Onder verwijzing naar HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169 m.nt. N. Jörg.
HR, 20-01-2026, nr. 24/00677
ECLI:NL:HR:2026:72
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
20-01-2026
- Zaaknummer
24/00677
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:72, Uitspraak, Hoge Raad, 20‑01‑2026; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1135
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2024:276
ECLI:NL:PHR:2025:1135, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑11‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:72
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2026-0023
NTS 2026/13
Uitspraak 20‑01‑2026
Inhoudsindicatie
Opzettelijk vervoeren van bijna 12 kilogram heroïne (art. 2.B Opiumwet). Vrijspraak in eerste aanleg na bewijsuitsluiting vanwege onrechtmatige doorzoeking van auto. Verweer strekkende tot bewijsuitsluiting wegens onrechtmatige doorzoeking van auto, art. 359a Sv. Kon hof volstaan met strafvermindering? HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft onherstelbaar vormverzuim aangenomen en dat langs lat van art. 359a Sv gelegd. In dat verband heeft hof vastgesteld dat sprake is van onwenselijke en niet gerechtvaardigde inbreuk op persoonlijke levenssfeer, waardoor verdachte beperkt nadeel heeft ondervonden. Vervolgens heeft hof strafvermindering geschikt gevonden als compensatie voor ondervonden nadeel. Hof heeft kennelijk geoordeeld dat met strafvermindering kon worden volstaan aangezien onrechtmatige doorzoeking van auto niet tot gevolg heeft dat recht op eerlijk proces a.b.i. art. 6 EVRM is geschonden en ook geen sprake is van zodanig ernstige schending van ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel dan recht op eerlijk proces (waaronder recht op bescherming van persoonlijke levenssfeer a.b.i. art. 8 EVRM) dat bewijsuitsluiting noodzakelijk is. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en niet ontoereikend gemotiveerd. Hieraan doet niet af dat Rb in e.a. tot ander oordeel is gekomen. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/00677
Datum 20 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 16 februari 2024, nummer 22-001100-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping door het hof van het verweer dat strekt tot bewijsuitsluiting.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.2 tot en met 2.4.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 20 maanden.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 19 maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 januari 2026.
Conclusie 11‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Vervoeren heroïne in auto (art. 2 onder B Opiumwet). Onrechtmatige doorzoeking auto. Middel 1 bevat falende klacht dat oordeel hof dat strafvermindering moet worden toegepast onbegrijpelijk is in licht van vaststellingen rechtbank die tot bewijsuitsluiting is overgegaan. Middel 2 klaagt terecht over overschrijding inzendtermijn. Conclusie strekt tot vernietiging bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft duur opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping beroep voor overige (middel 1: 81 RO).
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00677
Zitting 11 november 2025
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 16 februari 2024 door het gerechtshof Den Haag (parketnr. 22-001100-23) wegens "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod", veroordeeld tot een gevangenisstraf van twintig maanden, met aftrek van voorarrest.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
2. Het eerste middel
2.1
Het middel bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim maar dat dit niet tot bewijsuitsluiting leidt, onvoldoende met redenen is omkleed.
2.2
Ten laste van de verdachte is kort gezegd bewezen verklaard dat hij op 17 december 2022 opzettelijk bijna 12 kilogram heroïne heeft vervoerd. Uit de bewijsvoering van het hof is af te leiden dat deze heroïne is aangetroffen in een door de verdachte bestuurde auto, in een achter de bijrijdersstoel aangetroffen boodschappentas onder een aantal levensmiddelen. Dit gebeurde in het kader van een doorzoeking van de auto. Zowel rechtbank als hof hebben geoordeeld dat deze doorzoeking onrechtmatig was en een onherstelbaar vormverzuim in de zin van art. 359a Sv oplevert. De rechtbank heeft om die reden de resultaten van de doorzoeking uitgesloten van het bewijs en de verdachte vrijgesproken. Het hof heeft omtrent het aan het vormverzuim te verbinden rechtsgevolg het volgende overwogen:
“De doorzoeking van de auto
(…) Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat geen sprake was van een bevoegdheid tot doorzoeking van de auto, noch van toestemming van de verdachte daartoe. De onrechtmatige zoeking is een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv.
Te verbinden rechtsgevolg
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of aan dit vormverzuim een rechtsgevolg dient te worden verbonden. Daarbij houdt het hof rekening met de in het tweede lid van artikel 359a Sv geformuleerde factoren, te weten het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt.
Met betrekking tot het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim overweegt het hof vooraleerst dat het geen betoog behoeft dat het onwenselijk is dat doorzoekingen plaatsvinden zonder toestemming of zonder de vereiste wettelijke basis. Een zoeking als de onderhavige maakt immers inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en dat mag alleen als die inbreuk gerechtvaardigd is.
De vraag is vervolgens welk nadeel het vormverzuim heeft veroorzaakt. Het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt, kan volgens vaste rechtspraak niet worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang dat een nadeel zoals bedoeld in artikel 359a Sv oplevert. Het aantreffen van de verdovende middelen in de tas in de auto kan daarom niet als zodanig worden aangemerkt.
Wel heeft de verdachte nadeel ondervonden van het feit dat de onrechtmatige doorzoeking van het bij hem in gebruik zijnde voertuig een inbreuk heeft gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer. Dit nadeel is echter beperkt gebleven nu de doorzochte auto, noch de tas waarin de drugs zaten van de verdachte waren. In het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim, en nu strafvermindering als rechtsgevolg geschikt is als compensatie voor het door de verdachte ondervonden nadeel, acht het hof strafvermindering, als hierna te vermelden, gerechtvaardigd.”
2.3
In de toelichting op het middel wordt gewezen op de standaardjurisprudentie van de Hoge Raad over vormverzuimen1., kritiek op verschillende aspecten van de jurisprudentiële lijn van de Hoge Raad vanuit zowel wetenschap als praktijk en het belang van het naleven van de Rule of Law. Concreet wordt in het kader van het de onderhavige zaak slechts aangevoerd dat het oordeel van het hof dat niet tot bewijsuitsluiting moet worden overgegaan tekort schiet in het licht van hetgeen de rechtbank heeft vastgesteld, te weten dat 1) de strafvorderlijke voorschriften betreffende het doorzoeken van plaatsen en voertuigen belangrijke strafvorderlijke voorschriften zijn en dat de verbalisant door niet-inachtneming daarvan inbreuk heeft gemaakt op een belangrijk strafvorderlijk voorschrift alsmede de door dat voorschrift beschermde belangen van de verdachte, en 2) dat de verdachte in zijn belangen is geschaad, zodat het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM en art. 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is geschonden en dat het van groot belang is dat een ieder kan vertrouwen op juist en rechtmatig handelende opsporingsambtenaren zodat politieoptreden als het onderhavige een aanzienlijke inbreuk maakt op dat vertrouwen.
2.4
Ik kan de steller van het middel in het voorgaande niet goed volgen. Daarbij stel ik voorop dat ik niet inzie waarom het oordeel van het hof getoetst zou moeten worden aan vaststellingen die de rechtbank heeft gedaan. Het vonnis van de rechtbank is immers vernietigd en het hof heeft zelf vaststellingen gedaan. Het hof heeft een onherstelbaar vormverzuim aangenomen en dat langs de lat van art. 359a Sv gelegd. In dat verband heeft het hof vastgesteld dat sprake is van een onwenselijke en niet gerechtvaardigde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, waardoor de verdachte beperkt nadeel heeft ondervonden. Vervolgens heeft het hof strafvermindering geschikt gevonden als compensatie voor het ondervonden nadeel. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat met strafvermindering kon worden volstaan aangezien de onrechtmatige doorzoeking van de auto niet tot gevolg heeft dat het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM is geschonden, en ook geen sprake is van een zodanig ernstige schending van een ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel dan het recht op een eerlijk proces – waaronder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in artikel 8 EVRM – dat bewijsuitsluiting noodzakelijk is. Dat is niet onbegrijpelijk en ik zie op basis van hetgeen in de schriftuur wordt aangevoerd niet in waarom dat oordeel ontoereikend gemotiveerd zou zijn.2.Aan het voorgaande doet niet af dat de rechtbank tot een ander oordeel is gekomen.
2.5
Het middel faalt.
3. Het tweede middel
3.1
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Namens de verdachte is op 27 februari 2024 cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 19 december 2024 binnengekomen. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden met bijna acht weken overschreden. Het middel klaagt daarover terecht. Nu een voortvarende behandeling die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren niet meer mogelijk is, moet het vorengaande leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf in een mate die de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
4. Slotsom
4.1
Het tweede middel slaagt. Het eerste middel faalt. Gelet op de vrijspraak in eerste aanleg heb ik me afgevraagd of zich hier het geval voordoet zoals bedoeld in HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40.3.Omdat in cassatie niet wordt geklaagd over de bewijsvoering meen ik van niet. De zaak kan mijns inziens worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑11‑2025
HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013/308 m.nt. B.F. Keulen, rov. 2.4.2, HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889 en ECLI:NL:HR:2020:1890, NJ 2021/169 en NJ 2021/170 m.nt. N. Jörg, rov. 2.4. Zie ter vergelijking HR 27 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:975 en HR 19 november 2024, ECLI:NL:HR:2025:129 (HR: 81 RO).
HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40, NJ 2023/106 m.nt. N. Keijzer, rov. 2.5.