HR, 17-04-2012, nr. 10/01741
ECLI:NL:HR:2012:BU6913
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
17-04-2012
- Zaaknummer
10/01741
- Conclusie
Mr. Machielse
- LJN
BU6913
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2012:BU6913, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 17‑04‑2012
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BU6913
ECLI:NL:HR:2012:BU6913, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 17‑04‑2012; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BU6913
Beroepschrift, Hoge Raad, 14‑01‑2011
- Wetingang
- Vindplaatsen
NJ 2012/413 met annotatie van M.J. Borgers
NbSr 2012/233
Conclusie 17‑04‑2012
Mr. Machielse
Partij(en)
Nr. 10/01741
Mr. Machielse
Zitting 29 november 2011
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1.
Het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 7 december 2009 voor 1: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, meermalen gepleegd, en 2: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een werkstraf van 60 uur waarvan 30 uur voorwaardelijk. Voorts heeft het hof de vorderingen van benadeelde partijen toegewezen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd zoals in het arrest omschreven.
2.
Mr. M.A.J. van der Klauw, advocaat te Velsen Zuid, heeft cassatie ingesteld. Mr. D.R. Doorenbos, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie.
- 3.1.
De middelen 1 en 2 hebben betrekking op het gebruik voor het bewijs van de verklaringen van een anonieme getuige die aan de politie heeft gemeld dat iemand bezig was om auto's te beschadigen. Zij lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
- 3.2.
Als feit 1 heeft het hof, kort gezegd, bewezen verklaard dat verdachte op of omstreeks 24 juli 2008 te IJmuiden, gemeente Velsen, twee auto's heeft beschadigd doordat hij tegen die auto's heeft geschopt.
- 3.3.
Het hof heeft het bewijs doen rusten op de inhoud van de volgende bewijsmiddelen:
"1
. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 23 november 2009 inhoudende, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:
Ik fietste op 24 juli met mijn mountainbike op de IJmuiderslag te IJmuiden. gemeente Velsen. Ik droeg een zwarte korte broek en een zwart T-shirt. Toen ben ik ten val gekomen. Ik ben daar door de politie meegenomen.
2.
Een proces-verbaal van 25 juli 2008, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. Dit proces-verbaal (doorgenummerde bladzijden 8 en 9) houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisanten:
De verdachte [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats], is op 24 juli 2008 te 23.35 uur op de Umuiderslag te IJmuiden aangehouden.
Op 24 juli 2008, omstreeks 23.27 uur, werd door de meldkamer gemeld dat er op de IJmuiderslag te IJmuiden, gemeente Velsen, zojuist door een man op een fiets verschillende personenauto's waren vernield. Een getuige had gezien dat het om een man ging met een witte handdoek om zijn nek. Volgens die getuige zou de man erg dronken zijn. Wij, verbalisanten, waren om 23.32 uur ter plaatste en troffen een man aan die voldeed aan het opgegeven signalement. De man was zeer onvast ter been en zijn adem riekte sterk naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank."
De bewijsmiddelen 3 en 4 bevatten de aangiften.
Het vijfde bewijsmiddel wordt gevormd door een proces-verbaal, inhoudende de volgende door een anonieme getuige aan verbalisant afgelegde verklaring:
"Ik zat op een terras aan de IJmuiderslag te IJmuiden, gemeente Velsen. Ik zag een man met de fiets over de IJmuiderslag rijden. Ik zag dat de man viel, opstond en naar de aldaar geparkeerd staan auto's toeliep. Ik zag dat de man meerdere malen tegen de geparkeerd staande auto aantrapte. Ik zag dat de man daarna naar de daarnaast geparkeerde auto liep. Ik zag dat de man ook meerdere keren tegen de linker zijkant van die auto aan trapte. Ik zag dat de man met de mountainbike was, dat hij donkere kleding droeg en een witte handdoek om zijn nek had. Ik heb gezien dat er schade was aan beide auto's."
- 3.4.
In zijn verkort arrest heeft het hof over het bewijs nog het volgende overwogen:
"De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde vrijspraak zou moeten volgen, nu sprake is van de verklaring van één anonieme getuige en steunbewijs ontbreekt.
Het hof overweegt daaromtrent als volgt.
Een anonieme getuige heeft de politie gebeld en vervolgens aan de politie verklaard dat hij op 24 juli 2008 op de IJmuiderslag te IJmuiden een man tegen geparkeerd staande auto's heeft zien trappen, waarbij de getuige heeft gezien dat aan beide auto's schade ontstond. De getuige heeft verklaard dat hij zag dat de man met de mountainbike was, donkere kleding droeg en dat hij een witte handdoek om zijn nek had. De politie ontving de melding van de getuige omstreeks 23.27 uur.
Het hof is van oordeel dat deze verklaring in belangrijke mate steun vindt in de aangiftes die door eigenaren van aldaar geparkeerd staande auto's zijn gedaan, mede gelet op de in die aangiftes gerelateerde schade - waarvan ook blijkt uit de zich in het dossier bevindende foto's - en in het opgegeven signalement, waaraan de verdachte volgens het proces-verbaal van politie voldeed. Ook de verdachte zelf heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij op die dag op de IJmuiderslag in IJmuiden is geweest met zijn mountainbike en dat hij een zwarte korte broek en een zwart t-shirt droeg. De politie heeft de verdachte omstreeks 23.35 uur bij de IJmuiderslag te IJmuiden aangehouden. Gelet op dit alles, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof de verklaring van de anonieme getuige bruikbaar voor het bewijs en acht het het onder 1. ten laste gelegde bewezen."
- 3.5.
De inhoud van de artikelen 344a en 360 Sv, voor zover te dezen relevant, luidt aldus:
"Artikel 344a lid 3:
Een schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt, kan, buiten het geval omschreven in het tweede lid, alleen meewerken tot het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, indien ten minste aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- a.
de bewezenverklaring vindt in belangrijke mate steun in andersoortig bewijsmateriaal, en
- b.
door of namens de verdachte is niet op enig moment in het geding de wens te kennen gegeven om de in de aanhef bedoelde persoon te ondervragen of te doen ondervragen.
Artikel 360 lid 1:
- 1.
Van het gebruik als bewijsmiddel van het proces-verbaal van een verhoor bij de rechter-commissaris of rechtbank, houdende de verklaring
- -
van de getuige, bedoeld in artikel 216a, tweede lid, of
- -
van de bedreigde of afgeschermde getuige, of
- -
van de getuige verhoord op de wijze als voorzien in de artikelen 190, derde lid, en 290, derde lid,
of van schriftelijke bescheiden als bedoeld in artikel 344a, derde lid, geeft het vonnis in het bijzonder reden."
- 3.6.
Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de advocaat van verdachte voorwaardelijk verzocht de anonieme getuige te horen. Dat is niet gebeurd. In hoger beroep is dat verzoek niet herhaald. Mijns inziens is dat laatste niet relevant omdat verdachte "op enig moment in het geding" de wens te kennen heeft gegeven de anonieme getuige te kunnen ondervragen. Het derde lid van artikel 344a Sv is oorspronkelijk bij wet van 11 november 1993, Stb. 1993, 603 aan artikel 344 Sv toegevoegd. In de memorie van toelichting1. wijst de Minister op HR 2 juli 1990, NJ 1990, 692 m.nt. Van Veen, waarin de Hoge Raad een dergelijke eis stelde, welke eis de Minister in de wet wilde vastleggen. De Hoge Raad overwoog dat als uitgangspunt kan gelden dat in een proces-verbaal neergelegde verklaringen van anoniem gebleven personen in beginsel slechts bruikbaar zijn voor het bewijs indien is voldaan aan bepaalde voorwaarden.
"5.3.
Deze regel lijdt echter uitzondering in een geval als het onderhavige, dat hierdoor wordt gekenmerkt dat:
- -
uit de stukken van het geding niet blijkt dat door of namens de verdachte - die in beide instanties door een raadsman werd bijgestaan - op enig moment in het geding de wens te kennen is gegeven in de gelegenheid te worden gesteld de anoniem gebleven persoon wiens verklaring voor het bewijs is gebezigd, te ondervragen of te doen ondervragen;
- -
de bewezenverklaring in belangrijke mate steunt op bewijs uit andere, niet-anonieme, bron;
- -
de rechter heeft doen blijken dat hij de betrokken verklaring behoedzaam en terughoudend heeft gebezigd."
Uit de verwijzing naar de "beide instanties" maak ik op dat ook als in eerste instantie een verzoek om de anonieme getuige te horen is gedaan dit in het hoger beroep heeft te gelden als een verzoek gedaan "op enig moment in het geding". Aan de in artikel 344a lid 3 onder b Sv gestelde voorwaarde voor het gebruik voor het bewijs van een bescheid, houdende de de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt, is dus niet voldaan.2. Evenmin kan men mijns inziens zeggen dat de bewezenverklaring in belangrijke mate steun vindt in andersoortig bewijsmateriaal. Dat er vernielingen zijn aangericht aan de auto's blijkt wel uit de aangiftes en dat verdachte daar met een fiets in de buurt was is ook duidelijk. Maar het opgegeven signalement is afkomstig uit de verklaring van de anonieme getuige. Als de uitlatingen van de anonieme getuige volledig buiten beschouwing worden gelaten blijkt slechts van een strafbaar feit, maar niet van verdachte's betrokkenheid daarbij.
Vandaar ook dat naar mijn mening de bijzondere redenen die het hof in zijn overwegingen heeft opgenomen ter rechtvaardiging van het gebruik van de verklaring van de anonieme getuige tekortschieten.
De eerste twee middelen zijn gegrond.
- 4.1.
Het derde middel klaagt over de veroordeling voor feit 2. Uit de gebezigde bewijsmiddelen zou het bewijs van het opzet van verdachte niet kunnen worden afgeleid.
- 4.2.
Als feit 2 is bewezen verklaard, kort gezegd dat verdachte op 1 oktober 2008 te IJmuiden opzettelijk een wederrechtelijk meerdere ruiten van een woning, toebehorende aan Woningbedrijf Velsen, heeft vernield door tegen die ruiten te slaan et cetera.
- 4.3.
Bewijsmiddel 6 bevat de verklaring van verdachte waarin deze onder meer zegt dat hij van verbalisanten hoort dat hij is aangehouden voor vernieling en dat dat wel zo zal zijn omdat hij namelijk onder het bloed zit. Over de dikke hand merkt verdachte op dat hij die dikke hand nog niet had voor hij op bezoek was bij zijn vriend. Bewijsmiddel 7 bevat de verklaring van die vriend ([getuige]) inhoudende dat verdachte die avond behoorlijk aangeschoten was en helemaal door het lint ging. Toen heeft de getuige de politie gebeld. Terwijl hij aan het bellen was hoorde hij gerommel en glasgerinkel en daarna zag hij dat het raam tussen de keuken en het halletje stuk was. Bewijsmiddel 8 houdt als relaas van verbalisanten in dat zij zijn gegaan naar het adres [a-straat 1] te IJmuiden waar zij zagen dat het raam van de deur die toegang gaf tot galerij vernield was. Ook het raam in het halletje van de woning bleek vernield te zijn. [Getuige] zei dat de man die naar buiten wankelde alles vernield had. De verbalisanten hebben toen deze man, verdachte, aangehouden. Bewijsmiddel 9 tenslotte houdt de aangifte in namens het woningbedrijf Velsen.
- 4.4.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij wel schuldig is aan vernieling en heeft de verdediging geen verweer gevoerd ten aanzien van het opzet met betrekking tot feit 2.
Onder deze omstandigheden heeft het hof tot het oordeel kunnen komen dat verdachte opzettelijk de ruit heeft vernield. Ik neem daarbij in aanmerking dat verdachte "helemaal door het lint ging" waarmee getuige [getuige] niet anders dan bedoeld kan hebben dat verdachte woedend was, dat verdachte zijn hand heeft geblesseerd en dat [getuige] tegen verbalisanten heeft gezegd dat verdachte alles vernield had. Nu met betrekking tot het opzet geen verweer is gevoerd en verdachte zelfs heeft gezegd dat hij schuldig is aan vernieling heeft het hof het bewijs van het opzet uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden en is het impliciete oordeel van het hof dat er geen sprake zal zijn geweest van toeval of onvoorzichtigheid, waardoor de vernieling van de twee ruiten is veroorzaakt, alleszins begrijpelijk.
Het derde middel faalt.
- 5.
De eerste twee middelen zijn gegrond, hetgeen de vernietiging van het bestreden arrest, voor zover betrekking hebbende op de beslissingen ten aanzien van feit 1 - waaronder die over de vorderingen van benadeelde partijen - en de sanctieoplegging, tot gevolg dient te hebben. Naar mijn oordeel faalt het derde middel. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
- 6.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het de beslissingen betreft over feit 1 en de opgelegde sancties, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Amsterdam teneinde op het bestaande beroep in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 17‑04‑2012
HR 14 maart 2006, LJN AU9109; HR 2 november 2010, LJN BM9774.
Uitspraak 17‑04‑2012
Inhoudsindicatie
Art. 344a Sv: verklaring anonieme getuige als bewijsmiddel. 1. Ingevolge art. 360.1 en 360.4 Sv moet de rechter het gebruik van de verklaring van een anonieme getuige (als bedoeld in art. 344a.3 Sv) als bewijsmiddel op straffe van nietigheid nader motiveren. De rechter die in dat kader moet beoordelen of aan de in art. 344a.3.b Sv bedoelde voorwaarde is voldaan, moet nagaan of door de verdachte de wens te kennen is gegeven om deze persoon te (doen) ondervragen. Daartoe komt niet in aanmerking een verzoek buiten het verband van de terechtzitting dan wel op de terechtzitting in eerste aanleg gedaan dat niet in hoger beroep uitdrukkelijk is herhaald. Opmerking verdient dat dit oordeel aansluit bij de aan het zogenoemde voortbouwend appel van art. 415.2 Sv, zoals dat is ingevoerd bij de Wet stroomlijnen hoger beroep (Stb. 2006, 470) ten grondslag liggende gedachte dat de appelrechter zich bij de behandeling van de zaak kan concentreren op de geschilpunten die door de procesdeelnemers bij het instellen van het hoger beroep zijn kenbaar gemaakt en dat hij aan onbestreden onderdelen van het vonnis in eerste aanleg in beginsel geen aandacht behoeft te besteden mits hij deze onderdelen niet uit hoofde van zijn eigen verantwoordelijkheid voor de juiste beoordeling van de vragen van de art. 348 en 350 Sv aan de orde wil stellen. Het middel, dat van een andere opvatting uitgaat, is in zoverre tevergeefs voorgesteld. 2. In strijd met art. 360.1 Sv heeft het Hof nagelaten het gebruik van de verklaring van de anonieme getuigen als bewijsmiddel nader te motiveren (vgl. HR LJN ZD1460). De bewezenverklaring is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
Partij(en)
17 april 2012
Strafkamer
nr. S 10/01741
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 7 december 2009, nummer 23/001211-09, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. D.R. Doorenbos, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het de beslissingen betreft ten aanzien van feit 1 en de opgelegde sancties, tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1.
Het middel klaagt onder meer dat het Hof de bewezenverklaring onder 1 ten onrechte mede heeft gebaseerd op schriftelijke bescheiden inhoudende verklaringen van een persoon wiens identiteit niet blijkt.
2.2.
Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
"hij op of omstreeks 24 juli 2008 te IJmuiden, gemeente Velsen, opzettelijk en wederrechtelijk
- -
een personenauto (merk: Volvo, type V40, kenteken [AA-00-BB]), geheel of ten dele toebehorende aan [betrokkene 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of
- -
een bedrijfsauto (merk: Jeep, type: Cherokee, kenteken: [CC-00-DD]), geheel of ten dele toebehorende aan [A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,
heeft beschadigd, immers heeft hij, verdachte, (met kracht) meermalen tegen die personenauto en/of die bedrijfsauto geschopt/getrapt."
2.3.
Het middel doelt op de bewijsmiddelen 2 en 5, die in de aanvulling op het verkorte arrest als volgt zijn weergegeven:
"2.
Een proces-verbaal van 25 juli 2008, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. Dit proces-verbaal (doorgenummerde bladzijden 8 en 9) houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisanten:
De verdachte [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats], is op 24 juli 2008 te 23.35 uur op de IJmuiderslag te IJmuiden aangehouden.
Op 24 juli 2008, omstreeks 23.27 uur, werd door de meldkamer gemeld dat er op de IJmuiderslag te IJmuiden, gemeente Velsen, zojuist door een man op een fiets verschillende personenauto's waren vernield. Een getuige had gezien dat het om een man ging met een witte handdoek om zijn nek. Volgens die getuige zou de man erg dronken zijn. Wij, verbalisanten, waren om 23.32 uur ter plaatste en troffen een man aan die voldeed aan het opgegeven signalement. De man was zeer onvast ter been en zijn adem riekte sterk naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank.
- 5.
Een proces-verbaal van 25 juli 2008, opgemaakt door [verbalisant 1]. Dit proces-verbaal (doorgenummerde bladzijde 15) houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de op 24 juli 2008 te 23.45 uur tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van een anonieme getuige:
Ik zat op een terras aan de IJmuiderslag te IJmuiden, gemeente Velsen. Ik zag een man met de fiets over de IJmuiderslag rijden. Ik zag dat de man viel, opstond en naar de aldaar geparkeerd staan auto's toeliep. Ik zag dat de man meerdere malen tegen de geparkeerd staande auto aantrapte. Ik zag dat de man daarna naar de daarnaast geparkeerde auto liep. Ik zag dat de man ook meerdere keren tegen de linker zijkant van die auto aan trapte. Ik zag dat de man met de mountainbike was, dat hij donkere kleding droeg en een witte handdoek om zijn nek had. Ik heb gezien dat er schade was aan beide auto's."
2.4.
Deze bewijsmiddelen moeten worden aangemerkt als schriftelijke bescheiden houdende verklaringen van een persoon wiens identiteit niet blijkt als bedoeld in art. 344a, derde lid, Sv. Die bepaling luidt als volgt:
"Een schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt, kan, buiten het geval omschreven in het tweede lid, alleen meewerken tot het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, indien ten minste aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- a.
de bewezenverklaring vindt in belangrijke mate steun in andersoortig bewijsmateriaal, en
- b.
door of namens de verdachte is niet op enig moment in het geding de wens te kennen gegeven om de in de aanhef bedoelde persoon te ondervragen of te doen ondervragen."
2.5.1.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg houdt in dat de verdediging aldaar heeft verzocht de in de bewijsmiddelen 2 en 5 bedoelde persoon als getuige op te roepen. Het vonnis van de Politierechter is aangetekend in dat proces-verbaal. Blijkens die aantekening heeft de Politierechter dat verzoek afgewezen. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt in dat de verdachte aldaar is verschenen en ook zijn raadsman aanwezig was. Het proces-verbaal houdt niet in dat de raadsman van de verdachte ook toen heeft verzocht de hiervoor bedoelde persoon als getuige op te roepen, zodat in cassatie ervan moet worden uitgegaan dat een zodanig verzoek niet is gedaan.
2.5.2.
Het middel stelt de vraag aan de orde of art. 344a, derde lid, Sv in het onderhavige geval in de weg staat aan het gebruik van bedoelde schriftelijke bescheiden voor het bewijs. Het antwoord op die vraag luidt ontkennend.
2.5.3.
Ingevolge het ook in hoger beroep toepasselijke art. 360, eerste en vierde lid, Sv behoort de rechter het gebruik voor het bewijs van een schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt als bedoeld in art. 344a, derde lid, Sv op straffe van nietigheid nader te motiveren. De rechter die in dit kader moet beoordelen of aan de in art. 344a, derde lid onder b, Sv bedoelde voorwaarde is voldaan, dient na te gaan of door of namens de verdachte de wens te kennen is gegeven om de persoon als bedoeld in de aanhef van art. 344a, derde lid, Sv te ondervragen of te doen ondervragen. Als zodanig komt niet in aanmerking een daartoe buiten het verband van de terechtzitting dan wel op de terechtzitting in eerste aanleg gedaan verzoek dat in hoger beroep niet uitdrukkelijk is herhaald.
2.5.4.
Opmerking verdient dat dit oordeel aansluit bij de aan het zogenoemde voortbouwend appel van art. 415, tweede lid, Sv, zoals dat is ingevoerd bij de Wet stroomlijnen hoger beroep (Stb. 2006, 470) ten grondslag liggende gedachte dat de appelrechter zich bij de behandeling van de zaak kan concentreren op de geschilpunten die door de procesdeelnemers bij het instellen van het hoger beroep zijn kenbaar gemaakt en dat hij aan onbestreden onderdelen van het vonnis in eerste aanleg in beginsel geen aandacht behoeft te besteden mits hij deze onderdelen niet uit hoofde van zijn eigen verantwoordelijkheid voor de juiste beoordeling van de vragen van de art. 348 en 350 Sv aan de orde wil stellen.
2.5.5.
Het middel, dat van een andere opvatting uitgaat, is in zoverre tevergeefs voorgesteld.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1.
Het middel klaagt dat het Hof voor het bewijs van de bewezenverklaring onder 1 gebruik heeft gemaakt van schriftelijke bescheiden houdende verklaringen van personen wier identiteit niet blijkt, zonder dat gebruik naar de eis der wet te motiveren.
3.2.
Het Hof heeft ten aanzien van het bewijs het volgende overwogen:
"De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde vrijspraak zou moeten volgen, nu sprake is van de verklaring van één anonieme getuige en steunbewijs ontbreekt.
Het hof overweegt daaromtrent als volgt.
Een anonieme getuige heeft de politie gebeld en vervolgens aan de politie verklaard dat hij op 24 juli 2008 op de IJmuiderslag te IJmuiden een man tegen geparkeerd staande auto's heeft zien trappen, waarbij de getuige heeft gezien dat aan beide auto's schade ontstond. De getuige heeft verklaard dat hij zag dat de man met een mountainbike was, donkerre kleding droeg en dat hij een witte handdoek om zijn nek had. De politie ontving de melding van de getuige omstreeks 23.27 uur.
Het hof is van oordeel dat deze verklaring in belangrijke mate steun vindt in de aangiftes die door eigenaren van aldaar geparkeerd staande auto's zijn gedaan, mede gelet op de in die aangiftes gerelateerde schade - waarvan ook blijkt uit de zich in het dossier bevindende foto's - en in het opgegeven signalement, waaraan de verdachte volgens het proces-verbaal van politie voldeed. Ook de verdachte zelf heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij op die dag op de IJmuiderslag in IJmuiden is geweest met zijn mountainbike en dat hij een zwarte korte broek en een zwart t-shirt droeg. De politie heeft de verdachte omstreeks 23.35 uur bij de IJmuiderslag te IJmuiden aangehouden. Gelet op dit alles, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof de verklaring van de anonieme getuige bruikbaar voor het bewijs en acht het het onder 1. tenlastegelegde bewezen."
3.3.
Het Hof heeft in strijd met art. 360, eerste lid, Sv nagelaten het gebruik van de onder 2.3 bedoelde bewijsmiddelen nader te motiveren (vgl. HR 11 mei 1999, LJN ZD1460, NJ 1999/526). De bewezenverklaring is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
3.4.
Het middel is terecht voorgesteld.
4. Beoordeling van het derde middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat het eerste middel voor het overige geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde, waaronder begrepen de beslissingen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en de strafoplegging;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu, H.A.G. Splinter-van Kan, Y. Buruma en J. Wortel, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 17 april 2012.
Beroepschrift 14‑01‑2011
Middel-I
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt.
In het bijzonder is sprake van schending van de artikelen 344a, 350, 358, 359 jo415 Sv,
doordat
het hof voor de bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit gebruik heeft gemaakt van een tweetal schriftelijke bescheiden houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt,
terwijl
niet was / is voldaan aan de minimum voorwaarden die de wet daaraan stelt, omdat
- (a)
de bewezenverklaring niet in belangrijke mate steun vindt in andersoortig bewijsmateriaal en
- (b)
door of namens verzoeker wel degelijk op enig moment in het geding de wens te kennen is gegeven de anoniem gebleven persoon te (doen) ondervragen,
zodat
's‑hofs bewezenverklaring op dit onderdeel ondeugdelijk is te achten, althans onbegrijpelijk, althans onvoldoende met redenen omkleed.
Toelichting
De directe betrokkenheid van verzoeker bij het onder 1 bewezen verklaarde feit, kan slechts blijken uit de in processen-verbaal (bewijsmiddel nr 2 en nr 5) vervatte verklaringen van een onbekende, anoniem gebleven getuige.
Uitsluitend in deze (via een PV overgebrachte) verklaringen wordt een relatie gelegd tussen ‘een man op een fiets’ en de vernieling van personenauto's, door tegen die auto's aan te trappen.
De overige bewijsmiddelen houden op zichzelf niets in aangaande de betrokkenheid van verzoeker bij de vernieling.
Zijn eigen verklaring (bewijsmiddel nr 1) houdt slechts in dat hij al fietsend ten val is gekomen.
De resterende bewijsmiddelen (nr 3 en 4) hebben inhoudelijk betrekking op schade aan de personenauto's (van horen zeggen toegebracht door ‘iemand’ die tegen de auto had geschopt) maar leggen evenmin een relatie met verzoeker.
De schakel tussen verzoeker als fietser met mountainbike en zwarte kleding en de daadwerkelijke delictshandeling wordt uitsluitend gevormd door de verklaringen van de anonieme getuige en het signalement waar verzoeker volgens het hof aan voldeed.
Terzijde kan worden geconstateerd dat de door het hof gebezigde bewijsmiddelen (m.n. nr 2) strikt genomen niet inhouden dat de man die door de anonieme getuige werd beschreven (mededeling aan meldkamer omstreeks 23.27 uur) en de man die door de politie werd aangetroffen (om 23.32 uur) ook de man was die om 23.35 uur werd aangehouden.
Uitsluitend van die laatste man staat vast dat het verzoeker was; over welke man het overigens gaat, blijkt niet uit de bewijsmiddelen.
Nu aldus de verklaringen van de anonieme getuige — als weergegeven in de PV's die als bewijsmiddel nr 2 en 5 zijn gebezigd — de enige bewijsmiddelen zijn waaruit (via de band van het signalement) de betrokkenheid van verzoeker kan volgen, had het hof deze getuige ambtshalve moeten oproepen om hem/haar te horen.
Dit temeer waar die anonieme getuige heeft gesproken over de trappende fietser als ‘een man met een witte handdoek om zijn nek’ (zoals ook door het hof wordt overwogen in de nadere bewijsoverweging / arrest p. 3) en door en namens verzoeker ter zitting zowel in eerste aanleg als in hoger beroep onweersproken is gesteld dat hij geen witte handdoek bij zich heeft gehad.
Waar reeds voor een niet-anonieme getuigenverklaring zou moeten gelden dat het hof verplicht was ambtshalve de noodzaak te onderkennen van een oproeping ter zitting, geldt dit a fortiori hier, waar de getuige wel is gehoord door de politie maar verder anoniem is gebleven.
Daaraan stelt niet alleen de rechtspraak, maar ook de wet duidelijke eisen.
Aan de eerste eis, inhoudende dat de bewezenverklaring in belangrijke mate steun moet vinden in andersoortig bewijsmateriaal, is niet voldaan.
In de kern ziet de bewezenverklaring op het (met kracht) meermalen schoppen/trappen tegen twee auto's, maar ‘belangrijke steun’ voor die centrale delictshandeling bieden de gebezigde bewijsmiddelen toch niet.
In feite is er louter bewijs van schade aan auto's, maar de omschrijving daarvan sluit bepaald niet naadloos aan op de anonieme getuigenverklaring.
Zo wordt in bewijsmiddel 4 gerept van krassen op het dak en schade aan beide zijden van de auto, waar de anonieme getuige spreekt van trappen tegen de linker zijkant.
De tweede eis die de wet stelt aan het gebruik van anonieme getuigenverklaringen, houdt in dat door of namens de verdachte niet op enig moment in het geding de wens te kennen is gegeven om de anoniem gebleven persoon te (doen) ondervragen.
Ook aan deze eis is niet voldaan.
Ter zitting van de politierechter heeft verzoekers raadsman immers blijkens het zittings- PV (blad 7, bovenaan) uitdrukkelijk die wens verwoord:
‘Mocht u cliënt niet vrijspreken, verzoek ik u de anonieme getuige te horen.’
De politierechter heeft dit verzoek blijkens zijn einduitspraak afgewezen met de onnavolgbare overweging dat ‘gelet op de fase van het proces waarin de verdediging deze wens te kennen heeft gegeven, het verdedigingsbelang de politierechter onvoldoende duidelijk gebleken [is]’. (zie bewijsoverweging, op blad 10, onderaan).
Helder is dus dat de wens te kennen is gegeven. Weliswaar blijkt niet dat deze in hoger beroep is herhaald, maar dat is — gezien de tekst, achtergrond en strekking van artikel 344a lid 3 aanhef en onder b Sv — naar het oordeel van verzoeker ook niet vereist.
Kortom: het hof had de schriftelijke bescheiden houdende de verklaringen van de ano- nieme getuige niet voor het bewijs mogen gebruiken, zonder de eerder geuite wens van de verdediging te honoreren dan wel de anonieme getuige mede ambtshalve te doen oproepen / horen.
Op grond van het voorgaande moet worden geconcludeerd dat 's‑hofs bewezenverklaring ter zake van het onder 1 bedoelde feit ondeugdelijk is te achten, althans onbegrijpelijk, althans onvoldoende met redenen omkleed, zodat cassatie moet volgen.
Middel-II
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt.
doordat
het hof voor de bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit gebruik heeft gemaakt van een tweetal schriftelijke bescheiden houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt,
terwijl
het hof heeft verzuimd in het bijzonder reden te geven van dat gebruik, omdat het hof
- (a)
heeft nagelaten uiteen te zetten dat was / is voldaan aan de minimum voorwaarden die de wet daaraan stelt, inhoudende dat door of namens verzoeker niet op enig moment in het geding de wens te kennen is gegeven de anoniem gebleven persoon te (doen) ondervragen, en tevens
- (b)
heeft nagelaten ervan blijk te geven dat zelfstandig de betrouwbaarheid van de anonieme verklaringen te hebben onderzocht,
zodat
's‑hofs bewezenverklaring op dit onderdeel ondeugdelijk is te achten, althans onbegrijpelijk, althans onvoldoende met redenen omkleed.
Toelichting
Indien het hof zich had gehouden aan het motiveringsvereiste van artikel 360 lid 1 Sv had het wellicht geconstateerd dat namens verzoeker wel degelijk de wens is geuit de anoniem gebleven persoon te (doen) ondervragen: zie daaromtrent nader de toelichting bij Middel I hiervóór.
Het hof heeft dat echter ten onrechte niet gedaan en heeft er zelfs in het geheel geen blijk van gegeven — laat staan uitdrukkelijk, zoals te dezen is vereist (o.a. HR NJ 1998,22) — deze eis (vervat in art. 344a lid 3 onder b Sv) te hebben onderkend.
Het hof heeft voorts verzuimd zelfstandig de betrouwbaarheid van de betrokken verklaring te hebben onderzocht, althans heeft het hof verzuimd daarvan uitdrukkelijk blijk te geven zoals te dezen (op straffe van nietigheid) vereist is.
Da het hof de verklaring van de anonieme getuige ‘bruikbaar’ heeft geacht (zie de nadere bewijsoverweging op p. 3 van het arrest) is niet toereikend.
Niet alleen is ‘bruikbaar’ niet hetzelfde als betrouwbaar, maar ook is van belang dat nu juist omtrent de betrouwbaarheid van de verklaring ter zitting — zowel in eerste aanleg als in hoger beroep — uitdrukkelijk verweer is gevoerd.
Hetgeen de raadsman blijkens het zittings-PV heeft aangevoerd kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een regelrechte bestrijding van de inhoud en kwaliteit van de anonieme getuigenverklaring.
Daarbij geldt dat de betrouwbaarheid van die verklaring (uiteraard) geenszins als vanzelfsprekend mag worden aangenomen. Reeds de discussie over de door de getuige waargenomen witte handdoek om de nek — door verzoeker ontkend en blijkbaar ook nergens aangetroffen — en de situering van de anonieme getuige ‘op een terras’ (omstreeks 23:30 uur) waarbij onbekend is hoe het zicht van de getuige was (afstand tot de auto's, verlichting of duisternis, etc) en diens conditie (had ook de getuige misschien gedronken, was wellicht sprake van een benevelde waarneming?) zijn kwesties die tal van vragen oproepen.
Zonder de op straffe van nietigheid vereiste nadere motivering is 's‑hofs bewezenverklaring dan ook ondeugdelijk en/of onbegrijpelijk te achten, zodat ook op deze grond cassatie moet volgen.
Middel-III
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt.
In het bijzonder is sprake van schending van de artikelen 350 Sr en/of 350, 358, 359 jo 415 Sv,
doordat
het hof tot een bewezenverklaring is gekomen van het onder 2 ten laste gelegde feit, inhoudende dat verzoeker opzettelijk meerdere ruiten van een woning heeft vernield, doordat hij tegen die ruiten heeft geslagen en/of getrapt en/of geschopt,
terwijl
uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan blijken dat verzoeker, met de voor artikel 350 Sr vereiste mate van opzet, tegen die ruiten heeft geslagen en/of getrapt en/of geschopt,
zodat
's‑hofs bewezenverklaring op dit onderdeel ondeugdelijk is te achten, althans onbegrijpelijk, althans onvoldoende met redenen omkleed.
Toelichting
Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt allereerst dat verzoeker zelf geen herinnering heeft aan enige vernieling door slaan, trappen of schoppen.
Uit die bewijsmiddelen blijkt wel dat verzoeker volgens zijn vriend in behoorlijk aangeschoten toestand op bezoek kwam en ‘helemaal door het lint’ ging. Wat daarmee precies wordt bedoeld, blijkt echter niet.
Uit de bewijsmiddelen blijkt verder dat de vriend de politie belde en — daarmee bezig zijnde — gerommel en glasgerinkel hoorde. Toen hij klaar was met bellen zag hij een kapotte ruit.
Vervolgens lezen we in de bewijsmiddelen dat ruiten door de verbalisanten en het woningbedrijf als ‘vernield’ worden aangemerkt, terwijl de vriend van verzoeker kennelijk in algemene zin verklaarde aan de politie dat verzoeker ‘alles’ vernield had.
Daarmee blijft echter staan dat uit geen enkel bewijsmiddel kan blijken dat verzoeker met de voor vernieling in de zin van artikel 350 Sr vereiste mate van opzet tegen de bedoelde ruiten heeft geslagen, getrapt of geschopt.
Indien verzoeker slechts in zijn kennelijke staat van beschonkenheid ongelukkig ten val is gekomen, kunnenn de ruiten evenzeer zijn gesneuveld, maar dan zonder (opzettelijk) slaan, trappen of schoppen.
Uit de verklaring die verzoeker heeft afgelegd ter zitting van de politierechter (PV blad 5) volgt dat dit scenario reëel is, waar verzoeker verklaarde:
‘Ik had toen ontzettend veel rum gedronken en was echt dronken. (…) Ik kan me niet herinneren dat ik een raam heb ingeslagen. Ik heb wel glasgerinkel gehoord tegen mijn hoofd bij het heen en weer rennen.’
Gevallen met hoofd richting ruit, val afgeweerd met hand, daardoor een dikke hand bekomen: het is alleszins plausibel en de gebezigde bewijsmiddelen laten de mogelijkheid volledig open.
De kwalificerende term ‘vernieling’ wordt wel veelvuldig gebruikt in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, maar deze houden vervolgens duidelijk onvoldoende in om die kwalificatie van een bewijsrechtelijk fundament te voorzien.
Op grond van het voorgaande moet worden geconcludeerd dat 's‑hofs bewezenverklaring ter zake van het onder 2 bedoelde feit ondeugdelijk is te achten, althans onbegrijpelijk, althans onvoldoende met redenen omkleed, zodat cassatie moet volgen.
Deze schriftuur wordt ingediend door Mr D.R. Doorenbos, advocaat te Amsterdam, die hierbij verklaart tot indiening en ondertekening door verzoeker bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd.
Amsterdam, 14 januari 2011
Mr D.R. Doorenbos