HR, 27-01-2023, nr. 20/03178
ECLI:NL:HR:2023:106
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
27-01-2023
- Zaaknummer
20/03178
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 27‑01‑2023
ECLI:NL:HR:2023:106, Uitspraak, Hoge Raad, 27‑01‑2023; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2020:1447
- Vindplaatsen
NTFR 2023/168 met annotatie van drs. M.T.M. Hennevelt
V-N 2023/7.17 met annotatie van Redactie
NLF 2023/0260 met annotatie van Eddo Hageman
Viditax (FutD) 2023012713
FutD 2023-0289
Beroepschrift 27‑01‑2023
Betreft: | motivering van het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's‑Gravenhage op het hoger beroepschrift tegen de uitspraak van de Rechtbank 's‑Gravenhage op het beroepschrift ingediend tegen de uitspraak op het bezwaarschrift ingediend tegen de afwijzing van het verzoek om herziening van de in rekening gebrachte belastingrente bij het opleggen van de voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2016, aanslagnummer [0001] ten name van wijlen [A] — zaaknummer F 20/03178 |
Edelhoogachtbaar college,
Hiermede doe ik u toekomen de motivering van het beroepschrift in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's‑Gravenhage betreffende het hoger beroepschrift tegen de uitspraak van de Rechtbank te 's‑Gravenhage betreffende het beroepschrift tegen de uitspraak op het bezwaarschrift ingediend tegen de uitspraak op het bezwaarschrift ingediend tegen de afwijzing van het verzoek om herziening van de in rekening gebrachte belastingrente bij het opleggen van de voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2016, aanslagnummer [0001] ten name van wijlen [A] (hierna: belastingplichtige).
Feiten
In 2015 is er bij [B] BV een boekenonderzoek gestart. Naar aanleiding van dit boekenonderzoek is er in 2016 met de Belastingdienst een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarbij werd overeengekomen dat [A] een bedrag van € 450.000 aan de Belastingdienst zou betalen. Hierdoor zou de rekening-courant schuld van belastingplichtige aan [B] BV met € 4.000.000 worden verminderd. Zie bijlage 1 van de motivering van het beroepschrift bij de Rechtbank.
Belastingplichtige heeft op 6 december 2016 een bedrag van €450.000 op het bankrekeningnummer van de Belastingdienst kantoor Rotterdam betaald. Zie bijlage 2 van de motivering van het beroepschrift bij de Rechtbank.
Op 7 januari 2017 is aan belastingplichtige een voorlopige aanslag inkomstenbelasting ter grootte van €450.000 opgelegd, welke aanslag is verrekend met de op 6 december 2016 betaalde belasting. Zie bijlage 3 van de motivering van het beroepschrift bij de Rechtbank.
Op 15 december 2017 is de aangifte inkomstenbelasting 2016 van belastingplichtige ingediend. Hieruit volgde een te betalen bedrag van € 3.757. Zie bijlage 4 van de motivering van het beroepschrift bij de Rechtbank.
Op 2 februari 2018 is door de Belastingdienst aan belastingplichtige een bedrag van €446.243 terugbetaald. Zie bijlage 5 van de motivering van het beroepschrift bij de Rechtbank.
Op 7 maart 2018 is een herziene aangifte inkomstenbelasting 2016 ingediend. Hieruit volgde eveneens een te betalen bedrag van € 3.757. Zie bijlage 6 van de motivering van het beroepschrift bij de Rechtbank.
Op 7 maart 2018 is een verzoek om het opleggen van een voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2016 ingediend. Zie bijlage 7 van de motivering van het beroepschrift bij de Rechtbank.
Op 12 maart 2018 is er een bezwaarschrift ingediend tegen de opgelegde voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2016. Zie bijlage 8 van de motivering van het beroepschrift bij de Rechtbank.
Op 15 maart 2018 is er bij de Belastingdienst een verzoek ingediend om zo spoedig mogelijk een bedrag van € 450.000 te kunnen betalen. Zie bijlage 9 van de motivering van het beroepschrift bij de Rechtbank.
Op 26 maart 2018 heeft de Belastingdienst een brief verzonden waarin wordt medegedeeld dat het verzoek om de wijziging van de voorlopige aanslag 2016 niet in behandeling wordt genomen. Zie bijlage 10 van de motivering van het beroepschrift bij de Rechtbank.
Op 12 mei 2018 heeft de Belastingdienst een voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2016 opgelegd, waarbij een bedrag van € 14.850 aan belastingrente in rekening is gebracht. Zie bijlage 11 van de motivering van het beroepschrift bij de Rechtbank.
Op 28 mei 2018 heeft belastingplichtige een herzieningsverzoek ingediend met betrekking tot de in rekening gebrachte belastingrente. Zie bijlage 12 van de motivering van het beroepschrift bij de Rechtbank.
Op 8 juni 2018 heeft de Belastingdienst het herzieningsverzoek afgewezen. Zie bijlage 13 van de motivering van het beroepschrift bij de Rechtbank.
Op 11 juni 2018 heeft belastingplichtige bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van het herzieningsverzoek. Zie bijlage 14 van de motivering van het beroepschrift bij de Rechtbank.
Belastingplichtige heeft op 5 juli 2018 een aanvulling op dit bezwaarschrift verzonden. Zie bijlage 15 van de motivering van het beroepschrift bij de Rechtbank.
Op 22 november 2018 heeft de Belastingdienst het bezwaarschrift afgewezen. Zie bijlage 16 van de motivering van het beroepschrift bij de Rechtbank.
Belastingplichtige heeft tijdig ter behoud van rechten beroep aangetekend tegen de uitspraak op het bezwaarschrift. Op 25 januari 2019 heeft belastingplichtige de motivering van het beroepschrift ingediend.
Op 20 mei 2019 heeft de Rechtbank het beroep ter zitting behandeld. Op 25 juli 2019 heeft Rechtbank 's‑Gravenhage in haar uitspraak het beroep gegrond verklaard en de uitspraak op het bezwaarschrift vernietigd.
Tegen de uitspraak van de Rechtbank heeft de Belastingdienst hoger beroep aangetekend. Belastingplichtige heeft tegen het ingediende hoger beroep een verweerschrift ingediend, en voorts incidenteel hoger beroep ingesteld.
Op 30 juni 2020 heeft het Gerechtshof het beroep ter zitting behandeld. Op 11 augustus 2020 heeft Hof 's‑Gravenhage in haar uitspraak het hoger beroep gegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank 's‑Gravenhage vernietigd.
Geschil
In geschil is of de Belastingdienst terecht een bedrag van € 14.850 aan belastingrente in rekening heeft gebracht over de periode dat het te betalen bedrag aan inkomstenbelasting op de bankrekening van de Belastingdienst heeft gestaan. Belastingplichtige is van mening dat € 14.726 teveel aan belastingrente in rekening is gebracht. De Belastingdienst is van mening dat de belastingrente terecht in rekening is gebracht. Rechtbank 's‑Gravenhage heeft in haar uitspraak beslist dat de Belastingdienst de belastingrente dient te berekenen over het verschil tussen het bij de eerste en de derde voorlopige aanslag vastgestelde bedrag aan te betalen belasting, zijnde een bedrag van € 3.757. Het Gerechtshof te 's‑Gravenhage heeft in haar uitspraak de uitspraak van de Rechtbank 's‑Gravenhage vernietigd.
Naar de mening van belastingplichtige heeft het Gerechtshof te 's‑Gravenhage haar uitspraak onjuist, dan wel onvoldoende gemotiveerd. Voorts heeft het Gerechtshof te 's‑Gravenhage ten onrechte meerdere stellingen van belastingplichtige onbehandeld gelaten en niet meegenomen in haar oordeel en haar uitspraak. Het Gerechtshof te 's‑Gravenhage heeft ten onrechte de bewijslast met betrekking tot het aantonen dat er geen afspraak is gemaakt bij de aanslagregeling in een vergelijkbare situatie, bij belastingplichtige gelegd. Ten slotte ontbreekt aan de onderhavige beschikking belastingrente een rechtvaardigingsgrond en is de hoogte van de in rekening gebrachte belastingrente in strijd met de teleologische interpretatiemethode van de wettekst.
Motivering
Schending zorgvuldigheidsbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel
In het jaar 2015 is er bij belastingplichtige en zijn vennootschappen een boekenonderzoek gestart. Naar aanleiding van het boekenonderzoek is er in 2016 een vaststellingsovereenkomst tussen de Belastingdienst en belastingplichtige gesloten, waarbij is overeengekomen dat de rekening-courant schuld van belastingplichtige aan zijn vennootschap door middel van een dividenduitkering van € 4.000.000 zou worden verminderd. Over deze dividenduitkering diende belastingplichtige een bedrag van € 450.000 te betalen. De verschuldigde belasting ten bedrage van € 450.000 moest door belastingplichtige op de bankrekening van de Belastingdienst Rotterdam/Rijnmond worden gestort. In de aangifte inkomstenbelasting 2016 diende belastingplichtige een bedrag van € 1,8 miljoen aan inkomen uit aanmerkelijk belang aan te geven (in plaats van € 4,0 miljoen), waarover € 450.000 aan ab-heffing verschuldigd zou zijn. Deze ab-heffing was vervolgens gelijk aan het reeds door belastingplichtige op de bankrekening van de Belastingdienst Rotterdam/Rijnmond betaalde bedrag. Op 7 januari 2017 is er aan belastingplichtige een voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2016 opgelegd ter grootte van € 450.000, welke aanslag is verrekend met het reeds betaalde bedrag van € 450.000.
Op 15 december 2017 is de aangifte inkomstenbelasting 2016 van belastingplichtige ingediend. In deze aangifte inkomstenbelasting is een inkomen uit aanmerkelijk belang/dividend van € 1,8 miljoen aangegeven, overeenkomstig de vaststellingsovereenkomst. De reeds betaalde belasting ad € 450.000 is in de aangifte inkomstenbelasting vermeld bij de voorheffingen, als ingehouden dividendbelasting.
Op 2 februari 2018 is aan belastingplichtige op grond van de ingediende aangifte inkomstenbelasting 2016 een teruggave van €446.243 verleend. Op 7 maart 2018 heeft de echtgenote van belastingplichtige dit geconstateerd, waarna er direct contact is opgenomen met [C] van de Belastingdienst te Rotterdam om te vragen op grond waarvan deze teruggave was verleend. Nog dezelfde dag heeft [C] medegedeeld dat het reeds afgedragen bedrag ten bedrage van € 450.000 op het aangiftebiljet niet bij het onderdeel ‘voorheffing/ingehouden dividendbelasting’ had moeten worden vermeld, maar bij het onderdeel ‘voorlopige aanslagen’. Per omgaande is vervolgens een gewijzigde aangifte inkomstenbelasting 2016 ingediend, en een verzoek om het opleggen van een voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2016 voor een bedrag van € 450.000. Het bleek niet mogelijk om — evenals in december 2016 — het bedrag van € 450.000 op de bankrekening van de Belastingdienst/Rijnmond te storten, hetgeen de voorkeur had van belastingplichtige en ook belastingplichtige aan [C] is verzocht. Belastingplichtige wilde namelijk het in rekening brengen van belastingrente zoveel mogelijk voorkomen.
Bij het opleggen van de nadere voorlopige aanslag met dagtekening 12 mei 2018 is door de Belastingdienst een bedrag van € 14.850 aan belastingrente in rekening gebracht over de periode 1 juli 2017 tot en met 26 april 2018.
Primair is belastingplichtige van mening dat de Belastingdienst onzorgvuldig heeft gehandeld. In december 2016 diende belastingplichtige binnen twee weken na het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst een bedrag van € 450.000 op de bankrekening van de Belastingdienst te Rotterdam te storten. Pas in de loop van januari 2017 is de belastingaanslag opgelegd. In de ingediende aangifte was een dividenduitkering van € 4,0 miljoen verwerkt, waarvan een bedrag van € 1,8 miljoen als inkomen uit aanmerkelijk belang moest worden aangegeven. Hierbij zou het reeds betaalde bedrag van € 450.000 als reeds afgedragen belasting worden verrekend.
Belastingplichtige heeft het bedrag van € 450.000 in de op 15 december 2017 ingediende aangifte inkomstenbelasting bij het onderdeel ‘voorheffing/ingehouden dividendbelasting’ opgenomen. Achteraf bleek dat het bedrag op een andere plaats in het aangiftebiljet had moeten worden vermeld. Op grond van de navolgende redenen heeft de Belastingdienst naar de mening van belastingplichtige in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel gehandeld door een teruggave van € 446.243 te verlenen.
- 1.
Met betrekking tot de ingediende aangifte inkomstenbelasting 2016 is door belastingplichtige een vaststellingsovereenkomst gesloten. De Belastingdienst heeft in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel gehandeld door op 2 februari 2018 een voorlopige teruggave van € 446.243 te verlenen. Belastingplichtige mocht ervan uitgaan, dat de ingediende aangifte inkomstenbelasting 2016 niet automatisch zou worden afgehandeld, maar eerst inhoudelijk zou worden beoordeeld met betrekking tot het nakomen van de afspraken zoals opgenomen in de vaststellingsovereenkomst.
- 2.
Bij het onderdeel ‘voorheffing/ingehouden dividendbelasting’ was in de aangifte inkomstenbelasting 2016 die op 15 december 2017 is ingediend een bedrag vermeld van € 450.033, onderverdeeld in € 450.000 als ingehouden dividendbelasting bij het aanmerkelijk belang inkomen en € 33 als ingehouden dividendbelasting inzake de effectenportefeuille bij Binck bank. Het bedrag van € 33 is door Binck bank aan de Belastingdienst gerenseigneerd, maar het bedrag van € 450.000 kwam niet overeen met de aan de Belastingdienst gerenseigneerde gegevens/bedragen. Gezien het grote absolute verschil van € 450.000 heeft de Belastingdienst in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel gehandeld door de aangifte niet eerst te controleren — hetgeen ook logisch zou zijn geweest in het licht van de vaststellingsovereenkomst met betrekking tot deze aangifte — voordat er aan belastingplichtige een teruggave van € 446.243 zou worden verleend.
- 3.
In december 2016 was er bij de Belastingdienst te Rotterdam blijkbaar de vrees dat het bedrag van € 450.000 niet door belastingplichtige zou worden betaald. In verband daarmee heeft de Belastingdienst belastingplichtige verplicht om binnen twee weken het bedrag van € 450.000 over te maken naar de Belastingdienst. Het is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en voor belastingplichtige onbegrijpelijk dat de Belastingdienst in februari 2018 zonder het stellen van vragen — en bovendien in strijd met de ingediende aangifte waaruit een te betalen bedrag van € 3.757 volgde — een bedrag van € 446.243 aan belastingplichtige heeft uitbetaald, terwijl in december 2016 de Belastingdienst uit het oogpunt van zorgvuldigheid een bedrag van € 450.000 vóór het opleggen van de voorlopige aanslag op haar bankrekening wilde ontvangen.
- 4.
Nadat belastingplichtige op 7 maart 2018 constateerde dat de Belastingdienst ten onrechte een bedrag van € 446.243 had uitbetaald, is er direct telefonisch contact opgenomen met [C] van de Belastingdienst te Rotterdam. Belastingplichtige wist op dat moment niet op grond waarvan de teruggave van € 446.243 was verleend. Nadat namens belastingplichtige de onterechte teruggave was gemeld, heeft [C] nog dezelfde dag teruggebeld en aangegeven dat het bedrag van € 450.000 bij het verkeerde onderdeel in het aangiftebiljet was vermeld. Hieruit blijkt reeds, dat indien de Belastingdienst de nodige zorgvuldigheid in acht zou hebben genomen door vóór het verlenen van een teruggave van € 446.243 de ingediende aangifte inkomstenbelasting globaal te controleren, deze teruggave niet zou zijn verleend
Rechtbank 's‑Gravenhage heeft beslist dat in verband met de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel de Belastingdienst geen belastingrente in rekening mag brengen over het bedrag van de onterechte teruggave ad € 446.243, maar uitsluitend over het bij te betalen bedrag ad € 3.757. Op grond hiervan dient naar de mening van belastingplichtige de in rekening gebrachte belastingrente te worden verminderd tot: 3.757/450.000 × € 14.850 = € 124.
Hof 's‑Gravenhage heeft onder verwijzing naar het arrest van uw Raad d.d. 25 februari 2011, ECLI:NL:201 HBP5536 ( BNB 2011/138), beslist dat de Belastingdienst niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld. In het hoger beroepschrift heeft de Belastingdienst uit voornoemd arrest een tweetal volzinnen uit r.o. 3.3.8 geciteerd. De Belastingdienst heeft de daaropvolgende volzinnen uit r.o. 3.3.8 ten onrechte niet geciteerd, welke volzinnen naar de mening van belastingplichtige onmisbaar zijn voor een juist begrip van de overwegingen van uw Raad:
‘De van een inspecteur te verlangen zorgvuldigheid wijkt dus af van hetgeen van hem verlangd wordt bij het opleggen van een voorlopige aanslag. Die zorgvuldigheid brengt ook mee dat hem bij de uitvoering van die taak een zekere vrijheid toekomt bij de inrichting van zijn werkzaamheden. De hiervoor onder 3.3.7 genoemde termijn van één jaar kan dan ook naar zijn aard slechts gelden als een streeftermijn ’.
Uit de hiervoor geciteerde volzinnen van uw Raad blijkt dat in genoemde procedure de vraag centraal stond of de Belastingdienst binnen één jaar na het indienen van de aangifte een definitieve aanslag dient op te leggen. In casu was de definitieve aanslag pas bijna twee jaar na indiening van de aangifte inkomstenbelasting opgelegd. In dat kader heeft uw Raad overwogen dat de in de wetsgeschiedenis genoemde termijn van het opleggen van een definitieve aanslag binnen een jaar na binnenkomst van de aangifte, als een streeftermijn heeft te gelden. Uw Raad heeft derhalve in genoemd arrest niet beslist dat de Belastingdienst bij het opleggen van een voorlopige aanslag niet is gehouden aan het zorgvuldigheidsbeginsel. De hoofdregel welke uw Raad in het arrest van 15 december 2017 heeft geformuleerd, luidt immers:
‘Onder omstandigheden kunnen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel meebrengen dat geen belastingrente in rekening mag worden gebracht, dan wel de belastingrente dient te worden gematigd. ’
Naar de mening van belastingplichtige heeft de Rechtbank terecht geoordeeld dat ‘(g)elet op (de inhoud van) de vaststellingsovereenkomst, de omstandigheid dat het door erflater aangegeven bedrag dermate afweek van hetgeen in die overeenkomst was afgesproken en van het bedrag van de eerste voorlopige aanslag, had het verweerder ten tijde van het opleggen van de tweede voorlopige aanslag redelijkerwijs duidelijk moeten zijn geweest dat het bedrag van de tweede voorlopige aanslag vermoedelijk lager was dan op grond van artikel 13, eerste lid, van de AWR toelaatbaar is. Het had dan ook op de weg van verweerder gelegen om over het aangegeven bedrag vragen te stellen aan erflater en te verifiëren of dat bedrag juist was. ’ Zie overweging 14 van de uitspraak van de Rechtbank. Het ligt naar de mening van belastingplichtige voor de hand dat bij er bij een vaststellingsovereenkomst veel eerder sprake is van een onderzoekplicht, waardoor eerder sprake is van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, mede omdat de Belastingdienst tijdens de zitting bij de Rechtbank zelf het volgende heeft verklaard (zie bladzijde 2 van het proces verbaal):
‘De aangifte van [A] was vanwege de vaststellingsovereenkomst geselecteerd voor een controle bij de definitieve aanslag. (…) U vraagt ons of voorlopige aanslagen nooit gecontroleerd worden. Daar valt de onderhavige aangifte in elk geval niet onder. ’
Uit deze opmerkingen van de Belastingdienst blijkt dat zich derhalve situaties kunnen voordoen dat een ingediende aangifte voordat een voorlopige aanslag wordt opgelegd, wél wordt gecontroleerd, en dat daardoor in de onderhavige zaak des te meer sprake is geweest van de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Het zijn naar de mening van belastingplichtige voornamelijk de ingediende aangiften waarover een vaststellingsovereenkomst is afgesloten, die door de Belastingdienst zullen worden gecontroleerd voordat er een voorlopige aanslag wordt opgelegd of een voorlopige teruggave wordt verleend.
Voorts wordt door de Belastingdienst gewezen op de benodigde snelheid om een voorlopige aanslag op te leggen. Bij belastingplichtige was echter sprake van een voorlopige teruggave, en derhalve niet van een voorlopige te betalen aanslag. Ook om die reden zijn de door de Belastingdienst geciteerde volzinnen uit het arrest van uw Raad d.d. 25 februari 2011 op de onderhavige zaak niet van toepassing. Een voorlopige te betalen aanslag wijkt immers wezenlijk af van een voorlopige teruggave, en bij het verlenen van een voorlopige teruggave mag een grotere mate van zorgvuldigheid van de Belastingdienst worden verwacht, zeker indien deze voorlopige teruggave bijna € 450.000 afwijkt van hetgeen met de Belastingdienst in de vaststellingsovereenkomst was afgesproken. De Belastingdienst beroept zich om die reden ten onrechte op een eventueel nader onderzoek. Een nader onderzoek was immers volstrekt niet nodig, omdat aan de hand van de vaststellingsovereenkomst direct had kunnen worden vastgesteld dat er onmogelijk sprake kon zijn van een voorlopige teruggave van bijna € 450.000.
In de onderhavige zaak is naar de mening van belastingplichtige bovendien niet alleen sprake van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, maar tevens van schending van het rechtszekerheidsbeginsel. J.A.R. van Eijsden heeft in zijn annotatie bij BNB 2011/138 het navolgende opgemerkt:
‘Belanghebbende had ook gesteld dat het rechtszekerheidsbeginsel in casu tot een beperking van de heffingsrente leidt. De Hoge Raad verwerpt ook die stelling. Een motivering daarvan wordt niet gegeven. Dat is niet verwonderlijk gezien zijn oordeel over het zorgvuldigheidsbeginsel. Toch kunnen ook bij dit oordeel vraagtekens worden gezet. P. Popelier (Rechtszekerheid als beginsel voor behoorlijke regelgeving (dissertatie Antwerpen). Antwerpen: Intersentia, 1997, blz. 175–176) omschrijft het rechtszekerheidsbeginsel als:
‘een uit de rechtsstaat voortvloeiend rechtsbeginsel, volgens hetwelk het objectieve recht het elke persoon moet mogelijk maken zijn gedrag te regelen en in redelijke mate de rechtsgevolgen daarvan te voorzien, en volgens hetwelk elke persoon erop moet kunnen vertrouwen dat rechtmatige verwachtingen, gewekt door het objectief recht of door wat redelijkerwijs als objectief recht kan worden beschouwd, worden gehonoreerd. ’
Een belangrijk element van het rechtszekerheidsbeginsel is dat gewekte verwachtingen omtrent het recht gehonoreerd worden (zie M.R.T. Pauwels, Terugwerkende kracht van belastingwetgeving: gewikt en gewogen, academisch proefschrift, 2009, blz. 91). Het belang hiervan is onder meer gelegen in het voorkomen van negatieve effecten van (door burgers ervaren) onbetrouwbaarheid van de overheid. Zie Pauwels, a.w., blz. 83, die in dit kader opmerkt:
‘Het komt de legitimiteit van het gezag van de wetgever (…) ten goede indien de wetgever rekening houdt met ‘gerechtvaardigde verwachtingen ’ van burgers.’’
Door J.A.R. van Eijsden wordt verwezen naar het proefschrift van M.R.T. Pauwels. Bij belastingplichtige is door het opstellen van de vaststellingsovereenkomst de verwachting gewekt dat op een zorgvuldige wijze met de ingediende aangifte zou worden omgegaan. Belastingplichtige mocht door de vaststellingsovereenkomst en het betalen van de voorlopige aanslag ten bedrage van € 450.000 erop vertrouwen dat door deze vooruitbetaling er bij hem geen belastingrente in rekening zou worden gebracht. De Belastingdienst had met deze gerechtvaardigde verwachtingen van belastingplichtige rekening behoren te houden door voordat er een voorlopige teruggave van bijna € 450.000 werd verleend, eerst de juistheid van deze voorlopige teruggave te beoordelen.
Samenvatting met betrekking tot zorgvuldigheidsbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel
De conclusie van Hof 's‑Gravenhage in onderdeel 5.3 dat de Belastingdienst niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel heeft gehandeld, onder verwijzing naar het arrest van uw Raad d.d. 25 februari 2011, is rechtens en feitelijk onjuist. De conclusie dat met het in rekening brengen van € 14.850 aan belastingrente niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel is gehandeld, is niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd. Het als een onjuiste uitspraak kwalificeren van de overwegingen van Rechtbank 's‑Gravenhage dat door de Belastingdienst wél in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel is gehandeld, is met de verwijzing naar het arrest van uw Raad d.d. 25 februari 2011 rechtens onjuist, dan wel onvoldoende onderbouwd. Immers, aan de overweging van Hof 's‑Gravenhage ontbreekt iedere onderbouwing. Voor zover de verwijzing naar het arrest van uw Raad als onderbouwing dient te worden gekwalificeerd, is de onderbouwing onbegrijpelijk. Uw Raad heeft het navolgende overwogen:
‘Onder omstandigheden kunnen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel meebrengen dat geen belastingrente in rekening mag worden gebracht, dan wel de belastingrente dient te worden gematigd. ’
Op grond van deze overweging heeft de Rechtbank overwogen, dat de Belastingdienst in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld, en noch de Belastingdienst, noch Hof 's‑Gravenhage heeft dit kunnen weerleggen. Bovendien heeft Hof 's‑Gravenhage tijdens de zitting opgemerkt dat de Belastingdienst door het in rekening brengen van een bedrag van € 14.850 aan belastingrente cru heeft gehandeld, zodat reeds om die reden het niet in rekening brengen van belastingrente, dan wel een matiging van de belastingrente had dienen plaats te vinden. Om die reden is er een schorsing geweest zodat de Belastingdienst kon overleggen of de belastingrente kon worden gematigd en hierover een compromis kon worden gesloten. Hieruit volgt dat Hof 's‑Gravenhage geen, dan wel onvoldoende rekening heeft gehouden met de vastgestelde, en niet door de Belastingdienst weersproken bijzondere omstandigheden van de onderhavige zaak, zodat naar de mening van belastingplichtige en Rechtbank 's‑Gravenhage in strijd is gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel. Rechtbank 's‑Gravenhage is op geen enkele wijze afgeweken van de door de Belastingdienst in het hoger beroepschrift genoemde arresten, noch heeft de Rechtbank een aanscherping aangebracht op de door uw Raad geformuleerde regels. De Rechtbank heeft immers niet geoordeeld dat te allen tijde een achteraf blijkende onjuiste teruggave inkomstenbelasting, in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel, maar dat gezien de feiten en omstandigheden van de situatie bij belastingplichtige daarvan in casu wel sprake is. Hof 's‑Gravenhage heeft ten onrechte geen rekening gehouden met de bijzondere feiten en omstandigheden van de onderhavige zaak en heeft zonder nadere motivering het navolgende geconcludeerd:
‘(a)nders dan de Rechtbank heeft geoordeeld, is de van de Inspecteur te verlangen zorgvuldigheid bij het opleggen van de tweede voorlopige aanslag in de gegeven omstandigheden niet zodanig dat hij de gegevens van de ingediende aangifte nader diende te onderzoeken. ’
Het moge duidelijk zijn, dat een dergelijke motivering naar de mening van belastingplichtige ondeugdelijk en daardoor rechtens onjuist is.
Nadere motivering
Indien uw Raad van oordeel mocht zijn, dat door de Belastingdienst niet in strijd is gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel, dan is op grond van de hierna weergegeven motivering een te hoog bedrag aan belastingrente in rekening gebracht.
Subsidiair: de Belastingdienst heeft ten onrechte over de periode dat het geld op de bankrekening van de Belastingdienst stond, belastingrente in rekening gebracht
Op 14 november 2018 heeft het Gerechtshof te 's‑Gravenhage (zaaknummer BK-18/00644) beslist dat er bij het vaststellen van de belastingrente rekening moet worden gehouden met de periode dat het bedrag van de voorlopige aanslag reeds was betaald en op de bankrekening van de Belastingdienst stond. Op 6 december 2016 heeft belastingplichtige een bedrag van € 450.000 betaald op de bankrekening van de Belastingdienst/Rijnmond. Op 2 februari 2018 heeft de Belastingdienst een bedrag van € 446.243 uitbetaald op de bankrekening van belastingplichtige. Het bedrag van € 446.243 heeft derhalve gedurende een periode van 13 maanden en 27 dagen op de bankrekening van de Belastingdienst gestaan, terwijl de Belastingdienst over een periode van 9 maanden en 27 dagen belastingrente in rekening heeft gebracht. Per saldo heeft de Belastingdienst derhalve het bedrag van de verschuldigde inkomstenbelasting langer op haar bankrekening gehad dan de periode waarover de belastingrente is verschuldigd. Ik mag tevens verwijzen naar de uitspraak van Rechtbank 's‑Gravenhage d.d. 12 april 2018, nummer SGR 17/6959, waarin de Rechtbank tot dezelfde uitspraak is gekomen.
In verband met het vorenstaande mag de Belastingdienst naar de mening van belastingplichtige geen belastingrente in rekening brengen over het bedrag van de teruggave ad € 446.243, omdat de Belastingdienst genoemd bedrag langer op haar bankrekening heeft gehad dan de periode waarover belastingrente op grond van de wettelijke systematiek is berekend, respectievelijk is het volstrekt onredelijk om aan een belastingplichtige over de periode dat het belastinggeld op de bankrekening van de Belastingdienst stond, belastingrente in rekening te brengen. Het in rekening brengen van belastingrente heeft uitsluitend als doel om over belastinggeld dat te laat wordt betaald, belastingrente in rekening te brengen. In casu is geen sprake van te laat betalen, omdat het belastinggeld reeds op 6 december 2016 op de bankrekening van de Belastingdienst stond.
Volgens Hof 's‑Gravenhage is ondubbelzinnig vastgesteld dat het regulier beleid bij de Belastingdienst was om over de periode dat het belastingbedrag op de bankrekening van de Belastingdienst stond, geen belastingrente in rekening te brengen. Op 8 december 2017 is openbaar gemaakt, dat dit beleid vanaf 8 december 2017 zou zijn ingetrokken. Uit tenminste één opgelegde aanslag na 8 december 2017, namelijk een voorlopige aanslag gedagtekend 9 maart 2018, blijkt dat de Belastingdienst ook na 8 december 2017 nog het beleid hanteerde om bij het wijzigen van een voorlopige aanslag, waarvan het bedrag reeds eerder was voldaan, geen belastingrente in rekening werd gebracht. Ik mag uw Raad verwijzen naar bijlage A waarin de belastingaanslagen zijn opgenomen van genoemde belastingplichtige. In bijlage B is de verzonden brief aan de Belastingdienst opgenomen waarin om opheldering wordt gevraagd over het niet in rekening brengen van belastingrente en in bijlage C is de beantwoording van de Belastingdienst vermeld. Nergens blijkt dat het niet in rekening brengen van belastingrente bij genoemde belastingplichtige gebaseerd is geweest op een bijzondere afspraak. Bovendien dient dit naar de mening van belastingplichtige door de Belastingdienst te worden aangetoond. Zoals uit voomoemde correspondentie blijkt, weigert de Belastingdienst inzage te verstrekken, respectievelijk de vraag waarom geen belastingrente in rekening is gebracht, te beantwoorden. Het is voor belastingplichtige daardoor feitelijk onmogelijk om aan te tonen dat er geen afspraken over de aanslagregeling zijn gemaakt. Hof 's‑Gravenhage heeft ten onrechte deze bewijslast bij belastingplichtige gelegd. Het maken van een afspraak over de aanslagregeling is een uitzondering op de hoofdregel dat er over de aanslagregeling geen afspraken worden gemaakt. Als de Belastingdienst de stelling inneemt dat er bij een aanslagregeling afspraken zijn gemaakt met de Belastingdienst, dan dient de Belastingdienst dat te bewijzen. Tijdens de zitting is bovendien aangeboden om de naam van de andere belastingplichtige bekend te maken, zodat de Belastingdienst kon controleren dat er over de aanslagregeling van genoemde belastingplichtige geen bijzondere afspraken zijn gemaakt. De Belastingdienst bleek niet bereid om op het aanbod in te gaan dat bij openbaar making van de naam van de andere belastingplichtige, kon worden aangetoond dat er geen afspraken zijn gemaakt bij de andere genoemde belastingplichtige. De bewijslast is daardoor ten onrechte neergelegd bij belastingplichtige.
Het niet in rekening brengen van belastingrente kan worden verklaard door het feit dat het intrekken van beleid niet met terugwerkende kracht kan plaatsvinden. Derhalve was het tot en met 8 december 2017 beleid om de in rekening te brengen belastingrente te matigen, zoals is vermeld in de brief d.d. 8 december 2017:
‘Op grond hiervan is er geen ruimte meer om belastingrente te matigen, enkel vanwege de omstandigheid dat er rente is berekend over de periode waarin het geld reeds bij de Belastingdienst was. ’
Dit beleid is pas op 8 december 2017 openbaar gemaakt (zie bijlage 2 van de conclusie van dupliek van belastingplichtige), zodat in samenhang met de als bijlage A bij gevoegde derde voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2016 met dagtekening 9 maart 2018 kan worden afgeleid dat met betrekking tot (voorlopige) aanslagen over het belastingjaar 2016 nog het beleid werd gehanteerd dat de belastingrente werd gematigd over de periode dat het geld op de bankrekening van de Belastingdienst stond. Zelfs indien alleen de periode 6 december 2016 (de dag waarop het bedrag van de voorlopige aanslag was betaald op de bankrekening van de Belastingdienst) tot en met 8 december 2017 (de datum van het openbaar maken van het intrekken van het beleid) meetelt ter matiging van de in rekening te brengen belastingrente, dan dient de gehele belastingrente over het bedrag van € 450.000 te worden gematigd tot nihil: er wordt op grond van de wettelijke bepalingen immers over de periode 1 juli 2017 tot en met 26 april 2018 (302 dagen) belastingrente in rekening gebracht, welke periode korter is dan de periode dat het bedrag van €450.000 tot en met 8 december 2017 op de bankrekening van de Belastingdienst heeft gestaan (namelijk 367 dagen).
Naar de mening van belastingplichtige heeft Hof 's‑Gravenhage op basis van de navolgende argumenten voornoemde standpunten en zienswijzen niet, of in ieder geval onvolledig behandeld en een rechtens en feitelijk onjuiste beslissing genomen.
Er was geen sprake van beleid, zodat dit beleid ook niet kan zijn ingetrokken
Ten eerste mag ik uw Raad verwijzen naar de conclusie van A-G Ijzerman d.d. 20 februari 2020 in zaaknummer 19/03791, ECLI:NL:PHR:2020:170. In onderdeel 4.6 — een overweging van Hof Arnhem-Leeuwarden — is het volgende vermeld:
‘De Staatssecretaris heeft zowel in zijn brief van 7 juni 2017 als in zijn brief van 8 december 2017 het bestaan van beleid ontkend. Nu dat beleid, zoals zojuist is overwogen, wel aanwezig was, zou die ontkenning kunnen leiden tot het oordeel dat van een intrekking ervan geen sprake was en dat dat beleid nog steeds geldt.’
De Staatssecretaris heeft het bestaan van beleid tijdens de beantwoording van kamervragen in 2017 ontkend:
‘De regeling van de belastingrente is neergelegd in de Algemene Wet inzake rijksbelastingen. Het klopt dat er geen beleid is voor het vergoeden van rente over teveel betaalde belasting in deze situatie. ’
Niet bestaand beleid kan niet worden ingetrokken, zodat hieruit naar de mening van Hof Arnhem-Leeuwarden kan worden afgeleid dat het begunstigend beleid nog steeds geldt. Dit zou tevens een verklaring kunnen zijn waarom op de als bijlage A bij gevoegde aanslagen inkomstenbelasting over het jaar 2016 geen belastingrente in rekening is gebracht. Om deze reden kan de uitspraak van Hof 's‑Gravenhage naar de mening van belastingplichtige niet in stand blijven.
Aan intrekken beleid ten onrechte terugwerkende kracht toegekend
Indien uw Raad van mening is, dat in het verleden door de Belastingdienst (intern) beleid is geformuleerd om geen belastingrente in rekening te brengen over de periode waarop het geld op de bankrekening van de Belastingdienst stond, dan staat het rechtszekerheidsbeginsel eraan in de weg dat een beleidsregel met formeel of materieel terugwerkende kracht wordt gewijzigd. Hoewel ook dit argument duidelijk naar voren is gebracht in de procedure (ik mag uw Raad verwijzen naar het verweerschrift van belastingplichtige bij Hof 's‑Gravenhage en het incidenteel hoger beroep), is Hof 's‑Gravenhage in de uitspraak hierop ten onrechte niet ingegaan. In de Conclusie bij zaaknummer 19/03791 verwijst A-G Ijzerman naar het boek ‘Beginselen van behoorlijk bestuur in het belastingrecht’ door P.G.M. Jansen. Hieruit heeft A-G Ijzerman onder andere het volgende overgenomen.
‘3.3.2.1. Beleidsregels
Een belastingplichtige mag op toepassing van een beleidsregel vertrouwen totdat de beleidsregel is ingetrokken of gewijzigd. (…)
De intrekking ofwijziging moet plaatsvinden door middel van een besluit dat, zoals ieder besluit, op de in art. 3:42 Awb voorgeschreven wijze bekend gemaakt moet worden. Een tweede voorwaarde is dat bij de invoering van de nieuwe regeling rekening moet worden gehouden met eventuele bij de belastingplichtige bestaande gerechtvaardigde verwachtingen (eerbiedigende werking van de oude regeling). Het rechtszekerheidsbeginsel speelt hierbij een belangrijke rol. Dit beginsel staat er in beginsel aan in de weg dat een beleidsregel met (formeel) terugwerkende kracht wordt gewijzigd.’
Naar de mening van belastingplichtige heeft de Belastingdienst bij het intrekken van de beleidsregel, voor zover daarvan sprake is geweest, het rechtszekerheidsbeginsel geschonden door de beleidsregel met terugwerkende kracht te wijzigen. Er is in casu immers belastingrente in rekening gebracht over een periode waarop het bedrag van € 450.000 op de bankrekening van de Belastingdienst stond, over welke periode vóór het intrekken van de beleidsregel geen rente in rekening zou zijn gebracht, terwijl over deze periode na het intrekken van de beleidsregel door de Belastingdienst wél rente in rekening is gebracht. Hof 's‑Gravenhage heeft — naar de mening van belastingplichtige — ten onrechte in haar uitspraak niet meegenomen dat hiermee het rechtszekerheidsbeginsel is geschonden, respectievelijk dat door de Belastingdienst een onjuiste interpretatie is gegeven aan het rechtszekerheidsbeginsel door dit beginsel uitsluitend van toepassing te laten zijn op aangiften die voor 8 december 2017 zijn ingediend, respectievelijk op voorlopige aanslagen die voor 8 december 2017 zijn opgelegd, terwijl het ingetrokken beleid betrekking had op betaalde aanslagen die reeds op de bankrekening van de Belastingdienst stonden, zodat dit beleid tevens van toepassing is geweest op de betaalde voorlopige aanslag d.d. 7 januari 2017. Het oordeel en de motivering van Hof 's‑Gravenhage is derhalve voor belastingplichtige onbegrijpelijk en daardoor rechtens onjuist.
Op grond van het vorenstaande dient de in rekening gebrachte belastingrente te worden verminderd tot: 3.757/450.000 × € 14.850 = € 124.
Toepassing compartimenteringsarrest BNB 1986/305
Bovendien heeft Hof 's‑Gravenhage ten onrechte in haar uitspraak geen rekening gehouden met het compartimenteringsarrest van uw Raad d.d. 2 juli 1986 ( BNB 1986/305). Naar analogie met dit arrest dient een voordeel dat reeds aanwezig was op het tijdstip dat de beleidsregel over het niet in rekening brengen van rente over de periode dat de betaalde aanslag op de bankrekening van de Belastingdienst heeft gestaan, is ingetrokken, ook na 8 december 2017 nog van toepassing te zijn op voorlopige aanslagen die zijn betaald voor 8 december 2017. Hiervan is in casu sprake, want de eerste voorlopige aanslag was gedagtekend 7 januari 2017 en is betaald op 6 december 2016. Ten onrechte en daardoor rechtens onjuist heeft Hof 's‑Gravenhage in onderdeel 5.4.3 geconcludeerd dat met betrekking tot na 8 december 2017 opgelegde aanslagen de hiervoor genoemde beleidsregel niet van toepassing zou zijn, terwijl als uitgangspunt dient te worden genomen de voor 8 december 2017 betaalde voorlopige aanslagen. Immers, van belang is dat de belastingrente wordt verminderd met de in rekening gebrachte belastingrente over de periode vóór het intrekken van de beleidsregel. Daarvan is in de onderhavige zaak sprake, omdat de verschuldigde belasting reeds op 6 december 2016 op de bankrekening van de Belastingdienst stond, derhalve meer dan een jaar voordat de hiervoor genoemde beleidsregel werd ingetrokken.
Bij de toepassing van het compartimenteringsarrest kan de vermindering van de in rekening te brengen belastingrente naar de mening van belastingplichtige op twee manieren worden berekend.
Ten eerste kan de periode van 6 december 2016 (datum betaling eerste voorlopige aanslag) tot en met 8 december 2017 in mindering worden gebracht op de periode waarover belastingrente in rekening is gebracht. Alsdan wordt over een periode van 367 dagen van € 450.000 geen belastingrente in rekening gebracht. Bij de aanslagregeling is over 302 dagen belastingrente in rekening gebracht (namelijk van 1 juli 2017 tot en met 26 april 2018), zodat alsdan over het bedrag van € 450.000 geen belastingrente in rekening mag worden gebracht, waardoor de belastingrente dient te worden verminderd tot € 124.
Ten tweede kan de periode van 7 januari 2017 (datum opleggen eerste voorlopige aanslag) tot en met 8 december 2017 in mindering worden gebracht op de periode waarover belastingrente in rekening is gebracht. Alsdan wordt over een periode van 335 dagen van € 450.000 geen belastingrente in rekening gebracht. Bij de aanslagregeling is over 302 dagen belastingrente in rekening gebracht (namelijk tot en met 26 april 2018), zodat alsdan eveneens over het bedrag van € 450.000 geen belastingrente in rekening mag worden gebracht, waardoor de belastingrente dient te worden verminderd tot € 124.
Naar de mening van belastingplichtige is in de onderhavige zaak de eerste methode van toepassing. Het gaat namelijk om de werkelijke periode waarop het geld op de bankrekening van de Belastingdienst heeft gestaan, welke periode tevens als uitgangspunt is genomen in de uitspraak van Hof 's‑Gravenhage d.d. 14 november 2018, ECLI:NL:GHDA:2018:3106.
Onjuiste verdeling bewijslast
Ten tweede is Hof 's‑Gravenhage voorbij gegaan aan het bewijsaanbod dat tijdens de zitting is gedaan met betrekking tot het kenbaar maken van de naam van de belastingplichtige waarvan de aanslagen als bijlage A zijn bijgevoegd. In verband met de gewenste privacy van deze belastingplichtige jegens de erven van [A] zijn aanslagen verstrekt waarop de naam en het bsn van deze belastingplichtige onzichtbaar was gemaakt. Het is voor de erven van [A] onmogelijk om aan te tonen dat er geen afspraken zijn gemaakt met betrekking tot een andere belastingplichtige. In dit kader mag ik uw Raad tevens verwijzen naar de conclusie van A-G Ijzerman in voornoemde zaak 19/03791:
‘Ik zie alleen ruimte voor beperking van de belastingrente als belanghebbende aannemelijk zou hebben gemaakt dat ook na 7 juni 2017 door de Belastingdienst in andere gevallen de renteberekening toch werd beperkt. Dan zou mogelijk op basis van het gelijkheidsbeginsel tegemoet gekomen kunnen worden.’
Uit de als bijlage A bijgevoegde voorlopige aanslagen blijkt duidelijk dat ook na 7 juni 2017, maar zelfs ook nog na 8 december 2017 de Belastingdienst in andere gevallen de renteberekening wel heeft beperkt. De bewijslast dat in dat geval om bijzondere redenen geen rente in rekening is gebracht, berust op grond van de heersende jurisprudentie bij de Belastingdienst. Hof 's‑ Gravenhage heeft deze bewijslast ten onrechte bij de erven van [A] gelegd, zodat reeds om die reden de uitspraak van Hof 's‑Gravenhage niet in stand kan blijven. Door schending van het gelijkheidsbeginsel dient vervolgens de beschikking heffingsrente te worden verminderd tot 3.757/450.000 × € 14.850 = € 124.
Meer subsidiair: de Belastingdienst heeft ten onrechte belastingplichtige niet de mogelijkheid geboden om — evenals in december 2016 — het verschuldigde belastingbedrag direct te betalen op de bankrekening van de Belastingdienst
Nadat belastingplichtige op 7 maart 2018 telefonisch aan [C] van de Belastingdienst te Rotterdam had verzocht om — evenals in december 2016 — het verschuldigde bedrag direct over te maken op de bankrekening van de Belastingdienst te Rotterdam en op dat mondelinge verzoek afwijzend werd beslist, heeft belastingplichtige op 12 maart 2018 bezwaar aangetekend tegen de verleende voorlopige teruggave IB 2016 en op 15 maart 2018 aan de afdeling invordering een verzoek verstuurd om de mogelijkheid te bieden om het bedrag van € 446.243 zo spoedig mogelijk aan de Belastingdienst terug te betalen. Op beide brieven is geen reactie gekomen. Wel heeft de Belastingdienst op 26 maart 2018 een bericht verzonden dat het verzoek om wijziging van de voorlopige aanslag niet in behandeling kon worden genomen, omdat de aangifte inkomstenbelasting reeds in behandeling was. Hierdoor zijn de financiële belangen van belastingplichtige geschaad en is het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden.
Voorts is het in strijd met het gelijkheidsbeginsel dat aan belastingplichtige een hoger bedrag aan belastingrente in rekening wordt gebracht dan aan een belastingplichtige die het bedrag van de teruggave op bijvoorbeeld 2 november 2017 zou hebben ontvangen, in plaats van op 2 februari 2018, en vervolgens op 7 december 2017 een herziene aangifte inkomstenbelasting 2016 zou hebben ingediend (in plaats van 7 maart 2018). De Belastingdienst zou met betrekking tot hetzelfde bedrag aan teruggave en dezelfde periode dat het bedrag niet op de bankrekening van de Belastingdienst zou hebben gestaan, een lager bedrag aan belastingrente in rekening hebben gebracht.
Daar het verzoek om het opleggen van een voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2016 op 7 maart 2018 is verzonden en het bedrag van €446.243 tot en met 2 februari 2018 op de bankrekening van de Belastingdienst heeft gestaan, had er op basis van het zorgvuldigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel als meer subsidiair standpunt geen belastingrente in rekening mogen worden gebracht. Op grond hiervan dient de in rekening gebrachte belastingrente te worden verminderd tot: 3.757/450.000 × € 14.850 = € 124.
Hof 's‑Gravenhage heeft in haar uitspraak rechtens onjuist, dan wel onvoldoende gemotiveerd door met voomoemd argument geen, dan wel onvoldoende rekening te houden. Door automatiseringsproblemen bleek het voor de Belastingdienst niet mogelijk om het verzoek om het opleggen van een voorlopige aanslag, welk verzoek op 7 maart 2018 is verzonden, in behandeling te nemen. Hof 's‑Gravenhage heeft dit argument niet behandeld. In onderdeel 6.2 wordt namelijk uitsluitend verwezen naar de op 7 maart 2018 ingediende herziene aangifte, terwijl op dezelfde datum een verzoek om een nadere voorlopige aanslag is ingediend. Rechtens onjuist heeft Hof 's‑Gravenhage geconcludeerd dat de Belastingdienst door het met dagtekening 12 mei 2018 opleggen van een derde voorlopige aanslag, niet buiten de hem toekomende vrijheid is getreden. In artikel 30fb, vierde lid, tweede volzin AWR is namelijk bepaald dat de nadere voorlopige aanslag dient te worden opgelegd binnen acht weken na binnenkomst van het verzoek, zodat over maximaal veertien weken (beslistermijn van acht weken en betalingstermijn van zes weken) belastingrente in rekening kan worden gebracht. Door het opleggen van de voorlopige aanslag met dagtekening 12 mei 2018 is de Belastingdienst derhalve wel buiten de hem toekomende vrijheid getreden. De derde voorlopige aanslag had namelijk uiterlijk op woensdag 2 mei 2018 moeten worden opgelegd, zodat de derde voorlopige aanslag tien dagen te laat is opgelegd.
Meer subsidiair: de Belastingdienst heeft ten onrechte belastingrente in rekening gebracht, omdat daarmee in strijd is gehandeld met Artikel 5:42 A WB
In artikel 5:42, lid 2 AWB is bepaald dat een bestuurlijke boete vervalt indien de belastingplichtige is overleden. In de brief van 5 juli 2018 van het Ministerie van Financiën (kenmerk 2018-0000115754) is op bladzijde 3–4 het volgende vermeld:
‘Belastingrente over (een gedeelte van) een tijdvak waarin (een gedeelte van) het te betalen bedrag al onder de Belastingdienst verkeerde
In het onderzoek wordt vervolgens ingegaan op situaties waarin de Belastingdienst belastingrente in rekening brengt over een (gedeelte van) een tijdvak waarin een (gedeelte van) het te betalen bedrag al onder de Belastingdienst verkeerde. Hierbij houdt de Belastingdienst dus geen rekening met geld dat al in haar bezit was. Aan de hand van voorbeelden wordt een aantal van deze situaties beschreven. Dat deze situaties bij belastingplichtigen gevoelens van onredelijkheid oproepen, kan ik goed begrijpen. Kenmerkend aan de beschreven situaties is echter steeds dat de belastingplichtige op enig moment in verzuim is geweest, hetgeen een legitimering is voor het in rekening brengen van belastingrente. Dat de situaties zich kunnen voordoen is dus een gevolg van de aansluiting bij de verzuimgedachte. Daarin is met name van belang of sprake is van een verzuim en speelt het behalen van economisch voor of nadeel geen bepalende rol. De situaties zijn dus in lijn met de uitgangspunten van de regeling belastingrente. ’
Het in rekening brengen van belastingrente over de periode dat het geld bij de Belastingdienst op de bankrekening stond, wordt door het Ministerie van Financiën gelegitimeerd met de opmerking dat kenmerkend voor de beschreven situaties is dat de belastingplichtige op enig moment in verzuim is geweest. Als sanctie voor dit verzuim wordt vervolgens aan de belastingplichtige belastingrente in rekening gebracht. Aan belastingplichtige is belastingrente in rekening gebracht over een periode dat het bedrag van € 446.243 reeds op de bankrekening van de Belastingdienst stond, namelijk over de periode tot en met 2 februari 2018. Zoals in de brief van het Ministerie van Financiën is vermeld, betreft dit een sanctie op het verzuim, zodat deze belastingrente kan worden gekwalificeerd als een verzuimboete. Door het overlijden van [A] op […] 2019 dient op grond van artikel 5:42, lid 2 AWB de belastingrente over de periode dat het geld op de bankrekening van de Belastingdienst stond (de periode van 6 december 2016 tot en met 2 februari 2018), te vervallen. Op grond hiervan dient de in rekening gebrachte belastingrente te worden verminderd tot: 3.757/450.000 × € 14.850 = € 124.
Dat sprake is van een sanctie met een bestraffend, repressief element, wordt tevens bevestigd door S.A. Verhage en R.M. Bos-Schepers in WFR 2017/213:
‘Bij de verzuimgedachte wordt de koppeling gemaakt met een verzuim en functioneert de berekening van rente als ‘sanctie ’ voor het geleden verzuim. Er kan niet worden ontkend dat rente binnen de verzuimgedachte in ieder geval ook een bestraffend, repressief element heeft; een maatregel die tot doel heeft het gepleegde onrecht bij de dader te doen voelen en zich richt op het voorkomen van herhaling. Uit de parlementaire geschiedenis volgt duidelijk de koppeling met het geleden verzuim en wordt meerdere malen herhaald dat de belastingplichtige zelf kan voorkomen dat hij met ongewenste rentegevolgen wordt geconfronteerd. (…) Zoals beschreven in onderdeel 2.2, kent de rente binnen de verzuimgedachte een bestraffend, repressiefelement. Ten aanzien van het te bestrijden verzuim zijn in de wet reeds diverse sancties opgenomen om ongewenst gedrag te voorkomen, bijvoorbeeld een verzuimboete voor het te laat doen van aangifte, een dwangsom voor niet tijdig beslissen door de inspecteur en een schadevergoeding of vermindering van boete bij overschrijding van de redelijke termijn. De samenloop van rente binnen de verzuimgedachte en deze bestaande sancties zouden op elkaar moeten worden afgestemd, met name wanneer sprake is van bestraffende elementen bij deze sancties.’
Hof 's‑Gravenhage heeft rechtens onjuist geoordeeld dat geen sprake is geweest van een boete. Uit het hiervoor weergegeven citaat blijkt duidelijk dat het behalen van economisch voordeel of nadeel geen bepalende rol speelt:
‘(dat) bepaalde situaties bij belastingplichtigen gevoelens van onredelijkheid kunnen oproepen, kan ik goed begrijpen. (…) Dat de situaties zich kunnen voordoen is dus een gevolg van de aansluiting bij de verzuimgedachte. ’
De Staatssecretaris heeft zelf aangegeven te begrijpen dat het in sommige situaties door belastingplichtigen als onredelijk wordt ervaren dat er belastingrente in rekening wordt gebracht, met name in de situaties dat het geld reeds op de bankrekening van de Belastingdienst stond en over genoemde periode (alsnog) belastingrente in rekening wordt gebracht. Dit wordt vervolgens door de Staatssecretaris zelf onderbouwd door aansluiting te zoeken bij de verzuimgedachte, waarmee feitelijk wordt aangegeven dat belastingplichtige in die situaties wordt gestraft voor het door hem gepleegde verzuim. Naar de mening van belastingplichtige is het toebrengen van financieel nadeel in relatie tot het sanctioneren van een verzuim materieel gelijk aan het opleggen van een boete. Het in rekening brengen van belastingrente over de periode dat het geld op de bankrekening van de Belastingdienst stond, wordt door de belastingplichtige als een straf ervaren, hetgeen gezien het hiervoor weergegeven citaat ook door de Staatssecretaris als zodanig is bedoeld. Het is voor belastingplichtige derhalve onbegrijpelijk dat Hof 's‑Gravenhage heeft geoordeeld dat geen sprake is van een boete, terwijl de Staatssecretaris zelf heeft aangegeven dat het in rekening brengen van belastingrente over een periode dat het geld op de bankrekening van de Belastingdienst stond, als ‘straf op een verzuim is bedoeld. Opnieuw ontbreekt naar de mening van belastingplichtige een deugdelijke motivering aan het oordeel van Hof 's‑Gravenhage.
Meer subsidiair: door het te veel in rekening brengen van € 14.726 aan belastingrente, is sprake van een individuele en buitensporige last voor belastingplichtige, zodat het in rekening brengen van € 14.726 aan belastingrente in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM
Meer subsidiair is bij belastingplichtige sprake van strijdigheid met artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM: het te veel in rekening brengen van een bedrag van € 14.726 aan belastingrente is voor belastingplichtige gezien zijn inkomen en vermogen een buitensporige last. In verband met de zeer hoge schuld van belastingplichtige aan zijn BV (een bedrag van € 6.221.586) is de vaststellingsovereenkomst met de Belastingdienst gesloten. De schuld aan de BV is mede door deze vaststellingsovereenkomst inmiddels verminderd tot € 1.396.605 per 31 december 2018 (zie bijlage 4 bij de conclusie van dupliek), terwijl de bezittingen van belastingplichtige grotendeels bestaan uit een appartement te [Q] (waarde circa € 300.000), de aandelen [D] BV (waarde: € 1 — de vennootschap heeft een negatief eigen vermogen) en een (incourante) verzameling schilderijen (geschatte waarde circa € 500.000), terwijl de opbrengst van het appartement volledig moet worden aangewend als aflossing op de schuld aan de BV en de opbrengst van de schilderijen (reeds meer dan vijfjaar worden deze schilderijen via [E] te [R] te koop aangeboden, maar er zijn tot op heden uitsluitend de meer courante schilderijen verkocht) voor 80% moet worden aangewend ter aflossing van voornoemde schuld. Over de schuld aan de BV ter grootte van € 1.396.605 dient jaarlijks onder andere de rente over deze schuld aan de BV te worden betaald. De teveel in rekening gebrachte belastingrente vormt gezien de negatieve vermogenspositie en het beperkte netto besteedbaar inkomen van belastingplichtige (thans is het netto besteedbaar inkomen van [F], de weduwe van belastingplichtige, gelijk aan circa € 2.000 per maand) een individuele en buitensporige last in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM. Reeds gezien het feit dat de Belastingdienst in 2016 bereid is geweest om ermee in te stemmen dat over een dividenduitkering van € 2,2 miljoen geen aanmerkelijk belang heffing behoefde te worden betaald, blijkt dat ook de Belastingdienst van mening is dat belastingplichtige gezien zijn volstrekt ontoereikende inkomens- en vermogenspositie niet in staat was en nog steeds niet is om de schuld aan de BV te voldoen, zodat de teveel in rekening gebrachte belastingrente voor belastingplichtige een individuele en buitensporige last is.
Hof 's‑Gravenhage heeft in onderdeel 9.2 ten onrechte geoordeeld dat belastingplichtige beschikte over een schuldenvrije woning in Duitsland. Weliswaar is de woning vrij van een bancaire financiering, maar in onderdeel 3.b van de vaststellingsovereenkomst is bepaald dat op het appartement […] te [Q] een hypotheek wordt gevestigd ten behoeve van [B] B.V., waardoor de verkoopopbrengst volledig toekomt aan [B] B.V. als ten tijde van de verkoop van het appartement de lening bij [B] B.V. hoger is dan de verkoopopbrengst van het appartement. Hof 's‑ Gravenhage heeft rechtens onjuist geoordeeld dat sprake is van een schuldenvrije woning in Duitsland, zodat de conclusie van het Gerechtshof niet meer wordt gedragen door deze onjuiste motivering. Afgerond 70% van de door het Hof genoemde bezittingen staan niet ter vrije beschikking van belastingplichtige (de waarde van het appartement was destijds gelijk aan circa € 300.000). Bovendien is het voor belastingplichtige onbegrijpelijk dat Hof 's‑Gravenhage blijkbaar geen rekening heeft gehouden met de schuld van belastingplichtige aan [B] B.V. ter grootte van € 1.396.605 per 31 december 2018. Deze schuld wordt in onderdeel 9.2 niet door het Gerechtshof vermeld, terwijl juist deze schuld en de rente- en aflossingsverplichtingen met betrekking tot deze schuld (in de vaststellingovereenkomst is bijvoorbeeld bepaald dat ieder jaar voor 21 december de verschuldigde rente over deze schuld daadwerkelijk aan de BV moet worden betaald en niet mag worden schuldig gebleven) ertoe leidt dat sprake is van een individuele en buitensporige last voor belastingplichtige. Ook hierdoor is sprake van een ondeugdelijke motivering, hetgeen rechtens onjuist is.
Periode waarover belastingrente in rekening kan worden gebracht
Rechtbank 's‑Gravenhage heeft beslist dat de Belastingdienst de belastingrente dient te berekenen over het verschil tussen het bij de eerste en de derde voorlopige aanslag vastgestelde bedrag aan te betalen belasting, zijnde een bedrag van € 3.757. In de uitspraak is niet ondubbelzinnig aangegeven over welke periode de belastingrente dient te worden berekend. In r.o. 12 heeft de Rechtbank weergegeven dat de Belastingdienst als verweerder heeft verklaard dat de in rekening gebrachte rente eerder te laag dan te hoog is vastgesteld, omdat naar de mening van de Belastingdienst de rente had moeten worden berekend over de periode 1 juli 2017 tot en met 23 juni 2018. Naar de mening van belastingplichtige is dit niet juist. Uit het aanslagbiljet blijkt dat de termijn waarover belastingrente is berekend, is geëindigd op 26 april 2018. Dit is in overeenstemming met het beleid van de Belastingdienst dat er over een periode van drie maanden om de aanslag op te leggen en zes weken voor de betaaltermijn van die aanslag, zijnde in totaal 19 weken, belastingrente in rekening wordt gebracht en dit is tevens in lijn met artikel 30fb, vierde lid, tweede volzin AWR. De aangifte is ingediend op 15 december 2017. Op grond van artikel 30fb, vierde lid, tweede volzin AWR, is bepaald dat vervolgens over een periode eindigend tot maximaal 19 weken na de indiening van de aangifte, belastingrente in rekening mag worden gebracht. Dit betekent dat de periode waarover rente in rekening mag worden gebracht, is geëindigd op 26 april 2018. De Belastingdienst heeft niet ontkend dat de datum van 26 april 2018 exact 19 weken is gelegen na de indiening van de aangifte. De aanvulling op de aangifte is niet van invloed op deze termijn. In artikel 30fb, vierde lid, tweede volzin AWR is immers niet vermeld, dat bij een aanvulling op de aangifte, de termijn van 19 weken zou worden verlengd tot 19 weken na het indienen van een aanvulling op de aangifte. De datum van de indiening van de eerste aangifte is namelijk doorslaggevend. Indien het de bedoeling van de wetgever was geweest dat de datum van de indiening van een herziene aangifte doorslaggevend zou zijn geweest, dan had de wetgever dat in de wettekst moeten vermelden. Hof 's‑Gravenhage geeft aan artikel 30fb, vierde lid, tweede volzin AWR een uitleg die niet strookt met de grammaticale interpretatie van de wettekst, zodat reeds om die reden de uitleg van het Hof niet juist kan zijn. Bovendien blijkt uit de aanslagregeling onomstotelijk dat de Belastingdienst zelf het tijdstip van het indienen van de aangifte op 15 december 2017 als uitgangspunt heeft genomen voor de aanvang van de 19-weken periode. De Belastingdienst heeft zonder enige onderbouwing aangevoerd dat op basis van de wettelijke regeling over een te korte periode belastingrente in rekening is gebracht. In de wettekst is nergens vermeld dat het tijdstip van het indienen van een aanvulling op de aangifte als aanvangstijdstip van de 19-weken periode geldt. Ook in de software van de Belastingdienst is dit blijkbaar niet in de software geprogrammeerd, hetgeen blijkt uit de opgelegde voorlopige aanslag en de hoogte van de in rekening gebrachte belastingrente. Het is rechtens onjuist en voor belastingplichtige onbegrijpelijk dat Hof 's‑Gravenhage zonder deugdelijke motivering een door de software van de Belastingdienst berekende hoogte van de belastingrente welke bovendien is gefundeerd op de (letterlijke) wettekst van artikel 30fb, vierde lid, tweede volzin AWR als onjuist kwalificeert door te concluderen dat de belastingrente eerder te laag dan te hoog is vastgesteld. Iedere onderbouwing waaruit blijkt dat sprake is geweest van een computerstoring of vergissing van de software zijdens de Belastingdienst ontbreekt, zodat de argumentatie van Hof 's‑Gravenhage naar de mening van belastingplichtige als ondeugdelijk en daardoor rechtens onjuist dient te worden gekwalificeerd. Op 14 augustus 2020 is namens belastingplichtige verzocht om opheldering over de periode van het in rekening brengen van belastingrente. Zie bijlage D. Op 4 september 2020 heeft de Belastingdienst op dit verzoek gereageerd. Zie bijlage E. Uit de reactie blijkt dat de Belastingdienst dit verzoek niet wil beantwoorden, hetgeen te meer erop wijst dat het rechtens juist is geweest dat de periode waarover belastingrente in rekening kon worden gebracht, is geëindigd op 26 april 2018. Het is bovendien zeer onwaarschijnlijk dat zowel in de derde voorlopige aanslag van de in bijlage A genoemde belastingplichtige als in de derde voorlopige aanslag ten name van belastingplichtige door een softwarefout een verkeerd bedrag aan belastingrente zou zijn berekend. Het is voor belastingplichtige onbegrijpelijk dat Hof 's‑Gravenhage hieraan zo gemakkelijk is voorbij gegaan en daarmee de procesbelangen van belastingplichtige ernstig heeft geschaad.
Op grond van het vorenstaande heeft de Belastingdienst terecht over de periode tot en met 26 april 2018 belastingrente in rekening gebracht met betrekking tot het bij te betalen bedrag ad € 3.757. Het andersluidende oordeel van Hof 's‑Gravenhage is rechtens onjuist geweest.
Ontbreken van rechtvaardigingsgrond
Ten slotte is het voor de weduwe van belastingplichtige onbegrijpelijk dat het in rekening brengen van belastingrente over een periode dat het geld op de bankrekening van de belastingdienst heeft gestaan, door vrijwel iedereen als onredelijk wordt gekwalificeerd en tevens wordt opgemerkt dat dit nooit de bedoeling kan zijn geweest van de wetgever, maar dat desondanks bij het opleggen van de derde voorlopige aanslag ten name van belastingplichtige belastingrente in rekening is gebracht over een periode dat het geld op de bankrekening van de belastingdienst stond. Ik mag u uw Raad onder andere verwijzen naar de volgende citaten.
‘Ik kan mij goed voorstellen dat er belastingplichtigen zijn die de regeling belastingrente onrechtvaardig vinden.’'
(Antwoord 4 van de Brief van de Staatssecretaris d.d. 7 juni 2017, V-N 2017/32.7).
‘In V-N 2016/23 viel mijn oog op nr. 1.5 dat een zaak over belastingrente betreft, een onderwerp waarbij ik enige vorm van irritatie zelden kan onderdrukken. Maar na lezing van deze uitspraak ging mijn irritatie over in verontwaardiging. Zo onrechtvaardig kon het fiscale recht toch niet zijn? (…) Deze uitspraak legt genadeloos de onevenwichtigheid in de regeling van de belastingrente bloot. Er wordt wel belastingrente in rekening gebracht door de fiscus, maar zelden tot nooit (meer) uitbetaald. De angst voor het zogenoemde sparen bij defiscus heeft zulke grote vormen aangenomen dat in individuele gevallen de redelijkheid en rechtvaardigheid uit het zicht is verdwenen. Onderhavige zaak illustreert dat. Bij de rechter vindt men in dit soort situaties weinig gehoor, zo blijkt. Die moet nu eenmaal de wet toepassen, zoals het parlement die tot stand heeft gebracht. En daarbij mag de rechter ook niet de innerlijke waarde of billijkheid van de wet beoordelen. Daarom roep ik de Tweede Kamer op om over deze zaak de Staatssecretaris van Financiën te bevragen. Laat de staatssecretaris voor het oog van de camera 's en de dagbladpers nog maar eens uitleggen waarom dit ‘systeem ’ van de belastingrente zo rechtvaardig is. En hopelijk is de verontwaardiging van de Kamerleden dan net zo groot als de mijne. Want alleen het parlement is in staat om dit evident onrechtvaardige ‘systeem ’ te veranderen. Ik hoop het van ganser harte.’
(E.J.W. Heithuis in zijn column, V-N 2016/31.0).
‘Dit roept wel de vraag op of de regeling niet te stringent is vormgegeven. Met Verhage & Bos-Schepers ben ik van mening dat het antwoord op deze vraag bevestigend dient te luiden. Zoals ik in deze bijdrage heb betoogd vind ik het nogal kort door de bocht dat bij afwijking van de aangifte onverkort belastingrente in rekening wordt gebracht tot de vervaldatum van de aanslag, ongeacht hoe lang de inspecteur erover heeft gedaan om die aanslag vast te stellen. En dat bij afwijking van de aangifte nooit belastingrente wordt vergoed, ook al is slechts sprake van een (verhoudingsgewijs) kleine correctie, vind ik evenmin goed uit te leggen. De belastingrenteregeling krijgt daarmee mijn inziens toch wat trekjes van een sanctie-instrument. Evenals onder de heffingsrenteregeling het geval was, vermoed ik dat de Hoge Raad bereid zal zijn om met toepassing van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur de scherpe kantjes van de regeling afte slijpen. Maar ik blijferbij dat de wetgever zorgvuldiger te werk had kunnen gaan. (…) De onvrede over de vormgeving van de belastingrenteregeling begint overigens (eindelijk) ook door te dringen tot de politiek. Zo heeft het Tweede Kamerlid De Vries (WD) vragen gesteld over de discrepantie tussen het betalen en vergoeden van belastingrente aan de Staatssecretaris van Financiën. Ook is een motie aanvaard bij het Belastingplan 2018, waarin de regering wordt opgeroepen te onderzoeken of de belastingrenteregeling redelijk, billijk en rechtvaardig is en om eventuele wenselijke aanpassingen op te nemen in het Belastingplan 2019.’
(E.P. Hageman in TFO 2017/154.2).
‘Het kan voorkomen dat belastingrente wordt berekend over een periode dat de Belastingdienst de beschikking had over het geld. De Belastingdienst heeft dan geen rentenadeel en het zou reëel zijn de in rekening gebrachte rente te verminderen, aldus de Belastingdienst. ‘… en in het licht van doel en strekking van de belastingrenteregeling kunnen we uitgaan van de lijn dat we geen rente berekenen over de periode dat het geld al bij de fiscus was’.’
(https://www.rijksoverheid.nl/documenten/WOB-verzoeken/2017/03/06/besluit-na-WOBverzoek-inzake-heffingsrentebelastingrente-en-invorderingsrente — vermeld in WFR 2017/213).
‘De onevenwichtigheid van de invulling van de verzuimvraag komt goed tot uiting in zogenoemde jojo-gevallen. Van een jojo-geval is bijvoorbeeld sprake in de volgende situatie. Naar aanleiding van een tijdig ingediende aangifte of een verzoek om een voorlopige aanslag wordt een voorlopige aanslag (stel 100) opgelegd voor de aanvang van het belastingrentetijdvak. Deze voorlopige aanslag wordt vervolgens verlaagd (stel naar 70; hetgeen leidt tot een teruggaaf zonder vergoeding van belastingrente) waarna enige tijd later de aanslag weer wordt verhoogd (stel naar 100) vergelijkbaar met de allereerste opgelegde aanslag waarbij over de gehele wettelijke periode belastingrente in rekening wordt gebracht, terwijl de Belastingdienst over een groot deel van die periode reeds over het belastinggeld heeft kunnen beschikken.
Reeds voor de aanvang van het belastingrentetijdvak is een voorlopige aanslag opgelegd hetgeen onderschrijft dat de belastingplichtige niet in verzuim is geweest. Bij het opleggen van de laatste voorlopige aanslag wordt over de gehele wettelijke periode belastingrente in rekening gebracht terwijl tot aan het moment van de verlaging van de voorlopige aanslag de belastingplichtige niet in verzuim was. Tot dat moment is door het tijdig verzoeken om een voorlopige aanslag een redelijke benadering van het belastbare inkomen gemaakt en is conform het verzoek een voorlopige aanslag opgelegd. Het schiet naar onze mening vanuit een verzuimperspectiefdoel en strekking voorbij om over de gehele wettelijke periode belastingrente in rekening te brengen. Immers, dit zou inhouden dat enkel belastingrente in rekening gebracht wordt indien sprake is van een verzuim en daarvan is tot en met het moment van de verlaging van de aanslag in elk geval geen sprake. Volledigheidshalve merken wij op dat het in rekening brengen van belastingrente over de gehele wettelijke periode ook niet past binnen de compensatiegedachte. Immers, tot aan het moment van de verlaging van de aanslag heeft de Belastingdienst gewoon over het geld kunnen beschikken.’
(S.A. Verhage en R.M. Bos-Schepers in WFR 2017/213).
‘Daarom meen ik dat op grond van redelijke wetstoepassing de heffing van belastingrente in de zaak van belanghebbenden achterwege moet blijven.’
(Conclusie van A-G Niessen in zaaknummer 20/01266). Uw Raad heeft laatstgenoemde conclusie in uw uitspraak d.d. 13 november 2020 niet gevolgd, omdat de aangevoerde middelen tot uitgangspunt namen dat sprake was van een vereenzelviging van de echtgenoot en de erfgenamen:
‘Deze wettelijke bepalingen laten niet toe om bij de berekening van ter zake van een belastingaanslag verschuldigde belastingrente acht te slaan op een recht op vermindering uit hoofde van een andere belastingaanslag of een andere beschikking met betrekking tot een andere belastingplicht. Dat geldt ook in een geval als dit, waarin de vermindering en de navordering rechtstreeks met elkaar samenhangen.’
In de onderhavige zaak zien de vermindering van de tweede voorlopige aanslag en het opleggen van de derde voorlopige aanslag echter wel op dezelfde belastingplichtige.
‘Uit het bovenstaande volgt dat de nieuwe renteregeling zoals deze per 1 januari 2013 van toepassing is, de toets van het Unierecht niet (volledig) kan doorstaan. Het Unierecht gebiedt niet alleen tot teruggave van in strijd met dat recht geheven belastingen, maar in het kielzog daarvan ook tot betaling van een passende rentevergoeding. De huidige renteregeling leidt niet altijd tot een passende vergoeding en is dus in strijd met het Unierecht. Dit zal de komende tijd dan ook ongetwijfeld onderwerp gaan vormen van menige procedure. Als de rechter vaststelt dat de nieuwe renteregeling inderdaad strijdig is met Unierecht, rijst de vraag hoe de wetgever dit kan repareren. Een mogelijke oplossing zou zijn om in EU-situaties wel tot vergoeding van belastingen invorderingsrente over te gaan. Dat zou wel betekenen dat belanghebbenden in puur nationale gevallen slechter afzijn dan in Unierechtelijke situaties. Het is naar mijn mening dan ook beter om in alle gevallen waarin een belanghebbende recht heeft op terugbetaling van onterecht geheven belastingen over te gaan tot een passende rentevergoeding vanaf het moment waarop de belasting betaald is.’
(J.A.R. van Eijsden in WFR 2013/302).
Gezien het vorenstaande behoort naar de mening van belastingplichtige op grond van een teleologische interpretatie van de wet in verband met de beoogde toepassing van de verzuimgedachte, respectievelijk een redelijke wetstoepassing en het ontbreken van een rechtvaardigingsgrond op grond waarvan belastingrente in rekening wordt gebracht over de periode gedurende welke het bedrag van € 450.000 op de bankrekening van de belastingdienst heeft gestaan, de beschikking belastingrente met € 14.726 te worden verminderd. Mocht belastingplichtige naar de mening van uw Raad wel belastingrente verschuldigd zijn, dan dient de belastingrente te worden gematigd tot een periode van maximaal 33 dagen (2 februari 2018 tot en met 7 maart 2018, de datum waarop belastingplichtige heeft aangeboden het bedrag over te maken aan de Belastingdienst), hetgeen leidt tot een bedrag van € 1.650 aan belastingrente (33/360 × 4% ×€ 450.000).
Conclusie
Op grond van hetgeen hiervoor is weergegeven, is belastingplichtige van mening dat de uitspraak van Hof 's‑Gravenhage rechtens onjuist is, respectievelijk Hof 's‑Gravenhage een onjuiste waardering en weging van het bewijs heeft gegeven, waardoor de uitspraak onjuist is gemotiveerd. Bovendien heeft Hof 's‑Gravenhage de bewijslast met betrekking tot enkele zaken ten onrechte bij belastingplichtige gelegd. Ten slotte ontbreekt aan de beschikking belastingrente een rechtvaardigingsgrond en is de onderhavige beschikking belastingrente in strijd met de teleologische interpretatiemethode van de wet. Dit volgt onder andere uit het navolgende.
De conclusie van Hof 's‑Gravenhage dat de Belastingdienst niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel heeft gehandeld is rechtens en feitelijk onjuist, respectievelijk niet dan wel onvoldoende gemotiveerd. Ten onrechte is voor de zeer summiere onderbouwing uitsluitend verwezen naar het arrest van uw Raad d.d. 25 februari 2011. Het is voor belastingplichtige onbegrijpelijk dat de deugdelijke motivering en het begrijpelijke oordeel van de Rechtbank zonder enige nadere onderbouwing terzijde is gesteld. Hof 's‑Gravenhage heeft geen of onvoldoende rekening gehouden met de omstandigheid dat voorafgaande aan de aanslagregeling een vaststellingsovereenkomst is gesloten. Bovendien heeft Hof 's‑Gravenhage geen invulling gegeven aan de conclusie van uw Raad in voornoemd arrest dat onder omstandigheden ‘geen belastingrente in rekening mag worden gebracht, dan wel de belastingrente dient te worden gematigdTijdens de zitting heeft het Gerechtshof opgemerkt dat het in de onderhavige situatie toch wel zeer cru is, dat er zo'n hoog bedrag aan belastingrente in rekening is gebracht, hetgeen impliceert dat er alle reden voor is om geen belastingrente in rekening te brengen, dan wel de belastingrente te matigen.
Hof 's‑Gravenhage heeft ten onrechte geoordeeld dat op 8 december 2017 het beleid is ingetrokken om over geld dat op de bankrekening van de belastingdienst heeft gestaan, geen belastingrente in rekening te brengen. Volgens de Staatssecretaris is nooit sprake geweest van beleid, zodat dit beleid ook niet kan zijn ingetrokken. Het staat echter onomstotelijk vast dat de belastingdienst in vergelijkbare situaties bij het opleggen van voorlopige aanslagen met betrekking tot het jaar 2016 zoals bij belastingplichtige, geen belastingrente in rekening heeft gebracht over de periode dat het geld op de bankrekening van de belastingdienst stond.
Hof 's‑Gravenhage heeft ten onrechte aan het intrekken van het beleid terugwerkende kracht toegekend, waardoor het rechtszekerheidsbeginsel is geschonden. Indien wel sprake is geweest van het intrekken van een beleidsregel, dan dient de ingetrokken beleidsregel te worden toegepast tot het moment van intrekken, zijnde 8 december 2017. Daar het bedrag van €450.000 vanaf 6 december 2016 tot 2 februari 2018 op de bankrekening van de belastingdienst heeft gestaan, dient met betrekking tot het bedrag van € 450.000 bij het opleggen van de derde voorlopige aanslag ten name van belastingplichtige geen belastingrente in rekening te worden gebracht. Er is belastingrente in rekening gebracht over een periode waarop het bedrag van € 450.000 op de bankrekening van de Belastingdienst stond, over welke periode vóór het intrekken van de beleidsregel geen rente in rekening zou zijn gebracht, zodat over de periode die is aangevangen voor het intrekken van de beleidsregel door de Belastingdienst op grond van het rechtszekerheidsbeginsel geen belastingrente in rekening had mogen worden gebracht. Hierdoor is sprake van een rechtens onjuist oordeel van Hof 's‑Gravenhage.
Hof 's‑Gravenhage heeft ten onrechte het compartimenteringsarrest d.d. 2 juli 1986 ( BNB 1986/305) niet toegepast. Op grond van dit arrest kan naar de mening van belastingplichtige over de periode tot en met 8 december 2017 geen belastingrente over het bedrag van € 450.000 in rekening worden gebracht.
Hof 's‑Gravenhage heeft een onjuiste bewijslastverdeling toegepast. Het is voor belastingplichtige niet mogelijk om aan te tonen dat er met betrekking tot de aanslagregeling van een andere belastingplichtige geen bijzondere afspraken zijn gemaakt. Zoals in het strafrecht geldt dat iemand wordt geacht onschuldig te zijn, totdat het tegendeel is bewezen, geldt dat een aanslag wordt geacht te zijn opgelegd zonder dat er bijzondere afspraken zijn gemaakt, tenzij het tegendeel is bewezen. De bewijslast daarvan ligt vanzelfsprekend bij de Belastingdienst en niet bij belastingplichtige. Desondanks blijkt het voor de Belastingdienst niet mogelijk om haar stelling te onderbouwen dat zowel bij de in bijlage A opgenomen derde voorlopige aanslag van de andere belastingplichtige en de onderhavige derde voorlopige aanslag ten name van belastingplichtige een onjuist bedrag aan belastingrente zou zijn berekend. Hoewel de Belastingdienst niet weet en niet kan verklaren waarop de berekening is gebaseerd, beweert de Belastingdienst wel dat de berekening onjuist is. Dit komt naar de mening van belastingplichtige ongeloofwaardig over en is vermoedelijk een doelredenering. Het is voor belastingplichtige onbegrijpelijk dat Hof 's‑Gravenhage geloof hecht aan een doelredenering, terwijl een Gerechtshof haar oordeel dient te baseren op een objectieve en controleerbare onderbouwing van de zijde van de Belastingdienst. Hierdoor is de rechtspositie van belastingplichtige ernstig geschaad. Dit is in strijd met een goede procesorde.
De Belastingdienst is ten onrechte niet tegemoet gekomen aan het ingediende verzoek om het opleggen van een voorlopige aanslag. Dit verzoek had op grond van artikel 30fb, vierde lid, tweede volzin binnen acht weken moeten worden gehonoreerd. De derde voorlopige aanslag is tien dagen te laat opgelegd. Ten onrechte heeft Hof 's‑Gravenhage het ingediende verzoek om het opleggen van een derde voorlopige aanslagen in haar oordeel genegeerd, c.q. niet in haar overwegingen meegenomen. Mede als gevolg hiervan komt Hof 's‑Gravenhage tot een onjuist oordeel met betrekking tot het tijdstip waarop de termijn voor het in rekening brengen van belastingrente bij het opleggen van de derde voorlopige aanslag zou zijn geëindigd.
Hof 's‑Gravenhage heeft niet dan wel onvoldoende gemotiveerd dat het in rekening brengen van belastingrente over een periode dat het bedrag van € 450.000 op de bankrekening van de belastingdienst stond, niet gelijk kan worden gesteld met een boete. De Staatssecretaris heeft zelf aangegeven dat het in rekening brengen van belastingrente het karakter van een sanctie heeft, en ook in de vakliteratuur wordt verdedigd dat het in rekening brengen van belastingrente in dergelijke situaties ‘een bestraffend, repressiefelement’ heeft. Het afwijzen van het door belastingplichtige aangevoerde argument dat in verband met diens overlijden op grond van artikel 5:42 AWB geen belastingrente over het bedrag van € 450.000 in rekening mag worden gebracht, is derhalve niet, dan wel onvoldoende en ondeugdelijk gemotiveerd.
Ten onrechte heeft Hof 's‑Gravenhage bij de beoordeling of sprake is geweest van een buitensporige last, haar oordeel gemotiveerd door aan te geven dat de bezittingen onder andere bestaan uit een schuldenvrij appartement. In de vaststellingsovereenkomst, welke tot de processtukken behoort, is vermeld dat er een recht van hypotheek moet worden gevestigd op dit appartement ten gunste van [B] B.V., zodat de verkoopopbrengst voor 100% zal worden aangewend ter aflossing van de schuld aan de BV ter grootte van € 1.396.605 per 31 december 2018. Voomoemde overweging van het Gerechtshof dat sprake is van een schuldenvrij appartement is in het licht van de vaststellingsovereenkomst onbegrijpelijk. Bovendien heeft het Gerechtshof ten onrechte de hiervoor genoemde schuld van belastingplichtige aan [B] B.V. en de daaraan gekoppelde rente- en aflossingsverplichtingen niet meegenomen in de beoordeling of sprake is geweest van een individuele en buitensporige last. Dit is voor belastingplichtige onbegrijpelijk en leidt ertoe dat met betrekking tot de vraag of sprake is geweest van een individuele en buitensporige last het oordeel van Hof 's‑Gravenhage rechtens onjuist, dan wel niet of onvoldoende is gemotiveerd.
- —
Het oordeel van Hof 's‑Gravenhage dat eerder te weinig dan te veel belastingrente in rekening is gebracht, is onbegrijpelijk. Op grond van de verwijzing naar artikel 30fb, vierde lid, tweede volzin AWR is immers terecht over de periode 15 december 2017 tot en met 26 april 2018 belastingrente in rekening gebracht. De aangifte inkomstenbelasting is immers op 15 december 2017 ingediend. Een grammaticale interpretatie van de wettekst biedt geen ruimte om deze datum te verlengen tot het tijdstip van het indienen van de herziene aangifte. Ook in de software van de Belastingdienst is niet in geprogrammeerd dat de datum van het indienen van een herziene aangifte leidt tot het wijzigen van dit tijdstip, hetgeen blijkt uit de werkwijze van de Belastingdienst. De Belastingdienst heeft geen deugdelijke argumenten aangevoerd waaruit zou blijken dat sprake is geweest van een computerfout, en desondanks heeft Hof 's‑Gravenhage geconcludeerd dat bij het opleggen van de beschikking belastingrente de wet onjuist is toegepast, hetgeen derhalve het gevolg moet zijn van softwarefouten. Ook hier is naar de mening van belastingplichtige sprake van een ondeugdelijke motivering. Bovendien is het naar de mening van belastingplichtige opvallend te noemen dat de Belastingdienst op 4 september 2020 afwijzend heeft gereageerd om inzage in de wijze waarop de belastingrente is berekend. Hierdoor ontstaat des te meer het gevoel dat de berekening van de belastingrente juist en in overeenstemming met de wet is geweest. Opnieuw worden de procesbelangen van belastingplichtige geschaad, doordat de belastingdienst weigert om inzage te verstrekken in haar werkwijze. Het is voor belastingplichtige onbegrijpelijk dat Hof 's‑Gravenhage niet nader en ondeugdelijk onderbouwde stellingen van de Belastingdienst, welke door belastingplichtige onder verwijzing naar het beleid van de Belastingdienst en artikel 30fb, vierde lid, tweede volzin AWR zijn weerlegd, heeft meegenomen in haar oordeel.
- —
Ten onrechte heeft Hof 's‑Gravenhage in onderdeel 10. geconcludeerd dat het niet onrechtvaardig is, en niet in strijd met de bedoeling van de wetgever, dat er over een periode dat het bedrag van € 450.000 op de bankrekening van de belastingdienst stond, belastingrente in rekening is gebracht (door het Gerechtshof samengevat in de term ‘medemenselijkheid’). Hof 's‑Gravenhage heeft haar uitspraak uitsluitend gebaseerd op een grammaticale interpretatie en daarbij ten onrechte geen rekening gehouden met de teleologische interpretatie van de wet. Zowel in de vakliteratuur, vanuit de wetenschap en door een Advocaat-Generaal is in de achterliggende jaren veel commentaar geleverd op het in rekening brengen van belastingrente over een periode dat het geld op de bankrekening van de Belastingdienst heeft gestaan. Aan de regeling ontbreekt naar hun mening een rechtvaardigingsgrond om belastingrente in rekening te brengen over een periode dat het geld op de bankrekening van de Belastingdienst stond. Zelfs de Staatssecretaris en de Belastingdienst hebben bevestigd dat zij kunnen begrijpen dat belastingplichtigen de regeling belastingrente onrechtvaardig vinden. Uw Raad heeft meerdere keren bevestigd dat er in sommige gevallen goede gronden kunnen zijn om hetzij geen belastingrente in rekening te brengen, hetzij de in rekening te brengen belastingrente te matigen. J.A.R. van Eijsden is zelfs van mening dat het in rekening brengen van belastingrente onder omstandigheden in strijd kan zijn met het EU-recht. Op grond van de verzuimgedachte, die is verankerd in de wetgeving omtrent belastingrente, de teleologische interpretatiemethode en een redelijke wetstoepassing dient de in rekening te brengen belastingrente te worden verminderd met de belastingrente over de periode tot en met 2 februari 2018, de datum waarop het bedrag van € 450.000 is teruggestort op de bankrekening van belastingplichtige.
Op grond van hetgeen hiervoor is weergegeven, is belastingplichtige van mening dat de uitspraak van Elof 's‑Gravenhage rechtens onjuist is, respectievelijk Hof 's‑Gravenhage een onjuiste waardering en weging van het bewijsmateriaal heeft gegeven, waardoor de uitspraak onjuist is gemotiveerd. Ik verzoek uw Raad derhalve de uitspraak van het Gerechtshof te vernietigen, en de zaak zelf af te doen en de beschikking belastingrente vast te stellen op een bedrag van € 124, zijnde de heffingsrente over uitsluitend het bedrag van € 3.757 — het verschil tussen het bij de eerste en de derde voorlopige aanslag vastgestelde bedrag aan te betalen belasting. Subsidiair verzoek ik uw Raad op grond van de toepassing van het compartimenteringsarrest de beschikking belastingrente vast te stellen op € 124. Meer subsidiair verzoek ik uw Raad in verband met het ontbreken van een rechtvaardigingsgrond alsmede op grond van de teleologische interpretatiemethode en een redelijke wetstoepassing de beschikking belastingrente vast te stellen op primair € 124 en subsidiair € 1.650.
Mocht uw Raad de zaak niet zelf af kunnen doen, dan verzoek ik u deze zaak te verwijzen om deze zaak met betrekking tot de hiervoor weergegeven punten opnieuw te beoordelen.
Kostenveroordeling
Ten slotte verzoek ik uw Raad de Belastingdienst Rotterdam te veroordelen in de proceskosten. Het betreft de door ondergetekende beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase en de beroepsprocedure, alsmede het betaalde griffierecht, de hoger beroepsprocedure, de procedure van incidenteel hoger beroep en voorts de door ondergetekende beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de onderhavige procedure in cassatie en het daarvoor betaalde griffierecht.
Uitspraak 27‑01‑2023
Inhoudsindicatie
Belastingrente. Art. 30fb, lid 4, AWR. Belastingrente over een periode waarin de Belastingdienst vanwege de betaling van een eerdere voorlopige aanslag al beschikte over het te betalen belastingbedrag.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 20/03178
Datum 27 januari 2023
ARREST
in de zaak van
de erfgenamen van [A], gewoond hebbende te [Z], (hierna: belanghebbenden)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van Gerechtshof Den Haag van 11 augustus 2020, nr. BK-19/005501., op het hoger beroep van de Inspecteur en het incidentele hoger beroep van belanghebbenden tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 18/8415) betreffende een ten aanzien van [A] gegeven beschikking inzake belastingrente.
1. Geding in cassatie
Belanghebbenden, vertegenwoordigd door J.J.H. Gortzak, hebben tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbenden hebben een conclusie van repliek ingediend.
2. Beoordeling van de klachten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Naar aanleiding van een boekenonderzoek in 2016 heeft [A] (hierna: de erflater) op 25 november 2016 een vaststellingsovereenkomst gesloten met de Inspecteur. De vaststellingsovereenkomst houdt onder meer in (i) dat de erflater in zijn aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor 2016 een inkomen uit aanmerkelijk belang van € 1.800.000 zal aangeven, (ii) dat de erflater de over dat inkomen verschuldigde inkomstenbelasting van € 450.000 binnen twee weken na de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst zal overmaken op de bankrekening van de Belastingdienst, en (iii) dat de Inspecteur zo spoedig mogelijk daarna een voorlopige aanslag ter grootte van € 450.000 zal opleggen.
2.1.2
Ter uitvoering van de vaststellingsovereenkomst heeft de erflater op 6 december 2016 € 450.000 overgemaakt op de bankrekening van de Belastingdienst.
2.1.3
De Inspecteur heeft op 7 januari 2017 een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2016 opgelegd (hierna: de eerste voorlopige aanslag). De verschuldigde belasting bedraagt € 450.000 en dit al betaalde bedrag is op het bedrag van de eerste voorlopige aanslag afgeboekt.
2.1.4
Op 15 december 2017 heeft de erflater zijn aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2016 ingediend. In die aangifte heeft hij het door hem betaalde bedrag van € 450.000 vermeld als te verrekenen dividendbelasting en niet als (te verrekenen) belastingbedrag van de voorlopige aanslag.
2.1.5
Naar aanleiding van de aangifte heeft de Inspecteur met dagtekening 2 februari 2018 een tweede voorlopige aanslag (hierna: de tweede voorlopige aanslag) opgelegd. Daarbij is het door de erflater betaalde bedrag van € 450.000 niet alleen in aanmerking genomen als te verrekenen bedrag van de voorlopige aanslag maar ook als te verrekenen dividendbelasting. Als gevolg hiervan leidde de tweede voorlopige aanslag tot een teruggaaf van € 446.243. Dit bedrag is op 2 februari 2018 aan de erflater uitbetaald.
2.1.6
Na ontvangst van de tweede voorlopige aanslag heeft de erflater op 7 maart 2018 telefonisch contact opgenomen met de Inspecteur. Naar aanleiding van dit gesprek heeft de erflater op diezelfde dag verzocht om een voorlopige aanslag van € 450.000 op te leggen en heeft hij een herziene aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2016 (hierna: de herziene aangifte) ingediend. De herziene aangifte is gelijkluidend aan de eerdere aangifte, met dien verstande dat daarin het bedrag van € 450.000 niet is vermeld als te verrekenen dividendbelasting maar alleen als een te verrekenen bedrag van de voorlopige aanslag.
2.1.7
Naar aanleiding van de herziene aangifte heeft de Inspecteur met dagtekening 12 mei 2018 een overeenkomstig die aangifte vastgestelde, derde voorlopige aanslag (hierna: de derde voorlopige aanslag) opgelegd, leidend tot een te betalen bedrag van € 450.000. Tezamen met de derde voorlopige aanslag is bij beschikking een bedrag van € 14.850 aan belastingrente in rekening gebracht.
2.2
Het Hof heeft geoordeeld dat de belastingrente terecht en tot het juiste bedrag in rekening is gebracht.
2.3.1
Voor het Hof heeft belanghebbende het standpunt ingenomen dat geen belastingrente mag worden berekend over de periode waarin de Belastingdienst vanwege de betaling van de eerste voorlopige aanslag al beschikte over het bedrag van € 450.000 waarover de belastingrente is berekend. De klachten houden onder meer in dat het Hof dit standpunt ten onrechte heeft verworpen.
2.3.2
De klachten slagen in zoverre op de gronden uiteengezet in de rechtsoverwegingen 3.2 tot en met 3.3.4 van het arrest van de Hoge Raad van 18 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1673.
2.4
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
2.5.1
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3.2 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
2.5.2
Met het oog op de nadere vaststelling van de verschuldigde belastingrente geldt het volgende. Met inachtneming van het hiervoor in 2.3.2 genoemde arrest moet (i) het bedrag van de belasting waarover die rente wordt berekend, worden beperkt tot € 446.243, en (ii) de periode waarover die rente wordt berekend, worden beperkt tot de periode 2 februari 2018 tot de bij de vaststelling van de belastingrentebeschikking gehanteerde einddatum. Anders dan de Inspecteur voor het Hof heeft betoogd, bestaat geen grond om alsnog uit te gaan van een latere einddatum. Deze beschikking heeft immers alleen betrekking op belastingrente over een periode die eindigt op die gehanteerde datum.
3. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding moet worden toegekend.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, behalve voor zover die uitspraak de vernietiging betreft van de beslissingen van de Rechtbank over de proceskosten en het griffierecht,
- verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbenden te vergoeden het griffierecht van € 131 dat belanghebbenden voor de behandeling van het beroep in cassatie hebben betaald, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbenden voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 3.348 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren E.F. Faase en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2023.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 27‑01‑2023