de door de appellerende partij geformuleerde gronden van het hoger beroep. De andere partij kan zich daartegen uiteraard verweren, maar niet zelf alsnog haar eigen bezwaren tegen de uitspraak van de eerste rechter naar voren brengen. Anders gezegd: de berustende partij kan er door het hoger beroep nog wel op achteruit gaan, maar niet meer op vooruit gaan, tenzij zij zelf alsnog hoger beroep instelt.’
(Kamerstukken II 2003/04, 29 251, nr. 3, blz. 10).
2.3.3.
In overeenstemming hiermee moet worden aangenomen dat de partij die niet tijdig hoger beroep instelt en evenmin binnen de daarvoor geldende termijn incidenteel hoger beroep Instelt, door de uitspraak van de hogerberoepsrechter niet in een gunstiger positie kan komen te verkeren ten opzichte van de uitspraak van de rechtbank. Dat is slechts anders in het — zich hier niet voordoende — geval waarin de beslissing van de hogerberoepsrechter een kwestie betreft waarnaar deze rechter ambtshalve onderzoek behoort te doen, zoals de vraag of het beroep was gericht tegen een voor beroep vatbaar handelen of nalaten van het bestuursorgaan (vgl. HR 12 juli 2013, nr. 12/02259, ECLI:NL:HR:2013:21, BNB 2013/237).
2.4.
De klachten treffen in zoverre doel. Gelet op 's Hofs in cassatie niet bestreden vaststelling dat het incidentele hoger beroep niet tijdig is ingesteld en in aanmerking genomen dat de stukken van het geding geen aanwijzing bevatten dat die termijnoverschrijding verschoonbaar zou kunnen zijn, getuigt 's Hofs oordeel dat het incidentele hoger beroep als zodanig kan worden geaccepteerd van een onjuiste rechtsopvatting.’
Het Hof behoort naar mijn mening in dezen naar de passendheid en gebodenheid van de boete geen ambtshalve onderzoek te doen, nu dat immers geen kwestie van openbare orde betreft.
De annotator van dit arrest in de BNB, P.J. van Amersfoort, stelt in zijn noot nog aan de orde de verhouding van het voormelde arrest van uw Raad met de uitspraak CRvB 11 december 2014, nr. 14/3106 TW, V-N 2015/2.6. Aan het slot van zijn noot onder BNB 2015/78, punt 5, komt hij in dat kader tot de conclusie dat de hogerberoepsrechter ambtshalve de bestuurlijke boete ten volle moet toetsen als deze voorwerp van de rechtsstrijd is ook als enkel het bestuursorgaan de beslissing van de rechtbank over de boete aanvecht, nu dat volgens hem alsdan een kwestie is waarnaar deze rechter ambtshalve onderzoek behoort te doen.
Die conclusie acht ik rechtens niet onomstreden en laat ik dan ook graag ter beoordeling van uw Raad. Zie ook dr. E.B. Pechler, Appelleren is riskeren, NTFR-B 2015/36.
Voor de onderhavige zaak acht ik de uitkomst daarvan echter sowieso niet relevant omdat op de voet van mijn eerdere stellingen het hoger beroep van de Inspecteur wegens het ontbreken van belang niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Tegen die achtergrond komt mij de door het Hof ambtshalve gepleegde positieverslechtering voor de Inspecteur in ieder geval onterecht voor.
Conclusie
In het onderhavige geval wordt een resultaat van het Hof dat voor de Inspecteur slechter uitkomt dan de beslissing van de rechtbank niet ondersteund door de juiste wijze van toepassing van de regels van formeel belastingrecht.
Op grond van het vorenstaande ben ik van oordeel dat de uitspraak van het Hof niet in stand zal kunnen blijven.
DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN,
namens deze,
DE DIRECTEUR-GENERAAL BELASTINGDIENST,