HR, 04-11-2014, nr. 12/01861
ECLI:NL:HR:2014:3086
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
04-11-2014
- Zaaknummer
12/01861
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2014:3086, Uitspraak, Hoge Raad, 04‑11‑2014; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2012:542, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:1925, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2014:1925, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 09‑09‑2014
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3086, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 04‑11‑2014
Inhoudsindicatie
HR: art. 81.1 RO + constatering overschrijding redelijke termijn.
Partij(en)
4 november 2014
Strafkamer
nr. S 12/01861 P
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 16 maart 2012, nummer 23/000994-10, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. M.E. van der Werf, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
3.1.
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak, welke in cassatie aanhangig is onder nr. 12/01860, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. De compensatie tot welke de overschrijding van de redelijke termijn moet leiden, zal worden toegepast in de hoofdzaak.
3.2.
Gelet hierop is er geen aanleiding om in de onderhavige zaak aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 november 2014.
Conclusie 09‑09‑2014
Inhoudsindicatie
HR: art. 81.1 RO + constatering overschrijding redelijke termijn.
Nr. 12/01861P Zitting: 9 september 2014 | Mr. Vellinga Conclusie inzake: [veroordeelde=betrokkene] |
1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft het door de veroordeelde uit “1. deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, en “2. medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” verkregen voordeel vastgesteld op € 56.557,00 en aan de veroordeelde ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 56.557,00.
2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummer 12/01660, 12/01740, 12/01857, 12/01858P, 12/01859, 12/01860 en 12/01861P. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Namens veroordeelde heeft mr. M.E. van der Werf, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel klaagt dat het oordeel van het Hof dat met “[naam 1]” in de administratie van [betrokkene 2] veroordeelde is bedoeld onbegrijpelijk is, althans onvoldoende is gemotiveerd.
5. Het Hof heeft voor zover voor de bespreking van het middel van belang overwogen:
“Bespreking van enkele verweren
(…)
De verdediging heeft voorts betwist dat met de aanduiding [naam 1]/[naam 2] in de administratie van [betrokkene 2], de veroordeelde kan zijn bedoeld.
Het hof overweegt en oordeelt als volgt.
Bij de bewijsvoering in zijn arrest heeft het hof overwogen - en in zoverre wordt dat hier herhaald - dat de veroordeelde deel uitmaakte van een criminele organisatie waarvan voorts onder meer deel uitmaakten: [betrokkene 2], [betrokkene 7], [betrokkene 8], [betrokkene 9], [betrokkene 10] en [betrokkene 11]/[betrokkene 3]. Verder heeft het hof overwogen dat in de digitale administratie van [betrokkene 2], die hij ten behoeve van die criminele organisatie bijhield, de namen van de leden van die organisatie bij de vermelding van de financiële gegevens te dien aanzien werden aangeduid met (delen) van voornamen. Zo werden voornoemde personen respectievelijk aangeduid met [naam 3]/[naam 4], [naam 5], [naam 6], [naam 7], [naam 8] en [naam 9]. Niet gebleken is uit het dossier of het onderzoek ter terechtzitting dat er andere personen aan de organisatie hebben deelgenomen met een voornaam beginnend op [naam 1] of [naam 2], zodat voldoende aannemelijk is dat die in de administratie opgenomen aanduiding betrekking had op de veroordeelde. Het verweer wordt verworpen.(…)
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
(…)
Daarnaast blijkt van wederrechtelijk verkregen voordeel uit de drugsadministratie die in de computer van [betrokkene 2] in december 2003 is aangetroffen.
(…).
Uit die administratie blijkt van verder voordeel. In de administratie komt in het bestand Memo de vermelding voor: "7([naam 1])x 3250p 22.750." Met de advocaten-generaal gaat het hof ervan uit dat met de aanduiding "[naam 1]" de veroordeelde is bedoeld en met de aanduiding "p" Engelse ponden. Een andere lezing is niet aannemelijk geworden. Gelet op het gegeven dat in deze administratie dit bedrag ten laste komt van [betrokkene 2] leidt dit tot de conclusie dat de veroordeelde dit voordeel heeft genoten ten bedrage van 22.750 Engelse ponden; omgerekend tegen een koers van 0.7 komt dit neer op 32.500 euro.”
6. In het licht van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen is dit oordeel, ook in het licht van hetgeen veroordeeldes raadsman heeft aangevoerd, noch onbegrijpelijk noch ontoereikend gemotiveerd. Deze houden immers in dat veroordeelde door [betrokkene 2] per transport werd betaald en deze van de betalingen een administratie bijhield waarin hij, zoals het Hof overweegt, de personen aan wie betalingen werden gedaan met hun naam of een afkorting daarvan vermeldde.
7. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
8. Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende. Veroordeelde heeft op 22 maart 2012 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal in deze zaak uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM wordt overschreden. Tot vernietiging van het bestreden arrest behoeft dit niet te leiden omdat de overschrijding van de redelijke termijn in de strafzaak kan worden gecompenseerd.
9. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG