Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/10.6.3
10.6.3 Uitoefening van andermans vordering
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS584872:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hiervóór nr. 517-520. Bijvoorbeeld, een curator is bevoegd ten aanzien van de rechtsverhoudingen; een pandhouder daarentegen niet; de deelgenoten zijn in beginsel alleen gezamenlijk bevoegd.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 552 en p. 511 e.v.; Van Achterberg 1999, nr. 17; Wibier 2009a, nr. 28; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2009, nr. 265; Losbladige Verbintenissenrecht 2001 (A.I.M. van Mierlo), art. 6:149, aant. 3.
De beheersbevoegdheid van de vruchtgebruiker speelt bij de ontbindingsverklaring (kennelijk) geen rol. De vruchtgebruiker is bevoegd tot ontbinding als dit dienstig kan zijn aan een goed beheer van de vordering (art. 3:210 lid 2 BW). De schuldenaar dient zijn ontbindingsverklaring echter te richten aan de hoofdgerechtigde.
Zie Polak/Wessels IV 2008, nr. 4384; Kortmann & Faber 1995, p. 234. Hetzelfde geldt naar mijn mening voor de vereffenaar en de executeur.
627. Om de betekenis van de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW voor de rechtspositie van de schuldenaar te achterhalen, dient te worden vastgesteld wat de positie van de schuldenaar zou zijn geweest zonder deze bepaling. Het is de vraag in hoeverre de toekenning van de inningsbevoegdheid aan de stille cedent van invloed is op de bevoegdheden van de schuldenaar. Deze deelvraag wordt beantwoord aan de hand van een analyse van de vergelijkbare rechtsfiguren waarbij een derde inningsbevoegd is ten aanzien van andermans vordering.
Bij de uitoefening van de vordering door een derde blijven de schuldenaar en de schuldeiser partij bij de rechtsverhouding uit overeenkomst op grond waarvan de vordering is ontstaan. Is de derde niet ook bevoegd ten aanzien van de overeenkomst,1 dan dient de schuldenaar zijn bevoegdheden met betrekking tot de onderliggende rechtsverhouding jegens de schuldeiser uit te oefenen. Zijn bevoegdheden ondergaan in beginsel geen verandering doordat een derde inningsbevoegd is geworden ten aanzien van de vordering uit de overeenkomst.
Art. 6:149 lid 1 en lid 2 BW zijn van overeenkomstige toepassing ter zake van de uitoefening van een bevoegdheid van de schuldenaar tot vernietiging of ontbinding, nadat op de vordering met mededeling aan hem een beperkt recht is gevestigd (art. 6:149 lid 3 BW).2 De schuldenaar dient de vernietigings- of ontbindingsverklaring aan de schuldeiser te richten, en dient daarvan zo spoedig mogelijk mededeling te doen aan de pandhouder dan wei vruchtgebruiker, tenzij de vernietiging of ontbinding niet aan deze kan worden tegengeworpen.3 Is sprake van een stil pandrecht, dan behoeft de schuldenaar geen mededeling te doen aan de pandhouder. Als de vordering door de ontbinding of de vernietiging is tenietgegaan, kan de schuldenaar dit aan de inningsbevoegde pandhouder dan wel vruchtgebruiker als verweermiddel tegenwerpen.
Art. 6:149 lid 1 jo lid 3 BW leent zich voor overeenkomstige toepassing bij die rechtsvormen waarbij de inningsbevoegde derde niet bevoegd is om namens de schuldeiser verklaringen, zoals een ontbindingsverklaring of een vernietigingsverklaring, in ontvangst te nemen (art. 3:60 lid 2 BW), zoals bij derdenbeslag en een (privatieve) last tot inning in eigen naam. In faillissement dient de wederpartij de ontbindings,- opzeggings-en vemietigingsverklaringen aan de curator te richten, in plaats van aan de gefailleerde (art. 99 lid2 Fw).4
Wordt de schuldenaar in rechte aangesproken door de pandhouder of vruchtgebruiker, dan kan hij alleen in een afzonderlijke procedure de overeenkomst in rechte laten ontbinden of vernietigen. Is de rechtsvordering tot ontbinding of vernietiging verjaard, dan kan de schuldenaar als verweer een beroep doen op de ontbinding dan wei de vernietiging van de overeenkomst jegens de inningsbevoegde pandhouder of vruchtgebruiker, indien hij in rechte door deze wordt aangesproken. De schuldenaar dient daarvan mededeling te doen aan de schuldeiser (art. 6:149 lid 2 jo lid 3 BW). Art. 6:149 lid 2 jo lid 3 BW leent zich voor overeenkomstige toepassing op andere rechtsvormen waarbij een derde inningsbevoegd ten aanzien van een vordering, waaronder een (privatieve) last tot inning.