Arrest hof, p. 4.
HR, 04-02-2025, nr. 22/02703
ECLI:NL:HR:2025:175
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
04-02-2025
- Zaaknummer
22/02703
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:175, Uitspraak, Hoge Raad, 04‑02‑2025; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1266
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2022:2151
ECLI:NL:PHR:2024:1266, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 26‑11‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:175
- Vindplaatsen
Uitspraak 04‑02‑2025
Inhoudsindicatie
Medeplegen oplichting payrollbedrijven (art. 326.1 Sr). 1. Bewijsklacht wetenschap van verdachte t.a.v. gepleegde oplichting. 2. Bewijsklacht medeplegen. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 22/02523, 22/02608, 22/02704 P, 22/02705 P, 22/02706, 22/02739 en 22/02758.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02703
Datum 4 februari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 7 juli 2022, nummer 23-002236-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S. Ben Tarraf, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde taakstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;
- vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat de taakstraf 216 uren beloopt, subsidiair 108 dagen hechtenis;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 februari 2025.
Conclusie 26‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Onderzoek ‘13Rolwolk’. Medeplegen oplichting, art. 326 Sr. Falende bewijsklachten over (1) wetenschap verdachte en (2) medeplegen. Ambtshalve opmerking over redelijke termijn in cassatie. Conclusie strekt tot vernietiging bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde taakstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige. Samenhang met 22/02523, 22/02758, 22/02704, 22/02706, 22/02705, 22/02739 en 22/02608.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02703
Zitting 26 november 2024
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 7 juli 2022 de verdachte wegens 2 primair “medeplegen van oplichting” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren (te vervangen door 120 dagen hechtenis). Voorts zijn beslissingen genomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij, een en ander als nader in het arrest opgenomen.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 22/02523, 22/02758, 22/02704, 22/02706, 22/02705, 22/02739 en 22/02608. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. S. Ben Tarraf, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
4. Beide middelen klagen over de bewezenverklaring. Voordat ik overga tot bespreking van de middelen, geef ik eerst de inhoud van de zaak, de bewezenverklaring en de bewijsconstructie van het hof weer.
De zaak
5. Onderhavige zaak gaat, zoals kernachtig door het hof samengevat, over het volgende:
“Uit het dossier volgt dat de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] – zoals ook in de arresten in de strafzaken tegen hen is vastgesteld en zoals door hen in hun strafzaken ook niet is betwist – zich schuldig hebben gemaakt aan oplichting van [A] . [A] is een bedrijf dat is gespecialiseerd in payrolling, het verzorgen van de administratieve aspecten van het ter beschikking stellen van arbeidskrachten. Via het bedrijf [B] hebben de beide medeverdachten [A] benaderd voor het verrichten van payrollactiviteiten. Daarbij werd aan [A] voorgespiegeld dat (uiteindelijk 22) werknemers van [B] projectwerkzaamheden zouden gaan verrichten bij de bedrijven [D] en [C] Holding B.V. (hierna: [C] ). Nadat een samenwerkingsovereenkomst tussen [A] en [B] was gesloten, werden de voor de tewerkstelling van de werknemers bij [D] en [C] noodzakelijke documenten opgesteld. Onder meer werden arbeidsovereenkomsten en inschrijvingsformulieren voor de verschillende werknemers gemaakt. Ook werden werkbriefjes opgesteld waarop voor iedere werknemer was vermeld hoeveel uren per week bij de desbetreffende opdrachtgever was gewerkt. [A] heeft aan de 22 werknemers loon uitbetaald tot een bedrag van in totaal € 92.899,71.
In werkelijkheid zijn nimmer door werknemers van [B] werkzaamheden verricht bij [D] en [C] . De namen en gegevens van beide bedrijven zijn buiten hun medeweten door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] misbruikt.
Ook in de onderhavige strafzaak staat niet ter discussie dat [A] door de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] is opgelicht. [verdachte] heeft de feitelijke gang van zaken die daarbij heeft plaatsgehad, zoals hiervoor weergegeven, evenmin weersproken. Wel staat ter discussie welke rol [verdachte] hierbij heeft gehad. In het bijzonder ligt aan het hof ter beoordeling voor of [verdachte] wetenschap heeft gehad van de oplichting van [A] en, vervolgens, of zijn aandeel kan worden gewaardeerd als een vorm van medeplegen of medeplichtigheid.”1.
De bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde
6. Ten laste van de verdachte is door het hof onder 2 primair bewezen verklaard dat:
“hij op tijdstippen in de periode van 1 augustus 2016 tot en met 8 september 2016 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een of meer listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [A] B.V. heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen tot een totaal van ongeveer 92.899 euro,
hebbende hij, verdachte en/of zijn mededaders met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid
- namens [B] B.V. een payrollingovereenkomst met [A] B.V. afgesloten, en
- tegen een of meer medewerkers van [A] B.V. gezegd dat hij medewerkers wilde inzetten bij de bedrijven [D] en [C] , en
- een aantal medewerkers op de [A] laten zetten en
- aangegeven dat de medewerkers per week betaald moesten worden en
- een inschrijvingsformulier en een arbeidsovereenkomst en werkbriefjes ingevuld en ondertekend en bij [A] B.V. ingediend en
- personen als werknemers ingeschreven bij [A] B.V.,
waardoor [A] B.V. telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgiften.”
De bewijsconstructie van het hof
7. De door het hof gebezigde bewijsmiddelen luiden als volgt:
“1. Een proces-verbaal van verhoor verdachte 31 oktober 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde pag. 1101 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 31 oktober 2016 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van de verdachte:
V: Wat was er fout in het bedrijf [B] B.V.?
A: Ik moest nieuwe collega's inschrijven die ik niet kende.
Tonen formulier Inschrijving Medewerker
V: Heb je dit formulier ooit gezien?
A: Ja, deze heb ik getekend.
V: Heb jij dit formulier getekend, d.d. 8 augustus 2016
A: Ja, nogmaals deze heb ik getekend.
Tonen Arbeidsovereenkomst tussen [verdachte] en [A]
V: Heb jij dit formulier ondertekend?
A: Ja, deze heb ik ook getekend.
V: Welke werkzaamheden heb je ooit verricht namens dat bedrijf?
A: Ik heb andere mensen ingeschreven bij [A] .
V: Welke mensen heb je ingeschreven?
A: Eerst mijn collega's en daarna anderen mensen die ik nog nooit heb gezien.
V: In wiens opdracht heb je deze mensen ingeschreven?
A: In opdracht van [betrokkene 1] , maar met [betrokkene 2] heb ik ook overleg gehad.
Tonen werkbriefje [A] m.b.t. gewerkte dagen in de periode 1 t/m 12 augustus 2016
V: Heb je deze werkbrief ondertekend?
A: Deze heb ik ondertekend.
V: Wie is [betrokkene 3] ?
A: Dat is de contact persoon van [betrokkene 4] . Ik heb hem nooit gezien of gesproken.
V: Op je werkbriefje staat dat dit de accountmanager is van [D] B.V. en zijn handtekening?
A: Ik zal het uitleggen. Ik stuurde het briefje met mijn handtekening naar [betrokkene 1] . Ik kreeg het dan ondertekend terug. Ik stuurde het daarna op naar [A] . Ik stuurde ze ook wel eens naar [medeverdachte 2] .
V: Volgens je werkbriefje heb je gewerkt op:
1 t/m 5 augustus 2016
8 t/m 12 augustus 2016
elke dag acht uur. Klopt dit?
A: Ja, deze heb ik ondertekend.
Tonen werkbriefje van [A] mbt gewerkte dagen 15 t/m 19 augustus 2016
V: Heb je deze werkbrief ondertekend?
A: Ja. deze heb ik ondertekend.
Tonen werkbriefje van [A] m.b.t. gewerkte dagen 22 t/m 25 augustus 2016
V: Heb je deze werkbrief ondertekend?
A: Ja, deze heb ik ondertekend.
Tonen werkbriefje van [A] m.b.t. gewerkte dagen 26 t/m 1 september 2016
V: Heb je deze werkbrief ondertekend?
A: Ja, deze heb ik ondertekend.
Tonen werkbriefje van [A] m.b.t. gewerkte dagen 2 t/m 8 september 2016
V: Heb je deze werkbrief ondertekend?
A: Ja, deze heb ik ondertekend.
V: Volgens de gegevens die wij van [A] hebben gekregen is er aan jou uitbetaald een bedrag van € 4.149,01. Klopt dit?
A: Dat kan kloppen.
Als bijlage aan dit proces-verbaal zijn de volgende geschriften gehecht:
- een door [verdachte] ondertekend inschrijvingsformulier (‘Inschrijving Medewerker’) van 8 augustus 2016, met aangehecht een formulier onkostenvergoeding waarop ‘woon-werkverkeer’ is aangekruist als ‘soort vergoeding’; op het inschrijvingsformulier is vermeld dat [verdachte] werkzaamheden gaat verrichten bij [D] B.V.;
- de door [verdachte] ondertekende arbeidsovereenkomst met [A] van 23 augustus 2016, waarin is vermeld dat de [A] [verdachte] ter beschikking zal stellen aan [D] B.V. en dat [D] B.V. de onderneming is waar de feitelijke werkzaamheden zullen plaatsvinden / worden verricht;
- vier werkbriefjes over de maand augustus en een werkbriefje over de maand september, telkens ondertekend door [verdachte] en waarop steeds [D] B.V. als opdrachtgever, [verdachte] als werknemer en het aantal gewerkte uren (steeds acht uur per dag) zijn vermeld. De geschatte arbeidsduur is 40 uur per week.
2. Een proces-verbaal van verhoor van verdachte van 7 november 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde pag. 7.472 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 7 november 2016 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1]:
V: Wat zegt de naam [A] B.V. je?
A: Dat is het payrol bedrijf dat heeft uitgekeerd aan de medewerkers van [B] .
V: Welke werkzaamheden heb je uitgevoerd voor [D] ?
A: Er zijn geen werkzaamheden uitgevoerd voor [D] .
V: Ken je dat bedrijf [D] ?
A: Nee, enkel op papier.
V: Ben je betrokken bij het detacheren van mensen bij [A] B.V.
A: Ik heb bemiddeld.
V: Heb jij op de loonlijst gestaan van [A] BV?
A: Ja.
V: Wanneer ben je voor het laatst bij [A] geweest?
A: Ik ben geweest met [betrokkene 2] (het hof begrijpt hier en hierna: [medeverdachte 2] ), [verdachte] (het hof begrijpt hier en hierna: [verdachte] ) en [betrokkene 5] op kantoor. Wij hadden de opdracht gekregen van [betrokkene 2] omdat hij het woord zou voeren.
V: Waar ging dit gesprek over?
A: Of wij contact gehad hebben met [D] en wie [D] is.
V: Wat heeft [betrokkene 2] gezegd in dat gesprek?
A: De woorden weet ik niet meer, het ging over [D] en hoe hij ze kende.
V: Heeft [betrokkene 2] toen de waarheid gesproken?
A: Nee.
V: Wist [betrokkene 2] dat het toen niet klopte met [D] ?
A: Ja zeker iedereen wist het.
V: En hij heeft toch iets anders verteld.
A: Ja.
V: Wisten [betrokkene 6] en [verdachte] tijdens het gesprek ook dat het niet klopte?
A: Ja.
V: Hoe weetje dat zij het toen al wisten?
A: Omdat er geen werkzaamheden zijn uitgevoerd.
V: Dat hadden jullie vooraf al besproken?
A: Jazeker.
V: Door wie was het plan bedacht om [A] op te lichten?
A: Ik wil niet wijzen naar personen, maar ik wil wel vertellen dat iedereen er mee te maken heeft. Het was eerst de bedoeling om [verdachte] en [betrokkene 7] te betalen op een legale manier. Vervolgens is er een idee bedacht om een fictief bedrijf te gaan invoeren.
V: Wie heeft dat idee bedacht?
A: Zoals ik al eerder zei, wil ik geen mensen aanwijzen. Maar we wisten er allemaal van. Maar [betrokkene 7] en [verdachte] hadden een achterstand van 4 maanden loon en dit was een oplossing van [betrokkene 2] om ze zodanig te betalen. We zijn gaan zoeken naar een vorm van hoe financier je medewerkers en we zijn toen op [A] gekomen. Ik moet daar wel bij vermelden, dat de mensen [verdachte] , [betrokkene 7] , [betrokkene 8] en natuurlijk [betrokkene 9] er niet om hebben gevraagd. Ze wilden gewoon hun loon krijgen. Het maakte niet uit hoe.
V: Iedereen wist er van? Wat bedoel je daarmee?
A: Er werden geen werkzaamheden verricht dus het klopte niet.
V: Dus iedereen wist dat er fraude werd gepleegd en dat er valsheid in geschrifte werd gepleegd.
A: Ja iedereen wist dat want ze werkte niet daadwerkelijk.
3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 7 december 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde pag. 1426 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in, voor zover van belang, als de op 7 december 2016 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 2]:
Met [A] had ik wel het idee dat het niet goed zat. Ik heb nooit gesproken met iemand van [D] en/of [C] . Ik heb de stukken getekend met betrekking tot [A] dat er een contrakt was met [D] en [C] . [betrokkene 1] vertelde mij toen al dat het nooit de bedoeling was dat wij daadwerkelijk gingen werken bij die bedrijven. Volgens mij heeft [A] B.V. het geld overgemaakt naar de mensen die op de [A] stonden. Het ging in mijn ogen pas echt verkeerd toen wij ook anderen mensen moesten plaatsen op de [A] .
Ik ben inderdaad een keer met [medeverdachte 1] , [verdachte] en [betrokkene 5] bij [A] b.v. geweest om te praten. Ik heb daar te horen gekregen dat [A] vermoedde dat er fraude in het spel was. Ik wist dat al.
4. Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 10 februari 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde pag. 5.048 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in, voor zover van belang, als de op 10 februari 2017 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 2]:
V: Wat kun je vertellen over het gesprek wat je hebt gehad bij [A] op het kantoor.
A: Ik was daar met [betrokkene 1] , [betrokkene 6] en [verdachte] (het hof begrijpt hier en hierna: [medeverdachte 1] , [betrokkene 5] en [verdachte] ). Het was een verzoek van [A] om te komen. Wij waren verplicht om te komen, omdat wij daar in dienst waren. [A] kwam met beschuldigingen. In het gesprek heb ik de boot afgehouden en gezegd dat wij ook waren opgelicht.
V: Wat hebben jullie onderling besproken voordat jullie naar [A] ?
A: Wij hebben afgesproken dat ik het woord zou doen. Ik heb dit eigenlijk afgesproken met [betrokkene 1] . Zo hebben wij het ook uitgevoerd. We wisten namelijk toen al dat het niet klopte. [betrokkene 1] wist het natuurlijk helemaal. [verdachte] wist ook al langer dat het niet klopte. Hij was namelijk gebeld door [A] met de vraag waar hij aan het werk was. Hij heeft toen geantwoord dat hij op kantoor zat. Dat was echter niet zo. [A] was op dat moment bij ons kantoor en heeft dat ook tegen [verdachte] gezegd. [verdachte] heeft toen gezegd dat hij vanuit huis werkte.
V: Hoe ging het tekenen van de werkbriefjes in het werk?
A: [verdachte] verzamelde al de werkbriefjes. Hij stuurde ze naar [betrokkene 1] . Ik kreeg de werkbriefjes getekend van [betrokkene 1] retour. Ze waren dan ondertekend. Ik stuurde de werkbriefjes getekend naar [A] B.V.
V: Wie heeft al de emailadressen aangemaakt voor de werknemers?
A: Dat heb ik gedaan. Ik kreeg van [verdachte] de namen door.
V: Hoe is het invullen van de formulieren gebeurd?
A: lk heb wel wat dingen ingevuld voor [A] , onder meer een overeenkomst tussen [B] en [A] . Ik heb dat formulier ook ondertekend.
V: Waarom stuurt [betrokkene 1] jouw printscreens door van [D] BV? En de link van www. […] .nl?
A: Ik moest van [betrokkene 1] de website van […] kopiëren en daar de naam [D] op zetten en die online zetten.
V: Ook vraag jij weer om kaarten en nummers. Waarom?
A: Ja met de kaarten moest ik domeinnamen registreren en de nummers moesten aan de websites gekoppeld worden.
V: Wat voor handtekening moet je maken?
A: Dat zijn wat gegevens die onder aan je e-mail komt te staan. Ik heb diverse e-mail handtekening gemaakt. Ik weet niet over welke hij het hier heeft.
V: Heb jij de inlogcodes van de website van [D] aan [betrokkene 1] gegeven?
A: Ja die heb ik gegeven.
V: Wat wordt hier mee bedoeld?
“12:10 uur, [medeverdachte 1] zegt tegen [medeverdachte 2] dat hij 6 man extra op de lijst beeft gezet. Dus maandag dinsdag komt er 25k vrij via [A] . [medeverdachte 2] zegt dan tegen [medeverdachte 1] dat hij aanneemt dat die gasten ook iets willen hebben ervoor.. [betrokkene 1] rageer daar later op dat ze 250 per persoon krijgen dus 1500 gaat er vanaf totaal. Dat is niet verkeerd volgens [betrokkene 2] . Zie pagina 2358."
A: Nou [betrokkene 1] had mensen geronseld om op de lijst bij [D] te zetten. Zodat er meer geld los zou komen van [A] . Ik wist toen wel dat dit niet goed zat. Zij hebben nooit gewerkt.
V: Wie zijn de Hagenezen?
A: Dat waren mensen van een uitzendbureautje die zijn gebruikt om dus op de lijst te zetten van [D] of [C] .
V: Heb jij de "valse" website van [C] na gekeken?
A: Ja die heb ik nagekeken.
5. Een proces-verbaal van aangifte van 16 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (doorgenummerde pag. 665 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 16 september 2016 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [verbalisant 4]:
Ik ben gerechtigd tot het doen van aangifte Fraude c.q. oplichting namens de benadeelde [A] .. [A] is gevestigd in Amsterdam.
Binnen [A] ben ik werkzaam als zijnde Manager Contracts. Hierbij verwijs ik naar het bijgevoegde politieverslag, wat ik aan u overhandig.
Als bijlage is aan deze aangifte een geschrift gehecht niet de titel politieverslag, waarin onder meer het volgende is opgenomen.
[A] B.V. is benaderd door [B] B.V. om medewerkers op onze [A] te zetten voor projecten die zij gaan doen bij verschillende eindklanten. Hieronder vind u het hele verslag van de samenwerking, de communicatie, ons interne onderzoek toen wij het vermoeden hadden van oplichting en verschillende bijlagen.
Het eerste deel van het verslag is het contact tussen onze sales consultant [betrokkene 10] en [B] . Vervolgens is dit contact naar onze accountmanager [betrokkene 11] gegaan. Tenslotte heb ik, [verbalisant 4] , manager van de afdeling waaronder de klant valt het onderzoek verder opgepakt.
Verslag [betrokkene 10]
4-8-2016
Eerste contact met [betrokkene 1] [B]
Notitie in Client Relation Management Systeem (CRM):
[betrokkene 10] (JS): 4-8-2016
[betrokkene 1] belde om een voorstel te ontvangen voor payrolling.
Het betreft [B] die 11 medewerkers hebben en 6 daarvan op een project zetten om hardware te instaleren bij een eindklant.
Snelheid was belangrijk aangezien ze maandag willen beginnen.
Na veel telefonisch contact stuur hij vandaag alle ingevulde inschrijfformulieren op en kunnen we aan de slag.
Tarief is € 55 euro en we moeten de eindklant factureren. (marge betalen aan [B] )
Gegevens die [betrokkene 1] mij telefonisch heeft doorgegeven:
- [B] zet haar kandidaten in op projecten om hardware te implementeren in bedrijven.
- [medeverdachte 2] is eigenaar van [B]
- Ze werken zelf met kredietverzekeraar [E] . Hiermee verzekerd [B] haar klanten voor de hardware.
- [B] is gevestigd op de [a-straat 1] .
- Van plan om te verhuizen wegens de hoge huurkosten en het groeiende aantal personeelsleden.
- Van de eindklant hadden ze een budget gekregen waar binnen ze moesten acteren.
5-8-2016
Overleg met Accountteam Contracts:
Accountteam heeft het proces met mij doorgenomen. Sales verstuurd het inschrijfformulier en vragenlijst intermediair en vervolgens zal Accountteam contact opnemen met de medewerkers om het proces door te nemen en de eindklant(en) te informeren. Ik heb het inschrijfformulier en de vragenlijst intermediair toegestuurd.
Mail naar [medeverdachte 2] :
Goedemorgen [betrokkene 2] ,
Bedankt voor je inschrijving. Leuk dat we gaan samenwerken.
Ik ga direct voor je aan de slag, samen met mijn collega en tevens jullie persoonlijke Accountmanager ' [betrokkene 11] '.
[betrokkene 11] zal vandaag contact opnemen om de opstart van onze samenwerking soepel te laten verlopen.
Om alle processen voor het weekend of te ronden hebben we vandaag de overige inschrijvingen nodig.
We zullen vandaag ook het krediet van de eindklant moeten aanvragen. Dit kunnen we alvast aanvragen als je mij de bedrijfsnaam en het kvk nummer van de eindklant kan doorgeven.
Ik hoor graag van je.
9-8-2016
Toen het ingevulde inschrijfformulier en vragen intermediair retour waren:
Beste [betrokkene 2] ,
Bedankt voor de getekende overeenkomst, met deze overeenkomst kunnen we [B] officieel verwelkomen bij [A] .
Leuk dat we gaan samenwerken!
Goed om te horen dat [B] met een groot project bezig is.
We hebben alles klaar staan om van start te gaan. Wanneer de andere stukken ondertekend retour zijn, gaan we direct voor jullie aan de slag.
Succes vandaag en we houden contact.
10-8-2016
Sales stuurt de documenten door naar Accountteam:
Na overleg met Accountteam kwam het tarief van 2 medewerkers onder het wettelijk minimumloon. Ik heb contact opgenomen met [betrokkene 1] om duidelijk te maken dat de tarieven te laag waren. Op 10 augustus stuurde hij voor de betreffende 2 kandidaten de nieuwe tarieven door.
10-8-2016
Na de eerste verloning bleek er een miscommunicatie te zijn geweest.
Citaat [betrokkene 1] : De medewerkers vonden het loon wel erg laag.
[betrokkene 1] gaf aan dat hij de opgegeven uurlonen als bruto uurloon had bedoeld en niet als tarief.
Hij had zich hiervoor geëxcuseerd.
[A] heeft deze aanpassingen doorgevoerd en de correcties op een later tijdstip verloond.
24-8-2016
Afspraak met [medeverdachte 2] om 14:00 uur op kantoor ( [b-straat 1] ):
[betrokkene 11] belde mij in de loop van de dag dat [medeverdachte 2] had gebeld. Hij had aangegeven in de buurt te zijn en graag even langs wilde komen, nadat wij een aantal keer hadden aangegeven om een afspraak in te plannen.
Rond 14:00 uur was [medeverdachte 2] op kantoor en hebben we 30 tot-45 minuten gesproken over de gang van zaken en verdere interesses.
Gegevens uit het gesprek:
- [medeverdachte 2] is enige aandeelhouder van [B]
- Wil in de toekomst kijken of [betrokkene 1] medeaandeelhouder kan worden maar daar moest [medeverdachte 2] eerst alle vertrouwen in hebben.
- Maakte gebruik van [F] , maar wilde niet vertellen bij welke organisatie, daar waar [A] ook [F] kan aanbieden dacht ik aan extra verkoop/diensten die wij kunnen aanbieden.
- [medeverdachte 2] gaf aan dat hij vooraf nog niet veel van [A] afwist en dat zijn medewerker ( [medeverdachte 1] ) hem hierop had geattendeerd.
- De evaluatie tijdens het gesprek was positief. [medeverdachte 2] was blij met de gang van zaken en vond de samenwerking soepel verlopen. Had geen punten voor verbetering.
- [medeverdachte 2] gaf aan dat hij bezig was met een nieuw project (een organisatie in de olie). Hij was in onderhandeling met de partij (welke partij het was kon hij nog niet zeggen).
Verslag [betrokkene 11]
05-08-2016: Samenwerkingsovereenkomst gestuurd naar [medeverdachte 2] (CEO [B] ). Op 09-08-2016 hebben we de getekende samenwerkingsovereenkomst retour ontvangen.
10-08-2016: heeft [medeverdachte 2] de inschrijfformulier gestuurd naar [betrokkene 10] van de eindklant [D] en de eerste 5 medewerkers die hier gaan werken.
Het was al bekend dat er in totaal 11 medewerkers gingen werken maar dat ze niet allemaal tegelijk beginnen omdat het in fases stond ingepland. Dit had te maken met budgetten en roosters die ze hadden gemaakt.
[medeverdachte 1] heeft telefonisch aangegeven dat de kandidaten graag wekelijks uitbetaald willen worden. Ik heb aangegeven dat dit mogelijk is maar dat de klant hier ook akkoord mee moet zijn. In een e-mail vanuit [D] is hier bevestiging voor gegeven.
Bij het opstellen van de Deelovereenkomsten kwam ik er achter dat [medeverdachte 2] zelf ook als medewerker was aangedragen. Ik heb dit met [verbalisant 4] besproken omdat ik weet dat we niet een directeur van een bedrijf mogen uitbetalen als we ook naar dit zelfde bedrijf een factuur sturen. Omdat het een intermediair constructie is en wij de eindklant factureren zou het wel mogelijk zijn. Toch vonden we het wel vreemd dus is de Deelovereenkomst nog niet getekend voordat we meer informatie hier over hadden.
Ik heb direct telefonisch contact opgenomen met [medeverdachte 2] . Hij gaf aan dat zij in projecten werken en dat hij zelf ook meewerkte aan dit project. Om het boekhoudkundig per project overzichtelijk te houden had hij ervoor gekozen zelf ook op via deze constructie betaald te worden.
11-08-2016: Mantel- en Deelovereenkomsten zijn verstuurd naar [D] . De volgende dag hebben we alles getekend retour ontvangen van [betrokkene 3] (procurement@ [D] .nl).
Op 12-08-2016 heb ik alle medewerkers een introductie e-mail gestuurd met een pro forma berekening. Hierna heb ik ook nog een telefoontje gehad dat een medewerker het mailtje niet had ontvangen en of ik het introductiemailtje nogmaals zou willen versturen.
Na de eerste vertoning van de eerste vijf medewerkers heeft [betrokkene 2] contact opgenomen met ons omdat de lonen erg laag waren. Hij heeft toen gezegd dat de bedragen in het formulier geen tarieven zijn maar bruto lonen.
Ik heb dit toen ook nog telefonisch besproken met [betrokkene 2] of [betrokkene 1] . [verdachte] heeft een overzicht gestuurd wat het bruto inkoop en bruto verkoop tarief zou moeten zijn. Ik heb een overzicht gemaakt met de bijbehorende inkoop en verkoop tarieven waar [betrokkene 2] akkoord op heeft gegeven.
22-08-2016: Omdat er nog meer medewerkers gaan werken bij [D] heb ik een hoger limiet
aangevraagd. Op 24-08-2016 is de limiet van 200.000 goedgekeurd.
24-08-2016: [medeverdachte 2] belde op dat hij in de buurt was en graag langs zou willen komen om kennis te maken. [betrokkene 10] en ik hebben ongeveer een uur met hem gezeten. Hij heeft in dit gesprek veel vertelt over wat hij in het verleden heeft gedaan en waar hij nu mee bezig is. In dit gesprek vertelde hij dat ze bijna een nieuwe klant/project hadden binnen gehaald. Ik vond ik het wel een aparte man maar had ik niet mijn twijfels over hem.
25-08-2016: Voor de kandidaten [betrokkene 12] , [betrokkene 5] , [betrokkene 13] , [medeverdachte 1] , [betrokkene 14] en [betrokkene 15]
de Deelovereenkomsten verstuurd en op dezelfde dag getekend retour ontvangen.
26-08-2016: Via de e-mail heeft [betrokkene 2] aangegeven dat [betrokkene 1] een nieuwe project binnen heeft gehaald. Omdat ik zelf een week op vakantie ging heeft collega accountmanager [betrokkene 16] contact gehad met [medeverdachte 2] over het nieuwe project waar weer veel medewerkers aan de slag gingen. 01-09-2016: [betrokkene 16] heeft een mail gestuurd naar [betrokkene 17] van [C] met de inschrijfformulieren.
Op 05-09-2016 heeft [betrokkene 17] de documenten geretourneerd en [betrokkene 16] de limiet aangevraagd. Op 9-9-2016 hebben we van [betrokkene 17] de getekende Mantelovereenkomst ontvangen.
Op 08-09-2016 was ik zelf weer op kantoor en heb ik alle Deelovereenkomsten opgesteld en verstuurd. In eerste instantie heb ik 5 van de 12 deelovereenkomsten getekend terug gestuurd gekregen. [betrokkene 2] heeft mij opgebeld of ik alles had ontvangen. Hij gaf aan dat deze 5 medewerkers graag zo snel mogelijk de overeenkomt willen ontvangen. Daarom had de eindklant deze alvast getekend en terug gestuurd.
Verslag [verbalisant 4]
Naar aanleiding van alle getekende contracten met de klant zijn er vervolgens ook arbeidscontracten verstuurd naar alle medewerkers door onze Backoffice. Alle medewerkers hadden een emailadres die @ [B] .nl is. Dit hebben wij geverifieerd met [B] , maar alles was zeer plausibel.
Er zijn vervolgens gewerkte uren ontvangen, allemaal afgetekend door de klant. Deze uren zijn uitbetaald en vervolgens zijn er facturen uit gegaan naar de klanten. In de bijlage staat een lijst met alle kandidaten, BSN nummers, geboorte datum, rekeningnummers en de betalingen die zijn gedaan.
13-09-2016: wij kregen het vermoeden van fraude. Wij kwamen erachter dat websites nep bleken.
14-09-2016: Er is telefonisch contact geweest met [medeverdachte 2] en [verdachte] waarbij zij uitgenodigd zijn om de volgende dag naar [A] te komen.
15-09-2016: Op kantoor van [A] zijn verschenen: [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 1] en [betrokkene 5] . Alleen [medeverdachte 2] heeft het woord gevoerd.
6. Een proces-verbaal van aangifte van 29 november 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (doorgenummerde pag. 1.522 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 29 november 2016 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [betrokkene 17]:
Door het bedrijf [C] Holding zijn in Nederland geen goederen en/of diensten besteld. Bij
[C] Holding B.V. werken in Nederland geen personen.
U toont mij de volgende stukken:
• Via Recruiter [C] Holding, d.d. 5-9-2016
• Mantelovereenkomst tussen [A] B.V. en [C] Holding B.V., d.d. 11-9-2016
• Deelovereenkomst m.b.t. [betrokkene 18] en [B] B.V.
• Deelovereenkomst m.b.t. [betrokkene 19] en [B] B.V.
• Deelovereenkomst m.b.t. [betrokkene 20] en [B] B.V.
• Deelovereenkomst m.b.t. [betrokkene 21] en [B] B.V.
• Deelovereenkomst m.b.t. [betrokkene 22] en [B] B.V.
• Deelovereenkomst m.b.t. [betrokkene 23] en [B] B.V.
• Deelovereenkomst m.b.t. [betrokkene 24] [B] B.V.
• Deelovereenkomst m.b.t. [betrokkene 25] en [B] B.V.
• Deelovereenkomst m.b.t. [betrokkene 26] en [B] B.V.
• Deelovereenkomst m.b.t. [betrokkene 27] en [B] B.V.
• Deelovereenkomst m.b.t. [betrokkene 28] en [B] B.V.
• Deelovereenkomst m.b.t. [betrokkene 29] en [B] B.V.
Ik zie dat al deze stukken zijn ondertekend met de naam [betrokkene 17] . Ik kan u vertellen dat het niet mijn handtekening is. Iemand heeft dus mijn handtekening nagemaakt. Ik heb deze overeenkomsten niet getekend.
Ik begrijp van u dat er een groot aantal werkbriefjes zijn op naam van de personen die staan vermeld op de deelovereenkomsten. De werkbriefjes zouden ook zijn ondertekend door [betrokkene 17] . Ik heb nooit enig werkbriefje ondertekend in Nederland.
De naam [B] B.V. zegt mij niks. Ik heb nooit contact gehad met dit bedrijf. De namen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zeggen mij ook niks. Ik vermoed dat iemand misbruikt heeft gemaakt van de naam [C] Holding B.V.
7. Een proces-verbaal van aangifte van 13 december 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (doorgenummerde pag. 1.553 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 13 december 2016 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [betrokkene 30]:
Ik werk enkele dagen per week als security manager (via mijn eigen bedrijf) voor het Amerikaanse bedrijf [G] . Ik ben door dit bedrijf gemachtigd om aangifte te doen. Het bedrijf [G] heeft een groot aantal dochterbedrijven waaronder [D] B.V. Een van de gevolmachtigden voor het bedrijf [D] B.V. (verder te noemen [D] ) is genaamd [betrokkene 3] . Ik heb al eerder contakt gehad met het bedrijf [A] B.V. (verder te noemen [A] ). Ik heb van [A] gehoord dat er op naam [D] mensen zijn ingehuurd van het bedrijf [B] B.V. Van de politie heb ik al eerder de volgende stukken ontvangen:
• Via Recruiter, d.d. 8-8-2016
• Mantelovereenkomst tussen [A] en [D] , d.d. 11-8-2016
• Deelovereenkomst m.b.t. [verdachte] en [B] B.V. (2 stuks)
• Deelovereenkomst m.b.t. [betrokkene 8] en [B] B.V. (2 s tuks)
• Deelovereenkomst m.b.t. [betrokkene 31] en [B] B.V. (2 stuks)
• Deelovereenkomst m.b.t. [medeverdachte 3] en [B] B.V. (2 stuks)
• Deelovereenkomst m.b.t. M. [medeverdachte 2] en [B] B.V. (2 stuks)
• Deelovereenkomst m.b.t. [betrokkene 12] en [B] B.V.
• Deelovereenkomst m.b.t. [betrokkene 5] eii [B] B.V.
• Deelovereenkomst m.b.t. [betrokkene 13] en [B] B.V.
• Deelovereenkomst m.b.t: [medeverdachte 1] en [B] B.V.
• Deelovereenkomst m.b.t. [betrokkene 14] en [B] B.V.
• Deelovereenkomst m.b.t. [betrokkene 32] en [B] B.V.
• Allonge I, wijziging uurtarief naar € 112,50
Al deze stukken zijn ondertekend door S. [betrokkene 3] . Ook heb ik begrepen dat alle werkbriefjes van de bovenstaande personen door hem zouden zijn getekend. [D] heeft geen werknemers in Nederland. [D] heeft nooit personeel in dienst genomen, ook niet via [B] B.V. en/of [A] . Ik heb navraag gedaan bij S. [betrokkene 3] maar deze persoon heeft niet de bovengenoemde formulieren getekend. Hij heeft dus ook nooit werkbriefjes getekend. De handtekening van [betrokkene 3] is dus vervalst.
Ik vermoed dat iemand misbruik heeft gemaakt van de naam [D] en op naam van het bedrijf goederen en diensten heeft besteld.
8. Geschriften, te weten afschriften van documenten als bijlage bij de aangifte door [A] (de inhoud van ordner 9, doorgenummerde pagina’s 3399 tot en met 3869).
Nu niet door [verdachte] is betwist dat de hieronder vermelde documenten zijn gebruikt in het kader van de oplichting van [A] en de inhoud van deze documenten ook overigens niet voorwerp van discussie is, volstaat het hof met de volgende weergave en samenvatting van de geschriften:
- correspondentie tussen [medeverdachte 2] en [A] en tussen [medeverdachte 1] en [A] ;
- de samenwerkingsovereenkomst tussen [A] en [B] op 8 augustus 2016, namens [B] ondertekend door [medeverdachte 2] ; [A] is gespecialiseerd in de administratieve aspecten van het ter beschikking stellen van arbeidskrachten (pag. 3420 e.v.)
- de inschrijvingsformulieren (‘Inschrijving Medewerker) van de verschillende werknemers, ondertekend door de desbetreffende werknemer; op de inschrijvingsformulieren is vermeld dat werkzaamheden verrichten gaan worden bij [D] B.V. respectievelijk [C] Holding B.V.;
- de arbeidsovereenkomsten tussen [A] en de verschillende werknemers, ondertekend dooi de desbetreffende werknemer, waarin steeds is vermeld dat [A] de (bij naam genoemde) arbeidskracht ter beschikking zal stellen aan de inlener [D] B.V. respectievelijk [C] Holding B.V. en dat de inlener de onderneming is waar de feitelijke werkzaamheden zullen plaatsvinden / worden verricht;
- weekbriefjes over de maanden augustus en september, ondertekend door de desbetreffende werknemer, waarop steeds [D] B.V. respectievelijk [C] Holding B.V. als opdrachtgever, de naam van de desbetreffende werknemer en het aantal gewerkte uren zijn vermeld.
9. Een proces-verbaal van bevindingen van 11 januari 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , met bijlagen (doorgenummerde pag. 3.935 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van de hiervoor vermelde verbalisant:
Op 16 september 2016 heeft [verbalisant 4] , namens [A] B.V., aangifte gedaan van oplichting door [medeverdachte 2] en/of [B] B.V. Zij waren opgelicht door voor een bedrag van € 92.899,71. Dit bedrag was uitgekeerd aan salarissen. [B] B.V. heeft 22 personeelsleden ondergebracht bij [A] B.V. voor een project bij [C] Holding B.V. en [D] B.V.
Betalingen
Door [A] B.V. zijn de volgende personen uitbetaald:
Naam netto totaal bedragen
[betrokkene 8] € 5.560,75
[betrokkene 12] € 7.747,60
[betrokkene 24] € 3.579,16
[betrokkene 29] € 3.579,16
[betrokkene 32] € 8.626,98
[betrokkene 23] € 3.579,16
[betrokkene 25] € 2.338,72
[betrokkene 26] € 2.338,72
[betrokkene 20] € 3.579,16
[verdachte] € 4.149,01
[betrokkene 27] € 2.177,75
[medeverdachte 2] € 7.783,40
[betrokkene 22] € 2.338,72
[betrokkene 19] € 2.338,72
[betrokkene 5] € 2.728,31
[medeverdachte 3] € 3.321,73
[betrokkene 21] € 3.579,16
[betrokkene 13] € 4.908,49
[medeverdachte 1] € 8.763,15
[betrokkene 31] € 3.163,95
[betrokkene 28] € 2.338,72
[betrokkene 14] € 4.379,19
€ 92.899,71
[verdachte]
In totaal is er een bedrag van € 4.149,01 overgemaakt vanaf [A] B.V. naar [rekeningnummer 1] t.n.v. [verdachte] .
Op 18 augustus 2016 is er een bedrag van 972,20 overgemaakt vanaf [A] B.V. naar [rekeningnummer 1] t.n.v. [verdachte] .
Op 25 augustus 2016 is er een bedrag van 1.184,51 overgemaakt vanaf [A] B.V. naar [rekeningnummer 1] t.n.v. [verdachte] .
Op 29 augustus 2016 is er een bedrag van 591,84 overgemaakt vanaf [A] B.V. naar [rekeningnummer 1] t.n.v. [verdachte] .
Op 2 september 2016 is er een bedrag van 700,23 overgemaakt vanaf [A] B.V. naar [rekeningnummer 1] t.n.v. [verdachte] .
Op 9 september 2016 is er een bedrag van 700,23 overgemaakt vanaf [A] B.V. naar [rekeningnummer 1] t.n.v. [verdachte] .
Opmerkelijk is dat negen personeelsleden hun salaris geheel of gedeeltelijk hebben overgeschreven naar rekeningnummer [rekeningnummer 2] t.n.v. [B] B.V. In totaal gaat het om een bedrag van € 21.496,16
10. Een proces-verbaal van bevindingen van 24 januari 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , met bijlage (doorgenummerde pag. 3.883 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van de hiervoor vermelde verbalisant:
Op 25 oktober 2016 werd de telefoon van de verdachte [medeverdachte 2] tijdens zijn aanhouding in beslag genomen. Er is onderzoek gedaan naar deze telefoon. Na het invoeren van het zoekwoord [A] kwam een groepschat genaamd: Verkoop, naar voren. Aan deze groepschat doen [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] mee. De gehele chatsessie is geprint en als bijlage gevoegd aan dit proces-verbaal.
In het als bijlage gehechte geschrift is onder meer de volgende WhatsApp-groepschat opgenomen:
4 augustus 2016
[verdachte] :
- Hebben we een kvk uitreksel?
- Ik heb van elke werknemer gegevens hebben
- Kopie id
- En bankrekening gegevens
- En kopie pasjes
- Tekenbevoegde is gewoon [betrokkene 2] toch?
- Wat is onze cao
- Als we die hebben
- Ik heb de andere formulieren voor mezelf ook al ingevuld
- Ik heb alleen nog de gegevens van de anderen nodig
- En hebben we adv of atv?
5 augustus 2016
[medeverdachte 1] :
- Wat moet de eindklant invullen?
[verdachte] :
- Eindklant?
[medeverdachte 1] :
- Vragenlijst Arbeidsomstandigheden: Moet ingevuld worden door de eindklant
[verdachte] :
- Ja door mij zelf
- Maar dat heb ik ook al gedaan
[medeverdachte 1] :
- Nee eindklant zijn we niet
- Dat is onze klant
[verdachte] :
- Nee man
14 augustus 2016
[verdachte] :
- Wat moet ik hier invullen voor [betrokkene 33] ?
[medeverdachte 1] :
- Zzp
- [betrokkene 33] niet via [A]
- Laat dat beter zitten
- Want ze begrijpt [D] niet
- Want ze word gebeld
- En het is een risico
- We kunnen haar beter zelf betalen
- Van de levering
- Want iedereen wird gebeld
- En zijn. Werkzaamheden
- Worden besproken
- Als ze iets zegt
- Wat niet zo is
- Verliezen we [A]
- Ik wacht niet op meer gezeik
- [betrokkene 34] is genoeg
- [betrokkene 33] beter niet
22 augustus 2016
[medeverdachte 2] :
- Hi [verdachte] , ik zie geen uren sheet van jou tussen de scans.
- Zat die wel in de stapel, [betrokkene 1] ?
[medeverdachte 1] :
- [verdachte] heeft hem zelf gemaakt
- Volgens mij
[verdachte] :
- Ik verstuur je zometeen een mail met die van iedereen
[medeverdachte 1] :
- Welke mail
[verdachte] :
- Met documenten van de werknemers”
8. Verder heeft het hof in het bestreden arrest met betrekking tot het bewijs het volgende overwogen:
“Op basis van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen kan over de feitelijke betrokkenheid van [verdachte] bij de oplichtingshandelingen het volgende worden vastgesteld:
(i) In de periode van (onder meer) 4 augustus 2016 tot en met 22 augustus 2016 heeft [verdachte] met de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] deelgenomen aan een WhatsApp-groepschat met de naam ‘Verkoop’. In deze chat voerden [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] overleg over, kort gezegd, de (gefingeerde) tewerkstelling van de verschillende werknemers en de voor deze tewerkstelling vereiste informatie en documentatie. [verdachte] had een actieve inbreng bij dit overleg, waarbij verschillende aspecten van de tewerkstelling van de werknemers aan bod kwamen. Zo vroeg hij of er een KvK-uittreksel nodig was, stelde hij aan de orde dat hij van elke werknemer de gegevens, een identiteitsbewijs, de bankgegevens en een kopie van de pasjes nodig had en vroeg hij of er een CAO was en wie bij de tewerkstelling van de werknemers als de eindklant moest worden aangemerkt.
(ii) [verdachte] heeft op 8 augustus 2016 een inschrijvingsformulier ondertekend, waarin is opgemerkt dat hij werkzaamheden gaat verrichten bij [D] . Aan dit inschrijvingsformulier is een door [verdachte] ondertekende onkostenvergoeding gehecht voor de vergoeding van woon-/werkverkeer. Vervolgens heeft [verdachte] op 23 augustus 2016 een arbeidsovereenkomst ondertekend, waarin opnieuw is opgemerkt dat hij – gedurende 40 uur per week – werkzaamheden bij [D] gaat verrichten. Ook heeft [verdachte] vijf werkbriefjes ondertekend, waarop telkens is vermeld op welke dagen in augustus en september is gewerkt bij [D] .
(iii) [verdachte] heeft collega's van [B] en verschillende mensen die hij niet kende en die hij nog nooit had gezien ingeschreven als werknemer bij [A] .
(iv) Op 13 september 2016 kreeg [A] het vermoeden dat sprake was van oplichting. Een medewerker van [A] heeft de volgende dag telefonisch contact opgenomen met [medeverdachte 2] en [verdachte] , waarbij dit vermoeden aan hen werd uitgesproken en waarbij zij werden verzocht om de volgende dag bij [A] langs te komen voor overleg. Bij dit overleg op 15 september 2016 is [verdachte] – samen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [betrokkene 5] – aanwezig geweest.
Naar het oordeel van het hof zijn deze omstandigheden redengevend voor de conclusie dat [verdachte] wist – en ook opzet heeft gehad op – de oplichting van [A] . Daarbij verdient voorts opmerking dat in de onder (i) genoemde groepschat is gesproken over de tewerkstelling van een zeker [betrokkene 33] . Op de vraag van [verdachte] wat voor [betrokkene 33] moest worden ingevuld antwoordde [medeverdachte 1] dat zij als zzp’er moet worden geregistreerd en niet via [A] . [medeverdachte 1] schrijft vervolgens dat ze een risico is, want iedereen wordt gebeld waarbij de werkzaamheden worden besproken. Ze verliezen [A] als [betrokkene 33] iets zegt wat niet zo is. Hij zit niet te wachten op meer gezeik; [betrokkene 34] is genoeg. Voor [verdachte] , die in de groepschat hierover geen verdere vragen stelt, is blijkbaar duidelijk wat [medeverdachte 1] hiermee bedoelt. Verder is van belang dat [verdachte] van [A] – naar voor [verdachte] duidelijk was: niet zijn werkgever of anderszins een partij waarmee hij iets te maken had – vijf salarisbetalingen heeft ontvangen tot een bedrag van € 4.149,01. Tot slot is van belang dat [medeverdachte 1] heeft verklaard dat [verdachte] wist dat het fout was toen hij instructies kreeg om andere mensen op de loonlijst te zetten. Bij de politie heeft [medeverdachte 1] verklaard dat het eerst de bedoeling was om [verdachte] op een legale manier te betalen, maar dat vervolgens was bedacht om een fictief bedrijf te gaan invoeren. Iedereen wist van het plan om [A] op te lichten. [verdachte] had weliswaar niet om de oplichting gevraagd, maar hij wist dat het niet goed zat omdat er geen werkzaamheden werden uitgevoerd en dat hadden ze vooraf al besproken.
Naar het oordeel van het hof zijn de onder de onder (i) tot en met (iv) genoemde omstandigheden voorts redengevend voor de conclusie dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , waarbij de bijdrage van [verdachte] aan (de gezamenlijke uitvoering van) het delict van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen. [verdachte] is vanaf het begin (het overleg vanaf 4 augustus 2016 over de inschrijving van de werknemers) tot het einde (het gesprek op het kantoor van [A] op 15 september 2016) betrokken geweest bij de oplichting van [A] . Het gesprek op het kantoor van [A] heeft weliswaar pas op 15 september 2016 en daarmee buiten de ten laste gelegde periode plaatsgehad, maar is wel relevant voor de duiding en de betrokkenheid van [verdachte] bij de verweten oplichting. [verdachte] heeft gedurende de ten laste gelegde periode handelingen verricht die cruciaal waren om [A] op het verkeerde been te zetten, door zorg te dragen voor de inschrijving van de werknemers bij [D] en [C] , die vervolgens voor [A] de basis vormden om over te gaan tot de salarisbetalingen.
De conclusie is dat bewezen kan worden verklaard dat [verdachte] zich, tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde oplichting.”2.
Het eerste middel
9. Het eerste middel komt op tegen de bewezenverklaring en houdt in dat de wetenschap van de verdachte ten aanzien van de gepleegde oplichting van [A] niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
De bespreking van het eerste middel
10. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte in de bewezen verklaarde periode een arbeidsovereenkomst met [A] heeft ondertekend waarin is vermeld dat [A] de verdachte ter beschikking zal stellen aan [D] . Daarnaast heeft de verdachte een inschrijvingsformulier ondertekend waarin is vermeld dat hij werkzaamheden gaat verrichten voor [D] . De verdachte heeft tevens vijf werkbriefjes ondertekend, waarop telkens is vermeld op welke dagen in augustus en september 2016 hij bij [D] heeft gewerkt. Een en ander is in strijd met de aangifte van [betrokkene 30] namens [D] . Die heeft meegedeeld dat [D] geen werknemers heeft (gehad) in Nederland en nooit personeel in dienst heeft genomen, ook niet via [B] B.V. en/of [A] . Het hof heeft hieruit afgeleid (en kunnen afleiden) dat in werkelijkheid nimmer werknemers van [B] B.V. werkzaamheden hebben verricht bij [D] (en [C] ).
11. Uit de bewijsvoering volgt voorts dat de verdachte collega’s van [B] B.V. en verschillende mensen die hij niet kende en nog nooit had gezien als werknemer bij [A] heeft ingeschreven om ter beschikking te worden gesteld aan onder andere [D] . Zijn voor het bewijs gebezigde verklaring wijst uit dat de verdachte wist dat dit “fout” was binnen het bedrijf [B] B.V. Ook uit de voor het bewijs gebezigde verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] volgt dat de verdachte wist dat er door deze mensen bij [D] geen werkzaamheden werden verricht.
12. Uit deze bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, heeft het hof m.i. dan ook kunnen afleiden dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de oplichting van [A] .
13. Het middel faalt.
Het tweede middel
14. Het tweede middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring onbegrijpelijk is, althans onvoldoende met redenen is omkleed, nu uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte als ‘medepleger’ heeft deelgenomen aan het feit.
De toelichting op het tweede middel
15. In de toelichting op het middel wordt naar voren gebracht dat de verdachte enkel personen als werknemer bij [A] heeft ingeschreven. Bij alle andere, daaraan voorafgaande handelingen zou de verdachte niet betrokken zijn geweest en het zijn juist die gedragingen die hebben gemaakt dat [A] om de tuin werd geleid en die derhalve cruciaal waren voor de oplichting van [A] . Het inschrijven van werknemers bij [A] betreft handelingen die werden verricht op het moment dat de oplichting bijna is voltooid. Gelet daarop is volgens de steller van het middel van een gezamenlijke uitvoering geen sprake en is de bijdrage van de verdachte aan de oplichting van onvoldoende gewicht.
Het beoordelingskader inzake ‘medeplegen’
16. De Hoge Raad heeft vanaf 2014 in verschillende arresten algemene beschouwingen gewijd aan de deelnemingsvorm van het medeplegen.3.Vóór 2014 had hij al uitgemaakt dat voor de kwalificatie ‘medeplegen’ is vereist dat bij het strafbare feit ‘nauw en bewust is samengewerkt’ en dat het accent hierbij meer ligt op de samenwerking dan op de vraag wie welke handelingen heeft verricht.4.De vraag of aan dit vereiste is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden en wordt in cassatie sterk gekleurd door de precieze bewijsvoering van de feitenrechter, zoals een op het medeplegen toegesneden nadere motivering.5.
17. De Hoge Raad heeft benadrukt dat de kwalificatie ‘medeplegen’ slechts dan gerechtvaardigd is als de bewezen verklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de vorming van zijn oordeel of de voor medeplegen vereiste ‘nauwe en bewuste samenwerking’ zich heeft voorgedaan, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.6.
18. Voor een bewezenverklaring van medeplegen is niet vereist dat het gewicht van de bijdrage van de verdachte gelijkwaardig is aan dat van zijn mededader(s).7.Alhoewel de bijdrage van de medepleger in de regel zal worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit, kan zijn bijdrage ook bestaan uit verscheidene gedragingen voor, tijdens en/of na het delict.8.
19. Een en ander brengt mee dat wanneer het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, op de rechter de taak rust om ingeval hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren.
20. Bovendien kan de procesopstelling van de verdachte een rol spelen. De feitenrechter mag bij zijn bewijsoordeel in aanmerking nemen dat de verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem ten laste gelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven.
De bespreking van het tweede middel
21. Zoals weergegeven onder randnummer 8, heeft het hof overwogen dat de onder (i) tot en met (iv) genoemde omstandigheden redengevend zijn voor de conclusie dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Daarbij is de bijdrage van de verdachte aan (de gezamenlijke uitvoering van) het delict van voldoende gewicht geweest om de kwalificatie ‘medeplegen’ te rechtvaardigen, aldus oordeelde het hof. Het hof overweegt in dat kader dat de verdachte van het begin tot het einde betrokken is geweest bij de oplichting van [A] en dat de verdachte door zorg te dragen voor de inschrijving van werknemers bij [D] en [C] handelingen heeft verricht die cruciaal waren om [A] op het verkeerde been te zetten (als gevolg waarvan [A] is overgegaan tot het doen van salarisbetalingen). Bovendien heeft het hof uit de onder (i) bedoelde omstandigheid afgeleid dat de verdachte een actieve inbreng heeft gehad in het WhatsApp-groepsgesprek over de (gefingeerde) tewerkstelling van de verschillende werknemers en de daarvoor vereiste informatie en documentatie.
22. Op basis van deze vaststellingen heeft het hof m.i. kunnen oordelen dat de verdachte nauw en bewust met de medeverdachten heeft samengewerkt, waarbij de bijdrage van de verdachte aan de oplichting van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie ‘medeplegen’ te rechtvaardigen. Daartoe acht ik doorslaggevend dat het hof heeft overwogen dat de verdachte een actieve inbreng heeft gehad in het groepsgesprek met zijn medeverdachten en dat de verdachte door het inschrijven van werknemers een cruciale rol heeft gehad in de uitvoering van het delict. Zonder deze inschrijvingen kon van een voltooide oplichting immers geen sprake zijn.
23. Verder verdient opmerking dat voor een bewezenverklaring van medeplegen zoals gezegd niet is vereist dat het gewicht van de bijdrage van de verdachte gelijkwaardig is aan dat van de medeverdachten.
24. Het middel faalt.
Slotsom
25. De middelen falen en kunnen naar mijn inzicht worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO ontleende overweging.
26. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, waarmee de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM wordt overschreden, hetgeen tot vermindering van de door het hof opgelegde taakstraf zal moeten leiden.
27. Andere ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.
28. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde taakstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 26‑11‑2024
Arrest hof, p. 4-5.
Zie HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. P.A.M. Mevis; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395 m.nt. P.A.M. Mevis, en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411 m.nt. N. Rozemond. Zie verder J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 483 e.v.
Zie HR 24 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6581, NJ 2011/481, en HR 6 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9905, NJ 2004/443.
Zie HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. P.A.M. Mevis; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395 m.nt. P.A.M. Mevis.
Vgl. HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411 m.nt. N. Rozemond. Zie daarnaast bijvoorbeeld HR 14 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:394; HR 9 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:3, en HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:439, NJ 2024/191, m.nt. A.J. Machielse.
HR 12 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:893, r.o. 2.4: “Voor zover het middel berust op de opvatting dat voor de bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat het gewicht van de bijdrage van de verdachte in de hiervoor onder 2.3 weergegeven zin gelijkwaardig is aan dat van zijn mededader(s), vindt het geen steun in het recht”.
Zie bijv. HR 30 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1162.