NJB 2024/1491:Een uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel maakt geen deel uit van de uitspraak in de strafzaak. Het in een strafzaak ingesteld cassatieberoep kan aldus niet in cassatie worden behandeld voor zover het is gericht tegen beslissingen ten aanzien van de ontnemingsmaatregel. Immateriële schade benadeelde partij wegens aantasting in de persoon ‘op andere wijze’, art. 6:106 aanhef en onder b BW: toepassing HR28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793. Van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. De Hoge Raad zet de eisen voor vaststelling van zodanige schade en de onderbouwing van een beroep op zodanige schade uiteen. In casu heeft het hof de toewijzing van de vordering tot vergoeding van immateriële schade van de benadeelde partij, mede in aanmerking genomen dat deze vordering namens de verdachte gemotiveerd is betwist, ontoereikend gemotiveerd omdat niet duidelijk is op welke in art. 6:106 BW vermelde grond en op welke vastgestelde omstandigheden de toewijzing is gebaseerd. Daarom kan ook de oplegging van de in art. 36f Sr voorziene maatregel niet in stand blijven. Verrekening indien dezelfde gebeurtenis voor de benadeelde naast schade tevens voordeel heeft opgeleverd, art. 6:100 BW: in casu is dit niet aan de orde nu gesteld noch gebleken is dat tussen de bewezenverklaarde feiten en de door de verdachte gepretendeerde aanspraak op huurtermijnen en bijkomende kosten, het door artikel 6:100 BW vereiste verband bestaat.