NJB 2024/2248:Spoedeisend belang. Dwangsommen. Verzet. Hoger beroep. Grievenstelsel. Ex nunc en ex tunc. Bij verstekvonnis wijst de voorzieningenrechter vorderingen toe, versterkt met dwangsommen. Bij verzetvonnis bekrachtigt de voorzieningenrechter de toewijzingen. Partijen gaan in hoger beroep. Hoge Raad: In een geval als dit moet de appelrechter ambtshalve beoordelen of ex nunc spoedeisend belang bestaat. Zo nee, dan moet hij binnen de omvang van het hoger beroep en het door de grieven ontsloten gebied beoordelen of de bekrachtiging in het verzetvonnis terecht was, voor wat betreft het spoedeisend belang ten tijde van het verzetvonnis. Voor zover geen grief is gericht tegen het – expliciete of impliciete – oordeel dat spoedeisend belang bestond ten tijde van het verzetvonnis, heeft de appelrechter dat oordeel te eerbiedigen. Komt de appelrechter naar aanleiding van een grief tot het oordeel dat het spoedeisend belang ten tijde van het verzetvonnis ontbrak, dan moet hij binnen de omvang van het hoger beroep en het door de grieven ontsloten gebied onderzoeken of de toewijzing in het verstekvonnis terecht was voor wat betreft het spoedeisend belang ten tijde van het verstekvonnis. Als het spoedeisend belang ten tijde van het verstekvonnis bestond, en de toewijzing met dwangsomveroordeling ook overigens in stand moet blijven, dan moet de appelrechter de veroordeling in het verstekvonnis in stand laten wat betreft de periode tot het verzetvonnis.