Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/11.3.1
11.3.1 De gevolgen van zaaksvorming voor het eigendomsvoorbehoud
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90791:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Hierop ga ik in de volgende paragraaf uitgebreid in.
Gebruikt de zaaksvormer halffabricaten voor de vervaardiging van een nieuwe zaak, dan wordt de waarde van de halffabricaten in beginsel gebruikt bij de waardeberekening. Wordt daarentegen de waarde van de bestaande producten vernietigd, omdat de verwerking weer van ruwmateriaal uitgaat, dan moet worden uitgegaan van de waarde van het ruwe materiaal. Wieling 2007, p. 142-143.
NvW, Parl. Gesch. Boek 5 BW, p. 111. Vgl. Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/79.
Van zaaksvorming is naar Duits recht sprake als één of meer materialen worden verwerkt, bewerkt of omgevormd tot een nieuwe zaak door een arbeidsprestatie.1
§950 BGB kent met het Nederlandse recht vergelijkbare vereisten voor zaaksvorming. Er moet sprake zijn van een menselijke of een door mensen gestuurde bewerking van de zaak of zaken.2 Daarnaast moet door de vorming een nieuwe zaak zijn ontstaan. Dit wordt beoordeeld op grond van de verkeersopvatting.3 Aanwijzingen zijn onder meer het verschil in benaming van de zaken en een gewijzigd gebruiksdoel.4 Biedt de verkeersopvatting onvoldoende houvast, dan kunnen ook economische gezichtspunten bij de beoordeling betrokken worden volgens het BGH.5
Zaaksvorming heeft tot gevolg dat rechten op de oorspronkelijke zaken vervallen (§950 lid 2 BGB). Zij is een originaire wijze van eigendomsverkrijging.6 De eigendom van de nieuwe zaak wordt in beginsel toegewezen aan de Hersteller op grond van §950 lid 1 BGB. Dit kan de fabrikant zijn, maar ook een opdrachtgever of andere derde. De fabrikant kan dus voor zichzelf of voor een ander vormen.
Voor wie de fabrikant vormt, wordt beoordeeld aan de hand van de rechtsverhouding tussen partijen.7 Eigenaar wordt degene ‘in dessen Namen und wirtschaftlichem Interesse hergestellt wird’, zo oordeelt het BGH.8 Wie dit is, moet worden bepaald op grond van de verkeersopvatting. In dit kader is van belang voor wiens rekening en risico de fabricage plaatsvindt, wie zeggenschap heeft over de productiewijze en vorm van het product, wie het afzetrisico draagt en wie eigenaar is van de gebruikte materialen. Tot slot is relevant wat partijen hebben afgesproken over voor wie gevormd wordt.9 Levert de leverancier bijvoorbeeld de zaken onder eigendomsvoorbehoud zonder verdere invloed te hebben op de productie, het afzetrisico te lopen of een Verarbeitungsklausel10 overeen te komen, dan is de fabrikant en niet de leverancier de Hersteller. Deze beoordeling en eigendomstoewijzing is vergelijkbaar met art. 5:16 lid 2 BW.
Op deze hoofdregel van eigendomstoewijzing bij zaaksvorming in het Duitse recht geldt een uitzondering. De eigendom wordt niet aan de Hersteller toegewezen, indien de waarde van de arbeid aanzienlijk lager is dan de waarde van de materialen (§950 lid 1 1e zin BGB).11 Om dit te bepalen dient de waarde van het materiaal in het economisch verkeer te worden vergeleken met de waarde die de Hersteller met zijn vormende arbeid toevoegt aan de nieuwe zaak. Deze arbeidswaarde wordt berekend door de waarde van de nieuwe zaak te verminderen met de waarde van de gebruikte zaken.12 Het gaat dus niet om de in de fabricage geïnvesteerde kosten, maar om de door de arbeid teweeggebrachte waardestijging van de zaak.13 Of in een concreet geval sprake is van een aanzienlijk geringere arbeidswaarde ten opzichte van de materiaalwaarde moet worden beoordeeld aan de hand van de verkeersopvatting.14 Het BGH heeft enige richting gegeven door te oordelen dat sprake is van een aanzienlijk geringere waarde, indien de waardeverhouding tussen het materiaal en de arbeid 100:60 is.15
Is de waarde van de arbeid aanzienlijk geringer, dan wordt de eigendom niet toegewezen aan de Hersteller, maar zijn de regels van eigendomstoewijzing bij natrekking van toepassing. De eigendom wordt toegewezen aan de oorspronkelijke eigenaar(s). De leverancier wordt dus (mede-)eigenaar van de nieuwe zaak.16
Een vergelijkbare regel van eigendomstoewijzing kent het Nederlandse recht in art. 5:16 lid 2 slot BW. De eigendomstoewijzing aan de vormer of degene die voor zich laat vormen is niet gerechtvaardigd indien ‘de kosten van de vorming dit wegens hun geringe omvang niet rechtvaardigen’. Anders dan in het Duitse recht geeft de Hoge Raad geen aanknopingspunten om te bepalen wanneer van een dergelijk aanmerkelijk waardeverschil sprake is. Wel volgt uit de parlementaire geschiedenis dat de kosten van vorming zowel de arbeidskosten als de vaste kosten van installaties en het fabrieksgebouw omvatten. Dit verschilt van het Duitse recht, waar slechts gekeken wordt naar de waarde die de arbeid toevoegt aan de nieuwe zaak. In dat kader wordt echter dikwijls een deel van de in de fabricage geïnvesteerde kosten verdisconteerd in de prijs van de nieuwe zaak en op deze wijze toch meegenomen worden in het Duitse recht bij de bepaling van de waarde van de arbeid.17 Vervolgens is de eigendomstoewijzing in beide rechtsstelsels vergelijkbaar. Zowel in het Nederlandse als Duitse recht wordt aangesloten bij de oorspronkelijke eigendomsverhoudingen, omdat de geringe waarde van de arbeid de eigendomstoewijzing aan de vormer niet rechtvaardigt.