Het verzoekschrift is op 16 februari 2010 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen.
HR, 22-04-2011, nr. 10/00597
ECLI:NL:HR:2011:BP4808
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
22-04-2011
- Zaaknummer
10/00597
- Conclusie
Mr. E.M. Wesseling-van Gent
- LJN
BP4808
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht / Alimentatie
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2011:BP4808, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 22‑04‑2011; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BP4808
ECLI:NL:PHR:2011:BP4808, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 11‑02‑2011
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BP4808
- Vindplaatsen
Uitspraak 22‑04‑2011
Inhoudsindicatie
Familierecht. Echtscheiding. Vaststelling partneralimentatie. (81 RO)
22 april 2011
Eerste Kamer
10/00597
RM/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. J. Brandt, thans mr. G.R. den Dekker.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak 144574/FA RK 08-1647 van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 25 juli 2008;
b. de beschikking in de zaak 200.012.492 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, van 17 november 2009.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren J.C. van Oven, als voorzitter, W.A.M. van Schendel en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 22 april 2011.
Conclusie 11‑02‑2011
Mr. E.M. Wesseling-van Gent
Partij(en)
Conclusie inzake:
[De vrouw]
tegen
[De man]
Deze zaak, waarin de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw aan de orde is, leent zich voor een verkorte conclusie.
1.1
Bij beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, van 25 juli 2007 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 14 november 2007 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand. Vervolgens heeft de rechtbank — voor zover in cassatie nog van belang — op verzoek van de vrouw bij beschikking van 25 juli 2008 de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van 25 april 2008 bepaald op € 1.472,- per maand.
1.2
Het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, heeft bij beschikking van 17 november 2009 de door de man bestreden beschikking van de rechtbank van 25 juli 2008 vernietigd en de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 25 april 2008 bepaald op € 308,- per maand.
1.3
Het tijdig1. door de vrouw ingestelde cassatieberoep bevat één middel dat zich in de kern richt tegen de rechtsoverweging (te weten: rechtsoverweging 78) waarin het hof oordeelt dat het bij de beoordeling van de woonlasten die zijn verbonden aan de voormalig echtelijke woning, voorbijgaat aan de afspraak die partijen hebben gemaakt in de vaststellingsovereenkomst, inhoudende dat als de woning op 1 september 2009 nog niet is verkocht, de vrouw alle lasten van de woning draagt.
Het middel betoogt dat de beschikking van het hof redengevende kracht mist nu het hof op 17 november 2009 recht diende te doen op de ná 1 september 2009 geldende situatie.
1.4
De klacht faalt.
Zoals het hof uitdrukkelijk overweegt, baseert het zijn oordeel op de op dat moment voor handen zijnde informatie. Het is het hof echter onduidelijk of en, zo ja, in hoeverre partijen daadwerkelijk uitvoering hebben gegeven aan voornoemde afspraak uit de vaststellingsovereenkomst en welke gevolgen dit zal hebben voor de betaling van de rente en de al dan niet fiscale aftrekbaarheid daarvan. De onbekendheid met de feitelijke situatie van na 1 september 2009 is dus te wijten aan het feit dat partijen, onder wie de vrouw, het hof niet nader hebben geïnformeerd. Dit komt voor rekening van partijen.
1.5
Nu in deze zaak geen rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling behoeven te worden beantwoord, kan het cassatieberoep m.i. worden verworpen met toepassing van art. 81 RO.
2. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑02‑2011