Vgl. o.a. HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842 en HR 11 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2294.
HR, 28-11-2017, nr. 16/00208
ECLI:NL:HR:2017:3020
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
28-11-2017
- Zaaknummer
16/00208
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2017:3020, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 28‑11‑2017; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1261, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2017:1261, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 26‑09‑2017
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:3020, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 15‑07‑2016
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2017-0474
NbSr 2018/46
Uitspraak 28‑11‑2017
Inhoudsindicatie
Medeplegen gekwalificeerde diefstal van geldbedrag van € 2.100,- uit woning (b.p. A), witwassen door uit misdrijf afkomstig geldbedrag van € 2.350,- voorhanden te hebben in slaapkamer van woning en medeplegen poging tot gekwalificeerde diefstal uit woningen (b.p. B). 1. Witwassen, art. 420bis.1.b Sr. Afkomstig uit eigen misdrijf? 2. Wettelijke rente bij vorderingen b.p. A en b.p. B. 3. Voldoende verband a.b.i. art. 51f en 361.2 Sv t.a.v. vordering b.p. B. Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2014:702 en ECLI:NL:HR:2016:2842 over de kwalificeerbaarheid als witwassen van het “verwerven of voorhanden hebben” van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen en ECLI:NL:HR:2015:1655 m.b.t. de factoren die van belang zijn bij de beoordeling van de begrijpelijkheid van het oordeel dat niet sprake is van een onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp indien de feitenrechter die kwalificatiebeslissing niet heeft gemotiveerd. Hof heeft o.m. vastgesteld dat in de slaapkamer van verdachte een bedrag van € 2.350,– is aangetroffen, dat verdachte vanaf 2012 geen inkomsten uit arbeid of uitkering heeft gehad, dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte de onder hem aangetroffen bankbiljetten van € 500,– bij de bank heeft besteld, en dat de verklaring van verdachte omtrent de legale herkomst van het geld niet aannemelijk is. Mede gelet op de korte tijdspanne tussen de bewezenverklaarde diefstal uit een woning en het voorhanden hebben van het geldbedrag en in aanmerking genomen dat namens verdachte o.m. is aangevoerd dat het aangetroffen geldbedrag uit de bewezenverklaarde inbraak afkomstig was, is oordeel Hof dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat het in de bewezenverklaring bedoelde geldbedrag uit eigen misdrijf afkomstig is niet z.m. begrijpelijk. Ad. 2. In cassatie moet het ervoor worden gehouden dat door b.p. A in e.a. niet op de door de bij de wet voorgeschreven wijze wettelijke rente is gevorderd. In aanmerking genomen dat een b.p. haar vordering in h.b. niet kan vermeerderen, ook niet met de wettelijke rente (vgl. ECLI:NL:HR:2000:AA4262), heeft het Hof ten onrechte beslist dat die rente vergoed moet worden. Ook t.a.v. vordering b.p. B heeft Hof ten onrechte beslist dat vordering vermeerderd dient te worden met de wettelijke rente, nu de stukken van het geding niet inhouden dat b.p. B vergoeding van de wettelijke rente heeft gevorderd. Ad. 3. Een b.p. kan in het strafproces vergoeding van schade vorderen van schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden indien voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen en de schade om te kunnen aannemen dat deze door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden (vgl. ECLI:NL:HR:2014:959). Hof heeft kennelijk aangenomen dat er voldoende rechtstreeks verband bestaat tussen de bewezenverklaarde poging tot diefstal met braak en de door b.p. B geleden schade. Dit oordeel is niet z.m. begrijpelijk, nu de gevorderde schade o.m. betrekking heeft op herstelwerkzaamheden aan de desbetreffende woning en Hof verdachte heeft vrijgesproken van de tlgd. poging tot diefstal met braak in/uit die woning.
Partij(en)
28 november 2017
Strafkamer
nr. S 16/00208
SG/CB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 22 september 2015, nummer 23/002535-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben Th.J. Kelder en N. Gonzalez Bos, beiden advocaat te Den Haag bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Namens de benadeelde partij [betrokkene 1] heeft J.H. Pelle, advocaat te Den Haag, een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging, alsmede de beslissingen met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen [betrokkene 1] en [A] B.V., tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1.
Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat het onder 2 bewezenverklaarde "witwassen" oplevert.
2.2.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"1. hij op 31 januari 2013 te Amstelveen tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning ( [a-straat 1] ) heeft weggenomen een kluis, een grote hoeveelheid sieraden, een MP3-speler, merk: Ipod, een laptop, een computer, een fototoestel inclusief toebehoren, een portemonnee, 2100 euro, passen en autosleutels en fietssleutels, toebehorende aan [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] , waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking van een slot en een deur van voornoemde woning;
2. hij op 7 februari 2013 te Amsterdam een geldbedrag van 2350 euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dit geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;
3. hij op 4 februari 2013 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit woningen, gelegen aan [b-straat] 160 en 162, goederen en/of geld van hun gading weg te nemen, toebehorende aan [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] , en zich daarbij de toegang tot voornoemde woningen te verschaffen door middel van braak en/of verbreking, naar voornoemde woningen is gegaan, waarna hij en zijn mededaders hebben aangebeld bij perceel 162, de cilinder van het voordeurslot van perceel 162 hebben verwijderd, met een puntig voorwerp in het voordeurslot van perceel 162 hebben gestoken en met dat puntige voorwerp het voordeurslot van perceel 162 hebben getracht open te draaien en vervolgens naar de voordeur van perceel 160 zijn gegaan, een schroef in het voordeurslot van perceel 160 hebben gedraaid en tegen die voordeur hebben geduwd en getrapt de cilinder van het slot van die deur hebben verbroken."
2.3.
Het Hof heeft ten aanzien van deze bewezenverklaring onder meer het volgende overwogen:
"De raadsvrouw van de verdachte heeft zich in hoger beroep ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat
a) de verklaring van de verdachte, zoals afgelegd in eerste aanleg, voldoende verifieerbaar en aannemelijk is. Derhalve dient vrijspraak te volgen nu niet vaststaat dat het geld van misdrijf afkomstig is.
b) feit 2 in samenhang moet worden bezien met de feiten 1 en 3 en dat er derhalve sprake is van witwassen van geld uit eigen misdrijf, maar dat de verdachte geen verhullende of verbergende handelingen heeft verricht, zodat het feit niet als zodanig kan worden gekwalificeerd.
(...)
Het Hof overweegt hieromtrent als volgt.
Ad a) Bij de beoordeling van dit feit stelt het hof het volgende voorop. Naar bestendige jurisprudentie kan, in een geval zoals dat zich hier voordoet, waarin geen direct bewijs voor inkomsten uit brondelicten aanwezig is, witwassen bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat - zoals door de advocaat-generaal is gerekwireerd - de goederen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het ligt op de weg van het Openbaar Ministerie om zicht te bieden op het bewijs waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid. De toetsing door de zittingsrechter dient daarbij de volgende stappen te doorlopen. Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien zulks zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen. Zo een verklaring dient te voldoen aan de vereisten dat zij concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet. Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van hef Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld en de goederen. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
Het hof zal het onderhavige verwijt aan de hand van dit toetsingskader beoordelen.
Vermoeden van witwassen
Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is het volgende gebleken. Bij een doorzoeking in de woning van de verdachte is in zijn slaapkamer een bedrag van € 2.350,00 aangetroffen, bestaande uit drie biljetten van € 500,00, vier biljetten van € 100,00 en negen biljetten van € 50,00. De verdachte heeft blijkens informatie van het UWV, DWI en de Belastingdienst vanaf 2012 geen inkomsten uit arbeid of uitkering gehad. Op basis van deze feiten en omstandigheden is sprake van een vermoeden van witwassen. Gelet hierop mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft aangaande het bij hem aangetroffen geldbedrag.
Verklaring herkomst geld
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg als verklaring voor de herkomst van voornoemd geldbedrag gegeven dat hij het geld als medepartner/vennoot van het bedrijf van zijn broer heeft verdiend. Het bedrijf van zijn broer is een vennootschap onder firma en de verdachte stond als medevennoot bij de Kamer van Koophandel ingeschreven. De broer van de verdachte deed de investeringen en dergelijke en de verdachte verrichtte de daadwerkelijke werkzaamheden waarvoor hij wit werd uitbetaald. Door de verdediging is deze verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep herhaald. Het hof acht deze verklaring niet aannemelijk, dit op grond van de omstandigheden dat de verdachte tijdens het vooronderzoek heeft geweigerd aan de reclassering het telefoonnummer van zijn broer te geven, waardoor zijn verklaring niet geverifieerd kon worden, hij geen uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van de onderneming waarvoor hij zou hebben gewerkt, heeft overgelegd, hij blijkens de stukken van de Belastingdienst daar niet bekend is als vennoot in een bedrijf, en hij evenmin als werknemer bekend is bij de betreffende instanties. Het hof constateert dat de door de verdachte gegeven verklaringen omtrent de herkomst van het geld, niet voldoen aan de eerdergenoemde vereisten. Daarbij overweegt het hof nog dat een deel van het geldbedrag bestond uit coupures van € 500,00, welke coupures speciaal bij de bank besteld dienen te worden, waarna de bank daarvan een aantekening maakt. Dat de verdachte deze coupures bij de bank heeft besteld en derhalve op die wijze de beschikking over die coupures heeft gekregen, is gesteld noch aannemelijk geworden, nog los van het feit dat deze biljetten nagenoeg uitsluitend in het criminele circuit worden gebruikt.
Conclusie
Het hof is van oordeel dat - gelet op het voorgaande - het niet anders kan zijn dan dat de goederen - middellijk of onmiddellijk - afkomstig zijn uit enig misdrijf en dat de verdachte daarvan op de hoogte was.
Ad b) De stelling van de raadsvrouw dat het aangetroffen geldbedrag uit eigen misdrijf afkomstig was, is naar het oordeel van het hof onvoldoende aannemelijk geworden, temeer nu de verdachte daar zelf niets over heeft verklaard."
2.4.
Het Hof heeft ten laste van de verdachte onder meer bewezenverklaard - kort gezegd - de diefstal uit een woning van € 2.100,– op 31 januari 2013 en het voorhanden hebben van een geldbedrag van € 2.350,– op 7 februari 2013, terwijl hij wist dat dit geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
2.5.
Het middel doet een beroep op rechtspraak van de Hoge Raad over in het bijzonder de kwalificeerbaarheid als witwassen van het "verwerven of voorhanden hebben" van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen zoals opgenomen in art. 420bis, eerste lid onder b, en art. 420quater, eerste lid onder b, Sr.
Ten aanzien van het verwerven of voorhanden hebben van voorwerpen die "onmiddellijk" uit "eigen" misdrijf afkomstig zijn, geldt dat die gedragingen niet zonder meer als gewoon (schuld)witwassen kunnen worden gekwalificeerd. Wanneer het gaat om gewoon (schuld)witwassen bestaande in het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moet uit de motivering van de uitspraak kunnen worden afgeleid dat de gedragingen van de verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp.
Deze rechtspraak over de kwalificeerbaarheid van gewoon (schuld)witwassen houdt in dat indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf, niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd. (Vgl. HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302 en HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842, NJ 2017/218.)
2.6.
Indien de feitenrechter zijn kwalificatiebeslissing in de hierboven bedoelde zin heeft gemotiveerd, kan die motivering in cassatie worden getoetst. Maar ook indien de feitenrechter de bewezenverklaring zonder hierop gerichte motivering als (schuld-)witwassen heeft gekwalificeerd omdat zich (kennelijk) niet een geval voordoet als hiervoor onder 2.5 bedoeld, kan dat (kennelijke) oordeel in cassatie op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Het oordeel dat niet sprake is van een onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp zal vooral niet begrijpelijk kunnen zijn indien:
(i) daarnaast sprake is van een ten laste van de verdachte uitgesproken bewezenverklaring ter zake van het begaan van een ander misdrijf met betrekking tot hetzelfde voorwerp, door middel van welk misdrijf de verdachte dat voorwerp kennelijk heeft verworven of voorhanden heeft (bijvoorbeeld de buit van een door de verdachte zelf begaan vermogensmisdrijf), dan wel
(ii) rechtstreeks uit de bewijsvoering voortvloeit dat sprake is van - kort gezegd - het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, dan wel
(iii) de juistheid in het midden is gelaten van hetgeen door of namens de verdachte met voldoende concretisering is aangevoerd met betrekking tot dit verwerven of voorhanden hebben door eigen misdrijf (vgl. HR 16 juni 2015, ECLI:NL: HR:2015:1655, NJ 2015/340, rov. 2.3.1 en 2.3.2).
2.7.
Blijkens de bewijsvoering heeft het Hof onder meer vastgesteld dat:
- in de slaapkamer van de verdachte een bedrag van € 2.350,– is aangetroffen, bestaande uit drie biljetten van € 500,–, vier biljetten van € 100,– en negen biljetten van € 50,–;
- de verdachte vanaf 2012 geen inkomsten uit arbeid of uitkering heeft gehad;
- niet aannemelijk is geworden dat de verdachte de onder hem aangetroffen bankbiljetten van € 500,– bij de bank heeft besteld, en
- de verklaring van de verdachte omtrent de legale herkomst van het geld niet aannemelijk is.
2.8.
Mede gelet op de korte tijdspanne tussen de ten laste van de verdachte bewezenverklaarde diefstal uit een woning van € 2.100,– en het voorhanden hebben van een geldbedrag van € 2.350,–, en in aanmerking genomen dat namens de verdachte onder meer is aangevoerd dat het aangetroffen geldbedrag uit eigen misdrijf, te weten de onder 1 bewezenverklaarde woninginbraak, afkomstig was, is het oordeel van het Hof dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat het in de bewezenverklaring bedoelde geldbedrag uit eigen misdrijf afkomstig is - in het licht van hetgeen hiervoor onder 2.6 onder (i) en (iii) is weergegeven - niet zonder meer begrijpelijk.
2.9.
Het middel is terecht voorgesteld.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1.
Het middel klaagt onder meer dat het Hof ten onrechte heeft beslist dat het aan de benadeelde partij [betrokkene 1] toegewezen bedrag aan schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente.
3.2.
Het zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindende voegingsformulier van de benadeelde partij houdt geen opgave in van de wettelijke rente. Ook uit de processen-verbaal van de terechtzittingen in eerste aanleg blijkt niet dat de benadeelde partij aldaar - alsnog - wettelijke rente heeft gevorderd. In cassatie moet het daarom ervoor worden gehouden dat door de benadeelde partij in eerste aanleg niet op de door de bij de wet voorgeschreven wijze wettelijke rente is gevorderd. In aanmerking genomen dat een benadeelde partij haar vordering in hoger beroep niet kan vermeerderen, ook niet met de wettelijke rente (vgl. HR 11 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4262), heeft het Hof ten onrechte beslist dat die rente vergoed moet worden.
3.3.
Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.
3.4.
Voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van het derde middel
4.1.
Het middel klaagt over de beslissingen met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [A] B.V.
4.2.1.
Aan de verdachte is onder 3 tenlastegelegd, kort samengevat, poging tot diefstal met braak op 4 februari 2013 te Amsterdam "in/uit een of meer woning(en), gelegen aan [b-straat] 158 en/of 160 en/of 162".
4.2.2.
Daarvan is bewezenverklaard dat:
"hij op 4 februari 2013 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit woningen, gelegen aan [b-straat] 160 en 162, goederen en/of geld van hun gading weg te nemen, toebehorende aan [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] , en zich daarbij de toegang tot voomoemde woningen te verschaffen door middel van braak en/of verbreking, naar voomoemde woningen is gegaan, waarna hij en zijn mededaders hebben aangebeld bij perceel 162, de cilinder van het voordeurslot van perceel 162 hebben verwijderd, met een puntig voorwerp in het voordeurslot van perceel 162 hebben gestoken en met dat puntige voorwerp het voordeurslot van perceel 162 hebben getracht open te draaien en vervolgens naar de voordeur van perceel 160 zijn gegaan, een schroef in het voordeurslot van perceel 160 hebben gedraaid en tegen die voordeur hebben geduwd en getrapt de cilinder van het slot van die deur hebben verbroken."
4.2.3.
Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken van het geding bevindt zich een voegingsformulier op naam van de benadeelde partij [A] B.V. De als bijlage 1 aan dit formulier gehechte offerte van [B] houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in:
"Betreft: [b-straat] 158-160-162 Amsterdam (...) Offerte
(...)
Werkzaamheden
Leveren en plaatsen 3 noodcilinders nrs 158-160-162
(...)
Leveren en plaatsen 3 knopcilinders op certificaat, nrs 158-160-162
Leveren en plaatsen 2 meerpuntsluitingen, nrs 158-162
(...)
Sub totaal exclusief BTW 3.111,48
(...)
Totaal inclusief BTW 3.764,89."
4.2.4.
Het Hof heeft de vordering van de benadeelde partij [A] B.V. toegewezen tot een bedrag van € 3.111,48,-. Het Hof heeft daaromtrent het volgende overwogen:
"De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.764,89. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag."
4.3.
Een benadeelde partij kan in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden indien voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden (vgl. HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:959, NJ 2014/256).
4.4.
Het Hof heeft kennelijk aangenomen dat er voldoende rechtstreeks verband bestaat tussen de onder 3 bewezenverklaarde poging tot diefstal met braak en de door [A] B.V. geleden schade. Dit oordeel is niet zonder meer begrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat de gevorderde schade onder meer betrekking heeft op herstelwerkzaamheden aan de woning gelegen aan [b-straat] 158 en het Hof de verdachte heeft vrijgesproken van de tenlastegelegde poging tot diefstal met braak in/uit die woning.
4.5.
Voor zover het middel hierover klaagt, is het terecht voorgesteld.
4.6.
Het Hof heeft beslist dat de vordering van de benadeelde partij [A] B.V., voor zover toegewezen, vermeerderd dient te worden met de wettelijke rente vanaf de in het arrest genoemde datum tot aan de dag der algehele voldoening. Nu de stukken van het geding niet inhouden dat de benadeelde partij [A] B.V. vergoeding van de wettelijke rente heeft gevorderd, heeft het Hof ten onrechte beslist dat die rente vergoed moet worden (vgl. HR 11 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4262, NJ 2000/217).
4.7.
Het middel is ook in zoverre terecht voorgesteld.
5. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de besteden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de middelen voor het overige geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft i) de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde, ii) de strafoplegging, iii) de vermeerdering van het toegewezen bedrag van de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] met de wettelijke rente en iv) de beslissingen met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [A] B.V.;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-presidentW.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 november 2017.
Conclusie 26‑09‑2017
Inhoudsindicatie
Medeplegen gekwalificeerde diefstal van geldbedrag van € 2.100,- uit woning (b.p. A), witwassen door uit misdrijf afkomstig geldbedrag van € 2.350,- voorhanden te hebben in slaapkamer van woning en medeplegen poging tot gekwalificeerde diefstal uit woningen (b.p. B). 1. Witwassen, art. 420bis.1.b Sr. Afkomstig uit eigen misdrijf? 2. Wettelijke rente bij vorderingen b.p. A en b.p. B. 3. Voldoende verband a.b.i. art. 51f en 361.2 Sv t.a.v. vordering b.p. B. Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2014:702 en ECLI:NL:HR:2016:2842 over de kwalificeerbaarheid als witwassen van het “verwerven of voorhanden hebben” van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen en ECLI:NL:HR:2015:1655 m.b.t. de factoren die van belang zijn bij de beoordeling van de begrijpelijkheid van het oordeel dat niet sprake is van een onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp indien de feitenrechter die kwalificatiebeslissing niet heeft gemotiveerd. Hof heeft o.m. vastgesteld dat in de slaapkamer van verdachte een bedrag van € 2.350,– is aangetroffen, dat verdachte vanaf 2012 geen inkomsten uit arbeid of uitkering heeft gehad, dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte de onder hem aangetroffen bankbiljetten van € 500,– bij de bank heeft besteld, en dat de verklaring van verdachte omtrent de legale herkomst van het geld niet aannemelijk is. Mede gelet op de korte tijdspanne tussen de bewezenverklaarde diefstal uit een woning en het voorhanden hebben van het geldbedrag en in aanmerking genomen dat namens verdachte o.m. is aangevoerd dat het aangetroffen geldbedrag uit de bewezenverklaarde inbraak afkomstig was, is oordeel Hof dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat het in de bewezenverklaring bedoelde geldbedrag uit eigen misdrijf afkomstig is niet z.m. begrijpelijk. Ad. 2. In cassatie moet het ervoor worden gehouden dat door b.p. A in e.a. niet op de door de bij de wet voorgeschreven wijze wettelijke rente is gevorderd. In aanmerking genomen dat een b.p. haar vordering in h.b. niet kan vermeerderen, ook niet met de wettelijke rente (vgl. ECLI:NL:HR:2000:AA4262), heeft het Hof ten onrechte beslist dat die rente vergoed moet worden. Ook t.a.v. vordering b.p. B heeft Hof ten onrechte beslist dat vordering vermeerderd dient te worden met de wettelijke rente, nu de stukken van het geding niet inhouden dat b.p. B vergoeding van de wettelijke rente heeft gevorderd. Ad. 3. Een b.p. kan in het strafproces vergoeding van schade vorderen van schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden indien voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen en de schade om te kunnen aannemen dat deze door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden (vgl. ECLI:NL:HR:2014:959). Hof heeft kennelijk aangenomen dat er voldoende rechtstreeks verband bestaat tussen de bewezenverklaarde poging tot diefstal met braak en de door b.p. B geleden schade. Dit oordeel is niet z.m. begrijpelijk, nu de gevorderde schade o.m. betrekking heeft op herstelwerkzaamheden aan de desbetreffende woning en Hof verdachte heeft vrijgesproken van de tlgd. poging tot diefstal met braak in/uit die woning.
Nr. 16/00208 Zitting: 26 september 2017 | Mr. A.E. Harteveld Conclusie inzake: [verdachte] |
De verdachte is bij arrest van 22 september 2015 door het gerechtshof Amsterdam wegens – kort gezegd – 1. diefstal, 2. witwassen en 3. poging tot diefstal, veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden. Voorts heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen [betrokkene 1] en [A] B.V. toegewezen en aan de verdachte ten behoeve van deze slachtoffers telkens de maatregel ex art. 36f Sr opgelegd, te vervangen door hechtenis; een en ander zoals in het arrest bepaald.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. Th.J. Kelder en mr. N. Gonzalez Bos, beiden advocaat te ’s-Gravenhage, hebben vier middelen van cassatie voorgesteld. Namens de benadeelde partij [betrokkene 1] heeft mr. J.H. Pelle, advocaat te ’s-Gravenhage, een verweerschrift ingediend.
3. Bewezenverklaring en bewijsvoering
3.1.
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“1:
hij op 31 januari 2013 te Amstelveen tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning ( [a-straat 1] ) heeft weggenomen een kluis, een grote hoeveelheid sieraden, een MP3-speler, merk: Ipod, een laptop, een computer, een fototoestel inclusief toebehoren, een portemonnee, 2100 euro, passen en autosleutels en fietssleutels, toebehorende aan [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] , waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking van een slot en een deur van voornoemde woning;
2:
hij op 7 februari 2013 te Amsterdam een geldbedrag van 2350 euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dit geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;
3:
hij op 4 februari 2013 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit woningen, gelegen aan [b-straat] 160 en 162, goederen en/of geld van hun gading weg te nemen, toebehorende aan [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] , en zich daarbij de toegang tot voornoemde woningen te verschaffen door middel van braak en/of verbreking, naar voornoemde woningen is gegaan, waarna hij en zijn mededaders hebben aangebeld bij perceel 162, de cilinder van het voordeurslot van perceel 162 hebben verwijderd, met een puntig voorwerp in het voordeurslot van perceel 162 hebben gestoken en met dat puntige voorwerp het voordeurslot van perceel 162 hebben getracht open te draaien en vervolgens naar de voordeur van perceel 160 zijn gegaan, een schroef in het voordeurslot van perceel 160 hebben gedraaid en tegen die voordeur hebben geduwd en getrapt de cilinder van het slot van die deur hebben verbroken.”
3.2.
Het arrest bevat ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde de volgende overwegingen:
“Gevoerde verweren en bewijsoverweging
De raadsvrouw van de verdachte heeft zich in hoger beroep ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat
a) de verklaring van de verdachte, zoals afgelegd in eerste aanleg, voldoende verifieerbaar en aannemelijk is. Derhalve dient vrijspraak te volgen nu niet vaststaat dat het geld van misdrijf afkomstig is.
b) feit 2 in samenhang moet worden bezien met de feiten 1 en 3 en dat er derhalve sprake is van witwassen van geld uit eigen misdrijf, maar dat de verdachte geen verhullende of verbergende handelingen heeft verricht, zodat het feit niet als zodanig kan worden gekwalificeerd;
(…)
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Ad a) Bij de beoordeling van dit feit stelt het hof het volgende voorop. Naar bestendige jurisprudentie kan, in een geval zoals dat zich hier voordoet, waarin geen direct bewijs voor inkomsten uit brondelicten aanwezig is, witwassen bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat - zoals door de advocaat-generaal is gerekwireerd - de goederen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het ligt op de weg van het Openbaar Ministerie om zicht te bieden op het bewijs waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid. De toetsing door de zittingsrechter dient daarbij de volgende stappen te doorlopen. Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien zulks zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen. Zo een verklaring dient te voldoen aan de vereisten dat zij concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet. Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld en de goederen. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
Het hof zal het onderhavige verwijt aan de hand van dit toetsingskader beoordelen.
Vermoeden van witwassen
Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is het volgende gebleken. Bij een doorzoeking in de woning van de verdachte is in zijn slaapkamer een bedrag van € 2.350,00 aangetroffen, bestaande uit drie biljetten van € 500,00, vier biljetten van € 100,00 en negen biljetten van € 50,00. De verdachte heeft blijkens informatie van het UWV, DWI en de Belastingdienst vanaf 2012 geen inkomsten uit arbeid of uitkering gehad. Op basis van deze feiten en omstandigheden is sprake van een vermoeden van witwassen. Gelet hierop mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft aangaande het bij hem aangetroffen geldbedrag.
Verklaring herkomst geld
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg als verklaring voor de herkomst van voornoemd geldbedrag gegeven dat hij het geld als medepartner/vennoot van het bedrijf van zijn broer heeft verdiend. Het bedrijf van zijn broer is een vennootschap onder firma en de verdachte stond als medevennoot bij de Kamer van Koophandel ingeschreven. De broer van de verdachte deed de investeringen en dergelijke en de verdachte verrichtte de daadwerkelijke werkzaamheden waarvoor hij wit werd uitbetaald. Door de verdediging is deze verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep herhaald. Het hof acht deze verklaring niet aannemelijk, dit op grond van de omstandigheden dat de verdachte tijdens het vooronderzoek heeft geweigerd aan de reclassering het telefoonnummer van zijn broer te geven, waardoor zijn verklaring niet geverifieerd kon worden, hij geen uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van de onderneming waarvoor hij zou hebben gewerkt, heeft overgelegd, hij blijkens de stukken van de Belastingdienst daar niet bekend is als vennoot in een bedrijf, en hij evenmin als werknemer bekend is bij de betreffende instanties. Het hof constateert dat de door de verdachte gegeven verklaringen omtrent de herkomst van het geld, niet voldoen aan de eerdergenoemde vereisten. Daarbij overweegt het hof nog dat een deel van het geldbedrag bestond uit coupures van € 500,00, welke coupures speciaal bij de bank besteld dienen te worden, waarna de bank daarvan een aantekening maakt. Dat de verdachte deze coupures bij de bank heeft besteld en derhalve op die wijze de beschikking over die coupures heeft gekregen, is gesteld noch aannemelijk geworden, nog los van het feit dat deze biljetten nagenoeg uitsluitend in het criminele circuit worden gebruikt.
Conclusie
Het hof is van oordeel dat - gelet op het voorgaande - het niet anders kan zijn dan dat de goederen - middellijk of onmiddellijk - afkomstig zijn uit enig misdrijf en dat de verdachte daarvan op de hoogte was.
Ad b) De stelling van de raadsvrouw dat het aangetroffen geldbedrag uit eigen misdrijf afkomstig was, is naar het oordeel van het hof onvoldoende aannemelijk geworden, temeer nu de verdachte daar zelf niets over heeft verklaard.
(…)”.
4. Het eerste middel
4.1.
Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat het onder 2 bewezenverklaarde "witwassen" oplevert.
4.2.
Het middel doet een beroep op rechtspraak van de Hoge Raad over in het bijzonder het verwerven of voorhanden hebben van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen. Die rechtspraak komt er - kort gezegd - op neer dat in zulke gevallen bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld-)witwassen in die zin dat dan uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp.1.
4.3.
Indien de feitenrechter zijn kwalificatiebeslissing in de hierboven bedoelde zin heeft gemotiveerd, kan die motivering in cassatie worden getoetst. Maar ook indien de feitenrechter de bewezenverklaring zonder hierop gerichte motivering als (schuld)witwassen heeft gekwalificeerd omdat zich (kennelijk) niet een geval voordoet als hiervoor bedoeld, kan dat (kennelijke) oordeel in cassatie op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Het oordeel dat niet sprake is van een onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp zal vooral niet begrijpelijk kunnen zijn indien:
(i) daarnaast sprake is van een ten laste van de verdachte uitgesproken bewezenverklaring ter zake van het begaan van een ander misdrijf met betrekking tot hetzelfde voorwerp, door middel van welk misdrijf de verdachte dat voorwerp kennelijk heeft verworven of voorhanden heeft (bijvoorbeeld de buit van een door de verdachte zelf begaan vermogensmisdrijf), dan wel
(ii) rechtstreeks uit de bewijsvoering voortvloeit dat sprake is van - kort gezegd - het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, dan wel
(iii) de juistheid in het midden is gelaten van hetgeen door of namens de verdachte met voldoende concretisering is aangevoerd met betrekking tot dit verwerven of voorhanden hebben door eigen misdrijf.2.
4.4.
Het namens de verdachte in subsidiaire zin gevoerde verweer komt er in de kern genomen op neer dat het op 7 februari 2013 in verdachtes woning, onder zijn matras aangetroffen geldbedrag van €2.350,- waarvan onder 2 bewezen is verklaard dat hij dit voorhanden had, afkomstig (ik, AEH, begrijp grotendeels afkomstig) is van het te zijnen laste onder 1 bewezenverklaarde woninginbraak.
4.5.
Het onder 1 bewezenverklaarde houdt in dat de verdachte en zijn mededaders op 31 januari 2013 – zeven dus dagen voordat het gelbedrag van € 2.350,- bij de verdachte is aangetroffen – uit de woning van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] onder meer hebben weggenomen het geldbedrag van € 2100,-. Deze diefstal heeft de verdachte – zo blijkt uit de door het hof als bewijsmiddel 1 gebruikte verklaring van de verdachte – ook bekend. Uit het bestreden arrest blijkt verder ook dat van de onder 1 bewezenverklaarde sieraden die uit de woning zijn ontvreemd, een ring (die inmiddels weer in het bezit is van [betrokkene 1] ) bij de verdachte tijdens zijn aanhouding is aangetroffen en in beslag genomen.3.
Niet onaannemelijk is, gelet op het vorenstaande, dat de verdachte (een deel van) de buit van de door hem medegepleegde woninginbraak onder zich had. Nadere motivering behoeft mijns inziens, in het licht van deze feiten en omstandigheden, waarom het hof van oordeel is dat “de stelling van de raadsvrouw dat het aangetroffen geldbedrag uit eigen misdrijf afkomstig was, onvoldoende aannemelijk [is] geworden”, enkel omdat – zoals het hof overweegt – “de verdachte daar zelf niets over heeft verklaard”.
4.6.
Het middel slaagt.
5. Het tweede middel
5.1.
Het middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] tot een bedrag van € 66.682,05 en de vermeerdering daarvan met wettelijke rente.
5.2.
Het bestreden arrest houdt daaromtrent het volgende in:
““Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot 1 schadevergoeding. Deze bedraagt € 71.882,05, bestaande uit ‘inboedel algemeen’ (€ 3.442,55), ‘sieraden’ (€ 70.910,00), ‘audiovisuele- en computerapparatuur’ (€ 3.350,93), ‘contanten’ (€ 2.100,00) en ‘smartengeld’ (€ 1.000,00), minus de schade die reeds is vergoed (€ 8.921,43).
De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 50.472,05. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering, met dien verstande dat de advocaat van de benadeelde partij in haar brief van 6 februari 2014 de vordering heeft verlaagd tot een bedrag van € 67.682,05, in verband met een ring met een waarde van € 4.200,00 die is inbeslaggenomen bij de verdachte tijdens zijn aanhouding en die inmiddels weer in bezit is van [betrokkene 1] .
De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat niet is komen vast te staan dat alle sieraden aan [betrokkene 1] toebehoorden, nu een aantal sieraden mogelijk toebehoorde aan zijn echtgenote [betrokkene 2] , de echtelieden niet in gemeenschap van goederen zijn getrouwd, en [betrokkene 2] zich in dit strafproces niet heeft gesteld als benadeelde partij. Derhalve wordt [betrokkene 1] niet rechtstreeks geraakt ten aanzien van die sieraden, zodat onvoldoende is komen vast te staan op welke sieraden de vordering ziet, en de vordering op die grond dient te worden afgewezen. Bovendien staat niet voldoende vast welke sieraden zijn weggenomen en wat de waarde is van de weggenomen sieraden. De verdediging betwist aldus de opgave van (de waarde) van de ontvreemde sieraden.
Het hof verwerpt de verweren en overweegt dienaangaande als volgt. Weliswaar is het schadeformulier niet mede door [betrokkene 2] ondertekend, maar gelet op de omstandigheden dat een zich in het dossier bevindende ‘voorlopige lijst van vermiste goederen en van schade als gevolg van inbraak’ zowel de naam [betrokkene 1] als de naam [betrokkene 2] vermeldt alsmede dat uit de toelichting door [betrokkene 1] ter terechtzitting in hoger beroep blijkt dat hij mede namens zijn echtgenote en met haar instemming de voeging heeft willen indienen, is het hof van oordeel dat de vordering benadeelde partij geacht moet worden mede te zijn ingediend namens [betrokkene 2] .
Voorts heeft het hof geen aanleiding te twijfelen aan de opgave door de benadeelde partij van de ontvreemde goederen. De sieraden zijn duidelijk gespecificeerd en de opgave ervan wordt voor een belangrijk onderbouwd door foto’s van de sieraden. Daar komt bij dat een van de sieraden ook daadwerkelijk bij de mededader is aangetroffen. Dat door de aangever meer sieraden zijn opgegeven dan gestolen, is niet aannemelijk geworden, temeer daar de verdachte (en zijn mededader) geen verklaring hebben afgelegd over de door hen gestolen voorwerpen. Ten aanzien van de waarde van de ontvreemde sieraden overweegt het hof dat deze is gebaseerd op het rapport van expertise van CED BrandVaria. De waarde van de sieraden is weliswaar door de verdediging betwist, maar deze betwisting ontbeert een nadere onderbouwing en is mitsdien ontoereikend om de waarde van de sieraden zoals deze in het rapport zijn opgenomen te weerleggen.
Met de verdediging is het hof van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat alle in de opgave genoemde goederen aan [betrokkene 1] toebehoren en dat het zeer wel mogelijk is dat een deel ervan aan de echtgenote van de heer [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , toebehoort. Dit staat naar heit oordeel van het hof niet aan toewijzing van de vordering in de weg. Zoals overwogen moet de vordering benadeelde partij worden geacht mede te zijn gedaan door [betrokkene 2] . Beiden hebben in zoverre een rechtstreeks belang; een eventuele onderlinge verdeling van dit deel van de boedel, en daarmee van de schadevergoeding, is een kwestie tussen de echtelieden onderling.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 66.682,05, bestaande uit:
• inboedel algemeen € 3.442,55;
• sieraden (€ 70.910,00 - € 4.200,00 (teruggegeven ring) = ] € 66.710,00);
• audiovisuele- en computerapparatuur € 3.350,93;
• contanten € 2.100,00,
verminderd met de schade die reeds is vergoed (€ 8.921,43).
De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 januari 2013.
(…)
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.”
5.3.
Voor zover het middel de klacht bevat dat het hof de toegewezen schadeposten ontoereikend dan wel onbegrijpelijk heeft gemotiveerd, faalt het.
5.4.
Het hof heeft geoordeeld dat voor de waarde van de ontvreemde sieraden moet worden uitgegaan van de in het rapport van expertise van CED BrandVaria opgegeven waarde van € 70.910,00 (de in het middel bedoelde bijlage 2 bij het voegingsformulier van de benadeelde partij). Dit oordeel, dat stoelt op een aan de feitenrechter voorbehouden uitleg van de desbetreffende stukken4., is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat
- de benadeelde partij, blijkens haar voegingsformulier dat zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt, de vergoeding van dit bedrag heeft gevorderd;
- de in het middel bedoelde bijlage 1, zijnde een namens de verzekering van de benadeelde partij op 2 april 2013 opgestelde (eind)schaderapport, inhoudt dat “globaal kan worden gesteld dat de totale waarde van de ontvreemde sieraden tenminste € 32.000,00 bedraagt en zeer waarschijnlijk meer, onder meer gelet op de hoge goudkoers waar momenteel sprake van is”; en
- het nadien op 11 april 2013 in opdracht van de raadsman van de benadeelde partij door CED BrandVaria opgemaakte expertiserapport de hogere schatting van de waarden van de ontvreemde sieraden onder meer aan de hand van de hoge goudkoers nader onderbouwt.
5.5.
Wat betreft de ontvreemde contanten, lijkt het mij dat de steller van het middel over het hoofd ziet dat onder 1 is bewezen verklaard dat “2100 euro” is weggenomen en daarmee dus is komen vast te staan dat deze schade, waarvan de benadeelde partij vergoeding vordert, is geleden.
5.6.
Wat betreft de door de benadeelde partij gevorderde vergoeding van de schade geleden door de ontvreemde audiovisuele- en computerapparatuur merk ik op dat het hof kennelijk heeft geoordeeld dat voor de waarde van deze voorwerpen moet worden uitgegaan van de “bruto schadebedragen” vermeld in het namens de verzekering van de benadeelde partij op 2 april 2013 opgestelde (eind)schaderapport, welk rapport met betrekking tot de ontvreemde audiovisuele- en computerapparatuur het bedrag van “EUR 3.350,93, inclusief btw” vermeldt. Mede in aanmerking genomen dat de audiovisuele- en computerapparatuur gespecificeerd in dit rapport klaarblijkelijk de door het hof onder 1 bewezenverklaarde “een MP3-speler, merk: Ipod, een laptop, een computer, een fototoestel inclusief toebehoren” betreffen, zie ik niet in waarom onbegrijpelijk is het oordeel van het hof dat de benadeelde partij het voornoemde bedrag aan schade heeft geleden als gevolg van de ontvreemding van die apparaten.5.Echter, met uitzondering van de in het voornoemde rapport vermelde, doch niet bewezenverklaarde maar wel tenlastegelegde harde schijf die ook onderdeel uitmaakt van het door het hof vastgestelde schadebedrag. Enig belang bij vernietiging en terugwijzing op dit punt heeft de verdachte mijns inziens niet, aangezien het hof het vastgestelde schadebedrag – waarop de toelichting op het middel ook wijst – als onderdeel van de schade die al aan de benadeelde partij (kennelijk door verzekeraar) is vergoed, reeds in mindering heeft gebracht op de toe te wijzen vorderding van de benadeelde partij.
5.7.
Ook wat betreft de schadepost “inboedel algemeen” treft de klacht geen doel. De steller van het middel ziet er aan voorbij dat dit, door de benadeelde partij gevorderde bedrag, voldoende nader is onderbouwd in het bovengenoemde eindschaderapport dat als bijlage 1 aan het voegingsformulier is gehecht. Ik volsta met een verwijzing naar de omschrijving van de omvang van de schade en de nadere specificering ervan in dit rapport.
5.8.
Het middel bevat voorts de klacht dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd heeft geoordeeld dat de vordering van de benadeelde partij geacht moet worden mede namens [betrokkene 2] te zijn ingediend.
5.9.
Naast de reeds genoemde rapporten is aan het voegingsformulier van de benadeelde partij als bijlage 4 gehecht een toelichtingsbrief van 21 april 2013, ondertekend door de benadeelde partij en inhoudende – voor zover van belang – als volgt:
“DAS Rechtsbijstand
t.a.v. Mw. Mr. E.M. Mulder
(…)
Geachte Mevrouw Mulder,
(…)
In antwoord op uw verzoek een beschrijving te maken van de gevolgen van de inbraak in onze woning op 31 januari 2013 voor ons gezin heb ik enige tijd moeten nemen om die onder woorden te brengen en dat is met onderstaande maar zeer ten dele gelukt. (…)
Welnu, sinds de dag van de inbraak heeft mijn echtgenote vrijwel permanent last van letterlijk slapeloze nachten, zelfs indien zij daartegen een medicijn gebruikt. Zij heeft daarnaast last van geheugenverlies, een ergerlijke gewaarwording voor iemand die bekend staat om een geheugen dat zo scherp was als een scheermes en dat voor haar van belang is in de uitoefening van haar beroep. Deze kenmerken duiden op een posttraumatisch stress syndroom.
(…) De aangeboden hulp door de Stichting Slachtofferhulp Nederland beperkte zich tot het advies “om er eens met zijn tweeën tussenuit te gaan” en een vraag om participatie in een wetenschappelijk onderzoek van de Vrije Universiteit. Dat laatste is door mijn echtgenote overigens positief beantwoord in de hoop via dat kanaal wel betere suggesties te verkrijgen. Dat is helaas niet gebeurd.
Er is door de daders bij ons materieel veel schade berokkend. Het met veel geweld verwijderen van een in een betonnen muur verankerde kluis, heeft natuurlijk materiële schade opgeleverd. Zowel qua gestolen goederen als schade aan interieur in de woning. Het kost ons moeite en veel tijd om schade te verhalen en gerepareerd te krijgen. Vervanging is maar zeer ten dele mogelijk. Deze tijd en moeite hadden wij graag in andere dingen willen steken.
(…)
Per gestolen item is er een verhaal. Een kluis vol verhalen, een reflectie van ons leven, dat in decennia door ons liefdevol is opgebouwd, met hard werken op verschillende plekken in de wereld. Zonder hier uitputtend te kunnen en zelfs te willen zijn - (…) - geef ik hierbij een klein en verre van compleet aantal voorbeelden. Voor onze beide kinderen bewaarden wij in de kluis hun beider bachelors en masters diploma’s van respectievelijk de Vrije Universiteit Amsterdam (Bsc en MSc Econometrie) en Universiteit Maastricht (GA European Studies, MSc Public Policy & Human Science). Deze diploma’s zijn behaald na jaren studie, worden eenmalig uitgegeven door de universiteiten zonder vervangingsmogelijkheid maar zijn in een kwestie van minuten ontvreemd. Wij zouden ze graag terug bezorgd hebben. Mijn overgrootvader heeft een peervormige hanger gekocht bezet met diamanten (item # 10 in de aanvullende aangifte). Dit juweel heeft hij bestemd om gedragen te worden “in bruikleen” door de echtgenote van de oudste zoon in de volgende generatie in mijn familie. Mijn oma, mijn moeder en nu mijn echtgenote hebben dit prachtige sieraad, juist gelet op de achterliggende gedachte met veel plezier gedragen en wij zagen er naar uit om de traditie voort te kunnen zetten.
Een eind 19e eeuws zakhorloge (item 13 uit de aanvullende aangifte) was soortgelijk een erfstuk in de familie, ter nagedachtenis aan een toen op jonge leeftijd overleden familielid. Het horloge was aan onze zoon gegeven bij het behalen van zijn masters bul en hij had het ons nog even in bewaring gegeven.
Evenzo is een voor ons onvervangbaar sieraad ons door de inbrekers ontnomen dat afkomstig was uit de West-Friese klederdracht (item 9 uit de aanvullende aangifte). Het is een origineel dat onderdeel was van het zgn. kappenwerk en was een erfstuk in de familie van mijn echtgenote. Zij droeg dit sieraad met grote regelmaat als broche en was er zeer aan gehecht. Herinneringen aan onze ouders kunnen ons niet ontstolen worden. Maar tastbare herinneringen die genegenheidgevoelens aan hen oproepen wel. Onder de ontvreemde sierraden bevinden zich erfstukken van onze ouders, bijvoorbeeld een polshorloge, manchetknopen, gouden hangers, parelketting. Tastbare herinneringen die wij zorgvuldig opborgen in de kluis zodat ze later ook beschikbaar zouden zijn voor onze kinderen en weer later die van hen.
Een aantal 18 karaats gouden sieraden zijn door ons zelf aangeschaft ca 30 jaar geleden, toen wij enkele jaren in het toen nog kleine, bijna dorpsachtige Dubai mochten wonen. Niet alleen waren het door ons zorgvuldig in de souq van Deira uitgekozen sieraden, maar zij vertegenwoordigen ook een belangrijke periode waarin ons gezamenlijk leven vorm is geven. Het zijn niet alleen materieel kostbare sierraden, de herinneringen zijn onvervangbaar. Emotioneel zijn wij geraakt omdat wij nu sierraden missen die verbonden zijn aan de belangrijkste gebeurtenissen uit ons leven: ons huwelijk en de geboorte van onze
kinderen. Deze gebeurtenissen zijn elk gemarkeerd uit dankbaarheid door kostbare ringen voorzien van edelstenen. Als laatste noem ik de enveloppen met spaargeld. Zij hadden uiteraard een spaardoel. Het betrof geld dat apart werd gehouden om de bruidsjurk voor onze dochter die dit jaar in het huwelijk zal treden te betalen en in andere enveloppen andere aan dat huwelijk verbonden uitgaven. Natuurlijk, de verzekering betaalt wat per polis gemaximeerd is vastgesteld. Daarmee voelt het nog helemaal niet goed.
Kortom: een levenslang investeren weggenomen door individuen die kennelijk de tijd hebben om op klaarlichte dag, als wij aan het werk zijn, in luttele minuten ons zo te raken. (…)”
5.10.
Ook hier geldt dat het oordeel van het hof dat de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] geacht moet worden mede namens zijn vrouw [betrokkene 2] te zijn ingediend, welk oordeel stoelt op een aan de feitenrechter voorbehouden uitleg van de desbetreffende stukken, niet onbegrijpelijk is. Het middel klaagt in zoverre tevergeefs. Het vorenstaande betekent dat evenmin doel treft de klacht dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat een deel van de goederen waarop de vordering ziet (mogelijk) toebehoort aan [betrokkene 2] , niet in de weg staat aan toewijzing van de vordering.
5.11.
Tot slot klaagt het middel dat het hof ten onrechte heeft beslist dat de vordering van deze benadeelde partij vermeerderd dient te worden met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, nu de benadeelde partij geen vergoeding van de wettelijke rente heeft gevorderd. Deze klacht slaagt, aangezien inderdaad uit de stukken van het geding niet blijkt dat de wettelijke rente (expliciet) is gevorderd.6.Daarbij merk ik op dat, nu ik tot vernietiging - ook - ten aanzien van de strafoplegging – waaronder de beslissing(en) tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel zijn begrepen7.- zal concluderen, zij (d.i. de klacht) nog steeds voldoende belang in cassatie heeft. Bij verwerping van het beroep zou dat anders liggen – dan geldt dat gelet op HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR: 2015:3362, de verdachte geen rechtens te respecteren belang bij de klacht heeft. In dat geval zou immers de ter zake van deze vordering opgelegde schadevergoedingsmaatregel onherroepelijk zijn geworden, met als effect dat de verdachte langs die weg het bedrag dat gelijk staat aan de wettelijke rente tóch moet vergoeden. Met vernietiging van de beslissing ten aanzien van de vordering benadeelde partij schiet de verdachte - in financieel opzicht moeten we er dan wel bij denken – niets op. In zo’n geval blijft vernietiging dus achterwege en is er daarentegen juist grond voor toepassing van art. 80a RO.
5.12.
Het middel slaagt.
6. Het derdemiddel
6.1.
Het middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [A] BV tot een bedrag van € 3.111,48 en de vermeerdering daarvan met wettelijke rente.
6.2.
Het bestreden arrest houdt daaromtrent het volgende in:
“Vordering van de benadeelde partij [A] BV
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.764,89. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Het hof overweegt daarbij dat, aangezien de door de benadeelde partij verschuldigde BTW voor aftrek bij de fiscus in aanmerking komt en derhalve geen schadepost vormt, het gevorderde bedrag (€ 3.764,89) exclusief het in rekening gebrachte bedrag aan BTW (€ 653,41) dient te worden toegewezen, zijnde een bedrag van € 3.111,48. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Met betrekking tot het gevorderde bedrag aan BTW is, zoals zojuist is overwogen, onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden, zodat de verdachte in zoverre niet tot vergoeding van die schade is gehouden en de vordering voor het overige zal worden afgewezen.
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.”
6.3.
Het middel is terecht voorgesteld, voor zover het klaagt dat het door het hof toegewezen onderdeel van de vordering van de benadeelde partij zonder een nadere motivering, onbegrijpelijk is. Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezen verklaard een – kort gezegd – poging tot diefstal uit de woningen gelegen aan [b-straat] 160 en 162. Uit de door het hof ten aanzien van het bewezenverklaarde gebezigde bewijsmiddelen8.volgt niet dat daarbij eveneens de schade is toegebracht aan de woning aan gelegen aan [b-straat] 158 waarvan de benadeelde partij blijkens haar voegingsformulier en bijbehorende bijlage9.vergoeding heeft gevorderd, terwijl de desbetreffende stukken ook niet een nadere toelichting bevatten op de gevorderde vergoeding van deze schade.
6.4.
Het vorenstaande brengt mijns inziens mee dat ik kort kan zijn over de klacht over de vermeerderding van de toegewezen vordering met de wettelijke rente. Die is evenzeer terecht voorgesteld.
6.5.
Het middel slaagt dus.
7. Het vierdemiddel
7.1.
7.2.
Het bestreden arrest houdt in dat het hof aan de verdachte op de voet van art. 36f Sr de verplichting heeft opgelegd tot betaling aan de Staat van geldbedragen ten behoeve van de slachtoffers [betrokkene 1] en [A] BV. Het totaal van de door het hof bij de schadevergoedingsmaatregelen opgelegde dagen vervangende hechtenis is 381.
7.3.
Op grond van art. 36f lid 8 in verbinding met art. 24c Sr kan bij het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat zoals hier bedoeld, worden bepaald dat bij gebreke van betaling en verhaal vervangende hechtenis wordt toegepast. Deze vervangende hechtenis mag in het onderhavige geval, waarin sprake is van samenloop als bedoeld in art. 57 Sr, ingevolge art. 60a in verbinding met art. 24c, lid 3, Sr ten hoogste één jaar bedragen.10.Het Hof heeft dit miskend. Na vernietiging ten aanzien van de strafoplegging en terugwijzing, waartoe ik zal concluderen, komt dit defect ook voor reparatie in aanmerking.
7.4.
Het middel slaagt.
8. Enkel het tweede middel is gedeeltelijk tevergeefs voorgesteld en kan in zoverre met de motivering ontleend aan art. 81 lid 1 RO worden afgedaan.
9. Ambtshalve merk ik op dat ook de redelijke termijn in cassatie is overschreden, nu de in de onderhavige zaak geldende uitspraaktermijn van twee jaren is verstreken op 22 september 2017. De termijnoverschrijding dient te leiden tot verlaging van de opgelegde straf.
10. Andere gronden heb ik niet aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging, alsmede de beslissingen met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen [betrokkene 1] en [A] BV, tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 26‑09‑2017
Vgl. o.a. HR 16 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1655, NJ 2015/340, rov. 2.3.1 en 2.3.2 en HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3028.
Zie in dit kader de motivering van de toegewezen vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] .
Vlg. HR 19 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3963.
Het rapport houdt in:
HR 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:547.
Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 8e druk, p. 126 en 127.
Zie bewijsmiddelen 16 t/m 19.
Waarvan de inhoud van deze laatste met juistheid is weergeven in de toelichting op het middel.
Vgl. HR 10 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7397.
Beroepschrift 15‑07‑2016
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Griffienummer: S 16/00208
SCHRIFTUUR HOUDENDE
MIDDELEN VAN CASSATIE
Van : Mr. Th.J. Kelder
Mr. N. Gonzalez Bos
Dossiernummer: 1616884
Inzake:
[verzoeker],
verzoeker tot cassatie van een door het Gerechtshof te Amsterdam op 22 september 2015, onder nummer 23-002535-13 gewezen arrest.
Middel I
1.
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat het oordeel van het Hof dat ‘onvoldoende aannemelijk’ is geworden dat het geldbedrag van €2.350,- waarop de bewezenverklaring onder 2 betrekking heeft, onmiddellijk afkomstig is uit een door verzoeker zelf gepleegd misdrijf ‘temeer nu de verdachte daar zelf niets over heeft verklaard’ blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting althans niet (zonder meer) begrijpelijk is en het Hof het onder 2 bewezenverklaarde ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft gekwalificeerd als witwassen.
2. Toelichting
2.1.
Het Hof heeft onder 1 ten laste van verzoeker bewezenverklaard dat hij zich op 31 januari 2013 te Amstelveen schuldig heeft gemaakt aan gekwalificeerde diefstal, waarbij o.a. € 2.100,- is weggenomen (arrest, p. 4).
2.2.
Daarnaast heeft het Hof onder 2 ten laste van verzoeker bewezenverklaard dat ‘hij op 7 februari 2013 te Amsterdam een geldbedrag van 2350 euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dit geldbedrag — onmiddellijk of middellijk — afkomstig was uit enig misdrijf’ en dit gekwalificeerd als ‘witwassen’ (arrest, p. 4–5).
2.3.
Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 8 september 2015 gehechte pleitnotities heeft de raadsvrouw van verzoeker aldaar aangevoerd:
- ‘4.
Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat feit 2 in samenhang moet worden bezien met 1 en 3 (de pogingen inbraak). De inbraak bij aangever [betrokkene 1] wordt gepleegd op 31 januari 2013 en de inbraak bij aangever [betrokkene 3] op 4 februari 2013. Tijdens de doorzoeking van 6 februari 2014 wordt voornoemd geldbedrag aangetroffen. Het standpunt van de verdediging is dat de rechtbank had moeten vaststellen dat, als cliënt niet wordt gevolgd in zijn verklaring, sprake is van witwassen uit eigen misdrijf. Naar mening van de verdediging is het geld weliswaar aangetroffen onder de matras van cliënt, maar laat zich dit niet kwalificeren als verbergen of verhullen van witwassen zodat enkel sprake is van het voorhanden hebben van geld uit eigen misdrijf.
- 5.
Sinds het arrest van de Hoge Raad van 26 oktober 2010, NJ 2010/655 is de reikwijdte van de witwasbepalingen ingekaderd en heeft de Hoge Raad vastgesteld dat het enkele voorhanden hebben van gelden uit eigen misdrijf niet (langer) gekwalificeerd kan worden als witwassen. De Hoge Raad heeft hier kwalificatie uitsluitingsgronden gecreëerd. In de rechtspraak die volgde is deze lijn meermalen bevestigd en toegelicht, met name waar onduidelijkheid bestond over wat zich laat kwalificeren als verhullen of verbergen.
- 6.
De vraag die zich hier voordoet is of het geld van cliënt, nu de stelling van cliënt dat het afkomstig zon zijn uit legale werkzaamheden binnen het bedrijf van zijn broer niet is gevolgd, dan uit eigen misdrijf moet zijn verkregen. Het Openbaar Ministerie stelde zich al op dat standpunt in requisitoir, nu zij stelde dat de copures die waren aangetroffen in grote delen, en bij benadering in bedrag, overeen leken te komen met het bedrag dat was weggenomen uit de portemonnee van [betrokkene 1]. Immers werd bij [betrokkene 1] EUR 2.100,- weggenomen, en bij cliënt 2.350,- aangetroffen. Daarnaast vonden de inbraken plaats vlak voordat het geldbedrag onder cliënt werd aangetroffen. Gezien die omstandigheden is de verdediging van oordeel dat de aannemelijkheidstoets van het eigen misdrijf is gehaald.
- 7.
Dan volgt direct de vraag of daadwerkelijk sprake is van verhullen of verbergen, nu het enkele voorhanden hebben van geld uit eigen misdrijf niet kan leiden tot een veroordeling. Hierbij verwijst de verdediging naar het arrest van de Hoge Raad van 27 mei 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1237). In die zaak werd de verdachte aangehouden terwijl hij in zijn woning in een plastic doosje in een plastic zakje in de binnenvoering van een rugkussen van een tweezitsbank in zijn woonkamer geld had gestopt dat van eigen misdrijf afkomstig was. De Hoge Raad oordeelde dat deze wijze van bewaren zich niet liet kwalificeren als verhullingshandeling. Ook in het arrest van de Hoge Raad van 18 juni 2013 (ECLI:NL:HR:2013:CA3302) oordeelde de Hoge Raad dat het enkele bewaren van geld op verschillende plekken in huis (in een servieskast, kast in gang, boven de wasbak en in de slaapkamer) zich niet zonder meer laat kwalificeren als verhullingshandeling waardoor vrijspraak volgde. Indien je geldbedragen bundelt en dat in een kluis verstopt in een grote doos van een televisie is de Hoge Raad wederom van oordeel dat het hier geen verhullingshandeling betreft (HR 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1164).
- 8.
Uit deze arresten van de Hoge Raad blijkt dat het enkele verstoppen van een geldbedrag niet zonder meer een gedraging oplevert die bijdraagt aan het verhullen of verbergen van de criminele herkomst ervan. Met deze kritische jurisprudentie van de Hoge Raad in het achterhoofd kan niet worden gezegd dat cliënt handelingen heeft verricht anders dan het voorhanden hebben die bijdragen aan het verhullen of verbergen daarvan. Ik verzoek u cliënt te ontslaan van alle rechtsvervolging nu zijn handeling zich niet laat kwalificeren als 420bis Wsr.’
2.4.
Het Hof heeft dit verweer als volgt samengevat en verworpen (arrest, p. 2–4):
‘Gevoerde verweren en bewijsoverweging ten aanzien van feit 2
De raadsvrouw van de verdachte heeft zich in hoger beroep ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat (…)
b) feit 2 in samenhang moet worden bezien met de feiten 1 en 3 en dat er derhalve sprake is van witwassen van geld uit eigen misdrijf, maar dat verdachte geen verhullende of verbergende handelingen heeft verricht, zodat het feit niet als zodanig kan worden gekwalificeerd (…).
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
(…)
Ad b) De stelling van de raadsvrouw dat het aangetroffen geldbedrag uit eigen misdrijf afkomstig was, is naar het oordeel van het hof onvoldoende aannemelijk geworden, temeer nu de verdachte daar zelf niets over heeft verklaard.’
2.5.
In een arrest van 16 december 2014, NJ2015/[02], rov. 2.3.2 heeft Uw Raad overwogen dat het oordeel dat niet sprake is van een onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp vooral niet begrijpelijk zal kunnen zijn indien:
- ‘(i)
daarnaast sprake is van een ten laste van de verdachte uitgesproken bewezenverklaring ter zake van het begaan van een ander misdrijf met betrekking tot hetzelfde voorwerp, door middel van welk misdrijf de verdachte dat voorwerp kennelijk heeft verworven of voorhanden heeft, dan wel (ii) rechtstreeks uit de bewijsvoering voortvloeit dat sprake is van — kort gezegd — het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, dan wel (iii) de juistheid in het midden is gelaten van hetgeen door of namens de verdachte met voldoende concretisering is aangevoerd met betrekking tot dit verwerven of voorhanden hebben door eigen misdrijf.’
2.6.
's Hofs bewijsmotivering houdt ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde in dat het niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag van € 2.350,- van misdrijf afkomstig is. Vervolgens heeft het Hof geoordeeld ‘onvoldoende aannemelijk [is] geworden’ dat het geldbedrag van € 2.350,- onmiddellijk afkomstig is uit een door verzoeker zelf gepleegd misdrijf, en het onder 2 bewezenverklaarde gekwalificeerd als ‘witwassen’. Dat oordeel en die kwalificatie zijn niet (zonder meer) begrijpelijk nu (i.) de bewezenverklaring onder 1 betrekking heeft op hetzelfde geldbedrag, althans uit de bewijsvoering voortvloeit dat dit geldbedrag onmiddellijk afkomstig is uit het onder 1 bewezenverklaarde, terwijl (ii.) namens verzoeker voldoende concreet is gewezen op het verband tussen voornoemd geldbedrag en het onder 1 bewezenverklaarde en het door verzoeker zelf gepleegde misdrijf.
Afkomstig uit het onder 1 bewezenverklaarde door verzoeker begane misdrijf
2.7.
In een arrest van 7 april 2015, NJ 2015/339, rov. 3.3.2 heeft Uw Raad overwogen dat het in HR 16 december 2014, NJ 2015/[02], rov. 2.3.2 onder (i) genoemde geval ‘bijvoorbeeld’ aan de orde kan zijn indien het ‘de buit van een door de verdachte zelf begaan vermogensmisdrijf’ betreft. Dit geval doet zich te dezen voor nu het Hof blijkens het onder 1 bewezenverklaarde heeft geoordeeld dat verzoeker zich op 31 januari 2013 schuldig heeft gemaakt aan een vermogensmisdrijf (art. 310 jo. 311 Sr) en daarbij een bedrag van € 2.100 buit heeft gemaakt (arrest, p. 4). De Rechtbank heeft te dien aanzien overwogen dat de ‘daders (…) onder meer uit de woning [hebben] weggenomen (…) € 2.100,- aan contanten’ (vonnis, p. 4). De gebezigde bewijsmiddelen 11 en 12 alsmede de nadere bewijsmotivering van het Hof (arrest, p. 3) houden in dat bij een doorzoeking op 7 februari 2013 in de woning van verzoeker een bedrag van € 2.350.- is aangetroffen.
2.8.
Opmerking verdient daarbij dat de feitenrechter in de zaak die heeft geleid tot HR 16 december 2014, NJ 2015/[02] m.nt. N. Keijzer — evenals het Hof in onderhavige zaak — had vastgesteld dat de verdachte geen aannemelijke verklaring had gegeven over de herkomst van de geldbedragen, dat zijn inkomen daarvoor geen ruimte bood alsmede dat in dezelfde zaak bewezen was verklaard dat hij zich schuldig had gemaakt aan diefstal en vervoer van verdovende middelen. Uw Raad overwoog dat uit deze overwegingen ‘waarin het Hof onder meer verwijst naar diefstallen door de verdachte’ rechtstreeks voortvloeide dat de geldbedragen afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, zodat de kwalificatiebeslissing ontoereikend was gemotiveerd (rov. 2.4.3).
Voldoende concretisering
2.9.
Blijkens de (hiervoor onder 2.3 weergegeven) aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 8 september 2015 gehechte pleitnotities (pt. 4 en 6) heeft de raadsvrouw van verzoeker aldaar expliciet gewezen op het verband tussen het onder 1 bewezenverklaarde en het aangetroffen geldbedrag. In zoverre heeft zij eveneens voldoende concreet aangegeven om welke misdrijf het gaat (vgl. HR 13 oktober 2015, NJ 2016/82).
2.10.
Het Hof heeft nog overwogen dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat het geldbedrag van € 2.350,- onmiddellijk afkomstig is uit een door verzoeker zelf gepleegd misdrijf ‘temeer nu de verdachte daar zelf niets over heeft verklaard’. Voor zover het Hof daarmee als zijn oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat een beroep op de kwalificatie-uitsluitingsgrond slechts mogelijk is indien de verdachte zelf verklaart dat het desbetreffende voorwerp uit eigen misdrijf afkomstig is, stelt het een eis die het recht niet kent. Indien het Hof daarvan niet is uitgegaan, heeft het zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd nu het de verklaringen van verzoeker ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde niet aannemelijk heeft geacht. Opmerking verdient daarbij dat Uw Raad in NJ 2015/340 overwoog dat ‘door of namens de verdachte niets is aangevoerd over het (…) voorhanden hebben van (…) geldbedragen door eigen misdrijf [accentuering TK en NGB]’. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.9 is opgemerkt, ligt dat in de onderhavige zaak duidelijk anders.
2.11.
Uit de enkele vaststelling van het Hof dat het in de bewezenverklaring onder 2 genoemde bedrag van € 2.350,- is aangetroffen onder het matras in de slaapkamer van verzoeker (bewijsmiddel 12) kan voorts niet worden afgeleid dat de gedragingen van verzoeker (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dit geldbedrag (vgl. o.a. HR 8 januari 2013, NJ 2013/266 m.nt. M.J. Borgers). In zoverre heeft het Hof het onder 2 bewezenverklaarde ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, gekwalificeerd als witwassen.
2.12.
De kwalificatie-uitsluitingsgrond beoogt een automatische verdubbeling van strafbaarheid te voorkomen. Aantekening verdient daarbij dat het Hof verzoeker ter zake van het onder 1 t/m 3 bewezenverklaarde heeft veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, alsmede ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] heeft toegewezen tot een bedrag van € 66.682, 05, bestaande uit onder meer ‘contanten € 2.100,00’ (arrest, p. 8).
2.13.
Het bestreden arrest kan niet in stand blijven.
Middel II
1.
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat (i.) het Hof de verweren van de verdediging inhoudende dat dat de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] ‘evident niet van eenvoudige aard’ is, dat ‘de schade (…) onvoldoende onderbouwd’ is en dat ‘bij diverse schadeposten (…) geen sprake van rechtstreeks geleden schade’ is ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen, althans (ii.) doordat het oordeel van het Hof dat ‘voldoende [is] gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 66.682,05’ niet (zonder meer) begrijpelijk is, althans (iii.) doordat het (kennelijke) oordeel van het Hof dat behandeling van de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, niet begrijpelijk is, alsmede (iv.) doordat het (kennelijke) oordeel van het Hof dat [betrokkene 2] zich (rechtsgeldig) als benadeelde partij heeft gevoegd, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, nu het oordeel van het Hof ‘dat de vordering benadeelde partij geacht moet worden mede te zijn ingediend namens [betrokkene 2]’ niet (zonder meer) begrijpelijk is, althans doordat (v.) het oordeel van het Hof dat de omstandigheid dat een deel van de goederen waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft (mogelijk) toebehoort aan een ander niet aan toewijzing van de vordering in de weg staat, onjuist is, en 's Hofs arrest dienaangaande innerlijk tegenstrijdig is, alsmede (vi.) doordat het Hof ten onrechte heeft beslist dat de vordering van de benadeelde partij vermeerderd dient te worden met de wettelijke rente.
2. Toelichting
2.1.
Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 8 september 2015 gehechte pleitnotities (pt. 10 e.V.) heeft de verdediging aldaar aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] ‘evident niet van eenvoudige aard’ is, dat ‘de schade (…) onvoldoende onderbouwd’ is en dat ‘bij diverse schadeposten (…) geen sprake [is] van rechtstreeks geleden schade’.
2.2.
Het Hof heeft (kennelijk) geoordeeld dat behandeling van de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Vervolgens heeft het Hof de vordering van deze benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 66.682,05. Blijkens de navolgende overweging is dat bedrag als volgt opgebouwd (arrest, p. 7–11)
‘Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 66.682,05, bestaande uit:
- •
inboedel algemeen €3.442,55
- •
sieraden [70.910,00 — € 4.200,00 (teruggegeven ring) =] € 66.710,00
- •
audiovisuele en computerapparatuur € 3.350,93
- •
contanten € 2.100,00,
verminderd met de schade die reeds is vergoed (€ 8.921,43).’
2.3.
Onder 1. is — voor zover relevant — tenlastegelegd dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan gekwalificeerde diefstal van ‘een kluis’,‘een grote hoeveelheid sieraden (met een geschatte totale waarde van meer dan 75.000 euro’, ‘een of meer MP3-speler(s)’, ‘drie, althans een of meer speaker(s)’, ‘een docking station (merk: Ipod)’, ‘vier, althans een of meer laptop(s)computer(s)’, ‘een harde schijf’, ‘een geheugenkaart’, ‘een superdrive’, ‘een of meer fototoestellen inclusief toebehoren’, ‘een portemonnee’, ‘2100 euro en/of een tot op heden onbekend gebleven geldbedrag’, ‘passen en/of een rijbewijs’, ‘een paspoort’, ‘een vrijwaringsbewijs’, ‘een of meer waardepapieren’, ‘twee, althans een of meer autosleutel(s)’, ‘twee, althans een of meer fietssleutel(s)’ (arrest, p. 1). Het Hof heeft daarvan bewezenverklaard dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan gekwalificeerde diefstal van ‘een kluis’,‘een grote hoeveelheid sieraden’, ‘een MP3-speler, merk: Ipod’, ‘een laptop, een computer, een fototoestel inclusief toebehoren’, ‘een portemonnee’, ‘2100 euro’, ‘passen’, ‘autosleutels’, ‘fietssleutels’ (arrest, p. 4).
2.4.
Gelet op de partiële vrijspraken en hetgeen de raadsvrouw van verzoeker ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd, is de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] tot een bedrag van € 66.682,05 — in het licht van hetgeen het voegingsformulier van deze benadeelde partij inhoudt — niet (zonder meer) begrijpelijk. Verzoeker licht dat hieronder per post toe.
Sieraden
2.5.
Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 8 september 2015 gehechte pleitnotities heeft de verdediging aldaar aangevoerd:
- ‘11.
De heer [betrokkene 1] heeft een hoeveelheid sieraden opgegeven als schadepost voor een bedrag van EUR 70.910,-. Hij heeft echter onvoldoende aangetoond dat de sieraden tot zijn eigendom behoren of die van zijn vrouw, die overigens niet gevoegd is als benadeelde partij. Als de sieraden aan zijn vrouw toebehoorden, dan wordt hij niet rechtstreeks geraakt ten aanzien van de ten laste gelegde sieraden. Aankoopnota's en taxatierapporten ontbreken in het dossier. Certificaten van echtheid ontbreken zelfs in het dossier, waardoor feitelijk niet is vast te stellen of sprake is geweest van echte sieraden met een dergelijke waarde. Verder is er voor gekozen om geen uitgebreid en tijdrovend onderzoek te doen naar de exacte waarde van de sieraden. Een dergelijke concrete waardebepaling was ook niet mogelijk, nu er dan meer details noodzakelijk waren (kwaliteit diamenten, gewicht goud, ouderdom etc.) om de waarde vast te stellen, die niet beschikbaar zijn. Het moge duidelijk zijn dat het dossier ontoereikend is informatie om een verantwoorde schatting te kunnen of mogen maken.’
2.6.
Een blik achter de papieren muur leert dat aan het namens de benadeelde partij [betrokkene 1] ingediende schadeopgaveformulier ter specificering en onderbouwing van de vordering, een tweetal bijlagen zijn gehecht. Daarvan vermeldt bijlage 1 als waarde van de weggenomen sieraden een bedrag van € 32.000, terwijl bijlage 2 een bedrag van € 70.910,00 vermeldt.
2.7.
Het oordeel van het Hof dat ‘voldoende [is] gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 66.682,05, bestaande uit [onder meer, toevoeging TK en NGB] sieraden (…) € 66.710,00’ is gelet op het voorgaande zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. De verschillende taxatiewaardes zijn zeer aanzienlijk, terwijl uit de stukken bovendien blijkt dat de sieraden door de taxateur(s) niet bekeken konden worden en de waardeberekeningen grotendeels berusten op (bestreden) aannames.
Contanten
2.8.
Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 8 september 2015 gehechte pleitnotities heeft de verdediging aldaar aangevoerd:
- ‘12.
Verder is er EUR 2.100,- aan contanten als schadepost opgegeven. De heer [betrokkene 1] kan de hoeveelheid contanten niet aantonen maar stelt dat de contanten toebehoren aan zijn dochter en zoon, die niet zijn gevoegd als benadeelde partij. De heer [betrokkene 1] zegt feitelijk zelf dat hij niet rechtstreeks wordt geraakt maar zijn zoon en dochter’
2.9.
Een blik achter de papieren muur leert dat aan het namens de benadeelde partij [betrokkene 1] ingediende schadeopgaveformulier ter specificering en onderbouwing van de vordering een bijlage (1) is gehecht, die — voor zover relevant — inhoudt [accentueringen TK en NGB]:
schade | opmerkingen | ||||
|---|---|---|---|---|---|
Witte enveloppe | (…) | € | 400 (…) | geen bewijs | |
Bruine enveloppe voor [zoon], zoon | (…) | € | 1.400,00 (…) | geen bewijs | |
Bruine enveloppe voor [dochter], dochter | (…) | € | 300,00 | geen bewijs | |
Contanten in totaal | €2.100.00 | ||||
max € 1.500’ | |||||
2.10.
Het oordeel van het Hof dat ‘voldoende [is] gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 66.682,05, bestaande uit [onder meer, toevoeging TK en NGB] contanten € 2.100,00,’ is gelet op het voorgaande zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Ook hier gaat het slechts om (onbewezen) aannames.
Audiovisuele en computerapparatuur
2.11.
Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 8 september 2015 gehechte pleitnotities heeft de verdediging aldaar aangevoerd:
- ‘14.
De heer [betrokkene 1] heeft een hoeveelheid audiovisuele- en computerapparatuur opgegeven als schadepost. Opvallend is dat niet is uitgegaan van de dagwaarde, maar is gekozen voor de vervangingswaarde. Dat is onterecht. Bij gestolen goederen dient de dagwaarde te worden vergoed en niet de nieuwwaarde. In dit geval zal dat ook niet rechtvaardig zijn, nu het niet is aangetoond dat deze goederen inderdaad zijn ontvreemden zelfs als dat wel als aangetoond wordt beschouwd, dan dient rekening te worden gehouden dat de goederen 4,5 en 6 jaar oud zijn en formeel gezien geen waarde meer vertegenwoordigen in verband met afschrijving cq. Waardevermindering. De verzekering heeft door de voorwaarden van haar polis een bedrag vergoed van EUR 3.350,93. Het rapport stelt een totale nieuwwaarde vast van EUR 3.101,43. Dit houdt derhalve in dat de heer [betrokkene 1] afdoende is vergoed voor deze schadepost door de verzekering. De verdediging betwist in ieder geval nadrukkelijk dat de gestelde audiovisuele- en computerapparatuur aanwezig waren en in eigendom toebehoorden aan de heer [betrokkene 1]. Er is geen enkele bron gehecht aan de vordering BP om deze schadepost te onderbouwen. Bewijsrisico hieromtrent rust ex artikel 150 Rv bij de benadeelde partij.’
2.12.
Het oordeel van het Hof dat ‘voldoende [is] gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 66.682,05, bestaande uit [onder meer, toevoeging TK en NGB] audiovisuele en computerapparatuur € 3.350,93’ is gelet op hetgeen de verdediging heeft aangevoerd en de partiele vrijspraken ter zake van enkele tenlastegelegde audiovisuele apparaten en computerapparatuur zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.
Inboedel
2.13.
Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 8 september 2015 gehechte pleitnotities heeft de verdediging aldaar aangevoerd:
- ‘15.
De opgegeven inboedel als schadepost is onvoldoende onderbouwd. De heer [betrokkene 1] heeft geen enkele bron overlegd ter onderbouwing van de gestelde waarde, dan wel dat enig ander document waaruit zou blijken dat deze goederen tot zijn eigendom behoorden. Gelet op de aard van de goederen is het ook niet onaannemelijk dat de goederen alleen aan zijn vrouw toebehoorden, en niet aan hem. En zoals eerder gesteld is hij dan niet rechtstreeks geraakt door de geleden schade.’
2.14.
Een blik achter de papieren muur leert dat aan het namens de benadeelde partij [betrokkene 1] ingediende schadeopgaveformulier ter specificering en onderbouwing van de vordering een bijlage (1) is gehecht, die — voor zover relevant — inhoudt [accentueringen TK en NGB]:
schade | opmerkingen | ||||
|---|---|---|---|---|---|
Inloopkast Polyfem A1 en A2 | € | 2.275,00 | |||
(…) | |||||
Inboedel — Algemeen totaal | € | 3.442,65’ | |||
2.15.
In aanmerking genomen dat onder 1 niet is tenlastegelegd dat verzoeker een ‘Inloopkast Ployfem A1 en A2’ heeft weggenomen, terwijl dit evenmin uit 's Hofs bewijsvoering kan worden afgeleid en gelet op hetgeen de verdediging ten aanzien van de post ‘Inboedel’ heeft aangevoerd, is het oordeel van het Hof dat ‘voldoende [is] gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 66.682,05, bestaande uit [onder meer, toevoeging TK en NGB] inboedel algemeen € 3.442,55’ zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.
2.16.
Uit het voorgaande volgt eveneens dat het (kennelijke) oordeel van het Hof dat behandeling van de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, niet begrijpelijk is.
2.17.
Het bestreden arrest kan reeds hierom niet in stand blijven.
2.18.
Het Hof heeft voorts geoordeeld ‘dat de vordering benadeelde partij geacht moet worden mede te zijn ingediend namens [betrokkene 2]’ (arrest, p. 7) en daartoe overwogen (i.) ‘dat een zich in het dossier bevindende ‘voorlopige lijst van vermiste goederen en van schade als gevolg van inbraak’ zowel de naam [betrokkene 1] als de naam [betrokkene 2] vermeldt’ en (ii.) dat uit de toelichting door [betrokkene 1] ter terechtzitting in hoger beroep blijkt dat hij mede namens zijn echtgenote en met haar instemming de voeging heeft willen indienen’.
2.19.
Voor zover het Hof in zijn hiervoor weergegeven overwegingen als zijn oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat voornoemde [betrokkene 2] zich (rechtsgeldig) als benadeelde partij heeft gevoegd, geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting nu het Hof niet heeft vastgesteld dat zich bij de stukken van het geding een door deze partij ingediend voegingsformulier bevindt, terwijl het Hof evenmin heeft vastgesteld dat [betrokkene 2] zich anderszins op de voet van art. 51g, derde lid, Sv heeft gevoegd (vgl. HR 13 april 1999, NJ 1999/485). Het oordeel van het Hof- dat erop neerkomt dat [betrokkene 1]- zich eerst in hoger beroep als benadeelde partij heeft kunnen voegen — is, gelet op het bepaalde in art. 421, eerste lid, Sv onjuist. Indien het Hof hiervan niet is uitgegaan, heeft het zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd nu zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is (i.) op welke wijze een voorlopige goederenlijst die slechts de naam van [betrokkene 1]- vermeldt met zich meebrengt dat de vordering van een andere benadeelde partij ([betrokkene 1]) mede namens eerstgenoemde is ingediend. Daarbij dient in het bijzonder in aanmerking te worden genomen dat het Hof feitelijk heeft vastgesteld dat [betrokkene 2] het voegingsformulier niet heeft ondertekend. Daarnaast (ii.) valt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg noch in hoger beroep af te leiden dat [betrokkene 1] het voegingsformulier met instemming van [betrokkene 2] heeft ingediend.
2.20.
Het Hof heeft tevens overwogen (arrest, p. 7–8):
‘Met de verdediging is het hof van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat alle in de opgave van genoemde goederen aan [betrokkene 1] toebehoren en dat het zeer wel mogelijk is dat een deel ervan aan de echtgenote van de heer [betrokkene 1], mevrouw [betrokkene 2], toebehoort.
Dit staat naar het oordeel van het hof niet aan toewijzing van de vordering in de weg. Zoals overwogen moet de vordering benadeelde partij worden geacht mede te zijn gedaan door [betrokkene 2]. Beiden hebben in zoverre een rechtstreeks belang: een eventuele onderlinge verdeling van dit deel van de boedel, en daarmee van de schadevergoeding, is een kwestie tussen de echtelieden onderling.’
2.21.
Het oordeel van het Hof dat de omstandigheid dat een deel van de goederen waarop de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] betrekking heeft (mogelijk) toebehoort aan een ander dan de benadeelde partij (namelijk aan [betrokkene 2]) niet aan toewijzing van de vordering in de weg staat, is onjuist en geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip ‘rechtstreekse schade’ (vgl. HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1522). In aanmerking genomen dat het Hof in het dictum van het arrest (p. 9) heeft beslist dat de ‘vordering benadeelde partij [betrokkene 1]’ wordt toegewezen bevat het 's Hofs arrest gelet op de hiervoor weergegeven overweging bovendien een tegenstrijdigheid.
2.22.
Het bestreden arrest kan dan ook niet in stand blijven.
2.23.
De stukken van het geding houden bovendien niet in dat de benadeelde partij [betrokkene 1] vergoeding van de wettelijke rente heeft gevorderd. Het Hof heeft aldus ten onrechte beslist dat de vordering van deze benadeelde partij vermeerderd dient te worden met de wettelijke rente vanaf de in het arrest genoemde datum tot aan de dag der algehele voldoening. Het bestreden arrest kan in zoverre niet in stand blijven (vgl. HR 10 maart 2015, ECLI:NL:HR: 2015:547).
2.24.
Verzoeker ziet daarbij niet voorbij aan HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR: 2015:3362. Uit hetgeen hiervoor onder is opgemerkt, volgt dat de toewijzing van de vordering van [betrokkene 1] tot een bedrag van € 66.682,05 ontoereikend is gemotiveerd. Gelet daarop heeft het Hof tevens een te hoog bedrag, althans percentage van voornoemd bedrag, aan wettelijke rente opgelegd en heeft verzoeker belang bij vernietiging. Opmerking verdient daarbij nog dat de voornoemde benadeelde partij — blijkens het voegingsformulier alsmede het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 8 september 2015 — is vertegenwoordigd door een advocaat (die vergoeding van de wettelijke rente niet heeft gevorderd). Aan die omstandigheid pleegt Uw Raad ook betekenis toe te kennen ten aanzien van de verdachte (vgl. o.a. HR 12 januari 2016, NJ 2016/117 m.nt. T.M. Schalken).
Middel III
1.
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormschriften, doordat (i.) het oordeel van het Hof dat de vordering van de benadeelde partij Bouwconsulting B.V. kan worden toegewezen tot een bedrag van € 3.111,48 zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is alsmede doordat (ii.) het Hof ten onrechte heeft beslist dat de vordering van deze benadeelde partij vermeerderd dient te worden met de wettelijke rente.
2. Toelichting
2.1.
Aan verzoeker is — voor zover relevant — onder 3. tenlastegelegd dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan poging tot gekwalificeerde diefstal ‘in/uit een of meer woning(en), gelegen aan [a-straat 01] en/of [02] en/of [03]’ (arrest, p. 2).
2.2.
Daarvan heeft het Hof bewezenverklaard dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot gekwalificeerde diefstal ‘uit woningen, gelegen aan [a-straat] [02] en [03]’. Het Hof heeft verzoeker dus vrijgesproken van poging tot gekwalificeerde diefstal uit de woning gelegen aan [a-straat 01] (arrest, p. 4–5). Gelet op 's Hofs bewijsvoering is dat oordeel niet onbegrijpelijk. Het door het Hof onder nr. 17 gebezigde bewijsmiddel houdt te dien aanzien als mededelingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] in:
‘Wij zijn naar het adres van de melder gegaan. (…) Op de 13e etage zagen wij dat hier drie woningen waren gevestigd. Dit waren de percelen [01], [02] en [03]. Bij perceel [02] zagen wij dat hier een torxschroef in het cilinderslot was geboord. Tevens zagen wij bij perceel [02] dat tochtstrips hier deels los langs het deurkozijn hingen. Bij perceel [03] zagen wij dat de voorzijde van de cilinder weg was. Wij zag dat de deur hier openstond en het achterste deel van de cilinder in de gang op de grond lag.’
2.3.
Uit het vonnis (p. 14) van de Rechtbank kan worden afgeleid dat de vordering van de benadeelde partij Bouwconsulting B.V. betrekking heeft op ‘herstelwerkzaamheden aan kozijnen en sloten’. Het Hof heeft de vordering van deze benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 3.111,48, zijnde het gevorderde bedrag van € 3.764,89 exclusief het in rekening gebrachte bedrag aan BTW van € 653,41 (arrest, p. 8–10).
2.4.
Een blik achter de papieren muur leert dat aan het namens de benadeelde partij Bouwconsulting B.V. ingediende schadeopgaveformulier ter specificering en onderbouwing van de vordering, een factuur van ‘DZM Vastgoed Onderhoud’ is gehecht die — voor zover relevant — inhoudt [accentueringen TK en NGB]:
‘Werkzaamheden
Leveren en plaatsen 3 noodcilinders nrs [01]-[02]-[03]
(…)
Leveren en plaatsen 3 knopcilinders op certificaat nrs [01]-[02]-[03]
Leveren en plaatsen 2 meerpuntsluitingen nrs [01]-[03]
Totaal kosten | 3096 |
Car verzekering 0,5% | 15,48 |
Sub totaal exclusief BTW | 3111,48 |
BTW 21% | 653,41 |
Totaal inclusief BTW | 3.764,89’ |
2.5
Uit het voorgaande vloeit rechtstreeks voort dat de vordering van de benadeelde partij Bouwconsulting B.V. tevens betrekking had op herstelwerkzaamheden aan de woning gelegen aan [a-straat] [01]. In aanmerking genomen dat het Hof verzoeker heeft vrijgesproken van de hem tenlastegelegde poging tot gekwalificeerde diefstal ten aanzien van deze woning, is de toewijzing van de vordering van Bouwconsulting B.V. tot een bedrag van € 3.111,48 zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.
2.6
Het bestreden arrest kan in zoverre niet in stand blijven.
2.7
De stukken van het geding houden daarnaast niet in dat de benadeelde partij Bouwconsulting B.V. vergoeding van de wettelijke rente heeft gevorderd. Het Hof heeft aldus ten onrechte beslist dat de vordering van deze benadeelde partij vermeerderd dient te worden met de wettelijke rente vanaf de in het arrest genoemde datum tot aan de dag der algehele voldoening. Het bestreden arrest kan in zoverre niet in stand blijven (vgl. HR 10 maart 2015, ECLI:NL: HR:2015:547).
2.8
Verzoeker ziet daarbij niet voorbij aan HR 24 november 2015, ECLI:NL: HR:2015:3362. Uit hetgeen hiervoor onder 2.1. tot en met 2.6. is opgemerkt, volgt dat de toewijzing van de vordering van Bouwconsulting B.V. tot een bedrag van € 3.111,48 ontoereikend is gemotiveerd. Gelet daarop heeft het
Hof tevens een te hoog bedrag, althans percentage van voornoemd bedrag, aan wettelijke rente opgelegd en heeft verzoeker belang bij vernietiging.
Middel IV
1.
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormschriften, doordat het Hof het bepaalde in art. art. 60a jo. art. 24c, derde lid, Sr heeft miskend, door bij de schadevergoedingsmaatregelen (in totaal) 381 dagen aan vervangende hechtenis op te leggen.
2. Toelichting
2.1.
Het Hof heeft aan verzoeker op de voet van art. 36f Sr verplichtingen opgelegd tot betaling aan de Staat ten behoeve van Bouwconsulting B.V. en [betrokkene 1]. Het totaal van de door het Hof bij de schadevergoedingsmaatregelen opgelegde dagen aan vervangende hechtenis bedraagt blijkens het dictum (arrest, p. 9–10) 381 dagen (bestaande uit 340 dagen ter zake van de verplichting om ten behoeve van [betrokkene 1] een bedrag te betalen van € 66.682,05 en 41 dagen ter zake van de verplichting om ten behoeve van Bouwconsulting B.V. een bedrag van € 3.111,48 te betalen).
2.2.
Op grond van art. 36f, zesde lid, jo. art. 24c Sr kan bij het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat, worden bepaald dat bij gebreke van betaling en verhaal vervangende hechtenis wordt toegepast. In het onderhavigegeval is sprake van samenloop (art. 57 Sr), zodat ingevolge art. 60a jo. art. 24c, derde lid, Sr de vervangende hechtenis ten hoogste één jaar mag bedragen (vgl. HR 10 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7397). Het Hof heeft dit miskend.
2.3.
Het bestreden arrest kan ook in zoverre niet in stand blijven.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door Th.J. Kelder en N. Gonzalez Bos, advocaten te Den Haag, die verklaren dat verzoeker hen daartoe bepaaldelijk heeft gevolmachtigd.
Th.J. Kelder
Den Haag, 15 July 2016
N. Gonzalez Bos
Den Haag, 15 juli 2016