Polak/Pannevis, Insolventierecht, 12e druk, p. 207.
HR, 20-12-2013, nr. 12/05928
ECLI:NL:HR:2013:2076
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
20-12-2013
- Zaaknummer
12/05928
- Roepnaam
Nationale Borg-Maatschappij/Van Leeuwen
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Vermogensrecht (V)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:2076, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 20‑12‑2013; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:1274, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2013:1274, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 25‑10‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:2076, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 13‑03‑2013
Beroepschrift, Hoge Raad, 27‑12‑2012
- Wetingang
- Vindplaatsen
NJ 2014/152 met annotatie van F.M.J. Verstijlen
JOR 2014/85 met annotatie van Mr. R. Bremer
JOR 2014/85 met annotatie van Mr. R. Bremer
Uitspraak 20‑12‑2013
Inhoudsindicatie
Insolventierecht. Vaststellingsovereenkomst tussen curatoren en schuldeiser, waarin pandrecht is erkend; art. 104 Fw. Kan binding curatoren aan vaststellingsovereenkomst op verzoek van andere schuldeiser ongedaan worden gemaakt met toepassing van art. 69 Fw? Recht om voorlopige erkende vordering op de voet van art. 119 Fw te betwisten. Samenhang met 12/05661.
Partij(en)
20 december 2013
Eerste Kamer
nr. 12/05928
LZ/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
N.V. NATIONALE BORG-MAATSCHAPPIJ,gevestigd te Amsterdam,
VERZOEKSTER tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. W.H. van Hemel,
t e g e n
1. mr. B. VAN LEEUWEN,kantoorhoudende te Goes,
2. mr. P.E. BUTTERMAN,kantoorhoudende te Breda,
beiden in hun hoedanigheid van curator in het faillissement van Zeeland Aluminium Company N.V.,
VERWEERDERS in cassatie, verzoekers in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. M.A.J.G. Janssen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Nationale Borg en de curatoren.
1. Het geding in feitelijke instantie
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak 11/786 F van de rechter-commissaris in de rechtbank Breda van 27 september 2012;
b. de beschikking in de zaak 254857/HA RK 12-90 van de rechtbank Breda van 17 december 2012.
De beschikking van de rechtbank van 17 december 2012 is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van 17 december 2012 heeft Nationale Borg beroep in cassatie ingesteld. De curatoren hebben voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. Het cassatierekest en het verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De conclusie van de waarnemend Advocaat-Generaal A. Hammerstein strekt tot verwerping in het principale en in het incidentele beroep.
De advocaat van Nationale Borg heeft bij brief van 8 november 2013 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan van de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2 vermelde feiten worden uitgegaan. Die komen, kort samengevat, op het volgende neer.
(i) De naamloze vennootschap Zeeland Aluminium Company N.V. (hierna: Zalco), een dochtervennootschap van BaseMet B.V. (hierna: BaseMet), hield zich bezig met de productie van aluminium en exploiteerde daartoe in de haven van Vlissingen onder meer een aluminiumsmelterij, een aluminiumgieterij en een anodefabriek. Het terrein waarop deze bedrijfsactiviteiten werden verricht is eigendom van Zeeland Seaports N.V. (hierna: ZSP), die op het terrein ten behoeve van Zalco een recht van erfpacht en recht van opstal heeft gevestigd. Door Zalco is ten behoeve van Nationale Borg en ZSP een (eerste, respectievelijk tweede) recht van hypotheek op het recht van opstal en recht van erfpacht gevestigd ter zake van hun vorderingen op Zalco.
(ii) De vennootschap naar Zwitsers recht Glencore A.G. (hierna: Glencore) is een van de grootste leveranciers van grondstoffen van Zalco. Zij leverde via een zustervennootschap van Zalco, de vennootschap naar Zwitsers recht Panther Trading A.G. (hierna: Panther), aluinaarde voor de productie van aluminium. Glencore heeft op 21 november 2011 in verband met de levering van aluinaarde een derdenpandrecht van Zalco bedongen tot zekerheid voor al hetgeen Glencore te vorderen heeft van BaseMet en/of Panther. Dit pandrecht is gevestigd op “all moveable assets”, die volgens de akte alle aluminium voorraad en aluminium metaal voorraad omvatten, waaronder eindproducten, halffabricaten en vloeibaar aluminium in de ovens.
(iii) Op 13 december 2011 is Zalco op eigen aangifte in staat van faillissement verklaard, met benoeming vanmrs. Van Leeuwen en Butterman tot curator. Ten tijde van het faillissement was de onderneming nog vol in bedrijf. Een deel van het aluminium bevond zich nog in vloeibare toestand in de ovens van de aluminiumsmelterij. Enkele dagen na het uitspreken van het faillissement is het productieproces van Zalco door de curatoren stilgelegd, als gevolg waarvan het vloeibare aluminium in de ovens is gestold.
(iv) Op 23 december 2011 hebben de curatoren, met toestemming van de rechter-commissaris, een vaststellingsovereenkomst met Glencore gesloten, waarin zij onder meer hebben verklaard het pandrecht van Glencore zoals omschreven in de akte van pandrecht te erkennen. Zij erkennen niet het pandrecht op het aluminium, geproduceerd na datum faillissement. Met betrekking tot het aluminium in de smeltovens zijn de curatoren met Glencore overeengekomen dat Glencore als pandhouder het aluminium verwijdert en dat de opbrengst in depot wordt gehouden in verband met een mogelijk geschil met de hypotheekhouders ZSP en Nationale Borg. In de overeenkomst is opgenomen dat deze aan de zijde van de curatoren is onderworpen aan instemming van de hypotheekhouders.
(v) Tussen Glencore, Nationale Borg en ZSP is een geschil ontstaan over de vraag aan wie de inhoud van de ovens toekomt: aan Glencore als pandhouder of – door natrekking – aan Nationale Borg en/of ZSP als hypotheekhouders.
(vi) Bij overeenkomst van 11 juni 2012 hebben de curatoren, met medewerking van Nationale Borg en ZSP, de aluminiumgieterij en de anodefabriek overgedragen aan derden, en heeft ZSP ermee ingestemd de aluminiumsmelterij te laten slopen en de ondergrond te laten reinigen om plaats te maken voor nieuwe (havengebonden) activiteiten op het terrein.
(vii) De curatoren hebben op grond van art. 58 Fw aan Glencore een termijn gesteld voor het uitoefenen van haar pandrechten. Glencore heeft de rechter-commissaris om verlenging van de termijn verzocht. De rechter-commissaris heeft bij beschikking van 10 september 2012 de termijn verlengd tot die datum (10 september 2012) en het verzoek tot verdere verlenging afgewezen. Het daartegen gerichte cassatieberoep van Glencore is bij beschikking van heden door de Hoge Raad verworpen (zaaknummer 12/05661).
3.2
Nationale Borg heeft op 4 juni 2012 op de voet van art. 69 Fw de rechter-commissaris verzocht de curatoren te bevelen onderzoek te verrichten naar de rechtmatigheid van het aan Glencore verleende derdenpandrecht en, zo nodig, op grond van de Pauliana (art. 42 Fw) de vernietiging daarvan in te roepen. Zij leggen aan hun verzoek ten grondslag dat de curatoren het derdenpandrecht niet hadden mogen erkennen, nu de vestiging daarvan paulianeus was.
3.3
De rechter-commissaris heeft het verzoek afgewezen, en de rechtbank heeft het daartegen gerichte hoger beroep verworpen. Voor zover in cassatie van belang overwoog de rechtbank daartoe, kort samengevat, als volgt.
De curatoren hebben de rechtmatigheid van het pandrecht van Glencore onvoldoende onderzocht. Zij waren op het moment waarop zij het pandrecht van Glencore hebben erkend, niet in staat te beoordelen of Zalco en/of Glencore rekening hadden behoren te houden met de mogelijkheid dat Zalco failliet zou gaan en daarmee ook niet of er sprake was van wetenschap van benadeling. De rechtbank begrijpt het verweer van de curatoren dan ook aldus dat zij het risico hebben genomen dat achteraf, na gedegen onderzoek, zou blijken dat de vestiging van het pandrecht paulianeus was, nu daartegenover een veel groter belang van de boedel stond, namelijk het belang om zoveel mogelijk opbrengst voor de boedel te genereren. Dit zou pas mogelijk zijn wanneer Glencore bereid zou zijn om het nog te produceren aluminium tegen een marktconforme prijs af te nemen en de curatoren op korte termijn over voldoende inkomsten voor de boedel zouden kunnen beschikken om het complex in stand te houden om vervolgens de onderneming – al dan niet in onderdelen – tegen een zo hoog mogelijke prijs te verkopen. (rov. 3.12)
De tussen de curatoren en Glencore gesloten overeenkomst van 23 december 2011 is een vaststellingsovereenkomst. Dat betekent dat de curatoren, naar zij terecht stellen, niet meer van de erkenning van het pandrecht kunnen terugkomen, ook niet wanneer na nader onderzoek zou blijken dat de curatoren het pandrecht van Glencore ten onrechte hebben erkend. De curatoren hebben immers aan de discussie of aan Glencore een rechtsgeldig pandrecht is verleend met deze overeenkomst een einde gemaakt. Overigens ziet de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van het verweer van de curatoren, dat er sprake is geweest van een goed beheer van de boedel door op 23 december 2011 een regeling met Glencore te treffen, die onder meer inhield dat het pandrecht van Glencore zou worden erkend. (rov. 3.13)
3.4
Volgens onderdeel 1.1 van het middel heeft de rechtbank, met haar oordeel dat de curatoren niet meer kunnen terugkomen van hun bij vaststellingsovereenkomst gedane erkenning van het pandrecht van Glencore, blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans haar oordeel onvoldoende gemotiveerd.
Het onderdeel faalt. Ingevolge art. 104 Fw waren de curatoren bevoegd om, met goedkeuring van de rechter-commissaris, een vaststellingsovereenkomst met Glencore te sluiten, onder meer inhoudende dat zij het derdenpandrecht van Glencore erkennen. Die overeenkomst bindt de curatoren. Die binding kan niet ongedaan gemaakt worden langs de weg van een op art. 69 Fw gebaseerd bevel van de rechter-commissaris aan de curatoren, strekkende tot een (her)beoordeling van het paulianeuze karakter van de derdenverpanding en zo nodig tot het inroepen van de nietigheid daarvan. In zoverre ondervinden derhalve ook de (overige) schuldeisers van de gefailleerde de gevolgen van de door de curatoren rechtsgeldig gesloten vaststellingsovereenkomst. Anders dan Nationale Borg aanvoert, doet daaraan niet af dat die schuldeisers in voorkomend geval wel op de voet van art. 119 Fw voorlopig erkende schuldvorderingen en de beweerde voorrang daarvan kunnen betwisten. Opmerking verdient overigens dat in het onderhavige geval geen sprake is van een schuldvordering als bedoeld in art. 119 Fw, nu het niet om een (te verifiëren) vordering van Glencore op Zalco gaat.
3.5
Onderdeel 1.2 klaagt dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan het feit dat de erkenning van het pandrecht door de curatoren is onderworpen aan instemming van ZSP en Nationale Borg. Betoogd wordt dat, nu die instemming niet is gegeven, de curatoren in zoverre niet aan hun erkenning van het derdenpandrecht zijn gebonden en dat de vaststellingsovereenkomst niet in de weg kan staan aan toewijzing van het verzoek van Nationale Borg.
De klacht kan niet tot cassatie leiden, aangezien Nationale Borg in haar grieven dit betoog niet aan haar beroep tegen de beschikking van de rechter-commissaris ten grondslag heeft gelegd.
3.6
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.7
Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het principale beroep;
veroordeelt Nationale Borg in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curatoren begroot op € 773,38 aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp en M.A. Loth, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 20 december 2013.
Conclusie 25‑10‑2013
Inhoudsindicatie
Insolventierecht. Vaststellingsovereenkomst tussen curatoren en schuldeiser, waarin pandrecht is erkend; art. 104 Fw. Kan binding curatoren aan vaststellingsovereenkomst op verzoek van andere schuldeiser ongedaan worden gemaakt met toepassing van art. 69 Fw? Recht om voorlopige erkende vordering op de voet van art. 119 Fw te betwisten. Samenhang met 12/05661.
Partij(en)
12/05928
Mr A. Hammerstein
Zitting van 25 oktober 2013
Conclusie inzake:
N.V. Nationale Borg-maatschappij
(hierna: Nationale Borg)
tegen
1. mr. B. Van Leeuwen;
2. mr. P.E. Butterman;
in hun hoedanigheid van curator in het faillissement van Zeeland Aluminium Company N.V. (hierna: Zalco)
1. Inleiding
In deze faillissementszaak staat in cassatie de vraag centraal in hoeverre art. 69 F.gebruikt kan worden om in afwijking van een daarop betrekking hebbende vaststellingsovereenkomst de curator te bevelen een faillissementspauliana (art. 42 F.) in te stellen.
2. De feiten
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.
(i) De naamloze vennootschap Zeeland Aluminium Company N.V. (hierna Zalco), statutair gevestigd te Vlissingen en kantoorhoudende te Ritthem, is een dochtervennootschap van BaseMet B.V. (hierna BaseMet).
(ii) Zalco hield zich bezig met de productie van aluminium en exploiteerde daartoe in de haven van Vlissingen onder meer een aluminiumsmelterij, een aluminiumgieterij en een anodefabriek.
(iii) In 2007 heeft Zalco bijna het volledige bedrijventerrein aan Zeeland Seaports N.V. (hierna ZSP) verkocht en geleverd, waaronder het gedeelte waarop de aluminiumsmelterij staat. ZSP heeft het terrein vervolgens in erfpacht gegeven aan Zalco. Daarnaast heeft ZSP ten behoeve van Zalco een recht van opstal gevestigd.
(iv) Op 27 januari 2010 heeft Nationale Borg voor haar vordering op Zalco een recht van eerste hypotheek verkregen op het recht van opstal en het recht van erfpacht. Daarnaast had Nationale Borg nog een pandrecht
(v) Omstreeks dezelfde tijd heeft ZSP voor haar vordering op Zalco een recht van tweede hypotheek verkregen op het door haar aan Zalco verleende recht van opstal en recht van erfpacht.
(vi) De vennootschap naar Zwitsers recht Glencore A.G. (hierna Glencore) is een van de grootste leveranciers van grondstoffen van Zalco. Zij leverde aluinaarde voor de productie van aluminium. Deze aluinaarde werd geleverd via een zustervennootschap van Zalco, de vennootschap naar Zwitsers recht Panther Trading A.G. (hierna Panther).
(vii) Glencore heeft in verband met de laatste levering aluinaarde van Zalco een derdenpandrecht bedongen. Het pandrecht strekte tot zekerheid voor al hetgeen Glencore te vorderen heeft van BaseMet en/of Panther.
(viii) Dit pandrecht is gevestigd op 21 november 2011. Volgens deze akte is het pandrecht gevestigd op 'all moveable assets'. Blijkens de akte dient dit begrip aldus te worden.uitgelegd dat daaronder aluinaarde en alle aluminium voorraad en aluminium metaal voorraad vallen, waaronder eindproducten, halffabricaten en vloeibaar aluminium in de ovens.
(ix) Op 13 december 2011 is Zalco bij vonnis van de rechtbank Middelburg op eigen aangifte in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mrs. Van Leeuwen en Butterman tot curator.
(x) Ten tijde van het faillissement was de onderneming nog vol in bedrijf. Een deel van het aluminium bevond zich nog in vloeibare toestand in de ovens van de aluminiumsmelterij. Kort na het uitspreken van het faillissement is het productieproces van Zalco stilgelegd, als gevolg waarvan het vloeibare aluminium in de ovens is gestold.
(xi) Op 23 december 2011 hebben de curatoren met Glencore een vaststellingsovereenkomst gesloten. Met betrekking tot de aluinaarde hebben zij verklaard dat zij de eigendom van Glencore erkennen. Met betrekking tot de 'Pledged goods', het pandrecht op de goederen, hebben zij verklaard dat zij het pandrecht Van Glencore erkennen zoals omschreven in de akte van pandrecht. Zij erkennen niet het pandrecht op het aluminium, geproduceerd na datum faillissement. Met betrekking tot het aluminium in de smeltovens zijn de curatoren met Glencore overeengekomen dat Glencore als pandhouder het aluminium verwijdert en dat de opbrengst in depot wordt gehouden in verband met een mogelijk geschil met de hypotheekhouders ZSP en/of Nationale Borg. Aan de zijde van de curatoren is deze overeenkomst onderworpen aan instemming van de hypotheekhouders.
(xii) Verder zijn partijen overeengekomen dat Glencore een bedrag van € 200.000,- betaalt in verband met energieleveringen.
(xiii) Tussen Glencore, Nationale Borg en ZSP is een geschil ontstaan over de vraag aan wie de inhoud van de ovens toekomt: Glencore als pandhouder of - door natrekking - Nationale Borg en/of ZSP als hypotheekhouders.
(xiv) Op 17 februari 2012 heeft Nationale Borg de executie aangezegd van het opstalrecht en aansluitend heeft ZSP aangezegd het opstal- en erfpachtrecht te willen executeren. Glencore heeft aangekondigd eventueel in kort geding positie op te eisen met betrekking tot het aluminium in de ovens.
(xv) Op 4 juni 2012 heeft Nationale Borg zich op de voet van art. 69 F. tot de rechter-commissaris gewend met het verzoek de curatoren te bevelen onderzoek te verrichten naar de rechtmatigheid van het aan Glencore verleende derdenpandrecht en, zo nodig, op grond van de pauliana daarvan de vernietiging in te roepen.
(xvi) Op 5 juni 2012 heeft de mondelinge behandeling van dit verzoek plaatsgevonden. Tevens werd het verzoek van Glencore tot verlenging van de termijn, die de curatoren haar op grond van art. 58 F. hadden gesteld behandeld. De behandeling is geschorst, teneinde partijen - met name Nationale Borg, ZSP en Glencore - in de gelegenheid te stellen om tot een regeling te komen.
(xvii) Op 11 juni 2012 is tussen de curatoren, Nationale Borg, ZSP, UTB B.V. en Century een overeenkomst gesloten. Deze overeenkomst hield in dat de aluminiumfabriek van Zalco in drie delen zou worden gesplitst. De aluminiumgieterij zou worden overgedragen aan UTB en de anodefabriek aan Century. ZSP zou de aluminiumsmelterij laten slopen en de ondergrond laten reinigen om plaats te maken voor nieuwe (havengebonden) activiteiten op het terrein. De sloop en de sanering zouden worden uitgevoerd door UTB.
(xviii) Op 27 juni 2012 heeft Glencore aan de voorzieningenrechter te Middelburg verlof gevraagd en vervolgens gekregen tot het leggen van beslag op grond van art. 496 lid 2 Rv in verbinding met art. 492 Rv.
(xix) Op 30 juni 2012 heeft Glencore pandhoudersbeslag gelegd op het gestolde aluminium in de smeltovens van ZSP.
(xx) Bij dagvaarding van 17 augustus 2012 heeft Glencore bij de rechtbank Middelburg een kort geding aanhangig gemaakt tegen UTB, ZSP en de curatoren,, waarin zij - kort gezegd - vorderde UTB te verbieden de ovens te slopen en de inhoud te verwijderen en ZSP en de curatoren te laten gehengen en gedogen dat Glencore de inhoud van de ovens verwijdert en verkoopt.
(xxi) Op 20 en 27 augustus 2012 is de behandeling van het verzoek ex art. 69 F. van Nationale Borg door de rechter-commissaris voortgezet.
(xxii) Op 5 september 2012 heeft Glencore aangekondigd op 10 september 2012 tot executie van haar pandrecht op het gestolde aluminium in de ovens over te gaan. Bij kortgedingdagvaarding van 8 september 2012 heeft Nationale Borg als lasthebber van ZSP gevorderd deze executie te verbieden. Bij vonnis van 10 september 20l2 heeft de voorzieningenrechter te Middelburg dat verbod toegewezen.
(xxiii) Bij beschikking van 10 september. 2012 heeft de rechter-commissaris op het verzoek van Glencore tot verlenging van de termijn ex art. 58 F. beslist dat de termijn is verlengd tot 10 september 2012 en een verdere verlenging afgewezen.
(xxiv) Bij vonnis van 11 september 2012 heeft de voorzieningenrechter te Middelburg de vordering van Glencore afgewezen, onder opheffing van het door Glencore gelegde beslag. Overwogen is dat voorshands niet is gebleken dat de vestiging van het pandrecht ten behoeve van Glencore als paulianeus moet worden betiteld, omdat de curatoren de verpanding niet hebben vernietigd met een beroep op art. 42 F. jo art. 43 lid 1 onder 1 en 2 F. en er nog niet is beslist op het verzoek ex art. 69 F. om de curatoren te bevelen de pandrechten van Glencore te vernietigen. Vervolgens is overwogen dat het aluminium op grond van art. 3:4 lid 2 BW door de ovens is nagetrokken en dat nu de ovens als onroerend te kwalificeren zijn het aluminium ook onroerend is. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat Glencore geen pandrecht heeft.
3. Het verzoek van Nationale Borg
Bij verzoekschrift van 4 juni 2012 heeft Nationale Borg de rechter-commissaris verzocht op grond van art. 69 F. de beslissing van de curatoren om het door Zalco kort voor haar faillietverklaring gevestigde derdenpandrecht niet te vernietigen, te herroepen. De curatoren hebben een verweerschrift d.d. 5 juni 2012 ingediend.
4. De beslissing van de rechter-commissaris
4.1
De rechter-commissaris heeft bij beschikking van 27 september 2012 het op art. 69 F. gebaseerde verzoek van Nationale Borg afgewezen. Daartoe heeft de rechter-commissaris het volgende overwogen:
“2.17 Met de curatoren is de rechter-commissaris van oordeel dat curatoren gezien de op 23 december 2011 voorliggende omstandigheden (het, in hun woorden, verantwoordelijkheid nemen voor een fabriek en het open houden van een verkoop ten behoeve van een doorstart) een afgewogen regeling hebben getroffen. Door het treffen van deze overeenkomst is namelijk ook actief gerealiseerd van vele miljoenen dat direct danwel in de vorm van een boedelbijdrage in de boedel is gevloeid waaronder aluminium producten die geproduceerd zijn tijdens het faillissement maar waarvan de grondstoffen aJ voor datum vestigen pandrecht waren geleverd. De pandrechten van Glencore zijn derhalve niet categorisch erkend, maar in het licht van de situatie is een overeenkomst getroffen die recht deed aan de belangen van de boedel (zoveel mogelijk financiële armslag creëren om een doorstart wellicht nog mogelijk te maken), aan de belangen van schuldeisers (opbrengstmaximalisatie) alsook aan de belangen van derden (geen erkenning pandrecht van hetgeen zich op dat moment vloeibaar in de ovens bevond). De juridische waardering van de situatie die de curatoren toen aantroffen is evenzeer begrijpelijk; door de rechter-commissaris is om die reden destijds ook toestemming gegeven voor het sluiten van die overeenkomst.”
5. De beslissing van de rechtbank
5.1
In hoger beroep heeft de rechtbank bij beschikking van 17 december 2012 het verzoek wederom afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank voor zover in cassatie belang het volgende overwogen.
“3.12. De rechtbank is van oordeel dat de curatoren de rechtmatigheid van het pandrecht van Glencore onvoldoende hebben onderzocht. Zo hebben de curatoren niet onderzocht hoe lang Glencore al grondstoffen leverde, of Glencore voor eerdere leveringen ook zekerheid verlangde, en, zo niet, waarom zij deze zekerheid voor deze laatste levering op 23 november 2011 wel verlangde. Evenmin hebben de curatoren onderzocht voor welke vorderingen van Glencore op Panther en BaseMet het pandrecht werd verleend, met andere woorden, welke bestaande vorderingen onder dit pandrecht vielen, noch waarom Glencore niet eerder zekerheid voor deze vorderingen had verlangd. Evenmin is onderzocht welke vorderingen nog openstonden, hoe oud deze vorderingen waren en waarom deze niet waren voldaan. Ook met betrekking tot de vraag wat de financiële positie van Zalco was ten tijde van de verlening van het pandrecht en in hoeverre Glencore daarvan op de hoogte was is geen onderzoek gedaan en ook de oorzaak van het faillissement was op dat moment niet bekend bij de curatoren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de curatoren op het moment waarop zij het pandrecht van Glencore hebben erkend niet in staat waren te beoordelen of Zalco en/of Glencore rekening hadden behoren te houden met de mogelijkheid dat Zalco failliet zou gaan en daarmee ook niet of er sprake was van wetenschap van benadeling. De rechtbank begrijpt het verweer van de curatoren dan ook aldus dat zij het risico hebben genomen dat achteraf, na gedegen onderzoek, zou blijken dat de vestiging van het pandrecht paulianeus was, nu daartegenover een veel groter belang van de boedel stond; namelijk het belang om zoveel mogelijk opbrengst voor de boedel te genereren. Dit zou pas mogelijk zijn wanneer Glencore bereid zou zijn om het nog te produceren aluminium tegen een marktconforme prijs af te nemen en de curatoren op korte termijn over voldoende inkomsten voor de boedel zouden kunnen beschikken om het complex in stand te houden om vervolgens de onderneming - al dan niet in onderdelen - tegen een zo hoog mogelijke prijs te verkopen.
3.13.
NB heeft niet weersproken dat het sluiten van.de overeenkomst van 23 december 2011 het belang van de boedel heeft gediend, een en ander zoals door de curatoren ter zitting nader geconcretiseerd en hierboven weergegeven. Evenmin heeft NB de curatoren verweten dat zij in dit opzicht hun taak niet naar behoren hebben vervuld. Zij is alleen van mening dat de curatoren het pandrecht niet hadden mogen erkennen. De rechtbank is van oordeel dat ook indien – na nader onderzoek – zou komen vast te staan dat NB daarin gelijk heeft, de rechter-commissaris terecht het verzoek van NB om de curatoren op te dragen nader onderzoek te verrichten heeft afgewezen, zij het dat de rechtbank op andere gronden dan de rechter-commissaris tot dit oordeel komt. Volgens de curatoren hebben zij op 23 december 2011 een vaststellingsovereenkomst gesloten. Steun voor deze stelling kan worden gevonden in de aanhef van de overeenkomst, waarin staat dat Glencore en de curatoren ‘in ending an ongoing discussion on the seperate points listed herunder’ een aantal afspraken hebben gemaakt, Ook NB gaat ervan uit dat deze overeenkomst een vaststellingsovereenkomst is. Dat betekent dat de curatoren, naar zij terecht stellen, niet meer op de erkenning van het pandrecht terug kunnen komen, ook niet wanneer na nader onderzoek zou blijken dat de curatoren het pandrecht van Glencore ten onrechte hebben erkend. De curatoren hebben immers aan de discussie of aan Glencore een rechtsgeldig pandrecht is verleend met deze overeenkomst een einde gemaakt. Overigens ziet de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid, van het verweer van de curatoren, dat er sprake is geweest van een goed beheer van de boedel door op 23 december 2011 een regeling met Glencore te treffen, die onder meer inhield dat het pandrecht van Glencore zou worden erkend.”
6. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
Het gaat in de onderhavige zaak om een op art. 69 F. gebaseerde beschikking van de rechter-commissaris in een faillissement. Tegen een dergelijke op rekest gegeven beschikking staat gedurende vijf dagen hoger beroep open op de rechtbank (art. 67 lid 1 F.). Van de beslissing van de rechtbank kan gedurende tien dagen beroep in cassatie worden ingesteld (426 lid 2 Rv.)1.Het cassatieberoep is ingesteld bij op 27 december 2012 - de laatst mogelijke dag - ter griffie ingediend verzoekschrift. Het cassatieberoep is derhalve ontvankelijk. Door de curatoren is een verweerschrift tevens bevattende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingediend.
7. De beoordeling van het principaal cassatiemiddel
7.1
Onderdeel 1 strekt ten betoge dat ook indien er sprake zou zijn van een vaststellingsovereenkomst, zulks niet betekent dat curatoren niet meer van de erkenning van het pandrecht kunnen terugkomen zoals door de rechtbank wordt aangenomen. Een zodanige overeenkomst levert immers, anders dan door de rechtbank heeft geoordeeld geen zelfstandig dragende grond op voor de afwijzing van een verzoek ex art. 69 F. van een crediteur dat ertoe strekt dat de curator wordt bevolen (i) te onderzoeken of bij vestiging van dat pandrecht paulianeus is gehandeld (ii) de verpanding te vernietigen of andere rechtsmaatregelen te nemen om de benadeling als gevolg van de verpanding ongedaan te maken. De overeenkomst zal in dat geval door de pandhouder immers niet kunnen worden tegengeworpen (klacht 1.1). Voorts (zie onderdeel 1.2) geldt dat in de overeenkomst is bepaald dat zij is onderworpen aan een bevestiging door ZSP en Nationale Borg, welke bevestiging ontbreekt. Nationale Borg acht van belang dat toen de desbetreffende overeenkomst werd gesloten curatoren in een dwangpositie verkeerden Om de door hen bij aanvang van het faillissement aangetroffen situatie beheersbaar te maken hadden zij boedelactief nodig. Zij vonden alleen Glencore bereid om afspraken te maken die het voor de boedel noodzakelijk actief direct zouden kunnen realiseren. Glencore stelde echter als voorwaarde dat curatoren het pandrecht zouden erkennen. Verder had Glencore curatoren persoonlijk aansprakelijk gesteld en was Glencore bereid die aansprakelijkstellingen in te trekken, indien curatoren bereid waren hun medewerking aan de overeenkomst te geven. Curatoren kunnen gezien het voorgaande met een beroep op misbruik van omstandigheden/de redelijkheid en billijkheid op de overeenkomst terugkomen, aldus het onderdeel. In onderdeel 1.3 wordt aangevoerd dat curatoren in de overeenkomst niet hebben uitgesloten dat zij Glencore op grind van onrechtmatige daad zouden aanspreken. Ten slotte is het oordeel van de rechtbank volgens onderdeel 1.4 onbegrijpelijk omdat onvoldoende rekening is gehouden met de bijzondere omstandigheden die hier speelden, waarop door Nationale Borg is gewezen.
7.2
Onderdeel 1 neemt tot uitgangspunt dat, zoals de rechtbank heeft geoordeeld, een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen waarin de curatoren het pandrecht van Glencore hebben erkend2.. Anders dan Nationale Borg kennelijk wil doen betogen, kan die vaststellingsovereenkomst niet, in elk geval niet zonder meer, langs de weg van art. 69 F. ongedaan gemaakt worden. Nu de curatoren door de vaststellingsovereenkomst de boedel hebben gebonden, staat de erkenning van het pandrecht vast. De curatoren hebben voor het sluiten van de overeenkomst de toestemming verkregen van de rechter-commissaris. Tegen het verlenen van deze toestemming is door Nationale Borg niet opgekomen. Inmiddels is bij de afwikkeling van de boedel uitvoeringgegeven aan de vaststellingsovereenkomst. De curatoren hebben naar mijn mening terecht aangevoerd dat met de onderhavige procedure dan ook geen enkel redelijk doel meer kan zijn gediend. Daaraan kan als zelstandige grond worden toegevoegd dat de rechtbank heeft vastgesteld dat niet weersproken is dat het sluiten van de overeenkomst van 23 december 2011 het belang van de boedel heeft gediend. Hoewel onderdeel 1.4 tegen dit oordeel is gericht, kan dit Nationale Borg dit niet baten. Dit oordeel van de rechtbank is immers feitelijk en in cassatie nauwelijks toetsbaar. De klachten van onderdeel 1.4 gaan voorts uit van een motiveringsplicht als ware hier sprake van een contradictoire procedure. Dat is niet het geval, zoals blijkt uit hetgeen hierna volgt.
7.2
In HR 31 december 1925, NJ 1926, p. 316 m.nt. EMM heeft de Hoge Raad onder meer overwogen: "(...) dat toch het voorschrift van artikel 69 Fw. alleen is gegeven om onder meer den schuldeischers invloed toe te kennen op het beheer over den faillieten boedel en om, zoo zij meenen, dat bij dat beheer door doen of laten fouten worden gemaakt, deze te doen herstellen of voorkomen, geenszins om die schuldeischers in de gelegenheid te stellen op deze uiterst eenvoudige, maar ook weinig waarborgen biedende wijze aan hen persoonlijk toekomende rechten tegenover den boedel geldend te maken". In Hoge Raad, 21 januari 2005, LJN: AS3534, NJ 2005, 249 is deze regel herhaald. Tevens werd in laatstgenoemde uitspraak over informatieverstrekking op de voet van art. 69 F. overwogen dat bij de beantwoording van de vraag of de rechter-commissaris de curator ingevolge art. 69 F. behoort te bevelen aan de schuldeisers bepaalde informatie te verstrekken, een belangenafweging moet worden gemaakt, waarin niet alleen de belangen aan de zijde van de boedel en/of curatoren bij het niet-verstrekken van de informatie, maar ook de belangen van de schuldeisers bij het wel verstrekken daarvan moeten worden betrokken. Volgens HR 9 juni 2000, LJN: AA6164, NJ 2000, 577 strekt het voorschrift van art. 69 F. er voorts toe om het mogelijk te maken dat de rechter-commissaris de curator beveelt een bepaalde handeling te verrichten indien de bij het beheer en de vereffening van de failliete boedel betrokken belangen van een schuldeiser door het niet-handelen van de curator dreigen te worden geschaad. Hiertoe kan ook het onderzoek naar paulianeus handelen behoren.3.
De in art. 69 F. voorziene rechtsgang is ervoor bedoeld crediteuren de mogelijkheid te geven om invloed uit te oefenen op de afwikkeling van het faillissement. Uitgangspunt daarbij blijft intussen dat de primaire verantwoordelijkheid voor beheer en afwikkeling berust bij de curator.4.Het gaat bij de toepassing van art. 69 dus om (volledige toetsing van) het door de curator gevolgde (of voorgenomen) beleid.5.Uit het stelsel van de Faillissementswet vloeit voort dat de curator bij het dienen van het belang van de boedel een zo hoog mogelijke boedelopbrengst nastreeft teneinde ieders vordering tot een zo hoog mogelijk bedrag te voldoen.6.Over (de grenzen van) het door de curator te voeren beleid en de beoordeling daarvan door de rechter-commissaris en de rechtbank heeft mijn voormalige ambtgenoot Huydecoper zijn conclusie voor: HR 21 januari 2005, LJN AS3534, NJ 2005, 249 het volgende geschreven:
“62) Dat beleid is niet aan strakke regels gebonden. Het moet er op gericht zijn, met de beschikbare middelen een optimaal resultaat te verwezenlijken. Daarbij geldt echter, ten eerste, dat er meestal een aanzienlijk aantal varianten van beleid mogelijk is, en dat niet op de voorhand evident is, welke daarvan het optimale resultaat zal opleveren. Waar dat het geval is, is het aan de curator om de vereiste afwegingen te maken en om zijn beslissingen daarnaar te richten (onder controle van de rechter-commissaris).
63) Bovendien geldt dat de curator, bij de beoordeling van wat als het optimale resultaat moet worden beschouwd, niet slechts de rechtstreekse (en overigens onderling vaak conflicterende) belangen van de (gezamenlijke) crediteuren voor ogen moet houden, maar daarbij ook andere maatschappelijke belangen moet betrekken. noot 477.Bij de vorming van zijn beleid moet de curator dus met een diversiteit aan belangen rekening houden, waaronder gewoonlijk ook onderling conflicterende belangen. noot 488.(Ook) daarom geldt voor de beoordeling van wat in gegeven omstandigheden als het beste beleid (en wat als het daarmee te bereiken optimale resultaat) mag gelden, dat er gewoonlijk een (aanzienlijke) diversiteit aan mogelijkheden bestaat, en dat het aan de curator is om daarbinnen de vereiste wegingen en keuzes te maken.
Het is, bij die stand van zaken, noodzakelijk, en dus ook aan de door de Faillissementswet gegeven verdeling van taken en bevoegdheden inherent, dat de curator over een zekere beleidsvrijheid beschikt.
64) Bij de toepassing van art. 69 Fw gaat het om het zojuist kort beschreven beleid van de curator. De rechterlijke autoriteiten die in dit verband een toezichthoudende taak hebben, staan voor een deel voor dezelfde afwegingen die ook de curator moet maken: het beoordelen van beleidskeuzes aan de hand van een (soms aanzienlijk) aantal wegingsfactoren die in verschillende richtingen (kunnen) tenderen. In zoverre geldt, dat die rechterlijke autoriteiten het beleid van de curator ten volle (moeten) toetsen. noot 499.
65) Daarbij moet echter worden gerespecteerd dat de curator door de wet als de eerstverantwoordelijke voor het te voeren beleid wordt aangewezen, en dat dat, zoals in de vorige alinea's besproken, als noodzakelijk uitvloeisel een zekere vrije beleidsruimte met zich meebrengt. De rechter die wordt geroepen om beleidsbeslissingen van de curator te toetsen mag - of hij dat ook moet kan nu in het midden blijven - hiermee rekening houden. Hij mag bij zijn toetsing dus een marge inruimen, waarbinnen de beleidsvrijheid van de curator wordt gerespecteerd. Hij mag, anders gezegd, als werkhypothese aannemen dat de curator, als de daartoe door de wet aangewezen functionaris die ook de beste toegang tot alle relevante informatie heeft, het best geplaatst is om de vereiste afwegingen te maken; en hij mag daaraan verbinden dat bij de toetsing van het werk van de curator een zekere terughoudendheid op zijn plaats kan zijn.
Daarbij mag ook een rol spelen dat de bij een faillissement betrokken belangen gediend zijn met een bepaalde mate van slagvaardigheid en doortastendheid aan de kant van de curator, en dat dat belang het best wordt gediend door, bijvoorbeeld, aan crediteuren die een al te gedetailleerde controle op het werk van de curator voorstaan, geen ruime armslag te geven. In zulke opzichten voert ook de rechter tot op zekere hoogte een beleid.
66) Dat de toetsing van het beleid van de curator in het raamwerk van art. 69 Fw op de zojuist beschreven "quasi-marginale" manier mag worden uitgevoerd wordt, behalve door de eerder besproken overwegingen, ook ondersteund door de aard van de bij die wetsbepaling (en ook in het kader van art. 67 Fw) voorziene procedure: een zéér eenvoudige en navenant informele rechtsgang, gericht op beslissingen op buitengewoon korte termijnen.
Van de rechter die op de voet van deze wetsbepalingen wordt ingeschakeld, wordt dus niet een maximaal zorgvuldige vaststelling en afweging van de aangevoerde argumenten verwacht, gericht op een maximaal zorgvuldig afgewogen beslissing - zoals dat bij de beslissingen die van de rechter in zijn "gewone" hoedanigheid worden gevraagd, meestal wèl het geval is. Deze rechter kan ervoor kiezen, te volstaan met beoordeling of het door de curator voorgestane beleid op zinnige gronden berust, en of het past binnen het kader van de beleidsvrijheid die de wet voor de curator inruimt. Dit vindt ook steun in de jurisprudentie (buiten het kader van art. 69 Fw) waarin met de beleidsvrijheid van de curator rekening wordt gehouden. noot 5010.
67) Daarnaast geldt, dat de procedure van art. 69 Fw er niet toe strekt, crediteuren een (snel en gemakkelijk) middel te geven om hun rechten ten opzichte van de boedel of ten opzichte van (andere) betrokkenen daarbij geldend te maken. Een verzoek dat er inhoudelijk toe strekt, een recht van de crediteur jegens de boedel - of bijvoorbeeld jegens andere crediteuren - geldend te maken, kan dan ook niet in de hier voorziene rechtsgang worden gehonoreerd.
(…)
71) (…) de beoordelingsmarge in een kort geding [is] een andere, dan de zojuist met betrekking tot art. 69 Fw besprokene.
In een kort geding staat de voorzieningenrechter als eerste voor de vraag of de eiser inderdaad aan het recht de aanspraak kan ontlenen die hij ten opzichte van de gedaagde meent te hebben. Daarnaast moet, waar dat aan de orde gesteld werd, worden onderzocht of de gevorderde voorlopige voorziening in het licht van de in geding zijnde belangen (al dan niet) aangewezen is (en is er in zoverre sprake van een zekere beleidsmatige afweging; waarbij natuurlijk dezelfde belangen die ook in de procedure op de voet van art. 69 Fw worden aangevoerd, gewicht in de schaal (kunnen) leggen). noot 5411.
72) Het kader van het in kort geding gevraagde onderzoek en de daarop te baseren beoordeling is daarom verschillend van dat, dat voor de procedure op de voet van art. 69 Fw geldt. In het eerste geval gaat het om een onderzoek van de vraag of de gevorderde voorziening rechtmatig en, gezien de betrokken belangen, aangewezen is. In het tweede geval gaat het om beoordeling, aan de hand van de dan voor oordeelsvorming beschikbare gegevens, niet van de vordering van de aanlegger, maar van de juistheid van het beleid van de curator, alle relevante belangen in aanmerking genomen; waarbij het respecteren van een zekere beleidsruimte zo al niet vereist, dan toch passend kan zijn, en waar de eisen van snel en slagvaardig faillissementsbeheer gewicht in de schaal (moeten) leggen. De beoordelingskaders verschillen daardoor niet onaanzienlijk (wat natuurlijk onverlet laat dat de parallellie tussen de wegingsfactoren die in beide rechtsgangen naar voren komen, er toe kan leiden dat de uitkomst dezelfde is.)”
Met Huydecoper neem ik aan dat het alleen gaat om toetsing de juistheid van het beleid van de curator en niet om de rechtmatigheid van het belang van de verzoeker. Een volledige beoordeling van de slagingskans van een actio Pauliana kan in de procedure van art. 69 F. niet worden verlangd.
7.4
Bij de beleidsvrijheid van de curator past ook diens bevoegdheid tot het sluiten van vaststellingsovereenkomsten als bedoeld in art. 104 F. Indien een vaststellingsovereenkomst een gehele dan wel gedeeltelijke afstand van een vorderingsrecht van de boedel tot onderwerp heeft, dan zal zij niet alleen de schuldeiser (of andere partij) met wie de vaststellingsovereenkomst is aangegaan, maar ook de overige schuldeisers van de curator binden, tenzij de curator en zijn wederpartij bij de overeenkomst een ander bedoeling hadden. Deze binding kan niet zover gaan dat daardoor rechten die crediteuren zelf krachtens de Faillissementswet in het faillissement kunnen uitoefenen kunnen worden aangetast.12.
7.5
Voorts geldt dat aan de afwijzing van het op art. 69 F gebaseerde verzoek door de rechtbank mede, en terecht, een belangenafweging ten grondslag ligt (vgl. HR 21 januari 2005, LJN AS3534, NJ 2005, 249). De rechtbank heeft evenals curatoren in aanmerking genomen, dat zelfs als zou blijken dat de vestiging van het pandrecht paulianeus was, dit niet opwoog tegen het - in het onderhavige geval - grotere belang van de boedel om met het sluiten van de vaststellingsovereenkomst zoveel mogelijk opbrengst voor de boedel te genereren. De beslissing van de rechtbank moet overigens mede worden bezien in het licht van het vonnis van de kortgedingrechter Middelburg van 11 september 2012, dat is gewezen tussen Glencore, Nationale Borg en ZSP en waarin is geoordeeld dat het aluminium in de ovens door natrekking onroerend is geworden. Hoewel een kortgedingvonnis niet kracht van gewijsde heeft, is het onderhavige vonnis zeker een factor die in aanmerking dient te worden genomen. De bovenstaande afweging die valt binnen de beoordelingsmarge die de curatoren - en in navolging daarvan - de rechter-commissaris en rechtbank hebben gemaakt, is sterk met de feiten verweven en voor zover in cassatie toetsbaar in het licht van het bovenstaande niet-onbegrijpelijk. De curatoren waren dan ook geenszin gehouden met een beroep op misbruik van omstandigheden/de redelijkheid en billijkheid van de overeenkomst terug te komen. De klacht faalt derhalve.
7.6
Onderdeel 2 strekt ten betoge dat de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft aangelegd bij de beoordeling van de verzoeken. Ook al zou vaststaan dat erkenning door curatoren van het pandrecht van Glencore niet meebrengt dat zij hun taak ex art. 68 F. destijds niet naar behoren hebben vervuld, dan sluit dit geenszins uit dat de curatoren hun taak thans niet naar behoren vervullen door te weigeren op de verzoeken van Nationale Borg in te gaan om te onderzoeken of de vestiging van het pandrechten paulianeuze rechtshandeling was en indien dit het geval was het pandrecht te vernietigen met een beroep op art. 42 F..
7.7
Zoals hierboven is overwogen hebben curatoren bij hun beslissing geen faillissementspauliana in te stellen terecht een belangenafweging gemaakt waarbij zij de omstandigheden van het geval in aanmerking hebben genomen. Deze belangenafweging is in het licht van de taak van de curatoren tot het voortvarend afwikkelen van de boedel en het verwerven van een zo hoog mogelijke opbrengst verre van onbegrijpelijk. De rechtbank heeft dit onderkend en behoefde haar beslissing niet verder te motiveren dan zij heeft gedaan. In cassatie kan de belangenafweging niet op juistheid worden getoetst. De klachten van het onderdeel lopen hierop stuk.
7.8
Onderdeel 3 richt zich tegen de overweging in rov. 3.13 van de rechtbank dat Nationale Borg (a) niet heeft weersproken dat het sluiten van de overeenkomst van 23 december 2011 het belang van de boedel heeft gediend en (b) niet aan curatoren heeft verweten dat zij hun taak niet naar behoren hebben vervuld. Deze overwegingen zijn volgens het onderdeel zonder (nadere) motivering onbegrijpelijk, nu Nationale Borg in feitelijke instanties het volgende heeft betoogd:
(i) Anders dan curatoren stellen, is zij niet gebaat door de overeenkomst. Evenmin is sprake van causaal verband tussen de overeenkomst en het bedrag dat haar ten goede zal komen.
(ii) De erkenning van het derdenpandrecht en de opbrengst van de doorstart voor de boedel, hebben niets met elkaar te maken. Sterker, de rol van curatoren bij de doorstart was minimaal. Nationale Borg heeft een en ander geïnitieerd.
(iii) Naast het derdenpandrecht, hebben curatoren ook het vermeende eigendomsrecht erkend dat Glencore pretendeerde op de aluinaarde die op 23 november 2011 geleverd is. Uit de verpandingsakte van 21 november 2011 blijkt dat al de daarvoor geleverde aluinaarde nog gewoon eigendom werd van Zalco. Nog daargelaten dat de op 23 november 2011 geleverde aluinaarde wellicht door vermenging eigendom is geworden van Zalco, geldt dat ook de rechtshandeling waarmee Zalco erkende dat Glencore eigenaar was van de op 23 november 2011 geleverde aluinaarde, waarschijnlijk paulianeus is en nooit door Curatoren verricht had mogen worden.
(iv) Bij hun onderzoek of sprake is geweest van paulianeus handelen, hebben curatoren een onjuiste maatstaf toegepast.
(v) Curatoren hebben in ieder geval niet alle alternatieven onderzocht. Hoewel curatoren beseften dat zij zich het algemeen crediteurenbelang en de positie van ZSP en Nationale Borg moesten aantrekken, hebben zij buiten Glencore en de bestuurders van Zalco niemand betrokken bij de snel genomen beslissing tot erkenning van het derdenpandrecht van Glencore. Dat is onbegrijpelijk en onaanvaardbaar.
(vi) Curatoren hebben gehandeld onder druk van Glencore en zij hebben zich laten leiden door het feit dat Glencore hen in privé aansprakelijk had gesteld.
7.9
De onder (a) genoemde overweging wordt door geen van de opgesomde omstandigheden ontkracht. Voorts geldt dat onderdeel 3 belang mist, nu zoals hierboven is overwogen curatoren bij hun beslissing geen faillissementspauliana in te stellen een niet-onbegrijpelijke belangenafweging hebben gemaakt waarbij zij de omstandigheden van het geval in aanmerking hebben genomen. De klacht faalt derhalve.
7.10
Onderdeel 4 bouwt voort op de voorgaande klachten en moet het lot daarvan delen. Nu Nationale Borg met dit onderdeel beoogt een volledige beoordeling te verkrijgen van haar stelling met betrekking tot het paulianeuze karakter van het pandrecht, miskent zij de beperkingen van art. 69 F. Ook om die reden kan het onderdeel niet tot cassatie leiden.
8. Beoordeling van het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel
8.1
Onderdeel 1 richt zich met de combinatie van een rechts- en een motiveringsklacht tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 3.10-3.12 dat curatoren de rechtmatigheid van het pandrecht van Glencore onvoldoende hebben onderzocht.
8.2
Het onderdeel faalt wegens gemis aan belang nu het zich richt tegen rechtsoverwegingen die de beslissing van de rechtbank niet dragen. De rechtbank komt in 3.13 tot de conclusie dat door de vaststellingsovereenkomst curatoren niet meer op de erkenning van het pandrecht terug kunnen komen. Hiermee komt ook het belang te ontvallen aan de vaststelling dat curatoren de rechtmatigheid van het pandrecht van Glencore onvoldoende hebben onderzocht. De klacht faalt derhalve.
8.3
Onderdeel 2 klaagt erover dat het oordeel van de rechtbank in rov. 3.13, dat curatoren gelet op vaststellingsovereenkomst niet meer op het pandrecht van Glencore kunnen terugkomen, onjuist dan wel onbegrijpelijk is voor zover de rechtbank daarmee tot uitdrukking heeft willen brengen curatoren het pandrecht van Glencore onvoorwaardelijk en ten aanzien van alle in de vaststellingsovereenkomst bedoelde pledged goods hebben erkend.
8.4
De klacht faalt wegens gemis aan feitelijke grondslag nu de rechtbank niet in deze zin heeft geoordeeld.
8.5
Als uw Raad met mij van oordeel is dat het principale cassatieberoep verworpen moet worden, hebben de curatoren bij behandeling van het incidentele beroep geen belang. De aard van de procedure van art. 69 F. brengt mee dat de rechter die geroepen zou worden over de kwesties waarop de aangevallen oordelen betrekking hebben, opnieuw een beslissing te nemen, aan de overwegingen van de rechtbank niet is gebonden.
9. Conclusie
Deze strekt tot verwerping
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
waarnemend advocaat-generaal.
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 25‑10‑2013
De curatoren hebben erop gewezen dat deze erkenning moet worden genuanceerd, zie verweerschrift van de curatoren onder nrs. 79 e.v.
Rb. Utrecht 18 november 2010, RI 2011, 39.
HR 10 mei 1985, NJ 1985, 793 m.nt. G, rov. 3.2.2.
Vgl. A-G Huydecoper in zijn conclusie voor: HR 21 januari 2005, LJN AS3534, NJ 2005, 249.
B. Wessels, Insolventierecht deel IV, Bestuur en beheer na faillietverklaring, 2010, nrs. 4200-4201; zie ook Bremer Schikkingsperikelen tijdens faillissement, TvI 2007, 17.
Polak-Wessels, Insolventierecht deel IV, Bestuur en beheer na faillietverklaring, 2001, nrs. 4200-4201 en nrs. 4221-4224; HR 19 april 1996, NJ 1996, 727 m.nt. WMK, rov. 3.6.
Zelfde vindplaatsen als de vorige voetnoot.
Polak-Polak, Faillissementsrecht, 2002, p. 161; Polak-Wessels, Insolventierecht deel IV, Bestuur en beheer na faillietverklaring, 2001, nrs. 4232-4234; zie ook T&C Faillissementswet, 2002, Elskamp & Van der Heijden, art. 69, aant. 3.
Zie bijvoorbeeld HR 9 juni 2000, NJ 2000, 577 m.nt. PvS, rov. 3.4; HR 27 november 1998, NJ 1999, 685 m.nt. PvS, rov. 4.5.2 en (alweer) HR 19 april 1996, NJ 1997, 727 m.nt. WMK, rov. 3.6, HR 24 februari 1995, NJ 1996, 472 m.nt. WMK, rov. 3.5 (slotalinea) en HR 10 mei 1985, NJ 1985, 793 m.nt. G, rov. 3.2.2 en 3.2.3. Zie ook T&C Faillissementswet, 2002, Elskamp & Van der Heijden, art. 68, aant. 2. Uitvoerige beschouwingen over dit onderwerp bij Polak-Wessels, Insolventierecht deel IV, Bestuur en beheer na faillietverklaring, 2001, p. 120-145.
Zie voor het beoordelingskader van de kortgedingrechter bijvoorbeeld Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.), Numann, Inleiding Titel 2, afd. 14, aant. 5.
B. Wessels, Insolventierecht, deel IV, Bestuur en beheer na faillietverklaring 2010, 3e druk, nr. 4395; HR 8 juni 1962, NJ 1963, 525 Zie echter ook: HR 21 december 2001, LJN AD2684, NJ 2005, 95; F.M.J. Verstijlen, Kluwer’s Losbl. Fw., art. 104 F.
Beroepschrift 13‑03‑2013
Hoge Raad der Nederlanden
Zaaknummer C12/05928
VERWEERSCHRIFT IN CASSATIE,
TEVENS BEVATTENDE
VOORWAARDELIJK INCIDENTEEL
CASSATIEBEROEP
In de zaak van:
- 1.
de heer Mr. B. VAN LEEUWEN,
kantoorhoudende te Goes,
- 2.
de heer Mr. P.E. BUTTERMAN,
kantoorhoudende te Breda,
beiden in hun hoedanigheid van curatoren in het faillissement van de naamloze vennootschap ZEELAND ALUMINIUM COMPANY N.V.,
gevestigd te Vlissingen,
Verweerders in cassatie, tevens
voorwaardelijk verzoekers tot cassatie,
Cassatieadvocaat: mr. M.A.J.G. Janssen,
contra:
de naamloze vennootschap NV NATIONALE BORG — MAATSCHAPPIJ,
gevestigd te Amsterdam,
Verzoekster tot cassatie, tevens voorwaardelijk verweerster in cassatie,
Cassatieadvocaat: mr. W.H. van Hemel
I. Inleiding
1.
Verweerders in cassatie (hierna: ‘curatoren’) die te dezer zake woonplaats kiezen aan de Statenlaan 55, 5223 LA te 's‑Hertogenbosch ten kantore van de advocaat bij de Hoge Raad mr. M.A.J.G. Janssen (BANNING N.V.) die dit verweerschrift ondertekent en indient.
2.
Middels een verzoekschrift tot cassatie d.d. 28 december 2012 heeft verzoekster tot cassatie (hierna: ‘Nationale Borg’) beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Breda, d.d. 17 december 2012, onder zaaknummer 254857/HA RK 12–190, gewezen tussen Nationale Borg als appellante en curatoren als geïntimeerden.
3.
Curatoren wensen middels het onderhavige verweerschrift verweer te voeren tegen het door Nationale Borg ingestelde cassatieberoep en voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep in te stellen tegen de sub 2 bedoelde beschikking.
II. (Algemeen) toetsingskader in cassatie
II.1. Algemeen
4.
Bij de Hoge Raad kan slechts geklaagd worden over schending van het recht en over vormverzuimen. Voor een hernieuwd onderzoek naar de feiten is gèèn plaats. De ‘materiële’ klachten betreft derhalve de juistheid van de juridische oordelen, waarop de bestreden beslissing steunt. Rechtsoordelen behoeven geen motivering, ze zijn goed of fout, waarbij slechts het resultaat bepalend is.
5.
Bij ‘formele’ klachten gaat het om de vraag of de processuele weg, waarlangs de rechter tot zijn beslissing is gekomen zonder fouten is afgelegd en of hij in de motivering van zijn beslissing van de gronden waarop hij daartoe is gekomen, in voldoende mate verantwoording heeft gegeven. De motiveringsplicht van de rechter staat slechts tegenover de stellingen van partijen.
6.
Iedere uitspraak is voor een belangrijk deel opgebouwd uit feitelijke beslissingen, zoals de uitleg van gedingstukken alsmede de proceshouding van partijen (uitlatingen, bedoelingen e.d.), terwijl ook juridische oordelen (veel) elementen kunnen bevatten die ruimte laten voor waarderingen in verschillende richtingen en waarderingen voor gedeeltelijk feitelijke / gedeeltelijk juridische aard. In het laatste geval is slechts sprake van een (zeer) beperkte controle.
7.
Het oordeel van de rechter ter zake is zo zeer afhankelijk van een met de feiten verweven waardering van de omstandigheden die aan de rechter die over de feiten oordeelt is voorbehouden, dat toetsing in cassatie niet (goed) mogelijk is.
8.
Met betrekking tot motiveringsgebreken bij feitelijke beslissingen geldt dat ter zake alleen met succes kan worden geklaagd wanneer:
- a)
de beslissing — werkelijk — onbegrijpelijk is, in die zin dat de motivering geen inzicht verschaft hoe de rechter tot zijn feitelijke vaststellingen en beslissingen is gekomen;
- b)
indien de overwegingen in de bestreden beslissing innerlijk tegenstrijdig zijn of kennelijk op vergissingen berusten dan wel;
- c)
de feitenrechter bij de vaststelling van de feiten — essentiële — stellingen van partijen buiten beschouwing heeft gelaten.
9.
Ook de vraag of bepaalde feiten voldoende duidelijk zijn gesteld c.q. aannemelijk zijn geworden is aan discretie van de feitenrechter overgelaten. Zo mag deze enerzijds uit de producties bepaalde conclusies trekken, ook als die niet met zoveel woorden door de daarbij belanghebbende partij zelf zijn getrokken, mits deze aansluiten bij diens stellingen. Anderzijds kan men de rechter niet verwijten dat hij niet spontaan uit producties bepaalde conclusies heeft getrokken die de belanghebbende niet reeds zelf duidelijk aan hem heeft voorgelegd.
II.2. Aanvullende opmerkingen met betrekking tot het toetsingskader in cassatie in de onderhavige zaak
10.
In aanvulling op het hiervoor sub II.1 geschetste algemene toetsingskader dat ook zal worden toegepast bij de beoordeling van de door Nationale Borg geformuleerde cassatieklachten, kan het volgende worden opgemerkt.
11.
In de onderhavige zaak gaat het, kort samengevat, om de vraag of de rechtbank al dan niet terecht het verzoek van Nationale Borg ex art. 69 Fw heeft afgewezen. Ter zake de toetsing in cassatie van een beslissing ex art. 69 Fw (na hoger beroep ex art. 67 Faillissementswet) heeft de Hoge Raad onder meer in het arrest d.d. 10 mei 1985, NJ 1985, 793, r.o. 3.2.3 als volgt geoordeeld: ‘Haar oordeel kan, als van feitelijke aard, in cassatie nìet op juistheid worden getoetst; het is niet onbegrijpelijk en de rechtbank is overigens niet in haar motiveringsplicht tekortgeschoten’.
12.
Zie ook HR 16 juni 1995, NJ 1996, 553, r.o. 3.5:
‘ Het oordeel van de rechtbank geeft geen blijk van een onjuiste opvatting omtrent de door het tweede lid van art. 8 EVRM vereiste afweging van belangen en kan voor het overige, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie nìet op zijn juistheid worden getoetst. Anders dan het middel wil, mocht de rechtbank in haar afweging ook de rechten van de boedelcrediteuren betrekken; de in het middel vervatte klacht dat de rechtbank ten onrechte onbesproken heeft gelaten dat de boedelkosten vrijwel het gehele bij verkoop van het huis te verwerven actief opslokken, faalt derhalve eveneens’.
13.
Vergelijk in dit verband Cassatie in Burgerlijke Zaken, Asser Serie Procesrecht, 2005, nr. 103:
‘Het resultaat van een belangenafweging zal in cassatie in de regel ook als een feitelijke beslissing worden aangemerkt. In de regel, want als er sprake is van een belangenafweging bij botsing van (grond)rechten dan kan de waardering van die belangen op een zodanig abstract niveau, dat wil zeggen, ongeacht de individuele belangen van betrokkenen plaatsvinden dat de Hoge Raad die belangenafweging volledig toetst; Toen aan de orde was een botsing tussen het recht van een dochter de naam van haar natuurlijke vader te kennen en het recht van haar moeder die naam ook tegenover haar dochter verborgen te houden, honoreerde de Hoge Raad de klacht van de dochter dat het hof bij die belangenafweging de wederzijdse rechten en belangen rechtens onjuist had gewaardeerd … Een andere zaak met betrekking tot botsing van (grond)rechten achtte de Hoge Raad echter een weging van de concrete belangen van partijen beslissend en onthield het college zich van volledige toetsing’.
14.
Zie verder over de — beperkte — toetsing in cassatie van een beslissing ex art. 69 Fw, dan wel 67 Fw hierna hoofdstuk IV.
III. De relevante feiten en het procesverloop
15.
In deze zijn in ieder geval de hierna volgende feiten relevant1. :
16.
De naamloze vennootschap Zeeland Aluminium Company N.V. (hierna: ‘Zalco’), gevestigd te Vlissingen en kantoorhoudende te Ritthem, is een dochtervennootschap van de besloten vennootschap BaseMet B.V. (hierna: ‘BaseMet’).
17.
Zalco hield zich bezig met de productie van aluminium en exploiteerde daartoe in de haven van Vlissingen onder andere een aluminiumsmelterij, een aluminiumgieterij en een anodefabriek.
18.
In 2007 heeft Zalco bijna het volledige bedrijventerrein aan de naamloze vennootschap Zeeland Seaports N.V. (hierna: ‘ZSP’) verkocht en geleverd waaronder het gedeelte waarop de aluminiumsmelterij staat. ZSP heeft het terrein vervolgens in erfpacht gegeven aan Zalco. Daarnaast heeft ZSP ten behoeve van Zalco een recht van opstal gevestigd.
19.
Op 27 januari 2010 heeft Nationale Borg voor haar vordering op Zalco een recht van eerste hypotheek verkregen op het recht van opstal en het recht van erfpacht. Daarnaast heeft Nationale Borg nog een pandrecht.
20.
Omstreeks dezelfde tijd heeft ZSP voor haar vordering op Zalco een recht van tweede hypotheek verkregen op het door haar aan Zalco verleende recht van opstal en recht van erfpacht.
21.
De vennootschap naar Zwiters recht Glencore A.G. (hierna: ‘Glencore’) was één van de grootste leveranciers van grondstoffen van Zalco. Zij leverde aluinaarde voor de productie van aluminium. Deze aluinaarde werd ten tijde van het faillissement geleverd via een zustermaatschappij van Zalco, de vennootschap naar Zwitsers recht Panther Tag (hierna: ‘Panther’).
22.
Glencore heeft onder meer in verband met een aantal latere leveringen aluinaarde van Zalco een derden pandrecht bedongen. Het pandrecht strekt tot zekerheid van al hetgeen Glencore te vorderen heeft van BaseMet en/of Panther.
23.
Dit pandrecht is gevestigd op 21 november 2011. Volgens deze akte is het pandrecht gevestigd op All Moveable Assets. Blijkens de akte dient dit begrip aldus te worden uitgelegd dat daaronder alle aluminiumvoorraad en aluminiummetaalvoorraad vallen, waaronder eindproducten, halffabricaten en vloeibaar aluminium in de ovens.
Op 13 december 2011 heeft Zalco besloten haar faillissement aan te vragen hetgeen dezelfde dag is gedaan en diezelfde middag is behandelend en uitgesproken bij vonnis van de rechtbank Middelburg met benoeming van mrs. Van Leeuwen en Butterman tot curator.
24.
Ten tijde van het faillissement was de onderneming nog in vol bedrijf. Een deel van het aluminium bevond zich nog in vloeibare toestand in de ovens van de aluminiumsmelterij. Kort na het uitspreken van het faillissement en wel vrijdagavond 16 december 2011 is het productieproces van Zalco stil gelegd als gevolg waarvan het vloeibare aluminium in de ovens is gestold.
25.
Op 23 december 2011 hebben de curatoren na een aantal dagen van uitvoerig overleg met ZSP, Nationale Borg en Glencore (zie verweerschrift curatoren in hoger beroep, par. 19–23) met Glencore een overeenkomst gesloten. Met betrekking tot de aluinaarde hebben zij verklaard dat zij de eigendom van Glencore erkennen. Met betrekking tot de ‘Pledged Goods’, het pandrecht op de goederen, hebben zij verklaard dat zij het pandrecht van Glencore voorwaardelijk erkennen zoals nader omschreven in de pandakte. Zij erkennen ondermeer uitdrukkelijk niet het pandrecht op het aluminium, geproduceerd na datum faillissement. Met betrekking tot het aluminium in de smeltovens zijn de curatoren met Glencore overeengekomen dat Glencore als pandhouder het aluminium verwijdert en dat de opbrengst in depot wordt gehouden in verband met een mogelijk geschil met de hypotheekhouder ZSP en/of Nationale Borg. Aan de zijde van de curatoren is deze overeenkomst uitdrukkelijk onderworpen aan instemming van alle hypotheekhouders.
26.
Verder zijn partijen overeengekomen dat Glencore een bedrag van € 200.000,= betaalt in verband met de energieleveringen, naast een boedelbijdrage van 3% over de uitlevering van verpande zaken en een vergoeding van de kosten van begeleiding.
27.
Tussen Glencore, Nationale Borg en ZSP is een geschil ontstaan over de goederenrechtelijke aard van de inhoud van de ovens, en aldus aan wie deze inhoud rechtens toekomt: Glencore als pandhouder of door natrekking Nationale Borg en/of ZSP als hypotheekhouder(s).
28.
Glencore heeft reeds in de loop van februari 2012 een vordering in kort geding ingesteld met als doel een voorziening te krijgen tegen ZSP en Nationale Borg inhoudende dat zij moeten gehengen en gedogen dat Glencore het gestolde aluminium uit de ovens verwijderd en verkoopt (zie verzoekschrift in appel, par. 2.21). Dit kort geding is nimmer tot een inhoudelijke behandeling gekomen. Op 17 februari 2012 heeft Nationale Borg de executie aangezegd van het opstalrecht en aansluitend heeft ZSP aangezegd het opstal- en erfpachtrecht te willen executeren. Glencore heeft aangekondigd eventueel in kort geding positie op te eisen met betrekking tot het aluminium in de ovens.
29.
Nadat Glencore op 18 mei 2012 een verzoek ex art. 58 Fw tot termijnverlenging heeft gedaan, heeft Nationale Borg op 4 juni 2012 heeft Nationale Borg zich op de voet van art. 69 Fw tot de R-C gewend met het verzoek de curatoren te bevelen (nader) onderzoek te verrichten naar de rechtmatigheid van het aan Glencore verleende derdenpandrecht en zo nodig op grond van de pauliana daarvan de vernietiging in te roepen.
30.
Op 5 juni 2012 heeft de mondelinge behandeling van dit verzoek plaatsgevonden. Tevens werd het verzoek van Glencore tot verlenging van de termijn die de curatoren haar op grond van art. 58 Fw hadden gesteld behandeld. De behandeling is geschorst teneinde partijen, met name Nationale Borg, ZSP en Glencore, in de gelegenheid te stellen tot een (allesomvattende) regeling te komen.
31.
Op 11 juni 2012 is tussen de curatoren, Nationale Borg, ZSP, UTB B.V. en Century een overeenkomst gesloten welke inhield dat de aluminiumfabriek van Zalco in drie delen zou worden gesplitst. De aluminiumgieterij zou worden overgedragen aan UTB en de anodefabriek aan Century. ZSP zou de aluminiumsmelterij laten slopen en de ondergrond laten reinigen om plaats te maken voor nieuwe (havengebonden) activiteiten op het terrein. De sloop en de sanering zouden worden uitgevoerd door UTB.
32.
Op 27 juni 2012 heeft Glencore aan de Voorzieningenrechter te Middelburg verlof gevraagd en verkregen tot het leggen van beslag ex art. 496 lid 2 Rv juncto art. 492 Rv.
Op 30 juni 2012 heeft Glencore pandhoudersbeslag gelegd op het gestolde aluminium in de smeltovens van ZSP.
33.
Bij dagvaarding van 17 augustus 2012 heeft Glencore bij de rechtbank Middelburg een kort geding aanhangig gemaakt tegen UTB, ZSP en de curatoren waarin zij vordert UTB te verbieden de ovens de slopen en de inhoud te verwijderen en ZSP en curatoren te laten gedogen dat Glencore de inhoud van de ovens verwijdert en verkoopt.
34.
Op 20 en 27 augustus 2012 is de behandeling van het verzoek ex art. 69 Fw van Nationale Borg door de R-C voortgezet.
35.
Op 5 september 2012 heeft Glencore aangekondigd op 10 september 2012 tot executie van haar pandrecht op het gestolde aluminium in de ovens over te gaan. Bij kort geding dagvaarding van 8 september 2012 heeft Nationale Borg als lasthebber van ZSP gevorderd deze executie te verbieden. Bij vonnis van 10 september 2012 heeft de Voorzieningenrechter te Middelburg dat verbod toegewezen.
36.
Bij beschikking van 10 september 2012 heeft de R-C op het verzoek van Glencore tot verlenging van de termijn ex art. 58 Fw beslist dat de termijn is verlengd tot 10 september 2012 en verdere verlenging afgewezen.
37.
Tegen deze beslissing heeft Glencore cassatie ingesteld bij verzoekschrift d.d. 10 december 2012. Bij verweerschrift d.d. 6 februari 2013 hebben de curatoren, kort gezegd, primair het verweer gevoerd dat Glencore niet ontvankelijk is in haar cassatieberoep wegens het te laat indienen van het verzoekschrift tot cassatie en hebben zij subsidiair betoogd dat de door Glencore geformuleerde cassatieklachten dienen te worden verworpen, kosten rechtens. Voormelde cassatieprocedure is bij de Hoge Raad aanhangig onder zaaknummer C12/05928.
38.
Bij vonnis van 11 september 2012 heeft de Voorzieningenrechter te Middelburg de vordering van Glencore afgewezen onder opheffing van het door Glencore gelegde beslag. Overwogen is dat voorshands niet is gebleken dat de vestiging van het pandrecht ten behoeve van Glencore als paulianeus moet worden betiteld omdat de curatoren het pandrecht niet hebben vernietigd met een beroep op art. 42 Fw juncto art. 43 lid 1 sub 1 en 2 Fw en er nog niet is beslist op het verzoek ex art. 69 Fw om de curatoren te bevelen het pandrecht van Glencore te vernietigen. Vervolgens is overwogen dat het aluminium op grond van art. 3:4 lid 2 BW door de ovens is nagetrokken en dat, nu de ovens als onroerend te kwalificeren zijn, het aluminium ook onroerend is. Het moet er dan ook volgens de Voorzieningenrechter voor worden gehouden dat Glencore geen pandrecht heeft.
39.
Bij beschikking van 27 september 2012 heeft de R-C van de rechtbank Breda het verzoek ex art. 69 Fw van Nationale Borg afgewezen.
40.
Nationale Borg heeft tegen deze beschikking van de R-C ex art. 67 Fw beroep ingesteld. Het hoger beroep zijdens Nationale Borg is door de rechtbank Breda behandeld tijdens de mondelinge behandeling d.d. 3 december 2012.
41.
Bij beschikking d.d. 17 december 2012 heeft de rechtbank het verzoek van Nationale Borg in hoger beroep afgewezen en Nationale Borg veroordeeld in de kosten van het geding aan de zijde van de curatoren.
42.
Voor zover in het kader van het onderhavige hoofdstuk III relevant luiden de overwegingen van de rechtbank die aan voormelde beslissing ten grondslag liggen als volgt (r.o. 3.13):
‘NB heeft niet weersproken dat het sluiten van de overeenkomst van 23 december 2011 het belang van de boedel heeft gediend, een en ander zoals door de curatoren ter zitting nader geconcretiseerd en hierboven weergegeven. Evenmin heeft NB de curatoren verweten dat zij in dit opzicht hun taak niet naar behoren hebben vervuld. Zij is alleen van mening dat de curatoren het pandrecht niet hadden mogen erkennen. De rechtbank is van oordeel dat ook indien — na nader onderzoek — zou komen vast te staan dat NB daarin gelijk heeft, de R-C terecht het verzoek van NB om de curatoren op te dragen nader onderzoek te verrichten heeft afgewezen, zij het dat de rechtbank op andere gronden dan de R-C tot dit oordeel komt. Volgens de curatoren hebben zij op 23 december 2011 een vaststellingsovereenkomst gesloten. Steun voor deze stelling kan worden gevonden in de aanhef van de overeenkomst waarin staat dat Glencore en de curatoren ‘In ending an ongoing discussion on the seperate points listed hereunder’ een aantal afspraken hebben gemaakt. Ook NB gaat er van uit dat deze overeenkomst een vaststellingsovereenkomst is. Dat betekent dat de curatoren, naar zij terecht stellen, niet meer op de erkenning van het pandrecht terug kunnen komen, ook niet wanneer na nader onderzoek zou blijken dat de curatoren het pandrecht van Glencore ten onrechte hebben erkend. De curatoren hebben immers aan de discussie of aan Glencore een rechtsgeldig pandrecht is verleend met deze overeenkomst een einde gemaakt. Overigens ziet de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van het verweer van de curatoren, dat er sprake is geweest van een goed beheer van de boedel door op 23 december 2011 een regeling met Glencore te treffen, die ondermeer inhield dat het pandrecht van Glencore zou worden erkend’.
IV. Het principale cassatiemiddel van Nationale Borg
43.
Nu het middel (en de in dat verband geformuleerde klachten), tot de kern gebracht, het oordeel van de rechtbank bestrijden dat, kort gezegd, het hiervoor sub III nader omschreven verzoek ex art. 69 Fw van Nationale Borg dient te worden afgewezen, is het relevant allereerst de in deze van belang zijnde juridische leerstukken te schetsen, te meer nu de uiteenzetting van Nationale Borg in het verzoekschrift tot cassatie (en de daarop gebaseerde (rechts)klachten ter zake niet (geheel) juist is, althans niet (voldoende) genuanceerd.
Juridisch kader
IV.1. Plaatsbepaling
44.
Als gevolg van de faillietverklaring verliest de gefailleerde het beheer en de beschikking over zijn vermogen (voor zover behorend tot de boedel), en komen deze bevoegdheden bij de curator te liggen.2. De belangrijkste taken van de curator daarbij zijn het bijeenbrengen en bewaren van de tot de boedel behorende activa. De curator reconstrueert de boedel als het ware, waarbij reconstructie onder meer impliceert dat het beheer en de vereffening zien op het vergaren van vermogensbestanddelen die ten tijde van het faillissement (reeds) tot de boedel behoren.3.
45.
Bij de uitoefening van diens beheers- en vereffeningstaken komt aan de curator in beginsel een grote mate van vrijheid toe.
IV.2. Art. 69 Faillissementswet
46.
Art. 69 Fw bevat een waarborg tegen een te vergaand gebruik van zijn bevoegdheden door de curator. De bepaling biedt de mogelijkheid aan bepaalde direct betrokkenen om het beheer van de boedel de beïnvloeden, teneinde fouten te voorkomen of, indien mogelijk, deze te doen herstellen. Iedere schuldeiser, de commissie uit de schuldeisers en ook de gefailleerde kunnen tegen iedere handeling van de curator opkomen bij de R-C , of van deze een bevel uitlokken dat de curator een bepaalde handeling zal verrichten, dan wel een voorgenomen handeling zal nalaten.4.
Doel van de regeling
47.
Art. 69 Fw stelt de curator derhalve ‘onder de controle’ van hen in wier belang de curator is aangesteld.5. Volledigheidshalve volgt hieronder een citaat uit de Memorie van Toelichting op dit punt.
Memorie van Toelichting6.:
‘De betrekkelijk uitgebreide bevoegdheid, die den curator, altijd onder toezicht van den R-C […], in art. 68 wordt gegeven, vindt, voor zooverre zij mocht schijnen te ver te gaan, haar correctief in art. 69. Dit laatste art. zal ene grote verbetering aanbrengen en tevens ongetwijfeld, zoo al geen afdoenden, dat toch een voldoenden waarborg voor een richting beheer en behoorlijke behartiging van aller belangen in het leven roepen. Het stelt den curator onder de voortdurende controle van hen in wier belang hij is aangesteld. Men kan toch met recht van het uitoefenen van controle spreken, waar aan belanghebbenden de middelen gegeven zijn om eventuele bezwaren kenbaar te maken, en voor hen de zekerheid bestaat dat zij gehoord zullen worden. In de ruimste mate nu geeft art. 69 den schuldeisers en den gefailleerde de middelen zich te doen gelden en voor hunne belangen op te treden. Niet alleen kunnen zij bestrijden wat verricht is, aandringen op hetgeen hun inziens ten onrechte is nagelaten, maar ook zich verzetten tegen een voorgenomen handeling. Men mag aannemen dat de grief, thans zo dikwijls geuit, dat de schuldeisers te weinig invloed kunnen uitoefenen op den gang van zaken, door dit art. grotendeels weggenomen zal worden. Aan den gefailleerde mag het recht van verzet niet onthouden worden omdat elke handeling van den curator zijne zaak geldt; het is zijn boedel die vereffend wordt ter voldoening zijner schuldeisers; al mag hij zelf niet beheren, het is voor hem niettemin van het grootste belang dat er goed beheerd worden’.
48.
Het voorschrift van art. 69 Fw is in beginsel gegeven om de daarin genoemden invloed toe te kennen op het beheer over de failliete boedel, maar het art. dient niet om de aldaar genoemden in de gelegenheid te stellen op deze eenvoudige wijze aan hen persoonlijk toekomende rechten tegenover de boedel geldend te maken.7.
49.
Zie SDU Commentaar Insolventierecht, aantekening C.l. op art. 69 Fw:
‘Het voorschrift van art. 69 is in beginsel slechts gegeven om de daarin genoemden — waaronder de gefailleerde — invloed toe te kennen op het beheer over de failliete boedel en om, zo zij menen dat bij dat beheer fouten worden gemaakt, deze te doen herstellen of voorkomen, en niet om hen in de gelegenheid te stellen op deze eenvoudige wijze aan hen persoonlijk toekomende rechten over de boedel geldend te maken. Evenwel bestaat aanleiding op dit beginsel een uitzondering te maken voor het geval het gaat om aan de gefailleerde persoonlijk toekomende rechten op geldend als bedoeld in art. 21 onder 3e FW, of uit hoofde van andere wettelijke bepalingen die met die bepaling voor de toepassing van art. 69 gelijk moeten worden gesteld. Reden hiervoor is dat voornoemde persoonlijke rechten ertoe strekken de gefailleerde ondanks zijn faillissement de beschikking te doen houden over uitkeringen tot zijn levensonderhoud bestemd. Het is immers wenselijk dat geschillen, welke omtrent dergelijke rechten tussen curator en de gefailleerde mochten rijzen, op korte termijn en op eenvoudige, voor de gefailleerde zo min mogelijk kosten met zich brengende wijze kunnen worden beslist (HR 10 mei 1985, NJ 1985, 792 m.nt G, LJN AG5016 en HR 14 juni 1985, NJ 1985, 795, m.nt. G, LJN AC3639).
Hoewel dit art. zulks niet uitdrukkelijk vermeldt, brengt de aard van ieder rechtsmiddel mee dat het niet toekomt aan degene die daarbij geen belang heeft. Als belang kan niet alleen een onmiddellijk geldelijk belang dienen, doch ook een indirect belang, zoals de voorkoming van boedelkosten of het aflossen van schulden met gelden die daarvoor niet mogen worden aangewend (HR 13 juni 1928, NJ 1928, p. 1379). Voor ingrijpen van de R-C op de voet van art. 69 is voorwaarde dat zulks is verzocht door degene(n), die een zodanig verzoek op grond van het eerste lid kunnen doen. Dit volgt niet alleen uit de tekst van de bepaling — de kring van hen, die een zodanig verzoek kunnen doen, is aldaar limitatief omschreven — maar ook uit de strekking ervan: de bepaling beoogt de curator te stellen onder controle van hen, in wier belang hij is aangesteld. Uit deze strekking van art. 69 volgt dat voor het geven van een bevel, wanneer dat is gevraagd door een schuldeiser, slechts plaats is indien de bij het beheer de bij het beheer en de vereffening van de failliete boedel betrokken belangen van de verzoeker als schuldeiser, door de voorgenomen handeling dreigen te worden geschaad’.
Gerechtigden
50.
Blijkens het eerste lid van art. 69 Fw komt een beroep op dat art. slechts toe aan iedere schuldeiser, de commissie uit de schuldeisers en ook de gefailleerde. Art. 69 Fw geeft daarmee een limitatieve opsomming van mogelijke verzoekers.
Hoge Raad8.:
‘3.3.1
Het onderdeel gaat er terecht van uit dat voor ingrijpen van de R-C op de voet van art. 69- en voor ingrijpen van de Rb. in hoger beroep — voorwaarde is dat zulks is verzocht door een of meer dergenen die een zodanig verzoek naar luid van art. 69 eerste lid kunnen doen. Dit volgt niet alleen uit de tekst van de bepaling — de kring dergenen die een zodanig verzoek kunnen doen, is aldaar limitatief omschreven — maar ook uit de strekking ervan: de bepaling beoogt de curator te stellen onder controle ‘van hen, in wier belang hij is aangesteld’ (MvT, Van der Feltz II, p. 9)’.
Belang
51.
Hoewel art. 69 Fw dit niet uitdrukkelijk vermeldt, brengt de aard van ieder rechtsmiddel mee dat het niet toekomt aan degene die daarbij geen belang heeft. Het betreft hier een toepassing van art. 3:303 BW. Als belang kan niet alleen een onmiddellijk geldelijk belang dienen, maar ook een indirect belang zoals de voorkoming van boedelkosten en het aflossen van schulden met gelden die daarvoor niet mogen worden aangewend.9.
Groene Serie Faillissementswet10.:
‘Men zie: HR 13 juni 1928, W 11 880, m.nt. Molengraaff; NJ 1928, 1379, m.nt. E.M. Meijers (Tent/Kalma q.q.):
Al moge art. 69 het vereiste van belang niet stellen, de aard van ieder rechtsmiddel, en mitsdien ook van het hierbedoelde, brengt mee dat het niet toekomt aan wie daarbij geen belang heeft. De rechtbank heeft dan ook terecht onderzocht of verzoeker belang had. Toen de rechtbank echter besliste dat verzoeker ‘generlei belang’ had, doelde zij, blijkens de samenhang der beslissing, enkel op een onmiddellijk geldelijk belang en zag eraan voorbij, dat verzoeker een, zij het dan wellicht slechts indirect, belang had, namelijk dat door het voorkomen van een proces wordt verhinderd dat de boedelkosten nodeloos worden verhoogd en dat de schulden van het faillissement zouden worden gekweten uit gelden die daarvoor niet zouden mogen dienen’.
52.
Uit de strekking van art. 69 Fw volgt dat voor het geven van een bevel door de R-C aan de curator, wanneer dat is gevraagd door een schuldeiser, slechts plaats is indien de bij het beheer en de vereffening van de failliete boedel betrokken belangen van de verzoeker als schuldeiser, door de voorgenomen handeling dreigen te worden geschaad.11. Zie voorts:
A-G Frankx12.:
‘Het komt mij voor dat de subonderdelen b.1-b.3 berusten op het juiste uitgangspunt, dat het door de art. 69 en 67 Fw vereiste belang moet zijn een belang van de (failliete boedel of een belang van de) verzoeker in zijn hoedanigheid van schuldeiser. Anders gezegd: het gevraagde bevel moet rechtstreeks het beheer of de vereffening van de boedel betreffen’.
En tevens de noot daarbij van W.C.L. van der Grinten:
‘De bevoegdheid van de R-C ex art. 69 is een gelimiteerde bevoegdheid. Hij kan op verzoek van hen die in art. 69 genoemd zijn, bevelen geven aan de curator op grond van schuldeisers belangen en op grond van boedelbelangen van de gefailleerde. Hij kan dit niet doen op grond van andere belangen. In de MvA II schreef de minister: ‘De curator alleen beheert en vereffent, de R-C heeft uitsluitend toezicht. Daar de R-C dus in het algemeen geen medebestuur of opperbestuur voert, heeft hij, behalve in een enkel speciaal geval (art. 69) omtrent het beheer in dezen of genen zin ook gene bevelen te geven’.
De curator heeft binnen de grenzen van de wet een autonome taak. Omtrent de belangrijke beleidsbeslissingen zal een goed overleg tussen de R-C en curator wenselijk zijn. In het systeem van de wet heeft de R-C echter niet het laatste woord’.13.
53.
Curatoren wijzen in dit verband op onderstaande uitspraken van de Hoge Raad. Hierin wordt ingegaan op de vraag of de verzoeker als schuldeiser een belang heeft bij het verzoek ex art. 69 Fw. De betreffende overwegingen geeft een nader inzicht in de aan te leggen toets ex art 69 Fw.
Hoge Raad14.:
‘2.2
Art. 69 Fw geeft aan de schuldeisers, de schuldeiserscommissie of de gefailleerde de mogelijkheid om bij de R-C bij verzoekschrift tegen elke handeling van de curator op te komen of een bevel uit te lokken dat de curator een bepaalde handeling verricht of een voorgenomen handeling nalaat. Art. 69 Fw heeft tot doel om deze partijen invloed toe te kennen op het beheer over de failliete boedel en om, ingeval zij menen dat bij dat beheer fouten worden gemaakt, deze te doen herstellen of voorkomen. Het art. is niet bedoeld om hen in de gelegenheid te stellen op deze eenvoudige wijze aan hen persoonlijk toekomende rechten tegenover de boedel geldend te maken. Het voorschrift is evenmin bedoeld om een schuldeiser in de gelegenheid te stellen op deze wijze invloed uit te oefenen op de behandeling en afhandeling van tegen hem in te stellen of lopende vorderingen en procedures. Onderdeel 1 neemt terecht als uitgangspunt dat het enkele feit dat een schuldeiser ook als gedaagde in een procedure betrokken is geraakt, geen reden is deze schuldeiser niet-ontvankelijk te verklaren. In de onderhavige zaak heeft de rechtbank het oordeel niet slechts gebaseerd op het feit dat The Pebbles Group naast schuldeiser ook gedaagde is. In rov. 4.6 heeft de rechtbank overwogen dat niet gesteld of gebleken is dat van een faillissementstekort geen sprake zou zijn. Zoals de rechtbank terecht opmerkt is de vordering jegens The Pebbles Group dan ook gerechtvaardigd. In rov. 4.7 heeft de rechtbank een afweging gemaakt of The Pebbles Group als schuldeiser wel een belang heeft bij het verzoek. De rechtbank heeft overwogen dat niet gesteld of gebleken is dat hetgeen krachtens een vonnis in de bodemprocedure jegens The Pebbles Group aan de boedel zal toevloeien, niet zal hoeven te worden aangewend voor het faillissementstekort waartoe bij voorbeeld ook boedelschulden behoren. Om die reden is de rechtbank terecht van oordeel dat het verzoek aan de R-C voornamelijk is ingesteld om een toewijzing in de bodemprocedure te voorkomen’.
Hoge Raad15.:
‘3.2.2.
Het voorschrift van art. 69F. is — voorzover thans van belang — gegeven om het mogelijk te maken dat een bevel als in die bepaling bedoeld wordt gegeven, indien de bij het beheer en de vereffening van de failliete boedel betrokken belangen van een verzoeker als schuldeiser door de voorgenomen handeling (of het niet-handelen) van de curator dreigen te worden geschaad. Nu een eventueel door Hannover te betalen verzekeringsuitkering in de failliete boedel vloeit en daarmee de omvang van de boedel mede bepaalt, dient ervan te worden uitgegaan dat het verzoek van Durmaz het beheer van de failliete boedel betreft. Daaraan doet niet af dat Durmaz zich, gelet op het bijzondere voorrecht van art. 3:287 BW, bij voorrang op de verzekeringspenningen kan verhalen. De curator is immers gehouden niet alleen de belangen van de concurrente schuldeisers, maar ook die van de preferente schuldeisers te behartigen. Anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld is voor de ontvankelijkheid van het verzoek van Durmaz dan ook niet bepalend dat ‘het gehele door Hannover uit te keren bedrag, na aftrek van de algemene bijdrage in de faillissementskosten, naar Durmaz [gaat]’’.
54.
De Rechtbank heeft daarnaast geoordeeld dat het voeren van een procedure met het door
Durmaz beoogde doel niet kan worden gerekend tot het beheer van de boedel, omdat Durmaz slechts wil bereiken dat in zijn belang op een eenvoudige en goedkope wijze wordt geprocedeerd. De Rechtbank heeft dit oordeel kennelijk gebaseerd op de beschikking van de Hoge Raad van 10 mei 1985, nr. 6771, NJ 1985, 792 , waarin is overwogen dat het voorschrift van art. 69F. niet is gegeven om de schuldeisers en de gefailleerde in de gelegenheid te stellen op deze eenvoudige wijze aan hen persoonlijk toekomende rechten tegenover de boedel geldend te maken.
Wessels16.:
‘Het voorschrift van art. 69 is alleen gegeven om de in het eerste lid genoemden invloed toe te kennen op het beheer over de failliete boedel en om, zo zij menen dat bij het beheer fouten worden gemaakt, deze te doen herstellen of voorkomen, maar niet om de schuldeisers in de gelegenheid te stellen op de ‘uiterst eenvoudige, maar ook weinig waarborgen biedende’ wijze aan hen persoonlijke rechter tegenover de boedel geldend te maken. Voor deze geschillen maakt dit art. geen nieuwe procesgang mogelijk. De berechting van geschillen over persoonlijke rechten van schuldeisers van de boedel vindt plaats langs de gewone weg van art. 25.
…
De rechtsgang van art. 69 lid 1, met hoger beroep (art. 67 lid 1) en cassatie, staat uitsluitend open indien en voor zover daarmee de verzoeker met klachten over ondoelmatig beheer legitieme belangen van de boedel nastreeft of belangen van zichzelf die niet met die van de boedel in strijd zijn’.
Lagere rechtspraak
Rechtbank 's‑Hertogenbosch 9 februari 2007, JOR 2007, 127
‘3.3.
Ter zitting is namens verzoeker aangevoerd dat het beroep zich nog slechts richt tegen de afwijzing door de R-C van het verzoek om de curator te bevelen nader onderzoek te doen naar de rechtsgeldigheid en de aantastbaarheid van de zekerheden. Verzoeker betwist namelijk niet langer dat er een afhankelijk adviseur is ingeschakeld voor de waardebepaling van de Ongoing Group en ook is verzoeker er inmiddels van overtuigd geraakt dat de curator geen rechten zal prijsgeven gedurende de onderhandelingen die thans gaande zijn.
3.4.
De rechtbank stelt voorop dat bij beoordeling van het beroep uit moet worden gegaan van de bevoegdheidsverdeling die in de Faillissementswet is neergelegd. Op grond van art. 68 Fw is de curator belast met het beheer en de vereffening van de failliete boedel ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers. De R-C heeft op grond van art. 64 Fw tot taak toezicht te houden op het beheer en de vereffening van de failliete boedel. In het kader van die taak heeft de R-C ingevolge art. 69 Fw desgevraagd de bevoegdheid om de curator concrete, op een specifieke handeling gerichte, instructies te geven. Blijkens de MvT op de art.en 68 en 69 (Van der Felz II, p 8/9) is beoogd met art. 69 Fw een correctief te bieden op de betrekkelijk uitgebreide bevoegdheid die de curator heeft uit hoofde van art. 68 Fw. De wet voorziet niet in een algemene instructiebevoegdheid voor de R-C, die verder strekt dan het instrueren van de curator met betrekking tot specifieke handelingen.
3.6.
Uitgaande van bovenstaande uitgangspunten, van de stukken die in het geding zijn gebracht en van hetgeen partijen ter toelichting daarop naar voren hebben gebracht, is de rechtbank van oordeel dat de R-C op goede gronden heeft geconcludeerd dat de curator voldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de rechtsgeldigheid van de zekerheden en naar de mogelijkheid om deze aan te tasten op grond van paulianeus handelen. Niet alleen is de curator afgegaan op zijn eigen kennis en deskundigheid en op die van kantoorgenoten. Hij heeft daarnaast een second opinion doen uitbrengen door een collega-advocaat, die niet werkzaam is bij het kantoor waaraan hijzelf is verbonden. Voorts heeft de curator een tweetal buitenlandse advocaten ingeschakeld ten einde zich te laten adviseren over relevante onderdelen van Engels en Koreaans recht.
3.7.
Ook heeft de R-C naar het oordeel van de rechtbank, op goede gronden geconcludeerd dat hetgeen namens verzoeker naar voren is gebracht geen, althans onvoldoende aanleiding geeft om te twijfelen aan de juistheid van de uitvoerig gemotiveerde conclusies die de curator op grond van het verrichte onderzoek heeft getrokken omtrent de rechtsgeldigheid van de zekerheden en de onaantastbaarheid daarvan. De rechtbank heeft bij dit oordeel in aanmerking genomen dat verzoeker in de loop van de procedure met name vragen heeft opgeroepen omtrent de hiervoor omschreven onderwerpen en de onderzoeksresultaten die haar zijn meegedeeld en dat verzoeker inmiddels, mede op basis van aanvullende advisering, een belangrijk aantal van de door hem als onduidelijk ervaren punten opgehelderd acht. Dat er door de curator aanvullend advies is gevraagd over een aantal vraagpunten die lopende onderhavige procedure zijn opgeworpen door verzoeker, rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank geenszins de conclusie dat de curator ten tijde van de thans bestreden beschikking handelde op basis van ontoereikend onderzoek De rechtbank acht in dit verband van belang dat de uitkomsten van de aanvullende adviezen de houdbaarheid onderlijnen van het standpunt dat de curator eertijds reeds innam. De rechtbank is van oordeel dat de curator zich met recht op het standpunt heeft gesteld dat het op kosten van de boedel initiëren van nog verderstrekkend onderzoek naar de rechtsgeldigheid en/of de (on)aantastbaarheid van de zekerheidsrechten, voorshands niet aangewezen is.
3.8.
De rechtbank is tenslotte van oordeel dat de R-C terecht heeft geconcludeerd dat — in aanmerking genomen de crediteurenbelangen en werkgelegenheidsbelangen die in het geding zijn — er onvoldoende zwaarwegende gronden naar voren zijn gebracht om de curator te doen afwijken van de ingezette koers’.
Voorontwerp Insolventiewet
55.
De huidige tekst van art. 69 Fw luidt als volgt.
Art. 69
- 1.
Ieder der schuldeisers, de commissie uit hun midden benoemd en ook de gefailleerde kunnen bij verzoekschrift tegen elke handeling van de curator bij de R-C opkomen, of van deze een bevel uitlokken, dat de curator een bepaalde handeling verrichte of een voorgenomen handeling nalate.
- 2.
De R-C beslist, na de curator gehoord te hebben, binnen drie dagen.
De tekst van het betreffende artikel in het Voorontwerp luidt als volgt.
Art. 4.3.5 — Beroep op de R-C
- 1.
Ieder van de schuldeisers, de schuldeiserscommissie en de schuldenaar kunnen bij verzoekschrift tegen elke handeling van de bewindvoerder bij de R-C opkomen, of van deze een aanwijzing uitlokken. Is buiten Nederland een insolventieprocedure geopend op de voet van art. 3, eerste lid, van de EG-insolventieverordening of op voet van titel 10, afdeling 3, erkende buitenlandse hoofdinsolventies, dan komen de in de eerste zin bedoelde bevoegdheden voorts toe aan de curator of de buitenlandse bewindvoerder. Bij indiening van het verzoekschrift doet de verzoeker daarvan afschrift toekomen aan de bewindvoerder.
- 2.
De R-C doet na verhoor of behoorlijke oproeping van de verzoeker en de bewindvoerder met de meeste spoed uitspraak. Indien uitstel van de beslissing met het oog op de betrokken belangen onaanvaardbaar zou zijn, kan de R-C afzien van het horen van de verzoeker en de bewindvoerder.
Verstijlen17.:
‘Een facet van de onduidelijke verhouding tussen het toezicht en de geschilbeslechting is dat in het voorontwerp een richtsnoer ontbreekt voor de R-C voor zijn beslissingen, of het nu gaat om het algemene toezicht of het geven van toestemming of het beslissen op een bezwaar of verzoek ex art. 4.3.5 (de opvolger van art. 69 Fw). Dat richtsnoer zal dus wel zo blijven als thans:het belang van de boedel. Dat is een criterium dat is geënt op de functie van de R-C als toezichthouder: het strookt met die functie dat hij dezelfde toets aanlegt als degene op wie hij toezicht uitoefent’
Art. 64 Fw
56.
Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat de wetgever met art. 64 Fw, in samenhang met art.; 68 Fw, de positie van de R-C tegenover de curator tot uitdrukking heeft willen brengen. De curator vereffent en beheert, de R-C houdt daarop toezicht. Dit toezicht houdt in dat de R-C nagaat of de curator binnen de grenzen van de wet blijft, handelt in het belang van de boedel en zijn taak behoorlijk vervult. Aangezien de R-C geen medebeheer voert, heeft hij slechts in bijzondere gevallen van art. 69 Fw de mogelijkheid bevelen te geven aan de curator. Zijn toezichthoudende taak dient de R-C met name in te vullen door het verstrekken van raadgevingen, opmerkingen en berispingen aan de curator.18.
57.
Het door de R-C uit te oefenen toezicht op de curator heeft een drieledig karakter, namelijk toetst hij de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doelgerichtheid van het handelen van de curator.19. Ten aanzien van de curator vormt het boedelbelang een wettelijke instructienorm.
58.
In de literatuur wordt er derhalve op gewezen dat de procedure van art. 69 Fw in sterke mate beperkt is, en dat derhalve terecht terughoudendheid bij de rechter geboden is bij de beantwoording van de vraag, kort gezegd, of hij moet ingrijpen in het doen of laten van de curator:
Van Hees20.:
- ‘2.
Dat het beleid van de curator in het kader van een art. 69 Fw-verzoek ‘in volle omvang’ moet worden getoetst (HR 10 mei 1985, NJ 1985, 793 (Brink/Kaulingfreks q.q.), neemt niet weg dat de rechter zich rekenschap dient te geven van de beperkingen die kleven aan deze rechtsgang. De snelheid daarvan, de beperkte ruimte voor debat, het feit dat bewijsvoering niet aan de orde is en derde-belanghebbenden er in de regel niet bij betrokken zijn, rechtvaardigen eenzekere terughoudendheidbij het geven van beslissingen die ingrijpen opde beleidsvrijheidvan de curator (vgl. HR 10 februari 2012, JOR 2012/65, m.nt. Spinath (Prakke/Gips))’.
Beleid curator
59.
In het verlengde van het voorgaande is van belang om op te merken op dat in zijn algemeenheid heeft te gelden dat de curator een ruime beleidsvrijheid geniet.
Hoge Raad21.:
‘3.4.2
… Voor zover de faillissementscurator bij de uitoefening van zijn taak niet is gebonden aan regels, komt hem in beginsel een ruime mate van vrijheid toe. De curator dient zich te richten naar het belang van de boedel, maar het is in beginsel aan zijn inzicht overgelaten op welke wijze en langs welke weg dat belang het beste kan worden gediend. Hetzelfde geldt voor de wijze waarop hij rekening houdt met andere bij het beheer en de afwikkeling van de boedel betrokken belangen en voor de wijze waarop hij bij dat beheer of die afwikkeling uiteenlopende, soms tegenstrijdige belangen tegen elkaar afweegt’.
60.
Met betrekking tot beleidsvrijheid in het kader van art. 69 Fw zij verder verwezen naar de noot van W.C.L. Van der Grinten onder Hoge Raad 10 mei 1985 NJ 1985, 791.
Van der Grinten:
‘De bevoegdheid van de R-C ex art. 69 is een gelimiteerde bevoegdheid. Hij kan op verzoek van hen die in art. 69 genoemd zijn, bevelen geven aan de curator op grond van schuldeisers belangen en op grond van boedelbelangen van de gefailleerde. Hij kan dit niet doen op grond van andere belangen. In de MvA II schreef de minister: ‘De curator alleen beheert en vereffent, de R-C heeft uitsluitend toezicht. Daar de R-C dus in het algemeen geen medebestuur of opperbestuur voert, heeft hij, behalve in een enkel speciaal geval (art. 69) omtrent het beheer in dezen of genen zin ook gene bevelen te geven’.
De curator heeft binnen de grenzen van de wet een autonome taak. Omtrent de belangrijke beleidsbeslissingen zal een goed overleg tussen de R-C en curator wenselijk zijn. In het systeem van de wet heeft de R-C dan echter niet het laatste woord’.
61.
A-G Huydecoper merkt daarover in het kader van art. 69 Fw op:
Huydecoper22.:
- ‘61.
HFTP c.s. hebben in de eerste plaats gebruik gemaakt van de rechtsgang die in de art. 69 en 67 Fw wordt geboden. De bij art. 69 Fw (en verder in art. 67 Fw — ik zal hierna meestal alleen naar art. 69 Fw verwijzen) voorziene rechtsgang is ervoor bedoeld, crediteuren de mogelijkheid te geven om invloed uit te oefenen op de afwikkeling van het faillissement. Uitgangspunt daarbij blijft intussen dat de primaire verantwoordelijkheid voor beheer en afwikkeling berust bij de curator. Het gaat bij de toepassing van art. 69 dus om (toetsing van) het door de curator gevolgde (of voorgenomen) beleid.
- 62.
Dat beleid is niet aan strakke regels gebonden. Het moet er op gericht zijn, met de beschikbare middelen een optimaal resultaat te verwezenlijken. Daarbij geldt echter, ten eerste, dat er meestal een aanzienlijk aantal varianten van beleid mogelijk is, en dat niet op de voorhand evident is, welke daarvan het optimale resultaat zal opleveren.Waar dat het geval is, is het aan de curator om de vereiste afwegingen te maken en om zijn beslissingen daarnaar te richten (onder controle van de R-C).
- 63.
Bovendien geldt dat de curator, bij de beoordeling van wat als het optimale resultaat moet worden beschouwd, niet slechts de rechtstreekse (en overigens onderling vaak conflicterende) belangen van de (gezamenlijke) crediteuren voor ogen moet houden, maar daarbij ook andere maatschappelijke belangen moet betrekken. Bij de vorming van zijn beleid moet de curator dus met een diversiteit aan belangen rekening houden, waaronder gewoonlijk ook onderling conflicterende belangen. (Ook) daarom geldt voor de beoordeling van wat in gegeven omstandigheden als het beste beleid (en wat als het daarmee te bereiken optimale resultaat) mag gelden, dat er gewoonlijk een (aanzienlijke) diversiteit aan mogelijkheden bestaat, en dat het aan de curator is om daarbinnen de vereiste wegingen en keuzes te maken. Het is, bij die stand van zaken, noodzakelijk, en dus ook aan de door de Faillissementswet gegeven verdeling van taken en bevoegdheden inherent, dat de curator over eenzekere beleidsvrijheidbeschikt.
- 64.
Bij de toepassing van art. 69 Fw gaat het om het zojuist kort beschreven beleid van de curator. De rechterlijke autoriteiten die in dit verband een toezichthoudende taak hebben, staan voor een deel voor dezelfde afwegingen die ook de curator moet maken: het beoordelen van beleidskeuzes aan de hand van een (soms aanzienlijk) aantal wegingsfactoren die in verschillende richtingen (kunnen) tenderen. In zoverre geldt, dat die rechterlijke autoriteiten het beleid van de curator ten volle (moeten) toetsen.
- 65.
Daarbij moet echter worden gerespecteerd dat de curator door de wet als de eerstverantwoordelijke voor het te voeren beleid wordt aangewezen, en dat dat, zoals in de vorige alinea's besproken, als noodzakelijk uitvloeisel een zekere vrije beleidsruimte met zich meebrengt. De rechter die wordt geroepen om beleidsbeslissingen van de curator te toetsen mag — of hij dat ook moet kan nu in het midden blijven — hiermee rekening houden. Hij mag bij zijn toetsing duseen marge inruimen, waarbinnen de beleidsvrijheid van de curator wordt gerespecteerd. Hij mag, anders gezegd, als werkhypothese aannemen dat de curator, als de daartoe door de wet aangewezen functionaris die ook de beste toegang tot alle relevante informatie heeft, het best geplaatst is om de vereiste afwegingen te maken; en hij mag daaraan verbinden dat bij de toetsing van het werk van de curator een zekere terughoudendheid op zijn plaats kan zijn. Daarbij mag ook een rol spelen dat de bij een faillissement betrokken belangen gediend zijn met een bepaalde mate van slagvaardigheid en doortastendheid aan de kant van de curator, en dat dat belang het best wordt gediend door, bijvoorbeeld, aan crediteuren die een al te gedetailleerde controle op het werk van de curator voorstaan, geen ruime armslag te geven. In zulke opzichten voert ook de rechter tot op zekere hoogte een beleid.
- 66.
Dat de toetsing van het beleid van de curator in het raamwerk van art. 69 Fw op de zojuist beschreven ‘quasi-marginale’ manier mag worden uitgevoerd wordt, behalve door de eerder besproken overwegingen, ook ondersteund door de aard van de bij die wetsbepaling (en ook in het kader van art. 67 Fw) voorziene procedure: een zéér eenvoudige en navenant informele rechtsgang, gericht op beslissingen op buitengewoon korte termijnen. Van de rechter die op de voet van deze wetsbepalingen wordt ingeschakeld, wordt dus niet een maximaal zorgvuldige vaststelling en afweging van de aangevoerde argumenten verwacht, gericht op een maximaal zorgvuldig afgewogen beslissing — zoals dat bij de beslissingen die van de rechter in zijn ‘gewone’ hoedanigheid worden gevraagd, meestal wèl het geval is. Deze rechter kan ervoor kiezen, te volstaan met beoordeling of het door de curator voorgestane beleid op zinnige gronden berust, en of het vast binnen het kader van de beleidsvrijheid die de wet voor de curator inruimt. Dit vindt ook steun in de jurisprudentie (buiten het kader van art. 69 Fw) waarin met de beleidsvrijheid van de curator rekening wordt gehouden.
- 67.
Daarnaast geldt, dat de procedure van art. 69 Fw er niet toe strekt, crediteuren een (snel en gemakkelijk) middel te geven om hun rechten ten opzichte van de boedel of ten opzichte van (andere) betrokkenen daarbij geldend te maken. Een verzoek dat er inhoudelijk toe strekt, een recht van de crediteur jegens de boedel — of bijvoorbeeld jegens andere crediteuren — geldend te maken, kan dan ook niet in de hier voorziene rechtsgang worden gehonoreerd. Ik denk daarom dat crediteuren langs deze weg geen verzoek kunnen doen om informatie waarop zij individueel aanspraak menen te kunnen maken. Dat veronderstelt immers een ‘eigen’, aan deze crediteur toekomende (en door deze individueel ingeroepen) aanspraak.
Voor het geldend maken van zulke aanspraken is deze rechtsgang niet opengesteld.
- 70.
De tweede in deze zaak te beoordelen procedure is een vordering in kort geding. Voor de taak die de rechter in zo'n procedure heeft, gelden andere juridische uitgangspunten.
In deze procedure beroepen HFTP c.s. zich op rechten die zij aan de wet menen te mogen ontlenen. Zij maken, met andere woorden, (individuele) aanspraken op informatie geldend (en zoals zojuist besproken, kunnen zulke aanspraken in de procedure van art. 69 Fw nu juist niet worden beoordeeld). Ik merk op dat dit verschil zich ook dan doet voelen, als de verlangde informatie (precies) dezelfde vragen betreft: er wordt hier onder een wezenlijk andere titel op die informatie aanspraak gemaakt.
- 71.
Verder is de beoordelingsmarge in een kort geding een andere, dan de zojuist met betrekking tot art. 69 Fw besprokene. In een kort geding staat de voorzieningenrechter als eerste voor de vraag of de eiser inderdaad aan het recht de aanspraak kan ontlenen die hij ten opzichte van de gedaagde meent te hebben. Daarnaast moet, waar dat aan de orde gesteld werd, worden onderzocht of de gevorderde voorlopige voorziening in het licht van de in geding zijnde belangen (al dan niet) aangewezen is (en is er in zoverre sprake van een zekere beleidsmatige afweging; waarbij natuurlijk dezelfde belangen die ook in de procedure op de voet van art. 69 Fw worden aangevoerd, gewicht in de schaal (kunnen) leggen).
- 72.
Het kader van het in kort geding gevraagde onderzoek en de daarop te baseren beoordeling is daarom verschillend van dat, dat voor de procedure op de voet van art. 69 Fw geldt. In het eerste geval gaat het om een onderzoek van de vraag of de gevorderde voorziening rechtmatig en, gezien de betrokken belangen, aangewezen is. In het tweede geval gaat het om beoordeling, aan de hand van de dan voor oordeelsvorming beschikbare gegevens, niet van de vordering van de aanlegger, maar van de juistheid van het beleid van de curator, alle relevante belangen in aanmerking genomen; waarbij het respecteren van een zekere beleidsruimte zo al niet vereist, dan toch passend kan zijn, en waar de eisen van snel en slagvaardig faillissementsbeheer gewicht in de schaal (moeten) leggen. De beoordelingskaders verschillen daardoor niet onaanzienlijk (wat natuurlijk onverlet laat dat de parallellie tussen de wegingsfactoren die in beide rechtsgangen naar voren komen, er toe kan leiden dat de uitkomst dezelfde is)’.
IV.3. Een door de curator gesloten vaststellingsovereenkomst
Algemeen
62.
Volgens de definitie van art. 7:900 lid 1 BW strekt de overeenkomst tot vaststelling van wat rechtens tussen partijen geldt. De vaststelling kan ook betrekking hebben op een absoluut recht of inhouden dat tussen partijen in het geheel geen rechtsverhouding bestaat. Het is praktisch nauwelijks denkbaar dat tussen partijen onzekerheid zou bestaan over hun rechtsposities ten aanzien van het voorwerp van hun meningsverschil, terwijl er tussen hen geen rechtsverhouding zou bestaan.23.
Beëindiging van onzekerheid
63.
Een vaststellingsovereenkomst wordt aangegaan met het oog op de onzekerheid die tussen partijen bestaat over hetgeen rechtens tussen de geldt. Ingevolge art. 7:900 BW is voldoende dat de overeenkomst onzekerheid tussen partijen voorkomt of beëindigt. Het art. eist niet dat de onzekerheid al is verworden tot een geschil tussen partijen; het verlangt slechts dat partijen over hun rechtsverhouding van mening verschillen, in die zin dat zij niet — althans op voorhand — bereid zijn elkanders standpunt als het juiste te aanvaarden. De onzekerheid kan zowel een feitelijk als een juridisch karakter hebben. Zij kan betrekking hebben op de rechtsverhouding als zodanig, maar ook op een detail van een rechtsverhouding waarover voor het overige geen meningsverschil bestaat. Bij de beantwoording van de vraag of partijen een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten, moet de overeenkomst in haar geheel worden bezien. Het volstaat dat een partij (kenbaar) onzeker is over — dus twijfelt aan — de juistheid van het standpunt van haar wederpartij en met het oog daarop instemt met een gezamenlijke beslissing over dat standpunt. Als de wederpartij in dit kader misbruik maakt van omstandigheden of bedrog pleegt — en men is geneigd daaraan te denken als één der partijen niet kan overzien waarop de onzekerheid precies betrekking heeft —, dan staat een beroep op art. 3:44 BW open.24. Het Hof Arnhem in dit kader:
Hof Arnhem25.:
‘5.4
Kobussen heeft gesteld dat de overeenkomst vernietigbaar is wegens dwaling. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat zij gedwaald heeft over de omvang van de schade. Indien partijen in het onzekere verkeren omtrent de hoogte van (al dan niet toekomstige) schade en ter voorkoming van een rechtsgeding hieromtrent een vaststellingsovereenkomst als de onderhavige sluiten, waarbij de hoogte van de schade wordt geregeld en bindend wordt vastgesteld, kunnen zij zich in beginsel ten aanzien van de vraag waaromtrent zij in het onzekere verkeerden, niet met vrucht op dwaling beroepen. Nu de partijen met de door hen gesloten overeenkomst hebben beoogd om ieder debat met betrekking tot de hoogte van de schade af te snijden en om de mogelijkheid prijs te geven zich op grond van latere gegevens te beroepen op een ten tijde van het aangaan van de overeenkomst bij haar bestaande voorstelling van zaken over de hoogte van de schade, dient een eventuele onjuiste voorstelling dienaangaande bij Kobussen in beginsel voor haar rekening te blijven. De aard van de overeenkomst brengt dit mede. Dit beginsel geldt niet, indien de dwaling teweeg is gebracht door onjuiste inlichtingen van Sterpolis of het verzwijgen van relevante inlichtingen door Sterpolis.
Kobussen heeft gesteld (memorie van grieven onder 40) dat Sterpolis de dwaling heeft veroorzaakt. Voor het toetsen van de juistheid van deze stelling is nader onderzoek vereist. Dat onderzoek kan achterwege blijven, omdat, zoals hierna zal worden overwogen, het beroep van Kobussen op vernietigbaarheid van de overeenkomst wegens misbruik van omstandigheden slaagt.
5.5
Kobussen heeft voorts gesteld dat de overeenkomst vernietigbaar is wegens misbruik van omstandigheden. Voor de beoordeling van deze stelling zijn de volgende feiten van belang. Sterpolis is een professionele verzekeraar en wist ten tijde van het sluiten van de overeenkomst dat bij Kobussen nog geen medische eindtoestand was bereikt. Tegenover Sterpolis stond Kobussen, die op dat moment geen juridische bijstand genoot. Haar was kort tevoren een tweede ongeval overkomen. Daardoor was met betrekking tot de schade die Kobussen had geleden en nog zou lijden een gecompliceerde situatie ontstaan die zij als ondeskundige op dit gebied moeilijk kon overzien. Daarbij komt dat Kobussen de vaststellingsovereenkomst is aangegaan op dezelfde dag waarop zij met de vertegenwoordiger van Sterpolis de hoogte van de schade had besproken en derhalve nauwelijks enige bedenktijd heeft verkregen om de door Sterpolis voorgestelde vaststellingsovereenkomst, welke voor haar van vérstrekkende aard was, wel of niet aan te gaan.
Het hof is van oordeel dat Sterpolis onder deze omstandigheden de vaststellingsovereenkomst niet op dat moment met Kobussen heeft mogen sluiten en dat zij Kobussen in verband met de vérstrekkende gevolgen van de overeenkomst had moeten adviseren zich, alvorens de overeenkomst aan te gaan, van juridische bijstand te voorzien of ten minste enige bedenktijd had moeten geven. Het in de gegeven omstandigheden desondanks bevorderen dat de vaststellingsovereenkomst op de dag van de bespreking van de schade tot stand kwam leidt, ofschoon de bespreking op initiatief van Kobussen heeft plaatsgevonden, tot de conclusie dat de overeenkomst door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen, op grond waarvan de overeenkomst vernietigbaar is’.
Rechtsgevolgen
64.
De vaststellingsovereenkomst heeft dispositieve werking. Bij het aangaan van de vaststellingsovereenkomst hebben partijen verbintenissen op zich genomen die hen verplichten de rechtstoestand tot stand te brengen die volgens de beslissing krachtens de vaststellingsovereenkomst tussen hen moet bestaan. De beslissing krachtens de vaststellingsovereenkomst bepaalt wélke verbintenissen uit de vaststellingsovereenkomst ontstaan en dus welke prestaties partijen moeten verrichten. Nu de vaststellingsovereenkomst dispositieve werking heeft, ontstaat de nieuwe rechtstoestand. Partijen moeten die rechtstoestand tot stand brengen, en wel door de tenuitvoerlegging van de verbintenissen uit de vaststellingsovereenkomst die door de beslissing zijn ontstaan en bepaald. De beslissing heeft ook geen terugwerkende kracht. Zij zegt niet wat rechtens tussen partijen heeft gegolden, maar slechts wat rechtens tussen hen zou moeten gelden. Ingevolge art. 7:901 lid 1 BW moeten partijen bij de totstandbrenging van wat rechtens tussen hen moet gelden, uitgaan van de rechtstoestand die mogelijk tussen hen góld maar in de beslissing geen bevestiging heeft gevonden. Zie in dit kader ook onderstaande overweging van de Hoge Raad.
Hoge Raad26.:
‘3.3
Uitgangspunt dient te zijn dat de te vergoeden schade bij een geldige overeenkomst tussen OZ en Mangnus zonder enig voorbehoud is vastgesteld. Bij dit uitgangspunt kan in het midden blijven of het betoog van OZ bij ontbreken van zodanige overeenkomst zou opgaan. In elk geval kan OZ niet in weerwil van deze overeenkomst op een der voormelde gronden een deel van de uitbetaalde schadevergoeding terugverlangen, nu aan Mangnus in verband met de schade een voordeel is opgekomen:
…
- ii.
Uit het indemniteitsbeginsel vloeit voort dat de verzekerde geen vergoeding zal ontvangen waardoor hij in een duidelijk voordeliger positie zal geraken. Zulks brengt evenwel niet mede dat een verzekerde tot terugbetaling is gehouden wanneer hij, nadat de schadevergoeding bij overeenkomst is vastgesteld, door het ontvangen van een voordeel in een duidelijk voordeliger positie komt te verkeren (hetgeen het hof overigens in het midden heeft gelaten). Dat zou niet stroken met de aard van de vaststellingsovereenkomst, die partijen bindt ook voor zover zij afwijkt van de rechtstoestand die zonder deze overeenkomst tussen hen zou hebben bestaan’.
Vernietigbaarheid en ontbinding
65.
De vaststellingsovereenkomst strekt ter voorkoming of beëindiging van onzekerheid of geschil. De beslissing die krachtens de vaststellingsovereenkomst is of wordt genomen, brengt zekerheid over een rechtsverhouding waarover partijen eerder in onzekerheid verkeerden. Uit de voor een vaststellingsovereenkomst vereiste bereidheid van partijen om het eigen standpunt prijs te geven en het standpunt van de wederpartij te respecteren voor zover dat volgens de beslissing krachtens de vaststellingsovereenkomst noodzakelijk is, volgt dat partijen — rechtens — niet kunnen dwalen over de inhoud van de beslissing indien en voor zover deze beslissing afwijkt van het standpunt dat zij voorafgaand aan of bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst hadden.
Dwaling
66.
De vaststellingsovereenkomst kan wel worden vernietigd wegens dwaling als de onjuiste voorstelling van zaken geen betrekking heeft op de onzekerheid die door de zekerheid is vervangen. De vaststellingsovereenkomst eist een wederzijdse bereidheid om het eigen standpunt op te geven en het standpunt van de wederpartij te respecteren voor zover dat ingevolge de beslissing krachtens de vaststellingsovereenkomst noodzakelijk is. In de aard van de vaststellingsovereenkomst ligt dan ook besloten dat partijen óók gebonden zijn aan de beslissing krachtens de vaststellingsovereenkomst als deze hen een andere zekerheid over hun rechtsposities brengt dan zij voorafgaand aan of bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst hadden verwacht. Dat wordt niet anders als de vaststellingsovereenkomst een zekerheid brengt die afwijkt van de zekerheid die uiteindelijk tussen partijen zou hebben bestaan als zij de vaststellingsovereenkomst niet hadden gesloten maar hadden vastgehouden aan hun respectieve standpunten en de onzekerheid of het geschil hadden uitgeprocedeerd. Deze regel brengt mee dat een beroep op dwaling niet mogelijk is als een partij aantoont dat zij bij het sluiten van de overeenkomst rotsvast overtuigd was van haar gelijk, zelfs niet als zij aantoont dat haar overtuiging op goede argumenten was gestoeld.
Maar onder omstandigheden kan de dwalende partij zich wél met succes beroepen op art. 6:228 lid 1 sub b BW en haar wederpartij verwijten dat zij vóór het sluiten van de vaststellingsovereenkomst ten onrechte relevante informatie voor zich heeft gehouden27..
67.
Kortom: een beroep op dwaling is uitgesloten als de onzekerheid die aanleiding was voor het sluiten van de vaststellingsovereenkomst wordt vervangen door een zekerheid, die een andere zekerheid is dan zij objectief of subjectief had moeten zijn. Partijen zijn dus in beginsel ook aan de vaststellingsovereenkomst gebonden als de beslissing krachtens de vaststellingsovereenkomst aantoonbaar onjuist is en de uitvoering van de verbintenissen dus leidt tot een rechtstoestand waarvan vaststaat dat zij afwijkt van de rechtstoestand die zou hebben bestaan als partijen de vaststellingsovereenkomst niet hadden gesloten. Voor zover hier al gezegd kan worden dat een partij de vaststellingsovereenkomst onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken heeft gesloten, komt deze dwaling krachtens de aard van de overeenkomst voor eigen rekening.28.
68.
Een beroep op dwaling is wel mogelijk als de onjuiste voorstelling van zaken betrekking heeft op een zekerheid die aan de vaststellingsovereenkomst ten grondslag heeft gelegen. Partijen sluiten bijvoorbeeld een vaststellingsovereenkomst over de hoogte van een schadevergoeding die één van hen verschuldigd is wegens een door haar gepleegde onrechtmatige daad, maar later blijkt dat er helemaal geen schadevergoedingsverbintenis bestaat omdat er geen aansprakelijkheid is. Als echter — zoals gebruikelijker is — een partij bij wijze van uitgangspunt elke aansprakelijkheid heeft ontkend en de vaststellingsovereenkomst strekt tot een beslissing over de onzekerheid respectievelijk het geschil óf er aansprakelijkheid en een schadevergoedingsplicht is, kan de vaststellingsovereenkomst niet wegens dwaling worden aangevochten als achteraf blijkt dat er géén aansprakelijkheid was.29.
Vaststellingovereenkomst in faillissement
69.
De curator is bevoegd vaststellingsovereenkomsten aan te gaan na advies van de schuldeiserscommissie (zo die er is), en onder goedkeuring van de R-C .30. Alle (overige) schuldeisers van de gefailleerde zijn aan de vaststellingsovereenkomst gebonden, maar deze binding kan niet zover gaan dat daardoor rechten, die de schuldeiser zelf in het faillissement kan uitoefenen (zoals het betwisten van een vordering in de verificatievergadering) zouden kunnen worden aangetast.31. Overigens is de curator ook niet verplicht om een schuldeiser of de schuldeisers om advies te vragen, hetgeen strookt met diens beleidsvrijheid. De Hoge Raad daarover:
Hoge Raad32.:
‘3.6.
Middel 2 stelt dat een goed curator met de belangrijkste crediteuren had moeten overleggen alvorens een vaststellingsovereenkomst aan te gaan (vgl. nr. 18 cassatieverzoekschrift) en klaagt dat dit in casu niet is gebeurd. Verzoekers achten het onbegrijpelijk dat de rechtbank het gegeven dat de vaststellingsovereenkomst na overleg met en na goedkeuring door de R-C is aangegaan kennelijk voldoende heeft geacht om het standpunt van verzoekers dat de curator met hen had moeten overleggen alvorens de vaststellingsovereenkomst aan te gaan, te passeren.
3.7.
De rechtsklacht faalt omdat de regel die het middelonderdeel ingang wil doen vinden in zijn algemeenheid niet bestaat. (11) Art. 104 Fw bepaalt uitdrukkelijk dat de curator — na ingewonnen advies van de (eventuele) commissie uit de schuldeisers en onder goedkeuring van de R-C — bevoegd is vaststellingsovereenkomsten aan te gaan. Nu er op het moment van aangaan van de vaststellingsovereenkomst geen sprake was van een schuldeiserscommissie was slechts de goedkeuring van de R-C noodzakelijk en was de curator niet verplicht schuldeiser (s) om advies te vragen. Het falen van de rechtsklacht brengt mee dat de ruimte voor de motiveringsklacht van het middel, voor zover al bestaand, uiterst smal is. Dat de rechtbank hieraan voorbij gegaan is, is — gegeven de binnen een faillissementssituatie inherent aanwezige belangentegenstellingen — niet onbegrijpelijk, zodat de rechtbank in het vorenstaande ook niet een grond (laat staan een serieuze grond) voor ontslag van de curator had moeten zien’.
Leidraad voor de curator bij aangaan vaststellingsovereenkomst
70.
Voor de curator is in deze het belang van de boedel leidraad en leidend zo blijkt uit ondermeer een uitspraak van de rechtbank Alkmaar.
Rechtbank Alkmaar33.:
- ‘16.
Concluderend, overweegt de Rechtbank dat bij het aangaan van een schikking een inschatting moet worden gemaakt van de kans dat met procederen, in aanmerking genomen de daarbij te maken kosten, per saldo een beter of slechter resultaat zou zijn behaald. Deze kans dient te worden afgewogen tegen het risico van verlies van de procedure, appèlinstanties daaronder begrepen, en de gevolgen daarvan. Het maken van die inschatting is lastiger naarmate het geschil complexer is. Uit het voorgaande is gebleken dat in deze zaak de te verwachten feitelijke en juridische obstakels omvangrijk en risicovol zijn. Anders dan Schuitemaker, oordeelt de Rechtbank dat niet op voorhand kan worden gezegd dat de kans op succes aanzienlijk zou zijn geweest. Het gaat hierbij niet om de vraag of de curator voldoende kans heeft om op afzonderlijke onderdelen van de aan de vordering ten grondslag liggende stellingen succes te boeken, maar om de vraag of de in te schatten grootte van de kans op een uiteindelijk te behalen positief saldo opweegt tegen het zeer aanzienlijke procesrisico. Het enkele gegeven, dat de curator voldoende aanknopingspunten heeft om de commissarissen in rechte te betrekken, is hiertoe niet voldoende. Op die grond had de R-C eerder toestemming verleend tot procederen. De curator heeft in zijn beoordeling betrokken de te verwachten weren van de commissarissen: deze zijn reeds in aanzienlijke mate kenbaar door de tot heden gevoerde correspondentie aan de zijde van de commissarissen, wat betreft Schoneveld inclusief de inhoud van de klacht namens deze ingediend bij de Raad van Tucht voor Registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten tegen het inmiddels ‘ingetrokken’ concept rapport als hierboven genoemd onder 1f. Alle omstandigheden in aanmerking genomen is de Rechtbank van oordeel dat de curator tot een juiste afweging is gekomen door de schikkingen aan te gaan en de R-C op goede gronden, in het belang van de boedel, haar goedkeuring heeft gegeven’.
Bremer34.:
‘Bij het aangaan van vaststellingsovereenkomsten dient de curator zich te laten leiden door de belangen van de gezamenlijke schuldeisers: het is zijn taak om alle bij het faillissement betrokken belangen te behartigen overeenkomstig ieders rechtmatige aanspraak en wel op de voor de faillissementsboedel meest voordelige wijze. Het belang van de gezamenlijke crediteuren zal veelal samenvallen met een zo hoog mogelijke boedelopbrengst. Het bereiken van een zo hoos moselijke opbrenst zal dan ook veelal de leidraad zijn bij schikkinsen die de curator treft. Van Galen wijst er echter terecht op dat ‘waardemaximalisatie’ een lastige leidraad is nu enerzijds op voorhand moeilijk te voorspellen is welke beslissing tot de hoogste opbrengst leidt terwijl voorts de belangen van de verschillende (groepen van) crediteuren niet altijd gelijk, ja zelfs tegengesteld kunnen zijn.
Sinds het arrest Sigmacon II is echter duidelijk dat de curator bij zijn afwegingen ook andere belangen mag laten meewegen. Nadien is in de arresten van Maclou en Mobell duidelijk geworden dat het onder omstandigheden gerechtvaardigd kan zijn dat een curator voorrang geeft aan ‘zwaarwegende, bij de wijze van beheren en vereffenen van de boedel betrokken belangen van maatschappelijke aard boven de belangen van individuele schuldeisers (…)’.
Binding van crediteuren
71.
Indien een vaststellingsovereenkomst
- (i)
een uitgave ten laste van de boedel meebrengt,
- (ii)
een gehele dan wel gedeeltelijke afstanddoening van een vordering van de boedel (mede) tot onderwerp heeft of
- (iii)
een erkenning van of een in het levering roepen van een schuldvordering op de boedel of van een preferentie inhoudt, dan zal zij niet alleen de partij binden met wie de vaststellingsovereenkomst werd aangegaan, maar ook de (overige) schuldeisers van de gefailleerde.
Dit is slechts anders indien de curator en zijn wederpartij bij de vaststellingsovereenkomst een andere bedoeling hadden ten aanzien van deze binding. Echter, deze binding zal niet zover gaan dat daardoor rechten, die de crediteuren zelf krachtens de faillissementswet in het faillissement kunnen uitoefenen, zoals het betwisten van vorderingen tijdens de verificatievergadering, zouden kunnen worden aangetast.35.
72.
Zie ook SDU Commentaar Insolventierecht, aant. C 1–2 op art. 104 Fw:
‘De curator is bevoegd om de vaststellingsovereenkomsten (art. 7:900 BW) en schikkingen aan te gaan. Met de plaatsing van het art. in de vierde afdeling heeft de wetgever tot uitdrukking willen brengen dat de curator, in het kader van het beheer over de boedel, deze bevoegdheid al heeft vóórdat de staat der insolventie intreedt (art. 173 Fw) (Kortmann, p. 67 e.V.). De curator heeft hiervoor de toestemming van de R-C nodig en is daarnaast, zo die er is, verplicht het advies van de commissie van schuldeisers in te winnen. Voldoet de curator niet aan deze formaliteiten dan is de vaststellingsovereenkomst of schikking gewoon geldig, maar de curator is dan mogelijk aansprakelijk jegens de gefailleerde en de schuldeisers. Ook in het geval het faillissement wordt vernietigd, behoudt de rechtshandeling van de curator haar gelding’.
73.
Schuldeisers zijn aan een door de curator aangegane vaststellingsovereenkomst en/of schikking gebonden. Wel is hoger beroep op grond van art. 67 Fw mogelijk tegen de beschikking van de R-C waarin aan de curator toestemming wordt verleend de vaststellingsovereenkomst of schikking aan te gaan. Op het feit dat een schuldeiser als gevolg van onbekendheid met de vaststellingsovereenkomst of schikking en de daaraan verleende goedkeuring van de R-C deze weg niet zal kunnen volgen, kan geen beroep worden gedaan. Met deze regeling van controle door de R-C en de mogelijkheid van hoger beroep voorziet de wet in afdoende waarborg (HR 8 juni 1962, NJ1963,525). De rechten die schuldeisers zélf in het faillissement kunnen uitoefenen blijven door de vaststellingsovereenkomst of schikking echter onaangetast, zoals het recht om ter verificatievergadering een schuldvordering te betwisten (zie Wessels 2001, nr. 4395; zo ook Molengraaf 1951, p. 353; Galen, commentaar bij art. 104; anders Polak 1972, p. 244). Een crediteur die geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de door de R-C afgegeven beschikking, kan echter niet later alsnog tegen de schikking opkomen door verzet tegen de slotuitdelingslijst in te stellen (HR 8 juni 1962, NJ 1963, 525). In het geval waarin hoger beroep was ingesteld tegen de aan de curator verleende machtiging om een schikking aan te gaan ter beëindiging van een tweetal procedures, overwoog de rechtbank Amsterdam dat de rechtbank, evenals de R-C, bij haar toets uitsluitend behoeft te beoordelen of het verzoek van de curator in het belang van de boedel en dat van de schuldeisers is. De belangen van de wederpartij (en) en de curator spelen bij die afweging geen rol, net zo min als het tot de taak van de rechter — commissaris hoort om vooruit te lopen op het oordeel van de bodemrechter. De rechtbank zal zich, evenals de R-C, beperken tot een voorlopige inschatting van de kansen van de curator in de procedures (Rb. Amsterdam 15 mei 2009, JOR 2009/242).
74.
Zie voorts ook Bremer (a.w.), par. 3 e.v.:
‘In een serie opeenvolgende uitspraken werd onlangs de bevoegdheid van een curator om te schikken onder de loep genomen. De casus die aan deze Antilliaanse uitspraken ten grondslag ligt, is vrij complex. Ik zal trachten haar kort weer te geven. Billy Folly Development Corporation NV (‘Billy Folly’), Pelican Resort NV (‘Pelican Resort’) en de heer M.P. Vlietman (‘Vlietman’) verkeren alle drie in staat van faillissement. De faillissementen zijn verweven: hoe de onderlinge verhoudingen precies zijn, wordt uit de uitspraken niet duidelijk. Wel blijkt dat Vlietman nauw betrokken is geweest bij de beide vennootschappen. Bovendien bestaan er financiële verbanden tussen de drie faillissementen. In het kader van deze bijdrage is met name van belang dat Pelican Resort vorderingen stelt te hebben op Billy Folly, terwijl de curatoren van Billy Folly menen een ‘aansprakelijkheidsclaim’ op Vlietman te hebben. Bovendien heeft zich in het faillissement van Billy Folly nog een aantal (voor het merendeel) aan Vlietman gelieerde vennootschappen als crediteur gemeld. Ter zake hun vorderingen zijn renvooiprocedures aanhangig.
In verband met de afwikkeling van de faillissementen sluiten de respectieve curatoren een vaststellingsovereenkomst. Onderdeel van de overeenkomst is dat de curatoren van Billy Folly een vordering van Pelican Resort als concurrente boedelvorderins erkennen. Ook de concurrente faillissementsvorderingen van de aan Vlietman gerelateerde vennootschappen worden erkend, maar overeengekomen wordt dat zij (slechts) worden erkend tot het bedrag dat ‘na betaling van alle andere geverifieerde crediteuren en boedelkosten’ in de boedel resteert. De aanhangige renvooiprocedures worden geroyeerd en de curatoren van Billy Folly doen afstand van (mogelijke) claims die zij hebben op Vlietman. De overeenkomst wordt goedgekeurd door de R-C. Vermeldenswaard ten aanzien van deze overeenkomst is in de eerste plaats dat op voorhand al vaststaat dat de niet betwiste crediteuren in het faillissement van Billy Folly volledig betaald zullen worden uit het boedelactief (dat in totaal ongeveer NAF 25 miljoen bedraagt). In de tweede plaats staat echter tevens vast dat er door de schikking nimmer een batig saldo in dit faillissement zal resteren: het surplus dat overblijft na betaling van de boedelkosten en alle niet betwiste crediteuren, zal worden betaald aan de aan Vlietman gelieerde vennootschappen. Hun vorderingen zijn dusdanig hoog (in totaal bijna NAF 17 miljoen) dat het volledige surplus daaraan zal opgaan. Diverse partijen hebben er belang bij dat er na de betaling van alle crediteuren wel een batig saldo resteert; een aantal van hen maakt bezwaar tegen de vaststellingsovereenkomst. Onder meer een aandeelhouder van Billy Folly en een crediteur met een niet verifieerbare rentevordering (van USD 420 000 ver jaar!) proberen in rechte de (uitvoering van de) vaststellingsovereenkomst tegen te gaan. Uit de gepubliceerde uitspraken blijkt, dat ook de curatoren van Billy Folly zelf achteraf twijfelen aan de wenselijkheid van de gesloten vaststellingsovereenkomst36.. Zij weigeren uiteindelijk om de gesloten overeenkomst na te komen, hetgeen er zelfs toe leidt dat de R-C hen ontslaat37.. De uitspraken die naar aanleiding van deze casus zijn gewezen illustreren de (on)mogelijkheden voor belanghebbenden om op te komen tegen een door de curator voorgenomen of al getroffen schikking’. …
75.
Zie verder ook de volgende opmerkingen van Bremer (a.w., par. 4):
‘ Langs de weg van art. 69 Fw kan een crediteur proberen de R-C ertoe te bewegen zijn toestemming aan een voorgestelde schikking te onthouden of kan een bevel aan de curator worden uitgelokt om af te zien van de voorgenomen schikking. De weg van art. 69 Fw werd ook in Billy Folly beproefd, hetgeen onder meer blijkt uit de beschikking van de Hoge Raad van 20 januari 200638.. De uitkomst van deze zaak laat echter meteen de beperkingen van het art. 69 Fw-verzoek zien.
In de door curatoren gesloten vaststellingsovereenkomst was afgesproken dat pas tot betaling zou worden overgegaan, indien er niet voor een bepaalde datum bezwaren ex art. 65 FbNA39. tegen de overeenkomst werden ingediend bij de R-C, althans niet voordat daarop bij in kracht van gewijsde gegane beslissing was beslist. Een aandeelhouder van Billy Folly diende binnen de genoemde termijn een verzoek in. Zij verzocht de R-C om de curatoren te bevelen de bij de overeenkomst voorgenomen handelingen na te laten. Als aandeelhouder had zij er belang bij dat na de afwikkeling van het faillissement een zo hoog mogelijk batig saldo resteerde. Het verzoek werd overigens niet alleen in haar hoedanigheid van aandeelhouder maar ook in haar hoedanigheid van betwiste concurrent crediteur gedaan. Het verzoek strandde op formele gronden. Als aandeelhouder was verzoekster niet-ontvankelijk in het ingediende verzoek: een aandeelhouder behoort niet tot de kring van belanghebbenden die een verzoek ex art. 69 Fw kunnen instellen. Als concurrent crediteur met een betwiste vordering had verzoekster bij haar verzoek geen belang, nu aan de concurrente crediteuren een 100%-uitkering plaats zou vinden en ook de uitkering aan de crediteuren met een betwiste vordering was veiliggesteld. Zij werd derhalve niet geschaad in de belangen die zij als crediteur had bij het beheer en de vereffening van de boedel. Het verzoek werd dan ook afgewezen40.. Deze laatste beslissing sluit aan bij de reeds bestaande jurisprudentie: voor toepassing van art. 69 Fw is geen plaats indien het verzoek wordt gedaan door een crediteur, wiens vordering in het faillissement volledig wordt voldaan41.. Door de volledige voldoening is niet langer sprake van een belang dat de verzoeker als crediteur heeft bij het beheer en de vereffening van de failliete boedel42..
Ook een andere belanghebbende die langs de weg van art. 69 Fw probeerde de uitvoering van de overeenkomst tegen te houden. ving bot43.. Het betrof een crediteur met een niet verifieerbare (rente)vordering44.. De R-C overwoog:‘met zijn vordering uit hoofde van rente, die eerst ná faillissementsdatum is gaan lopen, is Ench geen schuldeiser van de failliete boedel van Billy Folly, respectievelijk schuldeiser in de zin van art. 65 lid 1 Fb’. Nu Ench opkwam als crediteur met een niet verifieerbare vordering werd hij volgens de R-C niet getroffen in een belang dat hij als faillissementscrediteur had bij het beheer en de vereffening van de failliete boedel en werd hij niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek. Net zoals dat geldt voor een boedelschuldeiser, mist ook een crediteur met een niet-verifieerbare vordering de mogelijkheid om de weg van art. 69 Fw te volgen. Ook overigens laat een bevel zoals door Ench gevorderd zich moeilijk denken. Hij diende zijn verzoek in nadat de in de vaststellingsovereenkomst genoemde termijn al was verstreken. Ten tijde van de beslissing op zijn verzoek was de vaststellingsovereenkomst al definitief geworden45.. Ench verzocht de R-C te bevelen dat curatoren deze overeenkomst niet mochten uitvoeren. Een dergelijk bevel zou inhouden dat de curatoren gedwongen worden om wanprestatie te plegen46.. Dat een R-C een dergelijk bevel zal geven, valt niet te verwachten, temeer niet nu hij zelf (althans zijn voorganger) in een eerder stadium de gesloten vaststellingsovereenkomst had goedgekeurd’.
In het licht van het vorenstaande (sub II t/m IV. 1–3) zullen thans de cassatieklachten van Nationale Borg worden besproken en weerlegd.
IV.4. Onderdeel 1 van het principale cassatiemiddel
76.
Indien curatoren het goed begrijpen, richt dit middelonderdeel zich tegen r.o. 3.13 van de beschikking van de rechtbank d.d. 17 december 2012, voor zover luidende als volgt:
‘De rechtbank is van oordeel dat ook indien — na nader onderzoek — zou komen vast te staan dat NB daarin gelijk heeft, de rechter — commissaris terecht het verzoek van NB om de curatoren op te dragen nader onderzoek te verrichten heeft afgewezen, zij het dat de rechtbank op andere gronden dan de rechter — commissaris tot dit oordeel komt. Volgens de curatoren hebben zij op 23 december 2011 een vaststellingsovereenkomst gesloten. Steun voor deze stelling kan worden gevonden in de aanhef van de overeenkomst waarin staat dat Glencore en de curatoren’ in ending an ongoing discussion on the separate points listed hereunder’ een aantal afspraken hebben gemaakt. Ook NB gaat ervan uit dat deze overeenkomst een vaststellingsovereenkomst is. Dat betekent dat curatoren, naar zij terechtstellen, niet meer op de erkenning van het pandrecht terug kunnen komen, ook niet wanneer na nader onderzoek zou blijken dat de curatoren het pandrecht van Glencore ten onrechte hebben erkend. Curatoren hebben immers aan de discussie of aan Glencore een rechtsgeldig pandrecht is verleend met deze overeenkomst een einde gemaakt’.
Subonderdeel 1.1.
77.
In dit subonderdeel wordt in allereerste plaats, zakelijk weergegeven, betoogd dat de rechtbank uitgegaan is van een onjuiste rechtsopvatting (over de rechtsgevolgen van een door curator gesloten vaststellingsovereenkomst) voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat curatoren, aldus Nationale Borg, niet meer op de erkenning van het pandrecht zouden terug komen zodat het verzoek van Nationale Borg ex art. 69 Fw zoals sub 32 in het verzoekschrift tot cassatie geformuleerd dient te worden afgewezen.
78.
Gelet op hetgeen hiervoor sub IV.3 is opgemerkt aangaande de vaststellingsovereenkomst in het algemeen alsmede de door curator gesloten vaststellingsovereenkomst in het bijzonder, is de rechtbank niet van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan door, kort samengevat, in r.o. 3.13 te overwegen dat nu er sprake is van een vaststellingsovereenkomst in de aldaar bedoelde zin ‘curatoren … niet meer op de erkenning van het pandrecht terug kunnen komen, ook niet wanneer na nader zou blijken dat de curatoren het pandrecht van Glencore ten onrechte hebben erkend. De curatoren hebben immers aan de discussie of aan Glencore een rechtsgeldig pandrecht is verleend met deze overeenkomst een einde gemaakt’.
79.
Overigens is de stelling van Nationale Borg sub 31 van het verzoekschrift tot cassatie te ongenuanceerd, voor zover deze inhoudt dat in deze sprake zou zijn van ‘erkenning van het pandrecht’door de curatoren. Zie in deze de hiernavolgende processtukken zijdens curatoren:
- —
Verweerschrift van de curatoren d.d. 5 juni 2012, pag. 2:
‘Erkenning van het pandrecht in het algemeenheid vond plaats. Het belang van Nationale Borg ziet slechts op het pandrecht op het aluminium in de ovens, niet op andere pandrechten. Daartoe beperk ik me dus. Dit pandrecht is door curatoren niet erkend … In de u bekende overeenkomst (toevoeging MJ: overeenkomst d.d. 23 december 2011) die curatoren sloten met Glencore is het pandrecht hooguit erkend onder voorbehoud van instemming van Nationale Borg en Zeeland Seaports … Deze mortgagees hebben die instemming niet gegeven stellende dat aluminium onder hun hypotheekrecht valt wegens natrekking. Curatoren werken dus ook niet mee met een executie van het pandrecht door Glencore waar deze het aluminium in de ovens betreft’;
- —
Verweerschrift van curatoren in hoger beroep d.d. 21 november 2012, par. 22:
‘Vanuit deze context is die dag in samenspraak met de rechter — commissaris, Glencore en de directie besloten tot de sluiting van de vaststellingsovereenkomst van 23 december 2011 met daarin een gefaseerde afspraak inhoudende erkenning van de eigendom van de aluinaarde zoals door Glencore onbetwist geleverd en in consignatie opslag opgenomen, erkenning van het pandrecht met betrekking tot de voorraad en de inhoud van de ovens, waarbij uitdrukkelijk een voorbehoud is gemaakt met betrekking tot hetgeen vanaf datum faillissement werd geproduceerd (vrij toekomend aan de boedel) en hetgeen in de ovens is achtergebleven en de mogelijke rechten die dienaangaande worden geclaimd door de grondeigenaar/hypotheekhouder (vrij toekomend aan de boedel) en hetgeen in ovens is achtergebleven en de mogelijke rechten dienaangaande worden geclaimd door de grondeigenaar/hypotheekhouders’;
- —
Proces — verbaal van de behandeling van het verzoekschrift in hoger beroep d.d. 3 december 2012, pag. 2:
‘Een deel van het pandrecht wordt in de vaststellingsovereenkomst erkend, een deel wordt afgehandeld tegen een reële prijs en een deel wordt onder voorwaarden erkend. Onze drijfveer was om een doorstart mogelijk te maken … Daar komt nog bij dat wij veiligheidsgaranties moesten geven’;
- —
Zie ook de pleitnotities van curatoren in appel (pag. 2–3):
‘Curatoren zijn bij overeenkomst d.d. 23 december 2011 voor zover thans relevant onder toestemming rechter — commissaris overeengekomen als volgt: ‘Liquidators are recognising en will not challenge/nullify the right of pledge securing the claims Glencore has on the secured obligations by BaseMet/Panther and described in the non possessory deed of pledge on movable assets of 15 November 2011. Liquidators are not recognising Glencore's pledge on finished goods made after bankruptcy date and Glencore agrees to this.’ Aanvullend is met betrekking tot het aluminium in de ovens bepaald dat het pandrecht niet te erkennen zodat dienaangaande geen finale pandrechten uit de overeenkomst van 23 december 2011 voortvloeien. De discussie ten aanzien van het pandrecht heeft zich inmiddels verlengd tot de inhoud van de ovens. Nu ten aanzien van dit onderdeel vast staat dat curatoren niet onvoorwaardelijk een pandrecht hebben aanvaard en de hypotheekhouders het pandrecht hebben bestreden komt in zoverre aan het verzoek van Nationale Borg geen betekenis toe voor zover Nationale Borg de rechtsgeldigheid van het pandrecht in dat verband nader onderzocht wil zien en in voorkomend geval vernietigd wil zien’;
80.
Sub 33 – 37 wordt door Nationale Borg, zakelijk weergegeven, betoogd dat indien de rechtbank wel van een juiste rechtsopvatting zou zijn uitgegaan, zonder (nadere) motivering onbegrijpelijk is dat zij het verzoek van Nationale Borg ex art. 69 Fw heeft afgewezen.
81.
Deze klacht dient te falen, voor zover deze (mede) er op berust dat de rechtbank uitgegaan is van een onjuiste rechtsopvatting. Daarvan is namelijk sprake gelet op hetgeen door Nationale Borg wordt betoogd sub 35 — sub 37. Ter zake kan worden verwezen naar hetgeen hiervoor sub IV.3 is opgemerkt aangaande de mogelijkheid van curatoren om een vaststellingovereenkomst te sluiten en de gebondenheid van de curatoren (en de boedel) aan een dergelijke vaststellingsovereenkomst. Tevens kan in dit verband worden gewezen op hetgeen hiervoor sub IV.2 is opgemerkt aangaande de in deze — rechtens irrelevante — opmerkingen van Nationale Borg dat (a.w., sub 35) crediteuren niet aan een voorlopige erkenning door de curator van een vordering (die ter verificatie is ingediend) zijn gebonden, hetgeen in optiek van Nationale Borg evenzeer geldt indien de curator ertoe is overgegaan om het bestaan van een vordering of de daaraan verbonden voorrang te erkennen in de vaststellingsovereenkomst (die hij heeft gesloten voordat de verificatievergadering heeft plaatsgevonden).
82.
In deze is nog relevant, dat Nationale Borg gelet op hiervoor sub IV.2 — IV.3 geschetste juridische kader (evenzeer) miskent dat (bepaalde) crediteuren (via art. 69 Fw) slechts kunnen trachten invloed uit te oefenen op de vraag — of — een curator vaststellingsovereenkomst (zoals onderhavige) mag sluiten. Het is slechts in dat stadium, dus bij de vraag of de curator — een dading kan en mag aangaan — dat crediteuren kunnen trachten (middels de rechter — commissaris en in hoger beroep de rechtbank) de wijze van beheer (en de beschikking) door de curator te beïnvloeden, indien zij van oordeel zijn dat de curator in deze de aan hem toekomende — ruime — beoordelingsruimte (zie hiervoor sub IV.2–3) zou hebben overschreden. Is echter eenmaal een rechtsgeldige vaststellingsovereenkomst gesloten — zoals in casu — dan is in zoverre art. 69 Fw een gepasseerd station (zie sub IV.3).
83.
Zie in dit verband ook onder meer de hiernavolgende stellingen van de curatoren:
- —
Verweerschrift van curatoren d.d. 5 juni 2012, pag. 3:
‘Al zou het pandrecht wel erkend zijn, dan kunnen curatoren toch niet terugkomen op een overeenkomst die gesloten is met toestemming R-C’;
- —
Verweerschrift zijdens curatoren in hoger beroep d.d. 21 november 2012, par. 118–119:
‘ NB stelt mogelijk dat de vaststellingsovereenkomst geen rol kan spelen omdat middels art. 69 Fw schuldeisers ook kunnen bestrijden wat reeds verricht is. Voor zover NB daarmee bedoelt dat via art. 69 Fw de erkenning van het pandrecht van Glencore ter zijde kan worden gesteld en alsnog het pandrecht kan worden aangevochten, slaat zij de plank mis. Het handelen van curatoren bindt de boedel, zelfs zonder toestemming van de R-C. Zelfs wanneer de R-C via de art. 69 Fw procedure aan de curatoren bevel zou geven het pandrecht alsnog te vernietigen, dan nog mag Glencore ten alle tijde de boedel houden aan erkenning. Dat zou hooguit anders zijn wanneer curatoren de vaststellingsovereenkomst zouden kunnen aantasten bijvoorbeeld op grond van een wilsgebrek. Maar daarvan is geen sprake. De boedel zal dus steeds gebonden blijven aan de erkenning van het pandrecht wat de uitkomst van deze art. 69 Fw procedure ook zal zijn. Om die reden is deze procedure dan ook volstrekt nutteloos en zonder enig belang. Dat een curator terug kan komen op een voorlopige erkenning van de vordering is juist maar de gevraagde erkenning in deze ziet niet op een vordering maar op een pandrecht. Daar ziet art. 119 Fw niet op. Bovendien is de erkenning allerminst voorlopig. Verder kan art. 119 Fw niet van de toepassing zijn op de onderhavige casus, omdat Glencore geen vordering heeft op Zalco, maar op derden, terwijl haar pandrecht geenszins geverifieerd hoeft te worden gelet op het separatistenkarakter daarvan’;
- —
Zie ook sub 124– 127 (a.w.):
‘Onderdeel B van deze grief slaat de spijker op zijn kop voor wat betreft de nutteloosheid van deze hele procedure. NB stelt, nadat de R-C heeft geoordeeld dat een renvooiprocedure uitkomst zou moeten bieden: Welk belang van NB is immers gebaat bij een renvooiprocedure indien het onderliggende actief al is uitgedeeld. Die vraag kan ook worden toegepast op het art. 69 Fw verzoek. Welk belang van NB is gebaad bij een verder onderzoek naar het pandrecht waarvan de verpande goederen de boedel reeds hebben verlaten. Immers is zowel het aluminium in de ovens intussen door NB (zoals 9 november eerst door NB medegedeeld) en zonder enige vorm van overleg met curatoren verkocht (en overigens was dat pandrecht door curatoren niet erkend) en is ook het aluminium dat op voorraad lag op faillissementsdatum reeds verkocht. Overigens is het argument dat een renvooiprocedure geen soulaas kan bieden omdat het onderliggende actief is verdwenen natuurlijk geen valide argument om te zeggen dat de overweging van de R-C onjuist is. Feitelijk neemt NB als enige argument dat de R-C met zijn overweging dat een renvooi of bodemprocedure posities tussen partijen zou moeten vaststellen wie welke zekerheidsrechten heeft, heeft miskend dat art. 69 Fw beoogt de erkenning van curatoren van het pandrecht te corrigeren. Eerder is al betoogd door curatoren dat art. 69 Fw in casu niet zover gaat. althans niet ineens de erkenning ongedaan kan (doen) maken’:
- —
Zie ook sub 165 (a.w.):
‘De boedel is gebonden aan een vaststellingsovereenkomst met Glencore. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan de boedel zich aan de kenning van het pandrecht onttrekken, bijvoorbeeld in geval curatoren gedwaald hebben. Er moeten zoals R-C zijn beslissing onder r.o. 2.10 ook heeft overwogen meer bij komen kijken om de vaststellingsovereenkomst niet te hoeven na te komen. Daarvan is gewoonweg niet gebleken. Curatoren hadden dezelfde informatie die NB naar voren brengt en nieuwe omstandigheden zijn niet voren gebracht. Curatoren zien niet hoe de boedel onder de
vaststellingsovereenkomst uit kan. Indien curatoren alsnog tot vernietiging van het pandrecht overgaan, lijdt dat tot wanprestatie en schadeplichtigheid van de boedel, welke om die omstandigheden een superpreferente boedelschuld zou opleveren. Niet valt in te zien dat de boedel dus gebaat is bij een vernietiging van het pandrecht’.
Subonderdeel 1.2
84.
De rechtbank heeft blijkens r.o. 3.1 (pag. 3) wel degelijk onderkend dat er niet sprake is van onvoorwaardelijke erkenning zijdens de curatoren van het pandrecht van Glencore (voor zover het betreft het gestolde aluminium in de oven: ‘Met betrekking tot de Pledged Goods, het pandrecht op de goederen, hebben zij verklaard dat zij het pandrecht van Glencore erkennen zoals omschreven in de akte van pandrecht. Zij erkennen niet het pandrecht op het aluminium geprocedeerd na faillissement. Met betrekking tot het aluminium in de smeltovens zijn de curatoren met Glencore overeengekomen dat Glencore als pandhouder het aluminium verwijdert en dat de opbrengst in depot wordt gehouden in verband met een mogelijk geschil met de hypotheekhouders ZSP en/of Nationale Borg. Aan de zijde van curatoren is deze overeenkomst onderworpen aan instemming van de hypotheekhouders’.
85.
Gelet op het vorenstaande ontbeert subonderdeel 1.2 feitelijk grondslag voor zover daarin wordt betoogd dat, kort samengevat, de rechtbank in andere zin (feitelijk) zou hebben geoordeeld (dan wel aan het vorenstaande voorbij zou zijn gegaan).
86.
Ook overigens dient het middelonderdeel 1.2. te falen op grond van het hiernavolgende.
In r.o. 3.9 van de beschikking d.d. 17 december 2012 overweegt de rechtbank aangaande het verzoek van Nationale Borg ex art. 69 Fw: ‘In het onderhavige geval is NB bij de R-C opgekomen tegen de erkenning van het pandrecht door de curatoren door de R-C te vragen de curatoren te bevelen nader onderzoek te verrichten na de rechtsmatigheid van het door Zalco aan Glencore verleende derdenpandrecht, daarvan verantwoording af te leggen aan de schuldeisers, in het bijzonder aan NB, en — indien mocht blijken dat de vestiging van dit pandrecht paulianeus is — het pandrecht te vernietigen met een beroep op art. 42 Fw’.
87.
Zoals hiervoor ad. subonderdeel 1.1. uiteen is gezet (onder verwijzing naar de in deze relevante processtukken van de curatoren) hebben de curatoren, zeer kort samengevat, weliswaar het derdenpandrecht — als zodanig — onvoorwaardelijk erkend doch niet dat het desbetreffende pandrecht op alle in deze relevante objecten in de boedel van Zalco rust. Zie in deze met name het Verweerschrift zijdens curatoren in hoger beroep d.d. 21 november 2012, pag. 7, par. 22 (hiervoor bij de bespreking van subonderdeel 1.1 geciteerd, kortheidshalve wordt daarnaar verwezen).
88.
In deze is voorts relevant dat Nationale Borg — zelf — heeft betoogd (aanvullend verzoekschrift Nationale Borg d.d. 16 augustus 2012, par. 8): ‘Daargelaten dat NB meent dat het vermeende pandrecht ondeelbaar is (lees: het is niet ten dele vernietigbaar) … ’.
89.
Zie in dit verband ook par. 3.44 van het Aanvullend Verzoekschrift in hoger beroep zijdens Nationale Borg d.d. 9 oktober 2012:
‘Uit voornoemde overwegingen volgt enerzijds die ook het pandrecht van Glencore op het (deels) afgevoerde aluminium — niet zijnde die op het aluminium in de ovens — door curatoren is erkend (immers een gedeeltelijke erkenning van een door middel van een rechtshandeling gevestigd pandrecht is onbestaanbaar) en anderzijds dat het verzoek van NB zich uitstrekt tot zowel het pandrecht op het aluminium in de ovens als het pandrecht op het in de dagen na het faillissement uitgeleverde aluminium.
Indien derhalve op enig moment definitief zou komen vast te staan dat het aluminium in de ovens tot natrekking onroerend is geworden, heeft NB nog steeds belang bij onderzoek na de rechtsgeldigheid van het pandrecht op het (deels) afgevoerde aluminium’.
90.
Uit één en ander volgt, dat mede tegen de achtergrond van voormelde stellingen van partijen de overweging van de rechtbank in r.o. 3.13 dient te worden begrepen onder meer inhoudende dat de curatoren een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten en de curatoren niet ‘niet op de erkenning van het pandrecht terug kunnen komen’. Vergelijk in dit verband ook r.o. 2.12 — r.o. 2.14 van de beschikking van de rechter — commissaris van de rechtbank Breda d.d. 27 september 2012, en het verweerschrift van de curatoren in hoger beroep, par. 129 — par. 138.
91.
Zie in dit verband ook het Verweerschrift van curatoren in hoger beroep, par. 162 e.V.: ‘Op 10 november 2012 belde curator Butterman naar mr. Oosterling, de advocaat van NB. De vraag naar de beweegreden van het art. 69 Faillissementsverzoek beaamde hij wederom namens NB dat dit diende om de kwestie van het aluminium in de ovens op te lossen. Het had dus niets van doen met het na faillissementsdatum door Glencore weggehaalde aluminium … Het belang van de vernietiging zit hem dus slechts in het aluminium in de ovens. Nu curatoren dat pandrecht nadrukkelijk niet hebben erkend, namelijk onder voorbehoud toestemming NB en ZSP die niet gegeven is, is ingediende beroep vexatoir en alleen maar belastend van de boedel zonder dat er voor NB ook maar enig financieel belang mee te behalen is … De boedel is gebonden aan de vaststellingsovereenkomst met Glencore. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan de boedel zich aan de erkenning van het pandrecht ontrekken, bijvoorbeeld in geval curatoren gedwaald hebben … Curatoren zien niet in hoe de boedel onder de vaststellingsovereenkomst uit kan … Niet valt in te zien dat de boedel dus gebaat is bij een vernietiging van het pandrecht … Op dit individuele geval ziet art. 69 Fw niet zodat sprake is van misbruik van recht (rechtsmiddel). Ook de boedel heeft geen belang nu de boedel zonder aanvullende opmerkingen niet terugkomen op de vaststellingsovereenkomst’.
92.
Het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, heeft ten gevolge dat het hier aan de orde zijde verzoek van Nationale Borg ex art. 69 Fw (ook) voor zover dat gebaseerd is, kort gezegd, op een door de rechtbank aan de curatoren te geven bevel, het derden pandrecht te vernietigen ex art. 42 e.v. Fw indien mocht blijken dat de vestiging van dit pandrecht paulianeus is, terecht door de rechtbank is afgewezen.
93.
Nationale Borg heeft — zelf — betoogd (zie onder andere het aanvullend verzoekschrift van Nationale Borg d.d. 16 augustus 2012, paragraaf 8) dat ‘het vermeende pandrecht ondeelbaar is (lees: het is niet ten dele vernietigbaar)’ terwijl tussen Nationale Borg en curatoren — in confesso — is dat het pandrecht van Nationale Borg (als zodanig) wel door curatoren is erkend.
In dit verband kan worden gewezen op de uiteenzetting van curatoren ter zake zoals die met name vervat is in het verweerschrift in hoger beroep d.d. 21 november 2012 (met name pagina 7, paragraaf 22, hiervoor behandeld in het kader van subonderdeel I.1 van het door Nationale Borg geformuleerde cassatiemiddel). Het desbetreffende betoog is door Nationale Borg niet althans onvoldoende (gemotiveerd) weersproken, integendeel. Zie in dat verband ondermeer de pleitnotities in hoger beroep zijdens Nationale Borg d.d. 3 december 2012, met name paragraaf 4 (aanhef, de eerste twee zinsneden) alsmede paragraaf 9 sub i.
94.
In dat verband dient name aandacht te worden gevraagd voor hetgeen met betrekking tot de mogelijkheid van een beroep op de actio pauliana wordt opgemerkt door Nationale Borg in voormelde pleitnotities sub 9.i op pagina 8:
‘Als gezegd kan een door middel van één rechtshandig gevestigd pandrecht niet gedeeltelijk vernietigd dan wel gedeeltelijk (onder voorbehoud) erkend worden. Betoogd kan worden dat een voorbehoud is gemaakt ten aanzien van het derden pandrecht in geheel; te weten ten aanzien van alle verpande goederen.
Curatoren kunnen dan terugkomen op de erkenning … … Curatoren hebben in een vaststellingsovereenkomst het derden pandrecht deels erkend onder voorbehoud van goedkeuring door Nationale Borg en ZSP. Deze goedkeuring is niet verkregen. Zie in dit verband ook de blijkens het proces-verbaal van mondelinge behandeling d.d. 3 december 2012 aldaar — door Nationale Borg niet weersproken — uiteenzetting van één van de curatoren (mr. Van Leeuwen) omtrent de, kort samengevat, gedeeltelijke voorwaardelijke erkenning van het pandrecht voor zover dat gevestigd zou zijn op, kort gezegd, het gestolde aluminium in de (smelt)ovens in de op zichzelf onvoorwaardelijke kennis zijdens curatoren van het pandrecht van Glencore (as such).’
(a.w. pagina 2).
95.
Zie in dit verband tenslotte de beschikking van de R-C van de Rechtbank Breda d.d. 27 september 2012, r.o. 2.10:
‘Daarbij speelt mee dat de boedel zich voor een deel, niet volledig, door middel van de overeenkomst van 23 december 2011, al gebonden heeft in de richting van Glencore daar waar zij (deels) het pandrecht heeft erkend… …’
Onderdeel 1.3. van het cassatiemiddel
96.
In dit onderdeel wordt, zakelijk weergegeven, gesteld dat de rechtbank een ‘essentieel argument’ zijdens Nationale Borg zou hebben gepasseerd. Dat argument komt er op neer dat curatoren in de overeenkomst van 23 december 2011 niet hebben uitgesloten dat zij Glencore op grond van onrechtmatige daad kunnen aanspreken (om zo de benadeling als gevolg van het pandrecht ongedaan te maken). Deze stelling, is geenszins voldoende feitelijk uitgewerkt en onderbouwd (gemotiveerd). In noot 24 behorende bij het onderhavige subonderdeel I.3 wordt in deze door Nationale Borg allereerst gewezen op het Aanvullend verzoekschrift in eerste aanleg d.d. 16 augustus 2012, nr. 15. Daarin staat echter enkel en alleen de volgende — niet nader geadstrueerde of toegelichte — stelling:
‘Voor zover u het vorenstaande onverhoopt volledig anders ziet (toevoeging MJ: de curatoren zijn aan de erkenning gebonden, dat wil zeggen de erkenning van het pandrecht) geldt dat daarmee niet gezegd is dat curatoren niet langer bevoegd zouden zijn om Glencore op grond van onrechtmatige daad aan te spreken en schadevergoeding te vorderen’.
97.
Voorts wordt door Nationale Borg gewezen op haar Pleitnotities in appel d.d. 3 december 2012, nummer 9 sub iii. Daarin staat enkel en alleen het hierna volgende vermeld:
‘De erkenning door curatoren laat onverlet dat Zalco en Glencore onrechtmatig hebben gehandeld’.
98.
Bij voormelde stellingen blijft het zijdens Nationale Borg.
99.
In dit verband is relevant dat — ook in cassatie (zie het verzoekschrift tot cassatie, paragraaf 2, pagina 2) door Nationale Borg wordt erkend dat haar verzoek ex art. 69 Fw er toe strekte ‘om de curatoren te gelasten een onderzoek te doen naar de rechtmatigheid van de verpanding en indien uit dat onderzoek zou blijken dat de verpanding inderdaad een paulianeus karakter heeft, curatoren te bevelen de verpanding te vernietigen’.
100.
Zie in dat verband ook r.o. 3.9 — in cassatie zijdens Nationale Borg onbestreden — van de beschikking van de rechtbank d.d. 17 december 2012.
101.
Daarbij komt, dat gelet op de hiervoor besproken redenen weshalve de subonderdelen I.1–2 dienen te falen, aan subonderdeel I.3 geen — zelfstandige — betekenis toekomt. Met andere woorden: gelet op het niet uitgewerkte en toegelichte betoog van Nationale Borg dat curatoren ‘Glencore op grond van onrechtmatige daad zouden (kunnen) aanspreken om zo de benadeling als gevolg van het pandrecht ongedaan te maken’ brengt het — niet cassabele — oordeel van de rechtbank mede dat curatoren, kort samengevat, voor zover het pandrecht op bepaalde objecten rust, deels — onvoorwaardelijk — dat pandrecht heeft erkend (zie de beschikking van de rechtbank d.d. 17 december 2012, r.o. 3.1, pagina 3, tweede volle alinea) mede dat niet onbegrijpelijk is dat de rechtbank niet althans niet met zoveel woorden op vorenbedoelde stelling van Nationale Borg aangaande de beweerdelijk onrechtmatig handelen van Glencore heeft gerespondeerd.
Onderdeel 1.4. van het cassatiemiddel
102.
Dit subonderdeel strekt, kort samengevat en tot de kern teruggebracht, ten betoge dat de rechtbank heeft miskend en daarmee een oordeel heeft gegeven dat zonder (nadere) motivering (welke volgens Nationale Borg ontbreekt) onbegrijpelijk is, dat de Curatoren zich tegen een beroep door Glencore op de overeenkomst van 23 december 2011 kunnen verweren door die overeenkomst te vernietigen op grond van misbruik van omstandigheden dan wel door zich op het standpunt te stellen dat een zodanig beroep naar maatstaven redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
103.
Nationale Borg beroept zich in dit verband (a.w., sub 42) op het oordeel van de rechtbank in r.o. 3.12 van de in cassatie bestreden beschikking kort gezegd inhoudende dat ‘de rechtbank van oordeel (is) dat de Curatoren de rechtmatigheid van het pandrecht van Glencore onvoldoende hebben onderzocht’. In de allereerste plaats zij hier opgemerkt dat de Curatoren het niet eens zijn met het desbetreffende oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde redenering. Derhalve zullen zij in cassatie voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep instellen tegen hetgeen de rechtbank overweegt in rechtsoverweging 3.12 (zie ter zake hierna hoofdstuk V, dat als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd).
104.
Afgezien daarvan, heeft Nationale Borg in appel niet, laat staan (voldoende) gemotiveerd betoogd dat het beweerdelijke ondeugdelijke onderzoek van de Curatoren naar de rechtmatigheid van het pandrecht (mede) zou kunnen (en) moeten leiden tot een geslaagd beroep op de misbruik van omstandigheden of dat het gelet op de maatstaven van redelijkheid en billijkheid — onaanvaardbaar — is dat de Curatoren, kort samengevat, gehouden worden aan de hier aan de orde zijnde overeenkomst d.d. 23 december 2011.
105.
In middelonderdeel 1.4 wordt door Nationale Borg in dit verband gewezen (noot 28) op de pleitnota van Nationale Borg in appel, in het bijzonder nummer 9 sub IV waarin — enkel en alleen — het volgende is te lezen: ‘indien en voor zover Curatoren inderdaad niet zonder meer kunnen terugkomen op de vaststellingsovereenkomst, blijkt uit de beschikking dat dit tenminste kan in geval van zwaarwegende omstandigheden. Een door de R-C bevoeglijk gegeven ambtelijk bevel geldt als rechtvaardigingsgrond, en vormt toch bij uitstek een dergelijke zwaarwegende omstandigheid’. Dit betoog heeft de rechtbank zo mogen begrijpen dat het enkel en alleen ziet op de — rechts — vraag of indien er sprake is van vaststellingsovereenkomst (zoals neergelegd in de overeenkomst van 23 december 2011) langs de weg van art. 69 Fw kan worden bewerkstelligd dat Curatoren in feite het bevel wordt gegeven om ter zake wanprestatie te plegen, welke vraag de rechtbank (beschikking van 17 december 2012, rechtsoverweging 3.13) terecht negatief heeft beantwoord (zie in deze ook het in deze relevante juridische kader, hiervoor sub IV.3).
106.
In het middelonderdeel wordt ook ‘geleund’ op de beschikking van de R-C van de rechtbank Breda d.d. 27 september 2012. Dat is op zichzelf juist (verzoekschrift tot cassatie sub 43). De R-C overweegt in r.o. 2.10 dat er zwaarwegende redenen moeten zijn, wil de boedel op de vaststellingsovereenkomst terug mogen komen door alsnog rechtshandelingen te vernietigen.
107.
De R-C heeft echter vervolgens uitgebreid gemotiveerd uiteengezet dat van een en ander geen sprake is (r.o. 2.11 e.v.:
‘In onderhavig faillissement hebben twee curatoren opgetreden, van verschillende kantoren, die uitgebreid en consistent gemotiveerd hebben verantwoord welke onderzoekshandelingen zij al hebben verricht en waarom het resultaat daarvan hen tot de slotsom brengt dat het bepleite nader onderzoek niet opportuun is. Dat hun juridische waardering van de positie van Glencore een andere is dan door NB wordt ingenomen (…) is in elk geval niet voldoende reden; een blijvend geschil van mening zal zich hetzij (…) vertalen in een renvooiprocedure indien het tot uitdeling aan crediteuren zou komen hetzij in een bodemprocedure tussen de verschillende partijen, om in rechte te laten vaststellen wie waarop zekerheidsrechten heeft en wie niet.
Daarnaast is in de overeenkomst tussen de boedel en Glencore van 23 december 2011 het volgende bepaald: Liquidators are recognising and will not challenge/nullify the right of pledge securing the claimes Glencore has on the secured obligations by BaseMet/Panther and described in the non possessory deed of pledge on movable assets of 15 November, 2011.
Liquidators are not recognising Glencore's pledge on finished goods made after bankruptcy date and Glencore agrees to this. Verder is bepaald dat het pandrecht op het aluminium in de ovens wordt erkend onder voorbehoud goedkeuring hypotheekhouders. Vaststaat momenteel dat de (eertijds) hypotheekhouders, NB en ZSP, het pandrecht niet erkennen.
De Curatoren wijzen er daarnaast terecht op dat ook geen finale erkenning van pandrechten uit de overeenkomst van 23 december 2011 voortvloeien als het gaat om de ‘finished goods’ Bij vonnis van de kort geding rechter van de rechtbank Middelburg d.d. 11 september jl. gewezen tussen Glencore, NB en ZSP, is bepaald dat aluminium in de ovens door natrekking onroerend is geworden. Ook daarom is er momenteel geen belang om verder onderzoek te doen naar de rechtsgeldigheid van de verpanding van de inhoud van de ovens… Door NB wordt verder gesteld dat de verpanding ook voor zoverre het de overige goederen betreft onverplicht was daar dit de crediteuren van Zalco benadeeld en dat die benadeling bekend was bij én Zalco én Glencore… Met de Curatoren is de R-C van oordeel dat Curatoren gezien de op 23 december 2011 voorliggende omstandigheden (het, in hun woorden, verantwoordelijkheid nemen voor een fabriek en het openhouden van de verkoop ten behoeve van een doorstart. Toevoeging MJ: zie het door de R-C in r.o. 2.16 van de beschikking d.d. 27 september 2012 geciteerde standpunt van de curatoren) afgewogen regeling hebben getroffen. Door het treffen van deze overeenkomst is namelijk ook actief gerealiseerd van vele miljoenen dat direct danwel in de vorm van een boedelbijdrage in de boedel is gevloeid, waarbij aluminiumproducten die geproduceerd zijn tijdens het faillissement maar waarvan de grondstoffen al voor datum vestigen pandrecht waren geleverd. De pandrechten van Glencore zijn derhalve niet categorisch erkend maar in het licht van de situatie is een overeenkomst getroffen door recht deed aan de belangen van de boedel (zo veel mogelijk financiële armslag creëren om een doorstart wellicht mogelijk te maken) en de belangen van schuldeisers (opbrengstmaximalisatie) alsook aan de belangen van derden (geen erkenning pandrecht van hetgeen zich op dat moment vloeibaar in de ovens bevond). De juridische waardering van de situatie die de Curatoren toen aantroffen is evenzeer begrijpelijk; door de R-C is om die reden destijds ook toestemming gegeven voor het sluiten van die overeenkomst’.
108.
In dit verband is relevant dat in grief V onderdeel B (Aanvullend verzoekschrift in appel zijdens Nationale Borg ex ar. 67 Fw) — formeel — gegriefd wordt tegen het oordeel van de R-C in r.o. 2.10 van de beschikking d.d. 27 september 2012 voor zover inhoudende dat ‘een zwaarwegende reden (zal) moeten zijn wil de boedel op die overeenkomst (toevoeging: 23 december 2011) terug mogen komen door alsnog rechtsonderhandelingen te vernietigen. Uit de toelichting daarop (a.w., pagina 24–25) volgt echter dat deze grief — enkel en alleen — ten betoge strekt dat erkenning van rechtsgeldigheid van het derdenpandrecht bij een nader overeenkomst op zichzelf niet in de weg staat aan nader onderzoek door Curatoren en een daaropvolgende intrekking van de erkenning, zulks gelet op het wettelijk systeem (art. 108, 112 en 119 Fw in samenhang met art. 69 Fw). Van een beroep, laat staan een uitgewerkt gemotiveerd beroep, op misbruik van omstandigheden dan wel een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid zoals vermeld sub 43 van het verzoekschrift tot cassatie is in voormeld processtuk van Nationale Borg geen sprake.
109.
Anders dan door Nationale Borg in het verzoekschrift tot cassatie wordt betoogd (met name sub 42) hebben de Curatoren (in appel) geenszins, kort samengevat, erkend dan wel betoogd dat sprake zou kunnen zijn van, zoals dat in cassatie wordt geformuleerd ‘misbruik van omstandigheden’ dan wel een zodanige situatie (door toedoen van Glencore) dat het ‘naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is’ dat Glencore een beroep zou kunnen doen op de overeenkomst van 23 december 2011. De Curatoren hebben uitgebreid en gemotiveerd uiteengezet waarom voormelde overeenkomst (met Glencore) is gesloten en dat zij daarbij een zorgvuldige en evenwichtige afweging hebben gemaakt — in nauw overleg en met toestemming van de R-C .
110.
In dit verband is relevant om vast te stellen dat in het verzoekschrift tot cassatie Nationale Borg ten onrechte in noot 25 slechts verwijst naar het aldaar geciteerde nummer 20 van het verweerschrift van Curatoren in appel d.d. 21 november 2012. In deze is ook en met name relevant het betoog van Curatoren in het verweerschrift in appel zoals vervat sub 2 – 25, in zijn geheel.
111.
Zie in deze ook in het bijzonder paragraaf 118 van voormeld verweerschrift: ‘dat zou hooguit anders zijn wanneer Curatoren de vaststellingsovereenkomst zouden kunnen aantasten bijvoorbeeld op grond van een wilsgebrek. Maar daarvan is geen sprake. De boedel zal dus steeds gebonden blijven aan de erkenning van het pandrecht, wat de uitkomst van deze 69 Faillissementsprocedure ook zal zijn’.
112.
Zie ook nummer 153: ‘Kort gezegd kozen RC en Curatoren voor een praktische aanpak, met een juridische beoordeling van de paulianakwestie als uitgangspunt. Dat die regeling NB niet zint omdat zij een eigen belang heeft (of wellicht moet worden gezegd had nu NB eigenmachtig in een regeling met ZSP over het aluminium in de ovens heeft beschikt en die heeft verkocht ten eigen bate) bij het daadwerkelijk vernietigen van het pandrecht is niet iets waar art. 69 Faillissementswet op ziet. Het boedelbelang is dat er actief binnenkwam en dat is er door die regeling gekomen terwijl ook andere belangen werden gediend waaronder notabene het belang van NB die middels een doorstart een aanzienlijk hoger bedrag afgelost kreeg op haar vordering’.
113.
Met betrekking tot de door Nationale Borg ter sprake gebrachte aansprakelijkheidsstelling zijdens Glencore (verzoekschrift tot cassatie, sub 42) verwijzen Curatoren bovendien naar de opmerking van mr. Van Leeuwen tijdens de mondelinge behandeling d.d. 3 december 2012 (proces-verbaal, pagina 3: ‘ten aanzien van de opmerking van NB dat zij zich niet aan de indruk kan onttrekken dat de Curatoren onder druk van Glencore hebben gehandeld en dat zij zich hebben laten leiden door de aansprakelijkstelling door Glencore van de Curatoren in privé, wil ik het volgende opmerken. Voor een aansprakelijkstelling zijn wij niet bang. Dat heeft geen rol gespeeld bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst’.
IV.5. Onderdeel 2 van het cassatiemiddel
114.
Dit oordeel heeft, tot de kern teruggebracht, tot inhoud dat de rechtbank in r.o. 3.7 — r.o. 3.9 van de in cassatie bestreden beschikking heeft miskend dat ook indien de curatoren niet — destijds het door Zalco en Glencore verleende derden pandrecht niet hadden mogen erkennen, dat niet uitsluit dat curatoren — thans — moeten ingaan op de verzoek van Nationale Borg die er kort gezegd toe strekken dat curatoren thans maatregelen moeten nemen om de benadeling als gevolg van dat pandrecht ongedaan te maken, daarin bestaande dat curatoren nader onderzoek moeten verrichten naar de rechtmatigheid van het door Zalco aan Glencore verleende derdenpandrecht, daarvan verantwoording af moeten leggen aan de schuldeisers en zou moet blijken dat de vestiging van dit pand paulineus is, het pandrecht te vernietigen ex art. 42 en volgende Fw.
115.
In deze zij voorop gesteld dat Nationale Borg zélf betoogt (a.w., sub 50) dat aan het verzoek van Nationale Borg ex art. 69 Fw in de kern niet ten grondslag ligt dat curatoren ‘het door Zalco en Glencore verleende derden pandrecht destijds niet hadden mogen erkennen (ervan uitgaand dat zij dat hebben erkend) …’. Gelet op deze stelling van Nationale Borg nemen curatoren primair het standpunt in dat de middelonderdelen van het cassatiemiddel dienen te falen, althans voor zover daaraan (mede) de stelling ten grondslag ligt dat (de rechtbank terecht heeft geconcludeerd dat) de curatoren middels een (vaststellings)overeenkomst d.d. 23 december 2011 het derden pandrecht niet (geheel of gedeeltelijk, al dan niet voorwaardelijk) mochten erkennen (zie in dit verband onder meer het verzoekschrift tot cassatie sub 42).
116.
Afgezien daarvan wordt door Nationale Borg in cassatie ten onrechte het verwijt aan de rechtbank gemaakt dat zij de door Nationale Borg bedoelde grondslag van het verzoek ex art. 69 Fw (a.w., sub 50) zou hebben miskend. Daaraan kan de verwijzing in noot 31 (a.w., pag. 12) niet afdoen. Nauwkeurige lezing daarvan leert immers dat daarin door Nationale Borg slechts de stelling wordt betrokken dat (aanvullend verzoekschrift d.d. 16 augustus 2012, nr. 10 sub b):‘Voor zover er inderdaad geen alternatieven waren en er dus sprake van een feitelijke dwangpositie, dit (er niet aan af doet) dat voldaan is aan vereisten voor het inroepen van de vernietingsverklaring op grond van pauliana’.
117.
Zie ook het door Nationale Borg genoemde Aanvullend beroepschrift d.d. 9 oktober 2012, nr. 3.58: ‘De basis voor het verzoek van NB ex art. 69 Fw wordt gevormd door de in haar ogen paulianeuze vestiging van het derden pandrecht ten behoeve van Glencore. De vraag of de curatoren met de overeenkomst van 23 december 2011 een afwogen regeling hebben getroffen ligt dan ook niet voor. Het draait uitsluitend om de vraag of de rechtshandeling waarbij het derdenpandrecht wordt gevestigd paulianeus is’.
118.
De rechtbank heeft in het licht van vorenstaande opmerkingen van Nationale Borg dan ook terecht in r.o. 3.9 van de bestreden beschikking overwogen: ‘In het onderhavige geval is Nationale Borg bij de R-C opgekomen tegen de erkenning van het pandrecht door de curatoren door de R-C te vragen de curatoren te bevelen nader onderzoek naar de rechtmatig van het door Zalco aan Glencore verleende derden pandrecht, daarvan verantwoording af te leggen aan de schuldeisers, in het bijzonder aan Nationale Borg, en indien mocht blijken dat de vestiging van dit pandrecht paulianeus is het pandrecht te vernietigen en indien mocht blijken dat de vestiging van dit pandrecht paulianeus is het pandrecht te vernietigen met een beroep op art. 42 Fw’.
119.
Mede gelet op de tweede volzin van r.o. 3.8 van de in cassatie bestreden beschikking (welke ten onrechte door Nationale Borg in het verweerschrift tot cassatie sub 46 niet wordt genoemd) heeft de rechtbank zeer wel onder ogen gezien dat art. 69 Fw schuldeisers ‘de mogelijkheid (biedt) om invloed uit te oefenen op het beheer en de vereffening van de boedel door de curator. Door bij de R-C op te komen tegen een handeling van de curator en van de R-C een bevel uit te lokken de curator op te dragen iets te doen of na te laten, kan een schuldeiser laten toetsen of de curator zijn taak ex art. 68 Fw wel op juiste wijze heeft vervuld’. Zie in deze ook hiervoor hoofdstuk IV.2.
120.
In dit verband is nog relevant om te constateren dat door de curatoren uitvoering gemotiveerd naar voren is gebracht dat de situatie zoals die luidde op het moment dat Glencore haar verzoek ex art. 69 Fw indiende niet verschilt van de situatie (en de voorliggende feiten) op het moment dat de curatoren de door Nationale Borg gewraakte (vaststellings)overeenkomst d.d. 23 december 2011 sloten. Zie in deze onder meer het Verweerschrift van de curatoren in hoger beroep, waarin sub 165 de in deze relevante slotconclusie van de curatoren staat vermeld met verwijzing naar hun eerder uitgebreid exposé in voormeld verweerschrift.
121.
In dit verband kan tenslotte nog worden gewezen op de pleitnotities zijdens Nationale Borg in hoger beroep d.d. 3 december 2012 die, tot de kern teruggebracht en voor zover hier relevant, als stelling bevatten dat de curatoren destijds ten onrechte niet de actio pauliana hebben ingeroepen met betrekking tot het door Glencore beweerdelijke derden pandrecht maar juist het derden pandrecht (gedeeltelijk onder voorbehoud) hebben erkend. Zie in deze met name sub 1 tot en met sub 4 (de eerste twee zinsneden) op pag. 2 — pag. 3 van voormelde pleitnotities zijdens Nationale Borg in hoger beroep.
IV.6. Onderdeel 3 van het cassatiemiddel
122.
Deze klacht strekt, zakelijk weergegeven, ten betoge dat de rechtbank ten onrechte in de eerste twee zinsneden van r.o. 3.13 het volgende heeft overwogen: ‘NB heeft niet weersproken dat het sluiten van de overeenkomst van 23 december 2011 het belang van de boedel heeft gediend, een en ander zoals door de Curatoren ter zitting nader geconcretiseerd en hierboven weergegeven. Evenmin heeft NB de Curatoren verweten dat zij in dit opzicht hun taak niet naar behoren hebben vervuld’.
123.
In deze zij allereerst opgemerkt dat het middelonderdeel dient te falen voor zover dat (gedeeltelijk) uitgaat van een verkeerde, althans een te beperkte lezing van de eerste zinsnede van rechtsoverweging 3.13 nu in het verzoekschrift tot cassatie (a.w., sub 52) ter zake wordt opgemerkt dat in de desbetreffende eerste zinsnede van rechtsoverweging 3.13 de rechtbank zou hebben overwogen ‘dat Nationale Borg niet heeft weersproken dat het sluiten van de overeenkomst van 23 december 2011 het belang van de boedel heeft gediend'. Ten onrechte wordt door Nationale Borg niet vermeld dat de eerste zinsnede van rechtsoverweging 3.13 — daarna — de hiernavolgende bijzin bevat (…) ‘een en ander zoals door de Curatoren ter zitting nader geconcretiseerd en hierboven weergegeven’.
124.
Het door de rechtbank hier bedoelde betoog van de Curatoren is door de rechtbank samengevat weergegeven in r.o. 3.10 van de beschikking d.d. 17 december 2012. Zoals de rechtbank terecht in r.o. 3.13 opmerkt, is het desbetreffende betoog door de Curatoren ‘ter zitting nader geconcretiseerd’. Zie in dat verband de pleitnotities van de Curatoren in hoger beroep d.d. 27 augustus 2012, met name pagina 4–5 alsmede het proces-verbaal van de behandeling van het verzoekschrift in hoger beroep d.d. 3 december 2012, in het bijzonder pag. 2 (de aldaar weergegeven opmerkingen van mr. Van Leeuwen) alsmede pagina 5–6 (de aldaar vermelde opmerkingen van mr. Van Leeuwen en mr. Butterman).
125.
Zoals ondermeer blijkt uit de door Nationale Borg zelf veelvuldig in het onderhavige middelonderdeel 3 genoemde pleitnotities van Nationale Borg in appel d.d. 3 december 2012, is het voormelde (door de rechtbank bedoelde) betoog van de Curatoren als zodanig door Nationale Borg niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist. Het betoog van Nationale Borg komt er namelijk in essentie op neer dat zij op basis van de zelfde feiten en omstandigheden tot de conclusie komt dat er wel sprake is van paulianeus handelen maar niet dat zij het betoog van de Curatoren als zodanig betwist, kort samengevat, dat het sluiten van de overeenkomst d.d. 23 december 2011 in het belang — van de boedel als zodanig — was.
126.
Afgezien van het vorenstaande valt de in middelonderdeel 3 geformuleerde cassatieklacht niet (goed) te rijmen met de opmerking sub 50 in het verzoekschrift tot cassatie (subonderdeel 1.4 van het cassatiemiddel) inhoudende dat aan het verzoek van Nationale Borg ex art. 69 Fw niet ten grondslag ligt het standpunt dat de Curatoren het door Zalco en Glencore verleende derdenpandrecht destijds niet hadden mogen erkennen.
127.
Dit geldt temeer, althans in ieder geval, voor zover sub 54 (i) in middelonderdeel 3 wordt opgemerkt dat uit het aldaar vermelde betoog van Nationale Borg zou moeten volgen dat (ook) de boedel niet is gebaat bij de overeenkomst d.d. 23 december 2011.
128.
Zie in dit verband ook sub 49 van het verzoekschrift tot cassatie ‘ook al zou namelijk vaststaan dat erkenning door Curatoren van het pandrecht van Glencore (op zichzelf) niet meebrengt dat zij hun taak ex art. 68 Fw destijds niet naar behoren hebben vervuld, dan sluit dat geenszins uit dat Curatoren hun taak ex art. 68 Fw thans niet naar behoren vervullen door te weigeren op de verzoeken van Nationale Borg in te gaan om te onderzoeken of de vestiging van dat pandrecht een paulianeuze rechtshandeling was en indien dit het geval is het pandrecht te vernietigen met een beroep op art. 42 Faillissementswet. In feitelijke instanties heeft Nationale Borg ook uitdrukkelijk betoogd dat het haar uitsluitend gaat om de vraag of de vestiging van het derdenpandrecht paulianeus is en dat niet relevant is of Curatoren gelet op de op 23 december 2011 voorliggende omstandigheden een afgewogen regeling hebben getroffen’.
129.
In dit verband verwijst Nationale Borg zelf (a.w., paragraaf 49, sub 31 ) naar onder andere paragraaf 3.58 van het aanvullend beroepschrift d.d. 9 oktober 2012: ‘De basis voor het verzoek van NB ex art. 69 Fw wordt gevormd door de in haar ogen paulianeuze vestiging van het derdenpandrecht ten behoeve van Glencore. De vraag of Curatoren met de overeenkomst van 23 december 2011 een afgewogen regeling hebben getroffen ligt dan ook niet voor. Het gaat uitsluitend om de vraag of de rechtshandeling waarbij het derdenpandrecht werd gevestigd paulianeus is’.
130.
Zie in gelijke zin het evenzeer door Nationale Borg zelf genoemde (a.w., noot 31) aanvullend verzoekschrift d.d. 16 augustus 2012 in eerste aanleg nr. 10 sub b: ‘Voor zover er inderdaad geen alternatieven waren en aldus sprake was van een feitelijke dwangpositie, doet dit niet af aan het feit dat voldaan is aan de vereisten voor het inroepen van de vernietigingsverklaring op grond van de pauliana. Er is op voet van art. 42 sprake van een onverplichte rechtshandeling, die heeft geleid tot benadeling van de crediteuren van de schuldenaar en wetenschap bij de schuldenaar en zijn wederpartij van deze benadeling. Voor wat betreft de eerste voorwaarde geldt dat het niet de vraag is of Zalco feitelijk geen andere keuze had dan de rechtshandeling te verrichten maar is uitsluitend de vraag of Zalco daartoe contractueel of anderszins juridisch gehouden was. Tussen alle betrokken partijen staat vast dat een dergelijke juridische verplichting niet voor Zalco bestond’.
131.
Het is in het licht van vorenstaande stellingen van partijen — met name het door Nationale Borg zelf ontwikkelde betoog — geenszins onbegrijpelijk dat de rechtbank in de eerste twee zinsneden van r.o. 3.13 heeft geoordeeld zoals zij heeft gedaan.
132.
De stellingen van Nationale Borg die sub 54 (i t/m vi) worden vermeld om te argumenteren dat het oordeel van de rechtbank wel, kort samengevat, onvoldoende inzichtelijk is gemotiveerd kunnen die conclusie niet dragen. Immers, de door Nationale Borg sub 54 genoemde stellingen in de feitelijke instantie hebben zelf enkel en alleen betrekking op en zijn door Nationale Borg zelf geplaatst in haar betoog dat de enige en centrale stelling had zoals hiervoor uitvoerig aan de hand van ook de processtukken van Nationale Borg zelf uiteen is gezet. En dat betoog had niet betrekking op een (gemotiveerde) betwisting van de stelling van Curatoren dat, kort samengevat, zij met het sluiten van de overeenkomst d.d. 23 december 2011 (destijds) het belang van de boedel hebben gediend en evenmin op de stelling dat de Curatoren in dit opzicht hun taak (destijds) niet naar behoren hebben vervuld.
133.
Gelet op het vorenstaande is het derhalve — subsidiair — dat het volgende wordt opgemerkt aangaande de sub i — sub vi (a.w., sub 54 van het verzoekschrift tot cassatie) door Nationale Borg genoemde omstandigheden:
Sub i: de hier door Nationale Borg bedoelde passage in de pleitnota van Nationale Borg d.d. 3 december 2012 bevat op geen enkele wijze de stelling dat (ook) de boedel niet zou zijn gebaat. Dat geeft Nationale Borg in feite zelf ook toe in noot 36 van het verzoekschrift tot cassatie ‘de stelling van Nationale Borg dat zij niet is gebaat impliceert de stelling dat (ook) de boedel niet is gebaat’. Gelet op het beperkte toetsingskader in cassatie (zie hiervoor hoofdstuk II) kan de rechtbank geenszins worden verweten dat zij die beweerdelijk stelling van Nationale Borg niet in de processtukken heeft gelezen.
Sub ii: de onderhavige stelling van Nationale Borg is onjuist althans de Curatoren hebben daartegen gemotiveerd en uitgebreid verweer gevoerd (zodat de rechtbank — geenszins onbegrijpelijk — de betreffende stelling niet heeft gehonoreerd). Zie ondermeer het verweerschrift van de Curatoren in het hoger beroep, in het bijzonder paragraaf 3 — paragraaf 25 alsmede de pleitnotities van Curatoren in hoger beroep, pagina 4–5.
Sub iii: ter zake wordt gewezen op hetgeen Curatoren ondermeer hebben betoogd in het verweerschrift in hoger beroep, in het bijzonder paragraaf 6 — paragraaf 9, paragraaf 21 — paragraaf 22 alsmede paragraaf 75 — paragraaf 83 alsook paragraaf 89 — paragraaf 96.
Sub iv: de Curatoren hebben deze stelling van Nationale Borg gemotiveerd en uitgebreid weersproken (zo ook reeds de R-C in eerste aanleg in zijn beschikking d.d. 27 september 2012, r.o. 2.15 — r.o. 2.17). Zie in dat verband met name het verweerschrift van Curatoren in hoger beroep, in het bijzonder paragraaf 31 — paragraaf 96 alsmede paragraaf 106 — paragraaf
Sub v: met betrekking tot de positie van crediteuren, de beleidsvrijheid en de bevoegdheid van een curator om een vaststellingsovereenkomst aan te gaan en de voorafgaande aan het sluiten van een vaststellingsovereenkomst door de curator in acht te nemen zorgvuldigheid (jegens crediteuren) zij allereerst verwezen naar hetgeen hiervoor in hoofdstuk IV.3 is opgemerkt. Daaruit volgt reeds de onjuistheid van de hier aan de orde zijnde stelling van Nationale Borg. Vervolgens kan worden gewezen op het betoog van Curatoren vervat in hun verweerschrift in appel, met name paragraaf 3 — paragraaf 25, in samenhang met paragraaf 72 — paragraaf 83.
Sub vi: ter zake deze stelling van Nationale Borg hebben de Curatoren uitvoerig uiteengezet dat en waarom het sluiten van de overeenkomst d.d. 23 december 2011 als een goed beheer van de boedel kan worden beschouwd (zie in deze hetgeen hiervoor in het kader van middelonderdeel 3 is opgemerkt aangaande de stellingen van de Curatoren in deze (en het oordeel van de rechtbank zoals (met name) vervat in rechtsoverweging 3.10 van de beschikking d.d. 17 december 2012). Daarenboven hebben Curatoren zich geenszins laten leiden, zo hebben zij uitdrukkelijk aangegeven door het feit dat Glencore hen in privé aansprakelijk had gesteld. Zie in dit verband ondermeer het Proces-verbaal van de behandeling van het verzoekschrift in hoger beroep d.d. 3 december 2012, met name pagina 3 waarin is vervat de hiernavolgende opmerking van mr. Van Leeuwen ‘voor een aansprakelijkstelling zijn wij niet bang. Dat heeft geen rol gespeeld bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst’.
IV.7. Onderdeel 4 van het cassatiemiddel
Dit onderdeel richt zich, kort samengevat, tegen de laatste zin van rechtsoverweging van 3.13
‘overigens ziet de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van het verweer van de Curatoren, dat er sprake is geweest van een goed beheer van de boedel door op 23 december 2011 een regeling met Glencore te treffen, die ondermeer inhield dat het pandrecht van Glencore zou worden erkend’.
134.
Het middel gaat uit een verkeerde lezing en dient derhalve te falen, voor zover daarin wordt betoogd (a.w., paragraaf 57) dat deze overweging niet aldus moet worden gelezen dat de rechtbank van oordeel is dat sprake is geweest van een goed beheer zoals Curatoren hebben betoogd. Anders dan Nationale Borg betoogd, heeft de rechtbank wel degelijk daarover een oordeel gegeven.
135.
Het middel ontbeert evenzeer feitelijke grondslag en dient derhalve ook te falen voor zover (a.w., paragraaf 58) daarin betoogd wordt dat de rechtbank aan haar eindoordeel niet (mede) ten grondslag heeft gelegd dat er zijdens de Curatoren sprake is geweest van een goed beheer van de boedel door op 23 december 2011 een regeling met Glencore te treffen die ondermeer inhield dat het pandrecht van Glencore zou worden erkend.
136.
Het middel faalt tenslotte evenzeer voor zover het betoogt (a.w., paragraaf 59 – 61) dat, kort samengevat, onbegrijpelijk gemotiveerd is, het oordeel van de rechtbank, zoals neergelegd in de laatste zinsnede van r.o. 3.13. Ter voorkoming van herhalingen zij verwezen naar hetgeen hiervoor is opgemerkt ter bestrijding van middelonderdeel 2 jo. middelonderdeel 3, welk betoog als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.
137.
Gelet op een en ander, in onderling verband en samenhang bezien, is geenszins onbegrijpelijk dat de rechtbank — overigens ten onrechte — in r.o. 3.12 eerst oordeelt dat de Curatoren de rechtmatigheid van het pandrecht van Glencore onvoldoende hebben onderzocht en vervolgens in r.o. 3.13 (laatste zinsnede) oordeelt dat de rechtbank geen aanleiding ziet te twijfelen aan de juistheid van het verweer van de Curatoren dat er sprake is geweest van een goed beheer van de boedel door op 23 december 2011 een regeling met Glencore te treffen die ondermeer inhield dat het pandrecht van Glencore zou worden erkend. Zie in dat verband ook met name r.o. 3.13 (de eerste twee zinsneden) jo. r.o. 3.10, waarover uitgebreid hiervoor het betoog betreffende middelonderdeel 3 van Nationale Borg (hoofdstuk IV.6).
V. Voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel
138.
Voor het geval het principale cassatiemiddel van Nationale Borg (deels) slaagt en (derhalve) de sub 2 bedoelde beschikking van de rechtbank wordt vernietigd, stellen de curatoren hierbij incidenteel cassatieberoep in tegen voormelde beschikking op basis van:
139.
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich brengt, doordat de rechtbank in haar hiervoor sub 2 bedoelde beschikking op de daarin vermelde gronden heeft recht gedaan als in de beschikking is aangegeven, zulks om de navolgende, zo nodig in onderlinge samenhang te beschouwen, redenen:
V.1. Klacht 1: r.o. 3.12 (jo. r.o. 3-10–3.11)
140.
In r.o. 3.12 oordeelt de rechtbank, kort samengevat, (op basis van de aldaar gebezigde argumenten) dat de curatoren de rechtmatigheid van het pandrecht van Glencore — onvoldoende — hebben onderzocht.
141.
In deze zij vooropgesteld dat de onderhavige klacht 1 ook ziet op r.o.3.10–3.11, kort samengevat, voor zover deze (mede) tot inhoud zouden hebben dat de rechtbank van oordeel is dat de curatoren de rechtmatigheid van het pandrecht van Glencore onvoldoende hebben onderzocht en/of zich enkel en alleen althans in overwegende mate, althans in een te hoge mate hebben laten leiden door het aldaar (door de rechtbank) bedoelde (financieel) belang van de boedel doch niet (mede) aan het sluiten van de overeenkomst d.d. 23 december 2011 vooraf hebben laten gaan, kort samengevat, een voldoende (juridisch) onderzoek en/of voldoende (juridische) analyse van
- (1)
het door Glencore beweerdelijke derdenpandrecht en
- (2)
de vraag of het desbetreffende pandrecht al dan niet als paulianeus moet worden betiteld.
142.
Zie in dit verband (met name) sub 96 van het Verweerschrift van curatoren in appel: ‘Bij aanvang van het faillissement hebben curatoren primair tot uitgangspunt genomen dat het pandrecht paulianeus zou kunnen zijn. Zo is ook in het voorgaande besproken. Uiteindelijk hebben curatoren overeenkomstig de besproken omstandigheden besloten tot het sluiten van de overeenkomst van 23 december 2011. Daar is ook naar gehandeld’.
143.
In deze is met name ook relevant paragraaf 72 tot en met paragraaf 95 van voormeld verweerschrift van de curatoren in appel waarin, kort samengevat, uitgebreid uiteen wordt gezet dat
- (1)
zij grondig onderzoek hebben gedaan naar de vraag of het derdenpandrecht van Glencore paulianeus is en
- (2)
welke onderzoekshandelingen zij in dat verband hebben verricht en
- (3)
waarom het resultaat daarvan hen (mede) tot de slotsom heeft gebracht dat het in art. 69 Fw-procedure bepleite nader onderzoek van Nationale Borg niet opportuun is.
Zie in dit verband ook r.o. 2.11 van de beschikking van de R-C d.d. 27 september 2012: ‘in onderhavig faillissement hebben twee curatoren opgetreden, van verschillende kantoren, die uitgebreid consistent gemotiveerd hebben verantwoord welke onderzoekshandelingen zij hebben verricht en waarom het onderzoek daarvan hen tot de slotsom brengt dat het bepleite nader onderzoek niet opportuun is. Dat hun juridische waardering van de positie van Glencore een andere is dan Nationale Borg wordt ingenomen…is in elk geval niet voldoende reden …’.
144.
Zie omtrent het wel degelijk voldoende verrichte (juridisch) onderzoek naar de vraag of het derdenpandrecht al dan niet paulianeus is tevens het Verweerschrift van curatoren in eerste aanleg pag. 1–3 alsmede het verweerschrift in hoger beroep, paragraaf 72 — paragraaf 98, paragraaf 107, paragraaf 122, en paragraaf 153 — paragraaf 154 en de pleitnotities van curatoren in hoger beroep, pagina 3 — pagina 5.
145.
Gelet op een en ander, in onderling verband en samenhang bezien, is het oordeel van de rechtbank niet althans onvoldoende (inzichtelijk) gemotiveerd, voor zover r.o. 3.10 en/of r.o. 3.11 en/of r.o. 3.12 aldus dienen te worden begrepen dat de curatoren de rechtmatigheid van het pandrecht van Glencore onvoldoende hebben onderzocht en/of de curatoren zich alleen althans in overwegende mate, althans in een te hoge mate bij het sluiten van de overeenkomst d.d. 23 december 2011 hebben laten leiden door het door de rechtbank (met name in r.o. 3.10) bedoelde (financiële) belang van de boedel onder meer daarin bestaande dat de boedel er groot belang bij had dat aluminiumproduct dat van de in de ovens aanwezige vloeibare aluminium nog geproduceerd kon worden werd afgenomen tegen marktconforme prijs en dat ‘de overeenkomst van 23 december 2011 moet worden gezien als een package deal die de boedel aanzienlijke bedragen zou opleveren en ook heeft opgeleverd en waardoor de curatoren in staat waren om de boedel op een efficiënte wijze te vereffenen zonder in langlopende procedures betrokken te raken’.
146.
Eén en ander geldt temeer, althans in ieder geval, nu zonder nadere motivering, die ontbreekt, onvoldoende inzichtelijk is waarom de door de rechtbank in r.o. 3.12 gebezigde argumenten (zie ter zake hierna sub 147, alwaar de door de rechtbank genoemde argumenten gemakshalve zijn voorzien van de nummering sub 1 tot en met 6) (voldoende) relevant en/of dragend (kunnen) zijn voor het oordeel van de rechtbank dat de curatoren de rechtmatigheid van het pandrecht van Glencore onvoldoende hebben onderzocht, waarmee de rechtbank klaarblijkelijk doelt op het al dan niet paulianeuze karakter van het pandrecht van Glencore.
In dat verband is relevant dat de curatoren (zie met name het verweerschrift van curatoren in appel d.d. 21 november 2012, onder andere paragraaf 77 — paragraaf 78) hebben betoogd, kort samengevat, dat de vestiging van het pandrecht direct samenhing met het beschikbaar stellen van nieuw cashdepot en nieuwe leveringen van aluinaarde: ‘Het beschikbaar stellen van het cashdepot en de levering van aluinaarde die de directe aanleiding vormden voor de zekerheidsstelling met betrekking tot de vorderingen van Glencore AG was van aanmerkelijke omvang wat betreft de financiële waarde daarvan en was noodzakelijk voor de voortgang en instandhouding van het productieproces en daarmee voor het genereren van inkomen door Zalco N.V. Het pandrecht kwam daarmee in een directe relatie te staan tot hetgeen door Glencore AG werd geleverd en waarvan deze levering afhankelijk werd gesteld zodat met het vestigen van dit pandrecht geen actief aan Glencore AG in zekerheid werd gegeven die vóór het maken van deze afspraak tot het vermogen van Zalco N.V. behoorde en aan de overige schuldeisers tot verhaal zou kunnen toekomen. Anders gezegd is het object van de pandgeving (aluminium in progress en als eindproduct) niet tot een vermogensbestanddeel dat Zalco ten dienste stond op het moment van de verpanding maar pas aan Zalco is toegekomen na verpanding. … onder de specifieke omstandigheden van het onderhavige geval van het ten gunste van Glencore AG gevestigd pandrecht in relatie tot en als voorafgaande voorwaarde aan onder meer de levering van aluinaarde niet gezegd kan worden dat deze vereiste wetenschap bij Glencore aanwezig was noch behoorde te zijn. …’. Zie in dit verband ook paragraaf 89 van voormeld verweerschrift zijdens curatoren: ‘Glencore heeft inderdaad in verband met haar toegenomen financiële betrokkenheid bij Zalco in 2011 ten tijde van de nieuwe aanmerkelijke levering van aluinaarde in de maand november voorafgaand daaraan een pandrecht gevraagd en verworven. Dit mede voorvloeiende uit de betrokkenheid van Glencore bij het concern als geheel en haar onderdelen, het samenhangend belang daarbij van diverse onderdelen en de centrale positie van Glencore als extern financier en leverancier’. In het licht van het vorenstaand betoog van curatoren (a.w., paragraaf 77 — paragraaf 78 jo. paragraaf 89) is (zonder nadere toelichting die ontbreekt) niet (voldoende) begrijpelijk weshalve de rechtbank in r.o. 3.12 ter onderbouwing van haar oordeel dat de curatoren de rechtmatigheid (paulianeuze karakter) van het pandrecht van Glencore onvoldoende hebben onderzocht, kort samengevat, ‘feiten en omstandigheden’ noemt (zie hierna sub 147 onder 1–6) die zien op de periode — voordat — dat Glencore overging tot ‘het beschikbaar stellen van het cashdepot en de levering van aluinaarde’ (a.w., Verweerschrift curatoren in hoger beroep, paragraaf 77) in welk verband blijkens vorenstaand betoog van de curatoren door Glencore een pandrecht werd gevraagd en verkregen waarmee het pandrecht ‘in een directe relatie (kwam) te staan tot hetgeen door Glencore AG werd geleverd en waarvan deze levering afhankelijk werd gesteld’. Het pandrecht werd derhalve gevraagd en verkregen in verband met een ‘nieuwe levering van aluinaarde in de maand november (verweerschrift curatoren, a.w. paragraaf 89). Op voorbedoeld betoog van curatoren heeft de rechtbank in r.o. 3.12 niet althans onvoldoende (inzichtelijk)gerespondeerd door de hierna sub 147 (onder 1 tot en met 6) genoemde argumenten te bezigen die betrekking hebben op de periode — voor — de nieuwe levering van aluinaarde in november 2011 en die niet althans niet zonder nadere toelichting die ontbreekt daarmee wel van doen hebben.
147.
Ook indien het betoog van curatoren sub 146 niet zou slagen, geldt dat de door de rechtbank gebezigde (hierna te bespreken) argumentatie in r.o. 3.12 (hierna worden de door de rechtbank genoemde argumenten gemakshalve voorzien van de nummering sub 1–6), gelet op de inhoud van de sub 144 bedoelde gedingstukken niet (voldoende) begrijpelijk is (gemotiveerd):
- 1.
De curatoren hebben niet onderzocht hoelang Glencore al grondstoffen leverde, of Glencore voor eerdere leveringen ook zekerheid verlangde en zo niet, waarom zij deze zekerheid voor deze laatste levering op 23 november 2011 wel verlangde. Dit oordeel van de rechtbank is (zonder nadere motivering die ontbreekt) onbegrijpelijk gelet op hetgeen de curatoren hebben betoogd in het verweerschrift in hoger beroep, paragraaf 73–75, paragraaf 77 en paragraaf 88–89.
- 2.
Evenmin hebben de curatoren onderzocht voor welke vorderingen van Glencore op Panther en BaseMet het pandrecht werd verleend, met andere woorden welke bestaande vorderingen onder dit pandrecht vielen. Dit oordeel is onbegrijpelijk (gemotiveerd) gelet op hetgeen de curatoren hebben aangevoerd in het verweerschrift in hoger beroep (zie met name paragraaf 77 jo. paragraaf 79 jo. paragraaf 89).
- 3.
De curatoren hebben evenmin onderzocht waarom Glencore niet eerder zekerheid voor deze vorderingen heeft verlangd. Deze redenering is onbegrijpelijk (gemotiveerd) gelet op hetgeen de curatoren met name in het verweerschrift in appel hebben aangevoerd. Zie met name paragraaf 77-paragraaf 78 jo. paragraaf 89.
- 4.
Evenmin hebben de curatoren onderzocht welke vorderingen nog open stonden, hoe oud deze vorderingen waren en waarom deze niet waren voldaan. Ook dit betreft een onbegrijpelijk (gemotiveerd) oordeel gelet op hetgeen de curatoren in het verweerschrift in appel hebben aangevoerd (paragraaf 3, paragraaf 19, paragraaf 77, en paragraaf 94-paragraaf 96). Zie verder ook de Pleitnotities van de curatoren in hoger beroep d.d. 27 augustus 2012, met name de laatste alinea op pagina 4 jo. pagina 5 (eerste twee alinea's).
- 5.
Ook met betrekking tot de vraag wat de financiële positie van Zalco was ten tijde van het verlenen van het pandrecht en in hoeverre Glencore daarvan op de hoogte was is geen onderzoek gedaan en ook de oorzaak van het faillissement was op dat moment niet bekend bij de curatoren. Deze redenering van de rechtbank is niet althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd gelet op hetgeen de curatoren ter zake hebben aangevoerd: Verweerschrift van de curatoren in hoger beroep, paragraaf 78-paragraaf 80, paragraaf 88-paragraaf 91, paragraaf 146-paragraaf 147 alsmede paragraaf 171. Zie ook de Pleitnotities van de curatoren in hoger beroep, pagina 4, laatste alinea jo. pagina 5.
- 6.
De rechtbank begrijpt in r.o. 3.12 het verweer van curatoren (dan ook) aldus dat zij het risico hebben genomen dat achteraf na gedegen onderzoek zou blijken dat de vestiging van het pandrecht paulianeus was nu daar tegenover een veel groter belang van de boedel stond, namelijk het belang om zoveel mogelijk opbrengst voor de boedel te genereren hetgeen pas mogelijk zou zijn wanneer Glencore bereid zou zijn om het nog te produceren aluminium tegen marktconforme prijs af te nemen en de curatoren op korte termijn over voldoende inkomsten voor de boedel zouden kunnen beschikken om het complex in stand te houden om vervolgens de onderneming al dan niet in onderdelen tegen een zo hoog mogelijke prijs te verkopen. Door aldus te oordelen heeft de rechtbank miskend althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd gerespondeerd op het verweer van curatoren dat — mede gelet op hetgeen hiervoor is opgemerkt met betrekking tot de sub 1-sub 5 door de rechtbank in r.o. 3.12 gebezigde argumenten — de curatoren uitgebreid hebben betoogd dat (zie met name verweerschrift in hoger beroep, nummer 153): ‘RC en curatoren (gekozen hebben) voor een praktische aanpak met een juridische beoordeling van de pauliana kwestie als uitgangspunt.’ Zie in dat verband ook nummer 96 van vermeld Verweerschrift alsmede de Pleitnotities van curatoren in hoger beroep, pagina 5, derde volle alinea alsook de beschikking van de RC d.d. 27 september 2012, r.o. 2.5 jo. r.o. 2.11.
148.
Curatoren merken voor de goede orde op dat indien één van de hiervoor (nr. 147) sub 1–6 bedoelde argumenten van de rechtbank onvoldoende (begrijpelijk) is (gemotiveerd), daarmee het oordeel van de rechtbank in r.o. 3.12 dat curatoren de rechtmatigheid van het pandrecht van Glencore onvoldoende hebben onderzocht niet in stand kan blijven aangezien de door de rechtbank gebezigde argumenten — tezamen — het desbetreffende oordeel van de rechtbank dragen.
V.3. Klacht 2: r.o. 3.13
149.
In deze is van belang dat de rechtbank aldaar (ondermeer) het volgende overweegt: ‘Dat betekent dat de curatoren naar zij terechtstellen niet meer op de erkenning van het pandrecht terug kunnen komen…De curatoren hebben immers aan de discussie of aan Glencore een rechtsgeldig pandrecht is verleend met deze overeenkomst een einde gemaakt’.
150.
Voor zover de rechtbank met deze overweging tot uitdrukking zou willen brengen dat de curatoren — het — pandrecht van Glencore onvoorwaardelijk en ten aanzien van alle Pledged Goods zoals bedoeld in de akte d.d. 21 november 2011 hebben erkend, is dat onjuist althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Zie in dit verband ook hetgeen de rechtbank zelf overweegt in haar beschikking d.d. 17 december 2012 met betrekking tot de vaststaande feiten (r.o. 3.1, pagina 3, tweede volle alinea) waaruit blijkt dat de rechtbank (tenminste aldaar) onderkent dat met betrekking tot het beweerdelijke pandrecht van Glencore niet sprake is van een erkenning van de curatoren die (in alle opzichten) in zijn algemeenheid en/of onvoorwaardelijk is. Zie ook hetgeen de curatoren hiervoor ad IV.4 hebben betoogd aangaande principaal middelonderdeel 1.1.
VI. Conclusie
In het principaal cassatieberoep
Verweerders verzoeken de Hoge Raad het cassatieberoep te verwerpen, kosten rechtens.
In het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
Verzoekers verzoeken de Hoge Raad de bestreden beschikking te vernietigen, indien het principaal cassatieberoep geheel of gedeeltelijk slaagt, met zodanige verdere beslissing, ook omtrent de kosten, als de Hoge Raad juist zal oordelen.
's‑Hertogenbosch, 13 maart 2013
M.A.J.G. Janseen
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 13‑03‑2013
Grotendeels uit beschikking van de Rechtbank Breda d.d. 17 december 2012, r.o. 3.1.
Wessels, Insolventierecht, Deel IV, derde druk 2010, paragraaf 4225, p. 186–187.
Kortmann en Faber (heruitgave Van der Feltz, II), Geschiedenis van de faillissementswet, Serie Onderneming en Recht, deel 2-II, p. 8–9.
Hoge Raad 10 mei 1985, NJ 1985, 791, r.o. 3.3.1.
Hoge Raad 10 mei 1985, NJ 1985, 791, r.o. 3.3.2. In diezelfde zin ook Hoge Raad 28 juni 1991, NJ 1991, 727.
Conclusie A-G Frankx voor Hoge Raad 10 mei 1985, NJ 1985, 791.
Over deze laatste opmerking komen de curatoren straks nog te spreken, bij de bespreking van (de omvang van) het toezicht door de R-C .
Hoge Raad 8 juli 2011, RvdW 2011, 930.
Hoge Raad 9 juni 2000, JOR 2000, 158, r.o. 3.2.2.
Wessels, Insolventierecht, Deel IV, derde druk 2010, paragraaf 4229, p. 193–194.
F.M.J. Verstijlen, ‘De R-C in het voorontwerp voor een Insolventiewet: rechter of commissaris?’, TvI 2008, 4.
Kortmann en Faber (heruitgave Van der Feltz, II), Geschiedenis van de faillissementswet, Serie Onderneming en Recht, deel 2-II, p. 2.
Noot J.J. van Hees bij Rechtbank Leeuwarden 30 maart 2012, JOR 2012, 336, onder punt 2.
Hoge Raad 10 februari 2012, JOR 2012, 65, r.o. 3.4.2.
Conclusie A-G Huydecoper voor Hoge Raad 21 januari 2005, NJ 2005, 249, met name onder punt 60 e.v.
Asser 7-VIII, Bewaarneming, borgtocht, vaststellingsovereenkomst e.a., nr. 134.
Asser 7-VIII, Bewaarneming, borgtocht, vaststellingsovereenkomst e.a., nr. 142.
Hof Arnhem 20 januari 1998, NJ 2001, 538.
Hoge Raad 5 april 1991, NJ 1992, 244.
Hoge Raad 17 februari 2007, NJ 2006, 158.
Art. 6:228 lid 2 BW. Vgl. ook Hoge Raad 29 september 1995, NJ 1998, 81.
Asser 7-VIII, Bewaarneming, borgtocht, vaststellingsovereenkomst e.a., nr. 161.
Wessels, Insolventierecht, Deel IV, derde druk 2010, paragraaf 4393, p. 316.
Hoge Raad 20 juni 2008 LJN DB1497.
Rechtbank Alkmaar 3 februari 2000, JOR 2000, 98.
R. Bremer, ‘Schikkingsperikelen tijdens faillissement’, TvI 2007, 17.
Wessels, Insolventierecht, Deel IV, derde druk 2010, paragraaf 4395, p. 318.
Zie bijvoorbeeld de beschikking van de R-C d.d. 25 januari 2006, JOR 2006/162.
Dit ontslag houdt overigens geen stand, zo blijkt uit Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba 2 juni 2006, JOR 2006/199.
HR 20 januari 2006, NJ 2006, 74 , JOR 2006/161 (Bennink Bolt c.s./Huizing q.q. en De Paus q.q. c.s.).
Het cassatiemiddel dat tegen deze overwegingen van de R-C werd ingesteld, werd door de Hoge Raad verworpen omdat het niet voldeed aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv.
Zie HR 28 juni 1991, NJ1991. 727 (Brandwijk-Guis/Jurgens q.q.), in het bijzonder r.o. 3. Overigens bracht de Hoge Raad in dit arrest wel de nuancering aan dat het belang bij verzoekster ontbrak nu de integrale voldoening van haar vordering ‘op korte termijn’ hoe dan ook verzekerd was.
Zie HR 10 mei 1985, NJ 1985, 791 (Van der Giessen q.q./Rutten en Kruisman), m.nt. G.
Beschikking R-C 25 januari 2006, JOR 2006/162.
Dat de R-C curatoren niet op straffe van ontslag kan dwingen een overeenkomst al dan niet na te komen, blijkt bijvoorbeeld uit de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba d.d. 2 juni 2006, JOR 2006/199. Het Hof overwoog in deze uitspraak dat een verschil van inzicht tussen de curatoren en de R-C over de vraag of een overeenkomst moet worden nagekomen op zich geen reden voor ontslag van de curatoren is.
Beroepschrift 27‑12‑2012
VERZOEKSCHRIFT TOT CASSATIE
AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Geeft eerbiedig te kennen:
de naamloze vennootschap NV NATIONALE BORG-MAATSCHAPPIJ, gevestigd te Amsterdam (hierna: ‘Nationale Borg’), te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van de advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. W.H. van Hemel bij Stibbe N.V. aan de Strawinskylaan 2001 te (1077 ZZ) Amsterdam, die haar in cassatie vertegenwoordigt en namens haar dit verzoekschrift ondertekent en indient,
dat verzoekster tot cassatie met het hieronder aan te voeren en toe te lichten middel bij dit verzoekschrift cassatieberoep instelt tegen de beschikking (hierna: ‘de Beschikking’) van de rechtbank Breda (hierna: ‘de Rechtbank’), Sector civiel, van 17 december 2012, onder zaaknummer / rekestnummer 254857/HA RK 12–190 gewezen tussen verzoekster tot cassatie als appellante en
mr. B van LEEUWEN, kantoorhoudend aan het Stationspark nr. 34, 4462 DZ te Goes (postbus 75, 4460 AB Goes) en mr. P.E. BUTTERMAN, kantoorhoudende aan de Fatimastraat nr. 5, 4834 XT te Breda (postbus 1019, 4801 BA Breda), beiden in hun hoedanigheid van curator in het faillissement van de naamloze vennootschap ZEELAND ALUMINIUM COMPANY N.V. (hierna: ‘Zalco’), gevestigd te Vlissingen, als belanghebbenden (hierna gezamenlijk: ‘de Curatoren’ en afzonderlijk ‘mr. Van Leeuwen’ en ‘mr. Butterman’), voor wie als advocaat optrad mr. J.A. de Waard, kantoorhoudend aan het Stationspark nr. 34, 4462 DZ te Goes (postbus 75, 4460 AB Goes).
Verzoekster legt hierbij over de Beschikking en de overige — op een bij dit verzoekschrift gevoegde lijst gespecificeerde — gedingstukken uit de vorige instanties en voert aan het navolgende
Cassatiemiddel:
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich brengt, doordat de rechtbank in haar Beschikking op de daarin vermelde gronden heeft recht gedaan als in het dictum van de Beschikking is aangegeven, zulks om de navolgende, zonodig in onderlinge samenhang te beschouwen redenen:
Inleiding
1.
Een kleine maand voordat zij op eigen verzoek in staat van faillissement is verklaard, heeft Zalco een derdenpandrecht gevestigd ten behoeve van (de rechtspersoon naar buitenlands recht) Glencore AG (hierna: ‘Glencore’). Het pandrecht is gevestigd op (zeer courante) voorraden en producten met een waarde van USD 40 miljoen.1. Naar de mening van Nationale Borg — één van de crediteuren van Zalco — zijn er overtuigende aanwijzingen dat daarbij sprake is geweest van paulianeus handelen.2. De Curatoren hebben de rechtsgeldigheid van het pandrecht desondanks erkend in een overeenkomst die zij slechts tien dagen na datum faillissement met Glencore hebben gesloten. De door Glencore te verrichten tegenprestatie bestond uit de verplichting om een bedrag te betalen van EUR 200.000,-- en om over te gaan tot intrekking van haar aansprakelijkstellingen van Curatoren in persoon.3. Curatoren betogen dat zij niet anders hebben kunnen handelen omdat dit voor hen de enige manier was om aan liquide middelen te komen die nodig waren om de door hen aangetroffen situatie beheersbaar te maken. In de bestreden Beschikking oordeelt de Rechtbank dat Curatoren zich bij het sluiten van de overeenkomst bewust waren van het risico dat het pandrecht paulianeus gevestigd was en dat Curatoren de rechtmatigheid van het pandrecht onvoldoende hebben onderzocht.4. Nationale Borg heeft er verder op gewezen dat Curatoren bij de beantwoording van de vraag of paulianeus gehandeld is, zijn uitgegaan van een onjuiste maatstaf. Curatoren hebben aldus niet alleen onvoldoende onderzoek verricht maar het onderzoek dat zij wèl hebben verricht is ondeugdelijk geschied.5.
2.
Gelet op het faillissement, kan Nationale Borg zelf de verpanding niet met de actio Pauliana vernietigen. Alleen Curatoren kunnen dat.6. Nationale Borg heeft Curatoren verzocht om van die bevoegdheid gebruik te maken. Curatoren hebben dat geweigerd.
Nationale Borg heeft vervolgens op grond van art. 69 Fw aan de rechter-commissaris verzocht om de Curatoren te gelasten een onderzoek te doen naar de rechtmatigheid van de verpanding en, indien uit dat onderzoek zou blijken dat de verpanding inderdaad een paulianeus karakter heeft, Curatoren te bevelen de verpanding te vernietigen. De rechter-commissaris in eerste aanleg en de Rechtbank in appèl hebben dat verzoek afgewezen. De Rechtbank heeft een korte motivering voor haar oordeel gegeven: gelet op de met Glencore gesloten overeenkomst, zouden Curatoren niet op de erkenning kunnen terugkomen.7.
3.
In het onderhavige cassatieberoep bestrijdt Nationale Borg het oordeel van de Rechtbank met verschillende klachten. De meest principiële klacht is dat een overeenkomst zoals Curatoren hebben gesloten — waarin zij de rechtsgeldigheid van een (derden)pandrecht hebben erkend — uit haar aard niet kan worden tegengeworpen aan crediteuren die dat pandrecht willen bestrijden op de daartoe geëigende weg, te weten, via een verzoek op grond van art. 69 Fw.8. Voor het overige klaagt Nationale Borg onder meer dat de Rechtbank bij beoordeling van de verzoeken een onjuist maatstaf heeft toegepast,9. dat zij is voorbij gegaan aan verschillende essentiële stellingen10. en dat zij is uitgegaan van een lezing van de processtukken die niet met de inhoud daarvan te verenigen is.11.
Feiten en procesverloop12.
4.
Zalco is een dochtervennootschap van de besloten vennootschap BaseMet BV (hierna: ‘BaseMet’).
5.
Zalco hield zich bezig met de productie van aluminium en exploiteerde daartoe in de haven van Vlissingen onder meer een aluminiumsmelterij, een aluminiumgieterij en een anodefabriek.
6.
In 2007 heeft Zalco bijna het volledige bedrijventerrein aan de naamloze vennootschap Zeeland Seaports NV (hierna: ‘ZSP’) verkocht en geleverd, waaronder het gedeelte waarop de aluminiumsmelterij staat. ZSP heeft het terrein vervolgens in erfpacht gegeven aan Zalco. Daarnaast heeft ZSP ten behoeve van Zalco een recht van opstal gevestigd.
7.
Op 27 januari 2010 heeft Nationale Borg voor haar vordering op Zalco een recht van eerste hypotheek verkregen op het recht van opstal en het recht van erfpacht. Daarnaast had Nationale Borg nog een pandrecht.
8.
Omstreeks dezelfde tijd heeft ZSP voor haar vordering op Zalco een recht van tweede hypotheek verkregen op het door haar aan Zalco verleende recht van opstal en recht van erfpacht.
9.
Glencore is een van de grootste leveranciers van grondstoffen van Zalco. Zij leverde aluinaarde voor de productie van aluminium. Deze aluinaarde werd geleverd via een zustervennootschap van Zalco, de vennootschap naar Zwitsers recht Panther Trading AG (hierna: ‘Panther’). Panther doet onder meer dienst als commercieel inkoopplatform voor Zalco. Panther vervulde deze rol in ieder geval tot het faillissement van Basemet op 21 augustus 2012 nog steeds voor de andere dochtermaatschappijen van Basemet.13.
10.
Glencore heeft in verband met de laatste levering aluinaarde van Zalco een derdenpandrecht bedongen. Het pandrecht strekt tot zekerheid voor al hetgeen Glencore te vorderen heeft van BaseMet en/of Panther.
11.
Dit pandrecht is gevestigd op 21 november 2011. Volgens de akte van vestiging is het pandrecht gevestigd op ‘all moveable assets’. Blijkens de akte dient dit begrip aldus te worden uitgelegd dat daaronder alle aluinaarde,14. aluminium voorraad en aluminium metaal voorraad vallen, waaronder eindproducten, halffabricaten en vloeibaar aluminium in de ovens.
12.
Op 13 december 2011 is Zalco bij vonnis van de rechtbank Middelburg op eigen aangifte in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van mrs. Van Leeuwen en Butterman tot curator. Mr. F.H.E. Boerma is benoemd als rechter-commissaris.
13.
Ten tijde van het faillissement was de onderneming nog vol in bedrijf. Een deel van het aluminium bevond zich nog in vloeibare toestand in de ovens van de aluminiumsmelterij.
Kort na het uitspreken van het faillissement is het productieproces van Zalco stilgelegd, als gevolg waarvan het vloeibare aluminium in de oven is gestold.
14.
Op 23 december 2011 hebben Curatoren met Glencore een overeenkomst gesloten. Met betrekking tot de aluinaarde hebben zij verklaard dat zij de eigendom van Glencore erkennen. Met betrekking tot de ‘Pledged goods’, het pandrecht op de goederen, hebben zij verklaard dat zij het pandrecht van Glencore erkennen zoals omschreven in de akte van pandrecht. Zij erkennen niet het pandrecht op het aluminium, geproduceerd na datum faillissement. Met betrekking tot het aluminium in de smeltovens zijn Curatoren met Glencore overeengekomen dat Glencore als pandhouder het aluminium verwijdert en dat de opbrengst in depot wordt gehouden in verband met een mogelijk geschil met de hypotheekhouders ZSP en/of Nationale Borg. Aan de zijde van Curatoren is deze overeenkomst onderworpen aan instemming van de hypotheekhouders.
15.
Verder zijn partijen overeengekomen dat Glencore een bedrag van EUR 200.000,00 betaalt in verband met energieleveringen. Tot slot heeft Glencore in die overeenkomst de verplichting op zich genomen om haar aansprakelijkstellingen van Curatoren in persoon onherroepelijk in te trekken.15.
16.
Tussen Glencore, Nationale Borg en ZSP is een geschil ontstaan over de vraag aan wie de inhoud van de ovens toekomt: Glencore als pandhouder of — door natrekking — Nationale Borg en/of ZSP als hypotheekhouders.
17.
Op 17 februari 2012 heeft Nationale Borg de executie aangezegd van het opstalrecht en aansluitend heeft ZSP aangezegd het opstal- en erfpachtrecht te willen executeren.
Glencore heeft aangekondigd eventueel in kort geding positie op te eisen met betrekking tot het aluminium in de ovens.
18.
Op 4 juni 2012 heeft Nationale Borg zich op de voet van art. 69 Fw tot de rechter-commissaris gewend met het verzoek Curatoren te bevelen onderzoek te verrichten naar de rechtmatigheid van het aan Glencore verleende derdenpandrecht en, zo nodig, op grond van de pauliana dat derdenpandrecht te vernietigen.
19.
Op 5 juni 2012 heeft de mondelinge behandeling van dit verzoek plaatsgevonden. Tevens werd het verzoek van Glencore tot verlenging van de termijn, die Curatoren haar op grond van art. 58 Fw hadden gesteld behandeld. De behandeling is geschorst, teneinde partijen — met name Nationale Borg, ZSP en Glencore — in de gelegenheid te stellen om tot een regeling te komen.
20.
Op 11 juni 2012 is er tussen de curatoren, Nationale Borg, ZSP, de besloten vennootschap UTB Holding BV (hierna: ‘UBT’) en Century een overeenkomst gesloten. Deze overeenkomst hield in dat de aluminiumfabriek van Zalco in drie delen zou worden gesplitst. De aluminiumgieterij zou worden overgedragen aan UTB en de anodefabriek aan Century. ZSP zou de aluminiumsmelterij laten slopen en de ondergrond laten reinigen, om plaats te maken voor nieuwe (havengebonden) activiteiten op het terrein. De sloop en de sanering zouden worden uitgevoerd door UTB.
21.
Op 27 juni 2012 heeft Glencore aan de voorzieningenrechter te Middelburg verlof gevraagd — en — gekregen — tot het leggen van beslag ex art. 496 lid 2 Rv jo art. 492 Rv.
22.
Op 30 juni 2012 heeft Glencore pandhoudersbeslag gelegd op het gestolde aluminium in de smeltovens van ZSP.
23.
Bij dagvaarding van 17 augustus 2012 heeft Glencore bij de rechtbank Middelburg een kort geding aanhangig gemaakt tegen UTB, ZSP en Curatoren, waarin zij kort gezegd — vordert UTB te verbieden de ovens te slopen en de inhoud te verwijderen en ZSP en Curatoren te laten gehengen en gedogen dat Glencore de inhoud van de ovens verwijdert en verkoopt.
24.
Op 20 en 27 augustus 2012 is de behandeling van het verzoek ex art. 69 Fw van Nationale Borg door de rechter-commissaris voortgezet.
25.
Op 5 september 2012 heeft Glencore aangekondigd op 10 september 2012 tot executie van haar pandrecht op het gestolde aluminium in de ovens over te gaan. Bij kort geding dagvaarding van 8 september 2012 heeft Nationale Borg als lasthebber van ZSP gevorderd deze executie te verbieden. Bij vonnis van 10 september 2012 heeft de voorzieningenrechter te Middelburg dat verbod toegewezen.
26.
Op 3 september 2012 heeft de rechter-commissaris aan Curatoren laten weten dat hij op het verzoek van Glencore tot verlenging van de termijn ex art. 58 Fw beslist dat de termijn is verlengd tot 10 september 2012 en dat hij de verdere verlenging afwijst, met het verzoek dit aan belanghebbenden door te geven. Curatoren hebben dit door middel van een SMS en een aansluitende e-mail diezelfde dag gedaan. De rechter-commissaris heeft zijn beslissing schriftelijk bevestigd op 10 september 2012.16.
27.
Bij vonnis van 11 september 2012 heeft de voorzieningenrechter te Middelburg de vordering van Glencore afgewezen, onder opheffing van het door Glencore gelegde beslag.
Overwogen is dat voorshands niet is gebleken dat de vestiging van het pandrecht ten behoeve van Glencore als paulianeus moet worden betiteld, omdat Curatoren de verpanding niet hebben vernietigd met een beroep op art. 42 Fw jo art. 43 lid 1 sub 1 en 2 Fw en er nog niets is beslist op het verzoek ex art. 69 Fw om Curatoren te bevelen de pandrechten van Glencore te vernietigen. Vervolgens is overwogen dat het aluminium op grond van art. 3:4 lid 2 BW door de ovens is nagetrokken en dat, nu de ovens als onroerend te kwalificeren zijn, het aluminium ook onroerend is. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat Glencore geen pandrecht heeft.
28.
Bij beschikking van 27 september 2012 heeft de rechter-commissaris op het verzoek ex art. 69 Fw van Nationale Borg beslist. Het verzoek is afgewezen.
29.
Nationale Borg heeft hoger beroep tegen die beschikking van de rechter-commissaris ingesteld bij de Rechtbank bij beroepschrift van 1 oktober 2012. Zij heeft haar beroepschrift aangevuld bij aanvullend beroepschrift van 9 oktober 2012. Curatoren hebben op 21 november 2012 een verweerschrift ingediend. Op 3 december 2012 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden waarbij Nationale Borg pleitnotities heeft overgelegd. In de bestreden Beschikking van 17 december 2012 heeft de Rechtbank de verzoeken van Nationale Borg in hoger beroep afgewezen. De gronden voor die beslissing komen, voor zover zij in cassatie relevant zijn, in het navolgende aan de orde.
Klachten
Onderdeel 1
30.
In de derde zin van rov. 3.13 vermeldt de Rechtbank de stelling van Nationale Borg dat Curatoren het pandrecht niet hadden mogen erkennen. De Rechtbank oordeelt dat ook indien — na nader onderzoek — zou komen vast te staan dat Nationale Borg daarin gelijk heeft, de rechter-commissaris terecht het verzoek van Nationale Borg om Curatoren op te dragen nader onderzoek te verrichten heeft afgewezen. De Rechtbank overweegt daartoe dat Curatoren zich op het standpunt hebben gesteld dat zij op 23 december 2011 een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten. De Rechtbank ziet steun voor deze stelling in de aanhef van de overeenkomst, waarin staat dat Glencore en Curatoren ‘in ending an ongoing discussion on the separate points listed herunder’ een aantal afspraken hebben gemaakt. De Rechtbank overweegt dat ook Nationale Borg er vanuit gaat dat deze overeenkomst een vaststellingsovereenkomst is. Naar het oordeel van de Rechtbank betekent dit dat Curatoren niet meer op de erkenning van het pandrecht terug kunnen komen, ook niet wanneer na nader onderzoek zou blijken dat Curatoren het pandrecht van Glencore ten onrechte hebben erkend. De Rechtbank overweegt dat Curatoren met deze overeenkomst immers een einde hebben gemaakt aan de discussie of aan Glencore een rechtsgeldig pandrecht is verleend.
Subonderdeel 1.1
31.
Ook al zou sprake zijn van een vaststellingsovereenkomst zoals de Rechtbank hier heeft aangenomen, dan betekent dit niet (althans niet zonder meer) dat Curatoren niet meer op de erkenning van het pandrecht zouden kunnen terugkomen, althans, vormt dit niet een (zelfstandig dragende) grond voor de beslissing om de verzoeken van Nationale Borg af te wijzen. De Rechtbank heeft dat in bovengenoemde overwegingen miskend. Zij getuigt daarmee van een onjuiste rechtsopvatting over de rechtsgevolgen van een door een curator gesloten vaststellingsovereenkomst waarin hij een (derden)pandrecht heeft erkend.
32.
Een zodanige overeenkomst levert, anders dan de Rechtbank oordeelt, geen (althans, geen zelfstandig dragende) grond op voor afwijzing van een verzoek ex art. 69 Fw van een crediteur dat ertoe strekt dat de curator wordt bevolen
- (i)
te onderzoeken of bij vestiging van dat pandrecht (on)rechtmatig is gehandeld en, indien uit dat onderzoek volgt dat van onrechtmatig (paulianeus) handelen sprake is geweest,
- (ii)
de verpanding te vernietigen, althans, (andere) (rechts)maatregelen te nemen om de benadeling als gevolg de verpanding ongedaan te maken.
De pandhouder zal die overeenkomst namelijk niet aan vernietiging van het pandrecht of andere (rechts)maatregelen ter ongedaanmaking van de benadeling kunnen tegenwerpen indien de curator daartoe overgaat nadat hem dat is bevolen op een verzoek dat een crediteur op grond van art. 69 Fw heeft gedaan.17.
33.
Is de Rechtbank op dit punt wel van een juiste rechtsopvatting uitgegaan, dan is zonder (nadere) motivering (welke ontbreekt) onbegrijpelijk dat zij de verzoeken van Nationale Borg heeft afgewezen.
34.
Ter aanvulling en toelichting op deze klachten merkt Nationale Borg het volgende op.
35.
De curator kan het bestaan van een vordering die ter verificatie wordt ingediend en de daaraan verbonden voorrang voorlopig erkennen. Die voorlopige erkenning staat echter niet in de weg aan de bevoegdheid van de crediteuren om het bestaan van die vorderingen of de daaraan verbonden voorrang vervolgens op de verificatievergadering te betwisten. De crediteuren zijn dus niet aan een voorlopige erkenning door de curator gebonden.18. Dat geldt evenzeer indien de curator ertoe is overgegaan om het bestaan van een vordering of de daaraan verbonden voorrang te erkennen in een vaststellingsovereenkomst die hij heeft gesloten voordat de verificatievergadering heeft plaatsgevonden.19.
36.
In het onderhavige geval is sprake van een derdenpandrecht dat de Curatoren (naar het oordeel van de Rechtbank) in een vaststellingsovereenkomst hebben erkend. Nationale Borg is van mening dat dit derdenpandrecht paulianeus gevestigd is. De (althans, een) geëigende weg voor een crediteur om een zodanig recht in dat geval aan te vechten indien de curator weigert dat te doen, is om op grond van art. 69 Fw te verzoeken de curator te bevelen om onderzoek te doen naar de (on)rechtmatigheid van de verpanding en, indien blijkt dat de verpanding niet rechtmatig heeft plaatsgevonden, die verpanding met de actio Pauliana te vernietigen of andere (rechts)maatregelen te treffen om de benadeling ongedaan te maken.20.
37.
Aangezien aan een crediteur die het bestaan van een vordering of de daaraan verbonden voorrang wil betwisten niet kan worden tegengeworpen dat de curator die vordering of de daaraan verbonden voorrang in een vaststellingsovereenkomst heeft erkend, kan niet worden aanvaard (en is onjuist het oordeel) dat aan een crediteur die een derdenpandrecht via de daartoe geëigende weg wil bestrijden (althans, die wil dat maatregelen worden getroffen om de benadeling als gevolg van dat derdenpandrecht ongedaan te maken) wèl een vaststellingsovereenkomst zou kunnen worden tegengeworpen waarin de curator dat derdenpandrecht heeft erkend.
Subonderdeel 1.2
38.
In de overeenkomst van 23 december 2011 is bepaald dat zij onderworpen is aan bevestiging door ZSP en Nationale Borg, in elk geval voor zover het betreft het pandrecht dat is gevestigd op ‘work in progress (aluminium in the pots and ovens)’. Nationale Borg heeft erop gewezen dat die bevestiging niet gegeven is en dat Curatoren in zoverre niet aan de erkenning in die overeenkomst gebonden zijn, dan wel daarop terug kunnen komen.21.
Curatoren hebben zich zelf in eerste aanleg ook op dat standpunt gesteld.22.
39.
De Rechtbank is geheel aan dit (essentiële) betoog van Nationale Borg voorbij gegaan. Ook in zoverre is zonder (nadere) motivering (welke ontbreekt) onbegrijpelijk haar oordeel dat Curatoren niet meer op de erkenning van het pandrecht terug kunnen komen23. en dat (mede) gelet daarop de verzoeken van Nationale Borg moeten worden afgewezen omdat dit betoog — indien juist — ertoe zal moeten of kunnen leiden dat Glencore zich niet (althans niet met succes) met een beroep op de overeenkomst van 23 december 2011 zal kunnen verweren tegen een door Curatoren in te stellen actio Pauliana (althans, andere door Curatoren te nemen (rechts)maatregelen ter opheffing van de benadeling als gevolg van het pandrecht) en die overeenkomst daarom niet een grond (althans, geen zelfstandig dragende grond) kan opleveren voor afwijzing van de verzoeken van Nationale Borg.
Subonderdeel 1.3
40.
In de overeenkomst van 23 december 2011 hebben Curatoren niet uitgesloten dat zij Glencore op grond van onrechtmatige daad zouden aanspreken om zo de benadeling als gevolg van het pandrecht ongedaan te maken. Nationale Borg heeft er in feitelijke instanties op gewezen dat ook die omstandigheid meebrengt dat die overeenkomst geen grond kan vormen voor afwijzing van haar verzoeken.24. De Rechtbank is ook geheel aan dit (essentiële) argument voorbij gegaan. Ook in zoverre is zonder (nadere) motivering (welke ontbreekt) onbegrijpelijk haar oordeel dat de verzoeken van Nationale Borg moeten worden afgewezen omdat, indien Curatoren Glencore ondanks die overeenkomst inderdaad op grond van onrechtmatige daad zouden kunnen aanspreken om zo de benadeling als gevolg van het pandrecht ongedaan te maken, die overeenkomst geen grond (althans, geen zelfstandig dragende grond) kan opleveren voor afwijzing van de verzoeken van Nationale Borg.
Subonderdeel 1.4
41.
Indien een overeenkomst als de onderhavige (in beginsel) wel een (zelfstandig dragende) grond zou kunnen opleveren voor afwijzing van de verzoeken zoals Nationale Borg die in het onderhavige geval heeft gedaan, dan betekent dit niet dat een zodanige overeenkomst onder alle omstandigheden een dergelijke grond oplevert.
42.
In het onderhavige geval gaat het om een overeenkomst die onder bijzondere omstandigheden is gesloten en die een bijzondere inhoud heeft. In die overeenkomst hebben Curatoren het ten behoeve van Glencore gevestigde pandrecht erkend. Naar eigen zeggen, verkeerden Curatoren daarbij in een dwangpositie. Om de door hen bij aanvang van het faillissement aangetroffen situatie beheersbaar te maken, hadden zij boedelactief nodig. Zij vonden alleen Glencore bereid om afspraken te maken die voor de boedel het noodzakelijk actief per direct zouden kunnen realiseren.25. Glencore stelde echter als voorwaarde dat Curatoren het pandrecht zouden erkennen. Curatoren hebben die voorwaarde aanvaard, hoewel zij zich, naar zij zelf stellen, bewust waren van de mogelijkheid dat bij vestiging van het pandrecht sprake is geweest van paulianeus handelen en hoewel zij — naar het oordeel van de Rechtbank — de rechtmatigheid van het pandrecht onvoldoende hebben onderzocht.26. Verder had Glencore Curatoren persoonlijk aansprakelijk gesteld en was zij bereid die aansprakelijkstellingen in te trekken indien Curatoren bereid waren hun medewerking aan de overeenkomst te geven. De enige andere door Glencore te leveren tegenprestatie bestond uit de betaling van een bedrag van slechts EUR 200.000,--, welk bedrag in geen verhouding staat tot de waarde van de zaken waarop het pandrecht is gevestigd, USD 40 miljoen.27.
43.
Gelet op (één of meer van) deze omstandigheden is aannemelijk, althans, is (goed) voorstelbaar, althans, is op voorhand — zonder (nader) onderzoek — niet uit te sluiten, dat Curatoren zich tegen een beroep door Glencore op de overeenkomst van 23 december 2011 kunnen verweren, onder meer door die overeenkomst te vernietigen op grond van misbruik van omstandigheden, dan wel, door zich op het standpunt te stellen dat een zodanige beroep naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Nationale Borg heeft er in feitelijke instanties ook op gewezen dat Curatoren gelet op de zwaarwegende omstandigheden van dit geval op de overeenkomst kunnen terugkomen.28. De Rechtbank is geheel aan het desbetreffende (essentiële) betoog van Nationale Borg voorbij gegaan. Dat is des te meer opmerkelijk gelet op het feit dat de rechtercommissaris in eerste aanleg heeft erkend dat Curatoren in geval van zwaarwegende redenen op de overeenkomst kunnen terugkomen29. en Curatoren dat oordeel niet hebben bestreden maar juist uitdrukkelijk hebben onderschreven.30.
44.
Het feit dat de overeenkomst van 23 december 2011 is gesloten kan ook daarom geen grond (althans, geen zelfstandig dragende grond) vormen — ook niet indien die overeenkomst een vaststellingsovereenkomst zou zijn — voor afwijzing van de verzoeken.
De Rechtbank heeft dat miskend en geeft daarmee een oordeel dat zonder (nadere) motivering (welke ontbreekt) onbegrijpelijk is.
Onderdeel 2
45.
In rov. 3.7 overweegt de Rechtbank
- (i)
dat aan het verzoek ten grondslag liggende standpunt van Nationale Borg er in de kern op neer komt dat de vestiging van het derdenpandrecht een paulianeuze rechtshandeling is en
- (ii)
dat de Curatoren het door Zalco aan Glencore verleende derdenpandrecht dan ook niet hadden mogen erkennen.
46.
In rov. 3.8 neemt de Rechtbank bij de beoordeling als uitgangspunt dat in het verzoek ex art. 69 Fw, (iii) waarmee Nationale Borg aan de rechter-commissaris in feite de vraag heeft voorgelegd of de Curatoren het pandrecht van Glencore wel hadden mogen erkennen, (iv) de vraag besloten ligt of de Curatoren hun taak ex art. 68 Fw naar behoren hebben vervuld.
47.
In rov. 3.9 overweegt de Rechtbank (v) dat Nationale Borg bij de rechter-commissaris is opgekomen tegen de erkenning van het pandrecht door de Curatoren, door de rechtercommissaris te vragen de Curatoren te bevelen nader onderzoek te verrichten naar de rechtmatigheid van het door Zalco aan Glencore verleende derdenpandrecht, daarvan verantwoording af te leggen aan de schuldeisers, in het bijzonder aan Nationale Borg, en — indien mocht blijken dat de vestiging van dit pandrecht paulianeus is — het pandrecht te vernietigen met een beroep op art. 42 Fw.
48.
Blijkens de overwegingen sub (ii), (iii) en (v) hanteert de Rechtbank een (rechtens) onjuiste maatstaf bij beoordeling van de verzoeken en getuigt zij in zoverre van een onjuiste rechtsopvatting, althans, geeft de Rechtbank een lezing van de (door Nationale Borg aangevoerde gronden voor haar) verzoeken die zonder (nadere) motivering (welke ontbreekt) onbegrijpelijk is.
49.
Ook al zou namelijk vaststaan dat erkenning door Curatoren van het pandrecht van Glencore (op zichzelf) niet meebrengt dat zij hun taak ex art. 68 Fw destijds niet naar behoren hebben vervuld, dan sluit dit geenszins uit dat Curatoren, hun taak ex art. 68 Fw thans niet naar behoren vervullen door te weigeren op de verzoeken van Nationale Borg in te gaan om te onderzoeken of de vestiging van dat pandrecht een paulianeuze rechtshandeling was, en, indien dit het geval is, het pandrecht te vernietigen met een beroep op art. 42 Fw. In feitelijke instanties heeft Nationale Borg ook uitdrukkelijk betoogd dat het haar uitsluitend gaat om de vraag of de vestiging van het derdenpandrecht paulianeus is en dat niet relevant is of Curatoren gelet op de op 23 december 2011 voorliggende omstandigheden een afgewogen regeling hebben getroffen.31.
50.
Anders dan de Rechtbank in rov. 3.7 overweegt komt het aan het verzoek ten grondslag liggende standpunt van Nationale Borg er in de kern dan ook niet op neer dat de Curatoren het door Zalco aan Glencore verleende derdenpandrecht destijds niet hadden mogen erkennen (er vanuit gaande dat zij dat hebben erkend) maar dat Curatoren thans moeten ingaan op de verzoeken van Nationale Borg die er — kort gezegd — toe strekken dat Curatoren thans maatregelen nemen om de benadeling als gevolg van dat pandrecht ongedaan te maken. Anders dan de Rechtbank in rov. 3.8 overweegt heeft Nationale Borg aan de rechter-commissaris ook niet (primair) de vraag voorgelegd of Curatoren het pandrecht van Glencore destijds wel hadden mogen erkennen en of zij, er vanuit gaande dat zij dat pandrecht destijds hebben erkend, daardoor destijds hun taak ex art. 68 Fw naar behoren hebben vervuld, maar (primair) de vraag of Curatoren, door thans te weigeren op de verzoeken van Nationale Borg in te gaan thans hun taak ex art. 68 Fw naar behoren vervullen. Anders dan de Rechtbank in rov. 3.9 overweegt komt Nationale Borg ook niet (primair) op tegen de toenmalige erkenning van het pandrecht door Curatoren maar tegen de huidige weigering van Curatoren om haar verzoeken te honoreren.
51.
Indien en voor zover de Rechtbank van oordeel is geweest
- (a)
dat Curatoren door het sluiten van de overeenkomst van 23 december 2011 het belang van de boedel hebben gediend,32. dat
- (b)
hun medewerking daaraan niet meebrengt dat zij hun taak niet naar behoren hebben vervuld33. en dat
- (c)
sprake is geweest van een goed beheer van de boedel door in die overeenkomst een regeling met Glencore te treffen die onder meer inhield dat het pandrecht van Glencore zou worden erkend34., dan kunnen deze oordelen — indien en voor zover zij in cassatie in stand zouden blijven35. — derhalve geen grond (althans, geen zelfstandig dragende grond) opleveren voor afwijzing van de verzoeken van Nationale Borg.
Die oordelen sluiten niet uit dat Curatoren, door (thans) te weigeren het door Nationale Borg verzochte onderzoek te verrichten, hun taak (thans) niet naar behoren vervullen. Voor zover de Rechtbank dat heeft miskend, is haar oordeel rechtens onjuist, althans, zonder (nadere) motivering (welke ontbreekt) onbegrijpelijk.
Onderdeel 3
52.
In de eerste zin van rov. 3.13 overweegt de Rechtbank dat Nationale Borg niet heeft weersproken dat het sluiten van de overeenkomst van 23 december 2011 het belang van de boedel heeft gediend.
53.
In de tweede zin van rov. 3.13 overweegt de Rechtbank dat Nationale Borg evenmin aan Curatoren hebben verweten dat zij in dit opzicht hun taak niet naar behoren hebben vervuld.
54.
Deze overwegingen zijn zonder (nadere) motivering (welke ontbreekt) onbegrijpelijk.
Nationale Borg heeft in feitelijke instanties namelijk het volgende betoogd:
- i.
Anders dan Curatoren stellen, is zij niet gebaat door de overeenkomst. Evenmin is sprake van causaal verband tussen de overeenkomst en het bedrag dat haar ten goede zal komen.36.
- ii.
De erkenning van het derdenpandrecht en de opbrengst van de doorstart voor de boedel, hebben niets met elkaar te maken. Sterker, de rol van Curatoren bij de doorstart was minimaal. Nationale Borg heeft een en ander geïnitieerd.37.
- iii.
Naast het derdenpandrecht, hebben Curatoren ook het vermeende eigendomsrecht erkend dat Glencore pretendeerde op de aluinaarde die op 23 november 2011 geleverd is. Uit de verpandingsakte van 21 november 2011 blijkt dat al de daarvoor geleverde aluinaarde nog gewoon eigendom werd van Zalco. Nog daargelaten dat de op 23 november 2011 geleverde aluinaarde wellicht door vermenging eigendom is geworden van Zalco, geldt dat ook de rechtshandeling waarmee Zalco erkende dat Glencore eigenaar was van de op 23 november 2011 geleverde aluinaarde, waarschijnlijk paulianeus is en nooit door Curatoren verricht had mogen worden.38.
- iv.
Bij hun onderzoek of sprake is geweest van paulianeus handelen, hebben Curatoren een onjuiste maatstaf toegepast.39.
- v.
Curatoren hebben in ieder geval niet alle alternatieven onderzocht. Hoewel Curatoren beseften dat zij zich het algemeen crediteurenbelang en de positie van ZSP en Nationale Borg moesten aantrekken, hebben zij buiten Glencore en de bestuurders van Zalco niemand betrokken bij de snel genomen beslissing tot erkenning van het derdenpandrecht van Glencore. Dat is onbegrijpelijk en onaanvaardbaar.40.
- vi.
Curatoren hebben gehandeld onder druk van Glencore en zij hebben zich laten leiden door het feit dat Glencore hen in privé aansprakelijk had gesteld.41.
55.
Gelet op deze door Nationale Borg naar voren gebrachte bezwaren, zijn zonder (nadere) motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk de hierboven beschreven overwegingen van de Rechtbank in de eerste en tweede zin van rov. 3.13. Deze bezwaren zijn niet anders uit te leggen dan strekkende tot
- (i)
het betoog dat het sluiten van de overeenkomst van 23 december 2011 het belang van de boedel niet heeft gediend en
- (ii)
het verwijt aan Curatoren dat zij in dit opzicht hun taak niet naar behoren hebben vervuld.
Onderdeel 4
56.
In de laatste zin van rov. 3.13 overweegt de Rechtbank dat zij overigens geen aanleiding ziet te twijfelen aan de juistheid van het verweer van Curatoren, dat er sprake is geweest van een goed beheer van de boedel door op 23 december 2011 een regeling met Glencore te treffen, die onder meer inhield dat het pandrecht van Glencore zou worden erkend.
57.
Nationale Borg leest deze overweging niet aldus dat de Rechtbank van oordeel is dat sprake is geweest van een goed beheer zoals Curatoren hebben betoogd. De Rechtbank geeft daarover geen oordeel maar laat het bij de overweging dat zij overigens geen aanleiding ziet om daaraan te twijfelen.
58.
Voor zover de overweging van de Rechtbank anders gelezen zou moeten worden, te weten, inhoudende het oordeel dat sprake is van een goed beheer van de boedel door op 23 december 2011 een regeling met Glenore te treffen, die onder meer inhield dat het pandrecht van Glencore zou worden erkend, leest Nationale Borg niet dat het een oordeel betreft dat de Rechtbank (mede) ten grondslag heeft gelegd aan haar beslissing de verzoeken van Nationale Borg af te wijzen. Nationale Borg leest dat oordeel als een overweging ten overvloede.
59.
Voor zover de overweging gelezen moet worden als inhoudende het oordeel dat sprake is van een goed beheer van de boedel door op 23 december 2011 een regeling met Glencore te treffen, die onder meer inhield dat het pandrecht van Glencore zou worden erkend, en de Rechtbank (mede) in dat oordeel grond heeft gezien voor haar beslissing de verzoeken af te wijzen, bestrijdt Nationale Borg dat oordeel met de volgende klachten.
60.
In de eerste plaats is dat oordeel niet (althans, niet zonder meer) te rijmen met de vaststelling in rov. 3.12 dat Curatoren de rechtmatigheid van het pandrecht onvoldoende hebben onderzocht en dat Curatoren, op het moment waarop zij het pandrecht hebben erkend niet in staat waren te beoordelen of Zalco en/of Glencore rekening hadden behoren te houden met de mogelijkheid dat Zalco failliet zou gaan en daarmee ook niet of er sprake was van wetenschap van benadeling.
61.
In de tweede plaats gaat de Rechtbank met dat oordeel geheel voorbij aan de (essentiële) stellingen die Nationale Borg heeft ingenomen zoals die hierboven in nr. 54 van dit verzoekschrift zijn weergegeven, redenen waarom dat oordeel zonder (nadere) motivering (welke ontbreekt) onbegrijpelijk is.
Tot slot
62.
Nationale Borg heeft op het ogenblik waarop zij dit verzoekschrift indient nog niet ontvangen het proces-verbaal van de mondelinge behandeling die op 3 december 2012 heeft plaatsgevonden. Zij behoudt zich het recht voor haar klachten aan te vullen indien en voor zover het proces-verbaal daartoe aanleiding geeft. Zij behoudt zich eveneens het recht voor Uw Raad te verzoeken op grond van art. 428 Rv een (nadere) toelichting door de advocaten te bevelen.
Redenen waarom:
Verzoekster Uw Raad verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen met zodanige verdere beslissing, ook omtrent de kosten, als Uw Raad juist zal oordelen.
Amsterdam, 27 december 2012
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 27‑12‑2012
Pleitnota Nationale Borg in appèl d.d. 3 december 2012, nrs. 2 en 6 sub iii.
Zie bijvoorbeeld, Pleitnota Nationale Borg in appèl d.d. 3 december 2012, nrs. 3 en 6.
Zie de door Nationale Borg als productie 11 overgelegde overeenkomst van 23 december 2011, art. VII, onder het kopje ‘Personal liabilities’: ‘Glencore herewith unequivocally withdraws her notices of liability to liquidators in person.’ Curatoren waren kennelijk — om redenen die Nationale Borg niet bekend zijn — door Glencore persoonlijk aansprakelijk gesteld.
Rov. 3.12.
Zie bijvoorbeeld, Pleitnota Nationale Borg in appèl d.d. 3 december 2012, nr. 6.
Art. 49 Fw. Zie HR 21 december 2001, NJ 2005, 95 m.nt.Kortmann (Lunderstädt/De Kok c.s.).
Rov. 3.13.
Subonderdeel 1.1.
Onderdeel 2.
Subonderdelen 1.2, 1.3 en 1.4 en onderdeel 4.
Onderdelen 2 en 3.
Zie rov. 3.1.
Aanvullend beroepschrift Nationale Borg d.d. 9 oktober 2012, nr. 2.1.
Zie pleitnota Nationale Borg in appèl d.d. 3 december 2012, nr. 3, noot 6.
Zie de door Nationale Borg als productie 11 overgelegde overeenkomst van 23 december 2011, onder ‘VII. Personal liabilities’: ‘Glencore herewith unequivocally withdraws her notices of liability to liquidators in person.’
In rov. 3.1 spreekt de Rechtbank over een beschikking van 10 september 2012. In werkelijkheid is de beslissing genomen op 3 september 2012.
Zo heeft Nationale Borg ook reeds in feitelijke instanties betoogd: Aanvullend verzoekschrift Nationale Borg in eerste aanleg d.d. 16 augustus 2012, nrs. 12–14; Aanvullend beroepschrift Nationale Borg d.d. 9 oktober 2012, nrs. 3.24–3.28; pleitnota Nationale Borg in appèl d.d. 3 december 2012, nr. 9 sub ii.
Zie: B. Wessels, Wessels Insolventierecht IV, 3e druk, 2010, par. 4395; F.M.J. Verstijlen, Losbladige Faillissementswet, art. 104 Fw, aant. 1; R. Bremer, Schikkingsperikelen tijdens faillissement, in: TvI, 2007, 17, par.6; W.L.P.A. Molengraaf, De Faillissementswet, vierde druk, 1951, p. 353.
Zie: B. Wessels, Insolventierecht III, 3e druk, 2010, par. 3187 en 3188; T&C Insolventierecht, zesde druk, 2008, Christiaans/Verstijlen, art. 49 Fw, aant. 2; N.J. Polak, bewerkt door M. Pannevis, Insolventierecht, twaalfde druk, 2011, p. 216; Heruitgave Geschiedenis van de Wet op het Faillissement en de Surséance van Betaling, deel I, bewerkt door Mr. G.W. Baron van der Feltz, Haarlem 1996, onder redactie van S.C.J.J. Kortmann, N.E.D. Faber, Serie Onderneming en Recht deel 2-I, 1994, p. 454 en 455.
Aanvullend verzoekschrift Nationale Borg d.d. 16 augustus 2012, nr. 11; Pleitnota Nationale Borg in appèl d.d. 3 december 2012, nr. 9 sub i.
Verweerschrift Curatoren d.d. 5 juni 2012, p. 2 onder het kopje ‘Erkenning heeft niet plaatsgevonden.’
En haar oordeel dat Curatoren aan de discussie of aan Glenocore een rechtsgledig pandrecht is verleend met deze overeenkomst een einde hebben gemaakt.
Aanvullend Verzoekschrift Nationale Borg in eerste aanleg d.d. 16 augustus 2012, nr. 15; Pleitnota Nationale Borg in appèl d.d. 3 december 2012, nr. 9 sub iii.
Verweerschrift Curatoren in appèl d.d. 21 november 2012, nrs. 2–25, in het bijzonder nr. 20 (‘Zoals uit de voornoemde uiteenzetting moge blijken, een druppel op de gloeiende plaat die niet echt wezenlijk bijdraagt tot een beheersbare situatie. Curatoren zagen zich met andere woorden geconfronteerd met het feit dat geen enkele stakeholder verantwoording wilde nemen danwel een boedelactief wilde beschikbaar stellen uitgezonderd Glencore. Daarbij speelde het pandrecht uiteraard ook een rol. Curatoren stonden er alleen voor, zonder liquide middelen’) en nr. 21 (‘Glencore bleek bereid wel aanvullende afspraken te willen maken die voor de boedel het noodzakelijk actief per direct zou[den] kunnen realiseren.’).
Zie rov. 3.12.
Zie onder meer pleitnota Nationale Borg in appèl d.d. 3 december 2012, nrs. 3 en nr. 6 sub iii.
Pleitnota Nationale Borg in appèl, nr. 9 sub iv.
Rov. 2.10 van zijn beschikking d.d. 27 september 2012.
Verweerschrift Curatoren in appèl d.d. 21 november 2012, nrs. 116 en 117.
Zie het betoog van Nationale Borg in nr. 3.58 van haar Aanvullend beroepschrift d.d. 9 oktober 2012. Zie ook reeds haar Aanvullend verzoekschrift d.d. 16 augustus 2012 in eerste aanleg, nr. 10 sub b.
Zie de eerste zin van rov. 3.13.
Zie de tweede zin van rov. 3.13.
Zie de laatste zin van rov. 3.13.
Nationale Borg bestrijdt die oordelen in de navolgende onderdelen 3 en 4.
Pleitnota Nationale Borg in appèl d.d. 3 december 2012, nr. 4 sub i. De stelling van Nationale Borg dat zij niet is gebaat impliceert de stelling dat (ook) de boedel niet is gebaat.
Pleitnota Nationale Borg in appèl d.d. 3 december 2012, nr. 4 sub ii.
Pleitnota Nationale Borg in appèl d.d. 3 december 2012, nr. 4 sub iii.
Zie bijvoorbeeld, Pleitnota Nationale Borg in appèl d.d. 3 december 2012, nr. 6.
Aanvullend verzoekschrift Nationale Borg in eerste aanleg d.d. 16 augustus 2012, nr. 10a; Pleitnota Nationale Borg in appèl d.d. 3 december 2012, nr. 4 sub iv.
Aanvullend beroepschrift Nationale Borg d.d. 9 oktober 2012, nr. 3.2, sub vii en nr. 3.36; Pleitnota Nationale Borg in appèl d.d. 3 december 2012, nr. 5.