Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 19 december 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:5921.
HR, 06-06-2025, nr. 23/03594
ECLI:NL:HR:2025:852
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
06-06-2025
- Zaaknummer
23/03594
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:852, Uitspraak, Hoge Raad, 06‑06‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:296
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2023:5167
ECLI:NL:PHR:2025:296, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 28‑02‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:852
ECLI:NL:PHR:2024:1053, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑10‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 14‑09‑2023
- Vindplaatsen
PFR-Updates.nl 2025-0138
NJ 2025/298 met annotatie van L.C.A. Verstappen
Uitspraak 06‑06‑2025
Inhoudsindicatie
Personen- en familierecht. Huwelijksvermogensrecht. Procesrecht. Vervolg op HR 30 augustus 2019, ECLI:NL:HR:2019:1292. 'Potovereenkomst': uitvoeringsovereenkomst verrekenbeding huwelijkse voorwaarden of nadere huwelijkse voorwaarde? Vergoedingsrecht. Voldoening aan natuurlijke verbintenis? Bijdragen aan kosten van huishouding of investering in woning? Stelpicht en bewijslastverdeling.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 23/03594
Datum 6 juni 2025
ARREST
In de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: de man,
advocaat: J. van Duijvendijk-Brand,
tegen
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: de vrouw,
advocaat: H.J.W. Alt.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar:
a. het arrest in de zaak 18/01099 van de Hoge Raad van 30 augustus 2019, ECLI:NL:HR:2019:1292;
b. het arrest in de zaak 200.296.336 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 juni 2023.
De man heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De vrouw heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F. Ibili in het principale cassatieberoep strekt tot vernietiging.
De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
De aanvullende conclusie strekt tot verwerping van het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep.
De advocaat van de vrouw heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Partijen zijn in april 1996 met elkaar gehuwd.
(ii) Voorafgaand aan het sluiten van het huwelijk zijn partijen huwelijkse voorwaarden aangegaan, die onder meer de volgende bepalingen bevatten:
“Artikel 1
De echtgenoten zijn met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen gehuwd.
(...)
Artikel 3
De echtgenoten zijn, voor zover niet anders bepaald, verplicht aan elkaar te vergoeden hetgeen aan het vermogen van de ene echtgenoot is onttrokken ten bate van de andere echtgenoot, ten bedrage van of naar de waarde ten tijde van de onttrekking.
Deze vergoedingen zijn terstond opeisbaar, tenzij de redelijkheid en billijkheid zich hiertegen verzetten.
Artikel 6
1. Inkomen
a. Onder inkomen wordt verstaan het begrip belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 verminderd met de daarover verschuldigde belasting op inkomen en premieheffïng-volksverzekeringen, waarbij het inkomen dat wordt toegerekend aan één echtgenoot wordt geacht te behoren tot het inkomen van degene die het inkomen feitelijk heeft genoten.
b. Indien één der echtgenoten met zijn werk- of opdrachtgever is overeengekomen (waaronder begrepen met een besloten vennootschap waarvan één der echtgenoten directeur/grootaandeelhouder is), dat de door hem te genieten inkomsten op een ongebruikelijke wijze zullen worden verminderd dan wel op een ongebruikelijk tijdstip zullen worden genoten, wordt hiermee voor de berekening van het inkomen geen rekening gehouden. Ook wordt geen rekening gehouden met een beloning uit een door één der echtgenoten gedreven onderneming die niet reëel is.
Artikel 9
De echtgenoten verplichten zich over elk kalenderjaar hetgeen van hun inkomen in de zin van artikel 6, onder aftrek van hetgeen daarvan is besteed voor de gemeenschappelijke huishouding, overblijft onderling te verrekenen in die zin, dat de ene echtgenoot een vordering verkrijgt op de andere echtgenoot ten bedrage van de helft van het aan diens zijde overblijvende als hiervoor bedoeld. Indien de echtgenoten over en weer een vordering op elkaar krijgen worden de vorderingen door een desbetreffende verklaring verrekend tot het bedrag van de kleinste vordering. Indien aan een echtgenoot langs andere weg iets ten goede komt of is gekomen van het overblijvende van het inkomen van de andere echtgenoot, wordt zijn vordering dienovereenkomstig verminderd.
(…)
Artikel 12
Geen verrekening vindt plaats:
(…)
b. over het kalenderjaar dat het inkomen als bedoeld in artikel 9 van een echtgenoot, onder aftrek van de kosten van de huishouding, tengevolge van verlies in een zelfstandig uitgeoefend beroep of bedrijf van die echtgenoot negatief is en over volgende kalenderjaren indien en voorzover het voor verrekening overeenkomstig artikel 9 vatbare inkomen van de betreffende echtgenoot niet het bedrag van het verlies heeft bereikt;
(...)”
(iii) In juni 1996 zijn partijen een zogeheten ‘potovereenkomst’ aangegaan, kort samengevat inhoudend dat zij hun jaarlijkse winsten bij elkaar zouden voegen en deze bij helfte zouden verdelen. In de schriftelijke weergave van die overeenkomst is voorafgaand aan de afspraken onder meer het volgende opgenomen:
“in aanmerking nemende:
dat partijen met elkaar een potovereenkomst wensen aan te gaan teneinde onder handhaving van de zelfstandigheid van ieders onderneming er daardoor toe bij te dragen, dat hun jaarlijkse ongelijkmatige winsten enigszins genivelleerd worden, (…)”
(iv) De man heeft uit hoofde van de potovereenkomst een bedrag van € 27.433,-- aan de vrouw betaald.
(v) Partijen hebben tijdens het huwelijk gewoond in een woning die eigendom was van de moeder van de vrouw en aan de vrouw in erfpacht was gegeven (hierna: de woning).
(vi) Het huwelijk van partijen is in 2012 door echtscheiding ontbonden.
2.2
De man vordert, voor zover in cassatie nog van belang, de vrouw te veroordelen tot terugbetaling van het door hem op grond van de potovereenkomst betaalde bedrag van € 27.433,-- (zie hiervoor in 2.1 onder (iv)). Daarnaast vordert de man de vrouw te veroordelen tot vergoeding van volgens de man door hem in de woning gedane investeringen ter grootte van € 383.313,--.
2.3
De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch1.heeft het vonnis bekrachtigd. Bij arrest van 30 augustus 2019 heeft de Hoge Raad2.het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De Hoge Raad overwoog daartoe:
“4.1.1 Onderdeel 1.3 van het middel is gericht tegen rov. 3.15.3, waarin het hof de vordering van de man tot terugbetaling van het door hem aan de vrouw betaalde bedrag van € 27.433,-- (…) ongegrond oordeelt. (…)
4.1.2 (…)
De man heeft (…) aangevoerd dat tussen partijen niet meer in discussie is dat de potovereenkomst bij gebreke van de notariële vorm nietig is, dat aan de potovereenkomst slechts eenmaal uitvoering is gegeven, dat de potovereenkomst sterk afwijkt van de huwelijkse voorwaarden wat betreft het overeengekomen inkomensbegrip, de te verrekenen inkomsten en de te hanteren rekenmethodiek, dat in de potovereenkomst cruciale bepalingen als (onder meer) art. 12, aanhef en onder b, van de huwelijkse voorwaarden ontbreken en dat de potovereenkomst zo haaks staat op de huwelijkse voorwaarden dat het moeilijk is enig verband tussen beide te ontdekken. In het licht van deze stellingen van de man zijn de (…) oordelen van het hof zonder nadere motivering niet begrijpelijk. Voorts zijn deze oordelen zonder nadere motivering niet te verenigen met de uitleg die het hof (…) heeft gegeven aan art. 12, aanhef en onder b, van de huwelijkse voorwaarden.
4.2
Onderdeel 2 heeft betrekking op de vordering van de man tot vergoeding van door hem in de woning gedane investeringen. (…) Het hof heeft daarbij volgens onderdeel 2.5 miskend dat de man heeft betoogd dat het voorwaardelijke vorderingsrecht van de vrouw uit hoofde van art. 5:99 BW in het vermogen van de vrouw valt, waardoor dat vermogen is toegenomen. Tevens heeft het hof miskend dat de man heeft aangevoerd dat het erfpachtrecht zelf ook een waarde heeft, die mede wordt bepaald door de waarde van de opstallen en die kan worden verzilverd bij overdracht ervan, aldus het onderdeel.
Deze klachten zijn gegrond. Het hof heeft de hiervoor weergegeven stellingen van de man niet kenbaar in zijn overwegingen betrokken. Het oordeel van het hof dat de door de man gepleegde investeringen niet ten bate van de vrouw zijn gekomen als bedoeld in art. 3 van de huwelijksvoorwaarden, kan daarom niet in stand blijven.”
2.4
In de procedure na verwijzing heeft het hof3.het vonnis van de rechtbank onder aanvulling van gronden bekrachtigd.
3. Beoordeling van het middel in het principale beroep
Potovereenkomst
3.1.1
Onderdeel 1 van het middel is gericht tegen het oordeel van het hof over de geldigheid van de tussen partijen gesloten potovereenkomst (zie hiervoor in 2.1 onder (iii)). Het hof heeft daarover overwogen:
“3.12 Met de potovereenkomst hebben partijen ervoor gekozen jaarlijks de winsten in hun bedrijven samen te delen en daarnaast ook verliezen tot f 100.000. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat het de bedoeling van de potovereenkomst was dat ieder hetzelfde in de portemonnee zou hebben. Daarmee heeft de potovereenkomst dezelfde strekking als het periodiek verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden van partijen en kan deze niet anders worden gezien dan als een uitvoering daarvan op een concreet onderdeel, te weten de winsten en verliezen in de ondernemingen van partijen. Zo’n uitvoeringsovereenkomst is geen huwelijkse voorwaarde waarvoor op straffe van nietigheid de vormeis van een notariële akte geldt. Het hof is van oordeel dat deze overeenkomst geldig is en dat betalingen op grond van die overeenkomst niet zonder rechtsgrond zijn. Van onverschuldigde betaling is dan ook geen sprake. Dat de potovereenkomst slechts eenmaal zou zijn uitgevoerd, zoals de man stelt maar de vrouw betwist, betekent niet dat deze zonder rechtsgrond is. De potovereenkomst heeft enkel tot onderwerp de winsten en verliezen uit de ondernemingen van partijen, terwijl het periodiek verrekenbeding een ruimer inkomensbegrip kent. Dat doet niet af aan de geldigheid van de potovereenkomst. Het staat partijen immers vrij ter uitvoering van het verrekenbeding nadere (uitvoerings)afspraken te maken over een bepaald soort inkomsten, zoals in dit geval winsten en verliezen uit de ondernemingen. Bij de uitvoering staat het partijen ook vrij – in onderling overleg – af te wijken van de rekenmethodiek en andere bepalingen in de huwelijkse voorwaarden. De afwijking bij de concrete uitvoering tast de regeling over de periodieke verrekening van inkomsten in de huwelijkse voorwaarden zelf niet aan. Niet is gesteld of gebleken dat de potovereenkomst in de plaats is gekomen van artikel 9 dan wel artikel 12 van de huwelijkse voorwaarden van partijen.”
Volgens het onderdeel geeft het oordeel van het hof dat de potovereenkomst een geldige uitvoeringsovereenkomst is van het periodiek verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is het onbegrijpelijk. Het voert onder meer aan dat verrekening volgens de potovereenkomst zich niet laat verenigen met de wijze van verrekening volgens art. 9 en 12 van de huwelijkse voorwaarden. Nu de potovereenkomst afwijkt van de huwelijkse voorwaarden, is deze bij gebreke van notariële vastlegging nietig (art. 1:115 BW), aldus de kern van de klacht.
3.1.2
Echtgenoten die onder huwelijkse voorwaarden zijn gehuwd kunnen overeenkomen op welke wijze zij uitvoering zullen geven aan een daarin voorkomend beding. Voor zover die wijze van uitvoering blijft binnen de kaders van het betrokken beding, behoeft zo’n nadere overeenkomst niet notarieel te worden vastgelegd. Voor zover de nadere overeenkomst naar inhoud of uitkomst afwijkt van dat beding, is evenwel sprake van een nadere huwelijkse voorwaarde. Op grond van art. 1:115 lid 1 BW moet een dergelijke overeenkomst in zoverre op straffe van nietigheid bij notariële akte worden aangegaan.4.
3.1.3
In zijn eerdere arrest in deze zaak heeft de Hoge Raad overwogen dat het oordeel van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, dat de potovereenkomst moet worden gezien als een overeenkomst ter uitvoering van het verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden, zonder nadere motivering niet te verenigen valt met de uitleg die dat hof heeft gegeven aan art. 12, aanhef en onder b, van de huwelijkse voorwaarden (rov. 4.2, zie hiervoor in 2.3). Die uitleg houdt in dat geen verrekening plaatsvindt over het jaar waarin het inkomen van de vrouw negatief was. Op die grond heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch vastgesteld dat er gedurende het huwelijk van partijen geen sprake is geweest van een periodieke verrekenplicht (rov. 3.9.7 in verbinding met rov. 3.9.4). Dat oordeel is toen in cassatie tevergeefs bestreden, zodat in de procedure na verwijzing tussen partijen vaststond dat er op grond van de huwelijkse voorwaarden niets te verrekenen valt.
3.1.4
In zijn arrest na verwijzing heeft het hof overwogen dat de potovereenkomst niet anders kan worden gezien dan als een uitvoering van het periodiek verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden op een concreet onderdeel, te weten de winsten en verliezen in de ondernemingen van partijen (rov. 3.12, zie hiervoor in 3.1.1). Het verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden en de potovereenkomst leiden echter tot uiteenlopende uitkomsten: tussen partijen staat vast dat er op grond van de huwelijkse voorwaarden niets te verrekenen valt (zie hiervoor in 3.1.3). Uitvoering van de potovereenkomst leidt volgens het hof echter wél tot verrekening. Gelet hierop heeft het hof miskend dat slechts sprake kan zijn van een overeenkomst tot uitvoering van een beding in de huwelijkse voorwaarden als de wijze van uitvoering blijft binnen de kaders van het betrokken beding (zie hiervoor in 3.1.2). De klacht is in zoverre gegrond.
Vergoedingsplicht; natuurlijke verbintenis? Kosten van de huishouding?
3.2.1
Met onderdeel 2 bestrijdt de man het oordeel van het hof dat de man geen vergoedingsrecht toekomt op de voet van art. 3 van de huwelijkse voorwaarden, voor de investeringen die hij stelt te hebben gedaan in de woning. Het hof heeft de vordering van de man, voor zover deze ziet op zijn bijdrage aan de kosten van verbouwing van de woning, afgewezen op de grond dat de man daarmee heeft voldaan aan een natuurlijke verbintenis jegens de vrouw (rov. 3.25-3.30). Voor zover de vordering ziet op overige betalingen, berust de afwijzing erop (voor zover in cassatie van belang), dat de vrouw aannemelijk heeft gemaakt dat de man met deze betalingen heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding (rov. 3.32-3.33 en 3.37-3.45).
(a) verbouwingskosten; natuurlijke verbintenis?
3.2.2
Onderdeel 2.2 klaagt over het oordeel van het hof dat de man met de gestelde bijdragen aan de kosten van verbouwing van de woning heeft voldaan aan een natuurlijke verbintenis jegens de vrouw. Het hof heeft ter zake onder meer het volgende overwogen:
“3.28 Als de ene echtgenoot de tegenprestatie voldoet voor een woning van de andere echtgenoot alleen, is dat een objectieve aanwijzing voor de aanwezigheid van een natuurlijke verbintenis [voetnoot hof: HR 15 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1808, NJ 1996/616 met noot W.M. Kleijn (Le Miralda)]. Dat geldt volgens het hof ook als de ene echtgenoot de kosten van een verbouwing van de woning van de andere echtgenoot betaalt. Het ligt voor de hand dat die prestatie ertoe strekt te waarborgen dat de andere echtgenoot (in dit geval de vrouw) ook na het einde van het huwelijk in die woning kan blijven wonen. Deze waarborg komt niet tot zijn recht, wanneer zij het gevaar loopt deze woning te moeten verkopen om aan een vergoedingsplicht jegens de ene echtgenoot of zijn erfgenamen te kunnen voldoen. Het verschaffen van een zodanige waarborg kan naar maatschappelijke opvattingen worden beschouwd als een prestatie die aan (in dit geval) de vrouw op grond van een dringende morele verplichting toekomt. Daarbij moet wel acht worden geslagen op de omstandigheden van het geval, waaronder de wederzijdse welstand en behoefte van partijen. In uitzonderlijke situaties is niet uitgesloten dat partijen deze objectieve aanwijzing kunnen doorbreken, bijvoorbeeld door ten tijde van het verrichten van de prestatie overeen te komen dat later voor deze prestatie zal worden betaald. Ook de omstandigheid dat partijen een gescheiden boekhouding voeren, kan bijdragen aan het oordeel dat geen sprake is van het voldoen aan een natuurlijke verbintenis. De situatie op het moment van het verrichten van de prestatie bepaalt of sprake is van voldoening aan een natuurlijke verbintenis. Het is niet van belang hoe partijen er later (bijvoorbeeld tijdens een echtscheidingsgeding) financieel blijken voor te staan. Ook is niet relevant of het huwelijk van partijen door overlijden of door echtscheiding werd beëindigd.
3.29
Wat de omstandigheden van het geval betreft staat het volgende vast. Beide partijen zijn afkomstig uit welgestelde agrarische families. Mede in verband daarmee (en in verband met de ondernemingen van partijen) zijn partijen huwelijkse voorwaarden aangegaan, met in artikel 3 het hiervoor vermelde vergoedingsrecht, en nadien nog de potovereenkomst. De man had diverse ondernemingen en exploiteerde landbouwgrond. De vrouw was van beroep fotografe. Zij heeft voor het huwelijk een ongeval gehad als gevolg waarvan zij arbeidsongeschikt is geworden en een WAZ-uitkering ontving. Uit haar werkzaamheden als fotografe genereerde zij geen (noemenswaardig) inkomen; zij had geen vermogen. Zij heeft van de verzekeraar van de aansprakelijke partij uiteindelijk een letselschade-vergoeding ontvangen, die pas in 2007 is uitgekeerd. Er was sprake van een traditioneel rollenpatroon, waarbij de man het grootste deel van het inkomen genereerde en de vrouw voor het huishouden en hun dochter zorg droeg. Partijen woonden met hun dochter vanaf 1999 tot 2009 gezamenlijk in de woning. De vrouw had die woning (vanaf 2004) in erfpacht van haar moeder, tegen een erfpachtcanon van € 12.660 per jaar. Ten tijde van de verbouwing van de woning (jaren 2001 en daarna) was de vrouw niet in staat die verbouwing zelf (geheel) te financieren, hoewel zij een gedeelte ervan uit eigen inkomsten en schenkingen en leningen van haar moeder heeft meegefinancierd. Met de verbouwing werd tevens kantoorruimte en voorzieningen ten behoeve van de (ondernemingen van de) man in/bij de woning gerealiseerd. Gelet op deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, en de verhoudingen tussen partijen als (ex-)echtgenoten, is het hof van oordeel dat ten tijde van het huwelijk sprake was van een dringende morele verplichting bij de man om bij te dragen aan de kosten van de verbouwing van de gezamenlijk bewoonde woning.
3.30
De man kan daarom op grond van deze natuurlijke verbintenis geen aanspraak
maken op vergoeding van de door hem betaalde verbouwingskosten. Dit betreft de bedragen
van € 14.871. (2001), € 37.691 (2002), en € 112.274 (2003). Ook tot de kosten van de
verbouwing rekent het hof het bedrag van fl.100.000 dat de man in 2000 aan de vrouw heeft
betaald ten behoeve van de aannemer (…) die vervolgens voor de start van de
werkzaamheden failliet is gegaan. Tussen partijen staat vast dat de vrouw dit bedrag (evenals
eenzelfde uit haar eigen vermogen afkomstig bedrag) heeft doorbetaald aan die aannemer, en
daarmee dat dit geld voor de verbouwing van de woning bestemd was. Ten aanzien van deze
bedragen komt het hof dus niet meer toe aan bespreking van de vraag of een
vergoedingsrecht is ontstaan.”
3.2.3
Het onderdeel bestrijdt onder meer de toepassing op dit geval van de door het hof in rov. 3.28 weergegeven maatstaf en het oordeel in rov. 3.29 dat de omstandigheden van het geval leiden tot het aannemen van een natuurlijke verbintenis van de man jegens de vrouw.
3.2.4
De vraag of sprake is van een natuurlijke verbintenis als bedoeld in art. 6:3 lid 2, aanhef en onder b, BW moet naar een objectieve maatstaf worden beoordeeld. Aan het subjectieve inzicht van degene die de prestatie voldoet, komt geen beslissende betekenis toe.5.Bepalend is de situatie op het moment van het verrichten van de prestatie.
In een geval als hier aan de orde moet worden beoordeeld of de prestatie van de echtgenoot diende tot verzorging van de andere echtgenoot na het einde van het huwelijk. Daarbij is niet van belang hoe partijen er later financieel blijken voor te staan, noch of het huwelijk door overlijden of door echtscheiding werd beëindigd.6.
De omstandigheid dat een echtgenoot investeert in een woning die (mede) op naam staat van de andere echtgenoot en voor hen gezamenlijk, dan wel alleen voor de andere echtgenoot bestemd is, kan een objectieve aanwijzing vormen voor de aanwezigheid van een natuurlijke verbintenis. Bij de beoordeling of deze investering daadwerkelijk strekt tot verzorging van de andere echtgenoot na het einde van het huwelijk, dienen echter ook de overige omstandigheden van het geval ten tijde van die investering in aanmerking te worden genomen. Tot die omstandigheden behoren de wederzijdse welstand en behoefte van partijen.7.In dit verband kunnen ook ten tijde van de investering bestaande objectieve aanwijzingen omtrent de welstand en behoefte van de ontvangende echtgenoot in de toekomst, in de beoordeling van diens verzorgingsbehoefte worden betrokken.
3.2.5
Onderdeel 2.2.4 klaagt dat het oordeel van het hof dat de man met zijn bijdragen aan de kosten van verbouwing van de woning voldeed aan een natuurlijke verbintenis jegens de vrouw, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat ter zake van een investering door een echtgenoot in een woning geen sprake kan zijn van de voldoening aan een natuurlijke verbintenis als de andere echtgenoot de woning niet in eigendom heeft, maar in erfpacht.
Deze klacht faalt. Ook een investering van een echtgenoot in een woning die de andere echtgenoot in erfpacht heeft kan onder omstandigheden leiden tot vermogensopbouw door laatstgenoemde en daarmee tot diens verzorging na het einde van het huwelijk.
3.2.6
Onderdeel 2.2.4 klaagt verder dat het oordeel van het hof dat de man met zijn bijdragen aan de verbouwingskosten voldeed aan een natuurlijke verbintenis jegens de vrouw tegenstrijdig is met, althans onbegrijpelijk is in het licht van, zijn vaststelling dat het recht van erfpacht pas in 2004 ten gunste van de vrouw is gevestigd, nu het gaat om bijdragen in de jaren 2000-2003.
Ook deze klacht faalt. Dat de vrouw pas in 2004 formeel erfpachter van de woning is geworden, sluit niet uit dat reeds ten tijde van de bijdragen van de man een objectieve aanwijzing bestond dat de investeringen in de woning aan de opbouw van het vermogen van de vrouw zouden bijdragen (zie hiervoor in 3.2.4, laatste alinea en hierna in 3.2.7-3.2.8, onderdeel 2.2.11).
3.2.7
De onderdelen 2.2.8-2.2.11 zien op de welstand van de vrouw.
Onderdeel 2.2.8 klaagt dat het hof ten onrechte in zijn beoordeling heeft betrokken dat de vrouw ten tijde van de verbouwing van de woning geen vermogen had. Het onderdeel wijst erop dat de vrouw niet heeft gesteld dat zij geen vermogen had. Zij heeft slechts gesteld dat zij niet over voldoende middelen beschikte om de verbouwing geheel zelf te financieren, aldus de klacht.
Onderdeel 2.2.10 voegt daaraan toe dat het oordeel van het hof dat de vrouw ten tijde van de investeringen geen vermogen had wat betreft de door de vrouw ontvangen letselschadevergoeding in het licht van de gedingstukken onbegrijpelijk is. De verzekeraar heeft onmiddellijk na het ongeval van de vrouw in 1994 aansprakelijkheid erkend. Bovendien blijkt uit de eigen stellingen van de vrouw dat al in 1997 een medische eindtoestand is vastgesteld, waarbij de vrouw haar werk nauwelijks meer kon verrichten. Op dat moment was dus voorzienbaar dat de letselschadevergoeding een omvangrijke post voor verlies van verdiencapaciteit zou omvatten. De omstandigheid dat de precieze omvang van het vorderingsrecht nog niet vaststond en dat de vergoeding eerst in 2007 is uitgekeerd, doet niet eraan af dat de vordering tot schadevergoeding ten tijde van de investeringen van de man in de verbouwing van de woning al tot het vermogen van de vrouw behoorde, aldus het onderdeel.
Tot slot klaagt onderdeel 2.2.11 dat de overweging dat de vrouw geen vermogen heeft ook niet te rijmen valt met de vaststelling door het hof dat beide echtgenoten uit welgestelde agrarische families afkomstig zijn en mede in verband daarmee de huwelijkse voorwaarden zijn aangegaan. Het onderdeel wijst voorts erop dat de vrouw zelf heeft gesteld dat door de huwelijkse voorwaarden voorkomen moest worden dat de vermogens vermengd zouden raken en dat het de uitdrukkelijke bedoeling was dat de boerderij die partijen als echtelijke woning gebruikten in het bezit van haar familie zou blijven. De in de erfpachtakte van 12 februari 2004 opgenomen regeling sluit daarbij aan, aldus het onderdeel.
3.2.8
De hiervoor in 3.2.7 weergegeven klachten zijn gegrond. De vrouw heeft niet gesteld dat zij ten tijde van de verbouwing van de woning geen vermogen had. De vaststelling dat zij geen vermogen had is voorts onbegrijpelijk in het licht van de in de onderdelen 2.2.10 en 2.2.11 genoemde, uit de gedingstukken blijkende, stellingen en omstandigheden.
3.2.9
Na verwijzing zal met inachtneming van het voorgaande opnieuw moeten worden beoordeeld of de man met zijn bijdragen aan de verbouwing van de woning heeft voldaan aan een natuurlijke verbintenis jegens de vrouw. Daarbij kan ook de door onderdeel 2.2.7 genoemde stelling van de man omtrent zijn eigen welstand ten tijde van die bijdragen aan de orde kunnen komen. Dat onderdeel behoeft daarom nu geen behandeling.
(b) overige betalingen; kosten van de huishouding?
3.2.10
Onderdeel 2.3 klaagt over het oordeel van het hof dat aan de man ter zake van de overige betalingen die hij stelt te hebben geïnvesteerd in de woning, geen vergoedingsrecht toekomt, omdat de vrouw aannemelijk heeft gemaakt dat de man met deze betalingen – voor zover zij zijn komen vast te staan – heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding. Het hof heeft, voor zover thans van belang, het volgende overwogen:
“3.37 Tussen partijen is niet in geschil dat de man de volgende bedragen van zijn
bankrekening naar de bankrekening van de vrouw heeft overgemaakt:
€ 22.698 (fl. 49.780 in oktober 1998)
€ 24.625 (fl. 54.266 in maart 1999)
€ 57.403 (fl. 126.500 in september 2001)
€ 28.300 in 2003
€ 20.000 in oktober 2005.
3.38
De vrouw beroept zich erop dat deze vermogensverschuivingen bijdragen in de
huishouding betreffen. Zij stelt dat zij voor het overgrote deel voor de dagelijkse
huishoudelijke uitgaven zorgde. In de jaren 2001 tot en met 2008 was dit minimaal
gemiddeld € 27.000,- per jaar. Gemiddeld ontving zij per jaar van de man € 20.000,-. Het ene
jaar was dat een hoog bedrag, als het liquiditeits-technisch binnen zijn bedrijf verantwoord
was, vervolgens betaalde hij een paar jaar niets. De betaalde bedragen zijn aangewend voor
huishoudelijke uitgaven, niet voor investeringen in de woning. Die financierde zij met eigen
inkomsten, en rente leningen en schenkingen van haar moeder. De vrouw heeft een aantal
door haarzelf opgestelde overzichten, bonnen en bankafschriften overgelegd.
De man betwist de stellingen van de vrouw. Hij voert aan dat partijen geen gezamenlijke
bankrekening hadden maar via hun eigen bankrekening meebetaalden aan de kosten van de
huishouding. Het was volgens hem niet gebruikelijk dat de man geld overmaakte naar de
vrouw, of omgekeerd, om daarmee kosten van de huishouding te betalen. Partijen betaalden
ieder veel kosten via hun eigen bedrijf, zoals de auto en de telefoon, en de overige kosten,
zoals boodschappen, die partijen samen deden, werden voornamelijk door de man betaald.
(…)
3.44
Uit de door de vrouw overgelegde rekeningen en bankafschriften van betalingen in
de periode 2001 tot en met 2005 kan het hof wel vaststellen dat de vrouw een aantal
algemene lasten (rekeningen nutsvoorzieningen Delta, waterschapslasten) van de woning
betaalde. De woning was destijds van de moeder van de vrouw, en partijen hadden die in
erfpacht. Het is in overeenstemming met de huwelijkse voorwaarden dat beide partijen aan
deze woonlast, en aan andere gebruikelijke lasten (zoals de gebruikelijke verzekeringen,
waterschapslasten) die bij het bewonen van een echtelijke woning horen, bijdragen. Ook ziet
het hof dat de vrouw van haar rekening zaken zoals kleding, de kerk, de bibliotheek, de
kapper, kosten van gezondheidszorg (dokter, tandarts, verloskundige) betaalde. Dergelijke
kosten ziet het hof in de bankafschriften van de man niet terug.
3.45
Het hof ziet aan de bankafschriften dat de man in deze jaren steeds in het najaar een
bedrag aan de vrouw heeft overgemaakt, en een keer in het begin van het volgende jaar een
bedrag. Het hof is van oordeel dat de vrouw voldoende heeft onderbouwd dat deze
betalingen van de man kosten van de huishouding betroffen. De man heeft tegenover dit
onderbouwde verweer niet (voldoende) duidelijk gemaakt waarom hij in drie van die vier
jaren steeds in het najaar een bedrag naar de vrouw heeft overgemaakt. Gelet op het
onderbouwde verweer van de vrouw en mede gelet op wat hiervoor in 3.43 is overwogen
over het inkomen, gaat het hof er vanuit dat de man met deze vermogensverschuivingen
bijdroeg aan de kosten van de huishouding. De man heeft daarom geen aanspraak op
vergoeding van deze bedragen.”
3.2.11
Onderdeel 2.3.7 klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 3.44, dat het de daar genoemde kosten niet terugziet in de bankafschriften van de man, onbegrijpelijk is. De man heeft voor de jaren 2001-2004 overzichten overgelegd en met facturen en bankafschriften onderbouwd, en gesteld dat daaruit blijkt dat de door het hof genoemde kostenposten in zeer grote aantallen voorkomen op die overzichten.
De klacht is gegrond. Op de in het onderdeel genoemde plaatsen heeft de man inderdaad gesteld en met (onder meer) bankafschriften onderbouwd dat hij de door het hof bedoelde uitgaven deed.
3.2.12
Zoals hierna in 4.2.3 wordt overwogen, draagt de man de bewijslast van zijn stelling dat hij met zijn betalingen heeft geïnvesteerd in de woning en daarom een vergoedingsrecht heeft. Bij de beoordeling van die stelling in de procedure na verwijzing kunnen de overige klachten van onderdeel 2.3 worden betrokken. Deze behoeven daarom nu geen behandeling.
3.3
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beoordeling van het middel in het voorwaardelijke incidentele beroep
4.1
Hiervoor in 3.2.8 en 3.2.11 is gebleken dat onderdeel 2 van het middel in het principale beroep doel treft. Daarmee is de voorwaarde vervuld waaronder het incidentele beroep is ingesteld. Het daarin voorgestelde middel moet daarom worden onderzocht.
4.2.1
De onderdelen II.1 en II.2 van het middel zien op de verdeling van de stelplicht en de bewijslast ter zake van het vergoedingsrecht en, in verband daarmee, de uitleg van art. 3 van de huwelijkse voorwaarden. Het hof heeft daarover overwogen:
“3.32 Het hof haalt hier (…) nogmaals de tekst van artikel 3 van de
huwelijkse voorwaarden van partijen aan:
“De echtgenoten zijn, voor zover niet anders bepaald, verplicht aan elkaar te vergoeden
hetgeen aan het vermogen van de ene echtgenoot is onttrokken ten bate van de andere
echtgenoot, ten bedrage van of naar de waarde ten dage van de onttrekking.
Deze vergoedingen zijn terstond opeisbaar, tenzij de redelijkheid en billijkheid zich
hiertegen verzetten.”
3.33
Dat is een ruime formulering, die ook een vergoedingsrecht mogelijk maakt als
vermogen van de man niet rechtstreeks maar indirect ten bate van de vrouw is gekomen.
De stelplicht en bewijslast dat sprake is van een vermogensverschuiving van de man naar de
vrouw ligt bij de man. Voor een bevrijdend verweer dat er een rechtvaardiging voor die
vermogensverschuiving bestaat, heeft de vrouw de stelplicht en bewijslast. Het hof
bespreekt hierna de verschillende bedragen waarvan de man vergoeding vordert en zal
beoordelen welke bedragen uit het vermogen van de man naar de vrouw zijn gegaan en
waarom.
(…)
3.39 (…)
Door de overmakingen van de rekening van de man naar die van de vrouw staat vast dat wat aan zijn vermogen is onttrokken ten bate is gekomen van (het vermogen van) de vrouw; er is dus sprake van een vermogensverschuiving. De vrouw voert het bevrijdende verweer dat deze bedragen bijdragen van de man aan de kosten van de huishouding waren. De man heeft dat gemotiveerd betwist. Daarom ligt het op de weg van de vrouw om haar stellingen te onderbouwen en zo nodig te bewijzen. (…)”
4.2.2
De onderdelen betogen dat, waar de man zich beroept op art. 3 van de huwelijkse voorwaarden, hij niet alleen dient te stellen en bewijzen dat hij de betalingen uit zijn vermogen aan de vrouw heeft gedaan, maar ook dat deze aan haar ten bate zijn gekomen. Daartoe volstaat niet de overschrijving van bedragen van de rekening van de man naar die van de vrouw. Daarmee staat immers nog niet vast dat de bedragen ten bate van de vrouw zijn gekomen. Daartoe dient de man ook de titel van de betalingen te stellen, en bij betwisting te bewijzen. Van gebaat zijn is bijvoorbeeld geen sprake indien de man met de betalingen voldeed aan zijn plicht bij te dragen aan de kosten van de huishouding, aldus de onderdelen. Het hof heeft volgens de onderdelen dus ofwel een onjuiste of onbegrijpelijke uitleg gegeven aan art. 3 van de huwelijkse voorwaarden, ofwel miskend dat het betoog van de vrouw dat de door het hof in rov. 3.37 opgesomde betalingen van de man aan de vrouw bijdragen in de kosten van de huishouding betroffen, geen bevrijdend verweer oplevert waarvan zij de bewijslast draagt, maar een betwisting van de stelling van de man dat de desbetreffende bedragen in de woning zijn geïnvesteerd.
4.2.3
De man heeft aan zijn vordering uit hoofde van art. 3 van de huwelijkse voorwaarden ten grondslag gelegd dat de vrouw door de diverse betalingen is gebaat omdat de desbetreffende bedragen zijn geïnvesteerd in de woning. De man heeft zich in dat verband erop beroepen dat het voorwaardelijke vorderingsrecht van de vrouw uit hoofde van art. 5:99 BW in het vermogen van de vrouw valt, waardoor dat vermogen is toegenomen, en dat het erfpachtrecht van de vrouw zelf ook een waarde heeft, die mede wordt bepaald door de waarde van de opstallen en die kan worden verzilverd bij overdracht ervan (zie rov. 4.2 van het arrest van de Hoge Raad van 30 augustus 2019, aangehaald hiervoor in 2.3). De besteding van de gelden is daarmee onderdeel van de grondslag van de vordering van de man. Met zijn oordeel in rov. 3.39 dat met de overmakingen van de rekening van de man naar die van de vrouw vaststaat dat wat aan zijn vermogen is onttrokken ten bate is gekomen van de vrouw, en dat het betoog van de vrouw dat deze bedragen bijdragen van de man aan de kosten van de huishouding waren, moet worden aangemerkt als een bevrijdend verweer waarvan zij de bewijslast draagt, heeft het hof het voorgaande miskend. Gelet op de grondslag van de vordering van de man moet het zojuist genoemde betoog van de vrouw immers worden aangemerkt als een betwisting van een onderdeel van die grondslag, te weten dat de betalingen hebben geresulteerd in investeringen in de woning, zodat de vrouw uit hoofde van haar recht van erfpacht door die betalingen is gebaat. In zoverre slagen de hiervoor in 4.2.2 vermelde klachten.
4.3
De klachten van onderdeel II.3, die betrekking hebben op een aantal specifieke betalingen, kunnen, gelet op het slagen van de onderdelen II.1 en II.2, in de procedure na verwijzing aan de orde komen en behoeven daarmee op dit moment geen behandeling.
4.4
Voor zover onderdeel I, met het oog op de beoordeling na verwijzing of de gestelde investeringen ten bate van de vrouw zijn gekomen, erover klaagt dat het hof, in rov. 3.26, spreekt van “de woning van de vrouw”, faalt het omdat sprake is van een kennelijke verschrijving. Uit rov. 3.29 blijkt immers dat het hof ervan uitgaat dat de vrouw de woning (vanaf 2004) in erfpacht had van haar moeder. Om dezelfde reden faalt de klacht dat het hof heeft miskend dat de overeenkomst van erfpacht dateert uit 2004. Na verwijzing zal moeten worden beoordeeld of voordien door de man gedane investeringen in de woning ten bate van de vrouw zijn gekomen (vgl. ook hiervoor in 3.2.6). De op die vraag betrekking hebbende klachten van onderdeel I.3 behoeven geen behandeling.
4.5
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
5. Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale en in het voorwaardelijke incidentele beroep:
- vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 juni 2023;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing;
- compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, F.J.P. Lock en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 6 juni 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 06‑06‑2025
HR 30 augustus 2019, ECLI:NL:HR:2019:1292.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 juni 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:5167.
Vgl. HR 18 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7004, rov. 4.2.
Zie onder meer HR 9 november 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1105, rov. 4.4, HR 15 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1808 (Le Miralda), rov. 3.5 en HR 17 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2459, rov. 4.3-4.4.
HR 17 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2459, rov. 4.4.
Vgl. HR 15 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1808 (Le Miralda), rov. 3.5.
Conclusie 28‑02‑2025
Inhoudsindicatie
Personen- en familierecht. Huwelijksvermogensrecht. Aanvullende conclusie.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/03594
Zitting 28 februari 2025
AANVULLENDE CONCLUSIE
F. Ibili
In de zaak
[de man],eiser tot cassatie, verweerder in het incidentele cassatieberoep(hierna: de man)
tegen
[de vrouw],verweersters in cassatie, eiseres in het incidentele cassatieberoep(hierna: de vrouw)
1. Inleiding
1.1
In deze zaak over de huwelijksvermogensrechtelijke afwikkeling van de echtscheiding tussen partijen heb ik op 11 oktober 2024 geconcludeerd tot vernietiging in het principale cassatieberoep van de man.1.Het voorwaardelijk ingestelde incidentele cassatieberoep van de vrouw heb ik onbehandeld gelaten, omdat m.i. niet is voldaan aan de voorwaarde. Op verzoek van de Hoge Raad neem ik thans een aanvullende conclusie in het voorwaardelijk ingestelde incidentele cassatieberoep. Voor de relevante feiten en het procesverloop verwijs ik naar nr. 2 e.v. van mijn conclusie van 11 oktober 2024.
2. Bespreking van het cassatiemiddel in het incidentele beroep
2.1
Het incidentele cassatieberoep is ingesteld onder de voorwaarde dat in het principale cassatieberoep één of meer klachten van onderdeel 2 gegrond zullen worden verklaard. Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen, die uiteenvallen in verschillende rechts- en motiveringsklachten.
2.2
Onderdeel I voert aan dat het hof de grenzen van de rechtsstrijd in het geding na verwijzing heeft miskend. Het middel bestrijdt het oordeel van het hof dat in het geding na verwijzing opnieuw beoordeeld moet worden of de man een vergoedingsrecht heeft jegens de vrouw doordat vermogen van de man ten bate is gekomen van (het vermogen van) de vrouw (rov. 3.16). De achtergrond hiervan is het volgende.
2.3
Bij de beoordeling van de vordering van de man tot vergoeding van de door hem gestelde investeringen in de verbouwing van de woning, heeft het hof ’s-Hertogenbosch bij arrest van 19 december 2017 geoordeeld dat de gestelde investeringen ten bate van het vermogen van de moeder van de vrouw zijn geschied en niet ten bate van het vermogen van de vrouw (rov. 3.14.3). Op deze grond is de vordering van de man uit hoofde van een vergoedingsrecht in het geding voor verwijzing afgewezen. Bij arrest van 30 augustus 20192.heeft de Hoge Raad de hiertegen gerichte klachten van de man gegrond verklaard, omdat het hof niet kenbaar in zijn overwegingen heeft betrokken de stellingen van de man (i) dat het voorwaardelijke vorderingsrecht van de vrouw uit hoofde van art. 5:99 BW in het vermogen van de vrouw valt, waardoor dat vermogen is toegenomen, en (ii) dat het erfpachtrecht van de vrouw zelf ook een waarde heeft, die mede wordt bepaald door de waarde van de opstallen en die kan worden verzilverd bij overdracht ervan (rov. 4.2).
2.4
Volgens het middel had het hof in het geding na verwijzing, in het licht van het arrest van de Hoge Raad van 30 augustus 2019, uitsluitend nog te beoordelen of de vrouw op grond van de hiervoor genoemde stellingen (i) en (ii) van de man rechtstreeks in haar vermogen is gebaat. Het hof zou dit hebben miskend door in rov. 3.33 e.v. van het bestreden arrest te beoordelen of de door de man als grond voor een vergoedingsrecht aangevoerde individuele uitgaven indirect ten bate van de vrouw zijn gekomen. (subonderdeel I.1, p. 4-5)
2.5
Anders dan het middel veronderstelt, lees ik in het arrest van de Hoge Raad van 30 augustus 2019 niet dat het hof in het geding na verwijzing uitsluitend op grond van de hiervoor genoemde stellingen (i) en (ii) van de man had moeten beoordelen of de vrouw rechtstreeks in haar vermogen is gebaat door de investeringen die de man in de woning stelt te hebben gedaan. In voormeld arrest heeft de Hoge Raad geen inhoudelijk oordeel gegeven over de vermogensverschuiving van de man naar de vrouw en de uitleg van art. 3 van de huwelijkse voorwaarden, maar slechts geoordeeld dat het hof in rov. 3.14.3 van het arrest van 19 december 2017 bij de beoordeling van de vordering van de man uit hoofde van een vergoedingsrecht ten onrechte geen rekening heeft gehouden met voornoemde stellingen (i) en (ii) van de man. De vraag of de door de man gestelde investeringen in de woning ten bate van het vermogen van de vrouw zijn gekomen en van welke uitleg van art. 3 van de huwelijkse voorwaarden daarbij dient te worden uitgegaan, stond in het geding na verwijzing derhalve open. Dit betekent dat het hof in rov. 3.16 van het bestreden arrest terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat in het geding na verwijzing opnieuw moet worden beoordeeld of de man een vergoedingsrecht heeft jegens de vrouw. Verder stond het het hof vrij om in rov. 3.33 van het bestreden arrest uitleg te geven aan art. 3 van de huwelijkse voorwaarden, zonder miskenning van de omvang van de rechtsstrijd in het geding na verwijzing.
2.6
In het geding voor verwijzing heeft het hof niet vastgesteld welke van de door de man als grond voor een vergoedingsrecht aangevoerde individuele uitgaven vaststaan en welke niet. Net als de rechtbank in het vonnis van 16 maart 2016 (rov. 4.4.1) is het hof in rov. 3.14.3 van het arrest van 19 december 2017 veronderstellenderwijs uitgegaan van ‘een nominaal vergoedingsrecht ex art. 3 van de huwelijkse voorwaarden’. Het hof kon hiermee volstaan, omdat het van oordeel was dat, uitgaande van een vergoedingsrecht van de man op grond van de door hem gestelde betalingen, de investeringen in de woning niet ten bate zijn gekomen van het vermogen van de vrouw maar van het vermogen van de moeder van de vrouw. De vraag of de door de man gestelde investeringen in de woning ook hebben plaatsgevonden, was daarmee nog niet beantwoord. Om die reden mocht het hof in het geding na verwijzing opnieuw beoordelen of de vermogensverschuiving van de man naar de vrouw ten bate van het vermogen van de vrouw is gekomen. Anders gezegd, lag het geschil over de vergoedingsrechten waar de man aanspraak op maakt in het geding na verwijzing in het geheel ter beoordeling van het hof voor.
2.7
Verder formuleert het middel een motiveringsklacht tegen de overwegingen van het hof met betrekking tot de erfpachtrechtelijke positie van de vrouw ten aanzien van de woning waarop het vergoedingsrecht van de man betrekking heeft. Het oordeel van het hof zou innerlijk tegenstrijdig zijn, omdat de ene keer wordt gesproken van de woning die de vrouw in erfpacht had (rov. 3.16) en de andere keer van de woning van de vrouw (rov. 3.26). Bovendien zou onjuist zijn dat de investeringen van de man zijn gedaan in de woning die de vrouw destijds in erfpacht had. (subonderdeel I.1, p. 5-6)
2.8
In nr. 4.37 van mijn conclusie van 11 oktober 2024 heb ik vastgesteld dat de vrouw de woning met ingang van 12 februari 2004 in erfpacht heeft gekregen en dat de betalingen die de man stelt te hebben gedaan voor de verbouwingskosten van de woning hebben plaatsgevonden in de periode 2000 t/m 2003. Hiervan uitgaande betoogt het middel op zichzelf genomen terecht dat de door de man gestelde investeringen in de woning zijn gedaan in een periode waarin de vrouw nog geen erfpachter was van de woning, zodat de vrouw noch als eigenaar noch als erfpachter gebaat zal kunnen zijn als gevolg van deze investeringen in voormelde periode. Aldus bezien komt de man uit dien hoofde geen vergoedingsrecht toe. De klacht zal echter niet tot cassatie kunnen leiden, omdat de vrouw zich met succes heeft beroepen op een dringende morele verplichting van de man om bij te dragen aan de kosten van de gezamenlijk bewoonde woning (zie nr. 4.54 van mijn conclusie van 11 oktober 2024). Overigens merk ik nog op dat van een door het middel bedoelde innerlijke tegenstrijdigheid geen sprake is, aangezien het hof in rov. 3.26 bij de beoordeling van het beroep van de vrouw op een natuurlijke verbintenis veronderstellenderwijs uitgaat van een vergoedingsrecht van de man (‘Als de man de kosten van de verbouwing van de woning van de vrouw heeft betaald (…)’).
2.9
Het middel vervolgt met de klacht dat, voor zover in het geding na verwijzing nog ruimte zou bestaan voor uitleg van art. 3 van de huwelijkse voorwaarden, het hof in rov. 3.33 ten onrechte heeft volstaan met een tekstuele uitleg in plaats van een uitleg aan de hand van Haviltex. In dat verband verwijst het middel naar de in appel ingenomen stelling van de vrouw dat de notaris geen uitleg heeft gegeven over de huwelijkse voorwaarden.3.(subonderdeel I.2)
2.10
De klacht faalt. Het middel maakt niet duidelijk hoe de stelling van de vrouw dat de notaris geen uitleg heeft gegeven over de huwelijkse voorwaarden, zou hebben moeten bijdragen aan een andere uitleg van art. 3 van de huwelijkse voorwaarden dan de uitleg die het hof daaraan heeft gegeven in rov. 3.33. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof op basis van (vooral) een tekstuele uitleg gemeend art. 3 van de huwelijkse voorwaarden zo uit te leggen dat het ook een vergoedingsrecht mogelijk maakt als vermogen van de man niet rechtstreeks maar indirect ten bate van de vrouw is gekomen.
2.11
Voor zover het hof is uitgegaan van een juiste uitleg van art. 3 van de huwelijkse voorwaarden, waarbij een vergoedingsrecht ook mogelijk is als vermogen van de man niet rechtstreeks maar indirect ten bate van de vrouw is gekomen, voert het middel aan dat het hof ten onrechte alle door de man als grondslag voor een vergoedingsrecht aangevoerde individuele uitgaven heeft beoordeeld. Het middel herhaalt de klacht van subonderdeel I.1 dat het hof in het geding na verwijzing zich had moeten beperken tot een beoordeling of op grond van de in 2.3 genoemde stellingen (i) en (ii) van de man een vergoedingsrecht bestaat. Het hof zou ten onrechte niet zijn toegekomen aan een beoordeling van deze stellingen. (subonderdeel I.3)
2.12
Deze klacht is een herhaling van c.q. borduurt voort op eerdere klachten die falen. Ik teken hierbij nog het volgende aan. Op zichzelf genomen is het juist dat het hof geen inhoudelijk oordeel heeft gegeven over de stellingen (i) en (ii) van de man. Het hof heeft deze stellingen onbehandeld gelaten (rov. 3.47) en mocht dat ook doen, omdat het op grond van het bevrijdende verweer van de vrouw tot de conclusie is gekomen dat, ervan uitgaande dat een vergoedingsrecht voor de man is ontstaan, de man daarop geen aanspraak kan maken (rov. 3.30 en 3.46; zie ook nr. 4.38 e.v. van mijn conclusie van 11 oktober 2024).
2.13
De resterende klachten van onderdeel I zijn een herhaling van c.q. borduren voort op voorgaande klachten die tevergeefs zijn voorgesteld.
2.14
Onderdeel II voert aan dat het hof bij de beoordeling van een vergoedingsrecht van de man ten onrechte tot uitgangspunt heeft genomen dat door de overboekingen van de rekening van de man naar die van de vrouw vaststaat dat wat aan het vermogen van de man is onttrokken ten bate is gekomen van (het vermogen van) de vrouw, zodat sprake is van een vermogensverschuiving (rov. 3.39). Volgens het middel miskent het hof dat een enkele overboeking van de bankrekening van de man naar die van de vrouw onvoldoende is voor het aannemen van een vergoedingsrecht zoals bedoeld in art. 3 van de huwelijkse voorwaarden. Het hof had de titel van de overboekingen moeten vaststellen om te kunnen beoordelen of sprake is van een vermogensverschuiving in de zin van art. 3 van de huwelijkse voorwaarden. De vrouw heeft aangevoerd dat de overboekingen van de man niet ten bate van haar vermogen zijn gekomen en dat zij de ontvangen gelden heeft aangewend voor de kosten van de huishouding. Volgens het middel kan van een vergoedingsrecht alleen sprake zijn als met privévermogen van de man een privégoed van de vrouw is gefinancierd dan wel een schuld ter zake van een privégoed is voldaan of afgelost. (subonderdeel II.1)
2.15
De insteek van mijn conclusie van 11 oktober 2024 is dat, uitgaande van een vermogensverschuiving van de man naar de vrouw, het hof de vordering van de man uit hoofde van een vergoedingsrecht terecht heeft afgewezen op grond van het slagen van het bevrijdende verweer van de vrouw (nr. 4.18 e.v.). Aldus bezien, heeft de vrouw geen belang bij deze klacht. Afgezien hiervan, faalt de klacht op inhoudelijk gronden. Ik leg dat als volgt uit. Wanneer een echtgenoot die met uitsluiting van elke gemeenschap is gehuwd, hem toebehorende geldbedragen op een rekening ten name van de andere echtgenoot zet, krijgt eerstgenoemde echtgenoot jegens de andere echtgenoot daarvoor een vergoedingsrecht. Dit kan anders zijn wanneer tussen de echtgenoten afwijkende afspraken zijn gemaakt of wanneer een en ander is geschied om te voldoen aan een natuurlijke verbintenis van de ene echtgenoot tot verzorging van de andere. Bovendien is niet uitgesloten dat uit de redelijkheid en billijkheid anders voortvloeit.4.Het andersluidende standpunt in het middel moet worden verworpen.
2.16
Voorts betoogt het middel dat het hof de regels omtrent de stelplicht en bewijslast onjuist heeft toegepast. De klacht komt op het volgende neer. Op grond van art. 3 van de huwelijkse voorwaarden maakt de man aanspraak op een vergoedingsrecht in verband met een vermogensverschuiving van de man naar de vrouw. De vrouw heeft zich hiertegen verweerd met de stelling (i) dat de overboekingen van de man niet ten bate van haar vermogen zijn gekomen en zijn aangewend voor de kosten van de huishouding, en (ii) dat de man met de overboekingen heeft voldaan aan een natuurlijke verbintenis. Dit betreft een zuivere betwisting van de stelling van de man dat hem een vergoedingsrecht toekomt en, anders dan het hof overweegt (rov. 3.33 en 3.39), geen zelfstandig verweer van de vrouw. De stelplicht en bewijslast ter zake van de vermogensverschuiving, in het bijzonder de daaraan ten grondslag liggende titel, rusten op de man. (subonderdeel II.2)
2.17
Ook deze klacht faalt. De stelplicht en bewijslast met betrekking tot het ontstaan van een vermogensverschuiving rusten op de echtgenoot die zich op het vergoedingsrecht beroept. Wanneer de andere echtgenoot beweert dat partijen anders zijn overeengekomen of zich beroept op een natuurlijke verbintenis dan wel de redelijkheid en billijkheid, is sprake van een bevrijdend verweer waarvoor de stelplicht en bewijslast op de andere echtgenoot rusten.5.Anders dan het middel aanvoert, heeft het hof deze regels inzake de stelplicht en bewijslast niet miskend. De man maakt aanspraak op een vergoedingsrecht op grond van art. 3 van de huwelijkse voorwaarden, stellende dat hij gelden heeft overgemaakt naar de bankrekening van de vrouw ten behoeve van de verbouwing van de woning. Hij stelt dat de vrouw hierdoor is gebaat.6.Voor de vermogensverschuiving, de overboekingen vanaf de bankrekening van de man naar die van de vrouw, heeft de man dus de stelplicht en bewijslast. De vrouw heeft deze vermogensverschuiving (op enkele uitzonderingen na, die in cassatie niet aan de orde zijn) niet betwist, maar zich op het standpunt gesteld, voor zover van belang, dat deze vermogensverschuiving niet tot een vergoedingsplicht leidt omdat sprake is van een natuurlijke verbintenis of de overboekingen betrekking hebben op de kosten van de huishouding.7.Dit zijn bevrijdende verweren waarvoor de vrouw de stelplicht en bewijslast draagt. De overwegingen van het hof met betrekking tot de stelplicht en bewijslast (rov. 3.33 en 3.39) zijn hiermee in overeenstemming.
2.18
De overige klachten van het middel (subonderdeel II.3) borduren voort op voorgaande klachten die tevergeefs zijn voorgesteld.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 28‑02‑2025
Zie memorie van antwoord in incidenteel appel, nr. 4.
HR 15 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1808, NJ 1996/616, m.nt. W.M. Kleijn, rov. 3.3. Zie ook J.H. Lieber, Vergoedingen in het Nederlandse huwelijksvermogensrecht, Recht en Praktijk nr. PFR9, 2024, p. 171; C.A. Kraan & S.H. Heijning, Handboek huwelijksvermogensrecht, 2022, p. 264.
J.H. Lieber, Vergoedingen in het Nederlandse huwelijksvermogensrecht, Recht en Praktijk nr. PFR9, 2024, p. 139, 160, 169 e.v.
Zie o.a. memorie na verwijzing, nr. 31 e.v.
Zie o.a. antwoordmemorie na verwijzing, nr. 4.12 e.v.
Conclusie 11‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Personen- en familierecht. Huwelijksvermogensrecht; verhouding potovereenkomst tot huwelijkse voorwaarden; vergoedingsrecht voor investering in woning; natuurlijke verbintenis; kosten van de huishouding.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/03594
Zitting 11 oktober 2024
CONCLUSIE
F. Ibili
In de zaak
[de man] ,
eiser tot cassatie, verweerder in het incidentele cassatieberoep
(hierna: de man)
tegen
[de vrouw] ,
verweerster in cassatie, eiseres in het incidentele cassatieberoep
(hierna: de vrouw)
1. Inleiding
1.1
Deze zaak betreft de huwelijksvermogensrechtelijke afwikkeling van de echtscheiding tussen partijen. De zaak kent een lange geschiedenis (met als startpunt de inleidende dagvaarding uit 2014) en heeft eerder geleid tot een cassatieprocedure. Thans komen de voormalige echtelieden op tegen het arrest in het geding na verwijzing naar aanleiding van HR 30 augustus 2019.1.In deze tweede cassatieprocedure komen verschillende onderwerpen aan de orde: de omvang van de rechtsstrijd in het geding na verwijzing, de geldigheid van de potovereenkomst in het licht van de huwelijkse voorwaarden met een periodiek verrekenbeding, de vergoedingsrechten van de man in verband met investeringen in de voormalige echtelijke woning, de vraag of de man met deze investeringen heeft voldaan aan een natuurlijke verbintenis en ten slotte de draagplicht voor de kosten van de huishouding.
2. Feiten
2.1
In cassatie zijn de relevante feiten als volgt.2.
(i) Partijen zijn op 25 april 1996 met elkaar gehuwd.
(ii) Voorafgaand aan het sluiten van het huwelijk zijn partijen huwelijkse voorwaarden aangegaan, die onder meer de volgende bepalingen bevatten:
‘Artikel 1
De echtgenoten zijn met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen gehuwd.
(...)
Artikel 3
De echtgenoten zijn, voor zover niet anders bepaald, verplicht aan elkaar te vergoeden hetgeen aan het vermogen van de ene echtgenoot is onttrokken ten bate van de andere echtgenoot, ten bedrage van of naar de waarde ten tijde van de onttrekking.
Deze vergoedingen zijn terstond opeisbaar, tenzij de redelijkheid en billijkheid zich hiertegen verzetten.
(…)
Artikel 6
1. Inkomen
a. Onder inkomen wordt verstaan het begrip belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 verminderd met de daarover verschuldigde belasting op inkomen en premieheffing-volksverzekeringen, waarbij het inkomen dat wordt toegerekend aan één echtgenoot wordt geacht te behoren tot het inkomen van degene die het inkomen feitelijk heeft genoten.
b. Indien één der echtgenoten met zijn werk- of opdrachtgever is overeengekomen (waaronder begrepen met een besloten vennootschap waarvan één der echtgenoten directeur/grootaandeelhouder is), dat de door hem te genieten inkomsten op een ongebruikelijke wijze zullen worden verminderd dan wel op een ongebruikelijk tijdstip zullen worden genoten, wordt hiermee voor de berekening van het inkomen geen rekening gehouden. Ook wordt geen rekening gehouden met een beloning uit een door één der echtgenoten gedreven onderneming die niet reëel is.
(…)
Artikel 9
De echtgenoten verplichten zich over elk kalenderjaar hetgeen van hun inkomen in de zin van artikel 6, onder aftrek van hetgeen daarvan is besteed voor de gemeenschappelijke huishouding, overblijft onderling te verrekenen in die zin, dat de ene echtgenoot een vordering verkrijgt op de andere echtgenoot ten bedrage van de helft van het aan diens zijde overblijvende als hiervoor bedoeld. Indien de echtgenoten over en weer een vordering op elkaar krijgen worden de vorderingen door een desbetreffende verklaring verrekend tot het bedrag van de kleinste vordering. Indien aan een echtgenoot langs andere weg iets ten goede komt of is gekomen van het overblijvende van het inkomen van de andere echtgenoot, wordt zijn vordering dienovereenkomstig verminderd.
(...)
Artikel 12
Geen verrekening vindt plaats:
(…)
b. over het kalenderjaar dat het inkomen als bedoeld in artikel 9 van een echtgenoot, onder aftrek van de kosten van de huishouding, tengevolge van verlies in een zelfstandig uitgeoefend beroep of bedrijf van die echtgenoot negatief is en over volgende kalenderjaren indien en voorzover het voor verrekening overeenkomstig artikel 9 vatbare inkomen van de betreffende echtgenoot niet het bedrag van het verlies heeft bereikt;
(...)’.
(iii) In juni 1996 zijn partijen een potovereenkomst aangegaan, kort gezegd inhoudend dat zij hun jaarlijkse winsten bij elkaar zouden voegen en deze bij helfte zouden verdelen. In de schriftelijke weergave van die overeenkomst is voorafgaand aan de afspraken onder meer het volgende opgenomen:
‘in aanmerking nemende:
dat partijen met elkaar een potovereenkomst wensen aan te gaan teneinde onder handhaving van de zelfstandigheid van ieders onderneming er daardoor toe bij te dragen, dat hun jaarlijkse ongelijkmatige winsten enigszins genivelleerd worden, (…)’.
(iv) De man heeft uit hoofde van de potovereenkomst een bedrag van € 27.433,- aan de vrouw betaald.
(v) Partijen hebben tijdens het huwelijk gewoond in een woning die eigendom was van de moeder van de vrouw en aan de vrouw in erfpacht was gegeven (hierna: de woning).
(vi) Het huwelijk van partijen is op 1 november 2012 door echtscheiding ontbonden.
3. Procesverloop
3.1
Het procesverloop in het geding voor verwijzing is weergegeven in rov. 1 van HR 30 augustus 2019. Voor zover van belang heeft de Hoge Raad in dat arrest, in het incidentele beroep van de man, het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 19 december 2017 vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het hof Arnhem-Leeuwarden.
3.2
Het procesverloop in het geding na verwijzing is weergegeven in rov. 2 van het tussenarrest van 7 december 2021 (waarin een mondelinge behandeling is bepaald) en rov. 1 van het eindarrest van 20 juni 2023 van het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem.
3.3
In het geding na verwijzing heeft de man gevorderd dat het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 maart 2016 zal vernietigen voor zover daartegen door de man is gegriefd, en opnieuw rechtdoende, met inachtneming van HR 30 augustus 2019:- de vrouw zal veroordelen tot betaling aan de man van € 27.433,-, te vermeerderen met de wettelijke rente;- de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van € 383.313,-, te vermeerderen met de wettelijke rente;- de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure.
3.4
De vrouw heeft verweer gevoerd en gevorderd, kort gezegd, dat het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van de man alsnog zal afwijzen en het arrest van het hof 's-Hertogenbosch van 19 december 2017 zal bekrachtigen (bedoeld zal zijn: te beslissen zoals het hof in dat arrest heeft gedaan),3.met veroordeling van de man in de kosten van de procedure.
3.5
De mondelinge behandeling bij het hof heeft plaatsgevonden op 21 maart 2022, in aanwezigheid van de partijen en hun advocaten.
3.6
Bij arrest van 20 juni 20234.(hierna: het bestreden arrest) heeft het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 maart 2016 bekrachtigd, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, met aanvulling van de gronden waarop het berust. Het hof heeft het meer of anders gevorderde afgewezen en bepaald dat iedere partij de eigen kosten draagt.
3.1
De man is van dit arrest tijdig5.in cassatie gekomen; de vrouw heeft geconcludeerd tot verwerping. Op haar beurt heeft de vrouw voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld; de man heeft geconcludeerd tot verwerping. Partijen hebben de zaak schriftelijk toegelicht, gevolgd door re- en dupliek.
4. Bespreking van het cassatiemiddel in het principale beroep
4.1
Het cassatiemiddel in het principale beroep bestaat uit twee onderdelen die uiteenvallen in verschillende rechts- en motiveringsklachten.
Onverschuldigde betaling uit hoofde van de potovereenkomst?
4.2
Onderdeel 1 keert zich tegen het oordeel van het hof in rov. 3.9 t/m 3.12 met betrekking tot de geldigheid van de potovereenkomst die tussen partijen is gesloten.
4.3
Vast staat dat de man uit hoofde van de potovereenkomst een bedrag van € 27.433,- aan de vrouw heeft betaald. De man betoogt dat hij dit bedrag onverschuldigd heeft betaald omdat de potovereenkomst niet rechtsgeldig is. Het hof volgt de man niet in dit betoog:
‘3.12 Met de potovereenkomst hebben partijen ervoor gekozen jaarlijks de winsten in hun bedrijven samen te delen en daarnaast ook verliezen tot f 100.000. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat het de bedoeling van de potovereenkomst was dat ieder hetzelfde in de portemonnee zou hebben. Daarmee heeft de potovereenkomst dezelfde strekking als het periodiek verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden van partijen en kan deze niet anders worden gezien dan als een uitvoering daarvan op een concreet onderdeel, te weten de winsten en verliezen in de ondernemingen van partijen. Zo’n uitvoeringsovereenkomst is geen huwelijkse voorwaarde waarvoor op straffe van nietigheid de vormeis van een notariële akte geldt. Het hof is van oordeel dat deze overeenkomst geldig is en dat betalingen op grond van die overeenkomst niet zonder rechtsgrond zijn. Van onverschuldigde betaling is dan ook geen sprake. Dat de potovereenkomst slechts eenmaal zou zijn uitgevoerd, zoals de man stelt maar de vrouw betwist, betekent niet dat deze zonder rechtsgrond is. De potovereenkomst heeft enkel tot onderwerp de winsten en verliezen uit de ondernemingen van partijen, terwijl het periodiek verrekenbeding een ruimer inkomensbegrip kent. Dat doet niet af aan de geldigheid van de potovereenkomst. Het staat partijen immers vrij ter uitvoering van het verrekenbeding nadere (uitvoerings)afspraken te maken over een bepaald soort inkomsten, zoals in dit geval winsten en verliezen uit de ondernemingen. Bij de uitvoering staat het partijen ook vrij - in onderling overleg – af te wijken van de rekenmethodiek en andere bepalingen in de huwelijkse voorwaarden. De afwijking bij de concrete uitvoering tast de regeling over de periodieke verrekening van inkomsten in de huwelijkse voorwaarden zelf niet aan. Niet is gesteld of gebleken dat de potovereenkomst in de plaats is gekomen van artikel 9 dan wel artikel 12 van de huwelijkse voorwaarden van partijen.’
4.4
In de kern betoogt het middel (zie 1.12) dat het oordeel van het hof dat de potovereenkomst een geldige uitvoeringsovereenkomst is van het periodiek verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden van partijen, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is. Dit heeft gevolgen voor het oordeel van het hof dat de betalingen van de man op grond van de potovereenkomst niet zonder rechtsgrond zijn en dat van onverschuldigde betaling dan ook geen sprake is. Deze klacht wordt nader uitgewerkt en toegespitst op onderdelen in ’s hofs overwegingen die hebben geleid tot de conclusie dat de potovereenkomst rechtsgeldig is.
4.5
Voor zover de klacht in 1.1 is gebaseerd op de veronderstelling dat het hof in rov. 3.9 een oordeel geeft over de rechtsgeldigheid van de potovereenkomst, faalt het. Deze overweging bevat slechts een algemene uiteenzetting van het juridische kader dat volgens het hof relevant is voor de beoordeling van de rechtsgeldigheid van de potovereenkomst. Het hof overweegt daarin, kort gezegd, dat de contractsvrijheid tussen echtgenoten voorop staat, dat het partijen in beginsel vrijstaat – ook naast de huwelijkse voorwaarden – een onderhandse overeenkomst te sluiten, en dat voor afspraken die als huwelijkse voorwaarden zijn aan te merken de vormeis van een notariële akte geldt. Deze algemene uiteenzetting van het juridische kader is niet dragend voor het oordeel van het hof in rov. 3.12 dat de potovereenkomst rechtsgeldig is. Dat geldt ook voor de verwijzingen in rov. 3.9 naar de – volgens het middel in deze zaak (overgangsrechtelijk) niet relevante – artikelen 1:84 lid 3 en 1:87 lid 4 BW. Het hof verwijst naar deze artikelen in het kader van zijn overweging dat voor twee als huwelijkse voorwaarden aan te merken overeenkomsten een uitzondering bestaat op de vormeis van een notariële akte. In het bestreden arrest – rov. 3.9, rov. 3.12 of elders – lees ik niet dat het hof de potovereenkomst heeft gekwalificeerd als een overeenkomst in de zin van art. 1:83 lid 3 of art. 1:87 lid 4 BW.
4.6
In 1.3 en 1.4 wordt geklaagd over rov. 3.12, voor zover het hof daarin heeft overwogen (i) dat de vrouw onweersproken heeft gesteld dat het de bedoeling van de potovereenkomst was dat ieder van partijen hetzelfde in de portemonnee zou hebben, en (ii) dat de potovereenkomst daarmee dezelfde strekking heeft als het periodiek verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden van partijen en niet anders kan worden gezien dan als een uitvoering van het periodiek verrekenbeding op een concreet onderdeel, te weten de winsten en verliezen in de ondernemingen van partijen.
4.7
Voor de klacht tegen de hiervoor onder (i) vermelde overweging voert het middel twee argumenten aan. Het eerste argument is dat de vrouw de stelling dat het de bedoeling van de potovereenkomst was dat ieder van partijen hetzelfde in de portemonnee zou hebben, pas voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling bij het hof ‘s-Hertogenbosch op 13 september 2017 heeft ingenomen. Als gevolg hiervan zou de man, zo begrijp ik uit de verwijzing in het middel naar art. 19 Rv, niet (voldoende) hebben kunnen reageren op deze stelling van de vrouw. Het tweede argument is dat de man deze stelling van de vrouw heeft betwist.
4.8
Het eerste argument gaat niet op. Uit de gedingstukken blijkt dat de vrouw haar stelling dat het de bedoeling van de potovereenkomst (en ook van de huwelijkse voorwaarden) was dat ieder van partijen hetzelfde in de portemonnee zou hebben, op verschillende momenten in de procedure naar voren heeft gebracht, niet alleen in eerste aanleg6.maar ook in hoger beroep zowel voor7.als na8.verwijzing. Anders dan het middel betoogt heeft voormelde stelling van de vrouw vanaf de procedure in eerste aanleg onderdeel uitgemaakt van het partijdebat, zodat de man voldoende gelegenheid heeft gehad om op deze stelling te reageren.
4.9
Het tweede argument gaat evenmin op. Mij is niet gebleken dat de man voormelde stelling van de vrouw in hoger beroep (gemotiveerd) heeft weersproken. Dat geldt overigens ook voor de procedure in eerste aanleg, met uitzondering van één opmerking van de advocaat van de man ter zitting van de rechtbank op 8 juni 2015 (‘Er is nooit gesproken over dat partijen hetzelfde in de portemonnee moesten overhouden’).9.In hetgeen de man in hoger beroep voor en na verwijzing in het kader van de potovereenkomst naar voren heeft gebracht (zie 1.3 van het middel), lees ik geen (gemotiveerde) betwisting van voormelde stelling van de vrouw. Tegen deze achtergrond kan ik ’s hofs overweging (rov. 3.12) dat de vrouw onweersproken heeft gesteld dat het de bedoeling van de potovereenkomst was dat ieder van partijen hetzelfde in de portemonnee heeft, goed volgen.
4.10
Ik merk nog het volgende op. Uit de preambule van de potovereenkomst volgt duidelijk wat de bedoeling van partijen is geweest: ‘(…) in aanmerking nemende: dat partijen met elkaar een potovereenkomst wensen aan te gaan teneinde onder handhaving van de zelfstandigheid van ieders onderneming er daardoor toe bij te dragen dat hun jaarlijkse ongelijkmatige winsten enigszins genivelleerd worden, zijn overeengekomen als volgt (…)’.10.Een taalkundige uitleg van de preambule stemt m.i. overeen met de door de vrouw gestelde bedoeling van de potovereenkomst.
4.11
De klacht tegen de in 4.6 onder (ii) vermelde overweging bouwt in wezen voort op de hiervoor behandelde klacht. Uitgaande van de door de man onweersproken stelling van de vrouw dat het de bedoeling van de potovereenkomst was dat ieder van partijen hetzelfde in de portemonnee zou hebben, kan ik het hof volgen waar het overweegt (rov. 3.12) dat de potovereenkomst dezelfde strekking heeft als het periodiek verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden van partijen.
4.12
In 1.5 t/m 1.11 wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof (rov. 3.12), kort gezegd, dat de potovereenkomst niet anders kan worden gezien dan als een uitvoering van de huwelijkse voorwaarden op een concreet onderdeel (de winsten en verliezen in de ondernemingen van partijen), dat deze uitvoeringsovereenkomst geen huwelijkse voorwaarde is, zodat de potovereenkomst rechtsgeldig is en de betalingen die de man op grond van deze overeenkomst heeft gedaan niet zonder rechtsgrond zijn. In de kern voert het middel hiertegen het volgende aan. Het hof heeft verzuimd rekening te houden met essentiële stellingen van de man over de verschillen tussen het periodiek verrekenbeding en de potovereenkomst. De potovereenkomst betreft geen uitvoering van het periodiek verrekenbeding, omdat de potovereenkomst een regeling geeft voor de optelling en deling van de jaarlijkse winsten en verliezen van de ondernemingen van partijen, die afwijkt van het periodiek verrekenbeding inzake de verrekening van onverteerde inkomsten. In de potovereenkomst is geen sprake van het concreet maken van de aanspraak op verrekening in een situatie waarin het periodiek verrekenbeding niet is nagekomen. De potovereenkomst betreft dus geen uitvoeringsovereenkomst. De potovereenkomst roept een (deels) nieuw verrekenbeding c.q. huwelijksvermogensregime in het leven, hetgeen niet mogelijk is bij onderhandse akte. Volgens het middel heeft het hof dan ook miskend dat de potovereenkomst nietig is.
4.13
Het oordeel van het hof (rov. 3.12) dat de betalingen van de man op grond van de potovereenkomst niet zonder rechtsgrond zijn, overtuigt mij niet. Ik leg dat als volgt uit.
4.14
Volgens het hof heeft de potovereenkomst dezelfde strekking als het periodiek verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden van partijen. De potovereenkomst kan volgens het hof niet anders worden gezien dan als een uitvoering van het periodiek verrekenbeding op een concreet onderdeel, te weten de winsten en verliezen in de ondernemingen van partijen. Het hof ziet de potovereenkomst als een uitvoeringsovereenkomst en niet als huwelijkse voorwaarden. Ik begrijp dit oordeel aldus, dat het periodiek verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden en de potovereenkomst qua uitvoering niet tot een (wezenlijk) afwijkend resultaat zal leiden waar het gaat om de verrekening uit hoofde van ondernemingsresultaten. Ik kan mij voorstellen dat partijen binnen de kaders van de huwelijkse voorwaarden een onderhandse overeenkomst opstellen waarin zij bepaalde zaken uit de huwelijkse voorwaarden concreet uitwerken. Als dat gebeurt binnen de kaders van de huwelijkse voorwaarden, zal geen sprake zijn van een ander huwelijksvermogensrechtelijk regime en kan de overeenkomst rechtsgeldig onderhands worden opgesteld. Echter, als de kaders van de huwelijkse voorwaarden worden overschreden, kunnen de afspraken in de onderhandse overeenkomst niet afdoen aan de huwelijkse voorwaarden.
4.15
De vraag is of de potovereenkomst in het onderhavige geval zich laat toepassen binnen de kaders van de huwelijkse voorwaarden van partijen. Ik zie twee argumenten die daartegen pleiten. Ten eerste: in art. 12, aanhef en onder b, van de huwelijkse voorwaarden is bepaald dat geen verrekening plaatsvindt over het kalenderjaar dat het inkomen van een echtgenoot ten gevolge van verlies in een zelfstandig uitgeoefend beroep of bedrijf van die echtgenoot negatief is, terwijl in art. 1 lid 5 jo. lid 1 van de potovereenkomst is bepaald dat in het kader van de verdeling van de ondernemingsresultaten van partijen ook rekening wordt gehouden met verliezen tot een maximum van f 100.000,- per jaar. In zoverre lijkt de potovereenkomst wel – in de woorden van het hof, rov. 3.12, slot – in de plaats te zijn gekomen van art. 12, aanhef en onder b, van de huwelijkse voorwaarden. Kan dan nog worden volgehouden, zoals in rov. 3.12, dat de potovereenkomst een ‘uitvoeringsovereenkomst’ is waarin partijen ter uitvoering van het verrekenbeding ‘nadere (uitvoerings)afspraken’ hebben gemaakt over een bepaald soort inkomen, en ‘(d)e afwijking bij de concrete uitvoering (…) de regeling over de periodieke verrekening van inkomsten in de huwelijkse voorwaarden zelf niet aan(tast)’? Ik betwijfel dat.
4.16
Ten tweede: op grond van HR 30 augustus 2019 (rov. 3.1) staat in het geding na verwijzing vast dat aan de zijde van de man geen sprake is (geweest) van overgespaarde inkomsten in de zin van de huwelijkse voorwaarden, zodat de vordering van de vrouw tot verrekening van zodanige inkomsten niet toewijsbaar is. Hiermee laat zich moeilijk verenigen het oordeel van het hof in de onderhavige zaak (rov. 3.12) dat de man uit hoofde van de potovereenkomst niet onverschuldigd heeft betaald aan de vrouw. Uit dat oordeel volgt namelijk dat de man uit hoofde van de potovereenkomst – die volgens het hof ‘ter uitvoering van het verrekenbeding’ slechts ‘nadere (uitvoerings)afspraken’ bevat – aan de vrouw een bedrag van € 27.433,- is verschuldigd, terwijl in het geding na verwijzing vast staat dat de man geen overgespaarde inkomsten heeft en de vrouw niets toekomt uit hoofde van verrekening van zodanige inkomsten. Voor zover dit verschil in uitwerking het gevolg is van een in de potovereenkomst van de huwelijkse voorwaarden afwijkend inkomensbegrip (rov. 3.12: ‘(…) Bij de uitvoering staat het partijen ook vrij – in onderling overleg – af te wijken van de rekenmethodiek (…)’), geldt dat de potovereenkomst zich m.i. niet laat toepassen binnen de kaders van de huwelijkse voorwaarden. De uitvoering van de potovereenkomst leidt dan immers tot een wezenlijk ander resultaat dan onder de huwelijkse voorwaarden het geval zou zijn. Aldus bezien levert de potovereenkomst een afwijking op van de huwelijkse voorwaarden, waarvoor op straffe van nietigheid de notariële vorm is voorgeschreven.11.
4.17
Bij deze stand van zaken kan de betaling van de man van € 27.433,- aan de vrouw geen grondslag hebben in de potovereenkomst als uitvoeringsovereenkomst van de huwelijkse voorwaarden. In zoverre slaagt de klacht tegen het oordeel van het hof (rov. 3.12) dat deze betaling op grond van de potovereenkomst niet zonder rechtsgrond is. Hiermee is nog niet gezegd dat de vordering van de man tot terugbetaling van € 27.433,- ook voor toewijzing in aanmerking komt. Het tegen de vordering van de man12.aangevoerde verweer van de vrouw dat het bedrag van € 27.433,- is aangewend voor de kosten van de huishouding en de redelijkheid en billijkheid zich tegen terugbetaling verzetten (rov. 3.8),13.is door het hof namelijk niet behandeld.
Vordering van de man uit hoofde van vergoedingsrechten
4.18
Onderdeel 2 komt op tegen het oordeel van het hof (rov. 3.15 e.v.) met betrekking tot de vordering van de man uit hoofde van vergoedingsrechten.
4.19
De beoordeling van het hof van deze vordering bestaat uit drie onderdelen. (i) In rov. 3.23 t/m 3.30 is de vordering van de man afgewezen voor zover de vordering ziet op de door hem betaalde verbouwingkosten van de woning, omdat de man hiermee aan een natuurlijke verbintenis heeft voldaan. (ii) In rov. 3.31 t/m 3.36 is de vordering van de man afgewezen voor zover de vordering ziet op een aantal andere posten dan de verbouwingskosten, omdat geen vermogensverschuiving van de man naar de vrouw is vastgesteld (rov. 3.34) dan wel geen verdere verrekening of vergoeding is bepaald (rov. 3.36). (iii) In rov. 3.37 t/m 3.45 is de vordering van de man voor het overige ook afgewezen, omdat de betalingen van de man bijdragen in de kosten van de huishouding betreffen. De conclusie van het hof is dat de man geen aanspraak heeft op vergoeding van enig bedrag uit hoofde van een vergoedingsrecht (rov. 3.46).
4.20
In onderdeel 2 keert het middel zich tegen de beslissingen onder (i) en (iii).
Verbouwingskosten; grenzen van de rechtsstrijd in het geding na verwijzing
4.21
Tegen de beslissing van het hof dat de man door betaling van de verbouwingskosten van de woning heeft voldaan aan een natuurlijke verbintenis jegens de vrouw, voert het middel (2.1 e.v.) allereerst aan dat het hof de grenzen van de rechtsstrijd in het geding na verwijzing heeft miskend door rekening te houden met stellingen van de vrouw die zij in het geding voor verwijzing niet heeft ingenomen.
4.22
Ik stel het volgende voorop. In het geding voor verwijzing had het hof ’s-Hertogenbosch bij arrest van 19 december 2017 de vordering van de man uit hoofde van een vergoedingsrecht in verband met de door hem in de woning gedane investeringen afgewezen, omdat ten tijde van deze investeringen de vrouw erfpachter was van de woning die in eigendom toebehoorde aan de moeder van de vrouw, waardoor de investeringen niet ten bate van het vermogen van vrouw zijn gekomen zoals bedoeld in art. 3 van de huwelijkse voorwaarden (rov. 3.14.3). In HR 30 augustus 2019 is dit oordeel vernietigd, omdat het hof stellingen die de man in dit verband heeft ingenomen niet kenbaar had betrokken in zijn overwegingen die tot voormeld oordeel hebben geleid (rov. 4.2). In het geding na verwijzing heeft het hof Arnhem-Leeuwarden opnieuw beoordeeld of de man een vergoedingsrecht heeft jegens de vrouw in verband met de betalingen voor de verbouwingskosten van de woning (rov. 3.16).
4.23
In 2.1.1 t/m 2.1.8 wordt geklaagd dat het hof de omvang van de rechtsstrijd in hoger beroep heeft miskend door bij de beoordeling van de vordering van de man uit hoofde van een vergoedingsrecht ter zake van betalingen voor de verbouwingskosten van de woning, blijkens rov. 3.23 rekening te houden met nieuwe stellingen die de vrouw in het geding na verwijzing heeft ingenomen in het kader van haar beroep op een natuurlijke verbintenis. Uit de gedingstukken volgt, zo betoogt het middel, dat de vrouw in het geding voor verwijzing haar beroep op een natuurlijke verbintenis summier heeft onderbouwd, als zij al aan haar stelplicht heeft voldaan. In het geding na verwijzing had het hof uitsluitend mogen beslissen op basis van de stellingen van de vrouw uit het geding voor verwijzing; er is geen aanleiding voor een verruiming van het processuele debat in het geding na verwijzing. Tot zover de klacht.
4.24
In de procedure na verwijzing bestaat, behoudens uitzonderingen die in dit geval niet aan de orde zijn, geen ruimte voor het aanvoeren van nieuwe stellingen. Partijen mogen wel een nadere toelichting/onderbouwing geven op/van stellingen die zij in het geding voor verwijzing al hadden ingenomen.14.Het hof is blijkens rov. 3.1 ook van dit uitgangspunt uitgegaan (‘(…) Het hof moet dit beoordelen met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad en aan de hand van stellingen en verweren van partijen die in de procedure bij het hof ’s-Hertogenbosch voorlagen, en voor zover die stellingen en verweren in de verwijzingsprocedure nog mogen worden aangevuld mede aan de hand daarvan.’).
4.25
In het geding voor verwijzing heeft de vrouw verweer gevoerd tegen de vordering van de man uit hoofde van een vergoedingsrecht ter zake van betalingen voor de verbouwingskosten van de woning, in welk verband zij – subsidiair – een (voldoende onderbouwd) beroep heeft gedaan op een natuurlijke verbintenis.15.Anders dan het middel suggereert, heeft de vrouw hiermee voldaan aan haar stelplicht ter zake van haar beroep op een natuurlijke verbintenis.
4.26
In 2.1.7 geeft het middel aan welke stellingen van de vrouw in de antwoordmemorie na verwijzing nieuw zouden zijn en een niet toegestane aanvulling zouden opleveren van de feitelijke grondslag van het verweer van de vrouw. Met deze stellingen mocht het hof, volgens het middel, derhalve geen rekening houden. Ik kan het middel daarin niet volgen.
4.27
Voor zover het gaat om de stellingen die het middel in 2.1.7 onder (b) en (c) noemt, geldt dat de vrouw daarin slechts verwijst naar rechtspraak en literatuur ter staving van het beroep dat zij in het geding voor verwijzing heeft gedaan op een natuurlijke verbintenis. Ik zie dat als een nadere toelichting/onderbouwing op/van eerder ingenomen stellingen in het kader van haar verweer tegen de vordering van de man uit hoofde van een vergoedingsrecht. Voor zover het gaat om de stellingen die het middel in 2.1.7 onder (d), 2 t/m 6 noemt, geldt dat de vrouw daarin hetzij een herhaling hetzij een nadere precisering geeft van eerder ingenomen stellingen in het kader van haar verweer tegen de vordering van de man uit hoofde van een vergoedingsrecht.16.
4.28
De in het middel genoemde stellingen met betrekking tot een natuurlijke verbintenis die de vrouw in het geding na verwijzing heeft ingenomen, zijn m.i. geoorloofd. Door met deze stellingen rekening te houden, heeft het hof niet de grenzen van de rechtsstrijd in het geding na verwijzing miskend. In het geding na verwijzing heeft de vrouw de feitelijke grondslag van haar verweer in het geding voor verwijzing toegelicht/onderbouwd. Op deze feitelijke grondslag heeft het hof het beroep van de vrouw op een natuurlijke verbintenis beoordeeld (rov. 3.23 e.v.). Van een aanvulling van de feitelijke grondslag van het verweer van de vrouw, zoals het middel in 2.1.9 stelt, is derhalve geen sprake.
4.29
Het vorenstaande geldt eveneens voor de stellingen van de vrouw die het middel noemt in 2.1.11 en 2.1.13.
4.30
Voor zover het middel in 2.1.11 aanvoert dat de man op de hiervoor bedoelde stellingen van de vrouw niet heeft kunnen reageren, gaat het middel eraan voorbij dat de man ter zitting van het hof in het geding na verwijzing de mogelijkheid daartoe heeft gehad. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van het hof op 21 maart 2022 (p. 3) heeft de man van deze mogelijkheid ook gebruik gemaakt. Hierbij komt dat de man ook in nr. 50 van zijn memorie na verwijzing heeft gereageerd op het beroep dat de vrouw in de procedure voor verwijzing heeft gedaan op een natuurlijke verbintenis.
4.31
In 2.1.8 betoogt het middel dat de weergave van de stellingen van de man in rov. 3.24 onvolledig is; het middel benoemt om welke stellingen het zou gaan. De klacht faalt. In rov. 3.24 e.v. ligt besloten dat het hof de in het middel genoemde stellingen van de man, zonder deze steeds expliciet te benoemen, heeft betrokken in zijn oordeelsvorming die heeft geleid tot rov. 3.29. In het oordeel van het hof ligt besloten dat het de bedoelde stellingen van de man, afgezet tegen de stellingen van de vrouw, van onvoldoende gewicht heeft geacht. Door de stellingen van de vrouw te honoreren, heeft het hof de bedoelde stellingen van de man, al dan niet impliciet, verworpen.17.Anders dan het middel betoogt, heeft het hof als niet ter zake dienend aan het bewijsaanbod van de man voorbij kunnen gaan.
4.32
Over één stelling die het middel in 2.1.8 noemt, wil ik het volgende opmerken. Het gaat om de stelling van de man in het geding na verwijzing dat hij uitdrukkelijk betwist dat de vrouw ten tijde van de verbouwing van de woning niet kon beschikken over voldoende financiële middelen.18.Eerder in de procedure had de man nog gesteld dat de verbouwing van de woning niet zou kunnen worden uitgevoerd zonder zijn bijdragen.19.De vrouw heeft steeds het standpunt ingenomen dat zij niet over voldoende eigen financiële middelen beschikte om de verbouwingskosten te kunnen betalen.20.Dit maakt voor mij duidelijk waarom het hof voorbij is gegaan aan de betwisting van deze stelling door de man.
4.33
In 2.1.12 voert het middel aan dat het hof de grenzen van de rechtsstrijd in het geding na verwijzing heeft miskend door in rov. 3.29 ervan uit te gaan dat de betalingen van de man voor de verbouwingskosten van de woning hebben plaatsgevonden in de ‘jaren 2001 en daarna’ en de vrouw de woning ‘vanaf 2004’ in erfpacht had. Volgens het middel had het hof moeten uitgaan van de (door HR 30 augustus 2019 onaangetast gebleven) vaststelling van het hof in het arrest van 19 december 2017 dat de betalingen van de man voor de verbouwingskosten van de woning hebben plaatsgevonden in de jaren 1998 t/m 2005 en de vrouw toen – en dus niet eerst in 2004 – erfpachter was. Voor dit laatste verwijst het middel21.naar rov. 3.1 van het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 19 december 2017 in verbinding met rov. 3.5.1 van het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 maart 2016.
4.34
De klacht faalt. In rov. 3.1 van het arrest van 19 december 2017 overweegt het hof dat het uitgaat van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Vervolgens somt het hof de feiten op onder i) t/m v); daarin staat niet als feit genoemd dat de betalingen van de man voor de verbouwingskosten van de woning hebben plaatsgevonden in de jaren 1998 t/m 2005 en de vrouw toen – en dus niet eerst in 2004 – erfpachter was. Dat volgt evenmin uit rov. 3.5.1 van het vonnis van de rechtbank van 16 maart 2016, waarin slechts het standpunt van de man wordt weergegeven. Dit betekent dat het hof in het geding na verwijzing alsnog, op basis van de stellingen van partijen, heeft moeten vaststellen in welke periode de betalingen van de man voor de verbouwingskosten van de woning zijn gedaan en wanneer de vrouw erfpachter van de woning is geworden. Daarover het volgende.
4.35
Volgens de stellingen van de man heeft hij in de jaren 1998 t/m 2003 bedragen geïnvesteerd in de verbouwing van de woning. Voorts stelt de man dat hij in de jaren 1998 t/m 2003 en 2005 bedragen aan de vrouw heeft betaald dan wel schulden van de vrouw heeft voldaan. Deze betalingen van in totaal € 383.313,- zouden in zijn visie hebben geleid tot een vermogensverschuiving van de man naar de vrouw (rov. 3.17).22.Uit het bestreden arrest blijkt dat het hof bij de beoordeling van de vordering van de man uit hoofde van een vergoedingsrecht is uitgegaan van de door de man gestelde betalingen in de periode 1998 t/m 2003 en 2005 (rov. 3.21). Een deel van deze betalingen heeft het hof gekwalificeerd en beoordeeld als betalingen voor de verbouwingskosten van de woning in de periode 2000 t/m 2003; voor dit deel is de vordering van de man afgewezen op grond van een natuurlijke verbintenis (rov. 3.30). De overige betalingen in de periode 1998 t/m 2005 hebben betrekking op een contante betaling, een betaling vanwege brandschade en een betaling in verband met de kosten van de huishouding. Ten aanzien van deze overige betalingen heeft het hof geoordeeld dat deze hetzij niet hebben geleid tot een vermogensverschuiving van de man naar de vrouw (rov. 3.34), hetzij bijdragen in de kosten van de huishouding betreffen (rov. 3.37-3.45) hetzij anderszins niet voor toewijzing in aanmerking komen (rov. 3.36). Kortom, op grond van de stellingen van de man is het hof uitgegaan van betalingen die de man heeft gedaan voor de verbouwingskosten van de woning in de periode 2000 t/m 2003.
4.36
Wat betreft de datum waarop de vrouw de woning van haar moeder in erfpacht heeft gekregen, kan geen misverstand bestaan: uit de in het geding gebrachte erfpachtakte blijkt dat de erfpachtrechtelijke positie van de vrouw op 12 februari 2004 is geformaliseerd.23.Het hof is in rov. 3.29 dan ook terecht ervan uitgegaan dat de vrouw ‘vanaf 2004’ erfpachter is van de woning.
4.37
Dit betekent m.i. dat bij de verdere beoordeling van het middel als uitgangspunt geldt dat de betalingen van de man voor de verbouwingskosten van de woning hebben plaatsgevonden in de periode 2000 t/m 2003 en dat de vrouw vanaf 12 februari 2004 erfpachter is van de woning.
Verbouwingskosten; natuurlijke verbintenis
4.38
Tegen de beslissing van het hof dat de man door betaling van de verbouwingskosten van de woning heeft voldaan aan een natuurlijke verbintenis jegens de vrouw, voert het middel (2.2 e.v.) voorts aan dat het hof ten onrechte een natuurlijke verbintenis heeft aangenomen. De klacht keert zich in het bijzonder tegen de objectieve aanwijzing die het hof heeft aangenomen voor de aanwezigheid van een natuurlijke verbintenis (rov. 3.28) en voorts tegen de omstandigheden waarop het hof zijn beslissing heeft gebaseerd dat sprake was van een dringende morele verplichting van de man om bij te dragen aan de verbouwingskosten van de woning (rov. 3.29).
4.39
Ik stel het volgende voorop. De vraag of sprake is van een natuurlijke verbintenis (art. 6:3 lid 2 onder b BW) moet worden beoordeeld naar een objectieve maatstaf (‘maatschappelijke opvattingen’); aan het subjectieve inzicht van degene die de prestatie voldoet komt geen beslissende betekenis toe. Bij deze beoordeling moet mede acht worden geslagen op de omstandigheden van het geval, waaronder de wederzijdse welstand en behoefte van partijen.24.Bepalend is de situatie op het moment van het verrichten van de prestatie, zodat niet van belang is hoe partijen er later financieel blijken voor te staan noch of het huwelijk door overlijden of door echtscheiding werd beëindigd.25.De strekking van de natuurlijke verbintenis, in de rechtsverhouding tussen echtgenoten, is het waarborgen dat de echtgenoot die de prestatie ontvangt tijdens het huwelijk vermogen kan opbouwen. Het oordeel omtrent het al dan niet bestaan van een natuurlijke verbintenis is verweven met een afweging van de omstandigheden van het geval, en daarmee voorbehouden aan de feitenrechter.26.Dat oordeel laat zich in cassatie beperkt toetsen op begrijpelijkheid.
4.40
In HR 15 september 1995 (Le Miralda)27.is geoordeeld dat in het algemeen als een objectieve aanwijzing voor de aanwezigheid van een natuurlijke verbintenis mag worden beschouwd de omstandigheid dat de prestatie bestond in het verstrekken door de man van gelden voor de aankoop van een geheel of mede op naam van de vrouw te plaatsen, gemeenschappelijke of alleen voor de vrouw bestemde woning. Het ligt voor de hand dat een zodanige prestatie ertoe strekt te waarborgen dat de vrouw ook na het einde van het huwelijk in die woning kan blijven wonen. Deze waarborg zou niet tot zijn recht komen, wanneer de vrouw het gevaar loopt de woning te moeten verkopen om aan een vergoedingsplicht jegens de man te kunnen voldoen. Het verschaffen van een zodanige waarborg zal vaak naar maatschappelijke opvattingen kunnen worden beschouwd als een prestatie die aan de vrouw op grond van een dringende morele verplichting toekomt. Daarbij moet evenwel mede acht worden geslagen op de omstandigheden van het geval, waaronder de wederzijdse welstand en behoefte van partijen.
4.41
Ik keer terug naar het middel. In 2.2.1 en 2.2.2 wordt geklaagd dat het oordeel van het hof over het bestaan van een natuurlijke verbintenis berust op een onjuiste – ik begrijp: een te ruime – uitleg van het hof (rov. 3.28) van Le Miralda. Het middel zet dit als volgt uiteen. In Le Miralda betrof het echtgenoten die met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen waren gehuwd, terwijl in dit geval de echtgenoten zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met een periodiek verrekenbeding. De ‘objectieve aanwijzing’ van Le Miralda is in geval van een peridoek verrekenbeding niet zonder meer, althans niet in dezelfde mate, aanwezig. In de onderhavige zaak heeft het hof verzuimd om te motiveren waarom de ‘objectieve aanwijzing’ van Le Miralda ook van toepassing is in geval van huwelijkse voorwaarden met een periodiek verrekenbeding.
4.42
Met het middel ben ik het eens dat de ‘objectieve aanwijzing’ van Le Miralda doorgaans aan de orde zal zijn wanneer de echtgenoten iedere huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak op elkaars vermogen hebben uitgesloten. In alle andere gevallen zullen de echtgenoten in enigerlei vorm aanspraak kunnen maken in elkaars vermogensgroei tijdens het huwelijk.28.Ik zou echter niet zover willen gaan om de ‘objectieve aanwijzing’ van Le Miralda te beperken tot gevallen van koude uitsluiting. Naar mijn mening kan niet worden uitgesloten dat ook wanneer sprake is van huwelijkse voorwaarden met een periodiek verrekenbeding, zoals in het onderhavige geval, aanleiding kan bestaan om de – met een natuurlijke verbintenis nagestreefde – waarborg dat – vertaald naar de onderhavige zaak – de vrouw tijdens het huwelijk vermogen kan opbouwen en ook na het einde van het huwelijk in de woning kan blijven wonen, tot zijn recht te laten komen. Of dat het geval is, zal afhangen van de omstandigheden van het geval.
4.43
Dat het hof in rov. 3.28 de ‘objectieve aanwijzing’ van Le Miralda van belang heeft geacht in het onderhavige geval, lijkt mij op zichzelf genomen dan ook niet rechtens onjuist.
4.44
Voor zover het middel (2.2.1) vermeldt dat de vrouw gebruik heeft gemaakt van de specifieke voorziening in art. 16 van de huwelijkse voorwaarden die haar een recht van koop geeft inzake een aan de man toebehorend perceel landbouwgrond in geval van ontbinding van het huwelijk of scheiding van tafel en bed, geldt het volgende. De beoordeling of sprake is van een natuurlijke verbintenis moet geschieden aan de hand van de omstandigheden ten tijde van het verrichten van de prestatie, zodat niet van belang is hoe partijen nadien er financieel blijken voor te staan.29.Dat de vrouw is staat is gebleken om na de echtscheiding landbouwgrond van de man te kopen, levert in dit verband dan ook geen relevante omstandigheid op.
4.45
Volgens 2.2.3 en 2.2.4 heeft het hof miskend dat de ‘objectieve aanwijzing’ van Le Miralda niet geldt in de onderhavige situatie waarin de man betalingen heeft gedaan voor de verbouwingskosten van de woning die toen nog geen eigendom van de vrouw was. Voor zover het hof van oordeel is dat de ‘objectieve aanwijzing’ van Le Miralda ook geldt wanneer de vrouw geen eigenaar maar erfpachter van de woning is, is dat oordeel volgens het middel onjuist of onvoldoende gemotiveerd. Voor zover het hof heeft laten meewegen dat de vrouw door erfopvolging eigenaar is geworden van de woning, heeft het hof volgens het middel miskend dat het bestaan van een natuurlijke verbintenis moet worden beoordeeld naar het moment van het verrichten van de prestatie. Ook is het oordeel van het hof innerlijk tegenstrijdig, aldus het middel, omdat uit rov. 3.29 volgt dat de betalingen van de man voor de verbouwingskosten zijn gedaan in een periode waarin de vrouw volgens het hof geen erfpachter was van de woning.
4.46
Voor de beoordeling van deze klacht is het van belang om te wijzen op de strekking van een natuurlijke verbintenis in de rechtsverhouding tussen echtgenoten. De ‘objectieve aanwijzing’ van Le Miralda is ingegeven vanuit de gedachte dat – in dit geval – de vrouw in staat moet worden gesteld tijdens het huwelijk vermogen op te bouwen en zij ook na het huwelijk in de aan haar of de echtgenoten gezamenlijk in eigendom toebehorende woning kan blijven wonen. Deze waarborg zou niet tot zijn recht komen, wanneer de vrouw – in de woorden van Le Miralda – het gevaar loopt de woning te moeten verkopen om aan een vergoedingsplicht jegens de man te kunnen voldoen. Ik zie niet goed in waarom deze waarborg ook zou moeten gelden wanneer, zoals in het onderhavige geval, de vrouw ten tijde van de betaling van de verbouwingskosten door de man geen eigenaar en evenmin erfpachter was van de woning. In het bestreden arrest is vastgesteld dat de betalingen van de man zijn gedaan in de periode 2000 t/m 2003, terwijl de vrouw in 2004 erfpachter (en pas later op grond van erfopvolging eigenaar) van de woning is geworden.30.Dit betekent dat het middel m.i. terecht opkomt tegen rov. 3.28 waarin het hof de ‘objectieve aanwijzing’ van Le Miralda van toepassing heeft geacht op de onderhavige situatie.
4.47
Daarmee is echter nog niet gezegd dat het eindoordeel van het hof in rov. 3.29, dat op grond van de omstandigheden van het geval sprake is van een natuurlijke verbintenis, niet overeind kan blijven. Immers: het bestaan van een natuurlijke verbintenis moet worden beoordeeld naar maatschappelijke opvattingen volgens de omstandigheden van het geval, waarbij Le Miralda slechts een uitwerking geeft van de objectieve maatstaf in de rechtsverhouding tussen echtgenoten. De omstandigheden die het hof in rov. 3.29 noemt, zijn zelfstandig dragend voor ’s hofs beslissing dat sprake is van een natuurlijke verbintenis. Ik citeer de relevante rechtsoverweging:
‘3.29 Wat de omstandigheden van het geval betreft staat het volgende vast. Beide partijen zijn afkomstig uit welgestelde agrarische families. Mede in verband daarmee (en in verband met de ondernemingen van partijen) zijn partijen huwelijkse voorwaarden aangegaan, met in artikel 3 het hiervoor vermelde vergoedingsrecht, en nadien nog de potovereenkomst. De man had diverse ondernemingen en exploiteerde landbouwgrond. De vrouw was van beroep fotografe. Zij heeft voor het huwelijk een ongeval gehad als gevolg waarvan zij arbeidsongeschikt is geworden en een WAZ-uitkering ontving. Uit haar werkzaamheden als fotografe genereerde zij geen (noemenswaardig) inkomen; zij had geen vermogen. Zij heeft van de verzekeraar van de aansprakelijke partij uiteindelijk een letselschade-vergoeding ontvangen, die pas in 2007 is uitgekeerd. Er was sprake van een traditioneel rollenpatroon, waarbij de man het grootste deel van het inkomen genereerde en de vrouw voor het huishouden en hun dochter zorg droeg. Partijen woonden met hun dochter vanaf 1999 tot 2009 gezamenlijk in de woning. De vrouw had die woning (vanaf 2004) in erfpacht van haar moeder, tegen een erfpachtcanon van € 12.660 per jaar. Ten tijde van de verbouwing van de woning (jaren 2001 en daarna) was de vrouw niet in staat die verbouwing zelf (geheel) te financieren, hoewel zij een gedeelte ervan uit eigen inkomsten en schenkingen en leningen van haar moeder heeft meegefinancierd. Met de verbouwing werd tevens kantoorruimte en voorzieningen ten behoeve van de (ondernemingen van de) man in/bij de woning gerealiseerd. Gelet op deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, en de verhoudingen tussen partijen als (ex-)echtgenoten, is het hof van oordeel dat ten tijde van het huwelijk sprake was van een dringende morele verplichting bij de man om bij te dragen aan de kosten van de verbouwing van de gezamenlijk bewoonde woning.’
4.48
In 2.2.6 e.v. voert het middel klachten aan tegen de overwegingen van het hof met betrekking tot de welstand en behoefte van partijen. In 2.2.7 wordt betoogd dat wat de welstand van de man betreft, hij in eerste aanleg heeft gesteld dat hij zakelijk een hypotheekschuld bij de bank is aangegaan om hem privé in staat te stellen de verbouwingskoten van de woning te betalen, welke stelling door de vrouw niet is bestreden. Het hof zou hebben verzuimd om deze stelling van de man te betrekken in zijn oordeelsvorming over de welstand van de man.
4.49
De klacht faalt. Blijkens rov. 3.23 en 3.24 – weergave van de partijstandpunten – heeft het hof zich rekenschap gegeven van voornoemde stelling van de man. Kennelijk heeft het hof deze stelling, in het licht van het standpunt van de vrouw dat de hypotheekschuld van de man zakelijk is afgeboekt,31.van onvoldoende gewicht geacht in het geheel van de omstandigheden over de welstand van de man. Tot deze omstandigheden behoren, blijkens rov. 3.29, dat de man diverse ondernemingen had, landbouwgoederen exploiteerde en het grootste deel van het inkomen genereerde. De weging van deze omstandigheden is voorbehouden aan de feitenrechter; de uitkomst van deze weging is m.i. niet onbegrijpelijk.
4.50
Het middel keert zich in 2.2.8 t/m 2.2.10 tegen de overweging van het hof (rov. 3.29) dat de vrouw geen vermogen had. Volgens het middel heeft de vrouw nimmer gesteld dat zij geen vermogen had; zij heeft slechts gesteld dat zij ten tijde van de verbouwing van de woning niet in staat was die verbouwing zelf (geheel) te financieren. De man heeft deze stelling bovendien betwist. Hiermee heeft het hof de feitelijke grondslag van het standpunt van de vrouw aangevuld. Verder heeft het hof verzuimd om bij de welstand van de vrouw rekening te houden met de letselschadevergoeding die zij heeft ontvangen. Deze vergoeding is uitgekeerd in 2007, maar de vordering zelf is in 1994 ontstaan. In 1997 was volgens de neuroloog sprake van een eindtoestand, zodat op dat moment voorzienbaar was dat de vergoeding omvangrijk zou zijn. Tot zover de klacht.
4.51
Ik meen dat de klacht faalt. In rov. 3.29 heeft het hof tot uitdrukking willen brengen dat de vrouw bij gebreke van (noemenswaardige) inkomen uit haar werkzaamheden als fotografe, geen vermogen had. Dat de vrouw uit anderen hoofde wel vermogen had, is gesteld noch gebleken. In dit verband heeft het hof verder nog van belang geacht dat het de vrouw ontbrak aan voldoende financiële middelen om de verbouwingskosten van de woning te kunnen betalen. Weliswaar heeft de man deze stelling betwist in het geding na verwijzing,32.maar gelet op zijn andersluidende standpunt in het geding voor verwijzing33.en de – herhaalde – stelling van de vrouw dat zij de verbouwingkosten niet zelf kon betalen,34.heeft het hof daarvan kunnen uitgaan.
4.52
Verder heeft het hof (rov. 3.29) rekening gehouden met het ongeval van de vrouw, waardoor zij arbeidsongeschikt is geraakt, en met de letselschadevergoeding die de verzekeraar van de aansprakelijke partij in 2007 aan de vrouw heeft uitgekeerd. De klacht dat het hof onvoldoende acht heeft geslagen op de verwachte letselschadevergoeding faalt. Ik zie geen aanleiding om op het voor de beoordeling van een natuurlijke verbintenis relevante peilmoment (het moment waarop de betalingen door de man zijn gedaan), rekening te houden met een toekomstverwachting over de vermogenspositie van de vrouw, in de omstandigheden van dit geval waarin de exacte omvang van de letselschadevergoeding pas in 2007 duidelijk is geworden.
4.53
In 2.2.11 voert het middel aan dat de overweging van het hof dat de vrouw geen vermogen had ook niet goed valt te rijmen met ’s hofs vaststelling dat beide echtgenoten uit welgestelde agrarische families afkomstig waren en mede in verband daarmee huwelijkse voorwaarden zijn aangegaan. Volgens het middel wijzen de omstandigheden erop dat van de zijde van de (familie van de) vrouw aan estate planning werd gedaan, welke het beoogde doel niet zouden bereiken indien de vrouw niet via erfopvolging de eigendom van de woning zou verkrijgen. De klacht faalt. Het algemene gegeven dat beide echtgenoten uit welgestelde agrarische families afkomstig zijn, zegt nog niets over de specifieke vermogenspositie van partijen op het tijdstip van de beoordeling van een natuurlijke verbintenis. Voor zover het middel zou willen betogen dat het hof rekening had moeten houden met de reële toekomstverwachting dat de vrouw via erfopvolging de woning in eigendom zou verkrijgen, miskent het dat het peilmoment voor de beoordeling van een natuurlijke verbintenis zich daartegen verzet.
4.54
Alle klachten tegen rov. 3.29 falen mitsdien. Dit betekent dat het hof op grond van de in rov. 3.29 genoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, tot de conclusie heeft kunnen komen dat ten tijde van het huwelijk sprake was van een dringende morele verplichting bij de man om bij te dragen aan de kosten van de gezamenlijk bewoonde woning. De weging van de in rov. 3.29 genoemde omstandigheden is voorbehouden aan de feitenrechter; de uitkomst van die weging is m.i. niet onbegrijpelijk.
Kosten van de huishouding
4.55
Het middel komt in 2.3 e.v. op tegen ’s hofs afwijzing (rov. 3.37 t/m 3.46) van de vordering van de man uit hoofde van een vergoedingsrecht voor de in rov. 3.37 genoemde overboekingen van de rekening van de man naar de rekening van de vrouw, omdat de man daarmee heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding.
4.56
In 2.3.1 voert het middel aan dat het hof is uitgegaan van een onjuist beoordelingskader waar het overweegt (rov. 3.39): ‘Van belang daarbij is wat de kosten van de huishouding waren, wat ieders inkomen was, wat ieder had moeten betalen, en wat ieder meer of minder betaald heeft’. Het middel licht deze klacht als volgt toe. Het hof miskent dat het niet gaat om de vraag of de vrouw ingevolge art. 7 van de huwelijkse voorwaarden een vergoedingsrecht heeft jegens de man, omdat hij volgens die regeling te weinig zou hebben bijgedragen aan de kosten van de huishouding. Het gaat om de beoordeling van het verweer van de vrouw dat de overboekingen van de man naar de vrouw niet zonder rechtsgrond waren, omdat deze overboekingen strekten tot het voldoen aan de bijdrageplicht van de man in de kosten van de huishouding.
4.57
Mij is niet helemaal duidelijk wat het middel met deze klacht beoogt. Hoe dan ook, geeft het bestreden oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. In rov. 3.39 heeft het hof tot uitgangspunt genomen dat door de overboekingen van de man naar de vrouw, vaststaat dat wat aan zijn vermogen is onttrokken ten bate is gekomen van (het vermogen van) de vrouw; er is dus sprake van een vermogensverschuiving. Dit betekent dat de man uit hoofde van art. 3 van de huwelijkse voorwaarden in beginsel een vergoedingsrecht heeft op de vrouw. In dit verband heeft de vrouw het verweer gevoerd dat de overboekingen bijdragen van de man in de kosten van de huishouding betreffen (rov. 3.38 en 3.39). Voor de beoordeling van dit verweer heeft het hof overwogen (rov. 3.39) dat van belang is wat de kosten van de huishouding waren, wat ieder had moeten betalen en wat ieder meer of minder heeft betaald. Dit zijn één voor één vragen die terug te voeren zijn op art. 7 van de huwelijkse voorwaarden, dat kort gezegd het volgende bepaalt.35.De kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden voldaan uit de inkomens van de echtgenoten naar evenredigheid daarvan. Voor zover deze inkomens ontoereikend zijn, worden deze kosten voldaan uit ieders vermogen naar evenredigheid daarvan (art. 7 lid 1). De echtgenoot die over enig kalenderjaar meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan zijn aandeel, heeft het recht het teveel bijgedragen deel terug te vorderen van de andere echtgenoot (art. 7 lid 2). Tegen deze achtergrond heeft het hof het juiste kader aangelegd voor de beoordeling van het verweer van de vrouw.
4.58
In 2.3.2 bevat het middel de klacht dat het hof niets heeft vastgesteld over de totale omvang van de kosten van de huishouding. Volgens mij is de totale omvang van de kosten van de huishouding niet relevant in de beoordeling die het hof heeft gemaakt op basis van het partijdebat. In rov. 3.37 geeft het hof een overzicht van de bedragen die de man heeft overgeboekt naar de vrouw. In verband met deze overboekingen stelt de man een vergoedingsrecht te hebben. Volgens de vrouw betreffen deze overboekingen de kosten van de huishouding. Het partijdebat, weergeven in rov. 3.38, spitste zich toe op de vraag of deze overboekingen als bijdragen van de man in de kosten van de huishouding kunnen worden aangemerkt. De omvang van de kosten van de huishouding is dus bepaald, of beter gezegd: begrensd, door de vordering van de man en het verweer van de vrouw.
4.59
De klacht in 2.3.3 komt erop neer, als ik het goed begrijp, dat het hof ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de stelling van de man dat hij directe betalingen heeft gedaan aan de kosten van de huishouding. Uit rov. 3.38 maak ik op dat het hof met deze stelling van de man wel rekening heeft gehouden (‘Hij voert aan dat …’ t/m ‘door de man betaald.’), maar dat het hof kennelijk van oordeel is geweest, hetzij dat de man deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd, hetzij dat deze betalingen geen betrekking hadden op de kosten van de huishouding. Anders dan het middel veronderstelt, rust de stelplicht en de bewijslast ten aanzien van deze stelling op de man.
4.60
Voorts betoogt het middel in 2.3.4 dat niet duidelijk is op welke stellingen van partijen het hof doelt met de ‘contante betalingen’ in rov. 3.42. Ook zou het hof hebben miskend dat de bewijslast ten aanzien van de door de vrouw gestelde contante betalingen op haar en niet op beide partijen zou rusten. Verder zou onduidelijk zijn met welke bedragen aan contante betalingen het hof rekening heeft gehouden, aan welke zijde en welke gevolgen het hof daaraan verbindt.
4.61
Uit het debat in feitelijke instanties volgt dat partijen zich op het standpunt hebben gesteld dat de kosten van de huishouding contant of met een bankpas werden betaald.36.In lijn met deze stellingen heeft het hof in rov. 3.42 aangenomen dat partijen met regelmaat contante betalingen deden voor boodschappen en andere uitgaven. Het hof heeft deze contante betalingen evenwel ‘niet met zekerheid (kunnen) vaststellen’, omdat partijen het daarover niet eens zijn en er geen bewijs is wie wat heeft betaald. Nu geen van partijen ‘de precieze omvang van die betalingen heeft (…) duidelijk kunnen maken’, heeft het hof de contante betalingen van partijen buiten beschouwing gelaten als onderdeel van de kosten van de huishouding. Ik zie niet in waarom dat oordeel onjuist of onbegrijpelijk is. Ook is er geen sprake van dat het hof de bewijslastverdeling zou hebben miskend; de bewijslast rust op de partij die stelt contante betalingen te hebben gedaan voor de kosten van de huishouding.
4.62
In 2.3.5 komt het middel op tegen rov. 3.43, waarin het hof kort gezegd het volgende heeft overwogen. Niet betwist zijn de overzichten over de inkomens van partijen en de kosten van de huishouding en hoe deze verrekend zouden worden.37.Daaruit blijkt dat in de jaren 1998, 1999, 2001 en 2005 het inkomen van de vrouw nihil was; dat wil zeggen dat de man de kosten van de huishouding over de genoemde vier jaren diende te betalen, en als zijn inkomen niet voldoende was, de resterende kosten naar evenredigheid uit het vermogen van partijen betaald diende te worden. Geen van partijen heeft gesteld dat de inkomens niet voldoende waren voor de kosten van de huishouding. Tot zover ’s hofs oordeel. De klacht houdt in dat het hof heeft miskend dat de overzichten die door de vrouw zijn overgelegd door de man zijn betwist, dat het hof de feitelijke grondslag van het verweer van de vrouw heeft aangevuld en dat onbegrijpelijk is ’s hofs oordeel dat geen van partijen heeft gesteld dat de inkomsten niet voldoende waren voor de kosten van de huishouding.
4.63
De klacht faalt. Uit de door partijen in het geding gebrachte (en in rov. 3.43 met vindplaats genoemde)38.stukken heeft het hof afgeleid dat de vrouw in de genoemde vier jaren geen inkomen had. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, omdat uit deze stukken blijkt dat beide partijen ervan uitgaan dat de vrouw in de relevante jaren een nihil of negatief (belastbaar) inkomen had.39.Uit het verweer van de vrouw dat de betalingen van de man bijdragen in de kosten van de huishouding betreffen, volgt dat zij zich op het standpunt heeft gesteld dat niet zij maar de man voor het bedrag van deze betalingen draagplichtig was. Zo heeft het hof dat verweer van de vrouw kennelijk ook opgevat, zodat geen sprake is van het aanvullen van de feitelijke grondslag van het verweer van de vrouw. Verder geldt dat, voor zover de man had willen betogen dat de inkomens van partijen niet voldoende waren voor de kosten van de huishouding, hij deze stelling op een zodanige wijze had moeten inroepen dat dit voor het hof en de vrouw duidelijk zou zijn. Dat is m.i. niet gebeurd; het middel noemt ook geen vindplaats in de stukken waaruit dit wel zou blijken. Voor zover het middel betoogt dat de man heeft gesteld dat hij zakelijk een hypotheekschuld is aangegaan om hem in privé in staat te stellen de verbouwingskosten van de woning te betalen, gaat het middel eraan voorbij dat de betalingen die het hof in rov. 3.37 e.v. heeft beoordeeld niet zien op de verbouwingskosten. Het hof hoefde hierop in dit verband geen acht te slaan, nog daargelaten dat de vrouw voornoemde stelling van de man heeft betwist.40.
4.64
In 2.3.6 vervolgt het middel met de klacht dat sprake is van een feitelijke misslag in rov. 3.44, waar het hof overweegt dat partijen de woning in erfpacht hadden. Het middel stelt terecht dat het erfpachtrecht uitsluitend aan de vrouw toebehoorde (zie ook rov. 3.16), maar verbindt hieraan geen klacht die tot vernietiging van ’s hofs oordeel zou kunnen leiden. Bovendien is in het kader van rov. 3.44 niet zozeer relevant wie van partijen de woning in erfpacht had, maar gaat het erom dat het in overeenstemming met de huwelijkse voorwaarden is dat beide partijen bijdragen aan de woonlasten en andere gebruikelijke lasten (zoals verzekeringen en waterschapslasten) van de echtelijke woning.
4.65
Voorts betoogt het middel dat, indien het hof in rov. 3.44 andere posten (waaronder nutsvoorzieningen, waterschapslasten en opstalverzekering) dan de door de man erkende posten in zijn oordeel heeft betrokken, het hof daarmee in het licht van rov. 3.12.3 van het arrest van 19 december 2017 van het hof ’s-Hertogenbosch buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. De klacht faalt. In voormelde overweging heeft het hof de vordering van de vrouw – zie rov. 3.2.3 van de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 maart 2016 – om de man te veroordelen tot betaling aan haar van de nog verschuldigde erfpachtcanon (2004, 2005 en deels 2009) en verzekeringspremies van de opstalverzekering voor 2009 afgewezen. Deze – afgewezen – vordering van de vrouw maakt geen onderdeel uit van de onderhavige procedure; rov. 3.44 bevat geen oordeel ten aanzien van deze vordering. In rov. 3.44 overweegt het hof, in het kader van de kosten van de huishouding, dat het in overeenstemming is met de huwelijkse voorwaarden dat beide partijen bijdragen aan de lasten die bij het bewonen van een echtelijke woning horen, waarbij het hof voor de jaren 2001 t/m 2005 vaststelt dat de vrouw een aantal algemene lasten van de woning betaalde.
4.66
In 2.3.7 wordt geklaagd over rov. 3.44, voor zover het hof overweegt dat uit de door de vrouw overgelegde rekeningen en bankafschriften blijkt dat zij van haar rekening zaken zoals kleding, de kerk, de bibliotheek, de kapper en kosten van gezondheidszorg betaalde. Volgens het middel is onbegrijpelijk de overweging die hierop volgt, namelijk dat het hof dergelijke kosten niet terugziet in de bankafschriften van de man. Het middel voert aan dat de man voor de periode 2001 t/m 2004 overzichten met onderliggende bescheiden (facturen en bankafschriften) in het geding heeft gebracht van de kosten van de huishouding die door hem van zijn bankrekening zijn betaald.
4.67
Het middel berust op een verkeerde lezing van het bestreden oordeel, voor zover het meent dat het hof in rov. 3.44 heeft overwogen dat de man helemaal niets betaalde aan de kosten van de huishouding. Bovendien bestrijdt het middel niet de kern van rov. 3.44, namelijk de vaststelling dat de vrouw een aantal algemene lasten (rekeningen nutsvoorzieningen Delta, waterschapslasten) van de woning alsmede zaken zoals kleding, de kerk, de bibliotheek, de kapper en kosten van gezondheidszorg betaalde. Uit deze vaststelling volgt dat de vrouw verschillende kosten betaalde die onder de kosten van de huishouding vallen, terwijl het inkomen van de vrouw in die jaren nihil was (rov. 3.43), op basis waarvan het hof tot de – begrijpelijke – conclusie is gekomen dat de middelen om die kosten te betalen van de man afkomstig moeten zijn. Dat de man ook een deel van de kosten van de huishouding betaalde, zoals hij stelt, doet hieraan niet af.
4.68
De klacht in 2.3.8 dat het hof ten onrechte voorbij is gegaan aan de betwisting door de man van de door de vrouw overgelegde overzichten en de daarin genoemde bedragen, faalt. Tegenover de met stukken onderbouwde stelling van de vrouw heeft het hof de betwisting van de man kennelijk onvoldoende geacht. Het betoog dat de stelling van de man dat een deel van de door de vrouw opgevoerde kosten zakelijke kosten betreffen, onbetwist is gebleven, gaat evenmin op. De vrouw heeft zich immers (gemotiveerd) op het standpunt gesteld dat zij jaarlijks gemiddeld minimaal € 27.000,- aan kosten voor de gemeenschappelijke huishouding betaalde.41.
4.69
Als ik het goed begrijp, komt het middel in 2.3.9 op tegen het door de vrouw gestelde gemiddelde van minimaal € 27.000,- dat zij in de jaren 2001 t/m 2008 aan de kosten van de huishouding heeft betaald. Volgens het middel heeft de man de door de vrouw gestelde bedragen over de verschillende jaren betwist, waardoor, zo begrijp ik althans de klacht, het gestelde gemiddelde van minimaal € 27.000,- feitelijke grondslag ontbeert. De klacht is tevergeefs voorgesteld. Voor zover het hof in zijn beoordeling in rov. 3.39 e.v. tot uitgangspunt zou hebben genomen dat ervan moet worden uitgegaan dat de vrouw een gemiddelde van € 27.000,- aan de kosten van de huishouding heeft betaald, is dat oordeel niet onbegrijpelijk in het licht van de door de vrouw aan haar stelling ten grondslag gelegde stukken.42.
4.70
In het licht van het voorgaande, heeft de klacht in 2.3.10 geen zelfstandige betekenis.
4.71
In 2.3.11 bestrijdt het middel rov. 3.45, waarin het hof het volgende heeft overwogen. Aan de bankafschriften van de man is te zien dat hij steeds in het najaar een bedrag aan de vrouw heeft overgemaakt en een keer in het begin van het volgende jaar een bedrag. De vrouw heeft voldoende onderbouwd dat deze overboekingen kosten van de huishouding betroffen. Tegenover het onderbouwde verweer van de vrouw heeft de man niet (voldoende) duidelijk gemaakt waarom hij in drie van de vier jaren steeds in het najaar een bedrag aan de vrouw heeft overgemaakt. Gelet op het onderbouwde verweer van de vrouw en mede gelet op hetgeen is overwogen over het inkomen (rov. 3.43), gaat het hof ervan uit dat de man met deze vermogensverschuivingen bijdroeg in de kosten van de huishouding. De man heeft daarom geen aanspraak op vergoeding van deze bedragen.
4.72
Het middel bouwt deels voort op eerdere klachten die falen. Voor het overige geldt het volgende. Het middel faalt voor zover wordt geklaagd dat het hof de feitelijke grondslag van het verweer van de vrouw heeft aangevuld door dit verweer te honoreren op de zelfstandige grond dat de man niet (voldoende) duidelijk heeft gemaakt waarom hij in drie van de vier jaren steeds in het najaar een bedrag aan de vrouw heeft overgemaakt. Nog daargelaten dat het tijdstip van de betalingen niet doorslaggevend is voor ’s hofs eindoordeel dat de man met deze betalingen bijdroeg in de kosten van de huishouding, volgt het hof in rov. 3.45 – met verwijzing naar de bankafschriften – de stelling van de vrouw dat zij op onregelmatige tijden en met onregelmatige bedragen betalingen heeft ontvangen van de man.43.Anders dan het middel aanvoert, heeft het hof de stelplicht en bewijslast in dit verband niet miskend. Uit rov. 3.45 volgt immers dat, in de visie van het hof, de vrouw haar verweer dat de betalingen van de man waren bedoeld als bijdragen in de kosten van de huishouding voldoende heeft onderbouwd, zodat het op de weg van de man ligt om te onderbouwen dat zijn betalingen niet waren bedoeld als bijdragen in de kosten van de huishouding.
4.73
De klacht in 2.3.12 mist zelfstandige betekenis.
4.74
Uit het voorgaande volgt dat geen van de klachten van onderdeel 2 slaagt.
5. Bespreking van het cassatiemiddel in het incidentele beroep
5.1
Het incidentele cassatieberoep van de vrouw is ingesteld onder de voorwaarde dat in het principale beroep één of meer klachten van onderdeel 2 gegrond zullen worden verklaard. Nu deze voorwaarde niet is vervuld, behoeft het incidentele cassatieberoep geen bespreking.
6. Conclusie
De conclusie in het principale cassatieberoep strekt tot vernietiging.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑10‑2024
HR 30 augustus 2019, ECLI:NL:HR:2019:1292, RvdW 2019/938.
Ontleend aan HR 30 augustus 2019, rov. 2.1 en het in die zaak bestreden arrest van het hof ‘s-Hertogenbosch 19 december 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:5921, rov. 3.1-3.3.
Zie ook hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, 20 juni 2023, rov. 2.3: ‘(…) het hof begrijpt dat is bedoeld: te beslissen zoals dat hof heeft gedaan (…)’.
Hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, 20 juni 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:5167.
De procesinleiding is op 14 september 2023 via het webportaal ingediend ter griffie van de Hoge Raad.
Proces-verbaal van de zitting van 8 juni 2015 bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, p. 2; conclusie van antwoord in reconventie, nrs. 5 en 17; antwoordakte van 7 oktober 2015, nr. 42 e.v.; rov. 3.2.1 van het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 maart 2016.
Memorie van antwoord in incidenteel appel, nr. 12 (gelezen in samenhang met rov. 2, vierde alinea van het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 19 december 2017); proces-verbaal van de zitting van 13 september 2017 bij het hof ’s-Hertogenbosch, p. 5.
Antwoordmemorie na verwijzing, nr. 2.8.
Proces-verbaal van de zitting van 8 juni 2015 bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, p. 3.
Zie 2.1, onder (iii) van mijn conclusie.
Zie HR 18 juni 2004, ECLI:NL:HR:AO7004, NJ 2004/399, rov. 4.2
Zie voor de – primaire en subsidiaire – grondslag van de vordering van de man, akte uitlaten tevens overleggen producties en wijziging van eis van 2 september 2015, nr. 11 (vgl. rov. 3.5.2 van het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 maart 2016).
Zie o.a. antwoordmemorie na verwijzing, nr. 3.8.
Zie o.m. Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/335; N.T. Dempsey & A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: B.T.M. van der Wiel (red.), Cassatie (BPP nr. 20) 2019/401, 403.
Conclusie van antwoord in reconventie, nr. 64; antwoordakte van 2 september 2015, nr. 53.
Zie inleidende dagvaarding, nr. 4; conclusie van antwoord in reconventie, nrs. 5, 19-25, 33-34, 52, 62, 64; antwoordakte van 2 september 2015, nr. 53; antwoordakte van 7 oktober 2015, nr. 37; memorie van grieven, nr. 64.
Zie ook 4.49 van mijn conclusie.
Memorie na verwijzing, nr. 50, p. 19.
Zie bijvoorbeeld antwoordakte van 7 oktober 2014, nr. 5.
Zie bijvoorbeeld conclusie van antwoord in reconventie, nr. 64; memorie van antwoord in incidenteel appel, nr. 66.
In voetnoot 42 via een verwijzing naar voetnoot 19.
Zie ook memorie na verwijzing, nrs. 4 en 27, en nr. 40 e.v. waarin de man de afzonderlijke betalingen noemt en toelicht.
Prod. 21 bij de akte overlegging producties, tevens gedeeltelijke wijziging grondslag vordering en bewijsaanbod van 8 juli 2015 zijdens de man. Zie ook antwoordmemorie na verwijzing zijdens de vrouw, nr. 2.13.
HR 15 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1808, NJ 1996/616, m.nt. W.M. Kleijn, rov. 3.5; HR 17 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2459, NJ 1998/692, m.nt. W.M. Kleijn, rov. 4.3.
HR 17 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2459, NJ 1998/692, m.nt. W.M. Kleijn, rov. 4.4; HR 1 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9558, NJ 2005/1, m.nt. W.M. Kleijn, rov. 4.3; HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9769, NJ 2012/409, rov. 3.7.2.
HR 4 juni 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB6840, NJ 1965/277, m.nt. G.J. Scholten.
HR 15 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1808, NJ 1996/616, m.nt. W.M. Kleijn, rov. 3.5.
Zie A.G.F.M. Flos, Huwelijkse voorwaarden met gescheiden vermogens. Koude uitsluiting in het licht van de dynamische en affectieve relatie van echtgenoten, Boom juridisch 2023, p. 188-189.
Zie 4.39 van mijn conclusie.
Zie 4.37 van mijn conclusie.
Zie conclusie van antwoord in reconventie, nrs. 64 en 73; antwoordakte van 2 september 2015, nr. 54; antwoordmemorie na verwijzing, nr. 2.6. De man heeft dit erkend, maar opgemerkt dat later een correctie door de Belastingdienst heeft plaatsgevonden (zie antwoordakte van 7 oktober 2015, nr. 26; memorie na verwijzing, nr. 49).
Memorie na verwijzing, p. 18-19.
Zie o.a. antwoordakte van 7 oktober 2015, nr. 5 (‘In het geval [de man] de financiële middelen niet ter beschikking had gesteld, had [de vrouw] de verbouwing niet kunnen uitvoeren.’).
Zie o.a. conclusie van antwoord in reconventie, nr. 64; memorie van antwoord in incidenteel appel, nr. 66.
Zie productie 2 bij de inleidende dagvaarding.
Zie akte overlegging producties tevens gedeeltelijke wijziging van de grondslag van de vordering van 8 juli 2015 zijdens de man, nrs. 6, 37 en 40; antwoordakte van 7 oktober 2015 zijdens de man, nr. 12; antwoordakte van 7 oktober 2015 zijdens de vrouw, nr. 50.
Het hof verwijst hiervoor naar productie 3 bij de inleidende dagvaarding van de vrouw en productie 1 bij de conclusie van antwoord in conventie tevens van eis in reconventie van de man.
Zie de vorige voetnoot.
Dit wordt bevestigd in o.a. nr. 12 van de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van de man, waarin is vermeld ‘dat beide partijen in hun berekeningen uitgaan van dezelfde cijfers’; in nr. 13 betwist de man vervolgens de berekening van de vrouw, omdat zij van een onjuist inkomensbegrip zou uitgaan. Zie ook (naast de nrs. 5, 86-87, 248 en 250) nr. 245 van de memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel, waarin de man opmerkt: ‘Reeds bij het aangaan van het huwelijk was de onderneming van de vrouw verlieslatend. De vrouw leed ook volgens eigen opgave (…) in alle huwelijkse jaren na 1996 een verlies uit onderneming. Als gevolg daarvan was het relevante belastbare inkomen van de vrouw in alle jaren na 1996 negatief. Over deze cijfers bestaat geen discussie.’
Zie nr. 4.49 van mijn conclusie.
Zie antwoordmemorie na verwijzing, nr. 2.3 met verwijzing naar antwoordakte van 2 september 2015, nr. 37 e.v.
Zie o.a. antwoordakte 2 september 2015, nrs. 40-43; antwoordakte 7 oktober 2015, nr. 50; antwoordmemorie na verwijzing, nr. 2.3.
Zie antwoordakte van 2 september 2015, nr. 42; antwoordakte van 7 oktober 2015, nrs. 49-51; antwoordmemorie na verwijzing, nrs. 2.3, 2.11, 3.9, 4.14, 4.29.
Beroepschrift 14‑09‑2023
PROCESINLEIDING IN CASSATIE BIJ DE HOGE RAAD ALS BEDOELD IN ART. 407 RV
Eiser tot cassatie is:
[de man] (hierna ook: de man), wonende aan de [adres] ([postcode]) te [woonplaats], gemeente [gemeente], te dezer zake woonplaats kiezende te 's‑Gravenhage aan de Johan van Oldenbarneveltlaan nr. 36 (2582 NT), (postbus 82230, 2508 EE), ten kantore van mr. J. van Duijvendijk-Brand, advocaat bij de Hoge Raad, die door hem wordt aangewezen om hem te vertegenwoordigen en als zodanig wordt gesteld (art. 407 lid 3 en 4 Rv):
Verweerster in cassatie is:
[de vrouw] (hierna ook: de vrouw), wonende aan de [adres] te [woonplaats] ([postcode]), gemeente [gemeente];
Verweerster heeft in de vorige instantie in deze zaak laatstelijk woonplaats gekozen ten kantore van mr. W.M. Bijloo, kantoorhoudende aan de Oostelijke Achterweg, nr. 82 (3241 CM) te Middelharnis (postbus 50, 3240 AB).
Oproep
Verweerster in cassatie kan in deze procedure ten laatste verschijnen op vrijdag 13 oktober 2023, niet in persoon, doch vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad, ter terechtzitting van de Hoge Raad der Nederlanden, die alsdan zal worden gehouden in het gebouw van de Hoge Raad aan het Korte Voorhout nr. 8 te Den Haag.
De enkelvoudige civiele kamer behandelt de zaken, vermeld op het in artikel 15 van het Besluit orde van dienst gerechten bedoeld overzicht van zaken, op vrijdagen om 10.00 uur, zoals vermeld in hoofdstuk 1 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden (Stcrt. 2017/5928).
Bestreden arrest
Eiser stelt hierdoor beroep in cassatie in bij de Hoge Raad der Nederlanden tegen het arrest van 20 juni 2023 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden onder zaaknummer 200.296.336 na cassatie en verwijzing (HR 30 augustus 2019, ECLI:NL:HR:2019:1292) gewezen tussen de man als appellant na verwijzing en de vrouw als geïntimeerde na verwijzing.
N.B. Ten tijde van de indiening van de procesinleiding beschikte de man nog niet over het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof op 21 maart 2022. De man behoudt zich het recht voor om aanvullende middelonderdelen te formuleren dan wel de (toelichting op) de bestaande middelonderdelen aan te vullen indien het proces-verbaal daartoe aanleiding mocht geven.
Middel van cassatie
Eiser tot cassatie richt zich tegen voormeld arrest met het volgende
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of van vormen, waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich brengt, omdat het Hof op grond van de in het arrest van 20 jun 2023, waarvan beroep, vermelde gronden en het dictum heeft beslist, zulks ten onrechte op grond van de navolgende, mede in onderling verband en samenhang in aanmerking te nemen redenen.
A. Inleiding
1.
Het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden volgt op het arrest van de Hoge Raad van 30 augustus 2019, waarin het door de vrouw ingestelde principale cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 19 december 2017 werd verworpen, maar de klachten uit het door de man ingestelde incidentele cassatieberoep gedeeltelijk gegrond werden bevonden, het arrest van het hof 's‑Hertogenbosch werd vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het hof Arnhem-Leeuwarden werd verwezen.1.
2.
Na vernietiging en verwijzing is de omvang van de rechtsstrijd beperkt tot (1) de vraag of de man recht heeft op terugbetaling van een bedrag van € 27.433 dat hij uit hoofde van de tussen partijen in juni 1996 gesloten potovereenkomst aan de vrouw betaalde en (2) op vergoeding van de door de man in de (voormalige echtelijke) woning gedane investeringen, welke woning ten tijde van het doen van de investeringen2. in eigendom toebehoorde aan de moeder van de vrouw en waarvan de vrouw het recht van erfpacht had.
3.
De uitleg van de huwelijkse voorwaarden van partijen, meer specifiek van het inkomensbegrip in art. 6 van het verrekenbeding, maakt in de verwijzingsprocedure geen onderdeel meer uit van de rechtsstrijd tussen partijen. Dat geldt ook voor de vaststelling dat er aan de zijde van de man geen sprake is geweest van overgespaarde inkomsten, zodat de op art. 9 van de huwelijkse voorwaarden gebaseerde vordering van de vrouw dient te worden afgewezen (zie rov. 3 van het arrest van Uw Raad van 30 augustus 2019).
B. Klachten
1. Onderdeel 1 ‘de potovereenkomst; vordering uit onverschuldigde betaling’
1.1
In rov. 3.2 overweegt het hof, (terecht) onder verwijzing naar de relevante passages uit het arrest van de Hoge Raad van 30 augustus 2019, dat het hof opnieuw moet beoordelen of de man een vordering uit onverschuldigde betaling heeft op de vrouw, met andere woorden, of de vrouw aan de man het bedrag van € 27.433 moet terugbetalen dat hij ter uitvoering van de potovereenkomst aan de vrouw heeft betaald op 23 november 2004. Na in rov. 3.4/3.5 te hebben geoordeeld dat van een gerechtelijke erkentenis in de zin van art. 154 Rv door de vrouw van de nietigheid van de potovereenkomst geen sprake is (tegen welk oordeel in cassatie niet zal worden opgekomen), stelt het hof in rov. 3.6 t/m 3.12 de vraag naar de geldigheid van de potovereenkomst aan de orde.3. Het hof geeft daartoe eerst het procesverloop en de stellingen van partijen in de procedure voor verwijzing weer en citeert de relevante bepalingen uit de huwelijkse voorwaarden en de potovereenkomst. In rov. 3.9 overweegt het hof:
‘Het hof overweegt als volgt. Tussen echtgenoten geldt contractsvrijheid. Zij kunnen onderling afspraken maken zoals zij dat wensen. In beginsel staat het partijen daarom vrij om — ook naast de huwelijkse voorwaarden — een onderhandse overeenkomstzoals de onderhavige potovereenkomstte sluiten. Voor afspraken die als huwelijkse voorwaarden zijn aan te merken geldt de vormeis van een notariële akte (artikel 1:115 lid 1 BW). Die vormeis is zowel in het belang van derden, zoals de fiscus en andere schuldeisers, als in het belang van de echtgenoten onderling (HR 27 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7541). Voor een tweetal als huwelijkse voorwaarden aan te merken overeenkomsten bestaat een uitzondering op de vormeis van een notariële akte. Zo bepaalt artikel 1:84 lid 3 BW ten aanzien van de kosten van de huishouding dat echtgenoten bij schriftelijke overeenkomst een van het eerste en tweede lid van dat artikel afwijkende regeling kunnen treffen. Voorts bepaalt artikel 1:87 lid 4 BW (eerste volzin) dat echtgenoten bij overeenkomst kunnen afwijken van het eerste tot en met het derde lid van dat artikel. Deze regel is van overeenkomstige toepassing op de vergoedingen van artikel 1:95, 96 en 96a BW (artikel 1:96b BW)’4.
De betreffende rechtsoverweging lijkt een algemeen karakter te hebben en nog geen oordeel in te houden over de geldigheid van de potovereenkomst met déze inhoud in dít geval, gelet op de inhoud van déze huwelijkse voorwaarden. Mocht in de onderstreepte passages een dergelijk oordeel wel moeten worden gelezen, dan richten de hierna geformuleerde klachten zich ook tegen het hiervoor aangeduide oordeel in rov. 3.9. Wat het tweede blokje onderstreepte passages betreft, kan daar nog het volgende aan worden toegevoegd. Art. 1:84 lid 3 BW is pas ingevoerd bij wet van 31 mei 2001 (Stb. 2001, 275) en vereist een schriftelijke overeenkomst voor afwijking van de in het artikel (of de huwelijkse voorwaarden) opgenomen regeling voor de kosten van de huishouding. Voorts heeft geen der partijen gesteld dat de potovereenkomst een (van de huwelijkse voorwaarden afwijkende) regeling inzake de kosten van de huishouding betreft. Kortom, de relevantie van de betreffende vooropstelling door het hof ten aanzien van art. 1:84 lid 3 BW ontgaat de man. Dat geldt ook voor de overweging inzake art. 1:87 lid 4 (eerste volzin) BW: deze bepaling is op grond van art. V lid 1 van het Overgangsrecht slechts van toepassing op vergoedingsvorderingen die zijn ontstaan na het tijdstip van inwerkingtreding van de wet (1 januari 2012) en is dus voor het onderhavige geschil reeds om die reden niet relevant, terwijl in dit geval evenmin sprake is van een afwijkende overeenkomst inzake de vergoedingsrechten waarop art. 1:87 BW betrekking heeft. In die zin is het oordeel rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk. Mocht het hof met de hiervoor aangeduide vooropstelling hebben bedoeld, dat ook buiten deze twee genoemde wettelijke bepalingen het vormvereiste van art. 1:115 BW kan worden losgelaten, ook indien en voorzover géén sprake is van een uitvoeringsovereenkomst (over de laatste: zie hieronder nader), dan geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, omdat voor een dergelijke ‘deformalisering’ zonder wettelijke basis geen steun te vinden is in het recht.
1.2
In rov. 3.12 overweegt het hof:
‘Met de potovereenkomst hebben partijen ervoor gekozen jaarlijks de winsten in hun bedrijven samen te delen en daarnaast ook verliezen tot f 100.000. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat het de bedoeling van de potovereenkomst was dat ieder hetzelfde in de portemonnee zou hebben.
Daarmee heeft de potovereenkomst dezelfde strekking als het periodiek verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden van partijen en kan deze niet anders worden gezien dan als een uitvoering daarvan op een concreet onderdeel, te weten de winsten en verliezen in de ondernemingen van partijen. Zo'n uitvoeringsovereenkomst is geen huwelijkse voorwaarde waarvoor op straffe van nietigheid de vormeis van een notariële akte geldt. Het hof is van oordeel dat deze overeenkomst geldig is en dat betalingen op grond van die overeenkomst niet zonder rechtsgrond zijn. Van onverschuldigde betaling is dan ook geen sprake. Dat de potovereenkomst slechts eenmaal zou zijn uitgevoerd, zoals de man stelt maar de vrouw betwist, betekent niet dat deze zonder rechtsgrond is. De potovereenkomst heeft enkel tot onderwerp de winsten en verliezen uit de ondernemingen van partijen, terwijl het periodiek verrekenbeding een ruimer inkomensbegrip kent. Dat doet niet af aan de geldigheid van de potovereenkomst. Het staat partijen immers vrij ter uitvoering van het verrekenbeding nadere (uitvoerings)afspraken te maken over een bepaald soort inkomsten, zoals in dit geval winsten en verliezen uit de ondernemingen. Bij de uitvoering staat het partijen ook vrij — in onderling overleg — af te wijken van de rekenmethodiek en andere bepalingen in de huwelijkse voorwaarden. De afwijking bij de concrete uitvoering tast de regeling over de periodieke verrekening van inkomsten in de huwelijkse voorwaarden zelf niet aan. Niet is gesteld of gebleken dat de potovereenkomst in de plaats is gekomen van artikel 9 dan wel artikel 12 van de huwelijkse voorwaarden van partijen.’
Dit oordeel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is het niet voorzien van een voldoende begrijpelijke motivering, om redenen die hierna uiteen zullen worden gezet.
1.3
Om te beginnen, geeft het oordeel ‘De vrouw heeft onweersproken gesteld dat het de bedoeling van de potovereenkomst was dat ieder hetzelfde in de portemonnee zou hebben.’ blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dat oordeel onbegrijpelijk. Die (nieuwe) stelling heeft de vrouw (zoals wordt onderkend door het hof in rov. 3.8) voor het eerst betrokken tijdens de mondelinge behandeling bij het hof 's‑Hertogenbosch op 13 september 2017 en kan dus reeds op die grond niet als ‘onbetwist’ door de man worden aangemerkt. Indien het hof dat heeft miskend, geeft zijn oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting (art. 19 Rv).5. De man heeft bovendien tijdens diezelfde mondelinge behandeling (vóórdat de vrouw haar uitspraken deed, de vrouw kwam als laatste aan het woord) over de potovereenkomst verklaard dat de vrouw deze heeft laten opstellen bij de accountant en dat hij ermee akkoord is gegaan en dat hij niet weet wat de specifieke reden was.6. Die stelling is in lijn met hetgeen de man steeds, ook reeds in eerste aanleg, heeft betoogd, te weten dat de potovereenkomst inhield dat partijen alle in hun bedrijven gemaakte winsten boekhoudkundig bij elkaar zouden voegen in een ‘pot’ teneinde die winsten vervolgens volgens de verdeelsleutel 50:50 tussen de bedrijven te delen.7. Het oordeel van het hof dat de door de vrouw gestelde bedoeling van de potovereenkomst als onbestreden vast zou staan is dus ook onbegrijpelijk.
Het startpunt van de redenering van het hof komt daarmee aan zijn oordeel te ontvallen en maakt reeds dat alle daarop voortbouwende oordelen in rov. 3.12 niet in stand kunnen blijven.
1.4
Dat geldt onder meer voor de overweging:
‘Daarmee heeft de potovereenkomst dezelfde strekking als het periodiek verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden van partijen en kan deze niet anders worden gezien dan als een uitvoering daarvan op een concreet onderdeel, te weten de winsten en verliezen in de ondernemingen van partijen.’,
aangezien het oordeel over ‘dezelfde strekking’ uitsluitend gebaseerd is op de (rechtens onjuiste/althans onbegrijpelijke) vaststelling dat de strekking van de potovereenkomst (‘hetzelfde in de portemonnee overhouden’) als tussen partijen onbestreden vaststaat.
1.5
‘Daarmee heeft de potovereenkomst dezelfde strekking als het periodiek verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden van partijen (…)’.
Het oordeel van het hof dat de potovereenkomst ‘dezelfde strekking’ heeft als het periodiek verrekenbeding is ook nog om de navolgende redenen onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Het hof verzuimt in zijn oordeel (kenbaar) te betrekken de essentiële stellingen die de man over de verschillen tussen het periodiek verrekenbeding en de potovereenkomst naar voren heeft gebracht in de procedure bij het Hof 's‑Hertogenbosch, leidend tot het arrest van 19 december 2017, waarover in onderdeel 1.3 van het incidentele cassatiemiddel, gericht tegen dat arrest, door de man werd geklaagd.8. Dit middelonderdeel werd door de Hoge Raad in het arrest van 30 augustus 2019 gegrond bevonden. Zie ook de conclusie van A-G Lückers voor het arrest (§ 2.18), waarin de A-G helder uiteenzet dat een (mogelijke) uitleg door het Hof 's‑Hertogenbosch dat de afspraken in de potovereenkomst inhoudelijk niet afwijken van en dus geheel in lijn zijn met wat uit de huwelijkse voorwaarden volgt, onbegrijpelijk zou zijn, nu een betaling in het kader van de potovereenkomst eenvoudigweg niet valt te rijmen met het feit dat op grond van de huwelijkse voorwaarden voor de man over alle huwelijkse jaren géén periodieke verrekenplicht heeft bestaan. In het arrest van 30 augustus 2019 heeft de Hoge Raad duidelijke vingerwijzingen gegeven aan het verwijzingshof om voornoemde essentiële stellingen van de man (zoals weergegeven in rov. 4.1.1 en 4.1.2 van het arrest) wél (kenbaar) in zijn oordeel te betrekken. Het hof heeft dat nagelaten en daarmee de opdracht aan hem als verwijzingsrechter genegeerd en de omvang van de rechtsstrijd na cassatie en verwijzing miskend.
1.6
‘en kan deze niet anders worden gezien dan als een uitvoering9.daarvan op een concreet onderdeel, te weten de winsten en verliezen in de ondernemingen van partijen.’ Dit oordeel en de daarna volgende overwegingen in rov. 3.12, alsook de conclusie dat de potovereenkomst een uitvoeringsovereenkomst is van het periodiek verrekenbeding uit de huwelijkse voorwaarden en als zodanig geldig is, geven blijk van een onjuiste rechtsopvatting en/of zijn onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Daarbij dient het volgende tot uitgangspunt.
1.7
Het oordeel van het hof is rechtens onjuist, omdat het hof de strekking van de rechtspraak van de Hoge Raad, meer in het bijzonder HR 30 maart 2012, NJ 2012/422, heeft miskend. In die uitspraak oordeelde de Hoge Raad weliswaar dat het partijen vrijstaat om — al dan niet in de vorm van een echtscheidingsconvenant — nader overeen te komen dat bij ontbinding van het huwelijk zal worden afgerekend alsof tussen hen een algehele gemeenschap van goederen bestond,10. maar dan moet het gaan om de uitvoering van een verrekenbeding (dus: het concreet maken van de aanspraak op verrekening in een situatie waarin het overeengekomen periodiek verrekenbeding niet is nagekomen11.) en niet om het overeenkomen van een nieuw verrekenbeding/ander regime. Een onderhandse overeenkomst waarin een nieuw verrekenbeding/ander regime wordt afgesproken, zal — behoudens een zich hier niet voordoende uitzondering12. — nietig zijn wegens strijd met art. 1:115 BW.13. De potovereenkomst geeft een regeling voor de bijeenvoeging en deling van de jaarlijkse winsten (én verliezen) van de ondernemingen van partijen, die volstrekt afwijkt van de regeling in het verrekenbeding van de huwelijkse voorwaarden inzake de verrekening van onverteerde inkomsten en zou dus neerkomen op een (deels) nieuw verrekenbeding/nieuw regime.
1.8
Het oordeel is voorts onbegrijpelijk. Uit de gedingstukken blijkt dat partijen zijn gehuwd op [trouwdatum] 1996 na het maken van huwelijkse voorwaarden met een periodiek verrekenbeding en dat in art. 9 van de huwelijkse voorwaarden is bepaald dat de echtgenoten na afloop van elk kalenderjaar verplicht zijn de onverteerde inkomsten te verrekenen. Voorts staat vast dat de potovereenkomst is gesloten in juni 1996, derhalve kort na het sluiten van het huwelijk en het van toepassing worden van de huwelijkse voorwaarden en ruim vóór het einde van het eerste kalenderjaar waarover (eventueel) verrekening zou moeten plaatsvinden. Een en ander betekent dat de potovereenkomst ook om die reden nooit kan worden gezien als een ‘uitvoering van het verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden’. Dat, gelet op de inhoud van de huwelijkse voorwaarden enerzijds en de afspraken in de potovereenkomst anderzijds, van een (als geldig aan te merken) uitvoering van de huwelijkse voorwaarden geen sprake kan zijn, is ook de zienswijze van de A-G in haar conclusie voor het arrest van 30 augustus 2019 (§2.18, p. 19/onderaan p. 20): de afspraak dat partijen hun jaarlijkse winsten uit onderneming bij elkaar zouden voegen en deze bij helfte zouden verdelen, duidt er, aldus de A-G, bepaald niet op dat sprake zou zijn van een ‘eenmalige, over een specifieke, reeds verstreken periode en niet voor de toekomst geldende, concrete verrekenings-en betalingsafspraak (…).’ Dat zijn inderdaad de criteria waaraan moet worden getoetst bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een geldige uitvoeringsovereenkomst.
1.9
Dat de potovereenkomst ‘enkel14. tot onderwerp de winsten en verliezen uit de ondernemingen van partijen [heeft], terwijl het periodiek verrekenbeding een ruimer inkomensbegrip kent’, zoals het hof overweegt, kan evenmin leiden tot de conclusie dat dus sprake is van een uitvoering van de huwelijkse voorwaarden van partijen. Integendeel, die vaststelling bevestigt slechts dat in de potovereenkomst het ‘regime’ van het verrekenbeding uit de huwelijkse voorwaarden wordt gewijzigd (hetgeen niet mogelijk is bij onderhandse akte gelet op het vormvereiste van art. 1:115 BW). Dat dit dan ‘slechts’ ten aanzien van een deel van het verrekenbeding zou gelden, doet daar niet aan af.
1.10
Het oordeel ‘Het staat partijen immers vrij ter uitvoering van het verrekenbeding nadere (uitvoerings)afspraken te maken over een bepaald soort inkomsten, zoals in dit geval winsten en verliezen uit de ondernemingen.’ is op zichzelf niet onjuist, maar kan niet bijdragen aan het oordeel van het hof dat de potovereenkomst om die reden geldig is. Van een uitvoeringsovereenkomst van de huwelijkse voorwaarden is immers — zoals hiervoor uiteen is gezet — geen sprake. Hetzelfde geldt voor de overweging ‘Bij de uitvoering staat het partijen ook vrij — in onderling overleg — af te wijken van de rekenmethodiek en andere bepalingen in de huwelijkse voorwaarden. De afwijking bij de concrete uitvoering15. tast de regeling over de periodieke verrekening van inkomsten in de huwelijkse voorwaarden zelf niet aan.’ Als algemene vooropstellingen zijn deze oordelen niet onjuist, maar zij kunnen niet dienen als onderbouwing van 's hofs oordeel dat de potovereenkomst geldig is om de eenvoudige reden dat de overeenkomst niet kan worden aangemerkt als een ‘concrete uitvoering’ van het verrekenbeding uit de huwelijkse voorwaarden van partijen.
1.11
Het hof besluit zijn redenering in rov. 3.12 met de overweging ‘Niet is gesteld of gebleken dat de potovereenkomst in de plaats is gekomen van artikel 9 dan wel artikel 12 van de huwelijkse voorwaarden van partijen.’ Partijen hebben dat inderdaad niet gesteld, integendeel zij hebben beiden gesteld dat de potovereenkomst de huwelijkse voorwaarden niet opzij kan zetten of daaraan een andere invulling kan geven en dat de potovereenkomst in die zin nietig is. Indien het hof met het tweede deel (‘niet gebleken is’) zou bedoelen, dat partijen door het sluiten van de potovereenkomst hun regime niet hebben gewijzigd (niet hebben kúnnen wijzigen) omdat deze overeenkomst niet voldoet aan de vormvereisten van art. 1:115 BW, is dat ook juist. Die vaststelling kan echter niet bijdragen aan het oordeel dat de potovereenkomst dús geldig is. Omdat geen sprake is van het concreet maken van de aanspraak op verrekening in een situatie waarin het overeengekomen periodiek verrekenbeding niet is nagekomen, dus niet van een uitvoeringsovereenkomst, had het hof daaraan geen andere conclusie kunnen verbinden dan dat de potovereenkomst nietig is.
1.12
Samenvattend: het oordeel van het hof in rov. 3.12 dat de potovereenkomst een geldige uitvoeringsovereenkomst is van het verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden van partijen geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting en/of is niet voorzien van een begrijpelijke redenering en kan daarom niet in stand blijven, hetgeen dan ook geldt voor het daarop voortbouwende oordeel dat betalingen op grond van de potovereenkomst niet zonder rechtsgrond zijn, van onverschuldigde betaling door de man geen sprake is, zodat zijn vordering van € 27.433 dient te worden afgewezen, alsook rov. 4 en het dictum (5).
2. Onderdeel 2 ‘de vordering van de man tot vergoeding van door hem in de woning gedane investeringen’
Algemeen: inleidende opmerkingen
0.1
Het hof diende nog een oordeel te geven over (1) de vraag of de door de man gestelde betalingen (voor zover door de vrouw betwist) hebben plaatsgevonden en (2) tot een vermogensverschuiving ten gunste van de vrouw hebben geleid. Vervolgens diende het nog een oordeel te geven over eventuele (bevrijdende) verweren van de vrouw (3). De eerste twee vragen gaan logischerwijs vooraf aan de derde. Het hof heeft evenwel gekozen voor een andere volgorde van behandeling. Het is — voor zover thans in cassatie nog van belang — eerst ingegaan op het bevrijdend verweer van de vrouw dat de door de man gestelde betalingen voor de verbouwingskosten van de woning zijn aan te merken als de voldoening aan een natuurlijke verbintenis jegens de vrouw, welk verweer het hof voor de betalingen die het als verbouwingskosten kwalificeert gegrond acht (rov. 3.23 t/m 3.30). Pas daarna heeft het hof de vraag óf er voor die kosten (in beginsel) vergoedingsrechten waren ontstaan vermeld (rov. 3.31 t/m 3.36). In rov. 3.37 t/m 3.45 neemt het hof de alsdan nog resterende door de man gestelde betalingen onder de loep, ter zake waarvan de vrouw had gesteld (bevrijdend verweer) dat deze betalingen zagen op de kosten van de huishouding, welk verweer het hof eveneens gegrond acht.
0.2
In rov. 3.17 heeft het hof weergegeven van welke betalingen de man terugbetaling vordert. Uit rov. 3.30, 3.34, 3.35/3.36 en 3.37 blijkt dat het hof ten aanzien van vrijwel alle bedragen feitelijk vaststelt dat de betalingen hebben plaatsgevonden. Een uitzondering daarop is de door de man gestelde (door de vrouw betwiste) betaling van fl. 35.000 (€ 15.882) in contant geld aan de vrouw, het hof acht die betaling niet bewezen. In cassatie zal tegen dat oordeel niet worden opgekomen.
0.3
De vraag of door de (vastgestelde) betalingen die het hof als verbouwingskosten heeft aangemerkt vergoedingsrechten zijn ontstaan heeft het hof eerst in rov.3.26 bevestigend beantwoord, om die vraag in rov. 3.30 vervolgens in het midden te laten (rov. 3.30), zodat van het bestaan van dergelijke vergoedingsrechten in cassatie als rechtens vaststaand kan worden uitgegaan en dus niet slechts bij wege van hypothetisch feitelijke grondslag. Ten aanzien van wat het hof aanduidt als ‘een aantal andere posten’ (rov. 3.31) neemt het hof ten aanzien van alle (feitelijk vastgestelde) betalingen aan dat deze tot vermogensverschuivingen ten behoeve van de vrouw hebben geleid (rov. 3.37) met één uitzondering, te weten het bedrag van € 32.500 dat als post ‘brandschade’ is aangeduid. Het hof oordeelt over die post, dat het hof ervan uitgaat dat de man voormeld bedrag aan de vrouw heeft betaald omdat het haar (op grond van de ‘gezamenlijke gezins-brandverzekering’) toekwam (rov. 3.35/3.36). Tegen dit (feitelijke) oordeel zal de man geen cassatieklachten richten.
0.4
De afwijzing van de vorderingen van de man is dus (behoudens de twee hiervoor aangeduide uitzonderingen die in cassatie geen rol meer spelen) niet gebaseerd op het oordeel van het hof dat er geen vergoedingsrechten voor de man zijn ontstaan, maar op de gegrondbevinding van een tweetal bevrijdende verweren van de vrouw, te weten:
- 1.
Voldoening aan een natuurlijke verbintenis
- 2.
Bijdrage in de kosten van de huishouding.
De man zal hierna tegen beide oordelen cassatieklachten formuleren.
2. A. Verbouwingskosten; ‘natuurlijke verbintenis’
De man meent dat het oordeel van het hof over deze vordering om een groot aantal redenen niet in stand kan blijven. Het hof heeft de grenzen van de rechtsstrijd na cassatie en verwijzing miskend, maar ook los daarvan is zijn oordeel in meerdere opzichten rechtens onjuist en/of onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. De man heeft ervoor gekozen in dit middelonderdeel 2.A afzonderlijke klachten te formuleren over de omvang van de rechtsstrijd — en wel als eerste — en daarna zijn overige klachten. Een andere benadering ware ook denkbaar geweest, evenals een andere volgorde van behandeling. Waar bepaling van de omvang van de rechtsstrijd logischerwijs voorafgaat aan de inhoudelijke beoordeling, is ervoor gekozen bij die volgorde aan te sluiten. De sub-klachten uit het middelonderdeel hangen niettemin ten nauwste met elkaar samen en dienen ook als zodanig te worden gelezen en begrepen.
2.1. Miskenning van de omvang van de rechtsstrijd in de verwijzingsprocedure
2.1.1
Vaststaat dat de vrouw tegenover de vordering van de man in verband met financiering van de verbouwingskosten van de woning in eerste aanleg (dus vóór de cassatie en verwijzing) zeer summierlijk het verweer heeft gevoerd dat de man door betaling van die kosten heeft voldaan aan een natuurlijke verbintenis, zodat hem geen vergoedingsrecht toekomt. Aan dat verweer was het hof 's‑Hertogenbosch (evenals de rechtbank) niet toegekomen, omdat het de vordering op andere gronden heeft afgewezen. Doordat de Hoge Raad de beslissing van het hof 's‑Hertogenbosch op dat punt heeft vernietigd, diende het hof Arnhem-Leeuwarden over genoemd verweer van de vrouw alsnog te beslissen. Gelet daarop is het dus niet onjuist dat het hof (rov. 3.23 t/m 3.30) het verweer van de vrouw inzake natuurlijke verbintenis (alsnog) heeft beoordeeld.
2.1.2
Het hof heeft in rov. 3.23 t/m 3.30 bij die beoordeling (en de gegrondbevinding van het verweer van de vrouw) de grenzen van de rechtsstrijd na cassatie en verwijzing evenwel volledig uit het oog verloren, zoals hierna uiteen zal worden gezet.
2.1.3
Wat de omvang van de rechtsstrijd in de verwijzingsprocedure betreft, geldt allereerst dat het verwijzingshof beslissingen en feitelijke vaststellingen die in cassatie niet of tevergeefs zijn bestreden als vaststaand zal moeten aanmerken. Voorts dient het verwijzingshof de zaak te behandelen in de stand waarin deze zich bevond toen de door de Hoge Raad vernietigde uitspraak werd gewezen. Dit betekent dat het verwijzingshof nog dient te beslissen over stellingen, verweren, grieven en bewijsaanbiedingen waaraan het eerdere hof niet was toegekomen, als de reden om daarop niet te beslissen door de uitspraak van de Hoge Raad is weggevallen. Partijen mogen de rechtsstrijd na verwijzing in beginsel echter niet uitbreiden door nieuwe feiten te stellen, nieuwe bewijsaanbiedingen te doen en dergelijke (aangeduid als de ‘in beginsel strenge leer’). Dit is slechts anders als er sprake is van een nieuwe ontwikkeling in het geding waarop partijen in de instantie voorafgaande aan het geding in cassatie niet hebben kunnen inspelen16. of het hof als verwijzingsrechter oordeelt dat het debat over het door de rechter in eerste aanleg en in hoger beroep nog niet beoordeelde verweer nog niet voldoende is uitgekristalliseerd én om die reden (beide!) partijen in de gelegenheid worden gesteld om op dat verweer in de verwijzingsprocedure nog nader in te gaan en hun (beider!) stellingen ter zake te preciseren.17.
2.1.4
Voor de rechtens vaststaande feiten betekent dit in ieder geval het volgende.
- •
De vorderingsrechten van de man zien op door hem verrichte betalingen in de periode 1998 tot en met 2005.18.
- •
Ten tijde van de door de man verrichte betalingen was de vrouw erfpachter van het betreffende woonhuis met aanhorigheden en de moeder eigenaar.19.
- •
Ten tijde van de door de man verrichte betalingen behoorde volgens de eigen stellingen van de vrouw tot haar vermogen een vorderingsrecht (jegens de verzekeraar) wegens letselschade; dit vorderingsrecht bestond reeds vóór het huwelijk, nu de verzekeraar onmiddellijk na het ongeval in 1994 aansprakelijkheid heeft erkend.20.
- •
In 1997 was volgens de eigen stellingen van de vrouw reeds sprake van een eindtoestand en is vastgesteld dat de vrouw haar werk nauwelijks meer kon verrichten.21.
- •
De schadevergoeding is in 2007 uitgekeerd en omvatte voor de post verlies van verdienvermogen een bedrag van € 1.514.926.22.
- •
Om hem privé in staat te stellen de betalingen van de diverse leveranciers te doen voor de verbouwing van de (echtelijke) woning is de man zakelijk een hypotheekschuld bij de bank aangegaan.23.
- •
De woning was al generaties eigendom van de familie [de vrouw] en de boerderij zou te zijner tijd ook aan de dochter van partijen toekomen.24.
- •
De vrouw is na het overlijden van de moeder door erfopvolging eigenaar geworden van het perceel (en de daarop gebouwde opstallen).25.
- •
Beide partijen zijn afkomstig uit welgestelde agrarische families. Mede in verband daarmee (en in verband met de ondernemingen van partijen) zijn partijen huwelijkse voorwaarden aangegaan.26.
2.1.5
Het debat vóór cassatie en verwijzing over de natuurlijke verbintenis was zeer summier. De vrouw heeft aanvankelijk betoogd dat betaling van de verbouwingskosten door de man (zonder recht op terugbetaling daarvan) berustte op een afspraak tussen partijen.27. En marge merkte de vrouw in dat verband nog op, dat zij op het moment van de verbeteringen aan de woning niet over voldoende middelen beschikte om deze ‘geheel’ zelf te financieren. De man heeft het bestaan van een dergelijke afspraak betwist. Dat de vrouw op het moment van het uitvoeren van de verbouwingen zelf niet over voldoende financiële middelen zou beschikken, was volgens de man reeds om die reden niet relevant.28. De vrouw heeft in een daaropvolgend processtuk de betalingen door de man betwist en subsidiair (voor het eerst) betoogd dat sprake is van een natuurlijke verbintenis, op grond waarvan op haar geen terugbetalingsverplichting rust, welke stelling zij (slechts) als volgt heeft onderbouwd:
‘[de vrouw] was ten tijde van de verbouwing al arbeidsongeschikt en is bovendien de moeder van der partijen kind dat daar ook woont. De boerderij c.a. zal te zijner tijd aan der partijen dochter toekomen.’29.
De man heeft op die stellingen gereageerd en betwist dat de door de vrouw gestelde feiten zouden kúnnen leiden tot de conclusie dat sprake was van een natuurlijke verbintenis van de man jegens de vrouw om de verbouwingskosten te voldoen. Hij heeft in dat verband ook naar voren gebracht dat [de vrouw] in 2007 een letselschade-uitkering heeft ontvangen, de vrouw het land rond de boerderij in eigendom heeft, terwijl de man zakelijk een hypotheekschuld bij de bank is aangegaan om hem in privé in staat te stellen de betalingen voor de verbouwingen aan de leveranciers en de vrouw te voldoen. Hij heeft daarvan tevens concreet bewijs aangeboden door het horen van hemzelf en medewerkers van de bank.30. In het vonnis van de rechtbank van 16 maart 201631. blijft het verweer van de vrouw (voldoening aan natuurlijke verbintenis) onbesproken, omdat de rechtbank het vergoedingsrecht van de man op andere gronden heeft afgewezen (rov. 4.4.1). De man heeft in het door de vrouw ingestelde hoger beroep tegen dit vonnis een incidentele grief (B) tegen de afwijzing van voormeld vergoedingsrecht gericht.32. In haar verweer tegen grief B van de man komt het beroep op de natuurlijke verbintenis niet meer terug. Het verweer wordt weliswaar niet prijsgegeven, maar niet herhaald, laat staan verder onderbouwd.33. Het hof 's‑Hertogenbosch heeft grief B van de man verworpen op de grond — kort samengevat — dat er geen vermogensverschuiving van de man naar de vrouw heeft plaatsgevonden als bedoeld in art. 3 van de huwelijkse voorwaarden.34. Ook daar bleef dit verweer van de vrouw dus onbesproken.
2.1.6
Uit de gedingstukken blijkt dus dat de vrouw slechts éénmaal zeer summierlijk een beroep heeft gedaan op het (beweerdelijke) bestaan van een natuurlijke verbintenis van de man jegens haar tot betaling van de verbouwingskosten van de woning. Die stelling is in randnummer 2.1.5 in cursief weergegeven en bevatte slechts drie elementen: de vrouw was ten tijde van de verbouwingen arbeidsongeschikt, zij is de moeder van het kind dat ook in de woning woont en de woning zal te zijner tijd aan de dochter van partijen toevallen. Deze stellingen waren niet verder uitgewerkt, noch met andere feiten, noch met enige (nadere) juridische inkadering, bijvoorbeeld in de vorm van een beroep op enige (sub)regel over natuurlijke verbintenissen, die dan in dit geval van toepassing zou zijn en tot het door de vrouw bepleite rechtsgevolg (natuurlijke verbintenis) zou kunnen of moeten leiden. Kortom, de vrouw heeft slechts enkele losse feiten geponeerd, maar geen rechtsfeiten (als bedoeld in art. 24 Rv). Het verwijzingshof diende ‘het beroep van de vrouw op een natuurlijke verbintenis’ (als de stellingen van de vrouw die kwalificatie al zouden verdienen, hetgeen dus niet het geval is) uitsluitend op basis van deze drie gestelde feiten/omstandigheden (alsook de eventuele betwisting daarvan door de man) te beoordelen, tenzij het zou vaststellen dat in dit geval sprake is van een van de hiervoor in randnummer 2.1.3 genoemde uitzonderingen op de ‘in beginsel strenge leer’. Uit de overwegingen van het hof blijkt niet (kenbaar) dat het een van deze uitzonderingen hier van toepassing acht. Toch treedt het hof in rov. 3.28 en 3.29 ruim buiten de hiervoor geschetste kaders voor de omvang van de rechtsstrijd in de (onderhavige) verwijzingsprocedure.
2.1.7
In de verwijzingsprocedure heeft de vrouw in haar antwoordmemorie na verwijzing d.d. 9 november 2021 (zijnde het laatste processtuk in de verwijzingsprocedure!) het volgende naar voren gebracht:
- A.
De vrouw heeft [vóór de cassatie en verwijzing] aangevoerd dat voor zover de door de man betaalde bedragen zouden zijn aangewend voor de verbetering/verbouwing van de woning sprake is van een natuurlijke verbintenis, die in de weg staat aan het ontstaan van een vergoedingsrecht (randnummer 4.26).35.
- B.
Volgens vaste rechtspraak kan de echtgenoot die van de financiering door de andere echtgenoot heeft geprofiteerd zich verzetten tegen de uitoefening van het vorderingsrecht door de ander.36. Verder wordt het criterium ter bepaling van een natuurlijke verbintenis weergegeven (randnummer 4.28)
- C.
In randnummer 4.29 wordt verwezen naar en geciteerd uit een uitspraak van het Hof Den Haag van 27 juni 2012 (ECLI:NL:GHDHA:2012:BX069837.) en betoogd dat daaruit blijkt dat in een situatie waarin partijen buiten iedere gemeenschap van goederen zijn getrouwd38. en de man onverplicht tijdens het huwelijk gelden aan de vrouw heeft verstrekt voor de aankoop van de voormalige echtelijke woning en de verbouwing daarvan en de vrouw op die momenten klaarblijkelijk niet de middelen daarvoor had in het algemeen sprake is van een natuurlijke verbintenis.
- D.
De vrouw betoogt vervolgens dat de onderhavige zaak vergelijkbaar is en voert daartoe het volgende aan:
- 1)
De vrouw was volledig arbeidsongeschikt
- 2)
De vrouw zorgde voor het gezin
- 3)
De man genoot het hogere inkomen
- 4)
Partijen hadden een traditioneel rollenpatroon
- 5)
De man woonde in de woning en hield daar zijn kantoor
- 6)
De man heeft enorm geprofiteerd van de vermeende verbouwingen.
De stellingen weergegeven achter B, C en D, 2, 3, 4, 5 en 6 zijn nieuwe stellingen én behelzen een zeer uitgebreide aanvulling van de feitelijke grondslag van het verweer. Daarvoor was in de verwijzingsprocedure geen plaats. Dat betekent dat het hof zijn oordeel over de al dan niet gegrondheid van het beroep van de vrouw op een natuurlijke verbintenis (behoudens toepasselijkheid van een van de uitzonderingen op de ‘in beginsel strenge leer’) uitsluitend mocht baseren op de hiervoor in randnummer 2.1.5 (cursief) weergegeven stellingen van de vrouw in haar antwoordakte d.d. 2 september 2015 (PS 10), randnummer 53 en de (eventuele) betwisting daarvan door de man. Het behoeft geen betoog dat het oordeel van het hof dan niet anders had kunnen luiden, dan dat de vrouw niet eens aan haar stelplicht had voldaan, in ieder geval haar beroep op het bestaan van een natuurlijke verbintenis volstrekt onvoldoende had onderbouwd, zodat dat beroep moest worden afgewezen.
2.1.8
In rov. 3.23 heeft het hof de stellingen van de vrouw weergegeven, zonder daarbij een onderscheid te maken tussen de vóór cassatie en verwijzing ingenomen stellingen en de nieuwe stellingen die eerst in de antwoordmemorie na verwijzing naar voren zijn gebracht. Deze stellingen heeft het hof vervolgens ten onrechte (alle) in zijn oordeel in rov. 3.28 en 3.29 betrokken (zie daarover hieronder nader onder 2.1.10 e.v.). De weergave van de stellingen van de man in rov. 3.24 is daarentegen onvolledig. Het hof vermeldt ten onrechte niet dat de man heeft betwist dat de door de vrouw gestelde feiten zouden kunnen leiden tot de conclusie dat sprake was van een natuurlijke verbintenis van de man jegens de vrouw om de verbouwingskosten te voldoen en dat hij heeft gesteld dat hij niet betaalde vanuit een verzorgingsgedachte en ook anderszins in financiële zin niets richting de vrouw hoefde te compenseren.39. De man heeft ook uitdrukkelijk betwist dat de vrouw ten tijde van de verbouwingen niet kon beschikken over voldoende financiële middelen.40. Indien het hof een en ander niet in de stellingen van de man heeft gelezen, is zijn oordeel zonder nadere — ontbrekende — motivering onbegrijpelijk. Tevens blijft ten onrechte onvermeld dat de man heeft gesteld dat hij zakelijk een hypotheekschuld bij de bank is aangegaan om hem in privé in staat te stellen de betalingen voor de verbouwingen aan de leveranciers en de vrouw te voldoen (ter zake waarvan hij concreet bewijs aangeboden door het horen van hemzelf en medewerkers van de bank), terwijl deze stelling door de vrouw niet is betwist, zodat het hof dit als vaststaand feit had moeten aannemen (art. 149 Rv). Indien daarover anders geoordeeld zou moeten worden, geldt dat het hof aan dit bewijsaanbod van de man (zijnde voldoende specifiek en relevant) niet ongemotiveerd voorbij heeft mogen gaan (art. 166 lid 1 Rv).
2.1.9
Na met juistheid te hebben overwogen dat de man ingevolge art. 3 van de huwelijkse voorwaarden in beginsel recht heeft op vergoeding van de kosten van de verbouwing van de woning die de man aan de vrouw heeft betaald (rov. 3.26), de stelplicht en bewijslast dat de man heeft voldaan een aan natuurlijke verbintenis op de vrouw rusten ingevolge artikel 150 Rv (rov. 3.25) en de wettelijke maatstaf voor een natuurlijke verbintenis te hebben weergegeven (rov. 3.26 en 3.27) neemt het hof in rov. 3.28 tot startpunt van zijn beoordeling een regel die het hof meent te kunnen ontlenen aan HR 15 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1808, NJ 1996/616 met noot W.M. Kleijn (Le Miralda). Door het verweer van de vrouw te plaatsen in de sleutel van het Miralda arrest en de regel die het hof daaruit meent te kunnen destilleren, heeft het hof ofwel miskend dat de nieuwe stellingen van de vrouw terzake in haar antwoordmemorie na verwijzing buiten beschouwing dienden te blijven op grond van de ‘in beginsel strenge leer’, ofwel heeft het zelf de feitelijke grondslag van het verweer van de vrouw aangevuld, hetgeen hem eveneens verboden was (art. 24 Rv).
2.1.10
Het hof overweegt vervolgens in rov. 3.29 dat wat betreft de omstandigheden van het geval het volgende vaststaat:
‘3.29
Wat de omstandigheden van het geval betreft staat het volgende vast. Beide partijen zijn afkomstig uit welgestelde agrarische families. Mede in verband daarmee (en in verband met de ondernemingen van partijen) zijn partijen huwelijkse voorwaarden aangegaan, met in artikel 3 het hiervoor vermelde vergoedingsrecht, en nadien nog de potovereenkomst. De man had diverse ondernemingen en exploiteerde landbouwgrond. De vrouw was van beroep fotografe. Zij heeft voor het huwelijk een ongeval gehad als gevolg waarvan zij arbeidsongeschikt is geworden en een WAZ-uitkering ontving. Uit haar werkzaamheden als fotografe genereerde zij (1) geen (noemenswaardig) inkomen; (2) zij had geen vermogen. Zij heeft van de verzekeraar van de aansprakelijke partij uiteindelijk een letselschade-vergoeding ontvangen, die pas in 2007 is uitgekeerd. (3) Er was sprake van een traditioneel rollenpatroon, waarbij de man het grootste deel van het inkomen genereerde en de vrouw voor het huishouden en hun dochter zorg droeg. Partijen woonden met hun dochter vanaf 1999 tot 2009 gezamenlijk in de woning. (4) De vrouw had die woning (vanaf 2004) in erfpacht van haar moeder, tegen een erfpachtcanon van € 12.660 per jaar. (5) Ten tijde van de verbouwing van de woning (jaren 2001 en daarna) was de vrouw niet in staat die verbouwing zelf (geheel) te financieren, hoewel zij een gedeelte ervan uit eigen inkomsten en schenkingen en leningen van haar moeder heeft meegefinancierd. Met de verbouwing werd tevens kantoorruimte en voorzieningen ten behoeve van de (ondernemingen van de) man in/bij de woning gerealiseerd.’41.
2.1.11
Ook in die feitenvaststelling treedt het hof buiten de kaders. De onderstreepte passages 1) en 3) zien op stellingen die de vrouw in het kader van haar beroep op een natuurlijke verbintenis voor het eerst in haar antwoordmemorie na verwijzing heeft aangevoerd, hetgeen, zoals hiervoor in randnummer 2.1.7 is betoogd, betekent dat die stellingen in beginsel buiten beschouwing dienen te blijven (de ‘in beginsel strenge regel’). Het hof heeft dat miskend en daarmee blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Althans is het oordeel niet voorzien van een voldoende motivering, nu uit het oordeel van het hof niet kenbaar is dat het hof heeft geoordeeld dat en waarom een uitzondering op de ‘in beginsel strenge regel’ op zijn plaats zou zijn. De vrouw heeft dergelijke redenen ook niet aangevoerd, terwijl het prima facie duidelijk is dat het hier niet gaat om gestelde feiten die zich nadien hebben voorgedaan en die de vrouw dus niet eerder naar voren heeft kunnen brengen. Uit het oordeel blijkt evenmin dat het hof de tweede uitzondering op de ‘in beginsel strenge leer’ op het oog heeft gehad. Het hof heeft niet (kenbaar) geoordeeld dat het van mening is dat het verweer van de vrouw nog onvoldoende is uitgekristalliseerd, zodat een nader debat daarover op zijn plaats is en het heeft evenmin partijen in de gelegenheid gesteld om hun stellingen ter zake nader te concretiseren. Voor de man geldt daarenboven dat hij ook niet de gelegenheid heeft gehad om op de nieuwe stellingen van de vrouw te reageren, nu die nieuwe stellingen door de vrouw in het laatste processtuk in de verwijzingsprocedure zijn betrokken. Dat betekent dat het hof met zijn beslissing ook het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden (art. 19 Rv).
2.1.12
Wat de vaststellingen achter 4) en 5) betreft, geldt eveneens dat het hof de grenzen van de rechtsstrijd heeft miskend, nu het hof 's‑Hertogenbosch in zijn arrest van 19 december 2017 reeds heeft vastgesteld (welk oordeel in de eerste cassatie onbestreden is gebleven) dat de door de man gestelde betalingen ten behoeve van de verbouwing hebben plaatsgevonden in de jaren 1998 tot en met 2005 en de vrouw toen (en dus niet eerst in 2004) erfpachter was van het betreffende woonhuis met aanhorigheden en de moeder eigenaar.42. Het hof Arnhem-Leeuwarden had deze beide feiten (tijdstippen van de gestelde betalingen en de zakenrechtelijke situatie van de woning ten tijde van die gestelde betalingen) dus als rechtens vaststaand dienen aan te nemen. Door dat niet te doen heeft het art. 24 Rv geschonden.
2.1.13
Wat de stelling achter 2) betreft (de vrouw had geen vermogen), geldt dat verwijt (schending van art. 24 Rv) mogelijk in nog sterkere mate: de vrouw heeft nimmer gesteld dat zij geen vermogen had.
2.1.14
Op grond van al het vorenstaande kan het oordeel van het hof niet in stand blijven. Daaraan kan worden toegevoegd, dat in geval van gegrondbevinding van een van de klachten uit dit middelonderdeel 2 na cassatie en verwijzing het verweer ‘voldoening aan een natuurlijke verbintenis’ nog slechts aan de orde kan komen binnen de kaders zoals hiervoor is geschetst.
2.2. De elementen uit HR 15 september 1995, NJ 1996/616 met noot W.M. Kleijn (Le Miralda)
Van toepassing op (dit) verrekenbeding?
2.2.1
In rov. 3.28 neemt het hof het volgende tot uitgangspunt voor zijn beoordeling van het beroep van de vrouw op een natuurlijke verbintenis:
‘Als de ene echtgenoot de tegenprestatie voldoet voor een woning van de andere echtgenoot alleen, is dat een objectieve aanwijzing voor de aanwezigheid van een natuurlijke verbintenis.’
waarbij het hof in een voetnoot verwijst naar HR september 1995, NJ 1996/616, om daar vervolgens aan toe te voegen ‘Dat geldt volgens het hof ook als de ene echtgenoot de kosten van een verbouwing van de woning van de andere echtgenoot betaalt.’ Naast het feit dat het hof hiermee de omvang van de grenzen van de rechtsstrijd in de verwijzingsprocedure heeft miskend en de feitelijke grondslag van het verweer van de vrouw heeft aangevuld, berust zijn oordeel ook op een verkeerde lezing van het Miralda arrest (onjuiste rechtsopvatting). Het ging in dat arrest om echtgenoten die met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen waren gehuwd en niet, zoals in dit geval, met huwelijkse voorwaarden die een periodiek verrekenbeding inhouden. De ‘objectieve aanwijzing’ is in het geval van een verrekenbeding niet zonder meer (althans niet in dezelfde mate) aanwezig.
Uit de gedingstukken blijkt bovendien dat in de huwelijkse voorwaarden tussen partijen niet alleen een periodiek verrekenbeding is opgenomen, maar ook (art. 16) een specifieke voorziening ten behoeve van de vrouw voor het geval van ontbinding van het huwelijk of scheiding van tafel en bed. In dat geval heeft de vrouw een recht van koop inzake een aan de man toebehorend perceel landbouwgrond, ertoe strekkend dat de vrouw een agrarische onderneming kan exploiteren. De vrouw heeft van dat recht gebruik gemaakt.43.44.
2.2.2
Het hof maakt niet duidelijk op grond van welke omstandigheden het tot het oordeel is gekomen, dat de ‘regel’ ook in het geval van huwelijkse voorwaarden met een periodiek verrekenbeding, laat staan: dít verrekenbeding, (zonder meer) van toepassing is. Het oordeel is reeds om die reden niet toereikend gemotiveerd.
Woning op naam van de andere echtgenoot?
2.2.3
Het hof lijkt voorts te miskennen dat de rechtspraak van de Hoge Raad ziet op de situatie waarin een echtgenoot een prestatie voldoet voor een goed dat op naam van de andere echtgenoot is gesteld. Het hof spreekt over ‘een woning van de andere echtgenoot alleen’. Het is niet duidelijk of het hof daarmee hetzelfde bedoelt, te weten:
‘een goed dat op naam van de andere echtgenoot is gesteld.’
In dat geval is het oordeel onbegrijpelijk, omdat feitelijk vaststaat dat ten tijde van de gestelde betalingen door de man (jaren 1998 tot en met 2005, zie hiervoor randnummer 2.1.4) — zijnde het beoordelingsmoment voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een natuurlijke verbintenis — de vrouw (nog) geen eigenaar was van de woning.
2.2.4
Indien het hof met die aanduiding bedoelt dat ook de situatie van ‘een woning in erfpacht van de andere echtgenoot alleen’ (zonder meer) onder het bereik van de door het hof genoemde rechtspraak valt, geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, nu een dergelijk ruimer bereik niet (zonder meer) in die rechtspraak valt te lezen. Althans is zijn oordeel niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd, nu het hof geen inzicht biedt in de door hem gevolgde gedachtegang dat en waarom de regel ook (zonder meer) tot situaties van een erfpachtrecht (als het onderhavige) zou moeten worden uitgebreid. Zie over de specifieke aard van het erfpactrecht in deze zaak nader onder 2.1.11.
‘In dat geval is zijn oordeel bovendien innerlijk tegenstrijdig met zijn oordeel in rov.3.29 dat de vrouw de woning in erfpacht had vanaf 2004 en de vaststelling dat de door de man gestelde betalingen voor de verbouwing van de woning zijn gedaan in de jaren 2001 en daarna. Die (overigens onjuiste) vaststellingen leiden immers onvermijdelijk tot de conclusie dat de bedragen door de man zijn betaald in een periode waarin de moeder van de vrouw nog eigenaar was van de woning en de vrouw nog geen erfpachter. Uitgaande van die onjuiste (immers in strijd met reeds voor cassatie en verwijzing vaststaande feiten) feitenvaststellingen is het oordeel van het hof bovendien onbegrijpelijk. Zonder nadere motivering valt immers niet in te zien hoe de door het hof in rov. 3.29 vastgestelde omstandigheden zouden kunnen leiden tot het oordeel, dat de man door betaling van de bedoelde bedragen voor de verbouwing van de woning, waarvan de moeder van de vrouw eigenaar was en die de vrouw (nog) niet in erfpacht had, heeft voldaan aan een natuurlijke verbintenis jegens de vrouw.’
Voor het geval het hof met de aanduiding ‘een woning van de andere echtgenoot alleen’ zou hebben bedoeld, dat de vrouw thans45. eigenaar is van de woning/respectievelijk thans (dat wil zeggen ná 2004) erfpachter is van de woning, heeft het eraan voorbijgezien (onjuiste rechtsopvatting) dat de vraag of sprake is van de voldoening van een natuurlijke verbintenis dient te worden beoordeeld naar de situatie op het moment van het verrichten van de prestatie (zoals het hof aan het slot van rov. 3.28 wel met juistheid vermeldt, maar kennelijk vervolgens uit het oog heeft verloren).
2.2.5
Ook op de hiervoor aangevoerde gronden kan het oordeel van het hof geen standhouden.
‘Welstand en behoefte van partijen’
2.2.6
De Hoge Raad heeft in het Miralda arrest het oordeel van het hof, dat het bestaan van een natuurlijke verbintenis had aangenomen, vernietigd. De essentie van de uitspraak is gelegen in de overwegingen van de Hoge Raad die leidden tot zijn oordeel dat de uitspraak van het Hof niet in stand kon blijven. Die essentie wordt mooi samengevat door Kleijn in zijn annotatie van het arrest. Hij wijst erop dat de aard van de prestatie weliswaar van belang is, maar dat dit niet los mag worden gezien van de omstandigheden van het geval en met name de wederzijdse welstand en behoefte van partijen, met andere woorden aldus Kleijn ‘er moet enerzijds reden zijn om aan te nemen, dat de vrouw uit zichzelf zich niet een dergelijk object kon permitteren, aldus kan de argumentatie [van de Hoge Raad46.] worden samengevat. Anderzijds is het ontbreken van vermogen van de man ook een omstandigheid die meetelt (…).’ Het hof heeft een en ander in deze zaak, evenals het hof in de zaak Miralda, miskend, althans is zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd (zie daarover nader in randnummers 2.2.7 e.v.).
2.2.7
Wat de welstand van de man betreft heeft deze reeds in eerste aanleg onbetwist gesteld (ter zake waarvan hij nota bene een concreet bewijsaanbod heeft gedaan47.), dat hij zakelijk een hypotheekschuld bij de bank is aangegaan om hem privé in staat te stellen de betalingen van de diverse leveranciers te doen voor de verbouwing van de woning. Deze stelling is door de vrouw niet bestreden, ook niet in hoger beroep in haar verweer naar aanleiding van de incidentele grief B van de man. Het hof had deze stelling van de man dus als vaststaand feit dienen aan te merken, hetgeen het ten onrechte heeft nagelaten (schending art. 149 Rv). Het hof heeft dit vaststaande feit dat voor de beantwoording van de aan hem voorgelegde vraag relevant is (zie hiervoor achter 2.1.8) ten onrechte niet (kenbaar) in zijn beoordeling betrokken. Om die reden is het oordeel van het hof ontoereikend gemotiveerd.
2.2.8
Des te opvallender is het dat het hof aan de zijde van de vrouw niet alleen stellingen van de vrouw over haar ‘welstand en behoefte’ als feitelijk vaststaand heeft aangenomen, terwijl het hof die stellingen voor zover het nieuwe feiten en stellingen betrof op grond van de ‘in beginsel strenge leer’ buiten beschouwing had moeten laten, maar óók op dit punt in strijd met art. 24 Rv de feitelijke grondslag heeft aangevuld. De vrouw heeft nooit gesteld dat zij ‘geen vermogen had’, niet vóór de cassatie en verwijzing, noch daarna. Zie hiervoor in randnummer 2.1.13. De vrouw heeft slechts (bloot) gesteld dat zij ten tijde van de verbouwing van de woning niet in staat was die verbouwing zelf (geheel) te financieren, hetgeen iets anders is. Die stelling kan namelijk ook op een [tijdelijk] gebrek aan liquiditeiten zien. Deze stelling is bovendien door de man betwist.48. De man heeft in dit verband (onbetwist) gesteld dat partijen financieel onafhankelijk waren van elkaar, dat hij de bedragen voor de verbouwing slechts ter beschikking heeft gesteld aan de vrouw en dat dit makkelijk was maar niet strikt noodzakelijk49..
2.2.9
Indien het oordeel van het hof aldus zou moeten worden gelezen dat het hof met zijn vaststelling dat de vrouw ‘geen vermogen had’ bedoelt dat bepalend is dat (vaststaat dat) de vrouw ten tijde van de verbouwingen over onvoldoende liquide middelen beschikte om de verbouwingskosten zelf (geheel) te voldoen, geeft zijn oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Met de in aanmerking te nemen omstandigheid ‘wederzijdse welstand en behoefte’ van de echtgenoten is niet slechts bedoeld de financiële liquide middelen waarover de echtgenoot aan wie de bedragen zijn betaald op dat moment (zelf) kan beschikken. Onder ‘vermogen’ worden ook vorderingsrechten of andere vermogensbestanddelen verstaan. De wederzijdse ‘welstand en behoefte’ wordt bovendien in dit verband niet alleen door het vermogen (en inkomen) van partijen bepaald, maar ook door concrete toekomstverwachtingen. De naar maatschappelijke opvattingen bestaande dringende morele verplichting wordt immers gevonden in het verschaffen van een waarborg dat de echtgenoot, die eigenaar van de woning is, ook na het einde van het huwelijk daarin kan blijven wonen en deze niet zal hoeven te verkopen indien het vergoedingsrecht door de andere echtgenoot geldend wordt gemaakt. Die waarborg is echter niet nodig en het bieden daarvan zal naar maatschappelijke opvattingen dan ook niet als een dringende morele verplichting worden aangemerkt als de andere echtgenoot ten tijde van de prestatie over eigen vermogen beschikt dat hem na het eventueel liquide maken daarvan of na het innen van een vorderingsrecht in staat stelt om na het einde van het huwelijk het vergoedingsrecht te voldoen, dan wel deze echtgenoot concrete vooruitzichten heeft op het ter beschikking krijgen van middelen die hem in staat stellen de ontvangen gelden te zijner tijd terug te betalen, zonder de woning te hoeven verkopen. De (op rechtspraak berustende) regel dat de situatie op het moment van het verrichten van de prestatie bepaalt of sprake is van voldoening aan een natuurlijke verbintenis en het niet van belang is hoe partijen er later (bijvoorbeeld tijdens een echtscheidingsgeding) financieel blijken voor te staan, is daarmee niet in strijd. Die regel betekent slechts dat een nadien verbeterde (onvoorziene) vermogenspositie van de andere echtgenoot buiten beschouwing dient te blijven bij de beantwoording van de vraag of ten tijde van de terbeschikkingstelling van de gelden sprake was van de voldoening aan een natuurlijke verbintenis.
2.2.10
Indien het hof het vorenstaande niet zou hebben miskend, is zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Zoals het hof zelf ook vaststelt heeft de vrouw in verband met een ongeval dat haar vóór het huwelijk is overkomen van de verzekeraar van de aansprakelijke partij een letselschade-vergoeding ontvangen, die in 2007 is uitgekeerd. Het vorderingsrecht jegens de verzekeraar behoorde daarvoor al tot haar vermogen en wel (volgens de eigen stellingen van de vrouw) reeds vóór haar huwelijk, nu de verzekeraar onmiddellijk na het ongeval in 1994 aansprakelijkheid heeft erkend.50. Dat de precieze omvang van het vorderingsrecht nog niet vaststond en de vergoeding eerst in 2007 werd uitbetaald doet daar niet aan af. Uit de eigen stellingen van de vrouw blijkt bovendien dat reeds in 1997 volgens de deskundige (neuroloog) sprake was van een eindtoestand en de vaststelling dat de vrouw haar werk nauwelijks meer kon verrichten51., zodat op dat moment al voorzienbaar was dat de letselschade-uitkering een omvangrijke post voor verlies van verdiencapaciteit zou bevatten. In verband met de discussie tussen partijen of de uitkering als inkomsten in de zin van het verrekenbeding zou moeten worden aangemerkt, heeft de vrouw nadere informatie verschaft over de hoogte van de uitkering en de besteding daarvan. Uit het door de vrouw overgelegde vonnis van de rechtbank Middelburg van 12 september 200752. blijkt dat de rechtbank aan de vrouw een schadevergoeding van € 1.514.926 heeft toegekend wegens verlies van verdienvermogen. De vrouw heeft gesteld dat zij een deel heeft herbelegd in onroerende zaken53. en dat zij in 2015 nog een bedrag van € 850.000 aan liquiditeiten had.54. De vaststelling dat de vrouw ‘geen vermogen’ had is in het licht van de inhoud van de gedingstukken en die hiervoor weergegeven eigen stellingen van de vrouw dan ook, zonder nadere — ontbrekende — motivering onbegrijpelijk.
2.2.11
Die vaststelling valt ook niet goed te rijmen (is onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd) met de vaststelling door het hof dat beide echtgenoten uit welgestelde agrarische families afkomstig waren en mede in verband daarmee (en in verband met de ondernemingen van partijen) partijen huwelijkse voorwaarden zijn aangegaan, met in artikel 3 het eerder vermelde vergoedingsrecht. De vrouw heeft notabene zelf gesteld dat door de huwelijkse voorwaarden voorkomen moest worden dat de vermogens vermengd zouden raken en het de uitdrukkelijke bedoeling was dat de boerderij die partijen als echtelijke woning gebruikten in het bezit van de familie [de vrouw] zou blijven.55. De in de erfpachtakte d.d. 12 februari 2004 opgenomen regeling sluit daarbij aan. De duur van het recht van erfpacht is eeuwigdurend, is economisch ingegaan op 1 januari 1999 (artikel 1) en strekt mede ten behoeve van de dochter van partijen (Erfpacht, blad 2 van de akte56.), terwijl uit artikel 25 blijkt dat de investering in de woning voor een bedrag van € 350.000 wordt gebruikt voor een vrijstelling in het kader van de overdrachtsbelasting. Het zijn alle omstandigheden die erop duiden dat er van de zijde van de (familie van de) vrouw aan estate-planning werd gedaan57., welke niet compleet zou zijn (lees: het beoogde doel niet zou bereiken) indien de vrouw niet via erfopvolging de eigendom van de boerderij zou verkrijgen. De vrouw is ook daadwerkelijk na het overlijden van haar moeder eigenaar van de boerderij en bijbehorende gronden geworden, iets wat — zo blijkt uit de erfpachtakte — reeds bij het ingaan van de erfpacht op 1 januari 1999 moet zijn voorzien, of beter: waarin toentertijd al moet zijn voorzien.
2.2.12
Naast het feit dat het hof met zijn oordeel over het verweer natuurlijke verbintenis volledig de grenzen van de rechtsstrijd in de verwijzingsprocedure heeft miskend en ook in meerdere andere opzichten het recht heeft geschonden, moet de conclusie dus ook luiden dat het hof, evenals het hof in het arrest Miralda,58. ‘tegen de achtergrond van het debat van partijen en de inhoud van de gedingstukken onvoldoende heeft vastgesteld om op een begrijpelijke wijze tot een natuurlijke verbintenis als door het hof vastgesteld te komen.’
2.2.13
Gegrondbevinding van een of meerdere klachten van uit dit middelonderdeel vitieert ook het oordeel in rov. 3.30, 3.45, 4 en het dictum (5).
2. B. ‘Andere posten’; ‘bijdrage aan de kosten der huishouding’
2.3
Het hof stelt vast dat de in rov. 3.37 genoemde bedragen door de man naar de bankrekening van de vrouw zijn overgemaakt en verbindt daaraan de terechte conclusie dat daardoor een vermogensverschuiving ten bate van de vrouw heeft plaatsgevonden, zodat de man op grond van art. 3 HV in beginsel een vergoedingsrecht jegens de vrouw heeft. Eveneens terecht oordeelt het hof (rov. 3.33 en 3.39) dat op de vrouw de stelplicht en bewijslast rusten voor het bevrijdend verweer dat de betalingen van de man bijdragen van de man aan de kosten van de huishouding waren en dat waar de man dat gemotiveerd heeft betwist, het op de weg van de vrouw ligt om haar stellingen te onderbouwen en zo nodig te bewijzen.
2.3.1
Vervolgens overweegt het hof dat daarbij van belang is ‘wat de kosten van de huishouding waren, wat ieders inkomen was, wat ieder had moeten betalen, en wat ieder meer of minder heeft betaald.’ Dit beoordelingskader is niet correct. Het hof lijkt (met name bij de laatste twee elementen) te miskennen (onjuiste rechtsopvatting) dat het in dit geval niet gaat om de vraag of de vrouw ingevolge art. 7 HV een vergoedingsrecht heeft jegens de man op de grond dat hij volgens die regeling te weinig zou hebben bijgedragen aan de kosten van de huishouding, maar om de beoordeling van het (bevrijdende) verweer van de vrouw dat de overboekingen van de man naar de bankrekening van de vrouw niet zonder rechtsgrond waren, omdat deze betalingen strekten tot het voldoen aan de bijdrageplicht van de man in de kosten der huishouding. Zie daarover ook hierna onder 2.3.5. De eerste twee elementen (omvang van de kosten van de huishouding, hoogte van ieders inkomen) zouden hooguit kunnen dienen als hulpfeiten voor het door de vrouw te leveren bewijs, dat de betalingen door de man de door haar gestelde rechtsgrond hadden, uiteraard voor zover de vrouw deze (hulp)feiten aan haar verweer ten grondslag heeft gelegd en zij deze, voor zover betwist door de man, heeft bewezen. Ook dat heeft het hof in meerdere opzichten miskend, zoals hierna verder uiteen zal worden gezet.
2.3.2
Over de totale omvang van de kosten der huishouding heeft het hof niets vastgesteld, ook in de weergave van de stellingen van de vrouw in rov. 3.38 is daarover niets terug te vinden. Waar het hof in rov. 3.33 heeft geoordeeld dat mede aan de hand van de omvang van de kosten der huishouding moet worden beoordeeld of de betalingen van de man aan de vrouw als titel ‘bijdrage in de kosten van de huishouding’ hadden, is zijn oordeel innerlijk tegenstrijdig en ook overigens onbegrijpelijk. In het door het hof geformuleerde beslismodel om uit de vast te stellen hulpfeiten eventueel de conclusie te trekken dat de vrouw heeft bewezen dat de door de man verrichte betalingen de door haar beweerde rechtstitel hadden, is de totale omvang van de kosten van de huishouding immers een essentieel onderdeel, namelijk het startpunt.
2.3.3
Bij een welwillende lezing zou 's hofs oordeel, dat het belangrijk is om vast te stellen ‘wat ieder had moeten betalen, en wat ieder meer of minder heeft betaald’, aldus kunnen worden gelezen dat moet worden vastgesteld ‘wat ieder zelf aan kosten van de huishouding heeft betaald.’ Dat bevat dan twee elementen: de directe betalingen door de man en de directe betalingen door de vrouw. De man heeft, aldus ook het hof in rov. 3.38, gesteld dat partijen geen gezamenlijke bankrekening hadden (is onbetwist) maar via hun eigen bankrekening meebetaalden aan de kosten van de huishouding, dat het niet gebruikelijk was dat hij voor de kosten van de huishouding geld naar de vrouw overmaakte of omgekeerd, dat partijen veel kosten via hun eigen bedrijf betaalden (auto, telefoon) en dat de boodschappen voornamelijk door de man werden betaald. Dit is, zoals het hof in rov. 3.39 overweegt, een gemotiveerde betwisting inzake de stellingen van de vrouw. Dat betekent dat op de vrouw de bewijslast van het tegendeel rustte. De betekent ook dat op de vrouw de stelplicht en bewijslast en rustte dat de man geen directe betalingen heeft verricht aan de kosten van de huishouding, alsook dat zij dergelijke betalingen wel heeft verricht. Het hof lijkt dat in zijn daaropvolgende rechtsoverwegingen te miskennen.
2.3.4
In rov. 3.42 overweegt het hof:
‘De contante betalingen van boodschappen en andere uitgaven kan het hof niet met zekerheid vaststellen. Partijen zijn het daar niet over eens en er is geen bewijs wie wat heeft betaald. Het hof neemt gelet op de stellingen van beide partijen aan dat zij met regelmaat contante betalingen deden. Maar de precieze omvang van die betalingen heeft geen van partijen duidelijk kunnen maken. Ook kan het hof niet de betalingen vaststellen die per (Post-)bank zijn gedaan maar waarvan de bankafschriften (door diefstal van een kluis, zoals de vrouw stelt) verloren zijn gegaan.’
Het is niet duidelijk op welke stellingen van partijen over ‘contante betalingen’ het hof hier het oog heeft. Dat wordt ook niet duidelijk uit de weergave van de stellingen van partijen in rov. 3.38. Dat maakt reeds dat de gedachtegang van het hof oncontroleerbaar is en mitsdien niet voorzien van een toereikende motivering. Gaat het om stellingen van de man dat hij contante betalingen heeft verricht, of om de stelling van de vrouw dat zij kosten der huishouding contant heeft betaald, of om beide? Inzake de door de vrouw gestelde contante betalingen rust de bewijslast op de vrouw en niet ‘op beide partijen’ zoals het hof lijkt aan te nemen. Het hof heeft dus de bewijslast miskend (onjuiste rechtsopvatting). Met het oordeel ‘Het hof neemt gelet op de stellingen van beide partijen aan dat zij met regelmaat contante betalingen deden.’ kan men ook niet uit de voeten, omdat onduidelijk blijft met welke bedragen het hof dan rekening houdt, aan welke zijde (man of vrouw, of beide?) en welke gevolgen het daaraan verbindt. Ook in die zin is deze overweging onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Het oordeel kan daarom niet dienen als een (gedeeltelijke) vaststelling van het element ‘totale omvang van de kosten van de huishouding’ (zie daarover ook hiervoor randnummer 2.3.2).
2.3.5
In rechtsoverweging 3.43 redeneert het hof dan verder dat op grond van de niet betwiste overzichten van de inkomens van partijen en de kosten van de huishouding en hoe deze verrekend moeten worden (productie 3 bij de inleidende dagvaarding en de productie 1 bij de conclusie van antwoord) blijkt dat in 1998, 1999, 2001 en 2005 en ook de tussenliggende jaren het inkomen van de vrouw nihil was, dat dit wil zeggen dat de man de kosten van de huishouding over die vier jaren diende te betalen en als zijn inkomen niet voldoende was, de resterende kosten naar evenredigheid uit het vermogen van partijen betaald dienden te worden. Het voegt daaraan toe ‘Geen van partijen heeft gesteld dat de inkomens niet voldoende waren voor de kosten van de huishouding.’ Ook dit oordeel geeft op meerdere onderdelen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en/of is onvoldoende gemotiveerd. Allereerst is onbegrijpelijk de vaststelling dat ‘de overzichten’ niet betwist zijn. Het door de vrouw als productie 3 bij de inleidende dagvaarding (in een ander verband overgelegd!) overzicht is wel betwist door de man in zijn conclusie van antwoord, randnummer 13, in welk verband hij de door het hof genoemde productie 1 heeft overgelegd. Bezwaarlijker nog is dat het hof hier in strijd met art. 24 Rv de feitelijke grondslag van het verweer heeft aangevuld59. (en daarmee buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden). De vrouw heeft in haar (bevrijdend) verweer dat de door de man aan haar overgemaakte bedragen diens bijdrage aan de kosten van de huishouding betroffen, niet gesteld dat zij (gelet op de hoogte van de inkomens van partijen) zelf tot geen enkele bijdrage gehouden was en de man dus volledig draagplichtig was voor die kosten. Zij heeft evenmin ter onderbouwing van haar verweer een beroep gedaan op de door het hof genoemde overzichten. Het oordeel van het hof is daarmee ook in strijd met art. 19 Rv (hoor en wederhoor) en levert tevens een ontoelaatbare verrassingsbeslissing op. Ook met dit oordeel in rov. 3.43 lijkt het hof eraan voorbij te zien, dat aan hem ter beoordeling voorligt het bevrijdend verweer van de vrouw tegenover de door de man aan haar betaalde bedragen en níet een vergoedingsrecht van de vrouw jegens de man wegens een onvoldoende bijdrage aan de kosten van de huishouding. Tenslotte is onbegrijpelijk het oordeel dat geen van partijen heeft gesteld dat de inkomens niet voldoende waren voor de kosten van de huishouding. De man heeft immers onbetwist gesteld dat hij zakelijk een hypotheekschuld bij de bank is aangegaan om hem privé in staat te stellen alle betalingen voor de verbouwing van de (echtelijke) woning te voldoen.60. Waar de man heeft gesteld dat alle door hem verrichte betalingen zagen op de verbouwing van de woning, zijn daar dus ook onder begrepen de bedragen die de vrouw als bijdragen in de kosten van huishouding heeft betiteld. Daarmee ligt in de stellingen van de man besloten de stelling dat de inkomens niet voldoende waren indien en voor zover deze als bijdrage in de kosten der huishouding zouden worden aangemerkt.
2.3.6
In rov. 3.44 gaat het hof over tot een beoordeling van ‘wie wat betaald heeft’. Het hof overweegt daartoe allereerst:
‘Uit de door de vrouw overgelegde rekeningen en bankafschriften van betalingen in de periode 2001 tot en met 2005 kan het hof wel vaststellen dat de vrouw een aantal algemene lasten (rekeningen nutsvoorzieningen Delta, waterschapslasten) van de woning betaalde. De woning was destijds van de moeder van de vrouw, en partijen hadden die in erfpacht. Het is in overeenstemming met de huwelijkse voorwaarden dat beide partijen aan deze woonlast, en aan andere gebruikelijke lasten (zoals de gebruikelijke verzekeringen, waterschapslasten) die bij het bewonen van een echtelijke woning horen, bijdragen.’
Het oordeel dat in de periode 2001 tot en met 2005 ‘partijen de woning in erfpacht hadden’ is een feitelijk misslag. Het erfpachtrecht behoorde (hetgeen nooit in dispuut is geweest tussen partijen) uitsluitend aan de vrouw toe, zoals het hof in rov. 3.16 ook feitelijk heeft vastgesteld. Wat de door de vrouw overgelegde rekeningen en bankafschriften van betalingen betreft, neemt de man aan dat daarmee wordt gedoeld op de stukken die de vrouw als productie 19 bij antwoordakte d.d. 2 september 2015 (PS 10) in het geding heeft gebracht. Die door de vrouw opgestelde overzichten zijn door de man gemotiveerd betwist. De man heeft (onbetwist) gesteld dat de door de vrouw opgevoerde betalingen per bank en contant vrijwel geheel betrekking hebben op zakelijke betalingen ten behoeve van het bedrijf van de vrouw, dit met uitzondering van een enkele kleine post (zie daarover hierna).61. Als (in de eerste cassatie) onbestreden staat verder vast dat de door de vrouw opgevoerde verzekeringspremies inzake de opstal, gelet op de omvang van het opstalrecht, niet als verrekenpost kosten van de huishouding in aanmerking komen. Indien het hof andere posten (waaronder nutsvoorzieningen, waterschapslasten en verzekeringen inzake de opstal) dan de door de man erkende posten, in zijn oordeel heeft betrokken, is het dus (in dubbel opzicht) buiten de grenzen van de rechtsstrijd tussen partijen.62. Daar komt bij dat uit het oordeel van het hof niet kenbaar is welke posten het dan als door de vrouw aangetoond heeft aangemerkt. Dat maakt dat zijn oordeel ook onvoldoende is gemotiveerd.
2.3.7
Het hof vervolgt in rov. 3.44 met de volgende overweging:
‘Ook ziet het hof dat de vrouw van haar rekening zaken zoals kleding, de kerk, de bibliotheek, de kapper, kosten van gezondheidszorg (dokter, tandarts, verloskundige) betaalde. Dergelijke kosten ziet het hof in de bankafschriften van de man niet terug.’
Het eerste klopt, het zijn precies de kleinere posten die de man heeft erkend. Het tweede deel van de rechtsoverweging is ronduit onbegrijpelijk. De man heeft voor de jaren 2001 tot en met 2004 overzichten overgelegd van de door hem betaalde kosten van de huishouding met onderliggende bescheiden (facturen en bankafschriften) en gesteld dat uit die overzichten blijkt dat de man zelf de kosten van de huishouding heeft betaald.63. Op die overzichten komen dergelijke posten eveneens voor en wel in zeer grote aantallen.64. Het gaat dan niet alleen om dagelijkse boodschappen, uit eten gaan, vakantie en dergelijke, maar ook om andere omvangrijkere bedragen, zoals de achterstallige erfpachtcanon ad € 21.100 die de man aantoonbaar65. op 10 februari 2004 van zijn eigen rekening heeft voldaan. Het andersluidende oordeel van het hof is dus onbegrijpelijk.
2.3.8
Het hof betrekt in zijn oordeel — zulks evenzeer ten onrechte — niet de betwisting door de man van de door de vrouw overgelegde overzichten en de daarin opgenomen bedragen. Die bedragen, waarop de vrouw haar stelling baseert dat zij voor minimaal € 27.000 per jaar aan huishoudkosten heeft uitgegeven, zijn opgebouwd uit bankbetalingen, contante betalingen en een ‘schatting’ van wat zij verder nog zou hebben uitgegeven op basis van de Nibud tabellen. Inzake de eerste heeft de man (onbetwist) gesteld dat deze vrijwel uitsluitend zakelijke kosten betreffen, de contante betalingen zijn eveneens betwist, terwijl over de Nibud inschattingen is betoogd dat deze bedragen niet bestaan, omdat alle kosten door de man werden voldaan.66. Waar het hier essentiële stellingen van de man betreft, had het hof daaraan niet zonder enige motivering voorbij mogen gaan. Zijn oordeel is dus ontoereikend gemotiveerd. Voor de contante betalingen geldt bovendien dat het hof in rov. 3.42 heeft geoordeeld dat partijen (dus ook de vrouw) de omvang daarvan niet hebben kunnen aantonen.
2.3.9
Het oordeel is voorts in het licht van de inhoud van de gedingstukken ook onbegrijpelijk. Wanneer de gestelde contante betalingen en de Nibud inschattingen eruit worden gelicht, resteren de volgende door de vrouw gestelde bedragen die ver onder het door haar genoemde bedrag van € 27.000 liggen, te weten: 2001 Fl. 23.319, 40 (en dus geen Euro's zoals de vrouw suggereert); 2002 € 17.05,97; 2003 € 14.129,97 en 2005 € 15.434,01. Ook deze door de vrouw opgevoerde bedragen zijn echter door de man betwist (want betiteld als vrijwel geheel zakelijk), hetgeen door de vrouw niet (gemotiveerd) is weersproken. Dit geldt ook voor het jaar 2004, waarin de vrouw nota bene niet minder dan een bedrag van € 30.669,26 opvoert aan kosten van de huishouding. Hier springt de post d.d. 10 februari 2004 ‘Rademakers kosten erfpacht’ ad € 15.725,53 in het oog. Uit de erfpachtakte en de door de man overgelegde nota van het notariskantoor Ramakers Geleijns Van der Kreij67. blijkt dat dit bedrag bestaat uit de overdrachtsbelasting die de vrouw verschuldigd was in verband met het op 12 februari 2004 ten behoeve van haar gevestigde recht van erfpacht en de nota van de notaris voor het opstellen van de erfpachtakte. Dit zijn, wat de vrouw zich moet hebben gerealiseerd, onmiskenbaar géén kosten die behoren tot de kosten van de huishouding. Het aanzienlijke bedrag van de achterstallige erfpachtcanon ad € 21.100 (door de man betaald) is dat wél. Dit bedrag staat op dezelfde nota van de notaris vermeld. Het is dan opmerkelijk dat de vrouw aan de ene kant ten onrechte de post overdrachtsbelasting/opstellen erfpachtakte opvoert als kosten van de huishouding en aan de andere kant de haar kenbare, substantiële directe bijdragen van de man aan de kosten van de huishouding negeert.
2.3.10
Dan resteren nog slechts de bedragen die de man heeft erkend en die het hof als vaststaande betaling van kosten van de huishouding door de vrouw heeft aangemerkt. Het gaat dan om (zeer) kleine bedragen. Indien het hof niettemin zou hebben geoordeeld dat de vrouw haar stelling dat zij minimaal € 27.000 aan kosten van de huishouding heeft betaald heeft bewezen, is zijn oordeel in het licht van de onbetwiste stellingen van de man en de overige inhoud van de gedingstukken onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, terwijl volstrekt onduidelijk blijft welke bedragen het hof aan de zijde van de vrouw dan als vaststaand heeft aangenomen.
2.3.11
Het hof overweegt tenslotte het volgende:
‘Het hof ziet aan de bankafschriften dat de man in deze jaren steeds in het najaar een bedrag aan de vrouw heeft overgemaakt, en een keer in het begin van het volgende jaar een bedrag. Het hof is van oordeel dat de vrouw voldoende heeft onderbouwd dat deze betalingen van de man kosten van de huishouding betroffen. De man heeft tegenover dit onderbouwde verweer niet (voldoende) duidelijk gemaakt waarom hij in drie van die vier jaren steeds in het najaar een bedrag naar de vrouw heeft overgemaakt. Gelet op het onderbouwde verweer van de vrouw en mede gelet op wat hiervoor in 3.43 is overwogen over het inkomen, gaat het hof er vanuit dat de man met deze vermogensverschuivingen bijdroeg aan de kosten van de huishouding. De man heeft daarom geen aanspraak op vergoeding van deze bedragen.’
De conclusie dat de vrouw voldoende heeft onderbouwd dat de betalingen aan de vrouw die in het najaar plaatsvonden betalingen van de man van kosten van de huishouding betroffen, kan waar dat oordeel voortbouwt op hetgeen het hof daarvoor heeft overwogen, gelet op de hiervoor geformuleerde klachten, geen standhouden. Dat geldt uitdrukkelijk ook voor de verwijzing naar hetgeen het hof in rov. 3.43 over het inkomen heeft overwogen. Indien het oordeel van het hof, dat de man had moeten uitleggen waarom de betalingen steeds in het najaar zijn gedaan en een keer begin van het volgende jaar, zou moeten worden gelezen als een zelfstandig dragende grond voor het slagen van het bevrijdende verweer van de vrouw, vult het hof de feitelijke grondslag (art. 24 Rv) en/of miskent het hof de stelplicht en bewijslast. Op de man rustte slechts de stelplicht en bewijslast dat hij de betalingen heeft verricht en dat hij op grond daarvan een vergoedingsrecht heeft jegens de vrouw. Het hof heeft geoordeeld dat de man daarin is geslaagd. Vervolgens rusten op de vrouw de stelplicht en bewijslast voor het bevrijdend verweer en alle feiten en omstandigheden die zij aan dat verweer ten grondslag legt. Dat betekent dat als zij het tijdstip van de betalingen als omstandigheid had willen aanvoeren voor haar bevrijdend verweer dat de betalingen door de man geen betrekking kónden hebben op de verbouwing van de woning, zij dat had moeten stellen, onderbouwen en bij betwisting door de man aannemelijk had moeten maken. Dat heeft zij echter niet gedaan. Zij heeft slechts gesteld dat de man aan het eind van het jaar en een enkele keer aan het begin van het jaar haar een bedrag voor de kosten van de huishouding betaalde. Waar de man heeft betwist dat zijn betalingen op de kosten van de huishouding zagen, behoefde hij niet uit te leggen waarom de betalingen voor de verbouwingen plaatsvonden op de tijdstippen waarop hij die betalingen heeft gedaan. 's‑Hofs oordeel geeft dus ook in dit opzicht blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
2.3.12
Gegrondbevinding van een of meerdere klachten van uit dit middelonderdeel vitieert ook het oordeel in rov. 3.46, 4 en het dictum (5).
Mitsdien:
En op grond van dit middel te horen eis doen dat het de Hoge Raad behage het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 20 juni 2023 waarvan beroep, te vernietigen met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad zal vermenen te behoren; kosten rechtens.
Datum: 14 september 2023
Mr. J. van Duijvendijk-Brand (A06512)
advocaat bij de Hoge Raad
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 14‑09‑2023
De man en de vrouw waren ook als partijen betrokken in de procedure die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2022, zaaknummer 20/04377.
De vrouw is na het overlijden van de moeder door erfopvolging eigenaar geworden van de woning.
De man merkt op dat na rov. 3.12 van het arrest de nummering niet meer klopt. Na rov. 3.12 wordt verder genummerd met rov. 3.15 (met het kopje ‘Vergoedingsrechten’).
Onderstreping en vetmarkering toegevoegd, advocaat.
Zie ook GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 19, aantekening 7 met verwijzing naar rechtspraak.
Proces-verbaal zitting 13 september 2017, p. 4 (PS 22).
Zie akte uitlaten, tevens overleggen producties en wijziging van eis d.d. 2 september 2015 (PS 9), nr.10 en voorts het verweerschrift tevens incidenteel cassatieberoep d.d. 15 juni 2018 (PS 25), nr. 1.3 en de namens de man gegeven schriftelijke toelichting d.d. 2 november 2018 (PS 27), randnummers 3.34 en 3.35.
Verweerschrift tevens incidenteel cassatieberoep d.d. 15 juni 2018, nr. 1.3 en de namens de man gegeven schriftelijke toelichting d.d. 2 november 2018, randnummers 3.35. t/m 3.42.
Onderstreping toegevoegd, advocaat.
In rov. 3.3.3 van het arrest wordt verwezen naar HR 18 juni 2004, NJ 2004/399, rov. 4.2.
Aldus ook Verstappen in zijn annotatie van het arrest van 30 maart 2012, NJ 2012/422. Een en ander is reeds uitvoerig besproken en toegelicht in de schriftelijke toelichting d.d. 15 juni 2018 die namens de man in cassatie werd gegeven op het incidentele middel van de man (PS 27).
Dit zal slechts anders zijn indien partijen die een periodiek verrekenbeding in hun huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen in een onderhandse overeenkomst afspreken om af te rekenen als ware er sprake van een finaal verrekenbeding. De rechtvaardiging om af te wijken ligt hier immers in de wet zelf (art. 1:141 lid 1 BW). Zie ook Verstappen in zijn noot onder het arrest van 30 maart 2012.
Vergelijk ook de conclusie van A-G Rank-Berenschot voor HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3256, § 3.36.1 die eveneens als voorwaarde (voor het geldig zijn van een onderhandse overeenkomst) stelt dat het moet gaan om ‘de uitwerking van het reeds in de huwelijkse voorwaarden opgenomen verrekenbeding.’
Cursivering toegevoegd, advocaat.
Cursivering toegevoegd, advocaat.
Zie T&C Rv, commentaar op art. 424, aant. 5, sub b en HR 10 juni 2011, NJ 2012/405.
Hij heeft gesteld dat in de jaren 1998 tot en met 2005 voor € 218.477 aan zijn vermogen onttrokken is ten bate van de vrouw en dat hij in 2001 tot en met 2003 een bedrag van € 164.836 ten behoeve van de vrouw heeft betaald en dat deze bedragen zien op de kosten van de verbouwing van de voormalige echtelijk woning [a-straat 01] te [a-plaats].
Arrest hof 's‑Hertogenbosch d.d. 19 december 2017, rov. 3.1 (juncto rov. 3.5.1 van het vonnis rechtbank d.d. 16 maart 2016), welk oordeel in (de eerste) cassatie niet bestreden is. Zie voorts art. 1 van de erfpachtakte d.d. 12 februari 2004, overgelegd door de man als productie 21 bij diens akte overlegging producties, tevens gedeeltelijke wijziging grondslag vordering en bewijsaanbod (GS 8). Zie voorts pleitaantekeningen mr. Emmen, pagina 3, sub 4 (PS 38).
Inleidende dagvaarding d.d. 5 november 2014 (PS 1), randnummer 18, conclusie van antwoord in reconventie (PS 5), randnummers 40 t/m 42, antwoordakte 7 oktober 2015 (PS 14), randnummer 17.
Antwoordakte d.d. 7 oktober 2015 (PS 14), randnummers 11 t/m 14 en 17.
Dit blijkt uit het door de vrouw als productie 10 bij akte houdende overlegging producties d.d. 8 juli 2015 (PS 7) overgelegde vonnis van de rechtbank Middelburg van 12 september 2007.
Antwoordakte d.d. 7 oktober 2015 (PS 12), randnummer 25. Deze stelling is door de vrouw niet bestreden, ook niet in hoger beroep in haar verweer naar aanleiding van de incidentele grief B van de man.
Zie de conclusie in reconventie d.d. 8 juni 2015 van de vrouw randnummer 64 (GS 5), welke stelling door de man niet is bestreden en voorts aansluit bij de inhoud van de erfpachtakte d.d. 12 februari 2004, overgelegd door de man als productie 21 bij diens akte overlegging producties, tevens gedeeltelijke wijziging grondslag vordering en bewijsaanbod (GS 8).
Arrest Hof 's‑Hertogenbosch d.d. 19 december 2017, rov. 3.14.3.
Aldus ook Hof Arnhem-Leeuwarden d.d. 20 juni 2023, rov. 3.29.
Zie de conclusie in reconventie d.d. 8 juni 2015 (PS 5), randnummer 64, waar de vrouw stelt dat de man het ‘als natuurlijke verbintenis’ niet meer dan redelijk en billijk vond dat hij ook een bijdrage leverde aan de woning, omdat hij per slot van rekening ook zijn kantoor zou hebben in/bij de woning, daaraan toevoegend dat daarmee de bedoeling van partijen vaststond.
Akte overlegging producties, tevens gedeeltelijke wijziging grondslag vordering en bewijsaanbod (GS 6), randnummer 4.
Antwoordakte d.d. 2 september 2015 (PS 10), randnummer 53.
Antwoordakte d.d. 7 oktober 2015 (PS 13), randnummer 25.
Processtuk 15.
Memorie van antwoord/tevens incidenteel appel d.d. 5 maart 2017 (PS 18).
Memorie van antwoord in incidenteel appel d.d. 30 mei 2017 (voor zover toegelaten: 6 t/m 12, 15, en 50 e.v.), PS 19.
Processtuk 23.
In voetnoot 35 wordt ter plaatse verwezen naar processtuk 5, randnummer 64 en processtuk 10, randnummer 43 (bedoeld is kennelijk nummer 53). Dit zijn de hiervoor in 2.1.5 bedoelde stellingen. Zoals hiervoor is opgemerkt, hield de stelling in processtuk 5 geen beroep op een natuurlijke verbintenis in, maar de stelling dat partijen een afspraak hadden gemaakt dat de bedragen niet behoefden te worden terugbetaald. Deze stelling is later niet meer herhaald, kennelijk heeft de vrouw zich gerealiseerd dat deze stelling zich niet goed laat verenigen met haar de primaire stelling dat de man de door hem gestelde betalingen niet heeft verricht.
Bedoeld zal zijn: ECLI:NL:GHSGR:2012:BX0698.
Sic!
Antwoordakte d.d. 7 oktober 2015 (PS 13), randnummer 25 en Memorie na verwijzing d.d. 17 augustus 2017, p. 18/19 (PS 35).
Memorie na verwijzing d.d. 17 augustus 2017 van de man, p. 18/19 (PS 35).
Onderstreping en nummering toegevoegd, advocaat.
Zie hiervoor randnummer 2.1.4 met vermelding van de vindplaatsen in de voetnoten 18 en 19.
Zie rov. 3.11.1 t/m 3.11.4 van het arrest van het Hof 's‑Hertogenbosch d.d. 19 december 2017. Tegen de beslissingen van het hof op dit punt is geen cassatieberoep ingesteld.
Zie het arrest van het Hof 's‑Hertogenbosch d.d. 19 december 2017, rov. 3.11.2.
Dat wil zeggen (door erfopvolging) na het overlijden van haar moeder, zie het arrest Hof 's‑Hertogenbosch d.d. 19 december 2017, rov. 3.14.3.
Toevoeging advocaat.
Antwoordakte d.d. 7 oktober 2015 (PS 12), randnummer 25.
Memorie na verwijzing d.d. 17 augustus 2017 van de man, p. 18/19 (PS 35).
Memorie na verwijzing d.d. 17 augustus 2017, randnummer 50 (PS 35). Deze stelling sluit geheel aan bij de stellingen van de man in zijn akte overlegging producties, tevens gedeeltelijke wijziging grondslag vordering en bewijsaanbod d.d. 8 juli 2015 (PS 8), randnummer 4, waar de man stelt dat de terbeschikkingstelling van de gelden niet inhielden dat de man onvoorwaardelijk een financiële bijdrage zou leveren.
Inleidende dagvaarding d.d. 5 november 2014 (PS 1), randnummer 18, conclusie van antwoord in reconventie (PS 5), randnummers 40 t/m 42, antwoordakte 7 oktober 2015 (PS 14), randnummer 17.
Antwoordakte d.d. 7 oktober 2015 (PS 14), randnummers 11 t/m 14 en 17.
Productie 10 bij akte houdende overlegging producties d.d. 8 juli 2015 (PS 7).
Conclusie van antwoord in reconventie (PS 5), randnummers 40 t/m 42.
Antwoordakte 7 oktober 2015 (PS 14), randnummer 30.
Memorie van antwoord in het incidenteel appel d.d. 30 mei 2017, randnummer 3 (PS 19).
De erfpachtakte dateert van 12 februari 2004 en de dochter van partijen is geboren op 23 april 2004 (zie productie 1 bij de inleidende dagvaarding (PS 1) en Conclusie van antwoord in reconventie (PS 5), randnummer 24.
Dat de familie [de vrouw] als welgestelde agrarische familie — met een (begrijpelijke) verbondenheid aan de landbouwgronden die al generaties in de familie waren — actief met estate-planning bezig was, blijkt overigens ook uit de procedure die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2022, zaaknummer 20/04377.
HR 15 september 1995, NJ 1996/616, rov. 3.7.
Het staat de rechter niet vrij zijn beslissing te baseren op rechtsgronden of verweren die weliswaar zouden kunnen worden afgeleid uit in het geding gebleken feiten en omstandigheden, maar die door de desbetreffende partij niet aan haar vordering of verweer ten grondslag zijn gelegd. Zie T&C art. 24 Rv, aant. 1 met vermelding van rechtspraak.
Antwoordakte d.d. 7 oktober 2015 (PS 12), randnummer 25. Deze stelling is door de vrouw niet bestreden, ook niet in hoger beroep in haar verweer naar aanleiding van de incidentele grief B van de man.
Antwoordakte d.d. 7 oktober 2015 (PS 13), randnummer 12.
Hof 's‑Hertogenbosch d.d. 19 december 2017, rov. 3.12.3.
Akte overlegging producties, tevens gedeeltelijke wijziging grondslag vordering, en bewijsaanbod d.d. 8 juli 2015 (PS 8), randnummer 6 en productie 23. Zie voorts zijn antwoordakte d.d. 7 oktober 2015 (PS 13), randnummer 12 t/m 14 waarin de man, onder verwijzing naar deze productie 23 en zijn betwisting van de door de vrouw overgelegde overzichten, stelt dat daaruit blijkt dat hij alle kosten van de huishouding heeft betaald.
Zie bijvoorbeeld het overzicht 2004. Een willekeurige greep: Sligro supermarkt, Blokker, Gamma, Makro, Albert Heijn. Nettorama, V&D, Etos, geboortekaartjes, Prenatal, kerkgiften, Babynette, et cetera, et cetera.
Het bedrag is als zodanig vermeld op p. 1 van zijn uitgavenlijstje 2004 (prod.23 bij PS 8) en onderbouwd met de daarbij gevoegde nota van het notariskantoor Ramakers Geleijns Van der Kreij d.d. 12 februari 2004 en het bankafschrift van de rekening van de man (volgnummer 0631), waaruit de overboeking van het bedrag ad € 21.100 naar het notariskantoor blijkt. Dit sluit aan bij de erfpachtakte, art. 4 waarin wordt vermeld dat het bedrag van € 21.100 is betaald.
Antwoordakte d.d. 7 oktober 2015 (PS 13), randnummer 10 t/m 13. In haar memorie van antwoord in incidenteel appel (PS 19), randnummers 59 e.v., waar de vrouw ingaat op het vergoedingsrecht van de man, zijn deze stellingen van de man over de door de vrouw (ten onrechte) opgevoerde bedragen niet betwist.
Zie voetnoot 65.