Procestaal: Bulgaars.
HvJ EU, 11-11-2021, nr. C-852/19
ECLI:EU:C:2021:902
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
11-11-2021
- Magistraten
L. Bay Larsen, J.-C. Bonichot, M. Safjan
- Zaaknummer
C-852/19
- Conclusie
M. bobek
- Roepnaam
Gavanozov II
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2021:902, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 11‑11‑2021
ECLI:EU:C:2021:346, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie (Advocaat-Generaal), 29‑04‑2021
Uitspraak 11‑11‑2021
Inhoudsindicatie
‘ Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in strafzaken — Richtlijn 2014/41/EU — Europees onderzoeksbevel in strafzaken — Artikel 14 — Rechtsmiddelen — Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Artikel 47 — Ontbreken van rechtsmiddelen in de uitvaardigende lidstaat — Beslissing waarbij doorzoekingen, inbeslagnemingen en een getuigenverhoor per videoconferentie worden gelast’
L. Bay Larsen, J.-C. Bonichot, M. Safjan
Partij(en)
In zaak C-852/19,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Spetsializiran nakazatelen sad (bijzondere strafrechter, Bulgarije) bij beslissing van 7 november 2019, ingekomen bij het Hof op 21 november 2019, in de strafprocedure tegen
Ivan Gavanozov,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: L. Bay Larsen (rapporteur), vicepresident van het Hof, waarnemend voor de president van de Eerste kamer, J.-C. Bonichot en M. Safjan, rechters,
advocaat-generaal: M. Bobek,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek, J. Vláčil en T. Machovičová als gemachtigden,
- —
de Franse regering, vertegenwoordigd door E. de Moustier, A. Daniel en N. Vincent als gemachtigden,
- —
de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door A. Giordano, avvocato dello Stato,
- —
de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door A. Posch, J. Schmoll en C. Leeb als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door I. Zaloguin en R. Troosters, vervolgens door I. Zaloguin en M. Wasmeier als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 29 april 2021,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 1, lid 4, en van artikel 14, leden 1 tot en met 4, van richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (PB 2014, L 130, blz. 1), en van de artikelen 7 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafprocedure die is ingeleid tegen Ivan Gavanozov, die ervan wordt beschuldigd aan het hoofd te staan van een criminele organisatie en fiscale strafbare feiten te hebben gepleegd.
Toepasselijke bepalingen
Richtlijn 2014/41
3
De overwegingen 2, 6, 18, 19 en 22 van richtlijn 2014/41 luiden als volgt:
- ‘(2)
Krachtens artikel 82, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) berust de justitiële samenwerking in strafzaken in de Unie op het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen, dat sinds de Europese Raad van Tampere op 15 en 16 oktober 1999 algemeen beschouwd wordt als een hoeksteen van de justitiële samenwerking in strafzaken in de Unie.
[…]
- (6)
In het programma van Stockholm dat door de Europese Raad van 10 en 11 december 2009 is vastgesteld, heeft de Europese Raad besloten dat verder moet worden gewerkt aan de totstandkoming van een op wederzijdse erkenning gebaseerd alomvattend systeem voor de bewijsverkrijging in zaken met een grensoverschrijdende dimensie. De Europese Raad heeft erop gewezen dat de bestaande instrumenten op dit gebied een fragmentarisch geheel vormden en dat een nieuwe aanpak nodig was, die op het beginsel van wederzijdse erkenning is gestoeld, maar waarbij ook de flexibiliteit van het klassieke stelsel van wederzijdse rechtshulp wordt meegenomen. Daarom wilde de Europese Raad een alomvattend systeem — ter vervanging van alle bestaande instrumenten op dit gebied, waaronder kaderbesluit 2008/978/JBZ — dat zoveel mogelijk betrekking heeft op alle soorten bewijsmiddelen, tenuitvoerleggingstermijnen kent en zo weinig mogelijk weigeringsgronden bevat.
[…]
- (18)
Evenals andere instrumenten inzake wederzijdse erkenning geldt deze richtlijn onverminderd de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen die zijn neergelegd in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en het Handvest. Om dit te verduidelijken wordt een specifieke bepaling in de tekst ingevoegd.
- (19)
Het scheppen van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht binnen de Unie is gebaseerd op wederzijds vertrouwen en een vermoeden van naleving door de andere lidstaten van het recht van de Unie, en met name van de grondrechten. Dat vermoeden is evenwel weerlegbaar. Derhalve, indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de uitvoering van een in het [Europees onderzoeksbevel] aangegeven onderzoeksmaatregel tot een inbreuk op een grondrecht van de betrokkene zou resulteren, en dat de tenuitvoerleggingsstaat zijn verplichtingen betreffende de bescherming van de grondrechten die zijn vervat in het Handvest niet zou nakomen, dient de tenuitvoerlegging van het [Europees onderzoeksbevel] te worden geweigerd.
[…]
- (22)
De rechtsmiddelen die tegen een [Europees onderzoeksbevel] kunnen worden ingezet, moeten ten minste gelijk zijn aan die welke in een binnenlandse zaak tegen de onderzoeksmaatregel kunnen worden ingezet. De lidstaten moeten er overeenkomstig hun nationale recht voor zorgen dat deze rechtsmiddelen toepasbaar zijn, onder meer door een belanghebbende partij tijdig mee te delen over welke rechtsmiddelen zij beschikken en hoe die kunnen worden ingesteld. In gevallen waarin het [Europees onderzoeksbevel] in de uitvoerende staat door een belanghebbende partij op materiële gronden wordt aangevochten, is het raadzaam de uitvaardigende autoriteit daaromtrent te informeren, onder kennisgeving aan de belanghebbende partij.’
4
Artikel 1 van deze richtlijn bepaalt:
- ‘1.
Een Europees onderzoeksbevel (EOB) is een door een rechterlijke autoriteit van een lidstaat (‘de uitvaardigende staat’) uitgevaardigde of erkende rechterlijke beslissing die ertoe strekt in een andere lidstaat (‘de uitvoerende staat’) één of meer specifieke onderzoeksmaatregelen te laten uitvoeren met het oog op het verkrijgen van bewijsmateriaal conform het bepaalde in deze richtlijn.
[…]
- 2.
De lidstaten verbinden zich ertoe om, op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn, een EOB ten uitvoer te leggen.
[…]
- 4.
Deze richtlijn geldt onverminderd de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de rechtsbeginselen die zijn neergelegd in artikel 6 VEU, inclusief het recht op verdediging van personen tegen wie een strafprocedure loopt, en laat alle verplichtingen die in dat verband op de rechterlijke autoriteiten rusten onverlet.’
5
Artikel 4 van deze richtlijn luidt als volgt:
‘Een EOB kan worden uitgevaardigd:
- a)
in verband met een strafprocedure die door of bij een rechterlijke autoriteit is of kan worden ingesteld wegens feiten die volgens het nationale recht van de uitvaardigende staat strafbaar zijn;
[…]’
6
Artikel 6, lid 1, van richtlijn 2014/41 luidt:
‘De uitvaardigende autoriteit kan een EOB alleen uitvaardigen indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- a)
het uitvaardigen van het EOB is noodzakelijk voor en staat in verhouding tot het doel van de in artikel 4 bedoelde procedure, daarbij rekening houdend met de rechten van de verdachte of beschuldigde persoon, en
- b)
de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregel(en) had(den) in dezelfde omstandigheden in een vergelijkbare binnenlandse zaak bevolen kunnen worden.’
7
Artikel 9, lid 1, van richtlijn 2014/41 bepaalt:
‘De uitvoerende autoriteit erkent het overeenkomstig deze richtlijn toegezonden EOB zonder verdere formaliteiten en zorgt voor de tenuitvoerlegging ervan op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als waren de betrokken onderzoeksmaatregelen bevolen door een autoriteit van de uitvoerende staat, tenzij die autoriteit beslist zich te beroepen op een van de gronden voor weigering van erkenning of tenuitvoerlegging of een van de gronden voor uitstel, zoals bepaald in deze richtlijn.’
8
Artikel 11, lid 1, van deze richtlijn bepaalt:
‘Onverminderd artikel 1, lid 4, kan de erkenning of tenuitvoerlegging van een EOB in de uitvoerende staat worden geweigerd indien:
[…]
- f)
er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de uitvoering van de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregel niet verenigbaar zou zijn met de verplichtingen die overeenkomstig artikel 6 VEU en het Handvest op de uitvoerende staat rusten;
[…]’
9
In artikel 14 van voornoemde richtlijn is bepaald:
- ‘1.
De lidstaten zien erop toe dat op de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregelen rechtsmiddelen toepasselijk zijn die gelijkwaardig zijn met die welke in een vergelijkbare binnenlandse zaak mogelijk zijn.
- 2.
De materiële gronden voor het uitvaardigen van het EOB kunnen alleen in de uitvaardigende staat worden aangevochten, onverminderd de in de uitvoerende staat gewaarborgde grondrechten.
- 3.
Indien de geheimhouding van een onderzoek daardoor niet in het gedrang komt, krachtens artikel 19, lid 1, nemen de uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit passende maatregelen om ervoor te zorgen dat er informatie wordt verstrekt over de in het nationale recht geboden mogelijkheden om rechtsmiddelen in te stellen, zodra die middelen van toepassing worden, en wel tijdig zodat zij daadwerkelijk kunnen worden toegepast.
- 4.
De lidstaten verzekeren dat de termijnen voor het instellen van een rechtsmiddel dezelfde zijn als die in vergelijkbare binnenlandse zaken, en dat deze termijnen worden gehanteerd op een wijze die garandeert dat het recht tot aanwending van dat rechtsmiddel effectief kan worden gebruikt door de betrokken personen.
[…]’
10
Artikel 24 van diezelfde richtlijn bepaalt:
- ‘1.
Indien een persoon zich op het grondgebied van de uitvoerende staat bevindt en door de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende staat als getuige of deskundige moet worden gehoord, kan de uitvaardigende autoriteit een EOB uitvaardigen om de getuige of deskundige per videoconferentie of andere audiovisuele transmissie te doen verhoren, overeenkomstig de leden 5 tot en met 7.
[…]
- 7.
Elke lidstaat treft de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat ten aanzien van de betrokkene die overeenkomstig dit artikel op zijn grondgebied wordt verhoord en die weigert een verklaring af te leggen terwijl hij daartoe is verplicht of die niet naar waarheid antwoordt, zijn nationale recht van toepassing is alsof het een verhoor in een nationale procedure betreft.’
Bulgaars recht
11
Artikel 107, lid 2, van de nakazatelno protsesualen kodeks (wetboek van strafvordering, DV nr. 86 van 28 oktober 2005), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: ‘NPK’), bepaalt:
‘De rechter neemt op verzoek van partijen en ambtshalve maatregelen van instructie wanneer dit noodzakelijk is om de objectieve waarheid te achterhalen.’
12
Artikel 117 NPK luidt als volgt:
‘Met getuigenverklaringen kunnen alle feiten worden vastgesteld die de getuige heeft waargenomen en die bijdragen tot het achterhalen van de objectieve waarheid.’
13
Artikel 161, lid 3, NPK bepaalt het volgende:
‘De doorzoeking en inbeslagneming worden tijdens de contentieuze fase van de strafprocedure uitgevoerd op bevel van de rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt.’
14
Artikel 341, lid 3, NPK bepaalt:
‘Alle andere beschikkingen en bevelen zijn niet vatbaar voor toetsing door de beroepsinstantie, buiten de veroordeling om.’
15
Artikel 6, lid 1, van de zakon za evropeyskata zapoved za razsledvane (wet betreffende het Europees onderzoeksbevel, DV nr. 16 van 20 februari 2018) is als volgt verwoord:
‘De bevoegde autoriteit bedoeld in artikel 5, lid 1, vaardigt na een individueel onderzoek een Europees onderzoeksbevel uit wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- 1.
Het uitvaardigen van een Europees onderzoeksbevel is noodzakelijk voor, en staat in verhouding tot het doel van de strafprocedure, daarbij rekening houdend met de rechten van de verdachte of beschuldigde persoon.
- 2.
De onderzoeksmaatregelen en andere procedurele maatregelen tot uitvoering waarvan het Europees onderzoeksbevel is uitgevaardigd, kunnen overeenkomstig het Bulgaarse recht ten uitvoer worden gelegd in dezelfde omstandigheden als die in een vergelijkbare [binnenlandse] zaak.’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
16
Gavanozov wordt in Bulgarije vervolgd wegens deelneming aan een criminele organisatie die is opgericht met het oog op het plegen van fiscale strafbare feiten.
17
Meer bepaald wordt hij ervan verdacht via tussengeschoven vennootschappen suiker uit andere lidstaten, die hij onder meer inkocht bij een in Tsjechië gevestigde en door Y vertegenwoordigde vennootschap, in Bulgarije te hebben ingevoerd en die suiker vervolgens op de Bulgaarse markt te hebben verkocht zonder belasting op de toegevoegde waarde (btw) te heffen noch te betalen, onder overlegging van onjuiste documenten waarin stond dat die suiker naar Roemenië was uitgevoerd.
18
Tegen die achtergrond heeft de Spetsializiran nakazatelen sad (bijzondere strafrechter, Bulgarije) op 11 mei 2017 beslist een Europees onderzoeksbevel uit te vaardigen waarin de Tsjechische autoriteiten werd verzocht over te gaan tot doorzoekingen en inbeslagnemingen in zowel het kantoor van genoemde in Tsjechië gevestigde vennootschap als de woning van Y, en Y per videoconferentie als getuige te verhoren.
19
Die rechter heeft na het nemen van die beslissing problemen ondervonden bij het invullen van deel J van het formulier in bijlage A bij richtlijn 2014/41, met het opschrift ‘Rechtsmiddelen’, en het Hof daarom vragen gesteld over de uitlegging van verschillende bepalingen van deze richtlijn.
20
Met name in het licht van het antwoord van diezelfde rechter op een verzoek om inlichtingen dat het Hof hem had toegezonden, heeft laatstgenoemde in punt 38 van het arrest van 24 oktober 2019, Gavanozov (C-324/17, EU:C:2019:892), geoordeeld dat artikel 5, lid 1, van richtlijn 2014/41, gelezen in samenhang met deel J van het in bijlage A bij die richtlijn bedoelde formulier, aldus moet worden uitgelegd dat de rechterlijke autoriteit van een lidstaat bij het uitvaardigen van een Europees onderzoeksbevel in dit deel geen omschrijving hoeft op te nemen van de rechtsmiddelen die in voorkomend geval in zijn lidstaat tegen de uitvaardiging van een dergelijk bevel kunnen worden ingesteld.
21
In zijn verwijzingsbeslissing merkt de Spetsializiran nakazatelen sad op dat in het Bulgaarse recht niet is voorzien in enig rechtsmiddel tegen beslissingen houdende bevel tot doorzoeking, inbeslagneming of getuigenverhoor, noch tegen de uitvaardiging van een Europees onderzoeksbevel.
22
In die context vraagt de verwijzende rechter zich af of het Bulgaarse recht in strijd is met het Unierecht en, in voorkomend geval, of hij een Europees onderzoeksbevel kan uitvaardigen waarbij dergelijke onderzoeksmaatregelen worden gelast.
23
In deze omstandigheden heeft de Spetsializiran nakazatelen sad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
- ‘1)
Is een nationale regeling die niet voorziet in rechtsmiddelen om op te komen tegen de uitvaardiging van een Europees onderzoeksbevel strekkende tot doorzoeking van een woning en een bedrijfspand, tot inbeslagneming van bepaalde voorwerpen en tot organisatie van een getuigenverhoor, verenigbaar met artikel 14, leden 1 tot en met 4, artikel 1, lid 4, en de overwegingen 18 en 22 van richtlijn 2014/41, alsook met de artikelen 47 en 7 van het Handvest, gelezen in samenhang met de artikelen 13 en 8 [van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: ‘EVRM’)]?
- 2)
Kan onder deze omstandigheden een Europees onderzoeksbevel worden uitgevaardigd?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
24
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 1, lid 4, en artikel 14, leden 1 tot en met 4, van richtlijn 2014/41, gelezen in het licht van de overwegingen 18 en 22 van deze richtlijn, alsook de artikelen 7 en 47 van het Handvest, gelezen in samenhang met de artikelen 8 en 13 EVRM, aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan de regeling van een lidstaat die een Europees onderzoeksbevel uitvaardigt, die niet voorziet in enig rechtsmiddel tegen de uitvaardiging van een Europees onderzoeksbevel strekkende tot uitvoering van doorzoekingen en inbeslagnemingen alsmede tot het houden van een getuigenverhoor per videoconferentie.
25
Krachtens artikel 14, lid 1, van richtlijn 2014/41 zien de lidstaten erop toe dat op de in het Europees onderzoeksbevel aangegeven onderzoeksmaatregelen rechtsmiddelen toepasselijk zijn die gelijkwaardig zijn met die welke in een vergelijkbare binnenlandse zaak mogelijk zijn.
26
Hoewel deze bepaling, gelezen in het licht van overweging 22 van de richtlijn, de lidstaten de algemene verplichting oplegt om ervoor te zorgen dat op de in het Europees onderzoeksbevel aangegeven onderzoeksmaatregelen rechtsmiddelen toepasselijk zijn die minstens gelijkwaardig zijn met die welke in een vergelijkbare binnenlandse zaak mogelijk zijn [zie in die zin arrest van 8 december 2020, Staatsanwaltschaft Wien (Vervalste overschrijvingsopdrachten), C-584/19, EU:C:2020:1002, punt 60], vereist zij niet dat de lidstaten voorzien in aanvullende rechtsmiddelen ten opzichte van die welke in een vergelijkbare binnenlandse procedure bestaan.
27
Een dergelijk vereiste blijkt evenmin uit de bewoordingen van artikel 14, lid 2, van die richtlijn, waarin enkel wordt gepreciseerd dat de materiële gronden voor het uitvaardigen van een Europees onderzoeksbevel alleen in de uitvaardigende lidstaat kunnen worden aangevochten.
28
Niettemin zij eraan herinnerd dat wanneer de lidstaten het Unierecht ten uitvoer brengen, zij moeten zorgen voor de eerbiediging van het in artikel 47, eerste alinea, van het Handvest neergelegde recht op een doeltreffende voorziening in rechte, dat het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming opnieuw bevestigt [arrest van 15 april 2021, Belgische Staat (Gegevens die dateren van na het overdrachtsbesluit), C-194/19, EU:C:2021:270, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
29
Aangezien de uitgifte- en tenuitvoerleggingsprocedure van een Europees onderzoeksbevel wordt geregeld door richtlijn 2014/41, wordt bij die procedure het Unierecht ten uitvoer gelegd in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest, waardoor artikel 47 van het Handvest van toepassing is (zie naar analogie arrest van 16 mei 2017, Berlioz Investment Fund, C-682/15, EU:C:2017:373, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
30
De eerste alinea van voornoemd artikel 47 bepaalt dat eenieder wiens door het Unierecht gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, recht heeft op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden.
31
Wat betreft, in de eerste plaats, de uitvaardiging van een Europees onderzoeksbevel strekkende tot uitvoering van doorzoekingen en inbeslagnemingen, zij erop gewezen dat dergelijke maatregelen een inmenging vormen in het door artikel 7 van het Handvest gewaarborgde recht van eenieder op eerbiediging van zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn communicatie. Bovendien kunnen inbeslagnemingen een inbreuk vormen op artikel 17, lid 1, van het Handvest, dat het recht van eenieder erkent om de goederen die hij rechtmatig heeft verkregen, in eigendom te bezitten, te gebruiken, erover te beschikken en te vermaken.
32
Aan eenieder die zich wenst te beroepen op de bescherming die deze bepalingen hem bieden in het kader van een procedure betreffende een Europees onderzoeksbevel dat strekt tot het uitvoeren van doorzoekingen en inbeslagnemingen, moet dus een door artikel 47 van het Handvest gewaarborgd recht op een doeltreffende voorziening in rechte worden toegekend.
33
Dit recht impliceert noodzakelijkerwijs dat de personen die door dergelijke onderzoeksmaatregelen worden getroffen, over passende rechtsmiddelen beschikken om enerzijds de rechtmatigheid en de noodzaak ervan te betwisten, en anderzijds een passend herstel te vorderen indien die maatregelen op onrechtmatige wijze zijn gelast of uitgevoerd. Het staat aan de lidstaten om in hun nationale rechtsorde te voorzien in de daartoe noodzakelijke rechtsmiddelen.
34
Deze uitlegging van artikel 47 van het Handvest stemt bovendien overeen met de uitlegging die het EHRM in zijn rechtspraak aan artikel 13 EVRM heeft gegeven. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt namelijk dat krachtens laatstgenoemde bepaling, die in wezen overeenkomt met artikel 47, eerste alinea, van het Handvest, personen die door doorzoekingen en inbeslagnemingen worden geraakt, toegang moeten hebben tot een procedure die hen in staat stelt de rechtmatigheid en de noodzaak van de uitgevoerde doorzoekingen en beslagleggingen te betwisten en een passend herstel te verkrijgen indien die maatregelen op onrechtmatige wijze zijn gelast of uitgevoerd (zie in die zin EHRM, 22 mei 2008, Iliya Stefanov tegen Bulgarije, EC:ECHR:2008:0522JUD006575501, § 59; EHRM, 31 maart 2016, Stoyanov e.a. tegen Bulgarije, CE:ECHR:2016:0331JUD005538810, §§ 152–154, en EHRM, 19 januari 2017, Posevini tegen Bulgarije, CE:ECHR:2017:0119JUD006363814, § 84–86).
35
Bovendien impliceert het recht van de betrokkene om de rechtmatigheid en de noodzaak van deze maatregelen te betwisten dat deze persoon moet beschikken over een rechtsmiddel tegen het Europees onderzoeksbevel waarbij de tenuitvoerlegging van die maatregelen wordt gelast.
36
In dit verband zij opgemerkt dat artikel 1, lid 1, van richtlijn 2014/41 het Europees onderzoeksbevel definieert als een door een rechterlijke autoriteit van een lidstaat uitgevaardigde of erkende rechterlijke beslissing die ertoe strekt in een andere lidstaat een of meer specifieke onderzoeksmaatregelen te laten uitvoeren met het oog op het verkrijgen van bewijsmateriaal conform het bepaalde in deze richtlijn.
37
Volgens artikel 1, lid 2, van deze richtlijn verbinden de lidstaten zich ertoe om, op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn, een Europees onderzoeksbevel ten uitvoer te leggen.
38
Uit artikel 9, lid 1, van richtlijn 2014/41 volgt verder dat de uitvoerende autoriteit het overeenkomstig deze richtlijn toegezonden Europees onderzoeksbevel zonder verdere formaliteiten erkent en zorgt voor de tenuitvoerlegging ervan op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als waren de betrokken onderzoeksmaatregelen bevolen door een autoriteit van de uitvoerende staat, tenzij die autoriteit beslist zich te beroepen op een van de gronden voor weigering van erkenning of tenuitvoerlegging of een van de gronden voor uitstel, zoals bepaald in deze richtlijn.
39
Uit een en ander volgt dat in het kader van een procedure inzake een Europees onderzoeksbevel de onderzoeksmaatregelen worden gelast door de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat en ten uitvoer worden gelegd door de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende lidstaat, die in beginsel gehouden zijn een overeenkomstig richtlijn 2014/41 ingediend Europees onderzoeksbevel te erkennen zonder dat enige andere formaliteit vereist is.
40
Bovendien kunnen, overeenkomstig artikel 14, lid 2, van richtlijn 2014/41, de materiële gronden die ten grondslag liggen aan het uitvaardigen van een Europees onderzoeksbevel alleen in de uitvaardigende staat worden aangevochten.
41
Om diegenen die worden geraakt door de tenuitvoerlegging van een Europees onderzoeksbevel dat door een rechterlijke autoriteit van die lidstaat is uitgevaardigd of bekrachtigd en dat strekt tot uitvoering van doorzoekingen en inbeslagnemingen, in staat te stellen naar behoren gebruik te maken van hun in artikel 47 van het Handvest gewaarborgde recht, moet die lidstaat er dus voor zorgen dat deze personen beschikken over een rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie van dezelfde lidstaat dat hen in staat stelt de noodzaak en de rechtmatigheid van die beslissing te betwisten, op zijn minst wat betreft de materiële gronden die aan een dergelijk Europees onderzoeksbevel ten grondslag liggen.
42
Wat betreft, in de tweede plaats, het uitvaardigen van een Europees onderzoeksbevel strekkende tot het houden van een getuigenverhoor per videoconferentie, moet worden opgemerkt dat artikel 24, lid 1, van richtlijn 2014/41 bepaalt dat wanneer een persoon die zich op het grondgebied van de uitvoerende lidstaat bevindt, door de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat als getuige of deskundige moet worden gehoord, de uitvaardigende autoriteit een Europees onderzoeksbevel kan uitvaardigen om de getuige of deskundige per videoconferentie of via een andere audiovisuele transmissie te doen verhoren, overeenkomstig de leden 5 tot en met 7 van dat artikel 24.
43
Artikel 24, lid 7, van voornoemde richtlijn bepaalt nader dat elke lidstaat de nodige maatregelen treft om ervoor te zorgen dat ten aanzien van de betrokkene die overeenkomstig dat artikel op zijn grondgebied wordt verhoord en die weigert een verklaring af te leggen terwijl hij daartoe is verplicht of die niet naar waarheid antwoordt, zijn nationale recht van toepassing is alsof het een verhoor in een nationale procedure betreft.
44
Hieruit volgt dat de weigering om een verklaring af te leggen in het kader van de uitvoering van een Europees onderzoeksbevel strekkende tot het houden van een getuigenverhoor per videoconferentie aanzienlijke gevolgen kan hebben voor de betrokkene op grond van de daartoe in het recht van de uitvoerende lidstaat vastgestelde normen. In het bijzonder kan deze persoon worden gedwongen om op het verhoor te verschijnen en moet hij, op straffe van sancties, de in dat kader gestelde vragen beantwoorden.
45
Het is evenwel vaste rechtspraak dat de bescherming tegen ingrepen van het openbaar gezag in de privésfeer van een natuurlijke of rechtspersoon die willekeurig of onredelijk zouden zijn, een algemeen beginsel van het Unierecht vormt (arrest van 16 mei 2017, Berlioz Investment Fund, C-682/15, EU:C:2017:373, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46
Het Hof heeft gepreciseerd dat deze bescherming door eenieder kan worden ingeroepen als door het Unierecht gewaarborgd recht in de zin van artikel 47, eerste alinea, van het Handvest, teneinde in rechte op te komen tegen een voor hem bezwarende handeling zoals een bevel tot het verstrekken van inlichtingen of een sanctie wegens niet-naleving van dat bevel [zie in die zin arrest van 6 oktober 2020, État luxembourgeois (Rechtsbescherming tegen een verzoek om inlichtingen in belastingzaken), C-245/19 en C-246/19, EU:C:2020:795, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
47
Bijgevolg moet worden geoordeeld dat de tenuitvoerlegging van een Europees onderzoeksbevel strekkende tot het houden van een getuigenverhoor per videoconferentie voor de betrokkene bezwarend kan zijn en dat hij, overeenkomstig artikel 47 van het Handvest, dus over een rechtsmiddel tegen een dergelijke beslissing moet beschikken.
48
De rechterlijke instanties van de uitvoerende lidstaat zijn overeenkomstig artikel 14, lid 2, van richtlijn 2014/41 evenwel niet bevoegd tot het onderzoeken van de materiële gronden van een Europees onderzoeksbevel strekkende tot het houden van een getuigenverhoor per videoconferentie.
49
Hieruit volgt dat de uitvaardigende lidstaat ervoor moet zorgen dat eenieder aan wie in het kader van de tenuitvoerlegging van een Europees onderzoeksbevel een verplichting is opgelegd om zich voor een getuigenverhoor te melden of de vragen te beantwoorden die hem tijdens een dergelijk verhoor zijn gesteld, over een rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie van die lidstaat beschikt waarmee hij op zijn minst de materiële gronden voor de uitvaardiging van dergelijk Europees onderzoeksbevel kan betwisten.
50
Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 14 van richtlijn 2014/41, gelezen in samenhang met artikel 24, lid 7, van deze richtlijn en artikel 47 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan de regeling van een lidstaat die een Europees onderzoeksbevel uitvaardigt die niet voorziet in een rechtsmiddel tegen de uitvaardiging van een Europees onderzoeksbevel strekkende tot uitvoering van doorzoekingen en inbeslagnemingen alsmede tot het houden van een getuigenverhoor per videoconferentie.
Tweede vraag
51
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 1, lid 4, en artikel 14, leden 1 tot en met 4, van richtlijn 2014/41, gelezen in het licht van de overwegingen 18 en 22 van deze richtlijn, alsook de artikelen 7 en 47 van het Handvest, gelezen in samenhang met de artikelen 8 en 13 EVRM, aldus moeten worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat de bevoegde autoriteit van een lidstaat een Europees onderzoeksbevel strekkende tot uitvoering van doorzoekingen en inbeslagnemingen alsmede tot het houden van een getuigenverhoor per videoconferentie uitvaardigt, wanneer de regelgeving van deze lidstaat niet voorziet in enig rechtsmiddel tegen de uitvaardiging van een dergelijk Europees onderzoeksbevel.
52
Artikel 6, lid 1, van richtlijn 2014/41 stelt twee voorwaarden aan het uitvaardigen van een Europees onderzoeksbevel. Ten eerste moet deze uitvaardiging noodzakelijk zijn voor en in verhouding staan tot het doel van de in artikel 4 van deze richtlijn bedoelde procedures, daarbij rekening houdend met de rechten van de verdachte of beschuldigde persoon. Ten tweede had(den) de in het Europees onderzoeksbevel aangegeven onderzoeksmaatregel(en) in dezelfde omstandigheden in een vergelijkbare binnenlandse zaak bevolen kunnen worden.
53
Weliswaar wordt in deze bepaling niet vermeld dat bij het uitvaardigen van een Europees onderzoeksbevel rekening moet worden gehouden met de rechten van andere personen dan de verdachte of beschuldigde persoon die door de in dat bevel vermelde onderzoeksmaatregelen worden geraakt.
54
Er zij evenwel aan herinnerd dat met name uit de overwegingen 2, 6 en 19 van die richtlijn volgt dat het Europees onderzoeksbevel een instrument is dat onder de in artikel 82, lid 1, VWEU bedoelde justitiële samenwerking in strafzaken valt, die berust op het beginsel van wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen. Dit beginsel, dat de ‘hoeksteen’ van de justitiële samenwerking in strafzaken vormt, berust op zijn beurt op wederzijds vertrouwen en het weerlegbaar vermoeden dat de andere lidstaten het Unierecht en in het bijzonder de grondrechten naleven [zie in die zin arrest van 8 december 2020, Staatsanwaltschaft Wien (Vervalste overschrijvingsopdrachten), C-584/19, EU:C:2020:1002, punt 40)].
55
In het kader van een procedure inzake een Europees onderzoeksbevel is het waarborgen van deze rechten dus in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de uitvaardigende lidstaat, waarbij ervan dient te worden uitgegaan dat deze lidstaat het Unierecht en in het bijzonder de door dit recht erkende grondrechten eerbiedigt (zie naar analogie arrest van 23 januari 2018, Piotrowski, C-367/16, EU:C:2018:27, punt 50).
56
De onmogelijkheid om in de uitvaardigende lidstaat op te komen tegen de noodzaak en de rechtmatigheid van een Europees onderzoeksbevel strekkende tot uitvoering van doorzoekingen en inbeslagnemingen alsmede tot het houden van een getuigenverhoor per videoconferentie, op zijn minst wat betreft de materiële gronden die aan de uitvaardiging ervan ten grondslag liggen, vormt echter een schending van het in artikel 47 van het Handvest neergelegde recht op een doeltreffende voorziening in rechte, die uitsluit dat wederzijdse erkenning kan worden toegepast en ten goede kan komen aan die lidstaat.
57
Daarnaast is het van belang eraan te herinneren dat de lidstaten, onder meer krachtens het in artikel 4, lid 3, eerste alinea, VEU genoemde beginsel van loyale samenwerking, op hun respectieve grondgebied de toepassing en de eerbiediging van het recht van de Unie dienen te verzekeren en daartoe alle algemene en bijzondere maatregelen dienen te treffen die geschikt zijn om de nakoming van de uit de Verdragen of uit de handelingen van de instellingen van de Unie voortvloeiende verplichtingen te verzekeren (zie in die zin arrest van 6 maart 2018, Achmea, C-284/16, EU:C:2018:158, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
58
Bijgevolg staat het, met name gelet op de essentiële rol van het beginsel van wederzijdse erkenning in het bij richtlijn 2014/41 ingevoerde stelsel, aan de uitvaardigende lidstaat om te zorgen voor voorwaarden waaronder de uitvoerende autoriteit naar behoren haar bijstand kan verlenen in overeenstemming met het Unierecht.
59
Bovendien is richtlijn 2014/41, zoals blijkt uit punt 43 van het onderhavige arrest, gebaseerd op het beginsel dat Europese onderzoeksbevelen moeten worden uitgevoerd. Artikel 11, lid 1, onder f), van die richtlijn biedt de uitvoerende autoriteiten de mogelijkheid om bij wijze van uitzondering, na een beoordeling per geval, van dit beginsel af te wijken wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de tenuitvoerlegging van een Europees onderzoeksbevel niet verenigbaar zou zijn met de grondrechten die met name door het Handvest worden gewaarborgd. Het ontbreken van enig rechtsmiddel in de uitvaardigende staat zou er echter toe leiden dat deze bepaling systematisch wordt toegepast. Een dergelijk gevolg zou in strijd zijn met zowel de algemene opzet van richtlijn 2014/41 als het beginsel van wederzijds vertrouwen.
60
Zoals de advocaat-generaal in de punten 81 tot en met 84 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is het uitvaardigen van een Europees onderzoeksbevel wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de tenuitvoerlegging ervan zou leiden tot schending van artikel 47 van het Handvest en waarvan de tenuitvoerlegging dus overeenkomstig artikel 11, lid 1, onder f), van die richtlijn door de uitvoerende lidstaat zou moeten worden geweigerd, bijgevolg niet verenigbaar met de beginselen van wederzijds vertrouwen en loyale samenwerking.
61
Uit het onderzoek van de eerste vraag volgt dat de tenuitvoerlegging van een Europees onderzoeksbevel strekkende tot uitvoering van doorzoekingen en inbeslagnemingen alsmede tot het houden van een getuigenverhoor per videoconferentie waarvan de rechtmatigheid niet kan worden betwist voor een rechterlijke instantie van de uitvaardigende lidstaat, een schending inhoudt van het in artikel 47, eerste alinea, van het Handvest neergelegde recht op een doeltreffende voorziening in rechte.
62
Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 6 van richtlijn 2014/41, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest en artikel 4, lid 3, VEU, aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de bevoegde autoriteit van een lidstaat een Europees onderzoeksbevel strekkende tot uitvoering van doorzoekingen en inbeslagnemingen alsmede tot het houden van een getuigenverhoor per videoconferentie uitvaardigt, wanneer de regeling van die lidstaat niet voorziet in enig rechtsmiddel tegen de uitvaardiging van een dergelijk Europees onderzoeksbevel.
Kosten
63
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 14 van richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken, gelezen in samenhang met artikel 24, lid 7, van deze richtlijn en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan de regeling van een lidstaat die een Europees onderzoeksbevel uitvaardigt die niet voorziet in een rechtsmiddel tegen de uitvaardiging van een Europees onderzoeksbevel strekkende tot uitvoering van doorzoekingen en inbeslagnemingen alsmede tot het houden van een getuigenverhoor per videoconferentie.
- 2)
Artikel 6 van richtlijn 2014/41, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 4, lid 3, VEU, moet aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de bevoegde autoriteit van een lidstaat een Europees onderzoeksbevel strekkende tot uitvoering van doorzoekingen en inbeslagnemingen alsmede tot het houden van een getuigenverhoor per videoconferentie uitvaardigt, wanneer de regeling van die lidstaat niet voorziet in enig rechtsmiddel tegen de uitvaardiging van een dergelijk Europees onderzoeksbevel.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 11‑11‑2021
Conclusie 29‑04‑2021
Inhoudsindicatie
‘ Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in strafzaken — Richtlijn 2014/41/EU — Europees onderzoeksbevel — Doorzoeking van een woning en een kantoor van een persoon en inbeslagneming van bepaalde voorwerpen — Verhoor van de betrokkene als getuige — Ontbreken van rechtsmiddelen in de uitvaardigende lidstaat — Loyale samenwerking — Wederzijds vertrouwen’
M. bobek
Partij(en)
Zaak C-852/191.
Spetsializirana prokuratura
tegen
Ivan Gavanozov
[verzoek van de Spetsializiran nakazatelen sad (bijzondere strafrechter, Bulgarije) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
Tegen I. Gavanozov is in Bulgarije een strafprocedure ingeleid wegens delicten inzake belasting over de toegevoegde waarde (btw). Bij die delicten blijken lege vennootschappen betrokken te zijn geweest, waaronder een in Tsjechië gevestigde vennootschap, alsook de vertegenwoordiger ervan, die thans getuige is in de strafprocedure.
2.
De Spetsializiran nakazatelen sad (bijzondere strafrechter, Bulgarije), verwijzende rechter in het hoofdgeding, heeft doorzoeking van het kantoor van de Tsjechische vennootschap, doorzoeking van de woning van de getuige, inbeslagneming van bepaalde documenten, indien zij daar worden aangetroffen, en het verhoor van de getuige per videoconferentie gelast. Aangezien die bewijzen in Tsjechië moeten worden verkregen, acht de verwijzende rechter het noodzakelijk een Europees onderzoeksbevel (EOB) uit te vaardigen.
3.
De Bulgaarse wetgeving voorziet echter niet in rechtsmiddelen tegen de nationale onderzoeksmaatregel noch tegen een op grond daarvan uitgevaardigd EOB. Aangezien het nationale rechtsstelsel niet voorziet in een daadwerkelijk rechtsmiddel om de rechtmatigheid van doorzoekingen en inbeslagnemingen aan te vechten, heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: ‘EHRM’) herhaaldelijk geoordeeld dat die lidstaat de minimumnormen van artikel 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (hierna: ‘EVRM’) schendt. Is in die context het feit dat in de uitvaardigende lidstaat niet in enig rechtsmiddel is voorzien verenigbaar met richtlijn 2014/41/EU betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken2. en met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’)?
II. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
4.
In overweging 22 van richtlijn 2014/41 staat het volgende te lezen: ‘De rechtsmiddelen die tegen een EOB kunnen worden ingezet, moeten ten minste gelijk zijn aan die welke in een binnenlandse zaak tegen de onderzoeksmaatregel kunnen worden ingezet. De lidstaten moeten er overeenkomstig hun nationale recht voor zorgen dat deze rechtsmiddelen toepasbaar zijn, onder meer door een belanghebbende partij tijdig mee te delen over welke rechtsmiddelen zij beschikken en hoe die kunnen worden ingesteld. […]’
5.
Artikel 1, lid 4, van richtlijn 2014/41 bepaalt het volgende:
‘Deze richtlijn geldt onverminderd de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de rechtsbeginselen die zijn neergelegd in artikel 6 VEU, inclusief het recht op verdediging van personen tegen wie een strafprocedure loopt, en laat alle verplichtingen die in dat verband op de rechterlijke autoriteiten rusten onverlet.’
6.
Artikel 11 bevat de gronden voor weigering van de erkenning of de tenuitvoerlegging. In lid 1, onder f), ervan wordt bepaald dat de erkenning of de tenuitvoerlegging van een EOB kan worden geweigerd indien ‘er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de uitvoering van de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregel niet verenigbaar zou zijn met de verplichtingen die overeenkomstig artikel 6 VEU en het Handvest op de uitvoerende staat rusten’.
7.
Artikel 14 van deze richtlijn, dat is opgenomen in hoofdstuk III, ‘Procedures en waarborgen voor de uitvoerende staat’, heeft het opschrift ‘Rechtsmiddelen’ en luidt als volgt:
- ‘1.
De lidstaten zien erop toe dat op de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregelen rechtsmiddelen toepasselijk zijn die gelijkwaardig zijn met die welke in een vergelijkbare binnenlandse zaak mogelijk zijn.
- 2.
De materiële gronden voor het uitvaardigen van het EOB kunnen alleen in de uitvaardigende staat worden aangevochten, onverminderd de in de uitvoerende staat gewaarborgde grondrechten.
- 3.
Indien de geheimhouding van een onderzoek daardoor niet in het gedrang komt, krachtens artikel 19, lid 1, nemen de uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit passende maatregelen om ervoor te zorgen dat er informatie wordt verstrekt over de in het nationale recht geboden mogelijkheden om rechtsmiddelen in te stellen, zodra die middelen van toepassing worden, en wel tijdig zodat zij daadwerkelijk kunnen worden toegepast.
- 4.
De lidstaten verzekeren dat de termijnen voor het instellen van een rechtsmiddel dezelfde zijn als die in vergelijkbare binnenlandse zaken, en dat deze termijnen worden gehanteerd op een wijze die garandeert dat het recht tot aanwending van dat rechtsmiddel effectief kan worden gebruikt door de betrokken personen.
- 5.
De uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit stellen elkaar in kennis van de rechtsmiddelen die tegen de uitvaardiging, de erkenning of de tenuitvoerlegging van een EOB zijn ingesteld.
- 6.
De instelling van een rechtsmiddel schort de tenuitvoerlegging van de onderzoeksmaatregel niet op, tenzij dat in vergelijkbare binnenlandse zaken wel het geval is.
- 7.
Indien de erkenning of tenuitvoerlegging van een EOB met succes is aangevochten, wordt daarmee in de uitvaardigende staat in overeenstemming met het eigen nationale recht rekening gehouden. Onverminderd de nationale procedurele voorschriften zorgen de lidstaten ervoor dat, bij het beoordelen van het middels het EOB verkregen bewijsmateriaal, de rechten van de verdediging en het eerlijke verloop van de procedures tijdens een strafprocedure in de uitvaardigende staat worden gewaarborgd.’
B. Bulgaars recht
8.
Artikel 6, lid 1, van de Zakon za Evropeyskata zapoved za razsledvane (wet betreffende het Europees onderzoeksbevel; hierna: ‘ZEZR’) (DV nr. 16 van 20 februari 2018) stelt de ‘[v]oorwaarden voor de uitvaardiging van een Europees onderzoeksbevel’ vast:
‘De bevoegde autoriteit bedoeld in artikel 5, lid 1, vaardigt na een individueel onderzoek een Europees onderzoeksbevel uit wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- 1.
Het uitvaardigen van een Europees onderzoeksbevel is noodzakelijk voor en staat in verhouding tot het doel van de strafprocedure, daarbij rekening houdend met de rechten van de verdachte of beschuldigde persoon.
- 2.
De onderzoeksmaatregelen en andere procedurele maatregelen tot uitvoering waarvan het Europees onderzoeksbevel is uitgevaardigd, kunnen in dezelfde omstandigheden in een vergelijkbare [binnenlandse] zaak op grond van het Bulgaarse recht ten uitvoer worden gelegd.’
9.
In geen enkele bepaling van de ZEZR wordt voorzien in de mogelijkheid om op te komen tegen de uitvaardiging van een EOB.
10.
Artikel 161, lid 3, van de Nakazatelno-protsesualen kodeks (wetboek van strafvordering; hierna: ‘NPK’) (DV nr. 86 van 2005, in de versie die van toepassing was ten tijde van de verwijzingsbeslissing, DV nr. 83 van 2019) bepaalt dat ‘[d]e doorzoeking en inbeslagneming […] tijdens de contentieuze fase van de strafprocedure [worden] uitgevoerd op bevel van de rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt.’
11.
Artikel 341, lid 3, NPK sluit de mogelijkheid uit om andere dan de uitdrukkelijk vermelde handelingen aan te vechten bij de appelrechter. Aldus kunnen beslissingen waarbij een getuigenverhoor of waarbij een doorzoeking van of inbeslagneming in een woning en een kantoor wordt bevolen, op grond van de NPK niet worden aangevochten.
12.
De verwijzende rechter geeft verder aan dat de personen op wie de doorzoeking en inbeslagneming of het getuigenverhoor betrekking hebben, de beslissing niet kunnen aanvechten aangezien zij geen partij zijn in de procedure. Hij verwijst naar artikel 318, lid 1, NPK, waarin is bepaald dat ‘[d]e procedure bij de appelrechter wordt ingesteld bij bezwaarschrift van het openbaar ministerie of van de procespartijen’. Artikel 253 NPK noemt als procespartijen: het openbaar ministerie, de beklaagde en zijn advocaat; de particuliere aanklager en de burgerlijke partij; de civiele eiser en de civiele verweerder.
III. Feiten, nationale procedure en prejudiciële vragen
13.
Aan Gavanozov wordt ten laste gelegd dat hij aan het hoofd staat van een criminele organisatie gericht op de massale ontwijking en ontduiking van btw. In die context wordt een Tsjechische vennootschap ervan verdacht vier valse, facturen te hebben uitgereikt waaraan geen daadwerkelijke leveringen ten grondslag lagen.
14.
Bij het gerechtelijk vooronderzoek zijn geen onderzoeksmaatregelen ten behoeve van bewijsgaring uitgevoerd ten aanzien van de Tsjechische vennootschap of de getuige, die de vertegenwoordiger van die vennootschap is. Desalniettemin is vast komen te staan dat Gavanozov en de getuige via een tolk of in het Engels met elkaar hadden gecommuniceerd, aangezien geen van beiden de moedertaal van de ander beheerste.
15.
Hoewel de getuige tweemaal was opgeroepen, is hij niet verschenen. Hij gaf aan te zijn verhinderd. In plaats daarvan heeft hij een verklaring in het Tsjechisch afgegeven, waarin hij stelde dat hij voor zijn zakelijke betrekkingen met Gavanozov vanwege de taalbarrière had gebruikgemaakt van een tolk. De getuige is niet verschenen op de zitting die nadien plaatsvond en heeft niet aangegeven wanneer hij wél kon verschijnen.
16.
Het dossier bij de verwijzende rechter bevat een uitsluitend in het Bulgaars opgestelde exclusieve vertegenwoordigingsovereenkomst tussen Gavanozov en de Tsjechische vennootschap (vertegenwoordigd door de getuige). Die overeenkomst is door de getuige ondertekend en voorzien van een stempel van de Tsjechische vennootschap.
17.
De verwijzende rechter besliste dat nieuw bewijs moest worden vergaard inzake de daadwerkelijke betrekkingen tussen Gavanozov en de getuige. Daartoe heeft de verwijzende rechter de volgende onderzoeksmaatregelen bevolen:
- —
doorzoeking van het kantoor van de Tsjechische vennootschap en inbeslagneming aldaar, om vast te kunnen stellen of de exclusieve vertegenwoordigingsovereenkomst zich tussen de stukken van de Tsjechische vennootschap bevindt en of er documenten zijn opgesteld ter uitvoering van die overeenkomst;
- —
doorzoeking van de woning van de getuige en inbeslagneming aldaar, om vast te kunnen stellen of de getuige in zijn woning stukken bewaart die betrekking hebben op de ten laste gelegde feiten;
- —
verhoor van de getuige per videoconferentie, aangezien hij met het argument verhinderd te zijn, weigert voor verhoor in Bulgarije te verschijnen.
18.
Op grond van het nationale recht is die rechterlijke beslissing definitief en kan zij noch door de procespartijen noch door de betrokkenen, namelijk de Tsjechische vennootschap of de getuige, worden aangevochten.
19.
Aangezien de onderzoeksmaatregelen in overeenstemming met de territoriale bevoegdheid van de Tsjechische autoriteiten door deze laatste moeten worden uitgevoerd, meent de verwijzende rechter dat het noodzakelijk is om een EOB uit te vaardigen voor doorzoeking en inbeslagneming ten kantore van de Tsjechische vennootschap en in de woning van de getuige, en ook voor een verhoor van die getuige. De verwijzende rechter heeft echter twijfels over de verenigbaarheid van de nationale regeling met het Unierecht, aangezien die regeling niet voorziet in rechtsmiddelen tegen de uitvaardiging van een EOB.
20.
In die feitelijke en juridische context heeft de Spetsializiran nakazatelen sad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
‘Is een nationale regeling die niet voorziet in rechtsmiddelen om op te komen tegen de uitvaardiging van een Europees onderzoeksbevel tot doorzoeking van een woning en een kantoor, tot inbeslagneming van bepaalde voorwerpen en tot organisatie van een getuigenverhoor, verenigbaar met artikel 14, leden 1 tot en met 4, artikel 1, lid 4, en de overwegingen 18 en 22 van richtlijn 2014/41, alsook met de artikelen 47 en 7 van het Handvest, gelezen in samenhang met de artikelen 13 en 8 EVRM?
Kan onder deze omstandigheden een Europees onderzoeksbevel worden uitgevaardigd?’
21.
De Tsjechische, de Franse, de Italiaanse en de Oostenrijkse regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend.
IV. Analyse
22.
De onderhavige conclusie is als volgt opgebouwd. Eerst licht ik de werkingssfeer van artikel 14, lid 1, van richtlijn 2014/41 toe: is die bepaling inderdaad zowel op de uitvoerende lidstaat als op de uitvaardigende lidstaat van toepassing? (A) Vervolgens ga ik in op de aard van het krachtens die bepaling en artikel 47 van het Handvest vereiste rechtsmiddel, rekening houdend met de minimumnormen van het EVRM en de rechtspraak van het EHRM. (B) Pas na die verduidelijkingen kan ik ingaan op de belangrijkste kwestie die de verwijzende rechter in casu aan de orde heeft gesteld: welke gevolgen moet de uitvaardigende autoriteit verbinden aan het feit dat haar nationale recht niet voldoet aan de minimumnormen van het EVRM, zoals het EHRM in zijn rechtspraak reeds herhaaldelijk heeft vastgesteld? (C)
23.
Daaraan kan worden toegevoegd dat artikel 14 van richtlijn 2014/41 reeds aan de orde is gesteld in het verzoek om een prejudiciële beslissing van dezelfde verwijzende rechter in de zaak Gavanozov3.. In zijn antwoord in die zaak heeft het Hof zich echter gericht op de wijze waarop de uitvaardigende autoriteit het EOB-formulier moet invullen. Anders dan de advocaat-generaal4. heeft het Hof de precieze gevolgen van artikel 14 van richtlijn 2014/41 niet onderzocht.
A. Is artikel 14, lid 1, van richtlijn 2014/41 van toepassing op de uitvaardigende staat?
24.
Ik merk op dat artikel 14, lid 1, van richtlijn 2014/41 niet aangeeft of de daarin vervatte verplichting is gericht tot de uitvaardigende staat dan wel tot de uitvoerende staat. Het verwijst naar de verplichting van de lidstaten om erop toe te zien dat op de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregelen rechtsmiddelen toepasselijk zijn die gelijkwaardig zijn met die welke in een vergelijkbare binnenlandse zaak mogelijk zijn. Overweging 22 van richtlijn 2014/41 met betrekking tot rechtsmiddelen is eveneens in algemene bewoordingen geformuleerd: ‘De rechtsmiddelen die tegen een EOB kunnen worden ingezet, moeten ten minste gelijk zijn aan die welke in een binnenlandse zaak tegen de onderzoeksmaatregel kunnen worden ingezet. […]’
25.
Lid 1 van artikel 14 van richtlijn 2014/41 is vergelijkbaar met lid 4 van dat artikel, welk lid eveneens is gericht tot ‘[d]e lidstaten’ en eveneens de verplichting vaststelt om te voorzien in gelijkwaardige en effectieve termijnen die van toepassing zijn op rechtsmiddelen. Ook lid 6 verwijst niet naar een specifieke lidstaat en lijkt eveneens van algemene toepassing te zijn. Aldus verschillen die leden van de andere leden van artikel 14, te weten de leden 2, 3, 5 en 7 die uitdrukkelijk betrekking hebben op zowel de uitvoerende staat als de uitvaardigende staat (leden 2, 3 en 5), dan wel uitsluitend op de uitvaardigende staat (lid 7).
26.
Gelet op de algemene bewoordingen van artikel 14, lid 1, van richtlijn 2014/41 en het gebruik van andere, specifiekere bewoordingen in die richtlijn, kan eraan worden getwijfeld op welke staat — de uitvoerende en/of de uitvaardigende staat — die bepaling van toepassing is. De structuur en de logica van richtlijn 2014/41 kunnen die twijfels nog versterken.
27.
Ten eerste is artikel 14 van richtlijn 2014/41 opgenomen in hoofdstuk III, met het opschrift ‘Procedures en waarborgen voor de uitvoerende staat’. De bepalingen van richtlijn 2014/41 die in de eerste plaats betrekking hebben op de uitvaardigende staat zijn echter opgenomen in hoofdstuk II, met het opschrift ‘Procedures en waarborgen voor de uitvaardigende staat’. Vanuit welke logica zouden verplichtingen betreffende rechtsmiddelen voor de uitvaardigende lidstaat zijn opgenomen in het deel van de richtlijn dat betrekking heeft op de uitvoerende lidstaat?
28.
Ten tweede valt moeilijk in te zien wat de verplichting om te voorzien in gelijkwaardige rechtsmiddelen concreet inhoudt voor de uitvaardigende lidstaat. De onderzoeksmaatregelen die door die lidstaat worden uitgevaardigd, zijn waarschijnlijk standaard gelijkwaardig, aangezien zij gewoonlijk eerst in de vorm van een nationale rechtshandeling zullen worden uitgevaardigd. Of wordt impliciet aangenomen dat er mogelijkerwijs lidstaten zijn die alleen wanneer zij EOB's uitvaardigen uitdrukkelijk afwijken van hun algemene nationale stelsel van rechtsmiddelen, teneinde onderzoeksmaatregelen die in andere lidstaten moeten worden uitgevoerd daadwerkelijk minder gunstig te behandelen (en hun niveau van bescherming met betrekking tot die maatregelen te verlagen)?
29.
Een dergelijk scenario is moeilijk voor te stellen. Verder kan de uitvaardigende staat op grond van artikel 6, lid 1, onder b), van richtlijn 2014/41, alleen een EOB uitvaardigen wanneer ‘de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregel(en) in dezelfde omstandigheden in een vergelijkbare binnenlandse zaak bevolen [had(den)] kunnen worden’. Op die maatregelen is dus in beginsel reeds een nationaal stelsel van rechtsmiddelen van toepassing, indien dergelijke rechtsmiddelen bestaan.
30.
Zowel logischerwijs als structureel houdt artikel 14, lid 1, van richtlijn 2014/41 derhalve meer steek wanneer het van toepassing is op de uitvoerende lidstaten. In het stelsel van wederzijdse erkenning zijn gelijkwaardigheidsgaranties gewoonlijk van toepassing op de uitvoerende lidstaten en niet op de uitvaardigende lidstaten. Wat die laatste betreft, lijkt het gelijkwaardigheidsvereiste enigszins circulair.
31.
Impliciet lijken alle belanghebbenden bij de onderhavige procedure echter ervan uit te gaan dat artikel 14, lid 1, van richtlijn 2014/41 van toepassing is op beide soorten lidstaten: de uitvoerende lidstaat en de uitvaardigende lidstaat. Om de hiernavolgende redenen kan ik ook die premisse als uitgangspunt aannemen.
32.
Ten eerste, en dat is misschien het eenvoudigst, is er de kwestie van de gebruikte bewoordingen en zinsbouw: op het eerste gezicht moet ‘lidstaten’ zonder enige verdere precisering logischerwijze aldus worden uitgelegd dat het zowel de uitvoerende als de uitvaardigende lidstaten omvat.
33.
Verder wordt in de verschillende leden van artikel 14 van richtlijn 2014/41, zoals in punt 25 hierboven is uiteengezet, specifiek naar de uitvoerende of uitvaardigende lidstaat dan wel naar de uitvoerende en uitvaardigende autoriteiten verwezen. Evenzo, bij wijze van structurele analogie, verwezen het kaderbesluit inzake bevriezingsbeslissingen5. en het kaderbesluit betreffende het Europees bewijsverkrijgingsbevel6. in hun respectieve bepalingen betreffende rechtsmiddelen naar lidstaten alvorens uitdrukkelijk te vermelden welke aspecten van rechtsmiddelen in de uitvaardigende staat respectievelijk de uitvoerende staat ter beschikking moesten worden gesteld. Een soortgelijk patroon is aangenomen in verordening (EU) 2018/1805 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen7.. Artikel 33 ervan heeft het opschrift ‘Rechtsmiddelen in de uitvoerende staat tegen de erkenning en tenuitvoerlegging van een bevriezingsbevel of een confiscatiebevel’.8. Dezelfde benadering werd gevolgd door de rechtsvoorganger van die verordening.9.
34.
Indien de Uniewetgever duidelijk had willen zijn en effectief een specifiek onderscheid had willen maken tussen de uitvaardigende en de uitvoerende lidstaat, had dat heel goed gekund. Het feit dat de Uniewetgever in artikel 14, lid 1, van richtlijn 2014/41 (en ook in artikel 14, lid 4) heeft gekozen voor de algemenere term ‘lidstaten’ wijst erop dat hij, niettegenstaande het opschrift van hoofdstuk III, met die term doelde op de uitvaardigende staat én de uitvoerende staat.10. Indien dat hoofdstuk, ondanks het feit dat het opschrift ervan uitsluitend de uitvoerende staat vermeldt, bepalingen kan bevatten die uitdrukkelijk betrekking hebben op de uitvaardigende staat, kan datzelfde hoofdstuk zeker ook bepalingen bevatten die relevant zijn voor zowel de uitvaardigende als de uitvoerende staten, gezamenlijk aangeduid met de term ‘lidstaten’.
35.
Ten tweede kan het feit dat artikel 14, lid 1, van richtlijn 2014/41 ook van toepassing kan zijn op de uitvaardigende lidstaat evenzeer worden afgeleid uit artikel 14, lid 2, van die richtlijn. Die twee leden leiden tot een ‘bevoegdheidsverdeling’. Terwijl artikel 14, lid 1, een algemene verplichting tot gelijkwaardigheid van rechtsmiddelen bevat, behoudt artikel 14, lid 2, de toetsing van de materiële gronden voor het uitvaardigen van een EOB voor aan de uitvaardigende staat.
36.
Dat de toetsing van de materiële gronden voorbehouden is aan de uitvaardigende lidstaat, is volstrekt logisch. Indien artikel 14, lid 2, van richtlijn 2014/41 echter als een bepaling van uitsluiting van rechtsbevoegdheid wordt gelezen (waarbij de bevoegdheid tot rechterlijke toetsing van materiële gronden aan de uitvoerende lidstaat wordt onttrokken), impliceert dat dan niet ook dat ervan wordt uitgegaan dat er een soort toetsingsmogelijkheid in de uitvaardigende lidstaat bestaat? Anders zou artikel 14, lid 2, van die richtlijn niet betekenen dat ‘alleen de uitvaardigende lidstaat kan voorzien in toetsing van de materiële gronden van een EOB’, maar in de praktijk dat ‘niemand kan voorzien in een dergelijke toetsing’ indien een dergelijke toetsing niet bestaat in de uitvaardigende staat. In een geval als het onderhavige zou artikel 14, lid 2, dan neerkomen op een loze verwijzing. Het risico dat een dergelijke lezing meebrengt, kan dus leiden tot de suggestie dat de (engere) werkingssfeer en focus van artikel 14, lid 2, inderdaad kan impliceren dat artikel 14, lid 1, een ruimere werkingssfeer moet hebben en zowel op de uitvoerende als op de uitvaardigende lidstaten van toepassing moet zijn.
37.
Ten derde wordt deze slotsom ook bevestigd door het overkoepelende doel van richtlijn 2014/41. Zoals het Hof heeft opgemerkt, beoogt die richtlijn door middel van een vereenvoudigde en efficiëntere regeling, met het EOB als één instrument, om ‘de justitiële samenwerking te vergemakkelijken en te bespoedigen, en daardoor bij te dragen tot de verwezenlijking van de opdracht van de Unie om een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te worden die berust op de hoge mate van vertrouwen die tussen de lidstaten moet bestaan’.11. Dat laatste berust ‘op […] het weerlegbaar vermoeden dat de andere lidstaten het Unierecht en in het bijzonder de grondrechten naleven’.12. De gelijktijdige aandacht van richtlijn 2014/41 voor de doeltreffendheid van de justitiële samenwerking en de eerbiediging van de grondrechten komt tot uiting in artikel 1, leden 2 en 4. Terwijl artikel 1, lid 2, de verplichting oplegt een EOB ten uitvoer te leggen, herinnert lid 4 van dat artikel aan de noodzaak om de grondrechten te eerbiedigen.
38.
Artikel 14 van richtlijn 2014/41 draagt ook bij aan dat evenwicht door uit te gaan van de oplossingen die in de respectieve lidstaten reeds bestaan op het gebied van rechtsmiddelen. Door die verplichting tot gelijkwaardigheid aldus uit te leggen dat zij zowel op de uitvoerende als op de uitvaardigende staten ziet, wordt ten aanzien van beide staten het bovengenoemde evenwicht tussen de doeltreffendheid en de bescherming van grondrechten in stand gehouden. De tegenovergestelde oplossing, waarbij artikel 14, lid 1, uitsluitend op de uitvoerende lidstaat wordt toegepast, zou de lidstaten, althans impliciet, de mogelijkheid bieden om de rechtsbescherming tegen een EOB af te zwakken ten opzichte van een soortgelijke binnenlandse situatie.
39.
Het is juist dat het, zoals hierboven in de punten 28 en 29 reeds is aangegeven, niet onmiddellijk duidelijk is hoe en waarom een uitvaardigende lidstaat opzettelijk zou discrimineren tussen zuiver nationale onderzoeksmaatregelen en dezelfde onderzoeksmaatregelen die in het kader van een EOB worden uitgevaardigd.
40.
Een dergelijke vorm van discriminatie hoeft echter niet noodzakelijk voort te vloeien uit een opzettelijke differentiatie door de lidstaat. Zij kan gewoon het gevolg zijn van verschillende procedureregels in het nationale recht, met name wanneer er niet eerst een overeenkomstige nationale procedurele rechtshandeling hoeft te zijn voordat een EOB kan worden uitgevaardigd. Aldus kan het gelijkwaardigheidsvereiste inderdaad worden gezien als een belemmering voor die staat om EOB's incidenteel te onderwerpen aan een minder gunstig stelsel van rechtsmiddelen dan dezelfde onderzoeksmaatregelen wanneer deze in eigen land ten uitvoer worden gelegd, louter omdat hij deze heeft onderworpen aan verschillende procedureregels. De verplichting tot gelijkwaardigheid strekt er aldus toe te voorkomen dat de lidstaten de rechtsbescherming van personen die worden onderworpen aan onderzoeksmaatregelen in het kader van een EOB verzwakken ten opzichte van de rechtsbescherming van personen die aan louter binnenlandse onderzoeksmaatregelen worden onderworpen.13.
41.
Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat artikel 14, lid 1, van richtlijn 2014/41 vereist dat de rechtsmiddelen in zowel de uitvaardigende als de uitvoerende lidstaat de verplichting tot gelijkwaardigheid nakomen wanneer dergelijke rechtsmiddelen bestaan.
42.
Hoewel geen van de belanghebbende partijen die specifieke kwestie aan de orde heeft gesteld, vind ik die voorlopige vaststelling toch belangrijk. Alleen indien artikel 14, lid 1, van richtlijn 2014/41 ook van toepassing is op de uitvaardigende lidstaat, valt die specifieke kwestie van rechtsmiddelen in die staat binnen de werkingssfeer van het Unierecht in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest, waardoor alle op het Handvest gebaseerde waarborgen, waaronder artikel 47 ervan, gelden. Indien dat niet het geval was, kan worden aangenomen dat richtlijn 2014/41 helemaal geen regeling bevat voor rechtsmiddelen in de uitvaardigende lidstaat, en dat het Handvest dus ook niet van toepassing is op die specifieke kwestie.
43.
De slotsom dat artikel 14, lid 1, van richtlijn 2014/41 van toepassing is op de rechtsmiddelen in de uitvaardigende lidstaat zegt echter vrij weinig over de precieze aard van de vereiste rechtsmiddelen. Derhalve is vervolgens de vraag aan de orde welk rechtsmiddel op grond van artikel 14, lid 1, van richtlijn 2014/41, gelezen in samenhang met de bepalingen van het Handvest, precies van de uitvaardigende lidstaten wordt verlangd.
B. Wat is een rechtsmiddel in de zin van artikel 14, lid 1, van richtlijn 2014/41?
44.
Wat de inzake rechtsmiddelen aan de lidstaten opgelegde verplichting betreft, zijn de bewoordingen van artikel 14, lid 1, van richtlijn 2014/41 heel duidelijk. Zij beperken die verplichting tot het vereiste van gelijkwaardigheid, zoals de Tsjechische, de Franse en de Oostenrijkse regering, en de Commissie hebben gesteld.14.
1. Oorsprong van de norm: verscheidenheid aan en aard van onderzoeksmaatregelen
45.
Het gelijkwaardigheidsvereiste blijkt een gevolg te zijn van de in de voorbereidende werkzaamheden erkende moeilijkheid om een gedetailleerdere oplossing te vinden die rekening zou houden met de verscheidenheid aan stelsels van rechtsmiddelen die op nationaal niveau bestaan voor de verschillende onderzoeksmaatregelen die onder de nieuwe richtlijn moesten vallen. In de toelichting bij die richtlijn is erop gewezen dat er in de sector van de bewijsgaring belangrijke verschillen bestaan tussen de nationale stelsels en is benadrukt dat de samenwerking op dit gebied moest worden verbeterd zonder af te doen aan de fundamentele aspecten of verschillen tussen de nationale stelsels. Daarom was ‘een autonome regeling inzake rechtsmiddelen niet wenselijk’. […]’15.
46.
Anders dan haar rechtsvoorgangers, die een beperktere werkingssfeer hadden16., is richtlijn 2014/41 in beginsel immers van toepassing op elke onderzoeksmaatregel.17. Sommige van die maatregelen zijn dwingend, andere niet. Sommige kunnen openlijk worden uitgevoerd, terwijl andere per definitie geheim zijn. Richtlijn 2014/41 zelf illustreert dat punt aan de hand van de lijst van verschillende onderzoeksmaatregelen waarvan de regelingen in de richtlijn nader worden geregeld.18.
47.
De verscheidenheid aan onderzoeksmaatregelen en aan nationale stelsels inzake rechtsmiddelen verklaart waarom de Uniewetgever ervoor heeft gekozen om de verplichting in artikel 14, lid 1, van richtlijn 2014/41 te beperken tot het vereiste van gelijkwaardigheid en ook om in dat opzicht af te wijken van de algemeen geformuleerde verplichting om in rechtsmiddelen te voorzien die was neergelegd in de voorgangers van richtlijn 2014/41, waarvan de werkingssfeer beperkter was.19. Ik ben het in dit opzicht eens met de Tsjechische regering.
48.
De verscheidenheid aan onderzoeksmaatregelen die onder richtlijn 2014/41 vallen, is echter niet de enige factor die bepalend moet zijn voor de aard van de door richtlijn 2014/41 opgelegde verplichting met betrekking tot rechtsmiddelen. Een andere relevante factor is de aard zelf van de onderzoeksmaatregelen binnen de strafprocedure als geheel.
49.
In dat opzicht verschilt de situatie van een persoon die aan een onderzoeksmaatregel wordt onderworpen namelijk sterk van die van een persoon ten aanzien van wie een definitieve rechterlijke beslissing is genomen. In die laatste context moeten de volledige waarborgen van procedurele rechten gedurende de gehele procedure gelden en worden geëerbiedigd, maar de toepassing van dezelfde procedurele norm op afzonderlijk beschouwde onderzoeksmaatregelen zou waarschijnlijk afdoen aan het praktische nut van die maatregelen of in elk geval van een groot deel ervan. Eisen dat doorzoekingen en inbeslagnemingen of doorlopende controles van bankverrichtingen (of andere verrichtingen) eerst naar behoren ter kennis van de betrokkenen worden gebracht, en die personen de gelegenheid geven om ze in rechte aan te vechten, zou immers in feite elk praktisch doel van een dergelijke onderzoeksmaatregel ondermijnen.
2. Minimumnormen in richtlijn 2014/41
50.
Het voorgaande betekent echter niet dat de uitvaardiging en de tenuitvoerlegging van een EOB aan geen enkele norm zijn onderworpen. Het Hof heeft er in het arrest Staatsanwaltschaft Wien reeds op gewezen dat richtlijn 2014/41 een ‘normatief kader [bevat] dat zowel voor de fase van de uitvaardiging of de validering als voor die van de tenuitvoerlegging van een [EOB] een reeks waarborgen omvat waarmee de bescherming van de grondrechten van de betrokkene kan worden verzekerd’.20.
51.
Zoals alle belanghebbenden die in het kader van de onderhavige procedure opmerkingen hebben ingediend terecht opmerken, kan het bij richtlijn 2014/41 ingevoerde stelsel immers niet ten koste gaan van de bescherming van grondrechten die voortvloeien uit het Handvest en, krachtens artikel 52, lid 3, daarvan, uit de minimumnormen die in het EVRM zijn verankerd en door het EHRM zijn geformuleerd.
52.
De strikte naleving van die waarborgen is wellicht des te belangrijker voor derden in een nationale strafprocedure. Anders dan de persoon die wordt beschuldigd of vervolgd, zullen die derden waarschijnlijk nooit procedurele rechten hebben in het latere stadium noch de rechtmatigheid van de onderzoeksmaatregelen, al was het maar indirect, kunnen aanvechten, bijvoorbeeld door te verzoeken dat het verkregen bewijs wordt uitgesloten of door de eindbeslissing aan te vechten.
53.
De normen waaraan de uitvaardiging van een EOB moet voldoen (en de waarborgen die daarin zijn vervat), vormen dus twee categorieën: een eerste categorie, namelijk de in richtlijn 2014/41 zelf opgenomen normen, en een tweede categorie normen, die zien op de overkoepelende eerbiediging van de grondrechten waarnaar in de bepalingen van die richtlijn wordt verwezen zonder ze in detail te beschrijven.
54.
Wat de eerste categorie betreft, bepaalt artikel 6, lid 1, van richtlijn 2014/41 dat een EOB alleen kan worden uitgevaardigd indien dat noodzakelijk is voor en in verhouding staat tot het doel van de procedure en indien de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregelen in dezelfde omstandigheden in een vergelijkbare binnenlandse zaak hadden kunnen worden bevolen. Die benadering van de minimaal noodzakelijke inmenging komt ook tot uiting in andere bepalingen van de richtlijn, die met elkaar gemeen hebben dat zij de inmenging waartoe een specifieke onderzoeksmaatregel aanleiding kan geven, tot een minimum beperken of volledig uitsluiten.21.
55.
Wat de tweede categorie betreft, moeten in de context van EOB's de grondrechten worden geëerbiedigd in beide soorten lidstaten: uitvaardigende en uitvoerende. Artikel 1, lid 4, van richtlijn 2014/41 brengt om te beginnen een algemene verplichting in herinnering die op de lidstaten rust om de grondrechten en de rechtsbeginselen die zijn neergelegd in artikel 6 VEU te eerbiedigen. Die algemene bepaling wordt nader toegelicht in artikel 11, lid 1, onder f), waarin een algemene en uitdrukkelijke grond voor weigering van de erkenning en tenuitvoerlegging van een EOB is ingevoerd indien ‘er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de uitvoering van de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregel niet verenigbaar zou zijn met de verplichtingen die overeenkomstig artikel 6 VEU en het Handvest op de uitvoerende staat rusten’.
56.
Wat echter rechtsmiddelen betreft waarmee een EOB als zodanig kan worden aangevochten, moet worden erkend dat de aard van de onderzoeksmaatregel vaak niet verenigbaar is met een mogelijkheid om die maatregel afzonderlijk en ex ante aan te vechten, waarbij die aanvechting ertoe kan leiden dat de maatregel wordt uitgesteld of helemaal wordt uitgesloten.
57.
Met andere woorden, de eis dat altijd een rechtsmiddel ex ante in de vorm van een beroep in rechte bestaat om de rechtmatigheid van die maatregel te betwisten, geeft geen blijk van een juist evenwicht tussen de bescherming van de grondrechten van de personen waarop het onderzoek betrekking heeft en de vereiste doeltreffendheid van de onderzoeksmaatregelen.
58.
De hierboven genoemde verscheidenheid aan maatregelen en het algemene karakter ervan verklaren mijns inziens dus waarom de Uniewetgever de verplichting van artikel 14, lid 1, van richtlijn 2014/41 heeft beperkt tot het gelijkwaardigheidsvereiste. Dat betekent dat artikel 14, lid 1, van die richtlijn de lidstaat niet verplicht om rechtsmiddelen in te voeren wanneer die nog niet bestaan. Zoals de Tsjechische en de Franse regering opmerken, lijkt het Hof dit standpunt reeds te hebben verwoord in het arrest Gavanozov, gelet op het herhaalde gebruik van de bewoordingen ‘in voorkomend geval’ wanneer wordt verwezen naar de beschikbaarheid van rechtsmiddelen in de uitvaardigende staat.22.
59.
Bij die vaststelling moet niettemin een belangrijk voorbehoud worden gemaakt: de gelijkwaardigheid is logischerwijs slechts aanvaardbaar indien de situatie in de uitvaardigende staat, waarop het gelijkwaardigheidsvereiste betrekking heeft, zelf verenigbaar is met de minimumnormen voor bescherming van grondrechten zoals vereist door het Handvest en het EVRM. In dit verband ben ik het inderdaad eens met de Franse en de Oostenrijkse regering, alsook met de Commissie, die erop wijzen dat richtlijn 2014/41 ervan uitgaat dat de lidstaten de grondrechten eerbiedigen. Eenvoudig gezegd is gelijkwaardigheid alleen aanvaardbaar mits zij niet wordt ingeroepen om een ‘gelijkwaardige inbreuk’ op de minimumnormen van het EVRM te bekrachtigen.
3. Minimumnormen voor grondrechten in het kader van het EVRM
60.
In deze context moeten de in het EVRM neergelegde minimumvereisten kort worden uiteengezet. De verwijzende rechter en een aantal belanghebbenden wijzen immers op een reeks arresten van het EHRM waarin Bulgarije herhaaldelijk aansprakelijk is gesteld voor schending van artikel 13 EVRM wegens het ontbreken van rechtsmiddelen tegen bevelen tot doorzoeking en inbeslagneming.23.
61.
Wat de uitlegging van de overeenkomstige bepalingen van het Handvest betreft, is in artikel 52, lid 3, van het Handvest bepaald dat het EVRM de minimumdrempel is voor de bescherming die door het Handvest moet worden geboden. Artikel 13 EVRM stemt, althans gedeeltelijk, overeen met artikel 47, eerste alinea, van het Handvest. Artikel 47 verlangt evenwel een voorziening in rechte, hetgeen niet noodzakelijk wordt geëist in artikel 13 EVRM.24.
62.
Om de twijfels weg te nemen over wat artikel 47 van het Handvest precies verlangt inzake een voorziening in rechte met betrekking tot onderzoeksmaatregelen, wijs ik op de minimumvereisten die zijn vastgesteld in de rechtspraak van het EHRM.
63.
Het EHRM heeft steeds duidelijker gesteld dat het begrip ‘daadwerkelijk rechtsmiddel’ in de zin van artikel 13 EVRM vereist dat zowel de rechtmatigheid van de bevelen tot doorzoeking en inbeslagneming als de wijze van tenuitvoerlegging ervankan worden aangevochten.
64.
Het EHRM heeft geoordeeld dat het begrip ‘daadwerkelijk rechtsmiddel’ in de zin van artikel 13 EVRM niet vereist dat de mogelijkheid bestaat om de uitvaardiging van het bevel vóór de doorzoeking aan te vechten.25. In het arrest Posevini heeft het EHRM daar evenwel aan toegevoegd dat een tuchtmaatregel tegen de politie voor de uitvoering van een doorzoeking en inbeslagneming niet kan worden beschouwd als een rechtsmiddel in de zin van artikel 13 EVRM. In het kader van de beoordeling van artikel 13 EVRM is het van belang of de persoon op wie een doorzoeking en inbeslagneming betrekking had, toegang had tot een procedure waarmee hij de rechtmatigheid van die maatregel kon aanvechten en een passende genoegdoening kon verkrijgen indien die maatregel onrechtmatig was bevolen of ten uitvoer gelegd.26. Het EHRM heeft benadrukt dat het mogelijk moet zijn ‘om een doorzoeking op zich of de wijze waarop deze is gelast of toegestaan aan te vechten’.27.
65.
Met andere woorden, een verzoek tot inleiding van een disciplinaire procedure tegen de politie wegens ‘hardhandige’ tenuitvoerleggingsmethoden volstaat niet om te voldoen aan het vereiste van een rechtsmiddel in de zin van artikel 13 EVRM. Die bepaling gaat echter niet zo ver dat een rechtsmiddel tegen een rechterlijke beslissing waarbij doorzoeking en inbeslagneming worden gelast beschikbaar moet zijn voordat de doorzoeking en inbeslagneming worden uitgevoerd. Het EHRM eist niet dat het rechtsmiddel de betrokkene in staat stelt om de doorzoeking en inbeslagneming te voorkomen, of dat het op elk specifiek moment van de procedure betreffende de doorzoeking en inbeslagneming beschikbaar is. Evenmin is vereist dat dat rechtsmiddel beschikbaar is in de strafprocedure in het kader waarvan de doorzoeking en de inbeslagneming worden bevolen.
66.
Ik trek de volgende conclusies uit de rechtspraak van het EHRM. Ten eerste moet het mogelijk zijn om de rechtmatigheid van de doorzoeking en inbeslagneming op een bepaald moment aan te vechten, maar (logisch gezien) niet noodzakelijkerwijs voordat die maatregel ten uitvoer is gelegd. Ten tweede moeten dat rechtsmiddel en de mogelijkheid om het in te stellen duidelijk toebehoren aan de betrokkene. Zij mogen niet afhankelijk zijn van het initiatief of de beoordelingsvrijheid van een derde, zoals een interne toetsing binnen het politiekorps. Ten derde moeten beide aspecten van een doorzoeking en inbeslagneming kunnen worden getoetst: niet alleen de mogelijk buitensporige wijze waarop de maatregel is uitgevoerd, maar ook de rechtmatigheid van het feitelijke bevel tot die maatregel op zich.
67.
Een eenvoudig voorbeeld: een persoon wiens deur op een ochtend door de politie is ingetrapt, moet de mogelijkheid hebben om dat feit ex post bij een instantie van de lidstaat te laten toetsen, waarbij niet alleen wordt nagegaan of het inderdaad nodig was om de voordeur in te trappen of om de hand te breken van de persoon die zich tijdens de doorzoeking beweerdelijk heeft verzet (de wijze van uitvoering van de maatregel), maar ook of die doorzoeking eigenlijk wel rechtmatig was bevolen (de rechtmatigheid van de maatregel op zich).
68.
Dat is de aard van het recht zoals dat door het EVRM wordt gewaarborgd. Het is in het kader van de potentiële vrijwaring van dat recht dat artikel 47 van het Handvest de mogelijkheid waarborgt om te gelegener tijd beroep bij een rechter in te stellen.
69.
Het feit dat de bevindingen op grond van artikel 47, eerste alinea, van het Handvest bij een onafhankelijke rechterlijke instantie moeten kunnen worden aangevochten, verandert echter niets aan de aard van het onderliggende recht, en staat evenmin in de weg aan de eventuele voorafgaande opneming van een administratief rechtsmiddel of aan de verplichting om eerst een administratieve klacht in te dienen alvorens de zaak bij een nationale rechterlijke instantie aanhangig te maken.28.
4. Tussentijdse samenvatting en de echte kwestie
70.
Wanneer de rechtspraak van het EHRM in die context wordt beschouwd en begrepen, verzet niets in die rechtspraak zich tegen de tenuitvoerlegging van de onderzoeksmaatregelen op grond van richtlijn 2014/41. Evenzo staat niets eraan in de weg dat artikel 47 van het Handvest in voorkomend geval van toepassing kan zijn op zowel de wijze waarop een onderzoeksmaatregel in de uitvoerende lidstaat door de autoriteiten van de uitvoerende lidstaat is uitgevoerd, als de rechtmatigheid van het bevel op grond waarvan een EOB is uitgevaardigd door de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat. De bevoegdheidsverdeling die voortvloeit uit artikel 14, leden 1 en 2, van richtlijn 2014/41 lijkt inderdaad precies die benadering te weerspiegelen.
71.
Al die verduidelijkingen over de eigenlijke werkingssfeer van richtlijn 2014/41, alsook over de rechtspraak van het EHRM en de vereiste minimumnormen, waren noodzakelijk om de echte kwestie van de onderhavige zaak te kunnen afbakenen en uiteindelijk te kunnen oplossen. De echte kwestie betreft niet noodzakelijkerwijs de verenigbaarheid van de nationale wetgeving met een specifieke bepaling van richtlijn 2014/41 maar klopt metaforisch gesproken al een stap eerder aan de poorten van het gehele stelsel: kan een lidstaat EOB's uitvaardigen ook al is hij zich ervan bewust dat die handelingen in strijd zijn met de minimumnormen van het EVRM en derhalve ook met het minimumbeschermingsvereiste van het Unierecht?
C. Een lidstaat die de minimumnormen van het EVRM schendt, kan geen EOB's uitvaardigen die noodzakelijkerwijs dezelfde soort inbreuk inhouden
72.
Met de tweede vraag in het kader van de onderhavige procedure wenst de verwijzende rechter te vernemen of hij een EOB kan uitvaardigen voor doorzoekingen en inbeslagnemingen, zowel in een kantoor als in een woning, en of hij een getuige kan horen in een situatie waarin diegenen op wie die maatregelen betrekking hebben, naar nationaal recht niet over een rechtsmiddel beschikken.
73.
Die vraag moet mijns inziens ontkennend worden beantwoord. Zolang de uitvaardigende lidstaat er niet voor heeft gezorgd dat de door het EVRM vereiste en in het vorige deel van de onderhavige conclusie uiteengezette minimumnormen worden nageleefd, mogen de autoriteiten van die staat niet deelnemen aan het bij richtlijn 2014/41 vastgestelde stelsel.
74.
Zoals met name de Franse en de Oostenrijkse regering, en de Commissie terecht hebben opgemerkt, vereisen de deelname aan het stelsel van rechtshulp, en de wederzijdse erkenning waarin richtlijn 2014/41 voorziet, dat alle deelnemers voldoen aan de minimumvereisten inzake de bescherming van grondrechten.
75.
De onderhavige zaak is bijzonder omdat de vragen door een rechter in de uitvaardigende lidstaat zijn gesteld terwijl de procedure zich nog in een ‘aan de erkenning voorafgaande fase’ bevindt. De verwijzende rechter overweegt een EOB uit te vaardigen, maar er is nog geen handeling gesteld die de landsgrens van de betrokken lidstaat overschrijdt.
76.
De rechtspraak van het Hof over de wederzijdse erkenning in strafzaken betreft typisch vragen van uitvoerende autoriteiten met betrekking tot twijfels of zij op grond van het Unierecht mogen ingaan op verzoeken van autoriteiten van een andere lidstaat. Wat betreft de op wederzijdse erkenning gebaseerde instrumenten wordt de bevoegdheid voor de mechanismen die voorkomen dat een gebrekkige handeling de gewenste rechtsgevolgen heeft, immers traditioneel aan de uitvoerende staten toegewezen. De onderhavige zaak is een zeldzaam voorbeeld van een oefening in zelfbeheersing die de uitvaardigende autoriteit maakt wegens twijfels die zij heeft of zij eigenlijk wel in staat is een specifiek instrument van wederzijdse erkenning in werking te stellen.
77.
Uit het bovenstaande kan echter zeker niet worden afgeleid dat het Unierecht geen rekening houdt met de situatie in de uitvaardigende lidstaat.
78.
Op praktisch gebied regelt richtlijn 2014/41 een aantal kwesties en stelt zij een aantal eisen aan de uitvaardigende lidstaat. Die eisen worden voorts benadrukt door de in artikel 1, lid 4, van die richtlijn neergelegde algemene verplichting voor alle betrokken justitiële autoriteiten om de grondrechten te eerbiedigen.
79.
De kwestie wordt echter kristalhelder als zij op principieel niveau wordt beschouwd. Ik zie niet in hoe er sprake kan zijn van enig ‘wederzijds vertrouwen’ in een stelsel waarin de uitvaardigende lidstaten handelingen kunnen uitvaardigen die per definitie, en zoals reeds eerder is vastgesteld, in strijd zijn met de minimumnormen die voor het gehele stelsel gelden, en waarin dergelijke handelingen ondanks dat feit willens en wetens tot het stelsel worden toegelaten.
80.
Ik denk inderdaad niet dat de overvloedige rechtspraak ter zake hoeft te worden herhaald, waarin wordt gewezen op het belang van wederzijds vertrouwen voor de wederzijdse erkenning en werking van talrijke mechanismen van justitiële samenwerking in strafzaken binnen de Unie.29. Met name betekent het vereiste van wederzijds vertrouwen, of in feite beter gezegd het verbod van wantrouwen, dat de autoriteiten van de uitvoerende lidstaat ervan moeten uitgaan dat de regels en de grondrechten in de uitvaardigende lidstaat zijn geëerbiedigd, en dus — behoudens in uitzonderlijke gevallen — niet mogen nagaan of de in de uitvaardigende lidstaat vastgestelde handeling in overeenstemming is met de grondrechten.30.
81.
Het Hof heeft tevens benadrukt dat ‘de lidstaten onder meer krachtens het in artikel 4, lid 3, eerste alinea, VEU genoemde beginsel van loyale samenwerking op hun respectieve grondgebied de toepassing en de eerbiediging van het recht van de Unie [dienen] te verzekeren en daartoe alle algemene en bijzondere maatregelen [dienen] te treffen die geschikt zijn om de nakoming van de uit de Verdragen of uit de handelingen van de instellingen van de Unie voortvloeiende verplichtingen te verzekeren’.31.
82.
Tegen die achtergrond handelt een lidstaat die gebruikmaakt van het stelsel en zich ervan bewust is dat de handelingen die hij uitvaardigt in feite reeds onverenigbaar zijn met de vereiste minimumwaarborgen inzake grondrechten, mijns inziens niet in de geest van loyale samenwerking. Dergelijke handelingen kunnen geen wederzijds vertrouwen wekken. In feite zijn zij er de antithese van en dwingen zij elke andere deelnemer aan het stelsel, en in het bijzonder de uitvoerende lidstaat, om uit te gaan van wederzijds wantrouwen. Hoe kan er enig wederzijds vertrouwen ontstaan in een stelsel waarin het sommige deelnemers willens en wetens is toegestaan de regels te schenden?
83.
Het is juist dat richtlijn 2014/41 verschillende waarborgen bevat voor de eerbiediging van grondrechten met betrekking tot erkenning en tenuitvoerlegging van de betrokken onderzoeksmaatregel in de uitvoerende lidstaat.32. Die lijst bevat inderdaad de weigeringsgrond van artikel 11, lid 1, onder f), van richtlijn 2014/41, die mogelijk leidt tot een weigering wegens niet-eerbiediging van de grondrechten.
84.
Dat betekent evenwel zeker niet dat alle verantwoordelijkheid kan worden verlegd naar de uitvoerende lidstaat. Ook hier zijn loyale samenwerking (en wederzijds vertrouwen) interrelationeel. Zij omvatten per definitie alle partijen bij de transactie. Het Hof heeft die zienswijze benadrukt door te verklaren dat de eerbiediging van de grondrechten een gedeelde verplichting is, die zowel op de uitvaardigende als op de uitvoerende lidstaten rust. De initiële verplichting om de eerbiediging van de grondrechten te waarborgen, rust volledig op de schouders van de uitvaardigende lidstaat.33. Wanneer van de aanvang af onrechtmatige EOB's tot het stelsel worden toegelaten, wordt de volledige verantwoordelijkheid voor de bescherming van grondrechten uitsluitend bij de uitvoerende autoriteiten gelegd34., die zich daar in sommige gevallen wel en in andere gevallen niet bewust van zullen zijn.
85.
Een dergelijk spel ‘Russische roulette’ met individuele rechten is volgens mij conceptueel volstrekt onverenigbaar met de benadering waarop het stelsel van wederzijdse erkenning is gebaseerd. De uitvaardigende autoriteit is zich er in dat geval immers van bewust dat het uitgevaardigde EOB grondrechten schendt, maar laat het eenvoudigweg over aan de waakzaamheid van de uitvoerende autoriteit om die inbreuk op te sporen, hetgeen tot een selectieve eerbiediging van de grondrechten van de bij het proces betrokken personen leidt.35.
86.
Niet alleen schuift een dergelijke Russische roulette de verantwoordelijkheid voor het opsporen van de inbreuk af op de uitvoerende lidstaat, zij maakt verder de uitvoerende lidstaat ook mogelijk medeplichtig aan die inbreuken indien hij er niet in slaagt ze op te sporen en te voorkomen. Aldus lopen de betrokken lidstaten het risico dat zij de door het EHRM in het arrest Avotiņš36. gestelde eisen niet in acht nemen en aldus op grond van het internationale recht aansprakelijk kunnen worden gesteld.37.
87.
Het arrest Avotiņš en de rechtspraak van dit Hof betreffende de mogelijke weigering van erkenning of tenuitvoerlegging van een handeling van een uitvaardigende staat in de uitvoerende lidstaat38. hebben immers betrekking op structurele tekortkomingen of structurele gebreken in de uitvaardigende staat die bepaalde gevolgen kunnen hebben in de uitvoerende lidstaat.
88.
Ik zie echter, of eerder a fortiori, niet in waarom die gevolgen, indien daarin wordt voorzien voor tekortkomingen op macroniveau (structurele tekortkomingen) — namelijk wanneer het gehele stelsel disfunctioneel wordt39.—, alsmede voor wat men als gebreken op specifieke gebieden kan beschouwen40., niet aan de orde zouden zijn voor wat louter als tekortkomingen op microniveau kan worden aangemerkt, dat wil zeggen gebreken die alleen met betrekking tot specifieke procedurele aspecten worden vastgesteld.
89.
Indien het uitgangspunt is dat de uitvoerende lidstaat vanaf een bepaald punt niet meer verplicht is om uit bepaalde uitvaardigende lidstaten afkomstige handelingen te erkennen of ten uitvoer te leggen41., is het dan verder niet ook inherent aan die vaststelling dat de uitvaardigende lidstaat, wanneer hij ervan op de hoogte is dat hij de regels schendt, moet worden belet gebruik te maken van een stelsel van justitiële samenwerking waarvan hij de toelatingsvoorwaarden niet meer vervult?
90.
In zekere zin is een dergelijke slotsom niet alleen inherent aan de benadering waarop het stelsel is gebaseerd, maar ook veel evenrediger. Is het, in plaats van het gehele stelsel van justitiële samenwerking (en alle individuele actoren in de lidstaat) te belasten met de taak om in elk afzonderlijk geval steeds opnieuw na te gaan of gronden voor weigering van erkenning en tenuitvoerlegging van een EOB zijn aangevoerd, niet redelijker om de als problematisch vastgestelde en erkende bron tijdelijk te schorsen, zodat zij eerst in overeenstemming kan worden gebracht met de minimumnormen alvorens opnieuw te worden toegelaten? Een dergelijke oplossing lijkt des te meer gerechtvaardigd, aangezien het in het geval van gebrekkige regeling op een specifiek gebied met betrekking tot slechts één kwestie, anders dan in een situatie waarin moet worden aangetoond dat de mogelijke structurele tekortkoming een bedreiging vormt voor de individuele situatie van de betrokkene42., duidelijk is dat het niet mogelijk is om een rechtmatige handeling uit te vaardigen. Alle uitgevaardigde handelingen zullen per definitie gebrekkig zijn, aangezien de wetgeving op grond waarvan zij zijn uitgevaardigd, zelf onrechtmatig was.
91.
Kortom, wie gebruik wil maken van het stelsel van justitiële samenwerking en wederzijdse erkenning in het kader van richtlijn 2014/41 of in het kader van welk ander instrument van justitiële samenwerking en wederzijdse erkenning dan ook moet, metaforisch gesproken, schone handen hebben, of beter gezegd, mag niet opzettelijk vuile handen hebben. De niet-naleving van die herhaaldelijk erkende en systematisch benadrukte regel van elementaire hygiëne kan er inderdaad toe leiden dat die persoon wordt verzocht zich te verwijderen en pas terug te komen nadat hij zeep heeft gevonden en de nodige procedures heeft gevolgd.
92.
Wat de specifieke context van de onderhavige zaak betreft, heeft het EHRM, zoals hierboven aangegeven, in de zaak Posevini43. en in eerdere arresten geoordeeld dat Bulgarije de verplichting om te voorzien in een daadwerkelijk rechtsmiddel in de zin van artikel 13 EVRM niet nakomt wegens het ontbreken van een procedure waarmee de rechtmatigheid van een bevel tot doorzoeking en inbeslagneming kan worden aangevochten of waarmee een passende genoegdoening kan worden verkregen.44. Zoals in die arresten is verklaard, heeft de Bulgaarse regering dat verzuim in feite erkend en heeft zij zich er tegenover het Comité van Ministers toe verbonden om de situatie te verhelpen45., maar tot dusver zonder resultaat, zoals ook in de verwijzingsbeslissing in de onderhavige zaak is aangegeven.
93.
Kortom, zolang dit verzuim van de nationale wetgever niet is verholpen, mogen de autoriteiten van de betrokken lidstaat inderdaad geen EOB uitvaardigen dat automatisch en onvermijdelijk dezelfde schending van de grondrechten meebrengt die het EHRM reeds heeft vastgesteld.
94.
Ik merk op dat een soortgelijk probleem niet is vastgesteld met betrekking tot een beslissing waarbij een getuigenverhoor wordt gelast. In dit verband ben ik het met de Franse en de Oostenrijkse regering eens dat het in essentie niet waarschijnlijk is dat een verhoor van een getuige op zich zal leiden tot een even zware inmenging in de fundamentele vrijheden van een persoon als een bevel tot doorzoeking en inbeslagneming.
95.
Voorts bevat artikel 24 van richtlijn 2014/41 een gedetailleerde regeling voor het verhoor van een getuige per videoconferentie of met andere audiovisuele transmissiemiddelen. Daarnaast maakt artikel 25 het mogelijk om een getuige per telefoonconferentie te horen. Die bepalingen bevatten specifieke waarborgen, waaronder een in artikel 24, lid 2, van die richtlijn neergelegde grond voor weigering van erkenning of tenuitvoerlegging, de in artikel 24, lid 5, onder a), van die richtlijn neergelegde verplichting voor de uitvoerende autoriteit om de ‘fundamentele beginselen van het recht van de uitvoerende staat’ toe te passen en de in artikel 24, lid 5, onder e), van die richtlijn neergelegde verplichting om informatie te verstrekken over procedurele rechten, daaronder begrepen het verschoningsrecht.
96.
Desalniettemin ben ik niet van mening dat het beperken van de oplossing in de onderhavige zaak tot de bevelen tot doorzoeking en inbeslagneming een structurele oplossing kan bieden voor een mogelijk open lijst van eventuele inbreuken op grondrechten. Verschillende onderzoeksmaatregelen kunnen, zoals reeds is opgemerkt, inmengingen van verschillende gradaties en intensiteit inhouden. Vanuit die invalshoek lijkt het moeilijk om in abstracto een lijn te trekken die aangeeft dat een bepaalde onderzoeksmaatregel nooit problematisch kan zijn.
97.
Wat het specifieke verhoor van een getuige betreft, kan weliswaar worden gesteld dat het een eerder ‘milde’ inmenging in iemands persoonlijke levenssfeer is, maar het kan niet worden uitgesloten dat het verhoor van een specifieke getuige in een specifieke situatie niettemin kan leiden tot een schending van beschermde individuele rechten, zoals de rechten van kwetsbare personen wier specifieke situatie niet naar behoren in aanmerking is genomen bij de vaststelling van een EOB waarbij een dergelijk verhoor wordt gelast. Indien een dergelijke situatie zich voordoet, moet de betrokkene ook toegang hebben tot rechtsmiddelen waarmee de rechtmatigheid van een dergelijke maatregel kan worden getoetst en een passende genoegdoening kan worden verkregen.
98.
Samengevat is het de plicht van de uitvaardigende autoriteiten om ervoor te zorgen dat hun eigen handelingen niet door onrechtmatigheden zijn aangetast ten gevolge van de niet-naleving van de minimumnormen van het EVRM wanneer die handelingen in het stelsel van richtlijn 2014/41 terechtkomen.
V. Conclusie
99.
Ik geef het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de Spetsializiran nakazatelen sad te beantwoorden als volgt:
‘Artikel 14, lid 1, en artikel 1, lid 4, van richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en artikel 4, lid 3, VEU, verzetten zich tegen de situatie waarin een nationale regeling niet voorziet in een rechtsmiddel tegen de uitvaardiging van een Europees onderzoeksbevel indien de uitvaardiging van een dergelijk bevel automatisch en onvermijdelijk leidt tot dezelfde schending van de door het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens gewaarborgde minimumnormen die reeds door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is vastgesteld. Die bepalingen staan er ook aan in de weg dat onder die omstandigheden een Europees onderzoeksbevel wordt uitgevaardigd.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 29‑04‑2021
Oorspronkelijke taal: Engels.
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 (PB 2014, L 130, blz. 1).
Arrest van 24 oktober 2019 (C-324/17, EU:C:2019:892).
Conclusie van advocaat-generaal Bot in de zaak Gavanozov (C-324/17, EU:C:2019:312).
Artikel 11, met het opschrift ‘Rechtsmiddelen’, van kaderbesluit 2003/577/JBZ van de Raad van 22 juli 2003 inzake de tenuitvoerlegging in de Europese Unie van beslissingen tot bevriezing van voorwerpen of bewijsstukken (PB 2003, L 196, blz. 45).
Artikel 18, met het opschrift ‘Rechtsmiddelen’, van kaderbesluit 2008/978/JBZ van de Raad van 18 december 2008 betreffende het Europees bewijsverkrijgingsbevel ter verkrijging van voorwerpen, documenten en gegevens voor gebruik in strafprocedures (PB 2008, L 350, blz. 72).
Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 (PB 2018, L 303, blz. 1).
Cursivering van mij.
Daaraan kan worden toegevoegd dat het opschrift in feite luidt ‘Procedures en waarborgen voor de uitvoerende staat’, en niet ‘Procedures en waarborgen in de uitvoerende lidstaat’. Het is zeker juist dat een basisrechtsbescherming in de uitvaardigende lidstaat een vorm van waarborg is voor de uitvoerende lidstaat. Cursivering van mij.
Arrest van 8 december 2020, Staatsanwaltschaft Wien (Vervalste overschrijvingsorders) (C-584/19, EU:C:2020:1002, punt 39).
Ibid., punt 40.
Net zoals in het kaderbesluit betreffende het Europees bewijsverkrijgingsbevel, waarin de verplichting tot gelijkwaardigheid, in artikel 18, lid 2, met betrekking tot rechtsmiddelen, uitdrukkelijk aan de uitvaardigende staat is opgelegd. Zie voetnoot 6 hierboven.
Zie ook arrest van 8 december 2020, Staatsanwaltschaft Wien (Vervalste overschrijvingsorders) (C-584/19, EU:C:2020:1002, punt 60).
Initiatief van het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Republiek Estland, het Koninkrijk Spanje, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Slovenië en het Koninkrijk Zweden voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken — Toelichting (PB 2010, C 165, blz. 22) (document van de Raad 9288/10 ADD 1 van 3 juni 2010).
Zie artikel 34 van richtlijn 2014/41, dat bepaalt dat richtlijn 2014/41 de overeenkomstige bepalingen vervangt van het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken van de Raad van Europa van 20 april 1959, alsmede de twee aanvullende protocollen, en de overeenkomstig artikel 26 van dat verdrag gesloten bilaterale overeenkomsten; de Overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord; de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie en het bijbehorende protocol; kaderbesluit 2003/577 en kaderbesluit 2008/978. Zie voetnoten 5 en 6 hierboven.
Met uitzondering van de gemeenschappelijke onderzoeksteams, die geregeld blijven bij kaderbesluit 2002/465/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 inzake gemeenschappelijke onderzoeksteams (PB 2002, L 162, blz. 1).
Zie hoofdstuk IV van richtlijn 2014/41 inzake ‘Specifieke bepalingen voor bepaalde onderzoeksmaatregelen’, bijvoorbeeld met betrekking tot de tijdelijke overbrenging van personen in hechtenis, verhoor per video- of teleconferentie, het verkrijgen van inlichtingen over bankrekeningen en andere financiële rekeningen of over bancaire en andere financiële operaties, of infiltratieoperaties. Hoofdstuk V heeft betrekking op de interceptie van telecommunicatie.
Zie voetnoten 5 en 6 hierboven.
Arrest van 8 december 2020, Staatsanwaltschaft Wien (Vervalste overschrijvingsorders) (C-584/19, EU:C:2020:1002, punt 69).
Zo kan op grond van artikel 10, lid 3, van richtlijn 2014/41 ‘de uitvoerende autoriteit [voorts] besluiten een andere onderzoeksmaatregel dan die welke is aangegeven in het EOB toe te passen, indien de door de uitvoerende autoriteit geselecteerde onderzoeksmaatregel met minder indringende middelen tot hetzelfde resultaat zou leiden als de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregel’. Verder bevatten bepalingen van hoofdstuk IV, waarin verschillende soorten onderzoeksmaatregelen nader worden omschreven, naast de algemene lijst van artikel 11 van richtlijn 2014/41, specifieke gronden voor weigering van erkenning en tenuitvoerlegging.
Arrest van 24 oktober 2019 (C-324/17, EU:C:2019:892, punten 25, 29, 30, 32, 33, 37, 38 en dictum).
EHRM, 19 januari 2017, Posevini tegen Bulgarije (CE:ECHR:2017:0119JUD006363814, § 83–87). Zie ook arresten EHRM van 26 juli 2007, Peev tegen Bulgarije (CE:ECHR:2007:0726JUD006420901, § 70); 22 mei 2008, Ilya Stefanov tegen Bulgarije (CE:ECHR:2008:0522JUD006575501, § 59); 15 oktober 2013, Gutsanovi tegen Bulgarije (CE:ECHR:2013:1015JUD003452910, §§ 234 en 235); 30 september 2014, Prezhdarovi tegen Bulgarije (CE:ECHR:2014:0930JUD000842905, §§ 26–28, 30 en 31 en 49–52); 16 februari 2016, Govedarski tegen Bulgarije (CE:ECHR:2016:0216JUD003495712, §§ 38–40, en 72–75); 31 maart 2016, Stoyanov e.a. tegen Bulgarije (CE:ECHR:2016:0216JUD003495712, § 152), en 9 juni 2016, Popovi tegen Bulgarije (CE:ECHR:2016:0216JUD003495712, § 122).
Toelichtingen bij het Handvest van de grondrechten (PB 2007, C 303, blz. 17).
EHRM, 22 mei 2008, Ilya Stefanov tegen Bulgarije (CE:ECHR:2008:0522JUD006575501, § 59).
Zie EHRM, 19 januari 2017, Posevini tegen Bulgarije (CE:ECHR:2017:0119JUD006363814, § 84). Zie ook EHRM, 16 februari 2016, Govedarski tegen Bulgarije (CE:ECHR:2016:0216JUD003495712, § 94), waarin het EHRM heeft opgemerkt dat ‘geen enkele bepaling van intern recht [verzoekers] de mogelijkheid biedt om de rechtmatigheid en de noodzaak van doorzoeking van een woning te betwisten […]’. In zijn arrest van 30 september 2014, Prezhdarovi tegen Bulgarije (CE:ECHR:2014:0930JUD000842905, § 50), heeft het EHRM erop gewezen dat het ontbreken van duidelijke regels over de omvang van de rechterlijke toetsing en het ontbreken van de mogelijkheid van een serieuze toetsing van de rechtmatigheid van en de rechtvaardiging voor doorzoeking en inbeslagneming problematisch zijn.
Zie EHRM, 19 januari 2017, Posevini tegen Bulgarije (CE:ECHR:2017:0119JUD006363814, § 85).
Zie mijn conclusie in de zaak El Hassani (C-403/16, EU:C:2017:659, punten 116 en 117 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie impliciet ook arresten van 13 december 2017, El Hassani (C-403/16, EU:C:2017:960, punten 39–41), en 10 maart 2021, Konsul Rzeczypospolitej Polskiej w N. (C-949/19, EU:C:2021:186, punten 45 en 46).
Zie bijvoorbeeld onlangs arresten van 8 december 2020, Staatsanwaltschaft Wien (Vervalste overschrijvingsorders) (C-584/19, EU:C:2020:1002, punt 40), of 10 maart 2021, PI (C-648/20 PPU, EU:C:2021:187, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie bijvoorbeeld advies 2/13 (Toetreding van de Unie tot het EVRM) van 18 december 2014 (EU:C:2014:2454, punt 192). Zie ook arrest van 6 maart 2018, Achmea (C-284/16, EU:C:2018:158, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 6 maart 2018, Achmea (C-284/16, EU:C:2018:158, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zoals in de punten 53 en 54 hierboven is uiteengezet.
Zie bijvoorbeeld arrest van 23 januari 2018, Piotrowski (C-367/16, EU:C:2018:27, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak), waarbij in de context van het Europees aanhoudingsbevel wordt bevestigd dat het in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de uitvaardigende lidstaat is om de eerbiediging van de grondrechten te waarborgen.
Ik ben het in dit verband eens met de conclusie van advocaat-generaal Bot in de zaak Gavanozov (C-324/17, EU:C:2019:312, punten 84–87) dat een dergelijke oplossing niet alleen indruist tegen de algemene opzet van richtlijn 2014/41, maar ook tegen de idee van wederzijds vertrouwen.
Dit alles doet denken aan de fictieve situatie van een autofabrikant die er, hoewel hij zich ervan bewust is dat de voertuigen die hij in het verkeer brengt allemaal een technisch gebrek vertonen, desondanks op vertrouwt dat er niet zo vaak politiecontroles zijn en hoopt dat er niet zo veel verkeersongevallen zullen plaatsvinden die als gevolg van dat technische gebrek tot letsel of schade voor passagiers of andere personen leiden.
EHRM, 23 mei 2016, Avotiņš tegen Letland (CE:ECHR:2016:0523JUD001750207, § 116).
Zie onlangs EHRM, 25 maart 2021, Bivolaru en Moldovan tegen Frankrijk (CE:ECHR:2021:0325JUD004032416).
Arresten van 21 december 2011, N.S. e.a. (C-411/10 en C-493/10, EU:C:2011:865); 5 april 2016, Aranyosi en CĂldĂraru (C-404/15 en C-659/15 PPU, EU:C:2016:198), en 25 juli 2018, Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat) (C-216/18 PPU, EU:C:2018:586).
Arrest van 25 juli 2018, Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat) (C-216/18 PPU, EU:C:2018:586, punten 58–62).
In het kader daarvan is er sprake van een gebrek met betrekking tot bepaalde relevante gebieden, zoals voorwaarden voor personen die internationale bescherming willen verkrijgen — arrest van 21 december 2011, N.S. e.a. (C-411/10 en C-493/10, EU:C:2011:865, punten 89 en 90, 94, 106) — of detentieomstandigheden — arrest van 5 april 2016, Aranyosi en CĂldĂraru (C-404/15 en C-659/15 PPU, EU:C:2016:198, punten 89–94) — zonder dat er in een van die situaties van wordt uitgegaan dat het gehele gerechtelijk apparaat van een bepaalde lidstaat door die gebreken is aangetast.
Onlangs door het Hof opnieuw geformuleerd in het arrest van 17 december 2020, Openbaar Ministerie (Onafhankelijkheid van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit) (C-354/20 PPU en C-412/20 PPU, EU:C:2020:1033), en vervolgens toegepast door de rechtbank Amsterdam in de uitspraak van 10 februari 2021, zaak nr. RK 20/771 13/751021-20, NL:RBAMS:2021:420.
Noodzakelijk in de ‘tweestappentoets’ die zowel een structurele (systemische en algemene) als een individuele afweging met betrekking tot het individuele geval vereist — arrest van 25 juli 2018, Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat) (C-216/18 PPU, EU:C:2018:586, punten 61 en 68), zoals bevestigd in het arrest van 17 december 2020, Openbaar Ministerie (Onafhankelijkheid van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit) (C-354/20 PPU en C-412/20 PPU, EU:C:2020:1033, punten 54 en 55).
EHRM, 19 januari 2017, Posevini tegen Bulgarije (CE:ECHR:2017:0119JUD006363814).
Zie voetnoot 23 hierboven.
Zie EHRM, 19 januari 2017, Posevini tegen Bulgarije (CE:ECHR:2017:0119JUD006363814, § 47).