Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/1.5
1.5 Methoden
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90920:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Smits 2015, p. 31-36, 133-135.
Zweigert & Kötz 1998, p. 34; Kokkini-Iatridou 1998, p. 129-130, 135-137; Asser/Vranken Algemeen deel**** 2014/147. Kritisch over deze methode: Smits 2015, p. 49-52.
Zie paragraaf 1.4 voor de definitie van het begrip ‘voorrangspositie voor leverancierskrediet’.
Kokkini-Iatridou 1998, p. 22-23, 26-28; Smits 2015, p. 114-115. Dit lijkt ook te duiden als de empirisch-juridische methode van Smits. Zie Smits 2015, p. 112 e.v.
De Boer, WPNR 1992/6033, p. 42; De Boer, AA 1994, p. 306; Kokkini-Iatridou 1998, p. 15-16; Zweigert & Kötz 1998, p. 15-21; Jansen 1999, p. 8-9; Tijssen 2009, p. 57-60; Asser/Vranken Algemeen deel**** 2014/156.
Voorbeelden zijn (1) UNCITRAL Legislative Guide on Secured Transactions, paragraaf 62, p. 23; paragraaf 101-112, p. 55-58; paragraaf 67-73, p. 335-336; (2) de Pandwet in België, MvT, Parl. St. Kamer, 2012-12, nr. 2463/1,p. 10, 16-17.
De ULC is een non-profit organisatie die uniforme statelijke wetgeving ontwerpt en promoot. Deze organisatie stelt modelwetten op, maar heeft geen wetgevende macht. De leden zijn juristen die zijn benoemd door vertegenwoordigers van de statelijke regeringen.
Het ALI is een nationale onafhankelijke non-profit organisatie, bestaande uit rechters, wetenschappers en praktijkjuristen. Zij ontwerpt, herziet en publiceert Restatements of the Law, modelwetten en rechtsbeginselen die een enorme invloed hebben in de rechtspraak en wetgeving, evenals in de rechtswetenschap en het onderwijs.
Van den Heuvel 2004, p. 6.
MvA II, Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 389-390; MvA I Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1241.
Van Maanen, WPNR 1998/6309, p. 238; Kortmann, TvI 1998/7, p. 140; Tekstra 2001, p. 159; Verstijlen, TPR 2006/2, p. 1189-1191; Bartels 2007, p. 19; Bartels 2012, p. 31.
De Wet van11 juli 2013 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke zekerheden op roerende goederen betreft en tot opheffing van diverse bepalingen ter zake.
Dirix 2013, p. 77, 80 en 122; Del Corral & Geurts, NTBR 2014/31.
Zwalve 2008, p. 25-42.
Zie echter over de terminologische verschillen tussen het Nederlandse en Belgische recht: De Groot 1993, p. 27; Del Corral & Geurts, NTBR 2014/31, paragraaf 1.3.
Smits 2015, p. 46-47, 99-103.
Tijssen 2009, p. 107.
Hoofdstuk 2, paragraaf 2.8.1.3.
Voor de beantwoording van de onderzoeksvragen maak ik gebruik van juridisch-dogmatisch en rechtsvergelijkend onderzoek.1 Ik onderzoek het Nederlandse, Duitse, Belgische en Amerikaanse positieve recht aan de hand van de Nederlandse, Duitse, Belgische en Amerikaanse (model)wet, rechterlijke uitspraken, parlementaire geschiedenis, aan de wet ten grondslag liggende beginselen en de juridische literatuur.2 Ook zijn in hoofdstuk 2 de UNCITRAL Model Law on Secured Transactions met bijbehorende Legislative Guide en de Draft Common Frame of Reference onderzocht.
Voor het rechtsvergelijkende onderzoek is een tertium comparationis geformuleerd.3 Het onderzoek stelt niet één specifieke rechtsfiguur zoals het eigendomsvoorbehoud centraal, maar een onderwerp dat is geformuleerd vanuit een bepaalde functie. In dit onderzoek is de tertium comparationis de voorrangspositie voor leverancierskrediet.4 Op deze wijze kunnen het Nederlandse, Duitse, Belgische en Amerikaanse recht worden vergeleken, ook al kennen deze rechtsstelsels verschillende rechtsfiguren en juridische constructies waarop de voorrangspositie voor leverancierskrediet is vormgegeven.
Het doel van de rechtsvergelijking is ten eerste om inzicht te verschaffen in de argumenten die worden aangevoerd ter rechtvaardiging van de voorrangspositie voor leverancierskrediet. Ten tweede geeft het onderzoek een overzicht van verschillende wijzen waarop en mate waarin de voorrangspositie kan worden vormgegeven. Vervolgens dient de rechtsvergelijking om de rechtsgronden te expliciteren die deze overeenkomsten en verschillen kunnen verklaren.5 Ten derde kunnen de rechtsvergelijkende uitkomsten een inspiratiebron en argument vormen voor keuzes die de Nederlandse wetgever of rechter kan maken bij de beslechting van conflicten, discussies en invulling van leemtes in het recht. Ook biedt de rechtsvergelijking op plaatsen een argument en inspiratiebron voor de wijziging of heroverweging van het Nederlandse recht inzake de uitwerking van de voorrangspositie voor leverancierskrediet.6
Ik heb gekozen om rechtsvergelijkend onderzoek te verrichten naar het Nederlandse, Amerikaanse, Duitse en Belgische recht op grond van de volgende redenen.
De keuze voor het Amerikaanse recht is ingegeven door de functionele benadering die ten grondslag ligt aan Article 9 van de Uniform Commercial Code (hierna: Article 9 UCC). Deze benadering wordt door nationale en internationale wetgevers als inspiratiebron gebruikt bij de vormgeving of wijziging van het zekerhedenrecht.7 De benadering houdt in dat alle zekerheidsrechten in beginsel onder het begrip security interest en dus onder het toepassingsbereik van Article 9 UCC vallen. Dit geldt ook voor het eigendomsvoorbehoud. Wel geeft Article 9 UCC de kredietverstrekkende leverancier de mogelijkheid om een beperkt zekerheidsrecht met superpriority te bedingen, een purchase-money security interest, waarmee hij een eersterangs zekerheidsrecht verkrijgt op de geleverde zaken ongeacht het moment van vestiging. Deze functionele benadering is dus op het eerste gezicht een geheel andere dan de formele benadering die aan het Nederlandse recht ten grondslag ligt. Het resultaat van de purchase-money security interestin Article 9 UCC lijkt daarentegen in grote lijnen vergelijkbaar te zijn met het eigendomsvoorbehoud in het Nederlandse recht. Beide rechtsfiguren creëren een voorrangspositie voor leverancierskrediet.
Ik onderzoek op grond van welke argumenten dit resultaat in Article 9 UCC wordt gerechtvaardigd en in hoeverre deze argumenten ver- gelijkbaar zijn met de argumenten die in het Nederlandse, Belgische en Duitse recht zijn aangevoerd ter rechtvaardiging van de voorrangspositie voor leverancierskrediet. Daarnaast kijk ik in hoeverre deze functionele benadering van het zekerhedenrecht in Article 9 UCC leidt tot vergelijkbare of verschillende uitkomsten voor de voorrangspositie voor leverancierskrediet. Met betrekking tot het Amerikaanse zekerhedenrecht beperk ik mij tot de UCC. Deze door de Uniform Law Commission (ULC8) en het American Law Institute (ALI9) opgestelde modelwet is door elke staat in de Verenigde Staten van Amerika geïncorporeerd in de statelijke wetgeving, eventueel met kleine wijzigingen. Article 9 UCC geeft in grote lijnen het geldende recht in de Verenigde Staten weer op het gebied van het zekerhedenrecht met betrekking tot roerende zaken. De keuze voor Article 9 UCC en niet diens incorporatie in één of meerdere staten is ingegeven door het feit dat de modelwet geen ‘last’ heeft van bestaande statelijke wetgeving en daarom niet gewijzigd wordt door dergelijke regels bij een implementatie. Daarnaast hebben de ontwerpers van Article 9 UCC bij het ontwerpen van de modelwet een aantal policy decisions (normatieve keuzes) als uitgangspunt genomen. Deze policy decisions zijn vertaald in rechtsregels die zijn neergelegd in Article 9 UCC.10 Door Article 9 UCC te onderzoeken, zie ik de directe vertaling van de policy decisionsin concrete rechtsregels.
Voor het Duitse recht is gekozen, omdat dit rechtsstelsel in grote lijnen uitgaat van dezelfde beginselen en systematiek als het Nederlandse recht. Het Duitse recht was een inspiratiebron voor de ontwerpers van het huidige Nederlandse BW, evenals bij het ontwerp van art. 3:92 BW over het eigendomsvoorbehoud.11 Daarnaast is het Duitse recht voor de Nederlandse literatuur een bron van ideeën voor oplossingen ter voorkoming of ondervanging van het verlies van de voorrangspositie voor leverancierskrediet in het Nederlandse recht. Gedacht kan worden aan de Verarbeitungsklausel in het kader van zaaksvorming.12
De invoering van de Pandwet is de directe aanleiding geweest voor de keuze voor het Belgische recht.13 In de memorie van toelichting wordt aangegeven dat de Pandwet onder meer tot doel heeft om de voorrangspositie van de leverancier te versterken.14 De wijze waarop dit vervolgens wordt vormgegeven, biedt mogelijk interessante inzichten en inspiratie voor het Nederlandse recht. Daarnaast ligt aan de Pandwet een functionele benadering ten grondslag in navolging van onder andere Article 9 UCC. Deze functionele benadering uit een common law-systeem wordt ingepast in een civil law-systeem15 en vormt dus een inspiratiebron bij een potentiële implementatie van onderdelen van de functionele benadering in de Nederlandse wet. Verder is de gemeenschappelijke taal een reden om te kiezen voor een vergelijking met Belgisch recht16, evenals het feit dat België, net als Duitsland, een direct buurland en een belangrijke handels- partner is voor Nederland.
Naast een rechtsvergelijkend onderzoek van deze vier rechtsstel- sels, heb ik in hoofdstuk 2 onderzoek verricht naar de UNCITRAL Legislative Guide on Secured Transactions en de bijbehorende Model Law en naar de Draft Common Frame of Reference. Bij de totstandkoming van deze internationaal gehanteerde modelwetten zijn verschillende benaderingen en beleidskeuzes bekeken en is uiteindelijk de – in de ogen van de ontwerpers – beste benadering of oplossing gekozen. Deze keuzes zijn met normatieve argumenten onderbouwd. Dit geldt ook voor de vormgeving van een voorrangspositie voor leverancierskrediet. Beide modelwetten kennen een dergelijke voorrangspositie en onderbouwen waarom zij dit een gerechtvaardigde uitkomst achten. Dit biedt inzichten en een steunargument voor het bestaan en de rechtvaardiging van de voorrangspositie voor leverancierskrediet.
In hoofdstuk 2 heb ik ook economische en rechtseconomische onderzoeken verwerkt.17 Ik heb gebruikt gemaakt van bestaande economische onderzoeken op het gebied van kredietverlening en de gevolgen van een dergelijke kredietverlening voor de economie. Deze onderzoeken heb ik gevonden door middel van de sneeuwbalmethode.18 Voor het onderzoek naar de rechtseconomische literatuur heb ik mij beperkt tot literatuur over de puzzle of secured credit19 en de economische rechtvaardiging voor de toekenning van superprioriteit aan het zekerheidsrecht van de kredietverstrekkende leverancier. Ik heb zelf geen rechtseconomisch onderzoek verricht, maar gebruik gemaakt van veelgeciteerde bronnen en artike- len van veelgeciteerde auteurs.
Tot slot twee terminologische opmerkingen in het kader van het rechtsvergelijkende onderzoek. Ten eerste vat ik de U.S. Bankruptcy Code en de Uniform Commercial Code, in het bijzonder Article 9 UCC, uit de Verenigde Staten van Amerika onder het begrip Amerikaans recht. Ten tweede worden in de hoofdstukken 8 tot en met 11 de gevolgen van de leerstukken roerendenatrekking, eigenlijke en oneigenlijke vermenging en zaaksvorming voor de voorrangspositie voor leverancierskrediet besproken. Aan de hand van de beschrijving van elk van deze vier leerstukken in het Nederlandse recht heb ik gezocht naar inhoudelijk vergelijkbare rechtsfiguren in de andere drie rechtsstelsels. Zo is roerende natrekking in het Nederlandse recht op hoofdlijnen vergelijkbaar met Verbindung in het Duitse recht, bewerking in het Belgische recht en accession in Article 9 UCC. Eigenlijkevermenging wordt in het Duitse recht aangeduid als Vermengung und Vermischung, in het Belgische recht als vermenging en in Article 9 UCC wordt dit commingling genoemd. Zaaksvorming in het Nederlandse recht is vergelijkbaar met zaakvorming of verwerking in het Belgische recht, Verarbeitung in het Duitse recht en commingling in het Amerikaanse recht. Oneigenlijkevermenging wordt in het Nederlandse recht als een apart leerstuk gezien. In het Duitse, Belgische en Amerikaanse recht is het daarentegen een vorm van Vermengung, vermenging of commingling. Hieruit kan niet worden geconcludeerd dat de leerstukken in de vier rechtsstelsels ook exact hetzelfde zijn. Er bestaan verschillen in de toepassingsvereisten voor de leerstukken en in de gevolgen voor de voorrangspositie voor leverancierskrediet. Zo wordt in het Amerikaanse recht bij elke samenvoeging van zaken aangenomen dat sprake is van accession, terwijl in het Duitse recht sprake moet zijn van de vereniging van wezenlijke bestanddelen voor Verbindung. Dit kan tot grote verschillen in uitkomst leiden. Zo wordt een motor die in een auto wordt geplaatst op grond van Article 9 UCC een bestanddeel, evenals in het Nederlandse en Belgische recht, maar in het Duitse recht blijft het een zelfstandige zaak. Anderzijds leidt bestanddeelvorming in het Amerikaanse recht niet tot het verlies van het zekerheidsrecht voor de leverancier. Dit is ook de uitkomst in het Duitse recht, maar die wordt op een andere wijze vormgegeven.