NJB 2017/1588:Insolventie. De Oi Groep is een internationale groep met twee Nederlandse financieringsmaatschappijen. In Brazilië loopt een gerechtelijke procedure met als doel de Oi Groep geconsolideerd en going concern te herstructureren door middel van het bereiken van een akkoord. In Nederland trekt het hof de voorlopig aan de financieringsmaatschappijen verleende surseance van betaling in en verklaart het hof hen failliet. Hoge Raad: 1. Horen van belanghebbenden. Het staat de rechter in beginsel vrij, indien hij daartoe aanleiding ziet, ook andere belanghebbenden te horen dan worden genoemd in art. 242 lid 3 Fw en art. 243 lid 3 Fw. 2. Surseance. Intrekking. Benadeling. De in art. 242 lid 1, aanhef en onder 2°, Fw genoemde grond voor intrekking van de surseance ziet mede op het geval dat de gegronde vrees voor benadeling van de schuldeisers daarop is gebaseerd dat de schuldenaar de schuldeisers reeds heeft getracht te benadelen. 3. Wetenschap van benadeling. Het oogmerk van benadeling is niet vereist. Voldoende is dat de schuldenaar begreep of behoorde te begrijpen dat benadeling van de schuldeisers het van zijn gedraging te verwachten gevolg was. 4. Internationale groep. Het feit dat op de financieringsmaatschappijen het Nederlandse faillissementsrecht van toepassing is, betekent dat de regels van de Faillissementswet in beginsel onverkort op hen van toepassing zijn. Met het feit dat de financieringsmaatschappijen behoren tot een internationale groep die het centrum van zijn voornaamste belangen in het buitenland heeft, kan rekening worden gehouden waar de wet daarvoor ruimte laat, zoals bij de belangenafweging die in het kader van de intrekking van de surseance dient plaats te vinden. 5. Daad van beheer of beschikking. Het hof heeft geoordeeld dat de instemming van de financieringsmaatschappij met het in de Braziliaanse procedure aangeboden akkoord een daad van beheer of beschikking oplevert. Indien wordt uitgegaan van de door het hof gegeven uitleg aan het aanbod en de betrokkenheid van de financieringsmaatschappij, is het oordeel van het hof juist. 6. Medewerking van de bewindvoerder. Het oordeel van het hof dat de financieringsmaatschappij de bewindvoerder voldoende inzicht behoorde te verschaffen in de Braziliaanse akkoordonderhandelingen, is juist