Procestaal: Duits.
HvJ EU, 06-09-2012, nr. C-544/10
ECLI:EU:C:2012:526
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
06-09-2012
- Magistraten
K. Lenaerts, J. Malenovský, R. Silva de Lapuerta, E. Juhász, D. Šváby
- Zaaknummer
C-544/10
- LJN
BX7400
- Roepnaam
Deutsches Weintor eG/Land Rheinland-Pfalz
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2012:526, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 06‑09‑2012
Uitspraak 06‑09‑2012
K. Lenaerts, J. Malenovský, R. Silva de Lapuerta, E. Juhász, D. Šváby
Partij(en)
In zaak C-544/10,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesverwaltungsgericht (Duitsland) bij beslissing van 23 september 2010, ingekomen bij het Hof op 23 november 2010, in de procedure
Deutsches Weintor eG
tegen
Land Rheinland-Pfalz,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, J. Malenovský (rapporteur), R. Silva de Lapuerta, E. Juhász en D. Šváby, rechters,
advocaat-generaal: J. Mazák,
griffier: A. Impellizzeri, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 19 januari 2012,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Deutsches Weintor eG, vertegenwoordigd door H. Eichele en B. Goebel, Rechtsanwälte,
- —
Land Rheinland-Pfalz, vertegenwoordigd door C. Grewing als gemachtigde,
- —
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek en D. Hadroušek als gemachtigden,
- —
de Estse regering, vertegenwoordigd door M. Linntam als gemachtigde,
- —
de Franse regering, vertegenwoordigd door G. de Bergues, B. Cabouat en R. Loosli-Surrans, als gemachtigden,
- —
de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door M. Z. Fehér en K. Szíjjártó als gemachtigden,
- —
de Finse regering, vertegenwoordigd door H. Leppo als gemachtigde,
- —
het Europees Parlement, vertegenwoordigd door I. Anagnostopoulou en E. Waldherr als gemachtigden,
- —
de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door M. Simm als gemachtigde,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Pignataro-Nolin en S. Grünheid als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 29 maart 2012,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 2, lid 2, punt 5, en 4, lid 3, eerste alinea, van verordening (EG) nr. 1924/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen (PB L 404, blz. 9), zoals laatstelijk gewijzigd bij verordening (EU) nr. 116/2010 van de Commissie van 9 februari 2010 (PB L 37, blz.16, hierna: ‘verordening nr. 1924/2006’). Het verzoek heeft tevens betrekking op de geldigheid van deze bepalingen uit het oogpunt van de artikelen 15, lid 1, en 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het ‘Handvest’).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Deutsches Weintor eG (hierna: ‘Deutsches Weintor’), een Duitse wijnbouwcoöperatie, en de in het Land Rheinland-Pfalz met het toezicht op de handel in alcoholhoudende dranken belaste diensten over de omschrijving van een wijn als ‘licht verteerbaar’ met vermelding van een verlaagde zuurgraad.
Toepasselijke bepalingen
3
De punten 1 tot en met 3, 5, 10, 14 tot en met 16 en 18, van verordening nr. 1924/2006 bepalen:
- ‘(1)
Er komen in de Gemeenschap steeds meer levensmiddelen waarvoor op het etiket of in reclameboodschappen voedings- en gezondheidsclaims worden gedaan. Om een hoog beschermingsniveau voor de consumenten te waarborgen en hun keuze te vergemakkelijken, dienen de in de handel gebrachte producten, met inbegrip van de geïmporteerde producten, veilig en naar behoren geëtiketteerd te zijn. Een afwisselende en evenwichtige voeding is een voorwaarde voor een goede gezondheid en de afzonderlijke producten hebben een relatieve invloed op de totale voeding.
- (2)
Verschillen tussen de nationale bepalingen met betrekking tot dergelijke claims kunnen het vrije verkeer van levensmiddelen belemmeren en tot ongelijke concurrentievoorwaarden leiden. Aldus hebben zij rechtstreekse gevolgen voor de werking van de interne markt. Het is derhalve noodzakelijk communautaire voorschriften voor het gebruik van voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen vast te stellen.
- (3)
Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten inzake de etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame [(PB L 109, blz. 29)], bevat algemene voorschriften inzake etikettering. Richtlijn 2000/13/EG bevat een algemeen verbod op informatie waardoor de koper wordt misleid of waarin aan levensmiddelen een geneeskrachtige werking wordt toegeschreven. Deze verordening dient de algemene beginselen van richtlijn 2000/13/EG aan te vullen en te voorzien in specifieke bepalingen betreffende het gebruik van voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen die als zodanig aan de consument worden geleverd.
[…]
- (5)
Generieke omschrijvingen (benamingen) die traditioneel worden gebruikt om een eigenschap aan te geven van een categorie levensmiddelen of dranken die een effect kunnen hebben op de gezondheid, zoals ‘spijsverteringsbevorderend’ of ‘hoestbonbons’, dienen van deze verordening te worden uitgezonderd.
[…]
- (10)
Wanneer levensmiddelen met claims worden aangeprezen, kan bij de consument de indruk ontstaan dat zij in nutritioneel, fysiologisch of een ander met de gezondheid verband houdend opzicht beter zijn dan soortgelijke of andere stoffen waar dergelijke nutriënten niet aan toegevoegd zijn. Dit kan de consument ertoe brengen keuzes te maken die zijn totale inname van nutriënten of andere stoffen beïnvloeden op een wijze die strijdig is met de wetenschappelijke adviezen. Om dit eventuele ongewenste effect tegen te gaan, moeten bepaalde beperkingen worden opgelegd ten aanzien van producten met claims. […]
[…]
- (14)
In de etikettering van en de reclame voor levensmiddelen worden in sommige lidstaten momenteel allerlei claims gebruikt betreffende stoffen waarvan niet bewezen is dat zij heilzaam zijn of waarover nog onvoldoende wetenschappelijke overeenstemming bestaat. Er moet voor worden gezorgd dat de stoffen waarvoor een claim wordt gedaan, een bewezen heilzaam nutritioneel of fysiologisch effect hebben.
- (15)
Om te waarborgen dat de gedane claims waarheidsgetrouw zijn, moet de stof waarvoor de claim wordt gedaan in het eindproduct in voldoende hoeveelheid aanwezig, respectievelijk afwezig of tot een voldoende laag niveau beperkt zijn, om het geclaimde nutritionele of fysiologische effect te bereiken. Ook moet de stof door het lichaam kunnen worden gebruikt. […]
- (16)
Claims inzake levensmiddelen moeten voor de consument begrijpelijk zijn en alle consumenten moeten tegen misleidende claims worden beschermd. […]
[…]
- (18)
Een voedings- of gezondheidsclaim is niet toelaatbaar indien hij indruist tegen de algemeen aanvaarde voedings- en gezondheidsbeginselen, of indien daarmee overmatige consumptie van levensmiddelen wordt aangemoedigd of gedoogd, of het belang van goede eetgewoonten geminimaliseerd wordt.’
4
Het onderwerp en toepassingsgebied van verordening nr. 1924/2006 worden in artikel 1 ervan als volgt uiteengezet:
- ‘1.
Deze verordening harmoniseert de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten met betrekking tot voedings- en gezondheidsclaims, teneinde de goede werking van de interne markt te waarborgen en tevens een hoog niveau van consumentenbescherming te verwezenlijken.
- 2.
Deze verordening is van toepassing op voedings- en gezondheidsclaims die in commerciële mededelingen worden gedaan, hetzij in de etikettering en presentatie van levensmiddelen, hetzij in de daarvoor gemaakte reclame, indien het gaat om levensmiddelen die bestemd zijn om als zodanig aan de eindverbruiker te worden geleverd.
[…]’
5
Artikel 2 van verordening nr. 1924/2006 bevat de volgende definities:
- ‘1.
Voor de toepassing van deze verordening:
- a)
gelden de definities van ‘levensmiddel’, ‘exploitant van een levensmiddelenbedrijf’, ‘in de handel brengen’ en ‘eindverbruiker’ van respectievelijk artikel 2 en artikel 3, punten 3, 8 en 18, van verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden [(PB L 31, blz. 1)];
[…]
- 2.
Daarnaast zijn de volgende definities van toepassing:
- 1)
claim: elke boodschap of aanduiding die niet verplicht is op grond van de communautaire of nationale wetgeving, met inbegrip van illustraties, grafische voorstellingen of symbolen, ongeacht de vorm, waarmee gesteld, de indruk gewekt of geïmpliceerd wordt dat een levensmiddel bepaalde eigenschappen heeft;
[…]
- 4)
voedingsclaim: een claim die stelt, de indruk wekt of impliceert dat een levensmiddel bepaalde heilzame voedingseigenschappen heeft […]
- 5)
gezondheidsclaim: een claim die stelt, de indruk wekt of impliceert dat er een verband bestaat tussen een levensmiddelencategorie, een levensmiddel of een bestanddeel daarvan en de gezondheid;
- 6)
claim inzake ziekterisicobeperking: een claim die stelt, de indruk wekt of impliceert dat de consumptie van een levensmiddelencategorie, een levensmiddel of een bestanddeel daarvan een risicofactor voor het ontstaan van een ziekte bij de mens in significante mate beperkt;
[…]’
6
Hoofdstuk II (artikelen 3 tot en met 7) van verordening nr. 1924/2006 stelt de algemene voorwaarden voor het gebruik van voedings- en gezondheidsclaims vast.
7
Artikel 3 van verordening nr. 1924/2006, ‘Algemene beginselen voor alle claims’, luidt als volgt:
‘Voedings- en gezondheidsclaims mogen in de etikettering en presentatie van levensmiddelen die in de Gemeenschap in de handel worden gebracht en in de daarvoor gemaakte reclame uitsluitend worden gebruikt indien zij in overeenstemming zijn met deze verordening.
Onverminderd richtlijn 2000/13/EG en richtlijn 84/450/EEG mogen voedings- en gezondheidsclaims niet:
- a)
onjuist, dubbelzinnig of misleidend zijn;
- b)
leiden tot twijfels omtrent de veiligheid en/of de geschiktheid uit voedingsoogpunt van andere levensmiddelen;
- c)
de excessieve consumptie van een levensmiddel stimuleren of vergoelijken;
[…]’
8
Artikel 4 van verordening nr. 1924/2006, ‘Voorwaarden voor het gebruik van voedings- en gezondheidsclaims’, bepaalt in lid 3:
‘Dranken met een alcoholgehalte van meer dan 1,2 volumeprocent mogen niet voorzien zijn van gezondheidsclaims.
Wat voedingsclaims betreft, zijn enkel voedingsclaims toegestaan die verwijzen naar een laag of een verlaagd alcoholgehalte, of naar een verlaagde energetische waarde van dranken met een alcoholgehalte van meer dan 1,2 volumeprocent.’
9
Artikel 5, lid 1, sub a, van deze verordening, met betrekking tot de algemene voorwaarden, bepaalt:
- ‘1.
Voedings- en gezondheidsclaims mogen alleen worden gebruikt als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- a)
de aanwezigheid, de afwezigheid of de verlaagde hoeveelheid in een levensmiddel of levensmiddelencategorie van een nutriënt of andere stof waarvoor de claim wordt gedaan, heeft een bewezen heilzaam nutritioneel of fysiologisch effect, dat is vastgesteld aan de hand van algemeen aanvaard wetenschappelijk bewijs’.
10
Artikel 6, lid 1, van deze verordening, ‘Wetenschappelijke onderbouwing van claims’, bepaalt:
‘Voedings- en gezondheidsclaims zijn gebaseerd op en onderbouwd door algemeen aanvaard wetenschappelijk bewijs.’
11
In hoofdstuk IV van verordening nr. 1924/2006, artikelen 10 tot en met 19, zijn specifieke bepalingen voor gezondheidsclaims opgenomen.
12
Artikel 10, leden 1 en 3, van deze verordening, inzake de specifieke voorwaarden, bepaalt:
- ‘1.
Gezondheidsclaims zijn verboden, tenzij zij in overeenstemming zijn met de algemene voorschriften van hoofdstuk II en de specifieke voorschriften van dit hoofdstuk, en er overeenkomstig deze verordening een vergunning voor is verleend, en zij zijn opgenomen in de in de artikelen 13 en 14 bedoelde lijsten van toegestane claims.
[…]
- 3.
Verwijzingen naar algemene, niet-specifieke voordelen van de nutriënt of het levensmiddel voor de algemene gezondheid of voor het welzijn op het gebied van gezondheid zijn alleen toegestaan indien zij gepaard gaan met een specifieke gezondheidsclaim die is opgenomen in de in de artikelen 13 en 14 bedoelde lijsten.’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
13
Deutsches Weintor is een wijnbouwcoöperatie, gevestigd in Ilbesheim (Duitsland), in het Land Rheinland-Pfalz. Zij verhandelt wijn van de druivenrassen Dornfelder en Grau- en Weissburgunder met de omschrijving ‘Edition Mild’ en de vermelding ‘lichte/ zuurgraad’. Op het etiket wordt met name het volgende vermeld: ‘Vriendelijk voor de maag door de toepassing van ons bijzonder ‘L0 3’ bewaringsprocédé [LO3 Schonverfahren zur biologischen Säurereduzierung] voor een biologische zuurreductie’. Op het halsetiket staat de aanduiding: ‘Edition Mild bekömmlich’ [Edition Mild — licht verteerbaar]. In de prijslijst wordt de wijn als ‘Edition Mild — sanfte Säure/bekömmlich’ [Edition Mild — lichte zuurgraad/licht verteerbaar] aangeduid.
14
De in het Land Rheinland-Pfalz met het toezicht op de handel in alcoholhoudende dranken belaste autoriteit maakte bezwaar tegen het gebruik van de omschrijving ‘licht verteerbaar’ op grond dat het een ‘gezondheidsclaim’ in de zin van artikel 2, lid 2, punt 5, van verordening nr. 1924/2006 betreft, die krachtens artikel 4, lid 3, eerste alinea, van deze verordening is verboden voor alcoholhoudende dranken.
15
Tussen partijen is in geschil of de omschrijving van een wijn als ‘licht verteerbaar’ in combinatie met de vermelding van een lichte zuurgraad, een voor alcoholhoudende dranken normalerwijs verboden ‘gezondheidsclaim’ in de zin van artikel 4, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1924/2006 is.
16
Deutsches Weintor stelde bij het Verwaltungsgericht (administratieve rechtbank) beroep in tot vaststelling dat zij de omschrijving ‘licht verteerbaar’ mag gebruiken voor de etikettering van de betrokken wijnen en de daarvoor gemaakte reclame.
17
Tot staving van haar vordering voerde zij in hoofdzaak aan dat de omschrijving ‘licht verteerbaar’ geen verband houdt met de gezondheid en slechts betrekking heeft op het algemene welzijn. Zij stelt dat verordening nr. 1924/2006 niet van toepassing is op omschrijvingen die traditioneel worden gebruikt voor levensmiddelen of dranken die een effect kunnen hebben op het algemene welzijn, zoals de omschrijving ‘spijsverteringsbevorderend’ voor een drank die de spijsvertering bevordert. Volgens haar moet het begrip gezondheidsclaims derhalve restrictief worden uitgelegd, en geldt het alleen voor de door het betrokken levensmiddel veroorzaakte langetermijneffecten.
18
Het Verwaltungsgericht heeft bij vonnis van 23 april 2009 dit beroep verworpen. Het tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep werd bij arrest van het Oberverwaltungsgericht Rheinland-Pfalz (administratief hof voor het Land Rheinland-Pfalz) van 19 augustus 2009 verworpen.
19
De appèlrechter oordeelde dat het begrip ‘gezondheidsclaim’ in elk geval de effecten van een levensmiddel op het organisme en op de lichaamsfuncties van de consument omvat. De omschrijving ‘licht verteerbaar’ legt bij wijn een verband met lichaamsprocessen en heeft betrekking op het algemene welzijn op het gebied van de gezondheid. Synonieme uitdrukkingen als ‘gezond’, ‘verteert gemakkelijk’ of ‘beschermt de maag’ kunnen met deze omschrijving in verband worden gebracht.
20
Volgens deze rechter is dit van belang bij wijnconsumptie, die regelmatig met hoofd- en maagpijn in verband wordt gebracht. Eventueel kan aan wijn zelfs een schadelijk effect voor het menselijk lichaam worden toegeschreven en kan wijn leiden tot verslaving. De uitdrukking ‘licht verteerbaar’ gebruiken in combinatie met de vermelding van een bijzonder procédé voor zuurreductie en een lichte zuurgraad legt uit het oogpunt van de consument een verband tussen de wijn en het ontbreken van soms met wijnconsumptie verbonden nadelige gevolgen in het verteringsproces.
21
Verzoekster in het hoofdgeding heeft tegen deze beslissing cassatieberoep ingesteld bij het Bundesverwaltungsgericht (hoogste federale bestuursrechter).
22
De verwijzende rechter heeft twijfels over de door de lagere rechters gehanteerde ruime uitlegging van het begrip ‘gezondheidsclaim’. Gelet op de omstandigheid dat alle levensmiddelen dienen om het menselijk lichaam nutriënten en andere stoffen te verschaffen, volstaat een vermelding van de louter tijdelijke instandhouding van de lichaamsfuncties of van het algemene welzijn op het gebied van de gezondheid volgens de verwijzende rechter niet om een verband te leggen met de gezondheid in de zin van artikel 2, lid 2, punt 5, van verordening nr. 1924/2006.
23
Volgens het Bundesverwaltungsgericht lijken bepaalde elementen daarentegen aan te geven dat van een ‘gezondheidsclaim’ pas kan worden uitgegaan wanneer wordt verwezen naar duurzame effecten op langere termijn op de lichamelijke gesteldheid of de lichamelijke conditie, en niet enkel naar een kortstondige beïnvloeding van de spijsvertering, die geen effecten sorteert op de lichamelijke gesteldheid en dus op de eigenlijke gezondheidstoestand.
24
De vermelding van de lichte verteerbaarheid van de door verzoekster in het hoofdgeding verhandelde wijnen beperkt zich dus volgens de verwijzende rechter tot de bewering dat de wijn tijdens de spijsvertering geen maagklachten veroorzaakt, of minder dan bij wijn van hetzelfde soort en dezelfde kwaliteit gewoonlijk kan worden verwacht. Bovendien vraagt het Bundesverwaltungsgericht zich af of de loutere omstandigheid dat een levensmiddel minder schadelijk is dan vergelijkbare producten van dezelfde categorie, voldoende is om te kunnen spreken van een heilzaam effect voor de gezondheid.
25
Ten slotte betwijfelt het Bundesverwaltungsgericht of het verbod op gezondheidsclaims voor wijn verenigbaar is met de grondrechten zoals de vrijheid van beroepsuitoefening en de vrijheid van ondernemerschap, voor zover een producent of handelaar van wijn zou zijn verboden te vermelden dat zijn product licht verteerbaar is door de milde zuurgraad, zelfs wanneer deze vermelding juist is.
26
Daarop heeft het Bundesverwaltungsgericht de procedure geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
- ‘1)
Vereist een gezondheidsclaim in de zin van artikel 4, lid 3, eerste alinea, juncto artikel 2, lid 2, punt 5, of van artikel 10, lid 3, van verordening nr. 1924/2006 een heilzaam nutritioneel of fysiologisch effect dat een duurzame verbetering van de lichamelijke conditie beoogt, of volstaat ook een voorbijgaand effect dat zich in het bijzonder beperkt tot de duur van de consumptie en de vertering van het levensmiddel?
- 2)
Indien het gesteld voorbijgaand heilzaam effect als een gezondheidsclaim kan worden beschouwd:
Volstaat dan voor de veronderstelling dat een dergelijke werking verband houdt met de afwezigheid of de verlaagde hoeveelheid van een stof in de zin van artikel 5, lid 1, sub a, juncto punt 15 van de considerans van de verordening, dat met de claim enkel wordt beweerd dat een van dit soort levensmiddelen in het algemeen uitgaand en vaak als nadelig ervaren effect in het concrete geval gering is?
- 3)
Bij een bevestigend antwoord op de tweede vraag:
Is het verenigbaar met artikel 6, lid 1, eerste alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie in de versie van 13 december 2007 (PB 2008, C115, blz. 1) juncto artikel 15, lid 1, (vrijheid van beroepsuitoefening) en artikel 16 (vrijheid van ondernemerschap) van het [Handvest] in de versie van 12 december 2007 (PB C 303, blz. 1) dat een producent of handelaar van wijn zonder uitzondering verbod wordt opgelegd reclame te maken met een gezondheidsclaim als aan de orde in het hoofdgeding, ook wanneer deze claim juist is?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Beantwoording van de eerste twee vragen
27
Met zijn eerste twee vragen, die tezamen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 4, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1924/2006 aldus moet worden uitgelegd dat de term ‘gezondheidsclaim’ ook geldt voor een omschrijving als ‘licht verteerbaar’ met de vermelding van het verlaagde gehalte aan door een groot aantal consumenten als nadelig ervaren stoffen.
28
Artikel 2, lid 2, punt 5, van verordening nr. 1924/2006 definieert een ‘gezondheidsclaim’ als ‘een claim die stelt, de indruk wekt of impliceert dat er een verband bestaat tussen een levensmiddelencategorie, een levensmiddel of een bestanddeel daarvan en de gezondheid’.
29
Bovendien verduidelijkt artikel 5, lid 1, sub a, van verordening nr. 1924/2006 dat gezondheidsclaims alleen mogen worden gebruikt als de aanwezigheid, de afwezigheid of de verlaagde hoeveelheid in een levensmiddel of levensmiddelencategorie van een nutriënt of andere stof waarvoor de claim wordt gedaan, een bewezen heilzaam nutritioneel of fysiologisch effect heeft, dat is vastgesteld aan de hand van algemeen aanvaard wetenschappelijk bewijs.
30
In het kader van het hoofdgeding zijn de prejudiciële vragen gesteld met betrekking tot wijn. Aangezien wijn behoort tot de categorie dranken met een alcoholgehalte van meer dan 1,2 volumeprocent, moet om te beginnen worden benadrukt dat volgens artikel 4, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1924/2006 de Uniewetgever elke ‘gezondheidsclaim’ niet betrekking tot deze categorie dranken zonder uitzondering heeft willen verbieden.
31
In casu wekt de litigieuze claim de indruk dat de betrokken wijn gezien de verlaagde zuurgraad goed geschikt of vriendelijk voor de spijsvertering is. Deze wijn zou dus een heilzaam nutritioneel of fysiologisch effect hebben.
32
Aangezien zij verband houdt met de gerichte consumptie van een levensmiddel, staat vast dat de spijsvertering een per definitie in de tijd beperkt lichaamsproces is dat enkel tijdelijke of kortstondige effecten veroorzaakt.
33
Op grond van deze vaststelling vraagt de verwijzende rechter zich af of een omschrijving als ‘licht verteerbaar’ kan worden beschouwd als een ‘gezondheidsclaim’, ook al impliceert zij niet dat het heilzame nutritionele of fysiologische effect dat de betrokken wijn kan hebben, leidt tot een duurzame verbetering van de lichamelijke conditie.
34
In dit verband vloeit uit de bewoordingen van artikel 2, lid 2, punt 5, van verordening nr. 1924/2006 voort dat bij de inhoudsbepaling van de ‘gezondheidsclaim’ in de zin van deze verordening, wordt uitgegaan van het verband dat moet bestaan tussen een levensmiddel of een bestanddeel daarvan en de gezondheid. Niettemin moet worden vastgesteld dat deze omschrijving geen enkele precisering geeft, noch met betrekking tot het al dan niet rechtstreekse karakter dat dit verband moet hebben, noch met betrekking tot hoe sterk dit moet zijn of hoe lang dit moet duren. Het woord ‘verband’ moet dus ruim worden begrepen.
35
Enerzijds moet het begrip ‘gezondheidsclaim’ dus niet enkel betrekking hebben op een verband dat een verbetering van de lichamelijke conditie dankzij de consumptie van een levensmiddel impliceert, maar ook op elk verband dat impliceert dat de negatieve of schadelijke gezondheidseffecten die in andere gevallen met een dergelijke consumptie gepaard gaan of erop volgen, ontbreken of verminderen en bijgevolg de loutere instandhouding van een goede gezondheidstoestand ondanks deze potentieel schadelijke consumptie impliceert.
36
Anderzijds wordt het begrip ‘gezondheidsclaim’ geacht niet enkel betrekking te hebben op de effecten van een gerichte consumptie van een specifieke hoeveelheid van een levensmiddel, die normaal gezien slechts tijdelijke en kortstondige effecten kan veroorzaken, maar ook op de effecten van een herhaalde, regelmatige en zelfs frequente consumptie van een dergelijk levensmiddel, waarvan de effecten dus niet noodzakelijk slechts tijdelijk en kortstondig zijn.
37
Zoals blijkt uit punt 1 van de considerans van verordening nr. 1924/2006, samengelezen met punt 10 ervan, staat immers vast dat de claims waarmee de levensmiddelen waarop zij worden vermeld, worden aangeprezen, de keuzes van de consument beïnvloeden, door zich erop te beroepen dat zij in nutritioneel, fysiologisch of een ander met de gezondheid verband houdend opzicht beter zijn dan soortgelijke producten. Deze keuzes beïnvloeden rechtstreeks de totale hoeveelheid van de verschillende nutriënten of andere stoffen die de consument wenst in te nemen, wat de rechtvaardiging vormt voor de door deze verordening opgelegde beperkingen met betrekking tot het gebruik van deze claims.
38
Derhalve moet in casu rekening worden gehouden met zowel de tijdelijke en kortstondige effecten als met de cumulatieve effecten van herhaaldelijke en langdurige consumptie van een bepaald levensmiddel op de lichamelijke conditie.
39
In de onderhavige zaak impliceert de litigieuze omschrijving, die de indruk wekt dat de wijn goed wordt opgenomen en verteerd, met name dat het spijsverteringsstelsel, dus een deel van het menselijk lichaam, er niet of weinig onder lijdt en dat de toestand van dit stelsel betrekkelijk gezond en intact blijft, zelfs na herhaaldelijke consumptie, dus na gecumuleerde hoeveelheden die gedurende een lange periode worden verbruikt, aangezien deze wijn gekenmerkt wordt door een verlaagde zuurgraad.
40
Daardoor kan de betrokken claim de indruk wekken dat sprake is van een duurzaam heilzaam fysiologisch effect dat erin bestaat het spijsverteringsstelsel in goede staat te houden, in tegenstelling tot andere wijnen die geacht worden na gecumuleerde consumptie ervan, duurzame negatieve effecten te hebben op het spijsverteringsstelsel en bijgevolg op de gezondheid.
41
Op grond van de bovenstaande overwegingen moet op de eerste twee vragen worden geantwoord dat artikel 4, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1924/2006 aldus moet worden uitgelegd dat de term ‘gezondheidsclaim’ ook geldt voor een omschrijving als ‘licht verteerbaar’ met de vermelding van het verlaagde gehalte aan door een groot aantal consumenten als nadelig ervaren stoffen.
Beantwoording van de derde vraag
42
Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het verenigbaar is met artikel 6, lid 1, eerste alinea, VEU wanneer bij verordening nr. 1924/2006 een producent of handelaar van wijn zonder uitzondering verbod wordt opgelegd een claim als aan de orde in het hoofdgeding, te gebruiken, ook wanneer deze claim op zich juist is.
43
Krachtens artikel 6, lid 1, eerste alinea, VEU erkent de Europese Unie de rechten, vrijheden en beginselen die zijn vastgesteld in het Handvest, dat dezelfde juridische waarde als de Verdragen heeft.
44
Wat de ten aanzien van het betrokken verbod relevante grondrechten betreft, refereert de verwijzende rechter aan artikel 15, lid 1, van het Handvest, bepalende dat eenieder het recht heeft te werken en een vrijelijk gekozen of aanvaard beroep uit te oefenen, en artikel 16 van dit Handvest, dat de vrijheid van ondernemerschap waarborgt.
45
Evenwel moet ook rekening worden gehouden met artikel 35, tweede zin, van het Handvest, dat vereist dat bij de bepaling en de uitvoering van het beleid en het optreden van de Unie een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid wordt verzekerd. Zoals blijkt uit de punten 1 en 18 van de considerans van verordening nr. 1924/2006 is de bescherming van de gezondheid één van de hoofddoelstellingen van deze verordening.
46
Bijgevolg moet de verenigbaarheid van het verbod, zonder uitzondering, op een claim als aan de orde in het hoofdgeding, niet enkel worden onderzocht uit het oogpunt van de vrijheid van beroepsuitoefening en de vrijheid van ondernemerschap, maar ook uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid.
47
Hieruit volgt dat bij een dergelijke beoordeling de vereisten inzake de bescherming van deze verschillende door de van de Unie rechtsorde beschermde grondrechten met elkaar moeten worden verzoend en dat een juist evenwicht ertussen moet worden verzekerd (zie in die zin arrest van 29 januari 2008, Promusicae, C-275/06, Jurispr. blz. I-271, punten 65 en 66).
48
Met betrekking tot in de eerste plaats de bescherming van de gezondheid moet worden benadrukt dat alcoholhoudende dranken een aan een buitengewoon strenge regeling onderworpen bijzondere categorie levensmiddelen zijn, gelet op de risico's van afhankelijkheid en misbruik en de bewezen complexe schadelijke effecten die verbonden zijn met alcoholconsumptie, die tot ernstige ziektes kan leiden.
49
Het Hof heeft dienaangaande reeds herhaaldelijk verklaard dat maatregelen die de mogelijkheden van reclame voor alcoholhoudende dranken beperken om alcoholisme te bestrijden, in overeenstemming zijn met het streven de volksgezondheid te beschermen, en dat de bescherming van de volksgezondheid, zoals ook blijkt uit artikel 9 VWEU, een doelstelling van algemeen belang is die in voorkomend geval een beperking van een fundamentele vrijheid kan rechtvaardigen (zie in die zin arresten van 10 juli 1980, Commissie/Frankrijk, 152/78, Jurispr. blz. 2299, punt 17; 25 juli 1991, Aragonesa de Publicidad Exterior en Publivía, C-l/90 en C-176/90, Jurispr. blz. I-4151, punt 15; 13 juli 2004, Commissie/Frankrijk, C-262/02, Jurispr. I-6569, punt 30; en Bacardi France, C-429/02, Jurispr. blz. I-6613, punt 37).
50
Hoewel reeds in het algemeen uit artikel 3, sub a, van verordening nr. 1924/2006 volgt dat voedings- en gezondheidsclaims niet onjuist, dubbelzinnig of misleidend mogen zijn, geldt dit voorschrift a fortiori voor alcoholhoudende dranken. Het is immers van wezenlijk belang dat alle claims met betrekking tot deze dranken volstrekt ondubbelzinnig zijn, zodat de consumenten hun consumptie binnen de perken kunnen houden, rekening houdend met alle intrinsieke gevaren die verband houden met deze consumptie, en aldus hun gezondheid doeltreffend kunnen beschermen.
51
In een zaak als deze in het hoofdgeding blijkt de litigieuze claim, gesteld dat hij op zich als materieel juist kan worden beschouwd waar hij een verlaagde zuurgraad vermeldt, niettemin onvolledig. Deze claim maakt namelijk melding van een bepaalde eigenschap waardoor de spijsvertering wordt bevorderd, maar verzwijgt dat ongeacht de goede spijsvertering, de met de consumptie van alcoholhoudende dranken gepaard gaande gevaren door die eigenschap niet verdwijnen of zelfs maar beperkt worden.
52
De Uniewetgever kon dus op goede gronden oordelen dat claims als deze in het hoofdgeding dubbelzinnig en zelfs misleidend zijn omdat zij betrekking hebben op een alcoholhoudende drank. Door enkel de gemakkelijke vertering ervan op de voorgrond te plaatsen, kan de litigieuze claim immers de consumptie van de betrokken wijn stimuleren en uiteindelijk de met overmatige consumptie van alle alcoholhoudende dranken gepaard gaande risico's voor de gezondheid van de consument doen toenemen. Het verbod op dergelijke claims kan dus zijn rechtvaardiging vinden in het vereiste een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de consument te verzekeren.
53
Gelet op het voorgaande, kan het algehele verbod op een claim als aan de orde in het hoofdgeding, worden beschouwd als noodzakelijk om de naleving van de uit artikel 35 van het Handvest voortvloeiende vereisten te verzekeren.
54
Met betrekking tot in de tweede plaats, de vrijheid van beroepsuitoefening en van ondernemerschap, dient eraan te worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof de vrije uitoefening van een beroepsactiviteit, net zoals het eigendomsrecht, geen absolute gelding heeft, maar in relatie tot haar sociale functie moet worden beschouwd (zie in die zin arrest van 14 december 2004, Swedish Match, C-210/03, Jurispr. blz. I-11893, punt 72). Bijgevolg kan de uitoefening van deze vrijheden aan beperkingen worden onderworpen voor zover zulke beperkingen werkelijk beantwoorden aan de doeleinden van algemeen belang die de Unie nastreeft en, het nagestreefde doel in aanmerking genomen, niet zijn te beschouwen als een onevenredige en onduldbare ingreep waardoor deze rechten in hun kern worden aangetast (arresten van 15 april 1997, Irish Farmers Association e.a., C-22/94, Jurispr. blz. I-1809, punt 27, en 10 juli 2003, Booker Aquaculture en Hydro Seafood, C-20/00 en C-64/00, Jurispr. blz. I-7411, punt 68).
55
Met betrekking tot deze doelstellingen blijkt uit de punten 48 tot en met 53 van het onderhavige arrest dat de betrokken regeling strekt tot bescherming van de gezondheid, een door artikel 35 van het Handvest erkende doelstelling.
56
Wat het evenredigheidsbeginsel betreft, legt het verbod op de betrokken claims weliswaar bepaalde beperkingen op aan de beroepsactiviteit van de betrokken marktdeelnemers op specifieke punten, maar is de eerbiediging van deze vrijheden op de essentiële punten toch gewaarborgd.
57
De litigieuze regeling behelst geen verbod op de productie en het in de handel brengen van alcoholhoudende dranken, maar beperkt zich ertoe op een duidelijk omschreven gebied regels vast te stellen voor de etikettering van en reclame voor die producten.
58
In een zaak als aan de orde in het hoofdgeding, tast het litigieuze verbod dus geenszins de vrijheid van beroepsuitoefening en de vrijheid van ondernemerschap in hun kern aan.
59
Uit hetgeen voorafgaat volgt dat het algehele verbod in verordening nr. 1924/2006 op een claim als aan de orde in het hoofdgeding, moet worden geacht in overeenstemming te zijn met het vereiste de verschillende aan de orde zijnde grondrechten met elkaar te verzoenen en een juist evenwicht tussen die grondrechten tot stand te brengen.
60
Gelet op een en ander, moet op de derde vraag worden geantwoord dat het bij verordening nr. 1924/2006 aan wijnproducenten of -handelaren zonder uitzondering opgelegde verbod om een claim als aan de orde in het hoofdgeding te gebruiken, ook wanneer deze claim op zich juist is, verenigbaar is met artikel 6, lid 1, eerste alinea, VEU.
Kosten
61
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 4, lid 3, eerste alinea, van verordening (EG) nr. 1924/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen, zoals laatstelijk gewijzigd bij verordening (EU) nr. 116/2010 van de Commissie van 9 februari 2010, moet aldus worden uitgelegd dat de term ‘gezondheidsclaim’ ook geldt voor een omschrijving als ‘licht verteerbaar’ met de vermelding van het verlaagde gehalte aan door een groot aantal consumenten als nadelig ervaren stoffen.
- 2)
Het bij verordening nr. 1924/2006, zoals gewijzigd bij verordening nr. 116/2010, aan wijnproducenten of -handelaren zonder uitzondering opgelegde verbod om een claim als aan de orde in het hoofdgeding te gebruiken, ook wanneer deze claim op zich juist is, is verenigbaar met artikel 6, lid 1, eerste alinea, VEU.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 06‑09‑2012