Het procesdossier uit de aanwijzingsprocedure is niet in het geding gebracht, behoudens het vonnis van de rechtbank Alkmaar van 12 december 2012 (prod. 2 bij inl. dagv.), het p-v van 24 oktober 2013 (prod. A bij brief van 28 november 2014) en het arrest van het hof Amsterdam van 15 april 2014 (prod. 3 bij inl. dagv.).
HR, 11-03-2016, nr. 15/04935
ECLI:NL:HR:2016:398
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
11-03-2016
- Zaaknummer
15/04935
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2016:398, Uitspraak, Hoge Raad, 11‑03‑2016; (Cassatie, Artikel 80a RO-zaken)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2015:3498, Niet ontvankelijk
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:2, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2016:2, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 15‑01‑2016
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:398, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 11‑03‑2016
Partij(en)
11 maart 2016
Eerste Kamer
15/04935
EE/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser] ,wonende te [woonplaats] ,
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P.S. Kamminga,
t e g e n
[verweerder] ,wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerder] .
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak C/14/158246/KG ZA 14-365 van de rechtbank Noord-Holland van 16 december 2014;
b. het arrest in de zaak 200.163.493/01 KG van het gerechtshof Amsterdam van 25 augustus 2015.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerder] is verstek verleend.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a lid 1 RO.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 29 januari 2016 op dat standpunt gereageerd.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 29 januari 2016 op dit standpunt gereageerd.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 3-10).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 11 maart 2016.
Conclusie 15‑01‑2016
Inhoudsindicatie
Art. 80a lid 1 RO. Goederenrecht. Burenrecht. Belemmering doorgang langs door rechter aangewezen noodweg (art. 5:57 BW).
15/04935
Mr. E.B. Rank-Berenschot
Zitting: 15 januari 2016
CONCLUSIE inzake art. 80a RO
[eiser],
eiser tot cassatie,
adv: mr. P.S. Kamminga
tegen:
[verweerder],
verweerder in cassatie,
niet verschenen
1. Deze burenrechtelijke zaak betreft een vordering in kort geding van [verweerder] om – zakelijk weergegeven – [eiser] te veroordelen om [verweerder], althans de bewoners van het [verweerder] toebehorende perceel [a-straat] te [plaats], de vrije en onbelemmerde doorgang te verlenen tot het door de rechter als noodweg aangewezen pad over het aan [eiser] toebehorende perceel [b-straat] en [eiser] en de zijnen te verbieden op welke wijze dan ook de vrije doorgang te belemmeren en te blokkeren, op verbeurte van een dwangsom. Bij vonnis van 16 december 2014 heeft de voorzieningenrechter die vordering toegewezen, met dien verstande dat de voorzieningenrechter [eiser] wel heeft toegestaan om ten behoeve van in- en uitladen maximaal twee keer per dag gedurende maximaal 5 minuten zijn auto op de noodweg te plaatsen. Op het hoger beroep van [eiser] heeft het gerechtshof Amsterdam bij arrest van 25 augustus 2015 het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en [eiser] verboden om onmiddellijk na betekening van het arrest een auto te (doen) parkeren op het tot noodweg aangewezen pad, op straffe van een dwangsom van € 500,-- voor iedere overtreding van dat verbod. [eiser] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. [verweerder] is niet verschenen; tegen hem is verstek verleend.
2. De aangevoerde klachten kunnen naar mijn oordeel geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat deze klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Dat laat zich als volgt toelichten.
3. Middelonderdeel 1.1 komt met een motiveringsklacht op tegen rov. 3.2-3.3 van ’s hofs arrest, waarin het hof de grief verwerpt dat [verweerder] geen eigen (spoedeisend) belang heeft bij de door hem gevorderde voorziening (grief 2) en daartoe overweegt dat [verweerder] eigenaar is van het perceel ten behoeve waarvan de noodweg is aangewezen en dat tot de uitoefening van het eigendomsrecht ook het recht van [verweerder] behoort om de woning aan anderen in gebruik te geven, waartoe noodzakelijk is dat die anderen de woning via de noodweg kunnen bereiken.
Dit onderdeel faalt. De verwerping van de grief is voldoende gemotiveerd. Het hof heeft het spoedeisend belang aangenomen op voormelde zelfstandige grond en het behoefde daarbij niet in te gaan op de door het onderdeel genoemde stellingen waarmee [eiser] zich keerde tegen een door de voorzieningenrechter gehonoreerde aanvullende grond – de wens om de woning te verkopen en het verkrijgen van duidelijkheid over de juridische status van het pad – welke door [verweerder] was aangevoerd ter onderbouwing van het spoedeisend belang.
4. Middelonderdeel 1.2 klaagt dat genoemde overweging van het hof in rov. 3.3 niet de gegeven beslissing tot verwerping van grief 2 draagt, niet met zich brengt dat sprake is van een belang van [verweerder] in de zin van art. 3:303 BW en aldus getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. De beslissing is volgens het onderdeel tevens onvoldoende gemotiveerd nu het hof niet kenbaar is ingegaan op de stellingen van [eiser] (grief 2) dat de feitelijke gebruiker van het perceel zelf voor zijn belangen kan opkomen door aanwijzing als noodweg en dat door [verweerder] niet is gesteld danwel aannemelijk is gemaakt dat hij met de feitelijke gebruiker in een zodanige rechtsverhouding staat dat [verweerder] voor diens belangen heeft op te komen.
Ook dit onderdeel faalt. Het hof heeft niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en zijn beslissing is niet onvoldoende gemotiveerd. De aanwezigheid van een belang aan de zijde van de gebruiker (op basis waarvoor deze eventueel zelf zou kunnen ageren) laat onverlet (het oordeel) dat [verweerder] als eigenaar (ook) een eigen spoedeisend belang heeft bij de door hem gevorderde voorziening nu de eigenaar het recht heeft de woning aan anderen in gebruik te geven waartoe – zoals het hof in cassatie onbestreden heeft vastgesteld – noodzakelijk is dat die anderen de woning via de noodweg kunnen bereiken.
5. Middelonderdeel 2 klaagt dat het hof in rov. 3.5 heeft miskend dat – zoals aangevoerd in grief 3 – eerst sprake is van een aanwijzing als noodweg met werking rechtens, nadat een (immers: “vooraf te betalen of te verzekeren”) schadevergoeding als bedoeld in artikel 5:57 lid 1 BW is vastgesteld. Het oordeel van het hof is althans onvoldoende gemotiveerd nu het niet heeft aangegeven waarom voorbijgegaan kon worden aan het beroep op het voorschrift in artikel 5:57 lid 1 BW – het vooraf betaald of verzekerd zijn van schadevergoeding – danwel dat voorschrift geen betekenis zou hebben in het kader van de vraag of een aanwijzing tot noodweg rechtens werking heeft.
6. Dit middelonderdeel faalt. Daargelaten dat gesteld noch gebleken is1.dat [eiser] zijn verweer in conventie en vordering in reconventie in de procedure tot aanwijzing van de noodweg aldus heeft ingericht dat rechtens eerst sprake is van aanwijzing van een noodweg indien en nadat een schadevergoeding is vastgesteld, stuit het onderdeel overigens af op de deeluitspraken in die procedure waarbij door de rechtbank respectievelijk het hof een noodweg op het perceel van [eiser] is aangewezen, welke deeluitspraken kracht van gewijsde hebben verkregen. Dat in de aanwijzingsprocedure nog moest worden beslist over de aanspraak op schadevergoeding van [eiser] doet daaraan niet af, zoals het hof in rov. 3.5 van zijn thans bestreden arrest terecht heeft geoordeeld. Het middelonderdeel komt voorts niet op tegen de feitenvaststelling in rov. 2.3-2.4 van het arrest, zodat het om die reden belang mist.
7. Middelonderdeel 3 richt zich tegen rov. 3.6-3.9 van het arrest, waarin het hof de grieven 4, 5 en 6 verwerpt. Het klaagt ten eerste dat ’s hofs uitleg van de stellingen van [eiser] onbegrijpelijk is waar het hof vaststelt (rov. 3.8) dat [eiser] zich op het standpunt stelt “dat hem desondanks (in weerwil van de noodweg, A-G) op grond van zijn eigendomsrecht het onbelemmerd gebruik van het pad toekomt en dat het hem daarom dus ook is toegestaan om zijn auto op het pad te parkeren.” Daartoe wordt aangevoerd dat [eiser] zich in feitelijke instanties op het standpunt heeft gesteld dat het uitsluitend gebruiksrecht van [eiser] als eigenaar van [b-straat] (art. 5:1 lid 2 BW) slechts wordt beperkt door het gebruik van het pad als noodweg in de zin van art. 5:57 lid 1 BW, dat wil zeggen met zo min mogelijk overlast voor het bezwaarde erf (lid 3). Het arrest is onbegrijpelijk gemotiveerd nu deze stelling niet in de oordeelsvorming is betrokken, zo luidt de tweede klacht.
8. Laatstgenoemde klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft in rov. 3.6 opgetekend dat [eiser] zich op het standpunt stelt dat hij bij de uitoefening van zijn eigendomsrecht zo weinig mogelijk hinder dient te ondervinden van de noodweg, waarna het hof in rov. 3.7 oordeelt dat de beslissing van de voorzieningenrechter een aan [eiser] opgelegde beperking inhoudt die verder gaat dan noodzakelijk is in het kader van het gebruik als noodweg. In rov. 3.8 richt het hof zich vervolgens op de specifieke vraag of het [eiser] is toegestaan om zijn auto op het pad te parkeren nu dit in het verleden aanleiding heeft gegeven tot incidenten, waarop het hof tot het (geclausuleerde) oordeel komt dat het [eiser] niet is toegestaan de doorgang over het pad te versperren door het (doen) parkeren van een auto en in het dictum een verbod met die strekking geeft.
Hieruit volgt reeds dat ook de eerstgenoemde motiveringsklacht faalt. Bovendien is ’s hofs weergave van het standpunt van [eiser] in rov. 3.8 niet onbegrijpelijk in het licht van diens stelling dat de bewoners van [a-straat] tijdig opgave moeten doen van het gebruik van de noodweg, in verband waarmee [eiser] ‘zonodig zijn auto zal wegzetten’ (pleitaantekeningen mr. P.S. Kamminga tevens houdende conclusie van antwoord, nr. 39).
9. Middelonderdeel 4 richt zich (gelet op het ontbreken van een rov. 4.4 in het arrest enerzijds en op de inhoud van de klacht anderzijds2.) klaarblijkelijk tegen rov. 4.4 van het vonnis van de voorzieningenrechter d.d. 16 december 2014 en treft reeds om die reden geen doel.
10. Middelonderdeel 5 bouwt voort op de voorgaande onderdelen en faalt dus eveneens.
11. De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 15‑01‑2016
Zie o.m. de verwijzing naar de vermeende overweging van het hof dat bij de aanwijzing van het pad als noodweg reeds een belangenafweging heeft plaatsgevonden (cassatiedagvaarding, p. 10 bovenaan), welke overweging in werkelijkheid wordt aangetroffen in rov. 4 4 van het vonnis van de voorzieningenrechter.