Procestaal: Lets.
HvJ EU, 16-07-2020, nr. C-686/19
ECLI:EU:C:2020:582
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
16-07-2020
- Magistraten
M. Safjan, L. Bay Larsen, C. Toader
- Zaaknummer
C-686/19
- Roepnaam
Soho Group
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2020:582, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 16‑07‑2020
Uitspraak 16‑07‑2020
Inhoudsindicatie
‘Prejudiciële verwijzing — Bescherming van consumenten — Kredietovereenkomsten voor consumenten — Richtlijn 2008/48/EG — Begrip ‘totale kosten van het krediet voor de consument’ — Kosten voor de kredietverlenging’
M. Safjan, L. Bay Larsen, C. Toader
Partij(en)
In zaak C-686/19*,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Augstākā tiesa (Senāts) (hoogste rechterlijke instantie, Letland) bij beslissing van 12 september 2019, ingekomen bij het Hof op 18 september 2019, in de procedure
SIA ‘Soho Group’
tegen
Patērētāju tiesību aizsardzības centrs,
wijst
HET HOF (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: M. Safjan, kamerpresident, L. Bay Larsen en C. Toader (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
SIA ‘Soho Group’, vertegenwoordigd door I. Šimulīte,
- —
de Letse regering, vertegenwoordigd door V. Kalniņa en V. Soņeca als gemachtigden,
- —
de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door G. Rocchitta, avvocato dello Stato,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door I. Rubene en G. Goddin als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, onder g), van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB 2008, L 133, blz. 66).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen SIA ‘Soho Group’ en Patērētāju tiesību aizsardzības centrs (autoriteit voor de bescherming van consumentenrechten, Letland) (hierna: ‘PTAC’) inzake het verzoek tot nietigverklaring van het door deze laatste genomen besluit waarbij aan Soho Group een boete is opgelegd wegens schending van collectieve consumentenbelangen.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
De overwegingen 19, 20, 26, 28 en 43 van richtlijn 2008/48 luiden als volgt:
- ‘(19)
Opdat consumenten met kennis van zaken kunnen beslissen, moeten zij vóór het sluiten van de kredietovereenkomst de nodige informatie krijgen over de kredietvoorwaarden, de kredietkosten en zijn verplichtingen, die zij mogen meenemen en nader bestuderen. Om voor een zo groot mogelijke transparantie te zorgen en aanbiedingen vergelijkbaar te maken, dient deze informatie met name ook het in de gehele Europese Unie op uniforme wijze vastgestelde jaarlijkse kostenpercentage [(JKP)] van het krediet te omvatten. […]
- (20)
De totale kosten van het krediet voor de consument dienen alle kosten te omvatten, met inbegrip van rente, commissielonen, belastingen, vergoedingen voor kredietbemiddelaars en alle andere vergoedingen die de consument in verband met de kredietovereenkomst moet betalen, uitgezonderd de notariskosten. […]
[…]
- (26)
De lidstaten moeten passende maatregelen nemen ter bevordering van verantwoordelijke praktijken in alle stadia van de kredietrelatie, rekening houdend met de specifieke kenmerken van hun kredietmarkt. Deze maatregelen kunnen bijvoorbeeld voorlichting of scholing van de consument inhouden, inclusief waarschuwingen over de risico's van het niet nakomen van betalingsverplichtingen of overmatige schuldenlast. In de zich uitbreidende kredietmarkt is het met name belangrijk dat kredietgevers zich niet inlaten met onverantwoordelijke leningpraktijken of kredieten toestaan zonder de kredietwaardigheid vooraf te hebben beoordeeld, en de lidstaten moeten het nodige toezicht uitvoeren om dergelijk gedrag te vermijden en de noodzakelijke middelen bepalen om de kredietgever te sanctioneren wanneer dat toch het geval is. Onverminderd de kredietrisicobepalingen van richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen [(PB 2006, L 177, blz. 1)] moeten kredietgevers de verantwoordelijkheid hebben om de kredietwaardigheid van elke consument te beoordelen. […]
[…]
- (28)
Om de krediettoestand van een consument te beoordelen, dient de kredietgever ook de relevante gegevensbestanden te raadplegen; de wettelijke en feitelijke omstandigheden kunnen vereisen dat die raadpleging in wisselende mate plaatsvindt. […]
[…]
- (43)
Om de totstandbrenging en de werking van de interne markt te bevorderen en de consumenten in de hele [Unie] een hoog niveau van bescherming te bieden, dient de vergelijkbaarheid van de informatie met betrekking tot jaarlijkse kostenpercentages in de hele [Unie] te worden gewaarborgd. […] Het is derhalve noodzakelijk in de richtlijn het begrip ‘totale kosten van het krediet voor de consument’ duidelijk en uitvoerig te definiëren.’
4
Richtlijn 2008/48 heeft volgens artikel 1 ervan tot doel bepaalde aspecten van de voorschriften van de lidstaten inzake consumentenkredietovereenkomsten te harmoniseren.
5
Krachtens artikel 2, lid 6, van die richtlijn mogen de lidstaten bepalen dat uitsluitend sommige bepalingen ervan van toepassing zijn op kredietovereenkomsten die erin voorzien dat de kredietgever en de consument regelingen voor uitstel of aflossing treffen als de consument zijn verplichtingen op grond van de oorspronkelijke kredietovereenkomst niet is nagekomen.
6
Artikel 3 van die richtlijn luidt als volgt:
‘In deze richtlijn wordt verstaan onder:
[…]
- g)
‘totale kosten van het krediet voor de consument’: alle kosten, met inbegrip van rente, commissielonen, belastingen en vergoedingen van welke aard ook, die de consument in verband met de kredietovereenkomst moet betalen en die de kredietgever bekend zijn, met uitzondering van notariskosten; dit omvat ook de kosten in verband met nevendiensten met betrekking tot de kredietovereenkomst, met name verzekeringspremies, indien, daarenboven, het sluiten van een dienstencontract verplicht is om het krediet, in voorkomend geval op de geadverteerde voorwaarden, te verkrijgen;
- h)
‘het totale door de consument te betalen bedrag’: de som van het totale kredietbedrag en de totale kosten van het krediet voor de consument;
- i)
‘[JKP]’: de totale kosten van het krediet voor de consument, uitgedrukt in een percentage op jaarbasis van het totale kredietbedrag, indien toepasselijk te vermeerderen met de kosten bedoeld in artikel 19, lid 2;
[…]
- l)
‘totaal kredietbedrag’: het plafond of de som van alle bedragen die op grond van een kredietovereenkomst beschikbaar worden gesteld;
[…]’
7
Artikel 5 van richtlijn 2008/48, met als opschrift ‘Precontractuele informatie’, vermeldt in lid 1, onder c), g) en i), de informatie die de consument moet worden verstrekt voordat hij door een kredietovereenkomst of een aanbod wordt gebonden, waarbij het respectievelijk gaat om ‘het totale kredietbedrag en de voorwaarden voor kredietopneming’, het ‘[JKP] en het totale door de consument te betalen bedrag’ en, eventueel, ‘andere uit de kredietovereenkomst voortvloeiende kosten, alsmede de voorwaarden waaronder die kosten kunnen worden gewijzigd’.
8
Artikel 8 van deze richtlijn, met als opschrift ‘Verplichting om de kredietwaardigheid van de consument te beoordelen’, bepaalt in lid 1 het volgende:
‘De lidstaten zorgen ervoor dat de kredietgever de kredietwaardigheid van de consument voor het sluiten van de kredietovereenkomst beoordeelt op basis van toereikende informatie die, in voorkomend geval, is verkregen van de consument en, waar nodig, op basis van een raadpleging van het desbetreffende gegevensbestand. Lidstaten van wie de wetgeving van kredietgevers vereist dat zij de kredietwaardigheid van consumenten op basis van een raadpleging van het desbetreffende gegevensbestand beoordelen, kunnen dit vereiste behouden.’
9
Artikel 10 van die richtlijn, met als opschrift ‘In de kredietovereenkomst te vermelden informatie’, bepaalt in lid 2 ervan welke informatie ‘op duidelijke en beknopte wijze’ moet worden vermeld. Deze informatie omvat onder de punten d), g), k) en u) respectievelijk ‘het totale kredietbedrag en de voorwaarden voor kredietopneming’, ‘het [JKP] en het totale door de consument te betalen bedrag, berekend bij het sluiten van de kredietovereenkomst; alle bij de berekening van dit percentage gebruikte hypothesen worden vermeld’, en eventueel ‘andere uit de kredietovereenkomst voortvloeiende kosten, alsmede de voorwaarden waaronder die kosten kunnen worden gewijzigd’, evenals in voorkomend geval ‘de overige contractvoorwaarden’.
10
Artikel 19 van richtlijn 2008/48, met als opschrift ‘Berekening van het [JKP]’, bepaalt in lid 2 ervan dat men voor deze berekening ‘de totale kosten van het krediet voor de consument [bepaalt], met uitzondering van kosten die hij moet betalen wegens niet-naleving van een in de kredietovereenkomst opgenomen verplichting en de andere kosten dan de aankoopprijs die hij bij het afnemen van goederen of diensten in elk geval moet betalen, ook indien contant wordt betaald’.
Lets recht
11
Het in richtlijn 2008/48 vermelde begrip ‘totale kosten van het krediet voor de consument’ is overgenomen in de Ministru kabineta noteikumi Nr. 1219 ‘Noteikumi par patērētāja kreditēšanu’ (besluit nr. 1219 van de ministerraad houdende ‘Bepalingen over het consumentenkrediet’) van 28 december 2010 (Latvijas Vēstnesis, 2011, nr. 2), waarin de berekening van het JKP wordt geregeld.
12
De Patērētāju tiesību aizsardzības likums (wet inzake bescherming van consumentenrechten), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, neemt in artikel 1, lid 9, de in richtlijn 2008/48 opgenomen definitie van ‘totale kosten van het krediet voor de consument’ over.
13
Artikel 8 van die wet, met als opschrift ‘Consumentenkrediet’, luidt als volgt:
‘[…]
- (22)
De kosten verbonden aan de consumentenkredietovereenkomst moeten evenredig zijn en beantwoorden aan de eerlijke handelspraktijken. De totale kosten van het krediet voor de consument worden berekend zoals dit wordt voorgeschreven door de wettelijke bepalingen die van toepassing zijn op het consumentenkrediet.
- (23)
De in lid 22 van dit artikel vastgestelde voorwaarden worden geacht niet te zijn vervuld wanneer de totale kosten voor de consument meer bedragen dan 0,55 percent per dag van het kredietbedrag, en dit van de eerste tot en met de zevende dag van gebruik van het krediet, de totale kosten meer bedragen dan 0,25 percent per dag van het kredietbedrag, en dit vanaf de achtste tot en met de veertiende dag van gebruik van het krediet, en ten slotte de totale kosten meer bedragen dan 0,2 percent per dag van het kredietbedrag, en dit vanaf de vijftiende dag van gebruik van het krediet. Met betrekking tot contracten waarin het krediet wordt terugbetaald na een ingebrekestelling of waarin de gebruikstermijn van het krediet 30 dagen overstijgt, zullen de totale kosten van het krediet voor de consument die meer bedragen dan 0,25 percent per dag van het kredietbedrag worden beschouwd als verplichtingen die niet verenigbaar zijn met lid 22 van dit artikel. De beperkingen van de totale kosten van het krediet voor de consument gelden niet voor consumentenkredietovereenkomsten waarin bij de totstandkoming ervan een goed als waarborg werd gesteld aan de kredietgever en waarin de aansprakelijkheid van de consument beperkt is tot het als zekerheid verstrekt goed.
[…]’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
14
Soho Group is een kredietinstelling die is gespecialiseerd in het online toekennen van kleine leningen met een korte looptijd. De handelspraktijk van deze onderneming bestaat erin aan consumenten kredietdiensten te verlenen in de vorm van leningen voor een bedrag tussen 70 en 425 EUR, met een looptijd die blijkens de verwijzingsbeslissing varieert van 30 dagen tot 12 maanden.
15
Bij een inspectie van de website van de vennootschap heeft PTAC vastgesteld dat Soho Group kredietovereenkomsten aanbood waarin een clausule voorkwam met de titel ‘Verlenging van de leningsduur’. Op grond van deze clausule kan de kredietnemer een verlenging van de leningsduur vragen door op de lopende rekening van de kredietgever verlengingskosten te betalen, die afhangen van het bedrag en de duur van de lening. Na ontvangst van de betaling stuurt de kredietgever een bericht waarin de verlenging van de in de bijzondere voorwaarden van de kredietovereenkomst of in het betalingsschema vermelde looptijd wordt bevestigd, of weigert hij een dergelijke verlenging zonder dat hij daarvoor een reden moet opgeven.
16
Naar aanleiding van deze inspectie kwam PTAC, wat de verlenging van de kredietduur betreft, tot de slotsom dat Soho Group aan consumenten kredietovereenkomsten aanbood waarvan de totale dagelijkse kosten niet in overeenstemming waren met artikel 8, lid 23, van de wet inzake bescherming van consumentenrechten. PTAC was dan ook van mening dat de kosten van de door Soho Group aan consumenten aangeboden kredietovereenkomst onevenredig waren en niet in overeenstemming met de eerlijke handelspraktijken in de zin van artikel 8, lid 22, van die wet. Daartoe nam PTAC in overweging dat de totale kosten van het krediet de kosten voor de kredietverlenging omvatten omdat de kredietverlengingsvoorwaarden deel uitmaken van de door de kredietnemer en de kredietgever overeengekomen clausules en voorwaarden van de kredietovereenkomst.
17
Bij besluit van 21 februari 2017 heeft PTAC een boete van 25 000 EUR opgelegd aan Soho Group.
18
Na afwijzing door de Administratīvā rajona tiesa (bestuursrechter in eerste aanleg, Letland) van het door Soho Group ingediende verzoek tot nietigverklaring van dat besluit, heeft Soho Group hoger beroep ingesteld bij de Administratīvā apgabaltiesa (bestuursrechter in tweede aanleg, Letland), die bij arrest van 4 december 2018 de beslissing van de administratīvā rajona tiesa heeft bevestigd.
19
In dat arrest heeft de Administratīvā apgabaltiesa geoordeeld dat indien de looptijd van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kredietovereenkomst werd verlengd, de kosten voor het gebruik van het krediet tijdens de verlengingsperiode bekend werden en kredietkosten vormden waarop de beperkingen van de wet inzake bescherming van consumentenrechten van toepassing waren.
20
Soho Group heeft bij de verwijzende rechter cassatieberoep ingesteld, in het kader waarvan zij betoogt dat de betaling van de verlengingskosten niet verplicht is om de lening te verkrijgen of om daarvan gebruik te kunnen maken. Bovendien is de verlenging van de kredietovereenkomst slechts één van de drie mogelijkheden aan het eind van de looptijd van de lening. De andere twee mogelijkheden zijn het terugbetalen van de lening zonder extra betalingen of het niet terugbetalen van de lening, waarna vertragingsrente in rekening wordt gebracht. Aangezien de kredietverlenging nog niet bekend is bij het afsluiten van de overeenkomst, en dus op het moment waarop de totale kosten van het krediet worden bepaald en het JKP wordt berekend, mogen volgens Soho Group de kosten van deze verlenging niet in de totale kosten van het krediet worden opgenomen.
21
De verwijzende rechter wijst erop dat moet worden vastgesteld of de ‘totale kosten van het krediet voor de consument’ de kosten van de kredietverlenging omvatten, aangezien de voorwaarden van een eventuele verlenging ervan deel uitmaken van de door de kredietnemer en de kredietgever overeengekomen clausules en voorwaarden van de kredietovereenkomst.
22
In dat verband merkt de verwijzende rechter op dat in de rechtspraak van het Hof het ruime karakter van het begrip ‘totale kosten van het krediet voor de consument’ in de zin van richtlijn 2008/48 is bevestigd, en voorts dat in deze rechtspraak wordt erkend dat de kredietgever tevens provisies mag ontvangen waarin niet is voorzien door deze richtlijn.
23
De verwijzende rechter twijfelt echter of dergelijke kosten onder dat begrip vallen.
24
Die rechter licht nog toe dat uit bepaalde specifieke clausules van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kredietovereenkomst blijkt dat de kredietgever de verlenging van die overeenkomst beschouwt als een aanvaardbare oplossing ter vermijding van het niet-naleven van de contractuele verplichtingen. Dit blijkt zowel uit de gedetailleerdheid van die clausules als uit het grote aantal kredietovereenkomsten dat in de praktijk wordt verlengd.
25
In die omstandigheden heeft de Augstākā tiesa (Senāts) (hoogste rechterlijke instantie, Letland) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een beslissing over de volgende prejudiciële vragen:
- ‘1)
Is het begrip ‘totale kosten van het krediet voor de consument’, gedefinieerd in artikel 3, onder g), van richtlijn [2008/48] een autonoom Unierechtelijk begrip?
- 2)
Vallen, in omstandigheden als die van het onderhavige geval, indien de clausules inzake verlenging van het krediet deel uitmaken van de door de kredietnemer en de kredietgever overeengekomen clausules en voorwaarden van de kredietovereenkomst, de kosten voor verlenging van het krediet onder het begrip ‘totale kosten van het krediet voor de consument’, gedefinieerd in [die bepaling]?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
26
Met zijn vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het in artikel 3, onder g), van richtlijn 2008/48 vermelde begrip ‘totale kosten van het krediet voor de consument’ aldus moet worden uitgelegd dat hieronder ook de kosten voor de kredietverlenging vallen wanneer de voorwaarden voor die eventuele verlenging deel uitmaken van de door de kredietnemer en de kredietgever overeengekomen clausules en voorwaarden van de kredietovereenkomst.
27
Om te beginnen dient te worden benadrukt dat richtlijn 2008/48 overeenkomstig artikel 1 ervan slechts tot doel heeft bepaalde voorschriften van de regelingen inzake consumentenkredietovereenkomsten te harmoniseren, en geen regeling bevat inzake de harmonisering van het uitstel van de looptijd van het krediet. Deze richtlijn vermeldt in artikel 2, lid 6, slechts de gevallen waarin de consument niet betaalt, hetgeen niet aan de orde is in het hoofdgeding. Zoals alle partijen in het hoofdgeding aanvoeren, wordt de vraag inzake de maximaal toegestane kredietkosten bovendien niet geregeld bij die richtlijn, zodat de lidstaten bevoegd blijven om dergelijke kosten te bepalen (zie in die zin arrest van 26 maart 2020, Mikrokasa en Revenue Niestandaryzowany Sekurytyzacyjny Fundusz Inwestycyjny Zamknięty, C-779/18, EU:C:2020:236, punten 40 en 48).
28
Volgens artikel 3, onder g), van richtlijn 2008/48 omvat het begrip ‘totale kosten van het krediet voor de consument’ ‘alle kosten, met inbegrip van rente, commissielonen, belastingen en vergoedingen van welke aard ook, die de consument in verband met de kredietovereenkomst moet betalen en die de kredietgever bekend zijn, met uitzondering van notariskosten’.
29
Uit de bewoordingen van die bepaling blijkt dat alleen de ‘notariskosten’ expliciet buiten die definitie vallen. In die definitie staat echter niet te lezen of de daarin bedoelde kosten beperkt zijn tot de kosten die nodig zijn voor de kredietverkrijging.
30
Uit die bewoordingen blijkt echter wel dat het begrip ‘totale kosten van het krediet voor de consument’ ziet op ‘vergoedingen van welke aard ook, die de consument in verband met de kredietovereenkomst moet betalen en die de kredietgever bekend zijn’, en dat die vergoedingen ‘ook de kosten in verband met nevendiensten met betrekking tot de kredietovereenkomst’ omvatten. Volgens de rechtspraak van het Hof behoren tot dit begrip alle kosten die de consument in verband met de kredietovereenkomst moet betalen en die de kredietgever bekend zijn (arresten van 21 april 2016, Radlinger en Radlingerová, C-377/14, EU:C:2016:283, punt 84, en 8 december 2016, Verein für Konsumenteninformation, C-127/15, EU:C:2016:934, punt 34), met inbegrip van de provisies die de kredietnemer aan de kredietgever moet betalen (zie in die zin arrest van 12 juli 2012, SC Volksbank România, C-602/10, EU:C:2012:443, punt 65).
31
Om een uitgebreide bescherming van de consumenten te waarborgen, omschrijft de Uniewetgever in artikel 3, onder g), van richtlijn 2008/48 het begrip ‘totale kosten van het krediet voor de consument’ aldus ruim (arrest van 26 maart 2020, Mikrokasa en Revenue Niestandaryzowany Sekurytyzacyjny Fundusz Inwestycyjny Zamknięty, C-779/18, EU:C:2020:236, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32
In dat verband bevat de definitie van het begrip ‘totale kosten van het krediet voor de consument’ niet alleen geen beperking ten aanzien van de looptijd van de kredietovereenkomst, maar vallen ook de kosten en de verdeling daarvan tijdens de looptijd van die overeenkomst onder dat begrip (zie in die zin arrest van 11 september 2019, Lexitor, C-383/18, EU:C:2019:702, punten 23 en 31–33). Dit wordt bovendien bevestigd in overweging 20 van richtlijn 2008/48, waarin staat te lezen dat het begrip ‘totale kosten van het krediet’ gezien moet worden ‘in verband met de kredietovereenkomst’.
33
Hieruit volgt dat het begrip ‘totale kosten van het krediet voor de consument’ zowel de kosten in verband met de kredietverkrijging omvat als die in verband met het gebruik ervan in de tijd.
34
Opdat de kosten van een eventuele verlenging van de kredietovereenkomst, zoals daarin bepaald, voldoen aan de in punt 30 van dit arrest in herinnering gebrachte voorwaarden, en bijgevolg in aanmerking kunnen worden genomen bij de berekening van de ‘totale kosten van het krediet voor de consument’ in de zin van artikel 3, onder g), van richtlijn 2008/48, moeten de concrete en nauwkeurige voorwaarden van deze eventuele verlenging gepreciseerd zijn in die overeenkomst en moeten deze kosten tevens bekend zijn bij de kredietgever, zodat de consument die kosten kan bepalen op grond van de contractuele bepalingen, met name op grond van de looptijd van het gebruik van het krediet.
35
Met betrekking tot die voorwaarden voor de kredietverlenging dient te worden opgemerkt dat, zoals blijkt uit de vaststellingen van de verwijzende rechter, deze voorwaarden deel uitmaken van de door de kredietnemer en de kredietgever overeengekomen clausules en voorwaarden van de kredietovereenkomst. Ofschoon die rechter verduidelijkt dat de kredietgever de contractverlenging kan weigeren zonder daarvoor een reden te moeten opgeven, staat voorts vast dat deze verlenging slechts kan plaatsvinden na een verzoek van de consument in die zin, een aanvaarding door de kredietgever, en de betaling door de consument van de verlengingskosten op de lopende rekening van de kredietgever.
36
Hieruit volgt dat het de consument is die in het kader van kredietovereenkomsten zoals aan de orde in het hoofdgeding gehouden is om de verlengingskosten te betalen, en dat deze kosten bekend zijn bij de kredietgever, en dus bepaald of bepaalbaar zijn.
37
Soho Group, de Italiaanse regering en de Europese Commissie voeren in hun schriftelijke opmerkingen echter aan dat, gelet op het feit dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde contractverlenging niet vaststaat bij het afsluiten van die overeenkomst, de kosten van die verlenging niet kunnen vallen onder het begrip ‘totale kosten van het krediet voor de consument’ in de zin van artikel 3, onder g), van richtlijn 2008/48.
38
Om te beginnen dient te worden opgemerkt dat, zoals blijkt uit de in artikel 3 van richtlijn 2008/48 neergelegde definities, het begrip ‘totale kosten van het krediet voor de consument’ verband houdt met het ‘totale kredietbedrag’ en het ‘totale door de consument te betalen bedrag’ voor de berekening van het JKP.
39
Aangezien artikel 3 van richtlijn 2008/48 voor die begrippen niet verwijst naar nationaal recht, moeten die begrippen worden opgevat als een autonoom Unierechtelijk begrip, dat op het grondgebied van de Unie uniform moet worden uitgelegd (zie in die zin arrest van 14 november 2019, State Street Bank International, C-255/18, EU:C:2019:967, punt 33).
40
Wat vervolgens het begrip ‘totaal kredietbedrag’ in de zin van richtlijn 2008/48 betreft, dit wordt in artikel 3, onder l), ervan gedefinieerd als het plafond of de som van alle bedragen die op grond van een kredietovereenkomst beschikbaar worden gesteld.
41
Daarnaast bestaat het JKP overeenkomstig artikel 3, onder i), van deze richtlijn in de ‘totale kosten van het krediet voor de consument’, uitgedrukt in een percentage op jaarbasis van het totale kredietbedrag, indien toepasselijk te vermeerderen met de kosten bedoeld in artikel 19, lid 2, van diezelfde richtlijn.
42
Aangezien het begrip ‘totale door de consument te betalen bedrag’ in artikel 3, onder h), van richtlijn 2008/48 wordt gedefinieerd als ‘de som van het totale kredietbedrag en de totale kosten van het krediet voor de consument’, sluiten de begrippen ‘totaal kredietbedrag’ en ‘totale kosten van het krediet voor de consument’ elkaar uit en kan het totale kredietbedrag geen van de bedragen omvatten die behoren tot de totale kosten van het krediet voor de consument (arrest van 21 april 2016, Radlinger en Radlingerová, C-377/14, EU:C:2016:283, punt 85).
43
Richtlijn 2008/48 voorziet dus in een omvattende regeling van de verdeling van de bedragen waarop consumentenkredietovereenkomsten betrekking hebben.
44
In omstandigheden als die aan de orde in het hoofdgeding, waarbij het niet gaat om niet-naleving van contractuele verplichtingen in de zin van artikel 19, lid 2, van richtlijn 2008/48, kunnen de verlengingskosten, hoewel zij deel uitmaken van ‘het totale door de consument te betalen bedrag’, niet vallen onder het ‘totale kredietbedrag’, zodat zij vallen onder de ‘totale kosten van het krediet voor de consument’ in de zin van artikel 3, onder g), van die richtlijn.
45
Voorts dient te worden opgemerkt dat de bepalingen van richtlijn 2008/48 niet alleen betrekking hebben op de sluiting van de kredietovereenkomst, maar ook op de voorwaarden voor de wijziging ervan.
46
In dat verband bepaalt artikel 10, lid 2, onder g), van richtlijn 2008/48 weliswaar dat het in de kredietovereenkomst vermelde JKP en het ‘totale door de consument te betalen bedrag’ worden berekend ‘bij het sluiten van de kredietovereenkomst’, maar verduidelijkt diezelfde bepaling dat ‘alle bij de berekening van dit percentage gebruikte hypothesen [erin] worden vermeld’.
47
Bij kredietovereenkomsten als die welke door Soho Group worden aangeboden en waarbij het niet ongebruikelijk is — zoals blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier — dat daarin slechts één vervaldatum is opgenomen die samenvalt met de looptijd van de overeenkomst, kan de kredietgever de hypothese vermelden waarin de kredietovereenkomst één of meerdere keren wordt verlengd.
48
De vermelding van de verschillende hypothesen die worden gebruikt om het JKP te berekenen, maakt het bovendien mogelijk om het in artikel 5, lid 1, van richtlijn 2008/48 vermelde doel te bereiken van het verstrekken aan de consument van de nodige informatie om verschillende aanbiedingen te kunnen vergelijken en zo een weloverwogen besluit te kunnen nemen over het sluiten van een kredietovereenkomst, waarbij deze vergelijking moet kunnen plaatsvinden met inaanmerkingneming van het JKP voor de verschillende looptijden van de hem gedane aanbiedingen.
49
Dienaangaande dient eraan te worden herinnerd dat richtlijn 2008/48 werd vastgesteld met een tweeledig doel: waarborgen dat alle consumenten van de Unie een hoog en gelijkwaardig niveau van bescherming van hun belangen genieten en de totstandkoming van een goed functionerende interne markt voor consumentenkrediet vergemakkelijken. Blijkens overweging 19 van deze richtlijn beoogt deze richtlijn met name te waarborgen dat de consument vóór het sluiten van de kredietovereenkomst de nodige informatie krijgt, met name over het JKP in de gehele Unie, zodat hij de gehanteerde percentages kan vergelijken (arrest van 19 december 2019, Home Credit Slovakia, C-290/19, EU:C:2019:1130, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
50
Daarnaast blijkt uit de bewoordingen van artikel 5 van richtlijn 2008/48, inzake de ‘Precontractuele informatie’, en met name uit lid 1, onder i), ervan, alsook van artikel 10 van die richtlijn, inzake de ‘In de kredietovereenkomst te vermelden informatie’, en met name uit lid 2, onder k), ervan, dat deze bepalingen betrekking hebben op ‘andere uit de kredietovereenkomst voortvloeiende kosten, alsmede de voorwaarden waaronder die kosten kunnen worden gewijzigd’. Bovendien wordt in artikel 10, lid 2, onder u), tevens bepaald dat in de kredietovereenkomst in voorkomend geval ‘de overige contractvoorwaarden’ op duidelijke en beknopte wijze worden vermeld. Op grond van het voorgaande kan de in overweging 43 van die richtlijn opgenomen doelstelling worden verwezenlijkt, namelijk de ‘totale kosten van het krediet voor de consument’ duidelijk en uitvoerig definiëren, en het nuttig effect van diezelfde richtlijn worden verzekerd.
51
Gelet op ten eerste de bewoordingen van artikel 3, onder g), van richtlijn 2008/48 en de ruime opvatting van het begrip ‘totale kosten van het krediet voor de consument’, ten tweede het feit dat dit begrip betrekking heeft op zowel de verkrijging als het gebruik van het krediet, ten derde de onderlinge verbinding tussen de begrippen ‘totale kosten van het krediet voor de consument’, ‘totaal kredietbedrag’ en ‘het totale door de consument te betalen bedrag’, en, ten vierde, het doel van deze richtlijn, alsook de noodzaak om het nuttig effect ervan te verzekeren wanneer de looptijd van een kredietovereenkomst wordt verlengd en de vergoeding ervoor wordt gewijzigd door de betaling van verlengingskosten, zodat dit het begrip ‘het totale door de consument te betalen bedrag’ beïnvloedt, vallen de kosten van de verlenging van die overeenkomst, wanneer een dergelijke verlengingsmogelijkheid tussen de partijen is overeengekomen en die kosten bekend zijn bij de kredietgever, bijgevolg onder het begrip ‘totale kosten van het krediet voor de consument’ in de zin van artikel 3, onder g), van richtlijn 2008/48.
52
Aan deze vaststelling kan niet worden afgedaan door het argument van de kredietgever dat de verlenging van de kredietovereenkomst verkiesbaar is boven een mogelijke niet-naleving van de overeenkomst. In dat verband moet worden opgemerkt dat, zoals de verwijzende rechter benadrukt, voor een zeer groot aantal kredietovereenkomsten de oorspronkelijk overeengekomen looptijd wordt verlengd. De kredietgever mag er echter niet toe worden aangezet om op onverantwoorde wijze leningen toe te kennen of kredieten te verstrekken zonder eerst de kredietwaardigheid van de consument te beoordelen. Uit artikel 8, lid 1, van richtlijn 2008/48, gelezen in het licht van overwegingen 26 en 28 ervan, volgt immers dat de kredietgever de kredietwaardigheid van de consument moet beoordelen alvorens een kredietovereenkomst te sluiten. Deze verplichting heeft, overeenkomstig overweging 26 van die richtlijn, tot doel om kredietgevers op hun verantwoordelijkheid te wijzen en te voorkomen dat zij krediet verstrekken aan consumenten die niet kredietwaardig zijn (zie in die zin arrest van 5 maart 2020, OPR-Finance, C-679/18, EU:C:2020:167, punt 20).
53
Gelet op het voorgaande dient op de gestelde vragen te worden geantwoord dat het in artikel 3, onder g), van richtlijn 2008/48 vermelde begrip ‘totale kosten van het krediet voor de consument’ aldus moet worden uitgelegd dat hieronder ook de kosten van de eventuele kredietverlenging vallen, voor zover de concrete en precieze voorwaarden voor de verlenging, met inbegrip van de duur ervan, deel uitmaken van de door de kredietnemer en de kredietgever overeengekomen clausules en voorwaarden van de kredietovereenkomst, en voor zover deze kosten bekend zijn bij de kredietgever.
Kosten
54
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:
Het in artikel 3, onder g), van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad vermelde begrip ‘totale kosten van het krediet voor de consument’ moet aldus worden uitgelegd dat hieronder ook de kosten van de eventuele kredietverlenging vallen, voor zover de concrete en precieze voorwaarden voor de verlenging, met inbegrip van de duur ervan, deel uitmaken van de door de kredietnemer en de kredietgever overeengekomen clausules en voorwaarden van de kredietovereenkomst, en voor zover deze kosten bekend zijn bij de kredietgever.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 16‑07‑2020