Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/1.2
1.2 Probleemstelling
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90846:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
MvA II, Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 388.
HR 3 februari 2012, NJ 2012, 261 (Dix q.q./ING),r.o. 4.9.4.
Antwoord op vragen van de leden Van Nispen en Leijten over de sterke rechtspositie van banken in het geval van insolventie, Kamerstukken II 2017/18, 3010, p. 4.
Ook anderen in de literatuur betwijfelen of de leverancier wel bewapend is tegen het pandrecht van de bank zoals de Hoge Raad overweegt. Zie onder meer Tekstra 2001, p. 156-157; Verstijlen in zijn noot onder HR 3 februari 2012, NJ 2012/261, onder 10; Kaptein, NTBR 2012/30, par. 4; Spath, NTBR 2012/45, par. 1; Verheul, NTBR 2014/16, par. 1; Del Corral & Geurts, NTBR 2014/31, par. 1.
Het Nederlandse, Duitse, Belgische en Amerikaanse recht bieden zekerheid voor leverancierskrediet. Hierbij wordt een rechtvaardige verhouding gezocht tussen enerzijds de rechten van de leverancier en anderzijds de rechten van andere schuldeisers van de koper, in het bijzonder de bank. In het Nederlandse recht merkte de minister in het kader van de invoering van een regeling over het eigendomsvoorbehoud op dat de leverancier niet slechts een stil pandrecht moet kunnen bedingen tot zekerheid van betaling van het verstrekte leverancierskrediet. Doorgaans heeft de koper namelijk eerder alle huidige en toekomstige goederen stil verpand aan de bank. De leverancier verkrijgt dan een tweede pandrecht op grond van de prioriteitsregel ‘eerder in tijd, sterker in recht’. Aan de leverancier moet voorrang worden geboden vóór andere schuldeisers, waaronder de bank. De minister schrijft:
“Wie goederen levert, behoort zich hiertegen [een eerder gevestigd stil pandrecht ten gunste van de bank] te kunnen wapenen.”1
Deze door de wetgever beoogde rechtvaardige verhouding wordt volgens de Hoge Raad (in het algemeen) bereikt, zo blijkt uit het arrest Dix q.q./ING. De Hoge Raad oordeelt:
“Voor zover zij [de schuldeisers] goederen leveren aan, of diensten verrichten ten behoeve van bedrijven, staan hun in het algemeen voldoende mogelijkheden ten dienste zich eigendom voor te behouden of zekerheid te bedingen voor de voldoening of het verhaal van hun vorderingen.”2
Recent merkte de minister opnieuw op dat de bank een sterke zekerhedenpositie heeft, maar de leverancier mogelijkheden heeft om een ‘sterkere positie’ te verkrijgen. In zijn antwoorden op Kamervragen over de sterke positie van banken in insolventies schrijft de minister:
“Zo kunnen leveranciers een eigendomsvoorbehoud bedingen ten aanzien van de door hen geleverde zaken. (…) Een zaak onder eigendomsvoorbehoud kan eveneens worden verpand aan een bank. Na de faillietverklaring van de koper zal de bank dat pandrecht pas kunnen uitwinnen als de koopprijs volledig is voldaan aan de leverancier en het eigendomsvoorbehoud is komen te vervallen. In dat geval heeft de leverancier een sterkere positie dan de bank met een pandrecht ten aanzien van het betreffende goed. Voor in een faillissement betrokken leveranciers is het eigendomsvoorbehoud dus een goed werkend recht.”3
Gezien de vele situaties waarin naar Nederlands recht de zekerheid voor leverancierskrediet vervalt, vraag ik mij af of deze veronderstelling juist is.4 Onder meer kan gedacht worden aan situaties waarin de geleverde zaken worden verwerkt tot een nieuwe zaak of worden doorverkocht aan afnemers.
Hiermee wijkt het Nederlandse recht af van het Duitse, Belgische en Amerikaanse recht. In deze landen zijn wel voorzieningen getroffen voor de bescherming van de voorrangspositie voor leverancierskrediet. Voorbeelden zijn (i) de Verarbeitungsklausel in het Duitse recht waarmee de zekerheid van de leverancier wordt verlengd tot de nieuwe zaak die ontstaat door zaaksvorming; (ii) de verkrijging van een zekerheidsrecht op de vordering uit doorverkoop op grond van zaaksvervanging in het Belgische recht en; (iii) het behoud van een zekerheidsrecht van de leverancier op de zaak die een bestanddeel wordt van een andere zaak in het Amerikaanse recht.5 Dit verschil tussen het Nederlandse recht en het Duitse, Belgische en Amerikaanse recht is opvallend, omdat de rechtsstelsels het allemaal gerechtvaardigd achten om voorrang toe te kennen voor leverancierskrediet op grond van vergelijkbare argumenten die in hoofdstuk 2 worden besproken. Daarom vraag ik mij af hoe groot de verschillen tussen de rechtsstelsels zijn bij het toekennen van voorrang voor leverancierskrediet, of het Nederlandse recht mogelijk gewijzigd of anders ingevuld moet worden binnen de bestaande kaders dan wel door wettelijk of rechterlijk ingrijpen en op welke wijze deze wijziging of invulling vormgegeven kan worden.