Zie HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317, m.nt. T.M.C.J. Schalken, r.o. 3.30.
HR, 27-02-2024, nr. 21/05396
ECLI:NL:HR:2024:270
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
27-02-2024
- Zaaknummer
21/05396
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:270, Uitspraak, Hoge Raad, 27‑02‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:4
ECLI:NL:PHR:2024:4, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 09‑01‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:270
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0038
Uitspraak 27‑02‑2024
Inhoudsindicatie
Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. diefstal van gouden ketting, art. 310 Sr. Betekening dagvaarding in hoger beroep, art. 36e.3 Sv. Had afschrift van dagvaarding in h.b. moeten worden verzonden naar het bij eerste politieverhoor en in volmacht tot instellen van h.b. opgegeven adres van verdachte in Roemenië? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2002:AD5163 m.b.t. betekening van dagvaarding in geval van verdachte een adres in buitenland bekend is. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat uitreiking van dagvaarding in h.b. heeft plaatsgevonden aan medewerker van OM omdat woon- of verblijfplaats van verdachte niet bekend is, dagvaarding tevergeefs is aangeboden op (eerder opgegeven) adres in Nederland (met vermelding in akte dat geadresseerde niet (meer) op dat adres woont), terwijl uit p-v van verhoor van verdachte door politie en uit de door advocaat verstrekte schriftelijke bijzondere volmacht tot instellen van h.b. kan worden afgeleid dat van verdachte op moment van betekening een adres in Roemenië bekend was, en niet blijkt dat dagvaarding o.g.v. art. 36e.3 Sv is verzonden naar dit adres van verdachte in buitenland, is ‘s hofs oordeel dat dagvaarding in h.b. rechtsgeldig is betekend, niet toereikend gemotiveerd. HR verklaart betekening van dagvaarding in h.b. nietig. CAG: anders.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/05396
Datum 27 februari 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 22 december 2021, nummer 23-002218-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft P.D. Popescu, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het oordeel van het hof dat de dagvaarding in hoger beroep geldig is betekend (uitgereikt). Daartoe wordt aangevoerd dat geen afschrift van de dagvaarding in hoger beroep is verzonden naar het adres van de verdachte in Roemenië dat namens haar is opgegeven in de schriftelijke bijzondere volmacht tot het instellen van hoger beroep.
2.2.1
Voor de beoordeling in cassatie zijn in het bijzonder de volgende stukken van belang:- het proces-verbaal van verhoor van de verdachte door de politie van 18 juli 2021 (om 17:00 uur), waarin als verklaring van de verdachte is opgenomen dat zij nog niet is ingeschreven in Nederland, dat zij op dat moment verblijft bij haar oom op het adres [a-straat 1] in [plaats] en dat zij in Roemenië staat ingeschreven op het adres [b-straat 1] in [plaats] ;- de door een advocaat verstrekte schriftelijke bijzondere volmacht tot het instellen van hoger beroep van 1 augustus 2021, waarin is vermeld dat de verdachte woont aan de [a-straat 1] te [plaats] en dat een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep kan worden verzonden naar de adressen van de verdachte, te weten [b-straat 1] in [plaats] en [a-straat 1] in [plaats] ;- akten van uitreiking van de dagvaarding in hoger beroep voor de rolzitting van het hof van 22 december 2021, waaruit blijkt dat die dagvaarding op 28 oktober 2021 is uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie omdat de woon- of verblijfplaats van de verdachte niet bekend is en vervolgens op 2 en 8 november 2021 tevergeefs is aangeboden op het adres [a-straat 1] in [plaats] , met de vermelding dat de geadresseerde niet (meer) op dat adres woont;- de Informatiestaat SKDB-persoon van 8 november 2021, die inhoudt dat de verdachte op dat moment niet is gedetineerd, dat de verdachte niet is ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP) en dat haar laatst opgegeven woon- of verblijfplaats (datum registratie 18 juli 2021) [a-straat 1] in [plaats] is.
2.2.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 22 december 2021 houdt onder meer in dat de betrokkene daar niet is verschenen, dat het hof heeft vastgesteld dat “de betekening van de dagvaarding correct en op juiste wijze heeft plaatsgevonden” en dat het hof vervolgens tegen de verdachte verstek heeft verleend.
2.2.3
Het bestreden arrest houdt in dat het hof de verdachte in het hoger beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2.3.1
Artikel 36e lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) luidt:
“De uitreiking aan de geadresseerde van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is, geschiedt door toezending van de mededeling, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie en, voor zover een verdrag van toepassing is, met inachtneming van dat verdrag. Dagvaardingen worden vertaald in de taal of een van de talen van het land waar de geadresseerde verblijft dan wel, voor zover aannemelijk is dat hij slechts een andere taal machtig is, in die taal. Met betrekking tot andere gerechtelijke mededelingen kan worden volstaan met een vertaling van de essentiële onderdelen daarvan. Indien de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie bericht dat de mededeling aan de geadresseerde is uitgereikt, geldt deze uitreiking als betekening in persoon, zonder dat dit nog uit een afzonderlijke akte hoeft te blijken.”
2.3.2
Als op grond van het daartoe ingestelde onderzoek als vaststaand kan worden aangenomen dat de verdachte niet is ingeschreven in de BRP, niet in Nederland is gedetineerd en van hem ook niet een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland, maar wel een adres in het buitenland bekend is, vindt – zoals volgt uit artikel 36e lid 3 Sv – de betekening van de dagvaarding plaats door toezending van de dagvaarding hetzij rechtstreeks aan het laatst bekende adres van de verdachte in het buitenland, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie en, voor zover een verdrag van toepassing is, met inachtneming van dat verdrag. Door die toezending is de dagvaarding rechtsgeldig betekend. (Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rechtsoverweging 3.19.)
2.4
Gelet hierop en in aanmerking genomen dat (i) de uitreiking van de dagvaarding in hoger beroep op 28 oktober 2021 heeft plaatsgevonden aan een medewerker van het openbaar ministerie omdat de woon- of verblijfplaats van de verdachte niet bekend is, (ii) de dagvaarding op 2 en 8 november 2021 tevergeefs is aangeboden op het (eerder opgegeven) adres [a-straat 1] in [plaats] , met de vermelding in de akte dat de geadresseerde niet (meer) op dat adres woont, terwijl (iii) uit het proces-verbaal van verhoor van de verdachte door de politie en uit de door een advocaat verstrekte schriftelijke bijzondere volmacht tot het instellen van hoger beroep kan worden afgeleid dat van de verdachte op het moment van betekening een adres in Roemenië bekend was, en (iv) niet blijkt dat de dagvaarding op grond van artikel 36e lid 3 Sv is verzonden naar dit adres van de verdachte in het buitenland, is het oordeel van het hof dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend, niet toereikend gemotiveerd. De Hoge Raad zal de betekening van de dagvaarding in hoger beroep nietig verklaren.
2.5
Het cassatiemiddel slaagt in zoverre.
3. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het restant van het tweede cassatiemiddel en het eerste en het derde cassatiemiddel niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- verklaart de betekening van de dagvaarding in hoger beroep nietig.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 februari 2024.
Conclusie 09‑01‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Verstek. Middel 1: had hof dienen te motiveren waarom dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend? Middel 2: heeft hof ten onrechte geen gevolgen verbonden aan omstandigheid dat verdachte niet is opgeroepen op Roemeens adres zoals genoemd in machtiging instellen hoger beroep? Middel 3: had advocaat die hoger beroep had ingesteld, moeten zijn opgeroepen voor de terechtzitting in hoger beroep? Middelen falen. Strekt tot verwerping van het beroep (art. 81 lid 1 RO).
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/05396
Zitting 9 januari 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.
Inleiding
De verdachte is bij arrest van 22 december 2021 door het gerechtshof Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 29 juli 2021. Bij dat vonnis is de verdachte wegens “diefstal” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met aftrek van voorarrest en is beslist op de vordering van de benadeelde partij, zoals in het vonnis nader is omschreven.
Namens de verdachte heeft P.D. Popescu, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
3. Het eerste middel behelst de klacht dat uit het bestreden arrest noch uit het proces-verbaal ter terechtzitting blijkt waarom de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend.
4. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 22 december 2021 houdt – voor zover hier van belang – in:
“De advocaat-generaal legt over een formulier waaruit blijkt dat zowel op de datum van het uitreiken van de dagvaarding als twee dagen voor de zitting van heden door middel van geautomatiseerde informatiesystemen (SKDB) is gecontroleerd of de verdachte in een Nederlandse penitentiaire inrichting verbleef, hetgeen niet het geval bleek te zijn.
De raadsheer stelt vast dat de betekening van de dagvaarding correct en op juiste wijze heeft plaatsgevonden.
Het hof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.”
5. Het middel roept de vraag op of het hof gehouden was om te motiveren waarom het de betekening van de dagvaarding in hoger beroep correct en juist acht. In dit verband is van belang dat de Hoge Raad in zijn overzichtsarrest van 12 maart 2002 ten aanzien van de motiveringsplicht in het kader van de betekening van de dagvaarding heeft overwogen:
“III. De motiveringsplicht
3.30.
Dat de dagvaarding in zaken waarin verstek wordt verleend rechtsgeldig is betekend, moet rechtstreeks uit de stukken kunnen volgen. Is dat het geval dan behoeft het oordeel van de rechter dat de dagvaarding geldig is betekend, geen motivering. Motivering van dat oordeel is dus alleen vereist hetzij ter weerlegging van een door of namens de verdachte gevoerd verweer, hetzij ter ontzenuwing van het uit de stukken van het geding rijzende ernstige vermoeden dat de dagvaarding niet rechtsgeldig is betekend, […].”1.
6. In zaken waarin verstek wordt verleend, behoeft het oordeel van de rechter dat de dagvaarding rechtsgeldig is betekend daarmee in beginsel geen motivering. Motivering van dat oordeel is immers alleen vereist hetzij ter weerlegging van een door of namens de verdachte gevoerd verweer, hetzij ter ontzenuwing van het uit de stukken van het geding rijzende ernstige vermoeden dat de dagvaarding niet rechtsgeldig is betekend.
7. In deze zaak heeft het hof kennelijk geoordeeld dat rechtstreeks uit de stukken volgt dat de dagvaarding rechtsgeldig is betekend. De steller van het middel, die de betekeningsstukken in hoger beroep tijdig heeft opgevraagd en verkregen, voert niet aan waarom dit oordeel ontoereikend gemotiveerd zou zijn. Daarmee is het middel onvoldoende onderbouwd en faalt het derhalve.
Het tweede middel
8. Het tweede middel bevat de klacht dat de verdachte in hoger beroep ten onrechte niet is opgeroepen op het adres in Roemenië dat is genoemd in de machtiging instellen hoger beroep. Naar het oordeel van de steller van het middel had het hof daarom de dagvaarding in hoger beroep nietig moeten verklaren of de zaak moeten aanhouden om de verdachte correct op te (laten) roepen op haar adres in Roemenië.
9. De in het middel bedoelde machtiging tot het instellen van hoger beroep houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“Namens cliënte, [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] , wonende aan de [a-straat 1] te [plaats] , ben ik, P.D. Popescu, in mijn hoedanigheid van advocaat bepaaldelijk gevolmachtigd tot het instellen van hoger beroep tegen het vonnis van de Politierechter van de Rechtbank Amsterdam d.d. 29 juli 2021 in de zaak met parketnummer 13/192917-21.
Ik ben door cliënte bepaaldelijk gevolmachtigd om u bepaaldelijk te volmachten om het hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de Politierechter in de zaak met parketnummer 13/192917-21. Hierbij verzoek ik u vriendelijk hoger beroep in te stellen in de voomoemde zaak.
Cliënte stemt in met het door u aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep. Een afschrift van de dagvaarding kan naar de adressen van cliënte worden gestuurd, namelijk: [b-straat 1] te [plaats] , alsmede [a-straat 1] te [plaats] , alsmede alle andere bij u bekende adressen.”
10. De stukken van het geding houden – voor zover hier van belang – verder in:
(i) een informatiestaat SKDB-persoon van 8 november 2021, waarin is opgenomen dat de verdachte niet-ingezetene is. In deze informatiestaat is verder vermeld dat de verdachte op 8 november 2021 niet is gedetineerd en dat op 18 juli 2021 is geregistreerd dat haar laatste opgegeven woon- of verblijfplaats is: [a-straat 1] , [plaats] ;
(ii) een akte van uitreiking van een oproeping in hoger beroep. Deze akte houdt in dat de oproeping om op 22 december 2021 ter terechtzitting in hoger beroep te verschijnen op 28 oktober 2021 is uitgereikt aan een medewerker van het Openbaar Ministerie. Op de akte is aangekruist dat de woon- of verblijfplaats van de verdachte niet bekend is;
(iii) een akte van uitreiking van een oproeping in hoger beroep. De akte houdt in dat de oproeping om op 22 december 2021 ter terechtzitting in hoger beroep te verschijnen op 2 november 2021 en 8 november 2021 tevergeefs is aangeboden op het adres [a-straat 1] , [plaats] . Op de akte is aangekruist dat de verdachte niet meer woonachtig is op dit adres.
11. Art. 36g Sv luidt, voor zover hier van belang:
“1. In de volgende gevallen wordt een afschrift van de dagvaarding of oproeping van de verdachte om op de terechtzitting of nadere terechtzitting te verschijnen toegezonden aan het laatste door de verdachte opgegeven adres:
(…)
c. indien door of namens de verdachte bij het instellen van een gewoon rechtsmiddel in de betrokken zaak een adres in Nederland is opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden.
(…)
3. Verzending van een afschrift als bedoeld in het eerste lid kan achterwege blijven indien:
a. het opgegeven adres gelijk is aan het adres waaraan de dagvaarding of oproeping ingevolge artikel 36e wordt uitgereikt;
(…).”
12. Art. 450 Sv luidt, voor zover hier van belang:
“1. Het aanwenden van de rechtsmiddelen, bedoeld in artikel 449, kan ook geschieden door tussenkomst van:
a. een advocaat, indien deze verklaart daartoe door degene die het rechtsmiddel aanwendt, bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd;
(...)
2. Indien de overeenkomstig het eerste lid gemachtigde hoger beroep tegen de einduitspraak instelt, brengt de machtiging tevens mede dat de gemachtigde de oproeping van de verdachte voor de terechtzitting in hoger beroep in ontvangst neemt.
3. Aan een schriftelijke bijzondere volmacht, verleend aan een medewerker ter griffie, tot het voor de verdachte aanwenden van het rechtsmiddel wordt slechts gevolg gegeven indien de verdachte daarbij instemt met het door deze medewerker ter griffie van het gerecht waar het rechtsmiddel wordt ingesteld voor de verdachte aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping. De verdachte geeft een adres op voor de ontvangst van een afschrift van de dagvaarding.
(...)
5. De uitreiking van de oproeping aan de gemachtigde geldt als een uitreiking in persoon aan de verdachte. Een afschrift van de dagvaarding wordt aan het door of namens de verdachte daartoe opgegeven adres toegezonden.”
13. Het in de machtiging tot instellen hoger beroep genoemde adres in Roemenië betreft een adres van de verdachte voor de ontvangst van een afschrift van de dagvaarding als bedoeld in art. 450 lid 3 Sv. De verplichting tot een opgave van zo’n adres van de verdachte houdt verband met de mogelijkheid dat direct na het instellen van het hoger beroep een oproeping aan de verdachte om tegen een bepaalde datum op de terechtzitting te verschijnen, wordt uitgereikt aan een griffiemedewerker. Die uitreiking geldt als uitreiking in persoon aan de verdachte. Een afschrift van de oproeping wordt op grond van art. 450 lid 5 Sv aan het door of namens de verdachte opgegeven adres als bedoeld in art. 450 lid 3 Sv verzonden.2.
14. In deze zaak heeft de betekening van de dagvaarding niet direct na het instellen van het hoger beroep plaatsgevonden, maar op een later gelegen moment. Daarmee vindt art. 450 lid 5 Sv geen toepassing, maar bestaat op grond van art. 36g lid 1, aanhef en onder c, Sv wel de verplichting – behalve in de gevallen genoemd in art. 36g lid 3 Sv – om een afschrift van de dagvaarding toe te zenden aan een door of namens de verdachte bij het instellen van het hoger beroep opgegeven adres in Nederland waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden.3.Het namens de verdachte opgegeven adres in Roemenië valt daar niet onder.4.
15. Gelet op het voorgaande faalt de klacht dat het hof ten onrechte geen gevolgen heeft verbonden aan de omstandigheid dat de verdachte niet is opgeroepen op het adres in Roemenië, zoals genoemd in de machtiging instellen hoger beroep.
16. Het middel faalt.
Het derde middel
17. Het derde middel bevat de klacht dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep heeft verklaard, terwijl de advocaat van de verdachte die namens de verdachte hoger beroep had ingesteld niet is opgeroepen in hoger beroep. Het hof had de behandeling van de zaak moeten aanhouden om de advocaat van de verdachte (correct) op te laten roepen, aldus de steller van het middel.
18. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. In hoger beroep en cassatie dient de raadsman zich te stellen, zelfs indien dezelfde raadsman eerder ook al voor de verdachte optrad.5.Uit de enkele omstandigheid dat uit de appèlakte blijkt dat het rechtsmiddel namens een verdachte door een advocaat is ingesteld, kan volgens de Hoge Raad niet worden afgeleid dat die advocaat de verdachte ook bij de daaropvolgende behandeling als raadsman zal bijstaan.6.Een expliciete stelbrief is volgens de Hoge Raad overigens niet vereist; voldoende is dat uit enig in het dossier aanwezig stuk aan de rechter of de andere justitiële autoriteiten kan blijken dat de verdachte voor de desbetreffende aanleg is voorzien van rechtsbijstand door een raadsman.7.
19. Uit de appèlakte blijkt dat de advocaat als gevolmachtigde hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 29 juli 2021. Uit de stukken in het dossier blijkt niet dat de advocaat zich als raadsman heeft gesteld door middel van een zogenoemde stelbrief en evenmin dat een afschrift van de dagvaarding van de verdachte aan de advocaat is verzonden. Het moet er in cassatie dan ook voor worden gehouden dat beide handelingen niet zijn verricht. Nu een expliciete stelbrief volgens de Hoge Raad niet is vereist, is de volgende vraag of uit enig in het dossier aanwezig stuk aan de rechter of de andere justitiële autoriteiten kan blijken dat de verdachte voor de desbetreffende aanleg voorzien is van rechtsbijstand door de raadsman in kwestie. Hiervan lijkt geen sprake te zijn. Zo is er bijvoorbeeld geen door de raadsman ingediende appèlschriftuur aanwezig waaruit kon blijken dat de raadsman in de zaak betrokken was.8.
20. Gelet op hetgeen onder 18 is vooropgesteld, gaat het argument van de steller van het middel, dat de raadsman “nota bene” hoger beroep heeft ingesteld, niet op. Het (geven van volmacht tot het) instellen van rechtsmiddelen is, zoals de Hoge Raad eerder heeft bepaald, van een andere orde dan het stellen als raadsman. Daarnaast komt geen waarde toe aan het argument dat de advocaat zich “conform de gebruikelijke handelswijze van het hof Amsterdam niet nogmaals had hoeven stellen als raadsman”, omdat dit argument door de steller van het middel in het geheel niet wordt onderbouwd.
21. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat uit de stukken van het geding niet voortvloeide dat een oproeping had behoren uit te gaan naar de advocaat in kwestie. Dat oordeel lijkt mij, gelet op het voorgaande, niet onjuist, noch onbegrijpelijk.
22. Het middel faalt.
Ambtshalve
23. Ambtshalve merk ik op dat ik geen grond heb aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven. De Hoge Raad zal weliswaar uitspraak doen meer dan 24 maanden nadat op 29 december 2021 beroep in cassatie is ingesteld, maar nu de cassatiemiddelen falen, moet ervan worden uitgegaan dat het hof de verdachte terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep en dat het vonnis in eerste aanleg onherroepelijk is geworden. Het bezwaar dat de Hoge Raad niet binnen twee jaren na het aantekenen van cassatieberoep uitspraak doet, kan daarmee niet leiden tot vernietiging van het bestreden arrest en evenmin tot vermindering van de in eerste aanleg opgelegde straf.9.
Slotsom
24. De middelen falen. De middelen kunnen met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan.
25. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
26. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 09‑01‑2024
HR 12 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1701, r.o. 2.4.1.
HR 12 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1701, r.o. 2.4.2.
Vgl. ook MvT, Kamerstukken II 2004/05, 29805, nr. 3, p. 13.
Zie Boksem, in: T&C Strafvordering, art. 38 Sv, aant. 4 onder g (online, actueel t/m 01-07-2023).
Zie HR 19 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD2182, r.o. 3.3 en HR 8 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2705, r.o. 3.3.
Zie HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4303, r.o. 2.5. en HR 13 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1072, r.o. 2.4.
Zie HR 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:715, r.o. 2.2 en 2.3, HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4303, r.o. 2.5 en 2.6, en HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:660, r.o. 2.5. en 2.6.
Vgl. HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5711, r.o. 3.3., HR 14 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:174, NJ 2023/174, m.nt. N. Jörg, r.o. 3.2 en HR 28 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1656, r.o. 2.2.