HR, 25-06-2013, nr. 11/05614
ECLI:NL:HR:2013:10
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
25-06-2013
- Zaaknummer
11/05614
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:10, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 25‑06‑2013; (Artikel 81 RO-zaken)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:7
ECLI:NL:PHR:2013:7, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 23‑04‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:10
- Vindplaatsen
Uitspraak 25‑06‑2013
Inhoudsindicatie
HR: 81.1 RO.
Partij(en)
25 juni 2013
Strafkamer
nr. 11/05614
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 22 juli 2011, nummer 21/002827-09, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. C.B. Bos, advocaat te Nijkerk, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer B.C. de Savornin Lohman als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en N. Jörg, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juni 2013.
Conclusie 23‑04‑2013
Inhoudsindicatie
HR: 81.1 RO.
Nr. 11/05614 Zitting: 23 april 2013 | Mr. Vellinga Conclusie inzake: [verdachte] |
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem wegens “poging tot doodslag” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd, een en ander op de wijze als weergegeven in het arrest.
2. Namens verdachte heeft mr. C.B. Bos, advocaat te Nijkerk, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel klaagt over hetgeen het Hof heeft overwogen over de betrouwbaarheid van de verklaring van [betrokkene 1].
4. Het Hof heeft te dien aanzien overwogen:
“De verdediging heeft de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] betwist. Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1], die op wezenlijke onderdelen worden ondersteund door de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. De resultaten van het technisch onderzoek ondersteunen eveneens de lezing van [betrokkene 1].”
5. Volgens de toelichting op het middel heeft het Hof miskend dat de gebezigde bewijsmiddelen laten zien dat de verklaring van [betrokkene 1] niet wordt ondersteund door de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. Daartoe wordt erop gewezen dat [betrokkene 1] heeft verklaard dat verdachte er niets bij zei toen hij [betrokkene 1] begon te steken terwijl de getuigen daarentegen spreken van geschreeuw, glasgerinkel en bekvechten.
6. Anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld is hier van tegenstrijdigheid tussen de verklaringen van [betrokkene 1] enerzijds en de getuigen anderzijds geen sprake, en wel reeds daarom niet omdat de getuigen niet verklaren dat het geschreeuw van verdachte afkomstig was c.q. dat verdachte en [betrokkene 1] aan het bekvechten waren. Bovendien blijkt uit de verklaringen van getuigen geen verband tussen het glasgerinkel dat zij gehoord hebben en de onenigheid tussen verdachte en [betrokkene 1].
7. Met de verklaring van [betrokkene 1] dat hij met een mes door verdachte is gestoken is evenmin onverenigbaar de verklaring van de getuigen dat zij [betrokkene 1] met een mes in handen zagen staan. Zoals [betrokkene 1] immers verklaart heeft hij het mes afgepakt van verdachte.
8. Anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld is de verklaring van [betrokkene 1] dat hij buiten voor de deur is gestoken niet onverenigbaar met de uitkomst van het technisch onderzoek voor zover inhoudende dat op de slaapkamerdeur en de binnenzijde van de toegangsdeur bloed is aangetroffen. Het bloed op de slaapkamerdeur was bloed dat vermengd was met het bloed van verdachte en kan daar dus heel wel door verdachte naar zijn toegebracht. Het steken vond weliswaar buiten de deur plaats maar die omstandigheid dwingt niet tot de conclusie dat er bijvoorbeeld bij het afpakken van het mes geen bloed aan de binnenzijde van de toegangsdeur terecht kan zijn gekomen en [betrokkene 1] dus binnen moet zijn geweest.
9. Het oordeel van het Hof dat de verklaringen van [betrokkene 1] op wezenlijke onderdelen worden ondersteund door verklaringen van de getuigen en de resultaten van het technisch onderzoek is dus niet onbegrijpelijk.
10. Het middel faalt.
11. Het tweede middel klaagt over het ter terechtzitting van 2 februari 2011 gegeven oordeel van het Hof dat een onderzoek naar de taalvaardigheid van verdachte voor wat betreft de Nederlandse taal niet noodzakelijk is, nu hij ter terechtzitting met bijstand van een tolk expliciet heeft verklaard dat hij blijft bij zijn laatste verklaring die hij bij de politie heeft afgelegd.
12. Onder verwijzing naar hetgeen de verdachte heeft verklaard ter terechtzitting van 24 mei 2010 wordt in de toelichting op het middel aangevoerd dat de verdachte niet is gebleven bij zijn laatste verklaring die hij bij de politie heeft afgelegd. Dusdoende wordt echter miskend dat de verdachte ter terechtzitting van 2 februari 2011 onder meer heeft verklaard:
De verklaringen zoals die in de eerste verhoren zijn opgetekend zijn niet juist. Ik heb dat zo niet gezegd. Mogelijk heeft men mij verkeerd begrepen. Ik blijf bij mijn laatste verklaring die ik over het mes heb afgelegd. Ik heb toen verklaard dat ik het mes voor het eerst weer zag bij [betrokkene 1] op het moment dat ik de balkondeur openmaakte. Hij had het raam kapot gemaakt. Hij had het mes in zijn rechterhand. Het mes lag normaal gesproken op een tafel in de woonkamer. Ik had het mes de woensdag daarvoor voor het laatst gezien toen hij mijn video had geprobeerd te repareren.
13. Het middel faalt dus bij gebrek aan feitelijke grondslag.
14. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering. Naar mijn oordeel kan niet worden gezegd dat het eerste middel klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden. Daarvoor is te veel uitleg noodzakelijk om duidelijk te maken waarom het middel faalt.
15. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG