HR, 15-10-2013, nr. 12/02007
ECLI:NL:HR:2013:965
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
15-10-2013
- Zaaknummer
12/02007
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:965, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 15‑10‑2013; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:971, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2013:971, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 27‑08‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:965, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 15‑10‑2013
Inhoudsindicatie
HR: art. 81.1 RO.
Partij(en)
15 oktober 2013
Strafkamer
nr. S 12/02007
CeH/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 24 november 2011, nummer 23/005317-09, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. E.A.A. Charry, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De waarnemend Advocaat-Generaal J. Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 oktober 2013.
Conclusie 27‑08‑2013
Inhoudsindicatie
HR: art. 81.1 RO.
Nr. 12/02007
Mr. Wortel
Zitting 27 augustus 2013
conclusie inzake:
[verdachte]
1.1 Namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld tegen een op 24 november 2011 uitgesproken arrest van het Gerechtshof Amsterdam, waarbij de verdachte wegens 'medeplegen van poging tot zware mishandeling’ is veroordeeld tot 2 maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en 30 uren werkstraf, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 dagen hechtenis, met bijkomende beslissingen als in het arrest vermeld.
1.2 Namens de verdachte heeft mr. E.A.A. Charry, advocaat te Amsterdam, middelen van cassatie voorgesteld.
2.1 Het eerste middel klaagt dat het Hof de verdachte ten onrechte heeft aangemerkt als medepleger van de poging tot zware mishandeling van [betrokkene].
Het kan zo zijn dat - zoals in de toelichting wordt betoogd - getuigen wier verklaringen voor het bewijs zijn gebezigd op enig moment in het onderzoek niet voor het bewijs gebezigde afwijkende verklaringen hebben afgelegd die voor de verdachte gunstiger zijn, en dat die verklaringen in de visie van de verdediging veel betrouwbaarder zijn, maar dat is in cassatie geen punt van onderzoek meer. Daarmee zou immers het aan de feitenrechter voorbehouden domein van selectie en waardering van het voorhanden bewijsmateriaal worden betreden. Dat valt buiten de mogelijkheden van de cassatierechter. Voor het overige geldt dat het middel faalt omdat het bewezenverklaarde uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
2.2 Ook het tweede middel, dat klaagt over de (gedeeltelijke) verwerping van het beroep op noodweer, is tevergeefs voorgesteld. In de toelichting op dit middel wordt eveneens een beroep gedaan op verklaringen die door het Hof terzijde zijn geschoven, zodat ook voor dit middel geldt dat het de selectie- en waarderingsvrijheid van de feitenrechter miskent. Voor het overige geldt dat de verwerping van het beroep op noodweer op grond van de door het Hof vastgestelde feiten en omstandigheid niet getuigt van een onjuiste opvatting en niet onbegrijpelijk is.
Het middel faalt.
3.1 De middelen lenen zich voor toepassing van art. 81 RO.
3.2 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
wnd A-G