Rechtbank Midden-Nederland 29 februari 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:3424.
HR, 25-10-2024, nr. 24/02078
ECLI:NL:HR:2024:1552
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25-10-2024
- Zaaknummer
24/02078
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1552, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑10‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:803
ECLI:NL:PHR:2024:803, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 01‑08‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1552
Beroepschrift, Hoge Raad, 27‑05‑2024
- Vindplaatsen
GZR-Updates.nl 2025-0003
JGz 2025/5 met annotatie van Redactie
Uitspraak 25‑10‑2024
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/02078
Datum 25 oktober 2024
BESCHIKKING
In de zaak van
[betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: M.E. Bruning,
tegen
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT MIDDEN-NEDERLAND,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/16/570287/ FV RK 24-339 van de rechtbank Midden-Nederland van 29 februari 2024.
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.M. Coenraad strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 29 februari 2024 en terugwijzing van de zaak.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
Nadat voor betrokkene reeds eerder een zorgmachtiging was verleend tot en met 6 maart 2024, heeft de officier van justitie bij verzoekschrift van 12 februari 2024 verzocht een aansluitende zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden. Bij dat verzoekschrift is een medische verklaring van een niet bij de behandeling betrokken psychiater overgelegd.
2.2
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 29 februari 2024. Daarbij was, naast betrokkene en haar advocaat, een bij de behandeling van betrokkene betrokken psychiater aanwezig. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van betrokkene verzocht om aanhouding van het verzoek in afwachting van een second opinion.
2.3
Bij mondelinge uitspraak van 29 februari 2024, schriftelijk uitgewerkt op 6 maart 2024, heeft de rechtbank1.voor alle verzochte vormen van zorg een zorgmachtiging verleend ten aanzien van betrokkene, die geldt tot en met 28 februari 2025. Daarnaast heeft de rechtbank een psychiater, verbonden aan het UMC Utrecht, verzocht als deskundige op te treden en onderzoek te doen en te rapporteren over de volgende vragen:
“Welke diagnose(s) kunt u stellen ten aanzien van betrokkene?
Is er sprake van een psychotische component?
Welke behandelingen, indien nodig, zijn hiervoor ook voor de langere termijn aangewezen?”
De rechtbank heeft de psychiater verzocht de resultaten van het onderzoek naar de rechtbank, de advocaat en de zorgaanbieder te verzenden.
2.4
De rechtbank heeft daartoe als volgt overwogen.
Betrokkene heeft tijdens de zitting verteld het niet eens te zijn met het verzoek en niet op de huidige plek te willen blijven. Zij voelt zich er niet veilig. De advocaat heeft primair gepleit voor aanhouding van het verzoek in afwachting van het laten plaatsvinden van een second opinion. De advocaat heeft nog aangevuld dat een psychiater van UMC Utrecht heeft toegezegd dat zij of een collega een second opinion zou kunnen uitvoeren. (rov. 2.2)
De psychiater heeft, aangevuld door de psychotherapeut, verteld dat de situatie met betrokkene ernstig vastloopt. Verhoging van de medicatie zal niet de oplossing zijn voor alle problemen, maar is wel nodig omdat andere oplossingen onvoldoende hebben geholpen. Na een maandenlange multidisciplinaire observatie komt de psychiater nog steeds tot de conclusie dat er sprake is van een psychotische kwetsbaarheid en een manie die komt en gaat. Bij een second opinion zou het daarom van belang zijn dat er niet naar een momentopname gekeken wordt, maar dat er langduriger observaties plaatsvinden door middel van een opname. Daarnaast is het van belang dat er bij een second opinion onderzoek wordt gedaan naar en duidelijkheid wordt gegeven over een behandeltraject voor de lange termijn.
De kliniek waar betrokkene nu verblijft is bedoeld voor mensen die een combinatie van problematiek hebben, waarbij de ene keer lvb-problematiek en de andere keer psychiatrische problematiek voorliggend is. Er is geprobeerd betrokkene over te plaatsen, ook naar haar regio, maar dat is niet gelukt. Betrokkene heeft geen vertrouwen in de hulpverlening en er is geen sprake van samenwerking. Een second opinion zou een doorbraak kunnen opleveren en kunnen helpen om vertrouwen en/of overeenstemming te vinden over de behandeling. Behandeling is nodig om het woonperspectief te vergroten. Tot die tijd kan betrokkene nergens anders heen. Als er een second opinion zal plaatsvinden, zal geen andere behandeling dan nu ingezet worden en zal met name de medicatie niet worden verhoogd zolang er zich geen noodsituatie voordoet. De huidige situatie grenst daar wel aan, zo is er een medewerker geslagen. (rov. 2.3)
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat betrokkene lijdt aan een neurocognitieve ontwikkelingsstoornis en een bipolaire stemmingsstoornis. Betrokkene heeft betwist dat zij bipolair is of een manie heeft. (rov. 2.4)
De vooralsnog vastgestelde stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op maatschappelijke teloorgang. Om een crisissituatie en het ernstig nadeel af te wenden heeft betrokkene zorg nodig. (rov. 2.5-2.6)
Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. De rechtbank verleent daarom een zorgmachtiging voor de verzochte vormen van verplichte zorg als bedoeld in art. 3:2 Wvggz. Het gedrag van en het geweldsincident door betrokkene maken de verzochte vormen van zorg noodzakelijk. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene. Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De zorgmachtiging zal worden verleend voor de (verzochte) duur van 12 maanden, en geldt aldus tot en met 28 februari 2025. (rov. 2.7-2.10)
Daarnaast zal de rechtbank het verzoek tot een second opinion toewijzen. De psychiater heeft benoemd dat een second opinion mogelijk zal helpen om tot samenwerking en/of overeenstemming over de behandeling te komen. De advocaat heeft een psychiater bij het UMC Utrecht gevonden op te treden als deskundige. De rechtbank zal haar dan ook verzoeken als deskundige op te treden en te rapporteren over de vraag welke diagnose(s) zij kan stellen ten aanzien van betrokkene. (2.11)
3. Beoordeling van het middel
3.1
Onderdeel 1 van het middel klaagt dat de rechtbank heeft miskend dat wanneer er gronden zijn voor toewijzing van het verzoek van de betrokkene om een contra-expertise, zij het verzoek tot het verlenen van de zorgmachtiging niet mag toewijzen. Indien een deskundigenbericht wordt gelast, dient de rechtbank haar beslissing op het verzoek aan te houden. Voorts acht het onderdeel onbegrijpelijk dat de rechtbank enerzijds heeft geoordeeld dat aan alle criteria voor het verlenen van een zorgmachtiging is voldaan, terwijl zij anderzijds een deskundigenonderzoek heeft gelast waarin nog moest worden gerapporteerd over de vraag welke diagnose de deskundige kan stellen.
3.2
Art. 6:1 Wvvgz bevat procedureregels betreffende het verzoek tot verlening van een zorgmachtiging. Art. 6:1 lid 5 Wvggz bepaalt onder meer dat de rechter onderzoek door deskundigen kan bevelen.
3.3
De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 1 februari 20192., gegeven toen de Wet BOPZ (oud) nog van toepassing was, overwogen dat indien bij de rechter twijfel bestaat over het antwoord op de vraag of aan de vereisten van art. 2 Wet Bopz (oud) is voldaan, hij ofwel het verzoek van de officier van justitie dient af te wijzen ofwel nader onderzoek dient te laten verrichten alvorens de verzochte machtiging te verlenen. Ingevolge art. 2 Wet Bopz kon een voorlopige machtiging worden verleend indien de betrokkene gestoord is in zijn geestvermogens, deze stoornis de betrokkene gevaar doet veroorzaken, en het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend.
3.4
Deze rechtspraak heeft onder de Wvggz zijn betekenis behouden. Indien bij de rechter twijfel bestaat over het antwoord op de vraag of aan de vereisten van art. 6:4 lid 1 Wvggz is voldaan, dient hij ofwel het verzoek van de officier van justitie af te wijzen ofwel nader onderzoek te laten verrichten alvorens de verzochte machtiging te verlenen.
3.5
In de beschikking van de rechtbank is ontoelaatbaar onduidelijk of bij de rechtbank twijfel bestond over het antwoord op de vraag of bij betrokkene sprake is van een psychische stoornis. De rechtbank heeft enerzijds in rov. 2.4 overwogen dat uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat betrokkene lijdt aan een neurocognitieve ontwikkelingsstoornis en een bipolaire stemmingsstoornis. Zij heeft anderzijds in rov. 2.4 ook overwogen dat betrokkene betwist dat zij bipolair is of een manie heeft en in rov 2.5 dat de vooralsnog vastgestelde stoornis leidt tot ernstig nadeel. Bovendien heeft de rechtbank het verzoek van betrokkene tot het laten uitvoeren van een deskundigenonderzoek toegewezen, waarbij zij onder meer in de vraagstelling heeft opgenomen de vraag welke diagnose(s) de deskundige ten aanzien van betrokkene stelt. Hiermee heeft de rechtbank hetzij miskend dat zij geen machtiging voor verplichte zorg mocht afgeven als zij er (nog) niet van overtuigd was dat betrokkene leed aan een psychische stoornis, hetzij haar oordeel dat bij betrokkene sprake was van een psychische stoornis, onvoldoende gemotiveerd in het licht van het gelasten van een second opinion. Het onderdeel slaagt. De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 29 februari 2024;
- wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, H.M. Wattendorff, A.E.B. ter Heide, S.J. Schaafsma en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 25 oktober 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 25‑10‑2024
HR 1 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:147, rov. 3.3.2.
Conclusie 01‑08‑2024
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02078
Zitting 1 augustus 2024
CONCLUSIE
L.M. Coenraad
In de zaak
[betrokkene] ,verzoekster tot cassatie,
hierna: betrokkene,advocaat: mr. M.E. Bruning,
tegen
de officier van justitie in het arrondissement Midden-Nederland,verweerder in cassatie,hierna: de officier van justitie,niet verschenen.
1. Inleiding
1.1
In deze zaak op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) heeft de rechtbank een op de vorige machtiging aansluitende zorgmachtiging verleend voor de verzochte periode van twaalf maanden. In dezelfde beschikking heeft de rechtbank het verzoek van betrokkene om een contra-expertise1.toegewezen. Het cassatiemiddel richt zich tegen het verlenen van de zorgmachtiging door de rechtbank. De eerste klacht betreft de beoordeling door de rechtbank van het verzoek om een machtiging. Geklaagd wordt dat niet voldaan zou zijn aan de criteria voor verplichte zorg. In samenhang daarmee wordt verder geklaagd dat de rechtbank ten onrechte de beslissing op het verzoek niet heeft aangehouden in afwachting van de resultaten van de contra-expertise. Daarmee is het oordeel van de rechtbank in strijd met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de daarop gebaseerde rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en van de Hoge Raad, aldus het middel.
2. Feiten en procesverloop
2.1
Bij beschikking van 6 september 2023 heeft de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de rechtbank) ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend tot en met 6 maart 2024.2.
2.2
Bij verzoekschrift, bij de rechtbank ingekomen op 12 februari 2024, heeft de officier van justitie verzocht ten aanzien van betrokkene een aansluitende zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden, voor verschillende vormen van verplichte zorg.
2.3
Bij dat verzoekschrift is onder meer een medische verklaring van 7 februari 2024 van een niet bij de behandeling betrokken psychiater overgelegd.3.
2.4
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 29 februari 2024 op de locatie waar betrokkene verblijft. Daarbij zijn betrokkene, bijgestaan door haar advocaat, een psychiater, een psychotherapeut en een persoonlijk begeleider van betrokkene gehoord. De mentor van betrokkene was aanwezig bij de mondelinge behandeling.
2.5
De advocaat van betrokkene heeft ter zitting, voor zover in cassatie van belang, verzocht de behandeling van het verzoek om een machtiging aan te houden in afwachting van een contra-expertise door een psychiater die niet verbonden is aan de instelling waar betrokkene verblijft.4.
2.6
Bij beschikking van 29 februari 20245.heeft de rechtbank voor alle verzochte vormen van zorg de aansluitende zorgmachtiging verleend voor de duur van twaalf maanden tot en met 28 februari 2025. De rechtbank overweegt over deze toewijzing van het verzoek, voor zover relevant, het volgende:
“2.4. Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat betrokkene lijdt aan een neurocognitieve ontwikkelingsstoornis en een bipolaire stemmingsstoornis. Betrokkene heeft betwist dat zij bipolair is of een manie heeft.
2.5.
De vooralsnog vastgestelde stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op maatschappelijke teloorgang.
(…)
2.10.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De zorgmachtiging zal worden verleend voor de (verzochte) duur van 12 maanden, en geldt aldus tot en met 28 februari 2025.”
2.7
In haar beschikking van 29 februari 2024 heeft de rechtbank ook het verzoek van betrokkene om een contra-expertise toegewezen. Over deze toewijzing overweegt de rechtbank:
“2.11. Daarnaast zal de rechtbank het verzoek tot een second opinion toewijzen. De psychiater heeft benoemd dat een second opinion mogelijk zal helpen om tot samenwerking en/of overeenstemming over de behandeling te komen. De advocaat heeft [psychiater 1] , psychiater en hoogleraar bij het UMC Utrecht, bereid gevonden op te treden als deskundige. De rechtbank zal haar dan ook verzoeken als deskundige op te treden en te rapporteren over de vraag welke diagnoses zij kan stellen ten aanzien van betrokkene.”
2.8
In het dictum van genoemde beschikking beveelt de rechtbank als volgt de contra-expertise:
“3.3. verzoekt [psychiater 1] dan wel een andere psychiater van het UMC Utrecht op te treden als deskundige en onderzoek te doen en te rapporteren over de volgende
vragen:
Welke diagnose(s) kunt u stellen ten aanzien van betrokkene?
Is er sprake van een psychotische component?
Welke behandelingen, indien nodig, zijn hiervoor ook voor de langere termijn aangewezen?”
3.4.
verzoekt [psychiater 1] de resultaten van het onderzoek naar de rechtbank, de advocaat en de zorgaanbieder te verzenden;”
2.9
Namens betrokkene is – tijdig – beroep in cassatie ingesteld tegen deze beschikking van 29 februari 2024. De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel bevat twee onderdelen.
3.2
Onderdeel 1, uitgewerkt in de subonderdelen 1a tot en met 1d, bevat, naar ik begrijp, in de eerste plaats de klacht dat de rechtbank ten onrechte een zorgmachtiging heeft verleend. Daartoe wordt aangevoerd dat ontoereikend is dat de psychische stoornis ‘vooralsnog’ door de rechtbank is vastgesteld. Volgens het middelonderdeel is onbegrijpelijk/innerlijk tegenstrijdig dat de rechtbank oordeelt dat voldaan is aan de wettelijke criteria voor verplichte zorg, terwijl in de contra-expertise nog gerapporteerd moest worden over de diagnose van betrokkene. In samenhang daarmee wordt verder geklaagd dat de rechtbank ten onrechte de beslissing op het verzoek om een zorgmachtiging niet heeft aangehouden in afwachting van de resultaten van de tegelijkertijd door de rechtbank bevolen contra-expertise.
3.3
Onderdeel 2 klaagt dat de bestreden oordelen van de rechtbank in strijd zijn met het EVRM en de daarop gebaseerde rechtspraak van het EHRM en van de Hoge Raad.
3.4
Bij de bespreking van het middel stel ik het volgende voorop.
3.5
De mogelijkheid van een contra-expertise is neergelegd in artikel 6:1 lid 5 Wvggz:
De rechter kan onderzoek door deskundigen bevelen en is bevoegd deze of andere deskundigen alsmede getuigen op te roepen. De rechter roept de door betrokkene opgegeven deskundigen en getuigen op, tenzij hij van oordeel is dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat betrokkene door het achterwege blijven daarvan niet in zijn belangen wordt geschaad. Indien hij een opgegeven deskundige of getuige niet heeft opgeroepen, vermeldt hij de reden daarvan in de uitspraak.
3.6
De contra-expertise is een deskundigenonderzoek in de zin van artikel 194 e.v. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
3.7
Artikel 6:2 lid 1 Wvggz bepaalt, voor zover hier van belang, dat de rechter zo spoedig mogelijk uitspraak doet, maar uiterlijk drie weken na ontvangst van het verzoekschrift voor een zorgmachtiging.
3.8
Ingevolge artikel 6:2 lid 4 Wvggz kan voornoemde beslistermijn met drie weken worden verlengd wanneer de rechter op grond van artikel 6:1 lid 5 Wvggz een contra-expertise beveelt. In dat geval geldt dus een verlengde beslistermijn van maximaal zes weken na ontvangst van een verzoekschrift voor een zorgmachtiging.
3.9
Krachtens artikel 6:6 lid 2 Wvggz is de geldigheidsduur van een lopende zorgmachtiging gekoppeld aan de beslistermijn.6.De verlengde beslistermijn in geval van een contra-expertise leidt dus ook tot een verlengde geldigheidsduur van een lopende machtiging. De lopende machtiging blijft gelden totdat de rechter met toepassing van de verlengde beslistermijn van zes weken na indiening van het verzoekschrift heeft beslist op het verzoekschrift voor een nieuwe machtiging.
3.10
De verlengde beslistermijn en de verlengde geldigheidsduur van lopende machtigingen in geval van een contra-expertise zijn in 2021 met inwerkingtreding van de zogeheten Reparatiewet Wvggz en Wzd aan de wet toegevoegd.7.Hiermee werd beoogd gehoor te geven aan het signaal vanuit de rechtspraak dat de beslistermijn van drie weken te kort was in geval van een contra-expertise, waarbij ook gewezen werd op het dilemma van het vervallen van lopende machtigingen in geval van aanhouding in afwachting van de resultaten van het deskundigenonderzoek.8.
3.11
In de aanvankelijke tekst van het reparatiewetsvoorstel bepaalde artikel 6:2 lid 4 Wvggz dat de rechter in geval van contra-expertise ‘zo spoedig mogelijk’ uitspraak doet.9.Blijkens de memorie van toelichting was juist afgezien van een nadere invulling van de beslistermijn in de wet.10.
3.12
Om de vaart in de procedure voor de rechter te houden is, door een aangenomen amendement, uiteindelijk toch een concrete verlengde beslistermijn van zes weken in de wet neergelegd. Dit is als volgt toegelicht:11.
“De indiener is van mening dat het verschil tussen een beslistermijn voor de rechter van drie weken en geen beslistermijn vastleggen in het kader van het doen uitvoeren van een deskundigenonderzoek en het horen van getuigen te groot is.”
3.13
In de praktijk zal de verlengde beslistermijn van zes weken vaak te kort zijn om daarbinnen de contra-expertise uit te laten voeren, een voortgezette mondelinge behandeling te plannen en te beslissen. De rechter zal de contra-expertise immers meestal bevelen na een mondelinge behandeling die binnen de standaardbeslistermijn van drie weken plaatsvindt. Deze eerste mondelinge behandeling vindt niet zelden op de valreep van die standaardtermijn plaats. Daarmee zijn al de eerste drie van de in totaal zes weken beslistermijn verstreken, voordat de contra-expertise zelfs maar bevolen kan worden.12.
3.14
Als de contra-expertise niet binnen de beslistermijn van zes weken klaar is, maar de rechter wel op de resultaten ervan wil wachten alvorens te beslissen, rijst de vraag of dat kan. De wet stelt geen sanctie op het niet-voldoen aan de beslistermijnen van artikel 6:2 Wvggz. In de literatuur wordt dan ook aangenomen dat de rechter ook bij het verstrijken van de beslistermijn nog wel kan beslissen op het verzoek om een zorgmachtiging.13.Ik ben het daarmee eens. Als er dus meer tijd nodig is voor een contra-expertise dan de verlengde beslistermijn van zes weken, kan de rechter de mondelinge behandeling dus voor een langere periode aanhouden.
3.15
De rechter zal dan krachtens artikel 5 lid 4 EVRM en artikel 20 lid 1 Rv wel moeten waken tegen onredelijke vertraging van de procedure. Daarbij komen mij de termijnen die de Hoge Raad onder de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz) heeft bepaald als een goede richtlijn voor. Deze termijn zijn als volgt. de mondelinge behandeling mag maximaal twee maanden worden aangehouden voor het verrichten van een deskundigenbericht. Nadat het deskundigenbericht ter griffie is ingekomen, moet de rechtbank binnen vier weken beslissen op het verzoek om een machtiging. Als binnen de genoemde termijn van twee maanden geen deskundigenbericht is ingekomen, moet de rechter binnen vier weken na de nieuwe mondelinge behandeling, dan wel nadat (indien dat moment eerder ligt) de deskundige zijn opdracht heeft teruggegeven, op het verzoek van de officier van justitie beslissen. Indien de rechtbank het echter aangewezen acht alsnog een contra-expertise te verkrijgen, staat het haar vrij daarvoor een korte termijn te bepalen.14.
3.16
Ook na het verstrijken van de beslistermijn kan de rechter dus nog beslissen op het verzoek. Daarbij moet wel bedacht worden dat met het verstrijken van de beslistermijn de lopende zorgmachtiging vervalt (art. 6:6 lid 2 Wvggz). De rechter moet het verzoek om een aansluitende machtiging in dat geval dan ook opvatten als een verzoek om een eerste machtiging.15.Een eerste machtiging kan maximaal voor zes maanden toegewezen worden, terwijl de maximumduur voor een aansluitende machtiging twaalf maanden of, na vijf jaar verplichte zorg, twee jaar is (art. 6:5 onder a-c Wvggz).
3.17
Hoewel aanhouding van de beslissing op het verzoek in afwachting van de contra-expertise dus mogelijk is, zal de rechter soms toch ook al deels willen beslissen op het verzoek. Hiermee wil hij voorkomen dat een lopende machtiging, en daarmee de grondslag voor verplichte zorg, tijdens de looptijd van de contra-expertise vervalt. De rechter zal dan enerzijds binnen de beslistermijn de verzochte vervolgmachtiging voor een beperkte periode toewijzen en anderzijds een contra-expertise bevelen onder aanhouding van de beslissing op het verzoek voor het overige. Op deze wijze overbrugt de rechter de periode waarin hij op resultaten van de contra-expertise moet wachten om verder te kunnen beslissen zonder dat de grondslag voor verplichte zorg vervalt. Deze aansluitende machtiging voor een beperkte periode wordt dan ook wel een overbruggingsmachtiging genoemd.16.
3.18
In een zaak die heeft geleid tot een uitspraak van de Hoge Raad van 1 februari 201917.was sprake van een dergelijke overbruggingsmachtiging. In deze zaak had de rechtbank onder meer overwogen:18.
“(…)
Al met al is met het oog op de beslissing om de machtiging te verlenen voor de eerste periode van twee maanden voldoende gebleken dat betrokkene is gestoord in zijn geestvermogens zoals genoemd in de Wet Bopz.
(…)
Vooralsnog staat eveneens voldoende vast dat deze stoornis betrokkene gevaar doet veroorzaken voor zichzelf en voor anderen.
(…)
De second opinion moet wat de rechtbank betreft antwoord geven op de vraag of betrokkene lijdt aan een stoornis van de geestvermogens als gevolg waarvan hij gevaar doet veroorzaken dat niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend.(…)”
3.19
Tegen dit oordeel heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad oordeelt vervolgens dat het toewijzen van een zorgmachtiging alleen kan als is voldaan aan de daarvoor geldende wettelijke vereisten:
“3.3.1 Het middel klaagt, samengevat, dat de rechtbank enerzijds een voorlopige machtiging heeft verleend voor de duur van twee maanden op grond van de vaststelling dat bij betrokkene sprake is van een geestesstoornis die hem gevaar doet veroorzaken, maar anderzijds het door de advocaat gedane verzoek om een second opinion van een psychiater heeft ingewilligd. Volgens het middel is deze combinatie in strijd met de Wet Bopz.
3.3.2
Ingevolge art. 2 Wet Bopz kan een voorlopige machtiging worden verleend indien de betrokkene gestoord is in zijn geestvermogens, deze stoornis de betrokkene gevaar doet veroorzaken, en het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend.
Indien bij de rechter twijfel bestaat over het antwoord op de vraag of aan de vereisten van art. 2 Wet Bopz is voldaan, dient hij ofwel het verzoek van de officier van justitie af te wijzen ofwel nader onderzoek te laten verrichten alvorens de verzochte machtiging te verlenen.
3.3.3
In het onderhavige geval heeft de rechtbank overwogen dat de second opinion antwoord moet geven “op de vraag of betrokkene lijdt aan een stoornis van de geestvermogens als gevolg waarvan hij gevaar doet veroorzaken dat niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend”. (…)Hieruit volgt dat bij de rechtbank twijfel bestond over het antwoord op de vraag of aan de vereisten van art. 2 Wet Bopz is voldaan. Onder die omstandigheden had zij de verzochte machtiging niet mogen verlenen, ook niet voor twee maanden. Het middel is dus gegrond.”
3.20
Deze beschikking van de Hoge Raad uit 2019 is nog onder de Wet Bopz gegeven, maar de strekking ervan geldt mijns inziens evenzeer onder de Wvggz. Vertaald naar de Wvggz volgt uit deze uitspraak van de Hoge Raad dat de rechter bij twijfel over het antwoord op de vraag of aan de criteria voor verplichte zorg van artikel 3:3 Wvggz is voldaan het verzoek om een zorgmachtiging moet afwijzen dan wel nader onderzoek moet laten verrichten alvorens de verzochte machtiging te verlenen.
3.21
Artikel 3:3 Wvggz bepaalt dat verplichte zorg als uiterste middel kan worden verleend indien het gedrag van een persoon als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel en er geen mogelijkheden zijn voor zorg op basis van vrijwilligheid, er geen minder bezwarende alternatieven met het beoogde effect zijn, het verlenen van verplichte zorg gelet op het daarmee beoogde doel evenredig is en redelijkerwijs naar verwachting effectief is. Krachtens artikel 6:4 lid 1 Wvggz is voor het verlenen van een zorgmachtiging vereist dat voldaan is aan de criteria voor verplichte zorg als bedoeld in artikel 3:3 Wvggz.
3.22
Ik leid uit deze uitspraak van de Hoge Raad verder af dat ook uit de onderzoeksopdracht van de rechter aan de deskundige kan volgen dat bij de rechter twijfel bestaat over het antwoord op de vraag of, weer vertaald naar de Wvggz, aan de criteria voor verplichte zorg van artikel 3:3 Wvggz is voldaan.
3.23
Uit het hiervoor geschetste juridische kader blijkt van de spanning tussen de tijd die nodig is voor een contra-expertise enerzijds en de beperkte geldigheidsduur van een lopende machtiging anderzijds, waardoor die machtiging kan vervallen voordat de contra-expertise gereed is. Ik had het vanwege deze problematiek niet uitgesloten geacht dat in de wetsevaluatie van de Wvggz en de Wzd een aanbeveling zou zijn gedaan om de beslistermijn, vooral vanwege de daaraan gekoppelde vervaltermijn, enigszins te verruimen in geval van contra-expertise bij lopende machtigingen. Dat is echter niet het geval19.en de praktijk zal dus haar weg moeten blijven vinden.
3.24
Ik keer terug naar de bespreking van het middel.
3.25
In onderdeel 1 van het cassatiemiddel wordt in de eerste plaats geklaagd dat de rechtbank het verzoek om een zorgmachtiging voor twaalf maanden ten onrechte heeft toegewezen, omdat − verkort weergegeven − niet voldaan is aan de wettelijke criteria voor verplichte zorg. In samenhang daarmee wordt verder geklaagd dat de rechtbank ten onrechte de beslissing op het verzoek niet heeft aangehouden in afwachting van de resultaten van de tegelijkertijd door de rechtbank bevolen contra-expertise.
3.26
De beide klachten van dit middelonderdeel slagen om de volgende redenen.
3.27
De eerste klacht betreft de beoordeling door de rechtbank van het verzoek om een machtiging.
3.28
In de onderhavige zaak is betrokkene het niet eens met de gestelde diagnose. Haar advocaat in eerste aanleg heeft tijdens de mondelinge behandeling hierover onder meer het volgende verklaard:20.
“(…) [Betrokkene] en haar familie hebben de diagnose manie betwist. Er is op 11 augustus 2023 een second opinion uitgevoerd door [psychiater 2] (…). [psychiater 2] neemt op 11 augustus 2023 geen kenmerken van een manie waar bij [betrokkene]. [psychiater 2] concludeert: in het huidige onderzoek is geen sprake van psychotische belevingen of zijn er aanwijzingen voor een bipolaire stoornis gevonden.
(…)
Conclusie: [Betrokkene] betwist dat zij bipolair is of een manie heeft. De diagnose is van belang omdat [het] onderhavig verzoek is gebaseerd op de Wet Verplichte GGZuitgaande van een manisch toestandsbeeld. Dat manische toestandsbeeld wordt gemotiveerd betwist. De consequentie als er geen manie of bipolaire stoornis kan worden vastgesteld is dat het verzoek niet ontvankelijk moet worden verklaard omdat [betrokkene] bekend is met een verstandelijke beperking en dus de Wet Zorg en Dwang het wettelijk kader is.
(…)”
3.29
De onafhankelijke psychiater die ten behoeve van het verzoek tot een aansluitende machtiging het onderzoek heeft verricht, heeft in de medische verklaring van 7 februari 2024 als diagnose gesteld neurobiologische ontwikkelingsstoornissen (o.a. verstandelijke beperkingen en autismespectrumstoornissen) en bipolaire-stemmingsstoornissen, waarbij de laatstgenoemde stoornissen als de belangrijkste diagnose wordt aangemerkt.21.
3.30
De rechtbank heeft in de beschikking van 29 februari 2024 de zorgmachtiging voor de volledige duur van twaalf maanden toegewezen en daarnaast het verzoek om een contra-expertise door [psychiater 1] dan wel een andere psychiater van het UMC Utrecht bevolen, zonder de behandeling van de zaak daartoe verder aan te houden.
3.31
Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 29 februari 2024 heeft de rechter het volgende gezegd:
“(…)
Rechter: second opinion [psychiater 1] . Daar is geen discussie over. De zorgmachtiging moet worden verlengd, omdat alle zorg anders weg zou vallen. (…)”
3.32
De rechtbank lijkt met het toewijzen van de verzochte zorgmachtiging het vervallen van de lopende machtiging tijdens de looptijd van de contra-expertise te hebben willen voorkomen.
3.33
De rechter kan een zorgmachtiging krachtens artikel 6:4 lid 1 Wvggz alleen toewijzen indien voldaan is aan de criteria voor verplichte zorg van artikel 3:3 Wvggz, waaronder de eis dat het gedrag van een persoon als gevolg van zijn psychische stoornis tot ernstig nadeel leidt.
3.34
Het bestaan van een psychische stoornis in de zin van de Wvggz staat in deze zaak echter ter discussie. Mede daarom is immers de contra-expertise bevolen, blijkend uit de in het dictum van de beschikking van 29 februari 2024 eerste en tweede vraag aan de deskundige:
“Welke diagnose(s) kunt u stellen ten aanzien van betrokkene?
Is er sprake van een psychotische component?”
3.35
In r.o. 2.5 van de bestreden beschikking22.overweegt de rechtbank bovendien dat de ‘vooralsnog vastgestelde stoornis’ tot ernstig nadeel leidt. Hiermee lijkt de rechtbank rekening te houden met de mogelijkheid dat uit de contra-expertise een andere diagnose blijkt.
3.36
Gelet op de hiervoor onder 3.34 geciteerde vragen van de rechtbank aan de deskundige over de diagnose van betrokkene en gelet op de door de rechtbank ‘vooralsnog’ vastgestelde stoornis had de rechtbank zonder nadere motivering niet tot haar oordeel kunnen komen dat is voldaan aan de criteria voor verplichte zorg van artikel 3:3 Wvggz (zie r.o. 2.10 van de bestreden beschikking, hiervoor weergegeven onder 2.6). Of voldaan was aan het wettelijk criterium van een psychische stoornis, was immers op het moment van beoordeling door de rechtbank nog niet duidelijk. De contra-expertise moest die duidelijkheid verschaffen. De rechtbank had de verzochte machtiging onder deze omstandigheden dus niet mogen verlenen.
3.37
De eerste klacht dat de rechtbank ten onrechte de zorgmachtiging voor twaalf maanden heeft toegewezen, omdat − verkort weergegeven − niet voldaan is aan de wettelijke criteria voor verplichte zorg, slaagt dus.
3.38
Daarmee kom ik toe aan de tweede klacht van onderdeel 1 dat de rechtbank ten onrechte de beslissing op het verzoek niet heeft aangehouden in afwachting van de resultaten van de door de rechtbank bevolen contra-expertise.
3.39
Over de verzochte aanhouding in afwachting van de contra-expertise overweegt en beslist de rechtbank niets. De toewijzing van de zorgmachtiging voor de volledige verzochte periode kan wel als een impliciete afwijzing van het verzoek om aanhouding worden aangemerkt. Door de machtiging al op voorhand voor de volledige verzochte twaalf maanden toe te wijzen, zou de rechtbank met een eventuele uit de contra-expertise blijkende andere diagnose immers niets meer hebben kunnen doen.
3.40
De rechtbank heeft de beslissing op de zaak ook niet aangehouden binnen de verlengde beslistermijn van zes weken, welke termijn eindigde op 25 maart 2024. Mocht het deskundigenbericht voor genoemde datum gereed zijn geweest, had de rechtbank met inachtneming van de onderzoeksresultaten vóór het vervallen van de lopende machtiging over een aansluitende machtiging kunnen beslissen. Dat was mijns inziens het proberen waard geweest, zeker waar deskundige [psychiater 1] al bereid was gevonden de op 29 februari 2024 bevolen contra-expertise te verrichten.
3.41
Voor zover de rechtbank heeft bedoeld de contra-expertise uitsluitend ten behoeve van betrokkene en haar behandelaars te bevelen omdat de resultaten ervan behulpzaam zouden kunnen zijn om tot samenwerking en overeenstemming over de behandeling te komen,23.had zij dat duidelijker tot uitdrukking moeten laten komen in de formulering van de onderzoeksopdracht. Zoals de onderzoeksvragen voor de deskundige nu zijn geformuleerd, raken ze aan het toetsingskader van de rechter in het kader van de beoordeling van een verzoek om een zorgmachtiging, in het bijzonder aan het wettelijk criterium van de psychische stoornis (zie art. 6:4 lid 1 in verbinding met art. 3:3 Wvggz), zoals terecht in het middel wordt aangevoerd.24.
3.42
Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 1 februari 201925.volgt dat bij twijfel van de rechter of voldaan is aan de vereisten voor het verlenen van een zorgmachtiging de rechter het verzoek moet afwijzen of nader onderzoek moet laten verrichten alvorens de verzochte machtiging te verlenen (zie hiervoor onder 3.19). In die zaak oordeelde de Hoge Raad dat een overbruggingsmachtiging van twee maanden niet verleend had mogen worden nu sprake was genoemde twijfel van de rechter.
3.43
In de hier voorliggende zaak heeft de rechtbank niet slechts een overbruggingsmachtiging, maar een machtiging voor de volledige verzochte periode van twaalf maanden verleend, terwijl de contra-expertise nog duidelijkheid moest brengen over de diagnose van betrokkene. Die duidelijkheid over de diagnose was nodig om te kunnen beoordelen of sprake is van psychische stoornis, een van de vereiste criteria voor verplichte zorg van artikel 3:3 Wvggz. De rechtbank had mijns inziens dan ook, mede gelet op voormelde uitspraak van de Hoge Raad uit 2019, de beslissing op het verzoek moeten aanhouden in afwachting van de resultaten van de contra-expertise. De tweede klacht slaagt daarmee.
3.44
De slotsom is dan ook dat de klachten van onderdeel 1, elk voor zich en in onderlinge samenhang beschouwd, slagen.
3.45
Onderdeel 2 van het middel bouwt voort op het voorgaande onderdeel door te klagen dat de bestreden oordelen van de rechtbank in strijd zijn met het EVRM en de daarop gebaseerde rechtspraak van het EHRM en van de Hoge Raad. Nu onderdeel 1 slaagt, slagen ook deze klachten en behoeven deze geen verdere bespreking.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 29 februari 2024 en terugwijzing van de zaak.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 01‑08‑2024
Een contra-expertise wordt in rechtspraak (zo ook in de bestreden beschikking) en literatuur ook wel aangeduid als een second opinion. Ik gebruik in deze conclusie de term contra-expertise.
Blijkend uit het verzoekschrift van de officier van justitie van 12 februari 2024, in cassatie overgelegd als productie 1. Een historisch overzicht van de eerder ten aanzien van betrokkene verleende machtigingen is bijgevoegd als bijlage bij het verzoekschrift van de officier van justitie.
Bijlage bij het verzoekschrift van de officier van justitie, dat in cassatie is overgelegd als productie 1.
Aldus de pleitnota van de advocaat van betrokkene in eerste aanleg, die in cassatie is overgelegd als productie 2.
ECLI:NL:RBMNE:2024:3424, mondelinge uitspraak van 29 februari 2024, schriftelijk uitgewerkt en ondertekend op 6 maart 2024.
Stb. 2021, 468. Voluit heet de reparatiewet: Wet van 29 september 2021 tot wijziging van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg en de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten teneinde de uitvoering te vereenvoudigen en technische onvolkomenheden en omissies te herstellen.
Kamerstukken II 2020-2021, 35 667, nr. 3, p. 13-14.
Vgl. ook W.J.A.M. Dijkers, Sdu Commentaar Gedwongen zorg, art. 6:1 Wvggz, aant. 7.3.4 (publicatiedatum: 6 maart 2023) en R.B.M. Keurentjes, De Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg. Handleiding voor de praktijk, Den Haag: Sdu 2023, p. 88.
Zie W.J.A.M. Dijkers, Sdu Commentaar Gedwongen zorg, art. 6:2 Wvggz, aant. 5 (publicatiedatum 1 maart 2023) en art. 6:6 Wvggz, aant. 2.3 (publicatiedatum: 1 november 2023). Zie ook R.B.M. Keurentjes, De Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg. Handleiding voor de praktijk, Den Haag: Sdu 2023, p. 88.
Zie HR 15 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1260, r.o. 3.3.2, NJ 2014/524 m.nt. J. Legemaate, JVggz 2014/5 m.nt. W.J.A.M. Dijkers en HR 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2016, r.o. 3.2.3 en 3.2.4, NJ 2016/475 m.nt. J. Legemaate, JVggz 2016/26 m.nt. W.J.A.M. Dijkers. Zie over deze door de Hoge Raad onder de Wet BOPZ bepaalde termijnen in instemmende zin ook: Kamerstukken II 2020-2021, 35 667, nr. 3, p. 14; R.B.M. Keurentjes, De Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg. Handleiding voor de praktijk, Den Haag: Sdu 2023, p. 88 en W.J.A.M. Dijkers, Sdu Commentaar Gedwongen zorg, art. 6:1 Wvggz, aant. 7.3.4 (publicatiedatum 6 maart 2023).
Vgl. ook W.J.A.M. Dijkers, Sdu Commentaar Gedwongen zorg, art. 6:6 Wvggz, aant. 2.3 (publicatiedatum: 1 november 2023). Onder verwijzing naar HR 4 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:818, r.o. 3.1.4, NJ 2021/234. m.nt J. Legemaate acht Dijkers het denkbaar dat een aansluitende machtiging wel verleend kan worden, indien de rechter weliswaar na het verstrijken van de beslistermijn beslist (waardoor de lopende machtiging is vervallen), maar vóór het verstrijken van de in de beschikking van de lopende machtiging bepaalde geldigheidsduur. Dit is in het geval van de verlengde beslistermijn van zes weken mijns inziens een uitzonderlijke situatie, omdat dan vrijwel altijd de in de beschikking genoemde expiratiedatum verstreken zal zijn vóór het einde van de verlengde beslistermijn.
ECLI:NL:HR:2019:147, NJ 2019/345 m.nt. J. Legemaate.
Zoals geciteerd door de Hoge Raad in r.o. 3.2: ECLI:NL:HR:2019:147, NJ 2019/345 m.nt. J. Legemaate.
Zie Eerste evaluatie Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg en Wet zorg en dwang, deel 1, Den Haag: ZonMw, 2021 en deel 2, Den Haag: ZonMw, 2022. De 70 aanbevelingen staan in deel 2 op p. 321 e.v.
Aldus de pleitnota van de advocaat van betrokkene in eerste aanleg, die in cassatie is overgelegd als productie 2. Zie ook r.o. 2.4 van de bestreden beschikking, hiervoor onder 2.6 geciteerd.
Aldus de medische verklaring van 7 februari 2024, onder 4 f en g, bijlage bij het verzoekschrift van de officier van justitie dat in cassatie als productie 1 is overgelegd.
Hiervoor onder 2.6 geciteerd.
Vgl. de bestreden beschikking, r.o. 2.11, hiervoor geciteerd onder 2.7.
ECLI:NL:HR:2019:147, r.o. 3.3.2, NJ 2019/345 m.nt. J. Legemaate.
Beroepschrift 27‑05‑2024
TOEVOEGING AANGEVRAAGD BIJ DE RAAD VOOR RECHTSBIJSTAND (KENMERK 3MK1629)
Procesinleiding in verzoekzaak in cassatie
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Geeft eerbiedig te kennen:
Verzoekster is mevrouw [betrokkene], geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats], wonende te([postcode]) [woonplaats] aan [adres] en ten tijde van de thans bestreden beschikkingen verblijvende in de accommodatie [verblijfplaats] te ([postcode]) [a-plaats] aan [a-straat 1], te dezer zake woonplaats kiezende aan Koninginnegracht nr. 35 (2514 AC) te Den Haag ten kantore van M.E. Bruning, advocaat bij de Hoge Raad, die verzoekster in deze procedure vertegenwoordigt en als haar (cassatie)advocaat deze procesinleiding voor haar indient en heeft ondertekend.
Verzoekster stelt hier beroep in tegen de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, afdeling familierecht, locatie Utrecht, mondeling uitgesproken op 29 februari 2024 en schriftelijk uitgewerkt op 6 maart 2024, onder zaaknr. C/16/570287 / FV RK 24-339, tot verlening van een zorgmachtiging als bedoeld in art. 6:4 Wvggz tot en met 28 februari 2025 met toewijzing van haar verzoek tot een second opinion door [psychiater 1] dan wel een andere psychiater van het UMC Utrecht, na een daartoe strekkend dit geding inleidend verzoekschrift van DE OFFICIER VAN JUSTITIE VAN HET ARRONDISSEMENTSPARKET MIDDEN-NEDERLAND ter griffie van de rechtbank ingekomen en ontvangen op 12 februari 2024.
Verzoekster (hierna: betrokkene) voert tegen deze (eind)beschikkingen aan het navolgende
Middel van cassatie:
schending van het recht en/of tot nietigheid leidend verzuim van (wezenlijke) vormen, doordat de rechtbank heeft overwogen en beslist als in de hier ingelast en herhaald te beschouwen beschikkingen is vermeld en op die gronden heeft recht gedaan als in het dictum van deze beschikkingen is omschreven, welk dicta als hier herhaald en ingelast moeten worden beschouwd, ten onrechte zulks om één of meer van de navolgende, waar nodig (MEDE) IN HUN ONDERLINGE VERBAND EN SAMENHANG te lezen redenen.
Essentie van deze zaak en klachten in cassatie
Het gaat in deze Wvggz-zaak om verlening voor een zorgmachtiging (art. 6:4) terwijl de rechtbank ook het verzoek om contra-expertise heeft toegewezen. Daartoe overwoog de rechtbank als volgt belang:
- ‘2.4.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat betrokkene lijdt aan een neurocognitieve ontwikkelingsstoornis en een bipolaire stemmingsstoornis. Betrokkene betwist dat zij bipolair is of een manie heeft.
- 2.5.
De vooralsnog vastgestelde stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op maatschappelijke teloorgang. (…)
- 2.10.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De zorgmachtiging zal worden verleend voor de (verzochte) duur van 12 maanden, en geldt aldus tot en met 28 februari 2025.
- 2.11.
Daarnaast zal de rechtbank het verzoek tot een second opinion toewijzen. De psychiater heeft benoemd dat een second opinion mogelijk zal helpen om tot samenwerking en/of overeenstemming over de behandeling te komen. De advocaat heeft mevrouw [psychiater 1], psychiater en hoogleraar bij het UMC Utrecht, bereid gevonden op te treden als deskundige. De rechtbank zal haar dan ook verzoeken als deskundige op te treden en te rapporteren over de vraag welke diagnoses zij kan stellen ten aanzien van betrokkene.’
In het dictum van de op 6 maart schriftelijk uitgewerkte beschikking formuleerde de rechtbank onder 3.3 als door [psychiater 1] of andere psychiater in het kader van de second opinion te beantwoorden vragen:
‘Welke diagnose(s) kunt u stellen ten aanzien van betrokkene?
Is er sprake van een psychotische component?
Welke behandelingen, indien nodig, zijn hiervoor ook voor de langere termijn aangewezen?’
De rechtbank verzocht deze deskundige om vervolgens de resultaten van dit onderzoek naar (de griffie van) de rechtbank, de advocaat en de zorgaanbieder te verzenden.
Betrokkene kan zich niet verenigen met de gang van zaken en beschikkingen van de rechtbank en voert daarom in twee middelonderdelen de volgende rechts- en motiveringsklachten aan.
1
a. Door in haar mondelinge uitspraak van 29 februari 2024 (p.-v. p. 6; kennisgeving mondelinge uitspraak), zoals uitgewerkt in rov. 2.4 t/m 2.11 (en het dictum) van de schriftelijke beschikking van 6 maart 2024, te oordelen en beslissen het verzoek van de officier van justitie toe te wijzen terwijl zij daarnaast (ook) het verzoek van betrokkene tot een contra-expertise (‘second opinion’) toewees, gaf de rechtbank blijk van een onjuiste rechtsopvatting over de verlening van een zorgmachtiging onder art. 6:4 Wvggz. Immers, aldus miskende de rechtbank dat uit het systeem van de Wvggz, in het bijzonder uit art. 5:8 lid 1 in verbinding met art. 5:17 lid 3 en art. 6:4 Wvggz, volgt dat de rechtbank slechts een zorgmachtiging mocht verlenen als uit een, volgens de wet opgemaakte, medische verklaring van de onafhankelijk psychiater over ‘de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene’ blijkt dat uit diens gedrag als gevolg van zijn psychische stoornis ernstig nadeel voortvloeit, waarbij dient te zijn voldaan aan de voorwaarden van art. 5:7 Wvggz als waarborg voor een onafhankelijke, onpartijdige en behoorlijke besluitvorming over verplichte zorg (o.m. HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:885, NJ 2021/245). Dit betekent ook in gevallen als het onderhavige dat wanneer de rechtbank oordeelt dat er gronden zijn voor toewijzing van het verzoek van de betrokkene om een contra-expertise, de rechtbank het verzoek van de officier van justitie niet kan en mag toewijzen tot verlening van de zorgmachtiging. Ten onrechte heeft de rechtbank niet geoordeeld dat het verzoek niet toewijsbaar is nu betrokkene heeft betwist dat zij bipolair is of een manie heeft, er sprake was van een ‘vooralsnog’ vastgestelde diagnose dat zij ‘lijdt aan een neurocognitieve ontwikkelingsstoornis en een bipolaire stemmingsstoornis’ (rov. 2.4) en de rechtbank aanleiding zag voor de verzochte contra-expertise door [psychiater 1] of een andere psychiater van het UMC Utrecht (rov. 2.11) over, onder andere, de vragen welke diagnose(s) ten aanzien van betrokkene kunnen worden gesteld en of er sprake is van een psychotische component (dictum nr. 3.3). Daartoe was ontoereikend dat de stoornis ‘vooralsnog’ was vastgesteld (rov. 2.5). Althans is onbegrijpelijk/innerlijk tegenstrijdig dat de rechtbank op grond daarvan oordeelde dat aan alle wettelijke criteria was voldaan terwijl in de ‘second opinion’ nog moest worden gerapporteerd over de vraag ‘welke diagnoses zij kan stellen’.
b. Daarmee, of daarnaast, getuigt (dan ook) van een onjuiste rechtsopvatting dat, zoals de rechtbank mondeling ter zitting en schriftelijk heeft geoordeeld en beslist, het verzoek van de officier van justitie tot verlening van de zorgmachtiging kan en mag worden toegewezen terwijl, daarnaast c.q. tegelijkertijd, het verzoek van de betrokkene tot een contra-expertise toewijsbaar wordt geacht op punten waarop het nadere onderzoek zich volgens de betrokkene zou dienen te richten, zoals hier: diagnose en behandelwijze. In gevallen als het onderhavige waarin op verzoek van betrokkene een ‘second opinion’ is toegestaan, moet volgens de vaste rechtspraak van de Hoge Raad de rechtbank haar beslissing op het verzoek van de officier van justitie aanhouden totdat het nadere deskundigenbericht is ingekomen (‘contra-expertise’; ‘second opinion’), in welk geval de rechtbank, gezien art. 5 lid 4 EVRM, gehouden is te bevorderen dat op korte termijn wordt beslist, om het uit oogpunt van rechtsbescherming onaanvaardbare gevolg te voorkomen dat (zeer) geruime tijd verstrijkt voordat wordt geoordeeld en beslist op het inleidend verzoek (vgl. HR 15 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1260, NJ 2014/524; HR 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2016, NJ 2016/475; HR 28 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1054, NJ 2019/355). Door te oordelen en beslissen op de wijze en gronden als zij deed, miskende de rechtbank dit alles en heeft zij ten onrechte niet, zoals de advocaat bepleitte (rov. 2.2), de mondelinge behandeling van het verzoek van de officier van justitie aangehouden totdat [psychiater 1] of een andere psychiater van het UMC Utrecht de resultaten naar rechtbank, advocaat en zorgaanbieder had verzonden.
c. Gelet op dit alles heeft de rechtbank in de mondelinge uitspraak van 29 februari 2024, zoals bevestigd in (rov. 2.4 t/m 2.11 van) haar beschikking van 6 maart 2024, ten onrechte op grond van de overige overgelegde stukken en hetgeen ter zitting was besproken, beoordeeld en geconcludeerd dat er bij betrokkene ‘vooralsnog’ van een psychische stoornis sprake was die ten tijde van haar beslissing c.q. uitspraak leidde tot ernstig nadeel ter afwending waarvan zij verplichte zorg nodig had. Immers, het grondrecht is in het geding dat niemand diens vrijheid mag worden ontnomen buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald (art. 15 lid 1 Grw.).
d. Gegrondbevinding van (één of meer klachten van) de vorige middelonderdelen brengt mee dat ook niet in stand kan blijven hetgeen de rechtbank heeft geoordeeld en beslist in de mondelinge uitspraak van 29 februari 2024, uitgewerkt in rov. 2.10 en het dictum van haar eindbeschikking van 6 maart 2024, dat de zorgmachtiging onder art. 6:5 onder b Wvggz voor de duur van 12 maanden kon worden verleend.
2
a. Door het ONDER 1 aangevoerde heeft de rechtbank met haar bestreden oordelen en beslissingen (dan ook) niet geoordeeld en beslist ‘in accordance with a procedure prescribed by law’ en kan de vrijheidsbenemende maatregel krachtens de verleende zorgmachtiging(en) dus niet worden aangemerkt als ‘a lawful detention of [a person] of unsound mind’ in de zin als bedoeld in art. 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM, en de daarop gevormde (vaste) rechtspraak van de Hoge Raad en die van het EHRM.1.
b. Daarmee, of daarnaast,2. miskende de rechtbank dat de omstandigheid dat voor de beoordeling van de toewijsbaarheid van het verzoek van de officier van justitie tot verlening van de nieuwe zorgmachtiging onder art. 5 lid 1, onder e, EVRM geen sprake was van een volledige deskundige voorlichting (‘objective medical expertise’), gegrond op een door onafhankelijke psychiaters vastgestelde ‘actuele geestelijke gezondheidstoestand’, schending betreft van het in art. 6 lid 1 EVRM gewaarborgd beginsel van ‘fair trial’ (eerlijk proces); vgl. o.m. EHRM 5 juli 2007, NJ 2010/323Eggertsdóttir vs. IJsland en EHRM 8 oktober 2015, AB 2016/167Koroš ec vs. Slovenië.
Conclusie
Op bovenstaande gronden verzoekt betrokkene de Hoge Raad de mondelinge uitspraak, c.q. beslissingen en handelingen (KMU), op 29 februari 20243. en/of schriftelijke beschikking van de rechtbank Midden-Nederland uitgewerkt en ondertekend op 6 maart 2024 te vernietigen, met afdoening zoals de Hoge Raad zal vermenen te behoren.
Den Haag, 27 mei 2024
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 27‑05‑2024
Zie o.m. EHRM 24 oktober 1979, NJ 1980/114(Winterwerp/Nederland); EHRM 5 oktober 2000, BJ 2001/36(Varbanov/Bulgarije). Zie in dit kader ook de toelichting bij art. 5:8 Wvggz, de MvT, kamerstukken II 2009–2010, 32 399, nr. 3, p. 64 waar ‘wordt invulling gegeven aan het vereiste dat blijkens de jurisprudentie op basis van artikel 5 EVRM bij het opstellen van een medische verklaring een ‘medical expert’ betrokken moet zijn (EHRM, 5 oktober 2000, Varbanov tegen Bulgarije, BJ 2000, nr. 36). Bovendien zal de verklaring tegen de achtergrond van artikel 5 EVRM, een actuele weergave van de gezondheidstoestand van betrokkene moeten bevatten (EHRM, 24 september 1992, Herczegfalvy tegen Oostenrijk).’
Vgl. EHRM 27 maart 2008, Shtukaturov vs. Rusland, BJ 2008/41: ‘the Court has consistently held that the ‘procedural’ guarantees under Article 5 §§ 1 and 4 are broadly similar to those under Article 6 § 1 of the Convention’. Zie in dezelfde zin HR 8 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1138, NJ 2014/150, JVggz 2014/4: ‘(…) te waarborgen dat hij als onafhankelijk psychiater de rechter in staat stelt op het verzoek te beslissen in een procedure die als geheel voldoet aan het vereiste van een eerlijk proces in de zin van art. 6 lid 1 EVRM’. Volgens W.J.A.M. Dijkers, ‘Korošec in de psychiatrie’, Trema 2018/1 par. 2: ‘Normen die zijn ontwikkeld voor een fair trial, doen zich ook gelden in rechtszaken waarin de persoonlijke vrijheid centraal staat. Als het gaat om een eerlijk proces betreffende maatregelen aangaande psychiatrische patiënten, vormen art. 5 en 6 EVRM in verband hiermee als het ware een Siamese tweeling.’
Zie p.-v. van 29 februari 2024, p. 5 en 6.