NJB 2024/1307:Tallon-criterium art. 126i Sv (instigatieverbod, verbod op uitlokking) in een Werken Onder Dekmantel (WOD)-traject: in casu kon het hof ook gezien relevante rechtspraak van het EHRM oordelen dat de verdachte niet is gebracht tot het begaan van andere strafbare feiten dan waarop zijn opzet al tevoren was gericht. Voorts kon het hof oordelen dat in casu is voldaan aan de procedurele waarborgen die volgen uit art. 6 EVRM, aangezien de verbalisanten in het WOD-traject in eerste aanleg bij de R-C zijn gehoord waarbij de verdediging haar ondervragingsrecht heeft kunnen uitoefenen, de verdediging niet heeft verzocht deze getuigen nogmaals te horen of heeft benoemd op welke punten de WOD-ers niet zijn bevraagd, en de verdediging de juistheid van de feitelijk door de verbalisanten gedane en in de observatieverslagen omschreven waarnemingen niet heeft betwist. Recht op horen van getuigen Post-Keskin in Opiumwetzaak, art. 6 EVRM: in gevallen waarin de rechter voor het bewijs gebruik wil maken van een door een getuige afgelegde verklaring, terwijl de verdediging – ondanks het nodige initiatief – niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om ten aanzien van die getuige het ondervragingsrecht uit te oefenen, moet de rechter nagaan of het proces als geheel eerlijk is verlopen. Herhaling en toepassing HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, en HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1418. In casu kon het hof bij de politie afgelegde getuigenverklaringen voor het bewijs gebruiken, waarbij van belang is dat de mogelijkheid tot het uitoefenen van het ondervragingsrecht niet volledig heeft ontbroken als gevolg van het beroep op het verschoningsrecht, maar dat de uitoefening van het ondervragingsrecht slechts in beperkte mate is gerealiseerd, terwijl de in de bewezenverklaring opgenomen gedragingen van de verdachte zijn aangenomen op grond van meerdere andere bewijsmiddelen, die steun geven aan de hiervoor genoemde verklaringen van de getuige.