HR, 13-11-2012, nr. 10/03371
ECLI:NL:HR:2012:BX9503
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
13-11-2012
- Zaaknummer
10/03371
- Conclusie
Mr. Vellinga
- LJN
BX9503
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2012:BX9503, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 13‑11‑2012
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BX9503
ECLI:NL:HR:2012:BX9503, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 13‑11‑2012; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BX9503
- Vindplaatsen
Conclusie 13‑11‑2012
Mr. Vellinga
Partij(en)
Nr. 10/03371
Mr. Vellinga
Zitting: 18 september 2012 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1.
Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens "Diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, waarvan 2 jaren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft het Hof het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.
2.
Namens verdachte heeft mr. P. Scholte, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3.
Het eerste middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
4.
Het cassatieberoep is ingesteld op 29 juli 2010. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel op 10 november 2011 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Voorts zal de Hoge Raad in deze zaak uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Het middel is dan ook terecht voorgesteld. Deze overschrijding dient te leiden tot strafvermindering.
5.
Het middel slaagt.
6.
Het tweede middel komt op tegen de strafoplegging.
7.
Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, onder het hoofdje "Strafmotivering" in:
"De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte terzake van het onder 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en zes maanden, met aftrek van voorarrest.
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een gewapende overval in een woning, waarbij geld is buitgemaakt en tegen de beide weerloze bewoners buitensporig grof geweld is gebruikt en waarbij zij bovendien met de dood zijn bedreigd.
Zoals uit de stukken blijkt is dit feit voor de slachtoffers een bij uitstek traumatische ervaring geweest en zullen zij nog geruime tijd, zo niet blijvend, te kampen hebben met de psychische gevolgen daarvan. De verdachte en zijn mededaders hebben zich bij dit alles kennelijk uitsluitend laten leiden door eigen winstbejag. Ook dragen feiten als de onderhavige bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.
Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 29 juni 2010, is de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.
Ofschoon op een dergelijk feit in het algemeen niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur, neemt het hof in het voordeel van de verdachte anderzijds in aanmerking dat gebleken is dat de verdachte sedert zijn betrokkenheid bij het bewezenverklaarde strafbare feit niet opnieuw met politie en/of justitie in aanraking is gekomen. Voorts houdt het hof er in het voordeel van de verdachte in hoge mate rekening mee dat ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de verdachte, die mede de verantwoordelijkheid draagt voor de zorg voor zijn kinderen, waaronder een ernstig zieke zoon, zich serieuze inspanningen heeft getroost om zijn leven een positieve wending te geven. Ook houdt het hof er in het voordeel van de verdachte rekening mee dat het onderhavige feit inmiddels meer dan vier jaar geleden heeft plaatsgevonden.
Tenslotte heeft het hof vastgesteld dat de behandeling van de zaak, met name gelet op het tijdsverloop in hoger beroep, niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Naar het oordeel van het hof dient dit in het onderhavige geval, mede gelet op de door het hof reeds in rekening gebrachte persoonlijke omstandigheden, op zich niet tot nadere strafvermindering te leiden.
Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht, waarbij het hof zoveel mogelijk als uitgangspunt heeft genomen dat de tijd die door de verdachte in de onderhavige zaak voor de tenuitvoerlegging in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, de duur van het onvoorwaardelijke gedeelte van de op te leggen vrijheidsstraf niet te boven gaat."
8.
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de strafmotivering, voor zover inhoudende dat het Hof (bij het opleggen van de vrijheidsstraf) zoveel mogelijk als uitgangspunt heeft genomen dat de tijd die door de verdachte in de onderhavige zaak voor de tenuitvoerlegging in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, de duur van het onvoorwaardelijke gedeelte van de op te leggen vrijheidsstraf niet te boven gaat, niet anders is uit te leggen dan dat het Hof niet wenste dat verdachte nog een deel van het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf zou moeten uitzitten, en het Hof er daarbij kennelijk vanuit is gegaan dat verdachte het opgelegde onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf reeds in voorarrest had uitgezeten. Volgens de toelichting op het middel is dit laatste echter niet het geval, hetgeen de strafoplegging onbegrijpelijk zou maken.
9.
Uit de aan de Hoge Raad op de voet van art. 434, eerste lid, Sv toegezonden stukken blijkt inderdaad niet dat de verdachte in de onderhavige zaak 2 jaar, d.i. 730 dagen in voorarrest heeft gezeten maar 701 dagen. Dit vindt bevestiging in een op een namens mij gedaan verzoek door het CJIB toegezonden registratiekaart van de ondergane detentie.
10.
Het Hof heeft in zijn strafmotivering overwogen dat het bij de strafoplegging zoveel mogelijk als uitgangspunt heeft genomen dat de tijd die door de verdachte in de onderhavige zaak voor de tenuitvoerlegging in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, de duur van het onvoorwaardelijke gedeelte van de op te leggen vrijheidsstraf niet te boven gaat. Deze overweging lijkt erop neer te komen dat het onvoorwaardelijk opgelegde gedeelte van de op te leggen gevangenisstraf van langere duur diende te zijn dan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten. Dat het Hof dit heeft beoogd ligt - mede in het licht van de strafmotivering in haar geheel bezien - niet voor de hand. Ik versta genoemd oordeel daarom aldus dat het Hof een gevangenisstraf heeft willen opleggen waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht niet te boven zou gaan.
11.
Door de opgelegde straf is het Hof niet in zijn voornemen geslaagd. Deze brengt immers mee dat de verdachte 730 dagen gevangenisstraf zou moeten ondergaan terwijl hij minder dagen, 701 dagen, in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
12.
Het middel slaagt.
13.
Ik heb mij afgevraagd of niet reeds in het door het tweede middel gesignaleerde gebrek kan worden voorzien doordat de Hoge Raad het onvoorwaardelijk gedeelte van de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn vermindert naar de gebruikelijke maatstaf, in casu neerkomend op een vermindering met 37 dagen. Mij lijkt dit wel praktisch maar niet juist. De vermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn moet immers worden toegepast op de straf die het Hof geacht moet worden te hebben willen opleggen, niet op de (te hoge) straf zoals deze in het dictum vermeld staat.
14.
Niettemin acht ik het mogelijk dat de Hoge Raad de zaak zelf afdoet, en wel door de door het Hof opgelegde straf te bepalen op drie jaar en 336 dagen waarvan twee jaar voorwaardelijk en op die straf de vermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn toe te passen. Dat komt neer op een vrijheidsstraf van drie jaar en 301 dagen waarvan twee jaar voorwaardelijk.
15.
Ambtshalve heb ik - afgezien van hetgeen ik hiervoor onder 4 over de afdoeningstermijn in cassatie heb opgemerkt - geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
16.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de duur van de opgelegde straf en deze te bepalen op drie jaar en 301 dagen waarvan twee jaar voorwaardelijk. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Uitspraak 13‑11‑2012
Inhoudsindicatie
Strafoplegging. In aanmerking genomen dat het Hof in zijn overwegingen heeft betrokken dat de persoonlijke omstandigheden van verdachte aangewezen maken hem bij het bepalen van de straf zo veel mogelijk tegemoet te komen en daarbij zo veel mogelijk als uitgangspunt heeft genomen dat het onvoorwaardelijke deel van de op te leggen gevangenisstraf zal overeenstemmen met de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, brengt de omstandigheid dat het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf de in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd overstijgt niet mee dat de strafoplegging onbegrijpelijk is.
Partij(en)
13 november 2012
Strafkamer
nr. S 10/03371
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 26 juli 2010, nummer 22/002263-08, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P. Scholte, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de duur van de opgelegde straf en deze te bepalen op 3 jaar en 301 dagen waarvan 2 jaren voorwaardelijk en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
2.2.
Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, waarvan twee jaren voorwaardelijk.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1.
Het middel behelst de klacht dat de strafoplegging onbegrijpelijk is nu het Hof, anders dan het heeft overwogen in de strafmotivering, een gevangenisstraf heeft opgelegd waarvan het onvoorwaardelijke deel uitstijgt boven de in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd.
3.2.1.
Het Hof heeft de verdachte ter zake van feit 1 - kort gezegd: een overval met geweld door twee of meer verenigde personen - veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, waarvan twee jaren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Het Hof heeft daarbij bepaald dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere (vrijheids)straf in mindering is gebracht.
3.2.2.
Het Hof heeft de aan de verdachte opgelegde straf als volgt gemotiveerd:
"De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte terzake van het onder 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en zes maanden, met aftrek van voorarrest.
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een gewapende overval in een woning, waarbij geld is buitgemaakt en tegen de beide weerloze bewoners buitensporig grof geweld is gebruikt en waarbij zij bovendien met de dood zijn bedreigd.
Zoals uit de stukken blijkt is dit feit voor de slachtoffers een bij uitstek traumatische ervaring geweest en zullen zij nog geruime tijd, zo niet blijvend, te kampen hebben met de psychische gevolgen daarvan. De verdachte en zijn mededaders hebben zich bij dit alles kennelijk uitsluitend laten leiden door eigen winstbejag. Ook dragen feiten als de onderhavige bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.
Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 29 juni 2010, is de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.
Ofschoon op een dergelijk feit in het algemeen niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur, neemt het hof in het voordeel van de verdachte anderzijds in aanmerking dat gebleken is dat de verdachte sedert zijn betrokkenheid bij het bewezenverklaarde strafbare feit niet opnieuw met politie en/of justitie in aanraking is gekomen. Voorts houdt het hof er in het voordeel van de verdachte in hoge mate rekening mee dat ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de verdachte, die mede de verantwoordelijkheid draagt voor de zorg voor zijn kinderen, waaronder een ernstig zieke zoon, zich serieuze inspanningen heeft getroost om zijn leven een positieve wending te geven. Ook houdt het hof er in het voordeel van de verdachte rekening mee dat het onderhavige feit inmiddels meer dan vier jaar geleden heeft plaatsgevonden.
Tenslotte heeft het hof vastgesteld dat de behandeling van de zaak, met name gelet op het tijdsverloop in hoger beroep, niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Naar het oordeel van het hof dient dit in het onderhavige geval, mede gelet op de door het hof reeds in rekening gebrachte persoonlijke omstandigheden, op zich niet tot nadere strafvermindering te leiden.
Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht, waarbij het hof zoveel mogelijk als uitgangspunt heeft genomen dat de tijd die door de verdachte in de onderhavige zaak voor de tenuitvoerlegging in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, de duur van het onvoorwaardelijke gedeelte van de op te leggen vrijheidsstraf niet te boven gaat."
3.2.3.
De zich in het dossier bevindende stukken betreffende de door de verdachte ondergane detentie, alsmede de door de Advocaat-Generaal opgevraagde registratiekaart van 3 september 2012, houden in dat de verdachte in verband met de onderhavige strafzaak de volgende periodes in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht:
- -
van 21 november 2006 tot en met 26 september 2008,
- -
van 6 oktober 2008 tot en met 30 oktober 2008 en
- -
van 17 december 2008 tot en met 19 december 2008,
zijnde - overeenkomstig de berekening van de Advocaat-Generaal in zijn conclusie onder 9 - in totaal 701 dagen.
3.3.
In aanmerking genomen dat het Hof in zijn overwegingen heeft betrokken dat de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aangewezen maken hem bij het bepalen van de straf - die gelet op de ernst van het feit gevangenisstraf van aanzienlijke duur zou behoren te zijn - zo veel mogelijk tegemoet te komen en daarbij "zoveel mogelijk als uitgangspunt" heeft genomen dat het onvoorwaardelijke deel van de op te leggen gevangenisstraf zal overeenstemmen met de tijd die de verdachte in verband met deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, brengt de omstandigheid dat dit onvoorwaardelijk deel van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf, zijnde twee jaren, de in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd met dertig dagen overstijgt, niet mee dat de strafoplegging onbegrijpelijk is. Het middel faalt.
4. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze drie jaren en tien maanden waarvan twee jaren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en J. Wortel, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 13 november 2012.