HR, 06-12-2022, nr. 22/02825 H
ECLI:NL:HR:2022:1828
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
06-12-2022
- Zaaknummer
22/02825 H
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2022:1828, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 06‑12‑2022; (Herziening)
Beroepschrift, Hoge Raad, 25‑07‑2022
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2022-0246
Uitspraak 06‑12‑2022
Inhoudsindicatie
Herziening. Bedreiging met zware mishandeling door met auto op aangever in te rijden (art. 285 Sr). Aangevoerd wordt dat ernstige vermoeden bestaat dat politierechter aanvraagster zou hebben vrijgesproken dan wel zou hebben ontslagen van alle rechtsvervolging, als hij bekend was geweest met bij aanvraag gevoegde rapport. V.zv. met aanvraag is beoogd rapport als nieuw deskundigeninzicht aan te merken, kan dat niet worden gevolgd omdat aanvraag niet is voorzien van in ECLI:NL:HR:2016:736 aangeduide informatie die benodigd is om inhoud van deskundigeninzicht en nieuwheid daarvan op waarde te kunnen schatten. Ook anderszins kan aan rapport niet een gegeven a.b.i. art. 457. 1.c Sv worden ontleend. Daarbij neemt HR in aanmerking dat conclusie van rapport in eerste plaats berust op stukken die zijn ontleend aan strafdossier. Conclusie houdt daarmee in zoverre niet meer in dan andere waardering van inhoud van stukken waarmee politierechter al bekend was. Daarnaast berust conclusie van rapport op interview van getuige door rapporteur. Enkele omstandigheid dat getuige in interview op onderdelen anders zou hebben verklaard dan in haar eerdere verklaring, leidt echter nog niet tot gevolgtrekking dat getuige op haar eerdere voor aangeefster belastende verklaring is teruggekomen en wekt alleen al daarom niet een ernstig vermoeden a.b.i. art. 457.1.c Sv (vgl. HR:1997:ZC9316). Verder is in rapport geopperde mogelijkheid dat aanvraagster aangever niet heeft gezien, te speculatief om tot herziening te kunnen leiden. Afwijzing aanvraag. Vervolg op 21/02500 (niet gepubliceerd; strafzaak, art. 80a RO).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02825 H
Datum 6 december 2022
ARREST
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 11 augustus 2020, nummer 15-054550-20, ingediend door V.C. van der Velde en D.M. Moes, beiden advocaat te Almere,
namens
[aanvraagster] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
hierna: de aanvraagster.
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de aanvraagster voor bedreiging met zware mishandeling veroordeeld tot een taakstraf van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis, waarvan dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. De aanvraag tot herziening
De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvraag
3.1
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, volgens artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) alleen dienen een met stukken onderbouwd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
3.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter houdt onder meer het volgende in:
“De politierechter sluit het onderzoek ter terechtzitting en doet direct mondeling uitspraak:
Ik acht het primaire feit wettig en overtuigend bewezen en dus dat verdachte opzettelijk is ingereden met haar auto op aangever die langsliep. Dat baseer ik op het volgende.
Uit dossier blijkt dat u flink boos bent op aangever, dat blijkt ook vandaag op zitting.
De aangifte van [aangever] , wordt ondersteund door de getuigenverklaring van [getuige] .
[getuige] verklaart dat de aangever moest wegspringen en dat hij werd aangetikt. Zij verklaart specifiek wanneer dit gebeurde, waarom zij daar reed en wat zij zag. Zij ziet een witte auto met getinte vrouw.
Ik zie geen aanknopingspunten in het dossier dat [getuige] niet eerlijk hierover zou hebben verklaard. Daarom denk ik dat de aangifte van [aangever] juist is.
Het inrijden met de auto op [aangever] betreft een bedreiging met zware mishandeling.
Er is sprake van opzet, want zo met auto op iemand inrijden leidt noodzakelijkerwijs tot vrees bij slachtoffer.”
3.3
De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een gegeven als bedoeld in artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv. In de aanvraag wordt aangevoerd dat het ernstige vermoeden bestaat dat de politierechter de aanvraagster zou hebben vrijgesproken dan wel zou hebben ontslagen van alle rechtsvervolging, als hij bekend was geweest met het bij de aanvraag gevoegde rapport dat door T.J. Dankers is opgemaakt.
3.4
Het onder 3.3 vermelde rapport houdt onder meer in:
“2. Ingekomen stukken
- Dagvaarding.pdf
- Werkkopie strafdossier.pdf (36 pagina’s)
- 20201001 [aanvraagster] - aantekening mondeling vonnis.pdf
3. Het onderzoek.
In het onderzoek staan de verklaringen van het slachtoffer [aangever] , de verklaring van de [getuige] en verdachte [aanvraagster] centraal.
Het doel van het onderzoek is om vast te stellen wat de omstandigheden zijn waaronder het vermeende delict heeft plaats gevonden. Daarvoor worden de verklaringen van alle partijen bestudeerd en de overeenkomsten en de inconsistenties gerapporteerd. Tevens is er op de plaats van het ongeval een schouw gehouden waarbij de omgeving is vastgelegd.
Tevens is er door mij een interview gehouden met [getuige] m.b.t. haar getuigenis omdat er een aantal zaken onduidelijk waren.
3.1.
Verklaringen.
- PV aangifte [aangever] d.d. 2 juli 2019.
- PV van bevindingen [getuige] d.d. 19 september 2019.
- PV van verhoor verdachte [aanvraagster] d.d. 31 januari 2020.
(...)
Uit de verklaringen blijken een aantal zaken die inconsistent met elkaar zijn en een aantal zaken die met elkaar overeenkomen.
(...)
3.2.
Schouw
Op dinsdag 30 maart ben ik naar het park gegaan om de omgeving te bekijken en vast te leggen.
(...)
3.3.
Interview
Omdat er op een aantal cruciale punten grote verschillen zitten in de verklaringen van [aangever] en [getuige] is besloten om haar nogmaals te vragen wat zij heeft gezien. De uitwerking hiervan wordt hierna weergegeven. (...)
3.4
Verklaring
De verklaringen van [getuige] wijken op bepaalde cruciale punten af van de eerder afgelegde verklaringen.
Als we de nieuwe verklaring bekijken in combinatie met alle eerdere verklaringen vallen een aantal inconsistenties op.
[aangever] | [getuige] | 30-3-2021 | |
Tijdstip | 12.51 uur | 13.00 uur | Rond 09.00 uur. |
Locatie slachtoffer | Aan de linkerkant van de weg richting zijn huis lopend | Bij de uitgang. | Aan de linkerkant van de weg, lopend richting de receptie. |
Snelheid | 30 km/h | 30 km/h | Best hard |
Locatie getuige | Achter de Nissan van verdachte. | Bij de ingang van het park. | Bij de ingang van het park. |
Gedrag auto | Auto maakt een beweging naar rechts om op [aangever] af te rijden. | De auto rijdt richting [aangever] . | De auto rijdt richting [aangever] en maakt een wielbeweging. |
Letsel | [aangever] wordt geraakt bij rechterarm. | [aangever] wordt geraakt maar ze weet niet waar of hoe. | Kan ze zich niet herinneren. |
Op basis van deze nieuwe verklaring zou [aangever] lopen vanuit zijn huis richting de receptie. Zelf verklaart hij te zijn geraakt bij zijn rechter arm. Indien de verklaring van [getuige] klopt, kan dat niet. Dan zou hij geraakt moeten worden bij zijn linker arm.
Het zicht vanuit de positie van [aanvraagster] is ook slecht op de ingang van de weg van [aangever] omdat dit wordt belemmert door de bossage. Vanuit haar positie vlak na de brug wordt haar zicht ontnomen door de grote struik. Hierdoor bestaat de mogelijkheid dat [aanvraagster] [aangever] helemaal niet gezien heeft toen hij uit zijn straatje kwam lopen. (…)
4. Conclusie.
Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan worden geconcludeerd dat de verklaringen van [aangever] en [getuige] op een aantal cruciale punten sterk van elkaar verschillen. Beide zeggen dat de getuige op een andere positie heeft gestaan. In de laatste verklaring van [getuige] zegt ze dat [aangever] vanuit zijn huis naar de receptie liep, terwijl hij zelf zegt dat dit de andere kant op is. Daarnaast komen de tijdstippen niet met elkaar overeen. Ook qua letsel is het niet duidelijk of er letsel is opgelopen door [aangever] . Echter, als hij van voren wordt aangereden dan kan hij aan zijn rechterarm letsel hebben maar wordt hij van achteren aangereden dan zou het letsel zich aan zijn linkerarm moeten bevinden.”
3.5.1
Voor zover met de aanvraag is beoogd het rapport van Dankers als nieuw deskundigeninzicht aan te merken, kan dat niet worden gevolgd omdat de aanvraag niet is voorzien van de in het arrest van de Hoge Raad van 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:736 aangeduide informatie die nodig is om de inhoud van een deskundigeninzicht en de nieuwheid daarvan op waarde te kunnen schatten.
3.5.2
Ook anderszins kan aan het rapport niet een gegeven als bedoeld in artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv worden ontleend. Daarbij neemt de Hoge Raad het volgende in aanmerking. De conclusie van het rapport van Dankers berust in de eerste plaats op stukken die zijn ontleend aan het strafdossier. De conclusie houdt daarmee in zoverre niet meer in dan een andere waardering door Dankers van de inhoud van stukken waarmee de politierechter al bekend was. Daarnaast berust de conclusie van het rapport op een interview van de [getuige] door de rapporteur. De enkele omstandigheid dat de [getuige] in het interview op onderdelen anders zou hebben verklaard dan in haar eerdere verklaring, leidt echter nog niet tot de gevolgtrekking dat de getuige op haar eerdere voor de aangeefster belastende verklaring is teruggekomen en wekt alleen al daarom niet een ernstig vermoeden als hiervoor onder 3.1 vermeld (vgl. HR 29 april 1997 ECLI:NL:HR:1997:ZC9316). Verder is de in het rapport – mede op basis van de uitgevoerde “schouw” – geopperde mogelijkheid dat de aanvraagster de [aangever] niet heeft gezien, te speculatief om tot herziening te kunnen leiden.
3.6
De aanvraag is, gelet op wat hiervoor is overwogen, kennelijk ongegrond.
4. Beslissing
De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 december 2022.
Beroepschrift 25‑07‑2022
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
t.a.v. de afdeling Strafrecht
Postbus 20303
2500 EH 'S‑GRAVENHAGE
[Hoge Raad der Nederlanden
Afdeling DIV
Ingekomen]
[26 JULI 2022]
[Behandelaar :]
Datum 25 juli 2022
Betreft Verzoek tot herziening ten voordele, ex artikel 457 e.v. WvSv
Onze referentie D20220238
Uw referentie 15/054550-20 (23/001831-20) → HR 21/02500
Inzake [verzoekster] / Herziening
Edelhoogachtbare Heer/Vrouwe,
Namens verzoekster, mevrouw [verzoekster], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, verzoek ik tot herziening van de in kracht van gewijsde gegane uitspraak van de politierechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, uitgesproken op 11 augustus 2020, onder parketnummer 15/054550-20, waarbij verzoekster wegens bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht is veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, waarvan 30 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Grond van herziening
1.
De grond van herziening is gelegen in art. 457 lid 1 sub c Sv.
2.
Er is sprake van omstandigheid die bij het onderzoek ter terechtzitting de rechter niet was gebleken en die zich niet kan verenigen met de juistheid van de uitspraak, in die zin dat een ernstig vermoeden bestaat dat indien deze omstandigheid bij de rechter bekend was geweest het onderzoek der zaak tot vrijspraak of tot ontslag der rechtsvervolging van de veroordeelde zou hebben geleid, omdat het feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, hetzij niet leidt tot de kwalificatie bedreiging in de zin van het Wetboek van Strafrecht.
Toelichting
3.
Verzoeker is op 11 augustus 2020 door de Politierechter te Alkmaar veroordeeld voor het, onder parketnummer 15/054550-20, ten laste gelegde feit, te weten bedreiging met zware mishandeling, gepleegd op 14 juni 2019.
4.
Door toedoen tardief instellen hoger beroep door haar advocaat is cliënt in hoger beroep op 15 juni 2021 onder parketnummer 23/001831-20 niet ontvankelijk verklaard in haar beroep, waarna in beroep in cassatie zij eveneens d.d. 29 maart 2022 niet ontvankelijk is verklaard. Thans is de strafzaak onherroepelijk geworden en resteren geen gewone rechtsmiddelen.
5.
De politierechter heeft de bewezenverklaring in belangrijke mate gebaseerd op de aangifte van aangever [aangever] en de getuigenverklaring van mevrouw [getuige]. De politierechter heeft verzoekster verweten dat zij opzettelijk met een snelheid van 30 km/u op de heer [aangever] zou zijn afgereden.
6.
De verklaringen van de heer [aangever] en mevrouw [getuige] bevatten echter innerlijke tegenstrijdigheden en onvoldoende betrouwbaar zijn om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Gelet op de onbetrouwbaarheid van de verklaringen, alsmede de stellige onschuldverklaring van verzoekster, is de verdediging van mening dat de enige gevolgtrekking een integrale vrijspraak is.
Nieuwe feiten (NOVUM)
7.
Op 28 april 2021 heeft de deskundige te weten de particulier forensisch onderzoeker heer Dankers, van het Bureau Forensica, een onderzoeksrapport overgelegd (bijlage). Het doel van het onderzoek was om vast te stellen wat de omstandigheden zijn waaronder het vermeende delict heeft plaats gevonden. Daarvoor zijn de verklaringen van alle partijen bestudeerd en de overeenkomsten en de inconsistenties gerapporteerd. Tevens is er op de plaats van het ongeval een schouw gehouden waarbij de omgeving is vastgelegd. Daarnaast is er door de heer Dankers een interview gehouden met mw. [getuige] m.b.t. haar getuigenis omdat er een aantal zaken onduidelijk cq innerlijk tegenstrijdig waren.
8.
De heer Dankers komt op basis van het uitgevoerde onderzoek tot de conclusie dat:
‘De verklaringen van dhr. [aangever] en mw. [getuige] op een aantal cruciale punten sterk van elkaar verschillen. Beide zeggen dat de getuige op een andere positie heeft gestaan. In de laatste verklaring van mw. [getuige] zegt ze dat dhr. [aangever] vanuit zijn huis naar de receptie liep, terwijl hij zelf zegt dat dit de andere kant op is. Daarnaast komen de tijdstippen niet met elkaar overeen. Ook qua letsel is het niet duidelijk of er letsel is opgelopen door dhr. [aangever]. Echter, als hij van voren wordt aangereden dan kan hij aan zijn rechterarm letsel hebben maar wordt hij van achteren aangereden dan zou het letsel zich aan zijn linkerarm moeten bevinden.’
9.
Op basis van dit onderzoek bekend geworden na de veroordeling voor het strafbare feit kan het niet anders dan dat cliënt moet worden vrijgesproken nu niet kan worden bewezen dat het strafbare feit door haar is begaan. In ieder geval bestaat op basis van het onderzoek van de heer Dankers het ernstige vermoeden dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest bij het onderzoek op de terechtzitting, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging.
Toelichting
10.
De gehele verdenking van het tenlastegelegde feit berust enkel op de aangifte van de heer [aangever] en de summiere getuigenverklaring van mevrouw [getuige]. In dat kader stelt de verdediging zich op het standpunt dat de verklaringen onbetrouwbaar zijn en onderlinge inconsistenties vertonen. De verdediging stelt zich daarbij op het uitdrukkelijk standpunt dat de verklaringen evident onbetrouwbaar zijn en licht dit als volgt toe.
11.
Vooropgesteld staat dat, volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad, het aan de rechter die over de feiten oordeelt en het ten laste gelegde bewezen acht, is voorbehouden om binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. De rechter heeft op grond van de vrije selectie en waardering van het bewijsmateriaal de plicht om ex artikel 359 lid 2, laatste volzin, Sv te motiveren waarom hij de getuigenverklaringen betrouwbaar acht.
12.
De heer [aangever] verklaart — voor zover van belang — in zijn aangifte dat hij door verzoekster zou zijn aangereden. Hij verklaart daarbij dat hij lopend onderweg was naar zijn woning. Hij zou daarbij aan de linkerzijde van de weg hebben gelopen. Verzoekster zou met een snelheid van 30 km komen aanrijden en vervolgens met haar auto een beweging naar rechts — richting de heer [aangever] — hebben gemaakt. De arm van de heer [aangever] zou daarbij naar achter zijn geklapt tegen de motorkap of spiegel van verzoekster haar auto. Achter de auto van verzoekster zou mevrouw [getuige] hebben gereden. Zij zou het incident hebben waargenomen en welwillend zijn geweest om te getuigen.
13.
Mevrouw [getuige] verklaart — voor zover van belang — in haar telefonische getuigenverklaring dat zij om 13.00 uur terug het park op zou zijn gereden, aangezien zij haar kinderen net naar school zou hebben gebracht. Zij zou de heer [aangever] daarbij bij de uitgang hebben zien staan. Zij zou hebben gezien dat een witte auto met daarin een donker getinte vrouw op de heer [aangever] zou afrijden. De snelheid zou daarbij 30 km/uur zijn geweest. Vervolgens zou zij hebben waargenomen dat de heer [aangever] een mega sprong moest maken om de aanrijding te voorkomen. De auto zou de heer [aangever] daarbij hebben aangeraakt. Wat er zou zijn geraakt weet zij niet. Tot slot zou zij hebben geweten dat de vrouw problemen zou hebben, daar er verhalen over de vrouw op het park rondgaan.
14.
Allereerst zij opgemerkt dat deze twee verklaringen het enige belastende bewijs is in onderhavige kwestie. Er is geen nader onderzoek verricht naar het vermeende letsel van de heer [aangever], naar eventuele schade aan de auto van verzoekster — immers als je met 30 km per uur tegen iemand aanrijdt is er naar alle waarschijnlijkheid schade — of naar ander ondersteunend bewijsmateriaal ten behoeve van de betrouwbaarheid van de klaringen van de heer [aangever] en/of mevrouw [getuige].
15.
In onderhavige kwestie is de telefonische getuigenverklaring van mevrouw [getuige] aldus van doorslaggevend belang geweest in het kader van de bewijsvoering. Één getuige is immers geen getuige. De verdediging stelt zich op het uitdrukkelijk standpunt dat de verklaringen van de heer [aangever] en mevrouw [getuige] dermate onbetrouwbaar zijn dat deze niet kunnen worden gebezigd voor de bewezenverklaring. Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid komt betekenis toe aan eventuele tegenstrijdigheden, inconsistenties, motieven en aan de vraag of de verklaring overeenkomt met overig bewijsmateriaal.
16.
In dat kader is van belang dat de verdediging meerdere innerlijke tegenstrijdigheden constateert in de verklaringen van mevrouw [getuige] en de heer [aangever].
- a.
Zo stelt de heer [aangever] dat mevrouw [getuige] achter verzoekster reed. Mevrouw [getuige] verklaart echter het compleet tegenovergestelde. Zij reed niet achter verzoekster, maar zou van tegenovergestelde richting komen aanrijden. Zij zou immers net het park op rijden, terwijl verzoekster juist het park zou afrijden. Mocht mevrouw [getuige] echter achter verzoekster hebben gereden, dan acht de verdediging het zeer onwaarschijnlijk dat zij —gelet op de bossage, de grote auto van verzoekster en de brug— het vermeende incident überhaupt zou hebben gezien.
- b.
De heer [aangever] stelt daarnaast dat verzoekster een behoorlijke stuurbeweging naar rechts zou hebben gemaakt, waardoor hij aan de kant moest springen en hij zijn arm zou hebben bezeerd. Mevrouw [getuige] verklaart daarentegen dat verzoekster recht op de heer [aangever] zou zijn afgereden. Zij zou aldus geen stuurbeweging hebben gemaakt
- c.
De heer [aangever] stelt tevens dat hij aan de linkerkant van de weg richting zijn huis liep. Mevrouw [getuige] stelt daarentegen dat de heer [aangever] aan de uitgang van het park stond. Dit zijn twee verschillende locaties
17.
Gelet op de zojuist genoemde tegenstrijdigheden is het onbegrijpelijk dat er geen nader onderzoek is verricht naar de daadwerkelijke toedracht van het vermeende incident.
18.
Voorts zij benoemd dat uit het onderzoeksrapport van Dankers blijkt dat het ongeloofwaardig is dat de heer [aangever] en mevrouw [getuige] stellen dat de heer [aangever] zou zijn geraakt door de auto van verzoekster terwijl zij 30 km per uur zou hebben gereden. Enig ondersteunend bewijsmateriaal mist. Een letselverklaring is niet overgelegd en uit de summiere aangifte blijkt niet dat de verbalisanten zelf het vermeende letsel bij de heer [aangever] zouden hebben waargenomen. Daarnaast is ook geen onderzoek verricht naar de auto van verzoekster. Indien dit wel was gedaan dan zouden de verbalisanten geconstateerd hebben dat verzoekster haar (toenmalige) auto niet zou zijn beschadigd. Daarnaast zij benoemd dat verzoekster vanuit haar huis het park zou zijn afgereden. Het incident zou volgens de heer [aangever] vlak na de brug hebben plaatsgevonden. Vlak voor de brug is er echter voor verzoekster een bocht. Verzoekster moest deze bocht door, waardoor het zeer onwaarschijnlijk is dat zij met 30 km per uur op de heer [aangever] zou zijn afgereden. Ter illustratie wordt verwezen naar foto's 2 en 4 op pagina 5 en 6 van het onderzoeksrapport.
19.
Tevens zij vermeld dat de heer [aangever] en verzoekster geen goede verstandhouding hadden en hebben met elkaar, terwijl getuige [getuige] in het spreekwoordelijke ‘kamp’ van aangever [aangever] zit.. Zij verschillen van mening over betalingen, waardoor meerdere conflictsituaties zijn ontstaan. Van deze onenigheid was al sprake ver voor het vermeende incident. Dit blijkt onder meer uit de aangifte van de heer [aangever], waarbij hij meerdere e-mail berichten van verzoekster overlegt, waaruit hun onderlinge ruzie overduidelijk blijkt. De heer [aangever] had aldus een motief om kwaad te spreken over verzoekster en ook mevrouw [getuige] geeft aan dat er vervelende verhalen over verzoekster op het park de ronde gingen. Hoe je het ook wendt of keert, verzoekster ontkent de vermeende aantijgingen ten stelligste. Het incident heeft nimmer plaatsgevonden.
20.
Kort en goed, de verdediging stelt zich op het uitdrukkelijk standpunt dat de verklaringen van de heer [aangever] en mevrouw [getuige] innerlijke tegenstrijdigheden bevatten en onvoldoende betrouwbaar zijn om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Gelet op de onbetrouwbaarheid van de verklaringen, alsmede de stellige onschuldverklaring van verzoekster, is de verdediging van mening dat de enige gevolgtrekking een integrale vrijspraak is
Conclusie
Op grond van voorgaande middelen is verzoeker van mening dat het vonnis van de Politierechter te Alkmaar voor herziening en verwijzing in aanmerking komt.
Deze aanvraag wordt ondertekend door mr V.C. van der Velde, advocaat te Almere, kantoorhoudende te 1315 CC Almere, aan de Flevostraat 6, die bij deze verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoekster.
Almere, 25 juli 2022
mr. V.C. van der Velde
en
mr. D. Moes