Procestaal: Deens.
HvJ EU, 27-04-2023, nr. C-352/21
ECLI:EU:C:2023:344
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
27-04-2023
- Magistraten
T. von Danwitz, A. Kumin, I. Ziemele
- Zaaknummer
C-352/21
- Roepnaam
A1 en A2 (Assurance d'un bateau de plaisance)
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2023:344, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 27‑04‑2023
Uitspraak 27‑04‑2023
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Verordening (EU) nr. 1215/2012 — Bevoegdheidsregels in verzekeringszaken — Artikel 15, punt 5 — Mogelijkheid om bij overeenkomst af te wijken van deze bevoegdheidsregels — Artikel 16, punt 5 — Richtlijn 2009/138/EG — Artikel 13, punt 27 — Begrip ‘grote risico's’ — Cascoverzekeringsovereenkomst voor een schip — Tussen de verzekeraar en de verzekerde overeengekomen forumkeuzebeding — Tegenwerpelijkheid van dat beding aan de verzekerde — Pleziervaartuig dat niet voor handelsdoeleinden wordt gebruikt
T. von Danwitz, A. Kumin, I. Ziemele
Partij(en)
In zaak C-352/21,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Østre Landsret (rechter in tweede aanleg voor het oosten van Denemarken) bij beslissing van 27 april 2021, ingekomen bij het Hof op 28 mei 2021, in de procedure
A1,
A2
tegen
I,
wijst
HET HOF (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: T. von Danwitz, waarnemend voor de president van de Zesde kamer, A. Kumin (rapporteur) en I. Ziemele, rechters,
advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Noë, H. Tserepa-Lacombe en C. Vang als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 15, punt 5, en artikel 16, punt 5, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds A1 en A2, twee in Denemarken woonachtige natuurlijke personen, en anderzijds I, een in Nederland gevestigde verzekeringsmaatschappij (hierna: ‘verzekeringsmaatschappij I’), over een forumkeuzebeding in een cascoverzekeringsovereenkomst voor een zeilboot.
Toepasselijke bepalingen
Verordening nr. 1215/2012
3
De overwegingen 15 en 18 van verordening nr. 1215/2012 luiden:
- ‘(15)
De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder. […]
[…]
- (18)
In het geval van verzekerings-, consumenten- en arbeidsovereenkomsten moet de zwakke partij worden beschermd door bevoegdheidsregels die gunstiger zijn voor haar belangen dan de algemene regels.’
4
De bevoegdheidsregels in verzekeringszaken zijn opgenomen in hoofdstuk II, afdeling 3, van die verordening. Deze afdeling bestaat uit de artikelen 10 tot en met 16.
5
Artikel 10 van verordening nr. 1215/2012 luidt:
‘De bevoegdheid in verzekeringszaken is in deze afdeling geregeld, onverminderd artikel 6 en artikel 7, punt 5.’
6
Artikel 11, lid 1, van deze verordening bepaalt:
‘De verzekeraar met woonplaats op het grondgebied van een lidstaat, kan worden opgeroepen:
- a)
voor de gerechten van de lidstaat waar hij zijn woonplaats heeft;
- b)
in een andere lidstaat, indien het een vordering van de verzekeringnemer, de verzekerde of een begunstigde betreft, voor het gerecht van de woonplaats van de eiser; […]
[…]’
7
In artikel 15 van verordening nr. 1215/2012 staat te lezen:
‘Van deze afdeling kan slechts worden afgeweken door overeenkomsten:
[…]
- 5.
betreffende een verzekeringsovereenkomst, voor zover daarmee een of meer van de risico's bedoeld in artikel 16 worden gedekt.’
8
Artikel 16 van deze verordening luidt:
‘De in artikel 15, punt 5, bedoelde risico's zijn de volgende:
- 1.
elk verlies van of elke schade aan:
- a)
zeeschepen, vaste installaties in de kustwateren of in volle zee, of luchtvaartuigen, die wordt veroorzaakt door gebeurtenissen in verband met het gebruik daarvan voor handelsdoeleinden;
- b)
andere goederen dan de bagage van passagiers, toegebracht tijdens het vervoer met deze schepen of luchtvaartuigen of tijdens gemengd vervoer waarbij mede met deze schepen of luchtvaartuigen wordt vervoerd;
- 2.
elke aansprakelijkheid, met uitzondering van die voor lichamelijk letsel van passagiers of schade aan hun bagage:
- a)
voortvloeiend uit het gebruik of de exploitatie van de schepen, installaties of luchtvaartuigen overeenkomstig punt 1, onder a), voor zover, wat luchtvaartuigen betreft, voor de verzekering van zulke risico's overeenkomsten tot aanwijzing van een bevoegd gerecht niet verboden zijn bij de wet van de lidstaat waar de luchtvaartuigen zijn ingeschreven;
- b)
veroorzaakt door de goederen gedurende vervoer als bedoeld in punt 1, onder b);
- 3.
de geldelijke verliezen in verband met het gebruik of de exploitatie van de schepen, installaties of luchtvaartuigen overeenkomstig punt 1, onder a), met name verlies van vracht of verlies van opbrengst van vervrachting;
- 4.
elk risico of belang dat komt bij een van de in punt 1 tot en met punt 3 genoemde risico's;
- 5.
behoudens de punten 1 tot en met 4, alle ‘grote risico's’ zoals omschreven in richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) [(PB 2009, L 335, blz. 1)].’
9
Zoals blijkt uit overweging 41 van verordening nr. 1215/2012, heeft het Koninkrijk Denemarken overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het aan het VEU en het VWEU gehechte Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken niet deelgenomen aan de vaststelling van deze verordening, zodat deze verordening niet verbindend is voor noch van toepassing is op Denemarken. Overeenkomstig artikel 3, lid 2, van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Denemarken betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2005, L 299, blz. 62) heeft deze lidstaat evenwel bij brief van 20 december 2012 de Europese Commissie in kennis gesteld van zijn besluit om de inhoud van voornoemde verordening ten uitvoer te leggen, waardoor de bepalingen daarvan van toepassing zijn op de betrekkingen tussen de Europese Unie en Denemarken. Overeenkomstig artikel 3, lid 6, van deze overeenkomst schept de kennisgeving van Denemarken wederzijdse verplichtingen voor Denemarken en de Unie (PB 2013, L 79, blz. 4).
Richtlijn 2009/138
10
Artikel 13 van richtlijn 2009/138 bepaalt:
‘In deze richtlijn wordt verstaan onder:
[…]
- 27.
‘grote risico's’:
- a)
de risico's die behoren tot de in bijlage I, deel A, 4, 5, 6, 7, 11 en 12, vermelde branches;
- b)
de risico's die behoren tot de in bijlage I, deel A, 14 en 15, vermelde branches wanneer de verzekeringnemer in het kader van een bedrijf of beroep een industriële of commerciële activiteit dan wel een vrij beroep uitoefent en het risico daarop betrekking heeft;
- c)
de risico's die behoren tot de in bijlage I, deel A, 3, 8, 9, 10, 13 en 16, vermelde branches voor zover de verzekeringnemer ten minste twee van de drie volgende criteria overschrijdt:
- i)
balanstotaal: 6 200 000 EUR;
- ii)
netto-omzet […]: 12 800 000 EUR;
- iii)
gemiddeld personeelsbestand gedurende het boekjaar: 250.
[…]
[…]’
11
Branche 6, met als opschrift ‘Casco zee- en binnenschepen’, wordt vermeld in deel A van bijlage I bij richtlijn 2009/138 en is als volgt verwoord:
‘Alle schaden toegebracht aan:
- —
binnenschepen;
- —
schepen voor de vaart op meren;
- —
zeeschepen.’
Besluit 2014/887
12
Overweging 7 van besluit 2014/887/EU van de Raad van 4 december 2014 betreffende de goedkeuring namens de Europese Unie van het Haags Verdrag van 30 juni 2005 inzake bedingen van forumkeuze (PB 2014, L 353, blz. 5) luidt:
‘De Unie moet bij de goedkeuring van het [op 30 juni 2005 onder auspiciën van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht gesloten Verdrag inzake bedingen van forumkeuze] voorts een verklaring krachtens artikel 21 afleggen waardoor verzekeringsovereenkomsten in het algemeen, behoudens bepaalde welomschreven uitzonderingen, van het toepassingsgebied van het verdrag worden uitgesloten. Een dergelijke verklaring heeft als doelstelling de beschermende bevoegdheidsregels te handhaven die de verzekeringnemer, de verzekerde of een begunstigde in verzekeringsaangelegenheden op grond van verordening (EG) nr. 44/2001 [van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1)] ter beschikking staan. De uitsluiting moet beperkt blijven tot wat nodig is ter bescherming van de belangen van de zwakkere partijen bij verzekeringsovereenkomsten. Zij dient derhalve geen betrekking te hebben op herverzekeringsovereenkomsten en overeenkomsten betreffende grote risico's. De Unie dient tegelijkertijd in een unilaterale verklaring aan te geven dat zij in een latere fase, in het licht van de ervaring met de toepassing van het verdrag, opnieuw zal beoordelen of de verklaring krachtens artikel 21 gehandhaafd moet blijven.’
13
In de ‘Verklaring van de Europese Unie bij de goedkeuring van het Haags Verdrag van 30 juni 2005 inzake bedingen van forumkeuze […] overeenkomstig artikel 21 daarvan’, die is opgenomen in bijlage I bij besluit 2014/887, is het volgende bepaald:
‘Deze verklaring, die bepaalde typen verzekeringsovereenkomsten uitsluit van de werkingssfeer van het verdrag, heeft als doelstelling het beschermen van bepaalde verzekeringnemers, verzekerden en begunstigden die overeenkomstig het interne EU-recht bijzondere bescherming ontvangen.
- 1.
De Europese Unie verklaart, overeenkomstig artikel 21 van het verdrag, dat zij het verdrag niet op verzekeringsovereenkomsten zal toepassen, behalve als bepaald in lid 2 hieronder.
- 2.
De Europese Unie zal het verdrag in de volgende gevallen toepassen op verzekeringsovereenkomsten:
[…]
- d)
indien het forumkeuzebeding betrekking heeft op een verzekeringsovereenkomst die een of meer van de volgende risico's die als grote risico's worden beschouwd, dekt:
- i)
elk verlies of schade, voortvloeiend uit gevaren die verband houden met het gebruik voor handelsdoeleinden, van of aan:
- a)
zeeschepen, vaste installaties in de kustwateren of in volle zee, of schepen voor de vaart op rivieren, kanalen of meren;
[…]
[…]’
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
14
Op 15 oktober 2013 hebben A1 en A2 voor 315 000 EUR een tweedehandszeilboot gekocht van een handelaar in IJmuiden (Nederland).
15
A1 en A2 hebben tevens een aansprakelijkheids- en cascoverzekering voor deze zeilboot afgesloten bij verzekeringsmaatschappij I. Bij de sluiting van deze overeenkomst, die inging op 1 november 2013, hebben A1 en A2 op het verzekeringsaanvraagformulier van deze maatschappij [‘Application form yacht insurance’ (aanvraagformulier jachtverzekering)] vermeld dat de thuishaven van de zeilboot in Denemarken zou zijn, alsmede dat hij enkel voor particuliere en recreatieve doeleinden zou worden gebruikt en niet zou worden verhuurd of gecharterd.
16
Krachtens een clausule van de verzekeringsvoorwaarden van die overeenkomst kon de verzekeringnemer alle geschillen voorleggen aan een bevoegde rechtbank in Nederland.
17
In mei 2018 zouden A1 en A2 in Finland aan de grond zijn gelopen. In de lente van het jaar daarop hebben zij schade aan de kiel en de romp van de zeilboot ontdekt. In mei 2019 hebben zij dan ook aan verzekeringsmaatschappij I gemeld dat de zeilboot was vastgelopen. Na een inspectie door een beoordelaar heeft deze maatschappij geweigerd de gemelde schade te vergoeden, waarbij zij zich beriep op de aard van die schade.
18
Daarop hebben A1 en A2 bij de Ret i Helsingør (rechter in eerste aanleg Helsingør, Denemarken) een procedure ingesteld tegen de betrokken verzekeringsmaatschappij opdat deze zou worden veroordeeld tot vergoeding van de reparatiekosten, die werden begroot op 300 000 Deense kronen (DKK) (ongeveer 40 300 EUR). In het kader van deze procedure heeft die maatschappij betoogd dat de vordering niet-ontvankelijk was omdat deze volgens haar onder het forumkeuzebeding in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verzekeringsovereenkomst viel en bij een Nederlandse rechter moest worden ingesteld.
19
Bij vonnis van 19 mei 2020 heeft de Ret i Helsingør deze exceptie van niet-ontvankelijkheid gegrond verklaard.
20
A1 en A2 hebben tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld bij de Østre Landsret (rechter in tweede aanleg voor het oosten van Denemarken), waarbij zij primair hebben verzocht dat de zaak zou worden terugverwezen naar de Ret i Helsingør en subsidiair dat de zaak ten gronde zou worden behandeld door de verwijzende rechter, omdat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde zeilboot een pleziervaartuig is en volgens hen dus niet onder artikel 16, punt 5, van verordening nr. 1215/2012 valt, zodat zij hun vordering in eerste aanleg terecht bij een Deense rechter hebben ingesteld.
21
Meer bepaald voeren A1 en A2 aan dat enkel schade die is opgelopen door een schip dat voor handelsdoeleinden wordt gebruikt en die zich voordoet terwijl het schip voor die doeleinden wordt gebruikt, onder het begrip ‘grote risico's’ in de zin van voornoemde bepaling valt. De uitlegging van die bepaling volgens welke het begrip ‘grote risico's’ alle schade aan alle schepen omvat, ongeacht de grootte en het gebruik ervan, daaronder begrepen pleziervaartuigen die voor particuliere doeleinden worden gebruikt, is volgens hen in strijd met de doelstellingen van verordening nr. 1215/2012 en in het bijzonder met de doelstelling om degene te beschermen die binnen een contractuele relatie in de zwakste positie verkeert.
22
Verzekeringsmaatschappij I bestrijdt het betoog van A1 en A2. Volgens deze maatschappij zijn laatstgenoemden weliswaar consumenten, maar hebben zij een verzekeringsovereenkomst gesloten die een bindend forumkeuzebeding bevat op grond waarvan een Nederlandse rechter bevoegd is. Een dergelijk beding is volgens haar toegestaan krachtens artikel 15, punt 5, van verordening nr. 1215/2012 omdat een cascoverzekering voor een schip zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, onder het begrip ‘grote risico's’ in de zin van artikel 16, punt 5, van die verordening, gelezen in samenhang met artikel 13, punt 27, van richtlijn 2009/138, valt.
23
In deze omstandigheden heeft de Østre Landsret de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Moet artikel 15, punt 5, van [verordening nr. 1215/2012], gelezen in samenhang met artikel 16, punt 5, ervan, aldus worden uitgelegd dat een cascoverzekering voor pleziervaartuigen die niet voor handelsdoeleinden worden gebruikt, onder de uitzondering van artikel 16, punt 5, van deze verordening valt, en is bijgevolg een verzekeringsovereenkomst met een forumkeuzebeding dat afwijkt van het in artikel 11 van die verordening neergelegde beginsel, geldig op grond van artikel 15, punt 5, van diezelfde verordening?’
Beantwoording van de prejudiciële vraag
24
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 15, punt 5, van verordening nr. 1215/2012, gelezen in samenhang met artikel 16, punt 5, van deze verordening, aldus moet worden uitgelegd dat het van toepassing is op een cascoverzekeringsovereenkomst voor een pleziervaartuig dat niet voor handelsdoeleinden wordt gebruikt.
25
Om deze vraag te beantwoorden moet om te beginnen in herinnering worden gebracht dat in afdeling 3 van hoofdstuk II van verordening nr. 1215/2012 bijzondere bevoegdheidsregels in verzekeringszaken worden vastgesteld.
26
Zo bepaalt artikel 11, lid 1, onder b), van verordening nr. 1215/2012 dat de verzekeraar met woonplaats op het grondgebied van een lidstaat in een andere lidstaat kan worden opgeroepen voor de rechter van de woonplaats van de eiser indien het een vordering van de verzekeringnemer, de verzekerde of een begunstigde betreft.
27
Niettemin biedt verordening nr. 1215/2012 in bepaalde gevallen de mogelijkheid om bij overeenkomst af te wijken van voornoemde bijzondere bevoegdheidsregels in verzekeringszaken, en met name — op grond van artikel 15, punt 5, van deze verordening — bij een overeenkomst die betrekking heeft op een verzekeringsovereenkomst, voor zover daarmee een of meer van de risico's als bedoeld in artikel 16 van die verordening worden gedekt.
28
In het onderhavige geval staat het — gelet op de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verzekeringsovereenkomst en de risico's die daardoor worden gedekt — vast dat enkel artikel 16, punt 5, van verordening nr. 1215/2012 — dat betrekking heeft op de ‘grote risico's’ in de zin van richtlijn 2009/138 — mogelijkerwijs relevant is.
29
Tevens dient in herinnering te worden gebracht dat volgens vaste rechtspraak van het Hof bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet enkel rekening moet worden gehouden met de bewoordingen van deze bepaling, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt. Ook de totstandkomingsgeschiedenis van een Unierechtelijke bepaling kan relevante informatie voor de uitlegging ervan verschaffen [arrest van 25 juni 2020, A e.a. (Windturbines in Aalter en Nevele), C-24/19, EU:C:2020:503, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
30
Om te weten of in het geval van een cascoverzekeringsovereenkomst voor een pleziervaartuig dat niet voor handelsdoeleinden wordt gebruikt, kan worden afgeweken van de bevoegdheidsregels in verzekeringszaken die zijn neergelegd in verordening nr. 1215/2012, moet dus worden gelet op de respectieve bewoordingen van artikel 15, punt 5, en artikel 16, punt 5, van deze verordening en van de relevante bepalingen van richtlijn 2009/138 — waarnaar in dit artikel 16, punt 5 wordt verwezen — alsook naar de opzet van deze regels en de daaraan ten grondslag liggende doelstellingen (zie in die zin arrest van 27 februari 2020, Balta, C-803/18, EU:C:2020:123, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31
Wat de letterlijke uitlegging van de aan de orde zijnde bepalingen betreft, blijkt uit artikel 15, punt 5, en artikel 16, punt 5, van verordening nr. 1215/2012, in hun onderlinge samenhang gelezen, dat ‘alle ‘grote risico's’ zoals omschreven in richtlijn 2009/138/EG’ behoren tot de in dat artikel 15, punt 5, bedoelde risico's.
32
Het begrip ‘grote risico's’ wordt gedefinieerd in artikel 13, punt 27, van deze richtlijn.
33
Volgens deze bepaling vormen ten eerste de risico's die behoren tot de in deel A, 4 tot en met 7, 11 en 12, van bijlage I bij voornoemde richtlijn vermelde branches ‘grote risico's’.
34
Ten tweede vallen de risico's die behoren tot de in bijlage I, deel A, 14 en 15, vermelde branches volgens artikel 13, punt 27, onder b), van richtlijn 2009/138 onder het begrip ‘grote risico's’ wanneer de verzekeringnemer in het kader van een bedrijf of beroep een industriële of commerciële activiteit dan wel een vrij beroep uitoefent en het risico daarop betrekking heeft.
35
Ten derde vallen volgens artikel 13, punt 27, onder c), van richtlijn 2009/138 de risico's die behoren tot de in die bijlage I, deel A, 3, 8 tot en met 10, 13 en 16, vermelde branches onder dat begrip voor zover de verzekeringnemer ten minste twee van de drie in die bepaling genoemde criteria overschrijdt.
36
In het onderhavige geval staat het vast dat van de verschillende in deel A van bijlage I bij richtlijn 2009/138 vermelde branches — waarnaar in artikel 13, punt 27, onder a) tot en met c), van deze richtlijn wordt verwezen — enkel de in artikel 13, punt 27, onder a), vermelde branche 6 mogelijkerwijs relevant is. Deze branche betreft alle schade die is toegebracht aan binnenschepen, schepen voor de vaart op meren en zeeschepen.
37
Noch die branche 6 noch artikel 13, punt 27, onder a), van richtlijn 2009/138 bevat echter nadere preciseringen, met name wat betreft het gebruik dat van die schepen moet worden gemaakt, dit in tegenstelling tot artikel 13, punt 27, onder b) en c), dat wel aanwijzingen bevat met betrekking tot de activiteit van de verzekeringnemer of het balanstotaal, de omzet of het personeelsbestand van zijn onderneming.
38
Uit de letterlijke uitlegging van artikel 13, punt 27, van richtlijn 2009/138 en van artikel 16, punt 5, van verordening nr. 1215/2012 volgt dan ook dat deze bepalingen aldus kunnen worden uitgelegd dat alle schade die is toegebracht aan binnenschepen, schepen voor de vaart op meren en zeeschepen, onder het begrip ‘grote risico's’ valt, ongeacht of die schepen al dan niet worden gebruikt voor handelsdoeleinden.
39
Wat de context van artikel 16, punt 5, van verordening nr. 1215/2012 betreft, zij opgemerkt dat deze bepaling begint met de woorden ‘behoudens de punten 1 tot en met 4’, waaruit kan worden afgeleid dat de punten 1 tot en met 4 van dat artikel een lex specialis vormen ten opzichte van voornoemd artikel 16, punt 5, zodat die punten 1 tot en met 4 voorrang hebben boven dat punt 5 in de situaties die zij specifiek beogen te regelen.
40
Daarnaast ziet artikel 16, punt 1, onder a), van verordening nr. 1215/2012 onder meer op elk verlies van of elke schade aan zeeschepen dat of die wordt veroorzaakt door gebeurtenissen in verband met het gebruik van die schepen voor handelsdoeleinden.
41
Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, moet echter worden vastgesteld dat indien alle schade aan zeeschepen, ongeacht het doel waarvoor zij worden gebruikt, werd beschouwd als een ‘groot risico’ in de zin van artikel 16, punt 5, van verordening nr. 1215/2012, artikel 16, punt 1, onder a), van deze verordening zijn betekenis zou verliezen wat zeeschepen betreft. Hetzelfde geldt voor de punten 2 tot en met 4 van voornoemd artikel 16, die betrekking hebben op de risico's die voortvloeien uit het gebruik of de exploitatie van schepen overeenkomstig punt 1, onder a), van hetzelfde artikel 16 en op de risico's die komen bij een van de in artikel 16, punten 1 tot en met 3, van verordening nr. 1215/2012 genoemde risico's.
42
Dat zou in strijd zijn met de bedoeling van de Uniewetgever om een eigen inhoud te geven aan de punten 1 tot en met 4 van artikel 16 van verordening nr. 1215/2012.
43
De bewoordingen van artikel 16 van verordening nr. 1215/2012 zijn in wezen immers gelijk aan die van artikel 14 van verordening nr. 44/2001. De punten 1 tot en met 4 van laatstgenoemde artikel — thans de punten 1 tot met 4 van voornoemd artikel 16 — stonden niet in het door de Commissie ingediende voorstel voor een verordening (EG) van de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken [COM(1999) 348 final], dat ten grondslag lag aan verordening nr. 44/2001. Ze zijn slechts in de loop van de wetgevingsprocedure in deze verordening ingevoegd, waardoor het begrip ‘risico's’ in artikel 15, punt 5, van verordening nr. 1215/2012 werd verduidelijkt.
44
De in de punten 39 tot en met 43 van dit arrest uiteengezette overwegingen pleiten dus voor een strikte uitlegging van artikel 16, punt 5, van verordening nr. 1215/2012, op grond waarvan deze bepaling niet van toepassing is op schade die is toegebracht aan schepen die niet voor handelsdoeleinden worden gebruikt, zodat een cascoverzekeringsovereenkomst voor een pleziervaartuig dat niet voor handelsdoeleinden wordt gebruikt niet onder artikel 15, punt 5, van die verordening valt.
45
Deze uitlegging vindt tevens steun in andere contextuele overwegingen. Zo moeten de afwijkingen van de bevoegdheidsregels in verzekeringszaken, zoals die waarin artikel 15, punt 5, van verordening nr. 1215/2012 voorziet, strikt worden uitgelegd (zie naar analogie arrest van 12 mei 2005, Société financière et industrielle du Peloux, C-112/03, EU:C:2005:280, punt 31).
46
Daarnaast maakt de in punt 44 van dit arrest uiteengezette uitlegging het mogelijk om de samenhang met de toepassing door de Unie van het Haags Verdrag van 30 juni 2005 inzake bedingen van forumkeuze te waarborgen.
47
Overeenkomstig punt 2, onder d), i), a), van de in punt 13 van dit arrest aangehaalde verklaring past de Europese Unie dat verdrag immers toe op verzekeringsovereenkomsten indien het forumkeuzebeding betrekking heeft op een verzekeringsovereenkomst die een of meer van de risico's dekt die worden beschouwd als grote risico's, te weten elk verlies van of schade aan zeeschepen dat of die voortvloeit uit gevaren die verband houden met het gebruik van die schepen voor handelsdoeleinden. Hieruit volgt dat de Unie voornoemd verdrag daarentegen niet toepast wanneer het gaat om een verzekeringsovereenkomst die risico's dekt die voortvloeien uit gevaren die verband houden met een gebruik van zeeschepen voor niet-commerciële doeleinden.
48
Wat ten slotte de met verordening nr. 1215/2012 nagestreefde doelstellingen betreft, blijkt uit overweging 18 van deze verordening dat een vordering in verzekeringszaken wordt gekenmerkt door enige verstoring van het evenwicht tussen de partijen, dat de bepalingen van afdeling 3 van hoofdstuk II van die verordening beogen te herstellen door bevoegdheidsregels die gunstiger zijn voor de zwakkere partij dan de algemene regels [arrest van 9 december 2021, BT (In het geding roepen van de verzekerde), C-708/20, EU:C:2021:986, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
49
Zo hebben de regels van die afdeling 3 tot doel te waarborgen dat de zwakkere partij die de sterkere partij wil dagvaarden, dit kan doen voor een gerecht van een lidstaat waartoe zij gemakkelijk toegang heeft (zie in die zin arrest van 30 juni 2022, Allianz Elementar Versicherung, C-652/20, EU:C:2022:514, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
50
De partijen bij een verzekeringsovereenkomst die een ‘groot risico’ dekt, mogen weliswaar volgens artikel 15, punt 5, van verordening nr. 1215/2012, gelezen in samenhang met artikel 16, punt 5, van deze verordening, afwijken van de bevoegdheidsregels van voornoemde afdeling 3, maar bij de invoering van deze mogelijkheid is in aanmerking genomen dat de partijen bij een dergelijke verzekeringsovereenkomst op voet van gelijkheid staan (zie in die zin arrest van 27 februari 2020, Balta, C-803/18, EU:C:2020:123, punt 39).
51
Er is immers geen bijzondere bescherming nodig wanneer het gaat om betrekkingen tussen beroepsbeoefenaren in de verzekeringssector, die geen van allen kunnen worden geacht in een zwakkere positie te verkeren dan de anderen (zie in die zin arrest van 27 februari 2020, Balta, C-803/18, EU:C:2020:123, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
52
In casu geldt iets anders voor verzekeringnemers zoals verzoekers in het hoofdgeding die, anders dan in de uitoefening van een beroep, een cascoverzekeringsovereenkomst hebben afgesloten voor een pleziervaartuig dat wordt gebruikt voor particuliere en recreatieve doeleinden en niet voor handelsdoeleinden.
53
In dit verband dient van geval tot geval te worden beoordeeld of een persoon kan worden beschouwd als een ‘zwakkere partij’. Zoals het Hof reeds heeft benadrukt, zou een dergelijke beoordeling een risico van rechtsonzekerheid doen ontstaan en in strijd zijn met de in overweging 15 van verordening nr. 1215/2012 geformuleerde doelstelling dat de bevoegdheidsregels in hoge mate voorspelbaar zijn (arrest van 27 februari 2020, Balta, C-803/18, EU:C:2020:123, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
54
De in punt 44 van het onderhavige arrest uiteengezette uitlegging volgens welke een cascoverzekeringsovereenkomst voor een pleziervaartuig dat niet wordt gebruikt voor handelsdoeleinden, niet onder artikel 15, punt 5, van verordening nr. 1215/2012 valt, is dan ook in overeenstemming met de doelstellingen van deze verordening, aangezien bij dergelijke verzekeringsovereenkomsten een bijzondere bescherming voor de verzekeringnemer gerechtvaardigd is en de voorspelbaarheid van de bevoegdheidsregels wordt gewaarborgd.
55
Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 15, punt 5, van verordening nr. 1215/2012, gelezen in samenhang met artikel 16, punt 5, van deze verordening, aldus moet worden uitgelegd dat het niet van toepassing is op een cascoverzekeringsovereenkomst voor een pleziervaartuig dat niet wordt gebruikt voor handelsdoeleinden.
Kosten
56
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 15, punt 5, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, gelezen in samenhang met artikel 16, punt 5, van deze verordening,
moet aldus worden uitgelegd dat
het niet van toepassing is op een cascoverzekeringsovereenkomst voor een pleziervaartuig dat niet wordt gebruikt voor handelsdoeleinden.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 27‑04‑2023