Rb. Den Haag, 12-12-2019, nr. SGR 19/5488
ECLI:NL:RBDHA:2019:13842
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
12-12-2019
- Zaaknummer
SGR 19/5488
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2019:13842, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 12‑12‑2019; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
- Vindplaatsen
Belastingblad 2020/220 met annotatie van A.W. Schep
NLF 2020/0409
FutD 2020-0429
Viditax (FutD) 2020020719
Viditax (FutD) 2020020720
Uitspraak 12‑12‑2019
Inhoudsindicatie
Eiser heeft voor het parkeren van zijn auto op een parkeerplaats in de Laan van Van der Gaag € 5,25 parkeerbelasting voldaan. Verweerder heeft een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat niet geparkeerd was met een dagvergunning. De rechtbank is van oordeel dat ter plaatse voldoende duidelijk is aangegeven welk parkeerregime geldt en dat in de Laan van Van der Gaag alleen met dagvergunning geparkeerd mag worden. De naheffingsaanslag is in beginsel dan ook terecht opgelegd. Verweerder heeft bij het opleggen van de naheffingsaanslag ten onrechte geen rekening gehouden met de reeds door eiser betaalde parkeerbelasting van € 5,25. De verwijzing door verweerder naar het arrest van de Hoge Raad van 18 januari 2019 (ECLI:NL:HR:2019:56) kan hem niet baten omdat dit arrest betrekking heeft op een andere situatie, namelijk het betalen van parkeerbelasting per uur. Dit heeft tot gevolg dat eiser materieel € 5,25 teveel aan parkeerbelasting heeft voldaan. De naheffingsaanslag is daarom met € 5,25 verminderd tot een bedrag van € 85,25. Beroep gegrond.
Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 19/5488
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
12 december 2019 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, verweerder.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 8 augustus 2019 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2019. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] .
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot € 85,25 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiser te vergoeden.
Overwegingen
1. Verweerder is in de uitspraak op bezwaar niet ingegaan op de door eiser in bezwaar uitvoerig beschreven afgelegde route en de verkeersborden die hij daarbij is gepasseerd. Daarmee kleeft aan de uitspraak op bezwaar een motiveringsgebrek. De rechtbank heeft daarin aanleiding gezien verweerder op te dragen het door eiser betaalde griffierecht aan hem te vergoeden. De rechtbank zal in het kader van artikel 8:41a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de zaak niet terugverwijzen naar verweerder om het motiveringsgebrek te herstellen maar zal zelf de zaak inhoudelijk behandelen omdat verweerder in het verweerschrift voldoende is ingegaan op de argumenten van eiser.
2. Op 13 juli 2019 om 13:57 uur stond de auto van eiser met kenteken [kenteken] (de auto) geparkeerd op een parkeerplaats in de [straatnaam] te [plaats] . Deze locatie is door burgemeester en wethouders aangewezen als parkeerplaats waar uitsluitend mag worden geparkeerd door vergunningshouders of met een dagvergunning. Eiser heeft voor het parkeren € 5,25 parkeerbelasting voldaan voor de periode van 13:02 uur tot 15:32 uur.
3. Tijdens een controle op voornoemde datum en tijdstip is geconstateerd dat niet geparkeerd was met een dagvergunning. Naar aanleiding daarvan is de naheffingsaanslag opgelegd.
4. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
5. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser het verkeersbord op de kruising van het Zuideinde met de Abtswoudeweg is gepasseerd waarop is aangegeven dat een parkeerzone wordt ingereden waarbij geparkeerd mag worden door vergunningshouders of uitsluitend met een dagvergunning. Het betreft een zogenoemd herhalingsbord. Vervolgens is eiser geen verkeersbord gepasseerd waarop is aangegeven dat de eerder aangegeven parkeerzone is geëindigd. De stelling van eiser dat het hiervoor genoemde bord op zeer ruime afstand van de parkeerplek is geplaatst en dat hij vervolgens op de afgelegde route geen herhaalborden is gepasseerd, is onvoldoende om te kunnen concluderen dat het eerder gepasseerde bord niet meer geldig is.
6. Eiser stelt dat hij bij het inrijden van de straat [straatnaam] geen bord heeft gezien. Vervolgens heeft eiser na ongeveer 30 meter, waar de straat overgaat in de [straatnaam] , aan de rechterzijde bij de ingang van de straat [straatnaam] een bord gezien waarop staat dat zowel door vergunninghouders als tegen betaling per uur kan worden geparkeerd. Eiser is echter deze straat niet ingereden maar is doorgereden en heeft de auto geparkeerd in de [straatnaam] . Eiser had in redelijkheid niet kunnen concluderen dat het parkeerregime ter plekke is gewijzigd van dagvergunning naar betaald parkeren per uur omdat het betreffende bord aan de ingang van [straatnaam] is geplaatst – en dus voor en vanaf deze straat bestemd is- terwijl eiser is doorgereden. De rechtbank is van oordeel dat ter plaatse voldoende duidelijk is aangegeven welk parkeerregime geldt en dat in de [straatnaam] alleen met dagvergunning geparkeerd mag worden. De naheffingsaanslag is in beginsel dan ook terecht opgelegd.
7. Verweerder heeft bij het opleggen van de naheffingsaanslag ten onrechte geen rekening gehouden met de reeds door eiser betaalde parkeerbelasting van € 5,25. De verwijzing door verweerder naar het arrest van de Hoge Raad van 18 januari 2019 (ECLI:NL:HR:2019:56) kan hem niet baten omdat dit arrest betrekking heeft op een andere situatie, namelijk het betalen van parkeerbelasting per uur. In de [straatnaam] bedraagt het minimale en maximale tarief per dag echter € 29,50 waardoor geen sprake is van een situatie waarbij eiser vanuit oogpunt van doelmatigheid forfaitair naheft op basis van een parkeerduur van een uur ter voorkoming van het naheffen op basis van de werkelijke parkeerduur die is verstreken bij de constatering dat zonder betaling is geparkeerd. Dit heeft tot gevolg dat eiser materieel € 5,25 teveel aan parkeerbelasting heeft voldaan. De naheffingsaanslag is daarom met € 5,25 verminderd tot een bedrag van € 85,25.
8. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep gegrond verklaard.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, omdat geen kosten zijn gesteld.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, rechter, in aanwezigheid van
mr. J. Roodhorst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 december 2019.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,
2500 EH Den Haag.